De juiste viering van het Heilig Avondmaal
Een preek uitgesproken op zondagavond 4 juni 1882 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.
Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam; En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis. Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt. 1 Korinthe 11:23-26
We hebben geen enkel respect voor menselijke instellingen in de godsdienst. Wat alleen door kerken of synodes bedacht is, heeft voor ons geen enkele waarde. We kennen twee instellingen van de Heere Jezus Christus: de doop van de gelovigen en het Heilig Avondmaal. Alle zogenaamde sacramenten van welke soort ook verafschuwen en verwerpen we volkomen. En juist omdat we deze twee instellingen vieren, en alleen deze twee, ligt het ons des te meer na aan het hart dat ze op de juiste wijze gebruikt en goed begrepen worden, en dat ze dienen tot stichting van wie eraan deelnemen. We willen dat wie gedoopt wordt, begrijpt wat die veelzeggende handeling betekent: dat wie met Christus gestorven is, ook met Hem begraven wordt en met Hem opstaat in een nieuw leven. En als we het Heilig Avondmaal vieren, verlangen we diep en ernstig dat niemand aan de tafel komt zonder de betekenis van de viering te kennen, of dat onwetendheid in elk geval geen aanleiding wordt om onwaardig te eten. Mogen we begrijpen waar we mee bezig zijn en de geestelijke betekenis verstaan van dit aanschouwelijke onderwijs, waardoor de Heere Jezus Christus Zijn kerk tot aan het einde van de tijden wil herinneren aan Zijn grote offer aan het kruis.
Allereerst zal ik dus kort spreken over de vorm van het Heilig Avondmaal.
We denken niet dat het er iets toe doet waar het avondmaal gehouden wordt. Het is in uw eigen woning, in uw slaapkamer of in uw zitkamer even geldig en nuttig als op elke andere plaats waar christenen gewoonlijk samenkomen. We hechten niet zoveel belang aan het tijdstip van de viering als sommige mensen doen, maar het verbaast ons wel dat de hoogkerkelijken tegen de avondmaalsviering in de avond zijn. Als men uit de Schrift al een bepaald tijdstip voor de viering kan aanwijzen, dan is het toch zeker de avond! Ik zou de ritualisten weleens willen vragen of ze ooit, in heilige of in wereldse zaken, een voorbeeld hebben gevonden van een avondmaal dat vóór het ontbijt werd gegeten, voordat zij die ongerijmde gewoonte bedachten. Geen tijdstip lijkt meer op de eerste keer dat de Meester deze instelling met Zijn discipelen vierde dan de avond van de dag. Toen riep Hij de twaalf apostelen bijeen en stelde Hij deze gezegende gedachtenismaaltijd in. Ook in Emmaüs was het aan het einde van de dag dat Hij Zich aan Zijn twee discipelen bekendmaakte in het breken van het brood. Het is puur bijgeloof, volstrekt niet gerechtvaardigd door de Heilige Schrift, om te beweren dat het Heilig Avondmaal alleen ’s morgens op de juiste wijze ontvangen kan worden en dat we niets mogen eten voordat we aan de heilige tekenen deelnemen! Zulke onzin verwerpen we, want we vinden er geen grond voor in de enige maatstaf die wij erkennen: het door God ingegeven Woord. Laten we eens zien wat dat ons over deze instelling leert.
We leren in de eerste plaats dat het Heilig Avondmaal met dankzegging moet beginnen. Zo is de Meester Zelf er kennelijk ook mee begonnen: “Hij nam brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het.” Tijdens het hele avondmaal moet de dankbaarheid levendig geoefend worden. Het is de bedoeling dat we danken voor het brood en tegelijk nog nadrukkelijker danken voor het heilige lichaam dat het voorstelt. Daarna moeten we ook danken voor de beker en voor het zeer kostbare bloed dat ons daarin wordt voorgesteld. We kunnen het Heilig Avondmaal niet op de juiste wijze vieren als we niet aan de tafel komen terwijl we onze Zaligmaker zegenen, loven, verheerlijken en aanbidden. We loven Hem zelfs omdat Hij zo’n gedachtenismaaltijd heeft ingesteld, zo’n instelling ter herinnering om ons zwakke geheugen te helpen. En we loven Hem nog meer omdat Hij ons iets zo gezegends te gedenken geeft als Zijn eigen grote offer voor onze zonde.
Na de dankzegging brak onze goddelijke Heere het brood, dat is heel duidelijk. We weten nauwelijks wat voor brood er bij die gelegenheid gebruikt werd. Waarschijnlijk was het het dunne paasbrood van de Joden, maar de Schrift zegt niets over het gebruik van gezuurd of ongezuurd brood. Het maakt dus niet uit wat we gebruiken. Waar geen voorschrift is, is ook geen verplichting, en daarom zijn we vrij om het brood te gebruiken dat we gewoonlijk eten.
Toen de Meester het brood gebroken had, gaf Hij het aan Zijn discipelen en zei: “Neemt, eet”, en zij aten er allemaal van. En let wel: dit is wezenlijk voor de juiste viering van het Heilig Avondmaal. Als de priester bij het opdragen van de mis de hostie neemt, die geen brood is en die hij niet breekt, maar in haar geheel zelf opeet, dan is daar geen Heilig Avondmaal. Hoe het ook genoemd wordt, het is niet het Heilig Avondmaal. Aan het eten van het brood moeten alle trouwe, godvrezende discipelen van Christus deelnemen die er aanwezig zijn, anders is het niet de instelling die de Heere heeft ingesteld.
Daarna volgde: “Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker”, dat wil zeggen: met dezelfde dankzegging, terwijl Hij God loofde voor de vrucht van de wijnstok, die vanaf dat moment het teken van Zijn vergoten bloed zou zijn. Zo moeten ook wij het doen. Het is niet vergeefs de Heere te loven, ook al doen we het twee, drie, ja tienduizend keer! Terecht zei de psalmist: “Looft den HEERE, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; de lof is betamelijk.” Vooral is het ons betamelijk onze God te loven wanneer we de onuitsprekelijke gave gedenken van Zijn eniggeboren en welbeminde Zoon.
Daarna volgde het drinken uit de beker, de vrucht van de wijnstok, waarvan de Meester uitdrukkelijk gezegd heeft: “Drinkt allen daaruit.” Wanneer de Kerk van Rome de beker bij het volk weghaalt en hun die onthoudt, is er dus geen viering van het Heilig Avondmaal, want dan wordt opnieuw een wezenlijk deel van de instelling weggelaten. Het mag dan de mis heten of wat ook, maar het is niet het Avondmaal des Heeren! Alle gelovigen moeten zowel uit de beker drinken als van het brood eten, anders wordt de dood des Heeren niet getoond of verkondigd volgens het allerheiligste en gezegende bevel van Christus.
Verder moet het, om in waarheid het Heilig Avondmaal te zijn, gevierd worden tot gedachtenis van Christus, Die tot Zijn discipelen zei: “Doet dat tot Mijn gedachtenis.” Daaruit leren we dat alleen wie Hem kent, aan Zijn tafel mag komen, want hoe zouden we ons herinneren wat we nooit gekend hebben? En hoe zouden we Hem gedenken met Wie we nooit gesproken hebben en in Wie we nooit geloofd hebben? U moet niet naar het Heilig Avondmaal komen om geloof te krijgen. U moet eerst geloven, anders hebt u het recht niet om deze heilige plaats te naderen. Wat komt u hier dan doen? Als u denkt dat dit een zaligmakende instelling is, moet ik u zeggen wat Christus tot de Sadduceeën zei: “Gij dwaalt, niet wetende de Schriften.” De zaligheid komt tot ons door het geloof in onze Heere Jezus Christus en is de vrucht van de krachtige werking van de Geest van God in ons. Dit avondmaal is een zeer leerzame instelling voor wie behouden zijn, maar wie niet wedergeboren is en door Gods genade geen lid is van het huisgezin van de Heere, heeft hier geen recht. Wie het Pascha aten, waren mensen die in het huis van de priester geboren waren of met het geld van de priester gekocht waren. Bent u in het huis van Christus geboren of met het bloed van Christus gekocht, kent u uit gezegende ervaring de betekenis van wedergeboorte en verlossing, dan mag u aan de avondmaalstafel komen. Maar zo niet: zoals het Pascha alleen voor Israël bedoeld was, zo is dit avondmaal een maaltijd voor het gezin van wie Jezus Christus toebehoren. Anderen mogen er niet aan komen! Komen ze toch, dan lopen ze het gevaar onwaardig te eten en te drinken, omdat ze het lichaam des Heeren niet kunnen onderscheiden.
Zo heb ik u kort uitgelegd in welke vorm het Heilig Avondmaal gevierd wordt, zoals we die in het Nieuwe Testament aantreffen. U hebt gemerkt dat ik niets gezegd heb over een kelk of een schaal, over het wijden van brood en wijn of het omhoogheffen van de hostie, en over al die roomse rommel waaraan sommige mensen zoveel waarde hechten. Ik zwijg erover omdat er in de Bijbel niets over staat. “Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben.” Weg met alle toevoegingen van het bijgeloof! Ze zijn niet meer dan stof en roest die zich in de loop van de eeuwen hebben opgehoopt, en ze bederven en schenden de zuiverheid van Christus’ eigen instelling. Onze grote zorg moet zijn dat we haar precies zo vieren als Hij haar ons heeft overgeleverd, overeenkomstig Zijn eigen bevel: “Doet dat tot Mijn gedachtenis”, en niet iets anders in de plaats daarvan.
Nu leid ik, in de tweede plaats, uit onze tekst het belang van het Heilig Avondmaal af.
In de eerste plaats is het door de Heere Zelf geopenbaard. Paulus schreef aan de Korinthiërs: “Ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb.” Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes waren allemaal voor Paulus bereikbaar. Hoewel ze hun evangeliën toen nog niet geschreven hadden, had hij toch van hen kunnen leren hoe de Zaligmaker het avondmaal had ingesteld. Maar alsof Christus het niet uit de tweede hand wilde laten komen, behaagde het Hem aan Paulus persoonlijk, aan Paulus zelf, direct en duidelijk bekend te maken hoe het avondmaal gevierd moest worden. De apostel zegt: “Ik heb van den Heere ontvangen”, niet wij en ook niet “ik en de andere apostelen en discipelen”, maar “Ik heb van den Heere ontvangen.” Dat wijst op een bepaalde, persoonlijke openbaring van Christus over deze zaak. Nadat de Heere Jezus in de heerlijkheid was opgevaren, waren Zijn openbaringen maar gering in aantal, maar dit was er een van. Daarom wilde Hij dat Zijn discipelen de nodige aandacht zouden schenken aan deze belangrijke zaak, die Hij zo in het bijzonder aan Paulus geopenbaard had. Geliefden, ik beef vaak voor hen die met de instellingen van Christus knoeien. Ze veranderen ze of halen ze van hun eigen plaats weg, en zeggen dan dat hun veranderingen onbelangrijk zijn! Maria zei tot de dienaars in Kana in Galilea: “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.” Datzelfde bevel hebben we vandaag nog steeds nodig! We mogen niets veranderen van wat Christus verordend heeft, want “waar het woord des konings is, daar is heerschappij”, en in het Woord van de Koning der koningen is macht om hen te veroordelen die Zijn Woord veranderen. Wat Christus geboden heeft, moeten wij gehoorzamen. En omdat Hij Zich over deze instelling bijzondere moeite heeft getroost, door haar afzonderlijk te openbaren, boven de leiding van de Heilige Geest aan de vier evangelisten uit, mogen we er zeker van zijn dat Hij dit avondmaal met de grootst mogelijke plechtigheid en autoriteit wilde omgeven.
Het volgende punt heb ik al genoemd, maar het is zo belangrijk dat ik u er nog eens aan herinner: dit avondmaal is door de Heere bevolen. Hij zei: “Doet dat tot Mijn gedachtenis”, en ook: “Doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis.” Als ik Christus liefheb, ben ik verplicht Zijn geboden te bewaren, en onder Zijn andere geboden ook dit ene, waarin Hij hier zegt: “Doet dat.” Uit het gedrag van sommige belijdende christenen zou ik haast opmaken dat Jezus gezegd moet hebben: “Doet dat niet.” Maar omdat Hij zei: “Doet dat”, waar vind ik dan een verontschuldiging voor hen die het nooit gedaan hebben, of die het, hoewel ze Zijn volk zijn, zo zelden doen dat Hij niet tot hen kan zeggen: “Doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken”, maar eerder: “Doet dat, zo zelden als gij dien zult drinken”? Bij hun viering ervan speelt het idee van ‘dikwijls’ immers geen rol. Maar, geliefde vrienden, wat Christus geopenbaard en geboden heeft, zijn Zijn eigen geliefden verplicht te gehoorzamen!
Merk verder op dat dit avondmaal door Christus Zelf is ingesteld, en dat Hij Zelf als eerste het voorbeeld van de viering ervan heeft gegeven. Wat de doop betreft, weet u nog hoe Hij zei: “Aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen”, en zo gaf Hij ons daarin een voorbeeld. Ook bij het avondmaal was Hij het Die als eerste het brood zegende en brak. Hij was het Die als eerste de beker doorgaf en zei: “Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed.” Als Hij alleen het bevel had gegeven en de apostelen de eersten waren geweest die het uitvoerden, zou het voor ons al bindend zijn. Maar nu Hij niet alleen het bevel gaf, maar Zelf ook het voorbeeld van de viering gaf, gezeten in het midden van de tafel met de twaalf om Zich heen, denk ik dat Hij deze instelling met een bijzondere glans heeft omgeven. We mogen haar dus in geen geval vergeten, verwaarlozen of verachten.
Bedenk ook dat Hij het bij een zeer bijzondere gelegenheid heeft ingesteld. Het ontroert mij diep te lezen: “Dat de Heere Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam.” Het valt me op dat de apostel hier heel nadrukkelijk “de Heere Jezus” zegt. Heel vaak gebruikt hij de naam “Christus” als hij over de Zaligmaker spreekt, maar hier staat “de Heere Jezus”. Dat toont het ontzag en de eerbied die de apostel voelde toen hij door het geloof de Meester aan de eerste avondmaalstafel zag zitten. Paulus kon niet vergeten dat Jezus, hoewel Hij toen de Heere van allen was, in diezelfde nacht verraden werd. Hij die met Hem het brood at, hief de hiel tegen Hem op en verkocht Hem voor dertig zilverlingen! Toch dacht Hij aan ons, ook terwijl de gedachte aan dat verraad en alles wat daarbij hoorde Zijn hart verscheurde. Hij stelde deze instelling in, opdat wij, doordat ons geheugen over Zijn gezegende Persoon wordt verfrist, niet zelf aan ons lot worden overgelaten en ook verraders worden, maar in elke tijd van beproeving standvastig bewaard blijven. Broeders en zusters, het lijkt mij dat we bijzonder zorgvuldig een instelling als deze moeten onderhouden, die werd ingesteld terwijl het hart van onze Zaligmaker om onzentwil brak van smart!
En bedenk ook het belang van deze instelling vanwege het bijzondere, persoonlijke doel waarmee ze is ingesteld: “Doet dat tot gedachtenis”, maar waarvan? Van het christendom, met zijn leerstellingen en gebruiken? Nee, maar “tot MIJN gedachtenis”. U weet hoe diep het u raakt als uw man op zijn sterfbed zegt: “Doe dit, mijn liefste, tot mijn gedachtenis, als ik gestorven en heengegaan ben.” Als het in uw vermogen ligt, zult u dat zeker nooit nalaten. U weet hoe het gaat met een vriend die van u is heengegaan en u een of ander vergeet-mij-nietje heeft nagelaten. U bewaart het met de grootste zorg; het aandenken is u zeer dierbaar ter wille van uw vriend. Zo heeft onze dierbare Heere en Meester dit avondmaal omgeven met al de lieflijkheid van Zijn Persoon, al de goedheid van Zijn genegenheid voor ons en al de tederheid die in onze liefde voor Hem zou moeten zijn. Als Hij u iets gebiedt, behoort u het te doen. Maar als het iets is wat tot Zijn gedachtenis gedaan moet worden, dan moet u het wel doen; uw liefde dringt u ertoe! Schaamt u zich niet als u het niet zo liefdevol, nederig, dankbaar en ernstig mogelijk doet, zoals past bij de gedachtenis aan Hem Die u heeft liefgehad en Zichzelf voor u heeft overgegeven? Ik zou geen christen willen hoeven aansporen om aan de avondmaalstafel te komen; ik wil niets doen wat het volkomen vrijwillige karakter ervan bederft. Hebt u Hem niet lief, kom dan niet aan Zijn tafel! Maar hebt u Hem wel lief,
kom dan omdat u Hem liefhebt. Kom omdat u Hem gedenkt en omdat u geholpen wilt worden om Hem nog meer te gedenken. Is er niets in Hem wat u wilt gedenken, waag het dan niet te komen! Maar is Hij kostbaar voor uw ziel, uw vreugde en uw vertrouwen, klinkt Zijn Naam alleen al u als muziek in de oren, is hij als honing in uw mond en vreugde voor uw hart, dan hebt u mij niet nodig om u aan te sporen aan Zijn tafel te komen. Dan komt u omdat Hij zegt: “Doet dat tot Mijn gedachtenis.”
Er is nog iets wat het belang van dit avondmaal vergroot, namelijk dat het gevierd moet worden “totdat Hij komt”. Het is dus geen instelling die alleen voor de eerste eeuwen van het christendom bedoeld was, om als het ware een brug te zijn tussen het ceremoniële van het Oude Testament en het geestelijke van het Nieuwe Testament. Nee, het is bedoeld om gevierd te worden “totdat Hij komt”. We moeten aan Zijn tafel blijven samenkomen, blijven danken, het brood blijven breken en Zijn dood blijven verkondigen, totdat de bazuin van de aartsengel ons opschrikt. Dan zullen we het werkelijk een zegen vinden dat we gehoorzaam bezig zijn Hem te gedenken, wanneer Hij ten slotte verschijnt. Als Hij dan tot ons komt, zullen we zeggen: “Gezegende Meester, we hebben gedaan wat U ons bevolen hebt. We hebben Uw gedachtenis in de wereld levend gehouden, voor onszelf en voor hen die toekeken toen we in Uw Naam het brood braken en uit de beker dronken. En nu verheugen we ons dat we U in Uw heerlijkheid zien.” Ik zou niet weten op welk beter moment de ontmoeting tussen Christus en Zijn volk zou kunnen plaatsvinden dan wanneer Hij kwam terwijl ze aan Zijn tafel bijeen waren, gehoorzaam aan Zijn bevel en Zijn dood verkondigend “totdat Hij komt”.
Zo heb ik geprobeerd u zo kort mogelijk te onderwijzen over het belang van dit avondmaal. Ik hoop dat de Heilige Geest de waarheid ervan op het hart zal binden van wie deze instelling nog nooit heeft gevierd. En ik hoop dat Hij hen ertoe brengt zich af te vragen hoe zij, als ze werkelijk in Jezus geloven en de Heere liefhebben, hun ongehoorzaamheid kunnen rechtvaardigen aan wat Christus zo uitdrukkelijk geboden heeft! Maar laten we nu, in de derde plaats, nagaan in welke geest we aan deze tafel moeten komen.
Ik zou in de eerste plaats willen zeggen dat we moeten komen in een geest van diepe nederigheid. Broeders en zusters, naar mijn gevoel is het erg vernederend dat we iets nodig hebben om ons te helpen Christus te gedenken. Ik weet geen beter bewijs dat we nog niet volkomen geheiligd zijn, want als we dat wel waren, zouden we niets nodig hebben om Hem te gedenken. Helaas schiet ons geheugen nog tekort, en het vreemdste en treurigste van alles is dat dit Jezus Zelf betreft. Het is wonderlijk dat we ooit iets nodig hebben om ons te helpen Hem te gedenken. Kan Hij, aan Wie we zoveel te danken hebben, ooit door ons vergeten worden? Dat deze instelling tot Zijn gedachtenis gevierd moet worden “totdat Hij komt”, is een vernederend bewijs dat het geheugen van Zijn volk tot aan die heerlijke gebeurtenis gebrekkig zal blijven. Ze hebben dit dubbele vergeet-mij-nietje nodig om hen te herinneren aan Hem Die hun alles in allen is.
Wat zie ik op die tafel? Ik zie er brood. Daaruit leer ik deze vernederende les: ik kan mijzelf niet eens van geestelijk voedsel voorzien. Ik ben zo arm, zo’n volslagen bedelaar, dat mijn eigen tafel mij niet kan geven wat ik nodig heb. Ik moet aan de tafel des Heeren komen en door Hem het geestelijke voedsel ontvangen dat mijn ziel nodig heeft. Wat zie ik in de beker? Ik zie de wijn, het teken van Zijn vergoten bloed. Wat zegt dat mij anders dan dat ik nog steeds reiniging nodig heb? O, wat verheug ik me in die gezegende tekst uit de eerste brief van Johannes: “Indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander”! En wat volgt er dan? Dat we onze zonden niet meer hoeven te belijden, omdat we er helemaal van gereinigd zijn? Niets daarvan: “en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.” We hebben de reinigende fontein nog steeds nodig, ook als we in het licht wandelen, zoals God in het licht is, en we moeten er elke dag naartoe! Wat een genade is het dat het teken ons de voortdurende voorziening van het reinigende bloed voorhoudt, waardoor we steeds opnieuw gereinigd mogen worden! Als we uit deze beker drinken, moeten we dat in nederigheid doen, want zo past het ons aan de tafel van onze Heere te komen.
Vervolgens moeten we heel dankbaar komen. Sommigen trekken een lang gezicht als ze eraan denken aan de avondmaalstafel te komen, zoals mevrouw Al-te-goed, die Rowland Hill beschrijft in zijn Dorpsgesprekken. Zij had zich vergist in de week waarin het avondmaal gevierd zou worden. Daarom speelde ze die hele week geen kaart en hield ze zich wonderlijk rein, het arme oude mens. Toen ze op zondag ontdekte dat ze zich in de tijd vergist had, zei ze dat ze de hele week verspild had met zich voor te bereiden! Ach, geliefde vrienden, ik hoop dat wij zo’n manier van het heilige feestmaal houden niet kennen. We moeten met een heel andere gesteldheid komen, want we komen niet naar een begrafenismaal, maar naar de lekkernijen en het overvloedige onthaal die bij een bruiloftsmaal horen! Laten we dan met dankbaarheid komen en tegen elkaar over onze Heere zeggen: “Hij is hier niet; want Hij is opgestaan”; ere zij Zijn heilige Naam! Deze tekens van gedachtenis zeggen ons dat Hij is heengegaan waarheen het nut was dat Hij ging, opdat de Heilige Geest op ons zou neerdalen. Verheug u daarom, geliefden, zelfs over de afwezigheid van uw Heere, want het is goed dat Hij naar de heerlijkheid is opgevaren. En als we aan de tafel komen, terwijl ieder voelt wat een zondaar hij is, hoe onwaardig om te komen en hoe ongeschikt om bij de heiligen aan te zitten, moet dan niet ieder hart zeggen: “Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam”? Tweemaal tijdens de maaltijd wordt er een bijzondere dankzegging gebracht, maar laat het hart de hele maaltijd door vol zijn van heilige dankbaarheid en lof aan God!
Verder moeten we zeker met grote bedachtzaamheid aan de tafel komen. Er zijn er, zo wordt ons gezegd, die het lichaam des Heeren niet onderscheiden. Laten we nadenken en bidden, opdat we niet onder hen geteld worden. Als er niet goed wordt nagedacht, zal er ook geen echt geestelijk gevoel zijn, en dan is er wat u betreft geen sprake van een Heilig Avondmaal. Denk aan wat uw Zaligmaker voor u geleden heeft, wat Hij voor u gedaan heeft en wat Hij voor u is gaan bereiden! Laten we bedenken dat het brood het lijden van Zijn lichaam voorstelt en dat de wijn een beeld is van het bloed van de verzoening, waardoor we gereinigd worden. Die twee afzonderlijk, het lichaam gescheiden van het bloed, vormen een veelzeggend teken van de weergaloze dood waardoor wij leven. Denk veel na aan de tafel, maar denk aan niets anders dan aan Christus! Richt uw gedachten geheel op Hem, en zo zult u van dit brood eten en uit deze beker drinken tot verkwikking en nut van uw ziel.
Kom echter ook met grote ontvankelijkheid. Het is immers een maaltijd. We ontvangen het brood en de wijn. Kom dus aan de tafel en smeek de Heere om de genade u geestelijk met Hemzelf te voeden, zodat u Hem door het geloof in uw binnenste mag ontvangen, en zodat u in het diepst van uw ziel de kracht van Zijn leven en van Zijn dood mag ervaren! Kom daarom leeg, want dan bent u des te beter in staat om u met Hem te voeden. Kom hongerig en dorstig, want dan zult u des te meer trek in Christus hebben. Ontvang Hem in al Zijn volheid door een wonderlijk geloof dat Hem in zich opneemt, om voor altijd een vreugde voor het hart te zijn.
Dat is dus de geest waarin we aan de tafel des Heeren moeten komen. Moge de gezegende Geest met u zijn, geliefde broeders en zusters, opdat allen die aan de tafel komen, op die nederige, dankbare, bedachtzame en ontvankelijke wijze mogen komen!
Nu sluit ik mijn preek af door een paar minuten stil te staan bij de grote lessen die dit avondmaal ons terloops leert.
De eerste les is dat Jezus er voor ons is. Er is veel strijd geweest over dit vers: “Dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt.” Het woord gebroken komt in enkele oude handschriften voor, maar het is ongetwijfeld een latere toevoeging. Het ontbreekt in verscheidene van de handschriften waarop we voor de juiste tekst van het Nieuwe Testament moeten vertrouwen. Daarom leest de herziene Engelse vertaling terecht: “Dit is Mijn lichaam, dat voor u is.” Naar mijn gevoel geeft die weergave een nieuwe gedachte die zeer de moeite waard is. “Dit is Mijn lichaam, dat voor u is.” Dat wil zeggen: Christus is er voor u. En zegt het avondmaal zelf dat niet? Het brood stelt Zijn lichaam voor u voor, de wijn stelt Zijn bloed voor u voor. We weten dat het voor u is, want u gaat het eten. Niets behoort iemand zekerder toe dan wat hij eet of drinkt. Ons spreekwoord zegt: “Bezit is negen tiende van het recht.” Ik vraag me af hoeveel tiende van het recht het dan is als iemand iets opgegeten heeft? Geen juridische spitsvondigheid kan hem dat ontnemen. Welk proces er ook wordt aangespannen, het is onmogelijk iemand af te nemen wat hij gegeten heeft. Zo is het ook onmogelijk ons van Christus te beroven als we Hem werkelijk door het geloof ontvangen hebben. “Dit is Mijn lichaam, dat voor u is.” O, wat een gezegende leer is dat! Grijp deze grote waarheid van God aan: alles wat er in Christus is, is voor u! Al de volheid van de Godheid is in Hem, “en uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade”. Ere zij Zijn Naam daarvoor!
De volgende les is dat Zijn bloed het verbond heeft verzegeld. “Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed.” Ik wilde dat ik een uur of twee had om met u over het verbond te spreken. Het heeft echter geen zin om in de paar minuten die ons nog resten aan dat grote onderwerp te beginnen. Er was een verbond dat ons vervloekte: het werkverbond. Maar er is een ander verbond, dat de uitverkorenen van God gezegend heeft en hen tot in alle eeuwigheid zal zegenen: het genadeverbond. Dit verbond is ondertekend, verzegeld en bekrachtigd, in alles wel geordineerd, en als zegel draagt het het bloed van Gods eigen Zoon! Daarom zal het voor eeuwig en altijd vaststaan. Drink dus met vreugde als u uit die beker drinkt, want hij herinnert u eraan dat God met u “een eeuwig verbond gesteld” heeft, “dat in alles wel geordineerd en bewaard is”. O, ik weet zeker dat als u de muziek van dat woord verbond kent, u met vreugde aan de tafel zult komen, ook al komt alleen dat ene woord u in herinnering!
De derde grote leer die dit avondmaal ons leert, is dat de gelovigen zich voeden met Christus Zelf. Soms vergeten ze dat en proberen ze zich te voeden met leerstellingen. Dan maken ze net zo’n grote fout als een Jood die bij zijn gang naar de tabernakel had geprobeerd zich te voeden met de voorhangsels, het altaar of de gouden tangen! Wat had hij als voedsel? Wel, het dankoffer! Als hij tot zijn God naderde, voedde hij zich met het offer, en het ware voedsel van een gelovige is Christus Jezus Zelf! Voed u dan met Hem, geliefden. We kunnen Zijn lichaam niet letterlijk eten of Zijn bloed letterlijk drinken; als we zoiets zouden proberen, zouden we erger zijn dan kannibalen! Maar we kunnen en moeten het geestelijk doen, door ons hart en ons verstand te laten rusten op wie Christus is en op wat Hij gedaan heeft. Zo voeden we ons met onze Heere Jezus Christus.
Ik ben klaar als ik nog één les heb genoemd die we uit deze instelling kunnen leren. Uit dit avondmaal blijkt duidelijk dat de manier om Christus te gedenken is, ons steeds weer opnieuw met Hem te voeden. Is het niet vreemd dat, als ik een grote weldaad heb ontvangen, de manier om aan die weldaad te denken is dat ik tot God kom en nog een weldaad ontvang? Als Christus ooit zoet was voor mijn smaak, dan blijft die zoetheid alleen als ik kom en Hem opnieuw proef. Geliefde broeders en zusters, probeer niet te leven van uw oude ervaringen! Zelfs het beste brood blijft niet lang vers; het wordt al snel muf als u het bewaart. U hebt steeds vers brood uit de oven nodig. Zelfs het manna, dat uit de hemel neerdaalde, kon niet bewaard worden, anders kwamen er wormen in. En zo is het ook met het voedsel voor uw ziel. Probeer niet te leven van beschimmelde ervaringen. Meer dan dertig jaar geleden had ik grote vreugde in de Heere, toen ik Hem voor het eerst leerde kennen. Ik ben er erg blij om dat ik me dat kan herinneren, maar die herinnering heeft voor mij weinig waarde als ik terneergeslagen ben. Nee, dan heb ik nodig dat de Heere opnieuw tot mij komt zoals Hij toen kwam. U bent toch, al zoveel jaren geleden, als een arme, lege zondaar tot Jezus Christus gekomen? Kom dan opnieuw op precies dezelfde manier! Kom elke dag tot Christus zoals u die eerste dag tot Hem kwam! “O, maar toen was ik alleen maar een zondaar!” Nu bent u toch ook niet veel meer dan dat? U zult merken dat het het veiligst is om gewoon te komen zoals u de eerste keer kwam. “Maar ben ik inmiddels geen ervaren heilige?” Ja, ja, dat zal best, maar ik merk dat ik, als ik het mooie
kleed van mijn ervaring aantrek, lijk op een dame aan het hof met een lange sleep: er gaat altijd wel iemand op staan, en dan scheurt hij. Ik kom het liefst tot Jezus Christus zoals ik de eerste keer kwam. Stel dat de duivel tegen me zegt: “Je bent geen kind van God.” Dan heb ik vaak tegen hem gezegd: “Daar weet jij niet veel van, al weet je wel dat je er zelf geen bent.” “Maar”, zegt hij, “je kent de Heere niet.” “Zo”, vraag ik hem dan, “wat ben ik dan wel?” Hij antwoordt: “Je bent een grote, zwarte zondaar!” Dan sla ik hem, zoals Luther, met zijn eigen zwaard het hoofd af, net zoals David met Goliath deed, want ik zeg tegen hem: “Christus Jezus is in de wereld gekomen om de zondaren zalig te maken, en ik ga naar de Zaligmaker van zondaren, om gewoon op Hem te vertrouwen zoals in het begin!” Als ik hem dat zeg, gaat de duivel meestal weg. Niets versterkt de ziel zo als nog eens naar de koperen slang te kijken, nog eens onder te duiken in de fontein vol bloed, of ons nog eens te voeden met de onuitputtelijke voorraad die voor ons is weggelegd in de Persoon van onze Heere!
Als sommigen van u aan de tafel des Heeren zijn gekomen zonder in Christus te geloven, waag het dan nooit meer te komen zolang u in die staat bent! U hebt hier geen recht, tenzij u op Jezus rust en Hem vertrouwt. Dat is het bewijs dat u in Christus Jezus een nieuw schepsel bent. Maar als u ook maar het zwakste, geringste geloof in Jezus hebt, kom dan en wees welkom! Vertrouwt u op uw eigen verdiensten, ga dan naar uw eigen tafel. Denkt u dat er enige verdienste ligt in uw komen aan de avondmaalstafel, waag het dan niet te komen, want dat zou de instelling op zijn kop zetten! U moet niet iets brengen, maar iets ontvangen. Mogen u die de Heere liefhebt, ervaren dat Hij u zeer dierbaar is, en mogen degenen onder u die Hem niet kennen, Hem onmiddellijk zoeken, niet aan de tafel, maar aan de troon der genade en bij het kruis! Vertrouw op Jezus, want zo zult u zalig worden. Dan zult u het recht hebben om in het huis des Heeren te komen, en het voorrecht om aan Zijn tafel te zitten en elke andere zegen te genieten die het deel is van het uitverkoren huisgezin. De Heere make het zo, om Christus’ wil!
Amen.
Preek nr. 2638 · Gehouden te Newington, Londen, zondagavond 4 juni 1882, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 45. Oorspronkelijke titel: “The Right Observance of the Lord’s Supper”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.
