De rokende vlaswiek

Een preek uitgesproken door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle, Newington, op 1 juni 1884.

De rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen. Jes. 42:3 SV

DE WARE BETEKENIS VAN DE ROKENDE VLASWIEK

Ik ben van mening dat de voornaamste betekenis van deze woorden niet de gebruikelijke is, noch de betekenis waarover ik vanavond wil preken. In Mattheüs 12 lezen we dat onze goddelijke Heere werd aangevallen door de schriftgeleerden en de Farizeeën. Toch ging Hij op dat moment niet met hen in discussie, noch maakte Hij hen voortdurend tot het doelwit van Zijn opmerkingen. Gezien hun hypocrisie en het grenzeloze kwaad dat zij aanrichtten, behandelde Hij hen zelfs met opmerkelijke zachtmoedigheid. In vergelijking met Hem waren zij slechts als het geknakte riet en de rokende vlaswiek; als Hij het had gewild, had Hij hen volledig kunnen breken of doven. Maar Hij was niet gekomen om louter een controversiële persoonlijkheid te zijn.

In werkelijkheid was Hij de grootste Hervormer aller tijden, maar meer een opbouwer dan een afbreker. Hij kwam niet zozeer om dwalingen met argumenten te bestrijden, maar om ze te verdrijven door ze te vervangen door de waarheid. Daarom liet Hij deze schriftgeleerden, Farizeeën en andere tegenstanders grotendeels met rust, terwijl Hij rustig doorging met Zijn eigen werk: het genezen van zieken en het redden van zondaars. Dat is een belangrijke les voor ons.

Wij kunnen soms strijdlustig worden en religieuze controverses opzoeken. Maar onze Verlosser twistte niet, schreeuwde niet en verhief zijn stem niet op straat; een geknakt riet brak Hij niet, en een rokende vlaswiek bluste Hij niet uit. De beste manier om het zwakke licht van een rokende vlaswiek te doven, is de zon te laten schijnen — dan merkt niemand dat flakkerende licht nog op. In plaats van deze gebroken rietstengels te verachten, richtte Hij zich op de hogere waarde van onomstotelijke en onweerlegbare waarheid. Want mensen zullen hun vertrouwen niet langer in geknakte rietstengels stellen als ze eenmaal iets sterkers en betrouwbaarders hebben gezien.

CHRISTUS BESTRIJDT DWALING DOOR DE WAARHEID

De beste manier waarop u en ik dwalingen kunnen bestrijden, is door de waarheid te verkondigen. Wanneer wij Christus prediken, wordt de duivel overwonnen. Als er een kromme stok voor u ligt, hoeft u niet uit te leggen hoe krom die is; leg er gewoon een rechte naast, en het verschil spreekt voor zich. Predik de waarheid, en de dwaling zal in haar aanwezigheid te schande worden gemaakt.

Dat is ongetwijfeld de eerste betekenis van deze passage, zoals blijkt uit de context in Mattheüs. Er staat: “Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek, die zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.” Wanneer de Heere het oordeel tot overwinning brengt, zal het definitief afgelopen zijn met het geknakte riet en de rokende vlaswiek van de huichelaar, de Farizeeër, de formalist, de wetticist en iedere andere tegenstander.

Gewoonlijk worden deze woorden zo verstaan dat Jezus Christus zeer zachtmoedig omgaat met schuchtere gelovigen. Die uitleg moeten we niet verwerpen, want ten eerste is zij waar, en ten tweede wordt zij ook door deze tekst ondersteund. Want als onze Heere Jezus tijdens zijn leven zelfs tegenover huichelaars zachtmoedig was, hoeveel te meer zal Hij dan zachtmoedig zijn tegenover oprechte maar schuchtere zielen? Als het waar is dat Hij zelfs de rokende vlaswiek van een Farizeeër niet uitdooft, hoeveel te meer geldt dat dan voor de rokende vlaswiek van een berouwvolle zondaar! Dus ook al zegt de tekst niet letterlijk wat er gewoonlijk onder wordt verstaan, hij impliceert het wel degelijk, en de woorden leiden vanzelf tot die gebruikelijke betekenis.

Ik ben van mening dat er binnen de kerk een soort geestelijk instinct bestaat, waardoor zij, zelfs wanneer critici beweren dat zij een bijbelpassage verkeerd toepast, deze in werkelijkheid meestal niet verkeerd toepast. Vaak brengt dit slechts een tweede betekenis aan het licht die altijd achter de eerste verborgen is gebleven – een betekenis die niet minder duidelijk is, maar juist des te duidelijker dankzij het eerste licht. Daarom zal ik de tekst interpreteren in de zin die ik zojuist heb beschreven. “De rokende vlaswiek, die zal Hij niet uitblussen” is een woord voor u: schuchtere, moedeloze, zwakke en toch oprechte gelovigen. U mag deze tekst persoonlijk tot u nemen. Moge de Heilige Geest u daarbij helpen!

I. Nu ik het hierover heb, zal ik eerst nagaan WELKE TOESTAND HIER WORDT VOORGESTELD.

WAT IS EEN ROKENDE VLASWIEK?

Een rokende vlaswiek is een beeld van een toestand waarin nog een sprankje goedheid aanwezig is. De engelse kanttekening spreekt van “een zwak brandende vlaslont”. Ze brandt wel, maar heel zwak. Er is een klein vonkje van het goede in het hart. U, mijn beste vriend, hebt een beetje geloof. Het is misschien niet groter dan een mosterdzaadje, maar zelfs geloof van die omvang bezit grote kracht. Ik zou graag zien dat uw geloof uitgroeit tot een grote boom, maar ik ben al heel dankbaar dat u iets van geloof hebt, ook al is het zo klein als een mosterdzaadje.

U hebt ook verlangen naar betere dingen: u wilt heiliger worden. U bent graag onder Gods volk, en hoewel u soms vreest dat u niet werkelijk bij hen hoort, zou u alles wat u bezit geven om daar zekerheid over te krijgen, want u houdt van hun gesprekken. Omdat u zulke verlangens hebt, bidt u.

“O meneer,” zegt u, “het is het niet waard om gebed genoemd te worden!” Welnu, dan zullen we het geen gebed noemen — maar het ís wel gebed. Want soms, zelfs wanneer er geen woord wordt uitgesproken, is het verlangen van het hart een zeer welgevallig smeekgebed tot God.

“Ach meneer,” zegt u, “mijn verlangen is niet altijd even sterk!” Het spijt me zeer dat dat zo is. Ik zou willen dat u altijd een krachtig verlangen naar Christus had. Maar toch: u verlangt wél. Er is een smachten, een verlangen, een zuchten, een hongeren en dorsten. Daarom is er iets goeds in u.

“Prijs mij niet,” zegt u. Nee, beste vriend, dat zal ik niet doen. Ik weet dat u dat ook niet zou willen, want u denkt nederig over uzelf. Net als de tollenaar roept u: “God, wees mij, zondaar, genadig.” Dat past bij u, nietwaar? Juist daarin zie ik iets goeds in u: u hebt geen hoge dunk van uzelf. Als u die wel had, zouden wij misschien slecht van u denken. Maar omdat u zelfs berouw hebt over uw berouw, en het gevoel hebt dat uw tranen om nog meer tranen vragen, ben ik daar juist blij om. Nederigheid van hart is een genade die tegenwoordig weinig wordt gewaardeerd, maar door de Koning van de hemel zeer hoog wordt geacht. “Maar op dezen zal Ik zien,” zegt Hij, “op den arme en verslagene van geest en die voor Mijn woord beeft” (Jes. 42:2). Er is iets goeds in u, door de Geest van God daar gelegd.

“Ach,” zegt u, “dat woord doet mij goed, meneer; ik weet zeker dat er van nature niets goeds in mij was.” Vriend, daarvan ben ik even overtuigd als u, als u ook maar enigszins op mij lijkt. Het is de genade van God die in ons het eerste verlangen heeft gewerkt, onze eerste afkeer van de zonde, ons eerste verlangen naar vergeving, ons eerste heimwee om terug te keren naar onze Vader van wie wij zijn afgedwaald. De Geest heeft dat in u gelegd, en daarom bent u als een rokende vlaswiek: er leeft een klein vuur in u.

U bent ook als een rokende vlaswiek omdat uw goedheid nog te klein is om voor anderen van groot nut te zijn. Stel dat wij vanavond alleen zo’n smeulende vlaslont hadden terwijl al het gaslicht uit was — wat zouden wij eraan hebben? Misschien zou u een zwakke gloed zien, maar u zou zeggen: “Dit is geen licht, maar zichtbare duisternis.” Toch vind ik het al waardevol wanneer een ziel in de duisternis die duisternis zichtbaar maakt. Ook daarin ligt iets goeds.

Ach, u bent zo’n arm en schuchter schepsel. U kunt een kind van God nauwelijks troosten; u kunt uzelf niet eens troosten. U kunt de zwakken niet versterken, want u hebt al uw kracht zelf nodig. U bent nog geen sterke soldaat; u kunt nog niet stevig in de gelederen marcheren — wij moeten u als het ware in een ambulance vervoeren. Maar wij worden het niet moe om u te dragen, en God evenmin. U bent nog steeds een soldaat, want u zou vechten als u kon. Hoewel u zwak bent, wilt u toch, zodra de trompet klinkt, midden in de strijd staan. Arm mens dat u bent, u zou snel vertrapt worden; maar u bezit wel moed, en daarvoor dank ik God.

Uw moed is misschien niet van groot nut voor anderen, maar zij is wel van betekenis voor uzelf, want zij bewijst dat u een soldaat van het kruis bent, een volgeling van het Lam. Ik zou willen dat u meer licht had, zodat u uw broeder op zijn donkere weg kon verlichten. Ik zou willen dat u meer geloof, meer vreugde, meer hoop en meer rust bezat, zodat u nuttiger kon zijn in het huisgezin van de Heere en de Koning in u een gewillige helper zou vinden.

Maar ook al kunt u dat nu nog niet, toch bent u als de rokende vlaswiek: er is iets goeds aanwezig, alleen nog niet groot genoeg om u zeer bruikbaar te maken. Toch zal ik u één ding zeggen dat u wel kunt doen: wanneer u een andere arme ziel ontmoet die net zo is als u, kunt u medeleven tonen, nietwaar? Ziet u, wanneer heldere en stralende lichten dicht bij zwakke lichtjes komen, beschamen zij die vaak eerder dan dat zij hen troosten. Maar u zult dat niet doen. Juist daarom kunt u de moedelozen helpen — en dat zult u, al is het misschien pas later, zeker doen.

WAAROM ZWAKKE GELOVIGEN VAAK TWIJFELEN

Een rokende vlaswiek geeft dus wel enig licht, maar zo weinig dat het nauwelijks van nut is. En wat nog erger is: het is zo zwak dat het eerder onaangenaam dan aangenaam wordt. Niemand geniet van de geur van een kaars die bijna uitgaat. Smeulend vlas verspreidt geen prettige geur, en zo is het ook met een christen die zich in een geestelijk treurige toestand bevindt. Er is wel iets goeds in hem, maar er is ook veel dat verkeerd is, en dat verkeerde verspreidt als het ware een onaangename geur.

Soms geloven deze mensen, die op “de rokende vlaswiek” lijken, allerlei dwalingen. Zij houden niet vast aan de vaste en ware leer van Gods eeuwige liefde, maar geven de voorkeur aan opvattingen die niet bijbels zijn. Dwalingen zijn echter nooit welgevallig aan Christus, noch aan Zijn volk. Bovendien worden zij omringd door een grote wolk van twijfel. Zij twijfelen aan het ene, stellen het andere in vraag en koesteren wantrouwen jegens weer iets anders. Er is niets wat onze goddelijke Heere meer bedroeft dan wantrouwen tegenover Hem. Het is een grote daad van genade dat Hij dit toch verdraagt. Iemand zei eens tegen Christus: “Indien Gij kunt”; dat was een schokkende uitspraak tegenover een almachtige Heere. Een ander zei: “Indien Gij wilt”; dat was een beledigende uitspraak tegenover Iemand die zo vol goedheid is. Toch verdroeg Hij hen beiden.

Twijfelende harten blijven roepen: “Als Gij wilt” en “als Gij kunt”, en doen liever iets anders dan eenvoudigweg geloven. Dat is een stank in de aanwezigheid van de Heere Jezus Christus. Wij beschouwen onze twijfels misschien als een kleinigheid, maar voor Hem zijn ze geen kleinigheid. Ze doen Hem pijn en breken Zijn hart. Vanmorgen kwam na de dienst een dierbare zuster naar mij toe. Ze vertelde dat zij op dezelfde dag als ik vijftig jaar was geworden en wilde mij daarom de hand schudden. Daarna zei ze: “Daarin lijk ik op u, maar in andere dingen ben ik precies uw tegenovergestelde.”

Ik antwoordde: “Dan moet u wel een goede vrouw zijn.” “Nee,” zei zij, “dat bedoel ik niet.” “Maar bent u geen gelovige?” vroeg ik. “Nou,” zei ze aarzelend, “ik… ik probeer het te zijn.” Ik nam haar hand vast en zei: “U gaat mij toch niet vertellen dat u zult proberen in mijn Heere Jezus Christus te geloven? Want daarmee spreekt u eigenlijk ongeloof uit tegenover Hem die volkomen waarachtig is.” Ik hield haar hand stevig vast terwijl ik verder zei: “Toen uw moeder nog leefde, zei u toen ooit: ‘Moeder, ik zal proberen u te geloven’? Nee, u geloofde haar eenvoudig omdat zij betrouwbaar was. En zo wil ik dat u Jezus Christus gelooft.”

Toen zei ze: “Meneer, wilt u alstublieft voor mij bidden?“ Ik antwoordde: “Nee, daar voel ik me niet toe geroepen. Waarvoor zou ik bidden, als u niet in mijn Heere wilt geloven? Welke zegen kan Hij u schenken zolang u Hem wantrouwt? Wat heeft Hij ooit gedaan waardoor u zou zeggen: ‚Ik kan niet in Hem geloven‘?“ Maar opnieuw zei ze: “Ik zal het proberen.“ Ik was pas tevreden toen ik haar had herinnerd aan het woord: “Wie in Hem gelooft, heeft eeuwig leven.” Ik drong er bij haar op aan om eenvoudig en volledig te vertrouwen op de opgestane Heere. De Heilige Geest stelde haar in staat om dat te doen, en toen riep zij uit: “Ik heb steeds naar mijn gevoelens gekeken, meneer, en dat is mijn fout geweest.”

Ik twijfel er niet aan dat dat waar was. En velen doen precies hetzelfde. Hun twijfels zijn die afschuwelijke rook die opstijgt uit smeulend vlas. O, arme twijfelaars, geloof toch in de Heere Jezus Christus! Wanneer u zegt: “Ik kan Hem niet geloven,” zegt u in feite dat Hij een leugenaar is — en dat mogen wij u niet laten zeggen.

Beste vriend(in), als u bent als een rokende vlaswiek, dan is er wel iets goeds in u; maar het is nog zo zwak en klein dat er veel aan u is wat moeilijk en beproevend is. Toch zal de Heere u niet uitdoven. U bent vol angsten. U schrikt van een schaduw en beeft om het kleinste ding. Waarom toch? U bent bedroefd terwijl u juist blij zou mogen zijn, en u maakt uw hele gezin somber zonder dat daar werkelijk reden voor is. Moge de Heere u daarvan verlossen!

Mensen die sterk staan in het geloof hebben geprobeerd u te troosten, maar vaak hebt u hen eerder naar beneden getrokken dan dat zij u omhoog konden helpen. Kom, vriend, ik wil zo zachtmoedig mogelijk met u omgaan; mijn tekst verplicht mij daartoe. Ik heb geen blusmiddel voor uw rokende vlaswiek, want mijn Heere heeft gezegd: “De rokende vlaswiek, die zal Hij niet uitblussen.”

SATAN VREEST HET KLEINSTE VONKJE GENADE

Ik moet hier nog één ding aan toevoegen, namelijk dit: hoewel het goede in u zo klein is dat het voor anderen van weinig nut lijkt, en soms zelfs onaangenaam kan zijn, is er toch genoeg goeds in u om in de ogen van satan gevaarlijk te zijn. Hij ziet niet graag zelfs maar een klein vuurtje in u branden, want hij vreest dat het op een dag tot een grote vlam zou kunnen uitgroeien.

Als iemand van u een man achter een openbaar gebouw zou zien staan terwijl hij zijn pijp aansteekt, zou u misschien bang zijn voor een explosie, omdat u zou kunnen denken dat hij dynamiet aan het plaatsen is. Er zijn momenten waarop zelfs het kleinste rookpluimpje de dapperste mensen met angst kan vervullen. Geestelijk gezien is het hetzelfde: “Satan beeft wanneer hij de zwakste heilige op zijn knieën ziet.”

Wanneer Hij u hoort zuchten onder uw zonde, schrikt Satan daarvan. “O,” zegt hij, “zij beginnen te voelen; zij beginnen te treuren; zij beginnen te verlangen; zij beginnen te bidden — en spoedig zullen zij mij verlaten.” Als een boer een beetje rook uit een van zijn hooimijten ziet opstijgen, zal hij niet zeggen dat er niets aan de hand is met dat smeulende vuur. Nee, hij zal zich haasten om een brand te voorkomen. Zo ziet Christus ook de kleine genade die in u aanwezig is, beste vriend, en Hij keurt die goed, omdat Hij weet welke mogelijkheden daarin verborgen liggen.

Hij weet hoe een klein geloof kan uitgroeien tot een sterk geloof; hoe het mosterdzaadje een boom kan worden waarin de vogels van de hemel in de takken nestelen. En satan weet eveneens wat eruit kan voortkomen. Daarom probeert hij het, als hij kan, uit te doven. Maar wij willen u juist bemoedigen en het kleine vonkje in u aanwakkeren tot een vlam. Dat is dan het antwoord op de eerste vraag: welke toestand wordt hier voorgesteld?

II. Ten tweede: WANNEER BEVINDEN ZIELEN ZICH IN DIE TOESTAND?

WANNEER EEN GELOVIGE EEN ROKENDE VLASWIEK WORDT

Sommigen verkeren in deze toestand wanneer zij pas gered zijn — wanneer de vlaswiek nog maar net is aangestoken. Degenen die vanavond in de gemeente zullen worden opgenomen, heet ik van harte welkom, ook al brandt hun licht nog maar zwak. Sommigen zouden misschien zeggen: “Laat hen nog maar even wachten.” Maar onze Heere dooft de rokende vlaswiek niet uit omdat zij pas is aangestoken, en ik wil dat evenmin doen. Er is geen betere plaats voor lammeren dan de schaapskooi. Geen betere plaats voor kinderen dan hun eigen huis. En geen betere plaats voor jonge christenen dan de gemeente van God. Laat hen dus komen.

Aangezien zij pas bekeerd zijn, is veel van dit alles nog nieuw en onbekend voor hen. U hebt allerlei ontdekkingen gedaan. U ziet meer verdorvenheid in uw eigen hart dan u ooit had gedacht, en u komt vijanden tegen waar u vrienden had verwacht. Dit alles kan uw moed aan het wankelen brengen. Maar laat u niet ontmoedigen, want hoewel uw licht nog klein en zwak is, zal de liefdevolle Jezus de rokende vlaswiek niet doven.

Soms rookt een kaars niet omdat hij net is aangestoken, maar omdat hij op het punt staat te doven.

Ik weet dat ik spreek tot sommige christenen die al vele jaren branden door het vuur van Gods genade, maar die nu het gevoel hebben dat ze dicht bij het moment van doven zijn. Toch zult u niet doven. De Heere zal u niet doven, noch zal Hij toestaan dat de duivel u dooft. Hij zal u door Zijn genade laten branden.

“O,” zegt u, “ik ben zo neerslachtig van geest!” Ja, ook veel van Gods beste dienaren hebben diepe somberheid gekend. Denk aan Hanna, die door Eli hard werd terechtgewezen en toch een zegen ontving. Denk aan David, die moest uitroepen: “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij?” — en toch was hij een man naar Gods hart.

Misschien bent u lichamelijk zwak, of hebt u een ziekte doorgemaakt die uw zenuwen heeft uitgeput, zodat u depressief bent geworden. Daardoor denkt u misschien dat Gods genade u verlaat. Maar dat zal niet gebeuren. Uw geestelijk leven hangt niet af van uw natuurlijke kracht, anders zou het inderdaad kunnen uitdoven; het hangt af van Gods genade, en die genade zal blijven schijnen totdat zij u in de heerlijkheid verlicht. Wees daarom niet moedeloos. Misschien denkt u dat uw licht zal eindigen in eeuwige duisternis, maar dat zal nooit gebeuren, want de Heere Jezus Christus zal de vlam brandend houden.

Soms rookt de lont omdat wereldsgezindheid haar heeft verstikt. Sommigen van u ervaren nauwelijks geestelijke vreugde, en dat verbaast mij niet, want u bent zo opgeslokt door de wereld en zo gehecht aan haar. Het leven van God is wel in u, maar het wordt verstikt. U bent als een herfstvuur in de tuin, wanneer men onkruid verbrandt: er is vuur aanwezig, maar alles wat men ziet, is rook. Ja, u verstikt uw godsvrucht met de dingen van deze wereld, en daarom rookt zij. Maar wat een genade is het dat de Heere zelfs dan nog niet toelaat dat u omkomt! Hij houdt de bijna stervende vlam toch in leven, al is zij verborgen.

VERLEIDINGEN EN GEESTELIJKE ZWAKHEID

Soms brandt een lont zwak omdat er een harde wind overheen is gegaan. Veel mannen en vrouwen worden blootgesteld aan zware verleidingen. De plaats waar zij wonen is voor hen een voortdurende beproeving, en hun natuurlijke aanleg brengt allerlei verzoekingen met zich mee. Daarom brandt het vlas nauwelijks meer, maar rookt en smeult het slechts. Dat verbaast ons niet. Er zijn nog vele andere redenen waarom wij soms verzwakken. Eigenlijk zouden wij altijd brandende en stralende lichten moeten zijn; er zou nooit een moment mogen zijn waarop wij lijken op smeulend vlas. Maar wij zijn niet wat wij behoren te zijn. Wij blijven ver achter bij de ware maatstaf, en zo worden wij zwakke gelovigen.

III. Ik wil afsluiten met een woord van hoop. WAT DOET JEZUS MET DEGENEN DIE ZICH IN DEZE TOESTAND BEVINDEN?

CHRISTUS DOOFT HET ZWAKKE NIET UIT

Hij zegt dat Hij de rokende vlaswiek niet zal uitdoven. Wat ligt er een oceaan van barmhartigheid in dat woord besloten! Iedereen behalve Christus zou ons uitdoven. Ik ben ervan overtuigd dat sommige christenen soms in zo’n toestand terechtkomen dat zelfs de meest liefdevolle medegelovigen moeite hebben hen te verdragen, en gaan vrezen dat zo’n geestelijke toestand onmogelijk met genade verenigbaar kan zijn. Daarom zouden zij u misschien als verloren beschouwen. Maar Jezus Christus zegt dat Hij dat niet zal doen.

Hij zal u niet uitdoven door een wettelijk oordeel over u uit te spreken. Hij zal niet zeggen: “U hebt mijn wetten overtreden, en daarom ben Ik klaar met u.” Als Hij dat zou doen, dan zouden wij alleen nog kunnen antwoorden: “Ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.” Als de Heere zo met ons zou handelen, zouden wij allen worden uitgedoofd — niet alleen de zwaksten en meest bevende gelovigen, maar ook de sterksten onder ons. Maar de Heere Jezus Christus is niet gekomen om te veroordelen, maar om te redden.

Hij zal u ook niet uitdoven door een overdreven hoge maatstaf van geestelijke ervaring aan te leggen. Sommige diepzinnige theologen zeggen: “U moet dit hebben ervaren en dat hebben gevoeld, anders kunt u geen kind van God zijn.” Maar wie heeft die man dat verteld? Wie heeft hem tot rechter aangesteld? De Heere Jezus Christus dooft zelfs het zwakke verlangen of het wankelende geloof van zijn kinderen niet uit, ook al blijven zij ver achter bij de ervaring die een volwassen christen zou moeten hebben.

Evenmin zal Hij u beoordelen op grond van een hoge mate van kennis. Ik heb mensen gekend die dachten: “Als die bekeerling de leerstellingen niet beter begrijpt, kan hij geen kind van God zijn.” Maar sommige van Gods kinderen hebben nog veel verwarring in hun hoofd; en wanneer de Heere eerst hun hart vernieuwt, zal Hij daarna ook hun verstand verder verlichten. Het is een zeer verkeerde zaak wanneer wij zeggen dat iemand geen kind van God kan zijn omdat hij nog niet alles weet wat gevorderde gelovigen weten.

Lieve moeder, uw kleine kind dat nog niet kan lezen of schrijven, drukt u toch net zo liefdevol aan uw hart als die sterke zoon die zojuist de eerste prijs op school heeft gewonnen. U zegt niet: “Ik zal niet van de kleine houden omdat hij nog geen man is,” of: “Ik zal niet van mijn kleine dochter houden omdat zij nog niet volwassen is.” Nee, natuurlijk niet. Zo heeft de Heere ook de kleinen lief.

GELOOF ALS EEN MOSTERDZAADJE

Als u kunt zeggen: “Eén ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie,” dan bent u door God onderwezen. En als u slechts deze twee dingen weet — dat u een zondaar bent en dat Christus een Verlosser is — dan weet u genoeg om de hemel binnen te gaan. De Heere Jezus Christus zal u ook niet ontmoedigen door een strenge maatstaf aan uw geloof of genade aan te leggen. Het is niet: “Zoveel geloof, en u bent gered; zo weinig geloof, en u bent verloren.” Nee. Als u geloof hebt als een mosterdzaadje, dan zal dat geloof u redden. Als u op Christus vertrouwt, bent u gered.

De vrouw die slechts met haar vinger de zoom van Christus’ kleed aanraakte en daarna bevend terugweek, werd werkelijk genezen, hoe zwak haar aanraking ook was. En Simeon, die de Verlosser in zijn armen hield en zei: “Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede,” bezat niet méér zekerheid van reddend geloof dan die arme vrouw die van achteren kwam en slechts de zoom van zijn kleed aanraakte.

DE ZACHTE ADEM VAN CHRISTUS’ LIEFDE

Kom daarom, jullie kleine en bevende zielen! Wees niet bang. Jezus zal u op geen enkele van deze manieren doven. Integendeel, Hij zal u beschermen. Hij zal u met de zachte adem van Zijn liefde aanblazen totdat de kleine vonk opflakkert tot een heldere vlam. Jullie jongeren weten niet meer hoeveel moeite sommigen van ons vijfenveertig jaar geleden hadden, toen we ’s ochtends op de ouderwetse manier een vuur moesten aansteken. Daar stonden we dan met vuursteen en staal, eindeloos slaand totdat er eindelijk een klein vonkje in het tondel verscheen – o, wat een klein vonkje! En dan probeerden we het voorzichtig tot een vlam te blazen.

Hoe zorgvuldig koesterden wij dat kleine vonkje op een koude wintermorgen, wanneer onze vingers bijna bevroren waren! Wij doofden het nooit door het deksel op het tondel dicht te slaan, in plaats daarvan deden we ons uiterste best om er een vlam van te maken. De Heere Jezus Christus zal met Zijn liefdevolle Geest zachtjes over u blazen. Hij zal u herinneren aan Zijn buitengewoon grote en kostbare beloften. Hij zal vriendelijke mensen in uw leven brengen die hun eigen ervaringen met u zullen delen en u zullen proberen te bemoedigen.

VAN ROKENDE VLASWIEK TOT BRANDENDE VLAM

Het zou mij niet verbazen, mijn beste broeder, als ik u binnenkort een krachtig en moedig gebed hoor uitspreken. Het zou mij niet verbazen als u spoedig naar voren komt om openlijk uw geloof te belijden. En als u dat al hebt gedaan, dan ben ik er zeker van dat u die belijdenis zult waarmaken en sterker zult worden, totdat wij op een dag zullen zeggen: “Wie is die moedige getuige van Christus? Wie is dat brandende en stralende licht?” — terwijl het juist degene is die ooit werd vergeleken met een rokende vlaswiek.

Op de verjaardagen van mijn twee jongens heb ik ieder jaar een portret van hen laten maken, vanaf hun eerste verjaardag tot hun eenentwintigste. Op de eerste foto zitten de kleintjes samen in één kinderwagen. Maar op hun eenentwintigste doen zij natuurlijk niets van dien aard meer: dan zijn het volwassen mannen. Toch kan ik hun hele ontwikkeling volgen, vanaf hun babytijd, via hun kinderjaren en jeugd, totdat zij jonge mannen werden.

Ik zou er niet blij mee zijn geweest als ik hen na eenentwintig jaar nog steeds in een kinderwagen had zien rondrijden. Dan zou ik mijzelf een zeer ongelukkige vader hebben gevonden. Zo wil ik ook niet dat iemand van u geestelijk een kind blijft. Wij verlangen ernaar u te zien opgroeien tot de volle maat van volwassenheid in Christus Jezus.

GROEI IN GENADE EN GELOOF

Leven is kostbaar, maar wij verlangen ook naar groei. Een vonk is werkelijk vuur, maar wij verwachten dat zij uitgroeit tot een vlam. Genade is van onschatbare waarde, maar wij verlangen ernaar dat zij dagelijks toeneemt terwijl wij voortgaan naar geestelijke volwassenheid. Veracht daarom de dag van de kleine dingen niet, maar streef wel naar grotere dingen dan deze. Wees bemoedigd, maar niet zelfgenoegzaam; rust uit, maar blijf niet stilstaan.

EEN UITNODIGING VOOR BEVENDE ZIELEN

De tafel van de Heere is gereedgemaakt, en het is een feestmaal — niet alleen voor sterke mannen, maar ook voor kinderen in de genade. Kom hierheen, u die de Heere liefhebt, en u die op Hem vertrouwt, hoe zwak uw vertrouwen ook mag zijn. Hoe klein uw moed ook is, kom en wees welkom! De tafel van mijn Heere is niet alleen voor geestelijke reuzen, maar ook voor kleine kinderen. De spijzen zijn geen zwaar voedsel, maar brood en wijn: passend voedsel voor de zwakken en brozen.

Onderzoek uzelf, u oprechte maar bevende zielen; maar laat dat zelfonderzoek er niet toe leiden dat u wegblijft. Let juist op wat de tekst zegt: “Laat een mens zichzelf onderzoeken, en zó eten” — niet: zodat hij zich van het eten onthoudt. O u die hoopt op zijn genade, uw Heere nodigt u uit aan Zijn eigen liefdemaaltijd. U mag komen en bent van harte welkom. Als u door het geloof tot Christus zelf bent gekomen, kom dan ook aan Zijn tafel en gedenk Hem vanavond. De Heere zegene u, om Jezus’ wil. Amen.

Lees ook: De juiste viering van het Heilig Avondmaal

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content