Een preek uitgesproken op zondagochtend 13 juni 1886, door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.
De hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons gegeven is. Rom. 5:5
Pinksteren herhaalt zich in het hart van elke gelovige. Om deze passage te verduidelijken, wil ik een korte historische vergelijking maken. De discipelen van de Heere Jezus waren diep bedroefd toen Hij aan het kruis stierf. De beproeving die hen overkwam toen zij nadachten over Zijn dood en Zijn begrafenis in het graf van Jozef, was zwaar. Maar na verloop van tijd werd hun hoop weer aangewakkerd, want hun Heere was uit de dood opgestaan en zij zagen Hem ten hemel opstijgen.Hun hoop was groot ten aanzien van hun Heere, Die in heerlijkheid was opgenomen en hun de belofte had nagelaten dat Hij zou wederkomen en hen deelgenoot zou maken van Zijn overwinning. Nadat die hoop in hen was gewekt, werden zij te zijner tijd deelgenoten van de Heilige Geest, Wiens goddelijke invloed over hen werd uitgestort, zodat zij vervuld werden met Zijn kracht. Toen werden zij vrijmoedig. Zij schaamden zich niet voor hun hoop, maar verkondigden die door de prediking van Petrus en de andere apostelen. De Heilige Geest had hen bezocht; daarom verkondigden zij onbevreesd de Heere Jezus, hun Hoop der heerlijkheid, aan de wereld. De geschiedenis herhaalt zich inderdaad.
De geschiedenis van onze Heere is een voorafschaduwing van de ervaring van al Zijn volk; wat de Eerstgeborene overkomt, overkomt in zekere mate ook al Zijn broeders. In onze tekst hebben wij daarvan een treffend voorbeeld voor ons. Eerst komen onze beproeving, onze lijdensweg, het dragen van ons kruis. Uit ons geduld en onze ervaring ontstaat te zijner tijd een gezegende hoop: wij worden levend gemaakt door het opstandingsleven van onze Heere en opgeheven uit ons verdriet; Hij doet ons opstaan uit het graf van ons leed. Daarna volgt de goddelijke bezoeking van de Heilige Geest, en wij beleven ons Pinksteren: “De liefde van God is in onze harten uitgestort door de Heilige Geest, Die ons gegeven is.”
Ik vertrouw erop dat wij weten wat dit betekent en dat wij er ook nu de vreugde van smaken. Als gevolg van deze bezoekingen wordt onze hoop helder en vast, en worden wij ertoe gebracht een vrijmoedig getuigenis af te leggen van onze hoop en van de Gezegende Die daarvan het middelpunt is. Ik hoop dat velen van ons reeds hebben bewezen dat zij zich niet schamen, en dat anderen onder u dit ook niet zullen doen. Onze God heeft ons in barmhartigheid bezocht en ons de Heilige Geest geschonken, het geschenk dat Hij voor Zijn kinderen heeft verkozen. De Heilige Geest, Die in ons woont, heeft ons de liefde van God doen kennen en gevoelen, zodat wij niet anders kunnen dan spreken en anderen vertellen wat de Heere ons heeft geopenbaard. Zo hebben wij, op kleine schaal, iets van de geschiedenis van de vroege Kerk in ons eigen persoonlijke leven herhaald. U zult ontdekken dat niet alleen in dit geval, maar in alle gevallen het leven van de gelovige in zekere zin een weerspiegeling is van het leven van Christus. Hij die oorspronkelijk zei: “Laat Ons mensen maken naar Ons beeld”, volgt ook in de nieuwe schepping het voorbeeld van Christus bij de vernieuwing van de uitverkorenen.
Laat mij u nu een korte passage over de verborgenheden van het geestelijke leven voorhouden. Hier ligt als het ware een kleine kaart van het innerlijke leven voor ons uitgestrekt: “En wij weten dat de verdrukking volharding teweegbrengt, en de volharding ondervinding en de ondervinding hoop. En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest, Die ons gegeven is.” Deze woorden kunnen alleen ten volle worden verstaan door Gods kinderen die ze als het ware met hoofdletters op hun eigen hart geschreven hebben gekregen.
De apostel zegt dat “de verdrukking volharding teweegbrengt”. Van nature is dat niet zo. Verdrukking werkt van nature ongeduld, en ongeduld mist de vrucht van ervaring en verzinkt uiteindelijk in wanhoop. Vraag het maar aan velen die een geliefd kind hebben begraven, hun rijkdom hebben verloren of hevige lichamelijke pijn hebben geleden, en zij zullen u vertellen dat het natuurlijke gevolg van verdrukking vaak bitterheid tegen de voorzienigheid is, opstand tegen God, twijfel, ongeloof, prikkelbaarheid en allerlei kwaad. Maar wat een wonderlijke verandering vindt plaats wanneer het hart door de Heilige Geest vernieuwd wordt! Dan — en alleen dan — werkt verdrukking geduld.
Wie nooit verdrukt is geweest, kan geen geduld oefenen. Engelen kunnen persoonlijk geen geduld tonen, omdat zij niet kunnen lijden. Om geduld te bezitten en te oefenen, moeten wij beproefd worden; en grote mate van geduld ontstaat slechts door zware beproevingen. U hebt gehoord van het geduld van Job. Leerde hij dat te midden van zijn kudden, bij zijn kamelen of bij zijn kinderen terwijl zij feestvierden? Nee, waarlijk; hij leerde het toen hij in de as zat, zich met een potscherf schraapte en zijn hart verbrijzeld was vanwege de dood van zijn kinderen. Geduld is een parel die alleen gevonden wordt in de diepe wateren van de beproeving; en alleen de genade kan haar daaruit opdiepen, naar boven brengen en daarmee de hals van het geloof versieren.
Zo werkt dit geduld ervaring in ons uit. Hoe meer wij verdragen, des te meer leren wij de trouw van God kennen, des te meer ervaren wij Zijn liefde en des te duidelijker zien wij Zijn wijsheid. Wie nooit heeft geleden, kan wel geloven in de ondersteunende kracht van de genade, maar hij heeft haar nooit persoonlijk ervaren. U moet de zee opgaan om de bekwaamheid van de goddelijke Stuurman te leren kennen, en u moet door stormen heen gevoerd worden voordat u Zijn macht over wind en golven kunt verstaan. Hoe zouden wij Jezus in de volheid van Zijn macht kunnen zien, tenzij er een storm was die Hij tot stilte kon brengen?
Ons geduld werkt in ons een ervaringskennis van de waarheid, de trouw, de liefde en de macht van onze God. Wij buigen ons in geduld neer, en daarna staan wij op in de vreugdevolle ervaring van hemelse ondersteuning. Welke grotere rijkdom kan een mens bezitten dan rijk te zijn aan ervaring? Ervaring onderwijst. Dit is de ware hogeschool van Gods kinderen. Ik denk nauwelijks dat wij iets werkelijk grondig leren zonder de roede van de beproeving. We weten immers het beste wat we zelf hebben meegemaakt. De waarheid moet als het ware met het gloeiende ijzer van de beproeving in ons ingebrand worden voordat wij haar werkelijk kennen; daarna kan niemand ons meer aan het twijfelen brengen, want ons hart draagt het merkteken van de Heere Jezus. Zo werkt geduld ervaring.
Het is opmerkelijk dat vervolgens gezegd wordt: “En de ondervinding hoop.” Niet opmerkelijk in de zin dat het onzeker zou zijn, want er bestaat geen hoop die helderder straalt dan die van de mens die uit ervaring Gods trouw en liefde heeft leren kennen. Maar is het niet verwonderlijk dat juist deze zware beproevingen, deze kwellende tegenslagen en deze pijnlijke tuchtigingen uiteindelijk dit stralende licht voortbrengen – deze morgenster van hoop, deze voorbode van de eeuwige dag der heerlijkheid? Broeders, hoe wonderlijk haalt de goddelijke alchemie zuiver goud tevoorschijn uit metaal dat wij waardeloos achtten!
De Heere spreidt in Zijn genade een rustplaats uit voor de Zijnen op de dorsvloer van de beproeving, en daar vinden wij, evenals Ruth aan de voeten van Boaz, rust. Hij maakt muziek uit het bruisen van de wateren der moeilijkheden. Uit het schuim van de zee van verdriet laat Hij de heldere geest opstijgen van “de hoop die niet beschaamt.”
Deze passage, waaruit wij onze tekst hebben genomen, is een kostbaar fragment uit het innerlijke leven van een geestelijk mens; het is een deel van het geheimenis van de gelovige — laat hem die verstand heeft het lezen.
Voordat ik dieper op mijn onderwerp inga, wil ik u erop wijzen dat deze tekst niets minder is dan het huis van God en de poort van de hemel. Zie in deze woorden een tempel voor de aanbidding van de heilige Drie-eenheid. Lees het vijfde en zesde vers samen: “De liefde van God is in onze harten uitgestort door de Heilige Geest, Die ons gegeven is. Want toen wij nog krachteloos waren, is Christus op de bestemde tijd voor goddelozen gestorven.” Aanschouw hier de gezegende Drie-enige God!
De Drie-eenheid is nodig om een christen te maken; de Drie-eenheid is nodig om een christen te vertroosten; de Drie-eenheid is nodig om een christen te volmaken; de Drie-eenheid is nodig om in een christen de hoop op heerlijkheid te verwekken. Ik houd altijd van die Schriftgedeelten die ons zo dicht brengen bij de heilige Drie-eenheid. Laat ons een ogenblik stilstaan en aanbidden: “Eer aan de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Zoals het was in het begin en nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.”
Het is een diepe vreugde wanneer wij worden opgeroepen tot bijzondere aanbidding van de ene God in de drieheid van Zijn goddelijke Personen, en wanneer wij voelen hoe ons hart daar als vanzelf toe wordt getrokken, zoals ook op dit uur. Door het geloof buigen wij ons samen met de scharen der verlosten voor de alverheerlijkte troon en aanbidden wij Hem Die leeft tot in alle eeuwigheid. Hoe oprecht kunnen wij dat doen wanneer wij denken aan de eenheid van de heilige Drie-enige God in onze verlossing! Wij zien de goddelijke liefde, geschonken door de Vader, geopenbaard in de dood van de Zoon en uitgestort in onze harten door de Heilige Geest. O, mochten wij op dit moment gemeenschap ervaren met de Drie-enige God! Laat ons ons neerbuigen voor de heilige majesteit van Jehova, en vervolgens, geleid door de Heilige Geest, de tempel van onze tekst binnengaan.
De tekst luidt: “En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons gegeven is.” De apostel had zijn onderwerp ontwikkeld totdat hij kwam bij de hoop der heerlijkheid. Toen hij die hoogte had bereikt, kon hij niet nalaten daarover verder te spreken. Zoals vaker bij hem gebeurt, wijkt hij even af van zijn hoofdgedachte en schenkt hij ons enkele vurige woorden over de hoop van de gelovige.
Ons eerste punt is het vertrouwen van onze hoop: “de hoop beschaamt niet.” Ten tweede willen wij spreken over de grond van dit vertrouwen, waarvan ik hoop dat wij er vandaag iets van mogen ervaren. Wij zijn immers verzekerd dat onze hoop ons nooit zal beschamen, omdat de liefde van God in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest, Die ons gegeven is. Ten derde zullen wij enkele woorden wijden aan het gevolg van dit vertrouwen in de hoop, namelijk dat wij daarom getuigenis afleggen voor de wereld en verklaren dat wij ons niet schamen voor het Evangelie van Christus.
I. Laten we allereerst stilstaan bij DE ZEKERHEID VAN ONZE HOOP.
Wij schamen ons niet voor onze hoop. Sommige mensen hebben geen hoop, of slechts een hoop waarvoor zij zich terecht zouden moeten schamen. Vraag maar eens aan hen die de Schrift verwerpen wat hun verwachting voor de toekomst is. “Ik zal sterven als een hond,” zegt de een. “Wanneer ik dood ben, is alles voorbij.” Als ik zo’n troosteloze hoop had, zou ik die zeker niet overal verkondigen. Het zou niet in mij opkomen om een grote gemeente als deze bijeen te roepen en te zeggen: “Broeders, verheugt u met mij, want wij zullen allen sterven als katten en honden.” Nee, dat zou mij nooit iets lijken om op te roemen.
De agnost zegt dat hij niets weet, en daarom vermoed ik dat hij ook niets hoopt. Ook daarin zie ik weinig reden tot vreugde. Als ik niet meer hoop had dan dat, zou ik mij ervoor schamen. De hoogste verwachting van de rooms-katholiek bij zijn sterven is dat hij uiteindelijk behouden zal worden, maar eerst door het vuur van het vagevuur moet gaan. Ik weet weinig van die plaats, want ik vind haar nergens in de Heilige Schrift vermeld; maar zij die haar hebben uitgevonden en menen de sleutels ervan te bezitten, beschrijven haar als een troosteloos oord, waar zelfs bisschoppen en kardinalen terechtkomen. Ik heb zelf gezien hoe men werd opgeroepen te bidden voor de rust van de ziel van een onlangs overleden kardinaal. En als dat het lot is van de vorsten der kerk, waar moeten gewone mensen dan heen? Er ligt weinig heerlijkheid in zo’n hoop. Ik denk niet dat ik u allen bijeen zou roepen om te zeggen: “Verheugt u met mij, want wanneer wij sterven, gaan wij allen naar het vagevuur.” U zou daarin nauwelijks reden tot blijdschap zien. Ik vermoed dat ik er liever weinig over zou zeggen; en als iemand mij ernaar vroeg, zou ik waarschijnlijk antwoorden dat het een diep mysterie was dat beter aan de geestelijkheid kon worden overgelaten.
Maar wij, christenen, schamen ons niet voor onze hoop. Wij geloven dat zij die uit het lichaam uitwonen, bij de Heere inwonen. Wij zoeken een stad die fundamenten heeft, waarvan God de Bouwer en Maker is. Wij schamen ons niet om te hopen op heerlijkheid, onsterfelijkheid en eeuwig leven.
Wij schamen ons ook niet voor het voorwerp van onze hoop. Wij geloven niet dat onbeschaafde, vleselijke genietingen onze hemel zullen vormen. Wij geloven niet in een mohammedaans paradijs van zinnelijke lusten; anders zouden wij ons inderdaad voor onze hoop moeten schamen. Welke beelden de Schrift ook gebruikt, zij wijzen op een zuivere, heilige, geestelijke en verheven gelukzaligheid — iets wat de valse profeet nooit aantrekkelijk genoeg zou hebben gevonden voor zijn volgelingen.
Onze hoop is deze: dat onze Heere voor de tweede maal zal verschijnen, met al Zijn heilige engelen. Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk van hun Vader. En wanneer wij vóór die tijd ontslapen, geloven wij dat wij in Jezus zullen rusten en met Hem gezegend zullen zijn. “Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn,” gold niet alleen voor de moordenaar aan het kruis, maar voor allen die hun ziel hebben toevertrouwd aan de gekruisigde Verlosser. Bij Zijn wederkomst verwachten wij een heerlijke opstanding. Wanneer Hij zal nederdalen uit de hemel met een geroep, met de stem van een aartsengel en met de bazuin Gods, zullen onze zielen weer verenigd worden met onze lichamen, en zal onze gehele mensheid leven met Christus. Wij geloven en weten zeker dat wij vanaf die dag altijd bij Hem zullen zijn. Hij zal ons deel geven aan Zijn troon, Zijn kroon en Zijn heerlijkheid — en dat tot in eeuwigheid.
Hoe meer wij spreken over deze beloofde gelukzaligheid, des te sterker voelen wij dat wij ons niet hoeven te schamen voor de hoop der heerlijkheid. De uiteindelijke beloning van het geloof en van een rechtvaardig leven is zo heerlijk dat wij ons verblijden in het vooruitzicht ervan. Onze hoop omvat volkomen reinheid en volmaaktheid: bevrijding van alle zonde en de volheid van alle deugd. Onze verwachting is dat wij gelijkvormig zullen zijn aan onze volmaakte Heere en bij Jezus zullen zijn waar Hij is, om Zijn heerlijkheid te aanschouwen. Onze hoop rust op die belofte: “Omdat Ik leef, zult gij ook leven.” Wij zullen niet slechts bestaan, maar werkelijk leven — en dat leven zal eeuwig het leven van God in onze ziel zijn. Voor zo’n hoop schamen wij ons niet; integendeel, wij jagen haar na.
Bovendien schamen wij ons niet voor de grond van onze hoop. Onze verwachting rust op de plechtige beloften van God, gegeven door profeten en apostelen en bevestigd in de Persoon en het werk van Zijn geliefde Zoon. Omdat Jezus Christus gestorven en opgewekt is uit de doden, weten wij dat ook wij, die door het geloof één met Hem zijn geworden, zullen opstaan en met Hem leven. De opstanding van Christus is de zekerheid van onze eigen opstanding, en Zijn ingang in de heerlijkheid is het onderpand van onze toekomstige verheerlijking, omdat wij door Gods voornemen en genade één met Hem zijn gemaakt. Zoals wij in Adam vielen omdat wij in hem waren, zo zullen wij in Christus opstaan en regeren, omdat wij in Hem zijn.
God is niet een God van doden, maar van levenden; toch noemt Hij Zich de God van Abraham, Izak en Jakob — daarom leven zij nog steeds. Zo geloven wij ook dat allen die in het geloof sterven, niet ophouden te bestaan, maar voor Hem leven. Onze hoop berust niet op menselijke redeneringen, die hooguit vaag de onsterfelijkheid van de ziel zouden kunnen aantonen, maar op de openbaring van God, die helder en ondubbelzinnig spreekt en geen ruimte laat voor twijfel. Als dit Boek onwaar zou zijn, moesten wij onze hoop opgeven; maar wij hebben geen kunstig verzonnen fabels gevolgd. Wij hebben het getuigenis ontvangen van betrouwbare ooggetuigen van de opstanding en hemelvaart van onze Heere. Daarom geloven wij het heilige getuigenis en schamen wij ons niet voor onze hoop. Wat God heeft beloofd is zeker, en wat God heeft gedaan bevestigt Zijn beloften volkomen. Daarom vrezen wij niet.
En, broeders, wij schamen ons er ook niet voor dat wij deze hoop persoonlijk hebben aangenomen. Men zou spottend kunnen zeggen: “Dus u verwacht in de heerlijkheid te komen?” Jazeker, dat verwachten wij; en wij schamen ons niet voor die beschuldiging, want onze verwachting rust op vaste grond. Zij steunt niet op enige vermeende eigen verdienste, maar op de belofte van een trouwe God. Hij heeft gezegd: “Wie in Hem gelooft, heeft eeuwig leven.” Wij geloven in Hem, en daarom weten wij dat wij eeuwig leven hebben. Hij heeft verklaard dat “wie Hij gerechtvaardigd heeft, Hij ook verheerlijkt heeft”; en aangezien wij gerechtvaardigd zijn door het geloof, zullen wij ook verheerlijkt worden.
Onze hoop rust niet op gevoelens, maar op Gods eigen Woord. Wij hebben onze Heere horen bidden: “Vader, Ik wil dat ook zij die Gij Mij gegeven hebt, bij Mij zijn waar Ik ben, opdat zij Mijn heerlijkheid aanschouwen.” Wij geloven dat de Vader ons aan Christus heeft gegeven, omdat wij ertoe gebracht zijn ons vertrouwen op Hem te stellen; en dat geloof is het zekere teken van Gods verkiezende genade. Daarom verwachten wij dat wij, als wij Christus toebehoren, ook bij Hem zullen zijn waar Hij is. Wanneer wij lezen: “Opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft,” dan houden wij ons vast aan die belofte en weten wij dat wij eeuwig leven hebben.
Dit is voor ons een volkomen logische gevolgtrekking: tenzij God onwaarachtig zou zijn — en dat kan niet — hebben wij geen valse verwachting wanneer wij hopen eeuwig te leven. Gods Woord is zekerder dan alles wat bestaat, en wij schamen ons niet om vast te houden aan alles wat daaruit voortvloeit. Wij durven te geloven dat God Zijn Woord zal houden aan ons en aan allen die geloven.
Broeders, wij schamen ons ook niet voor de volle zekerheid dat onze hoop werkelijkheid zal worden. Indien wij werkelijk door het geloof gerechtvaardigd zijn en vrede met God hebben, dan bezitten wij een hoop op heerlijkheid die ons nooit zal beschamen — noch aan het einde, noch onderweg daarheen. Wij verwachten niet dat wij verlaten zullen worden of uit de genade zullen vallen, want Hij heeft gezegd: “Ik zal u nooit begeven en u nooit verlaten.” Wij verwachten niet aan onszelf overgelaten te worden — wat onvermijdelijk tot onze ondergang zou leiden — maar wij vertrouwen dat Hij Die een goed werk in ons begonnen is, het ook voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus.
Wij zijn er zeker van dat Hij Die deze hoop in ons gewerkt heeft, haar ook zal vervullen op Zijn tijd. Hij zal ons bewaren gedurende ons leven, hoe lang dat ook moge zijn; Hij zal een levende hoop in ons bewaren in het uur van ons sterven; en Hij zal zelfs aan ons stof en onze as denken wanneer die in het graf rusten. “Wie zal ons scheiden van de liefde van God, welke is in Christus Jezus, onze Heere?” Er staat geschreven: “Wie gelooft en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.” En zo zal het ook zijn. Hij zal ons niet laten afdwalen van de weg en ons niet doen omkomen onderweg. Heeft Hij niet gezegd: “Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, zodat zij niet van Mij afwijken”? Hij bewaart de voeten van Zijn heiligen. “Ik geef Mijn schapen eeuwig leven,” zegt Hij, “en zij zullen geenszins verloren gaan, en niemand zal hen uit Mijn hand rukken.”
Nooit zal iemand terecht kunnen zeggen: “Ik vertrouwde erop dat de Heere Jezus mij zou bewaren, maar Hij heeft mij niet bewaard.” Nooit zal iemand kunnen klagen: “Ik vertrouwde erop dat Christus mij zou behouden in het geestelijke leven, maar Hij heeft mij niet behouden.” Nee, nooit. Wij zullen ons niet schamen voor onze hoop.
II. Nu ik u heb laten kennismaken met het vertrouwen dat gelovigen – en met name degenen die beproefd en door het leven getekend zijn – vervult met een hoop die niet teleurstelt, is het mijn tweede doel om stil te staan bij DE REDEN VOOR DIT VERTROUWEN. Waarom is het zo dat mensen die deze goede hoop koesteren zich daar niet alleen niet voor schamen, maar zich er juist in verheugen?
Mijn antwoord is allereerst dat deze hoop een van haar belangrijkste steunpilaren vindt in de liefde van God. Ik verwacht eens te midden van de engelen te verkeren en het aangezicht van mijn Geliefde te aanschouwen; maar ik verwacht dat niet vanwege iets in mijzelf of vanwege iets wat ik ooit zou kunnen doen, maar uitsluitend vanwege de oneindige liefde van God. Ik vertrouw niet op mijn liefde tot God, maar op Gods liefde tot mij. Wij vertrouwen op Hem omdat Hij ons liefheeft. Wij zijn ervan verzekerd dat Hij onze hoop zal vervullen, omdat Zijn liefde te groot is om ons te verlaten.
Al onze hoop ontspringt aan de liefde van God, en al onze hoop hangt van die liefde af. Zonder de liefde van de Vader zou er nooit een genadeverbond zijn geweest; zonder Zijn oneindige liefde zou er geen verzoening zijn aangebracht; zonder Zijn werkzame liefde zou de Heilige Geest ons niet levend gemaakt en vernieuwd hebben; zonder Zijn onveranderlijke liefde zou al het goede in ons spoedig verdwijnen. Zonder almachtige, onveranderlijke en grenzeloze liefde zouden wij nooit mogen hopen het aangezicht van de Koning in Zijn schoonheid te aanschouwen in het verre land der heerlijkheid. Hij heeft ons lief, en daarom leidt Hij ons, voedt Hij ons en bewaart Hij ons tot in eeuwigheid. Getuigt uw hart daar niet van?
Als die liefde ook maar één ogenblik zou ophouden, als haar uitstorting maar een moment werd ingehouden, waar zouden wij dan zijn? Daarom rusten wij uiteindelijk op de liefde van God als de diepste grond van onze hoop op Hem.
Merk nu op, geliefde broeders, dat de werkelijke oorzaak van ons vertrouwen hierin ligt: dat de liefde van God door de Heilige Geest in onze harten is uitgestort. Laat mij proberen uit te leggen wat dit betekent. De Heilige Geest woont in het hart van iedere gelovige en verricht daar vele genadige werken. Eén daarvan is dat Hij de liefde van God uitstort in het hart waarin Hij woont. Het beeld is ontleend aan een albasten flesje met kostbare olie dat in een vertrek wordt uitgegoten. Daar ligt de verborgen geur nog opgesloten in het albasten vat: kostbaar, maar nog niet waargenomen. Zo is ook de liefde van God aanwezig in de ziel; maar zolang zij niet wordt uitgestort, wordt haar geur niet ervaren.
Dan neemt de Heilige Geest dat kostbare vat en opent het, zodat de zoete geur van Gods liefde zich verspreidt en de gehele ziel vervult. Die liefde dringt door, doortrekt, doordrenkt en vervult het hele innerlijk van de gelovige. Zoals een kostbare geur een hele kamer vervult wanneer rozenolie wordt uitgegoten, zo vult de liefde van God de gedachten, het geheugen, de verbeelding, het verstand en de gevoelens wanneer de Heilige Geest onze overdenkingen draagt en verdiept. Het is een onderwerp dat de gehele mens aangrijpt; het laat zich niet beperken tot één enkele vermogenssfeer, evenmin als men de geur van kostbare specerijen in één hoek van een vertrek kan opsluiten.
En zoals een aangename geur het reukvermogen streelt, zo schenkt de liefde van God, uitgestort door de Heilige Geest, een onuitsprekelijke zoetheid aan het hart. Alle klederen van de Heere der liefde geuren naar mirre, aloë en kassie. Waar is er een zoetheid te vinden als in de liefde van God? Dat de Eeuwige en Oneindige werkelijk mensen liefheeft, en hen zó liefheeft als Hij gedaan heeft, is een waarheid die tegelijk verwondert en verheugt. Zij is de wortel waaruit de lelie van volmaakte vreugde ontspruit. Dit is een ivoren paleis waarin iedere bewoner verblijd wordt. U kunt over die liefde mediteren totdat uw ziel erdoor wordt meegevoerd, zodat zij, eer u het beseft, wordt als de wagens van Ammi-Nadib.
Bovendien verspreidt een kostbare geur zich niet alleen, maar blijft zij ook hangen. Neem de zalf weg als u wilt, maar haar geur blijft nog lange tijd in het vertrek aanwezig. Sommige geuren lijken bijna blijvend te zijn. Misschien opende u onlangs een lade en rook u nog steeds de geur van lavendel, hoewel er sinds de vorige zomer geen lavendel meer lag. Zo is het ook met de liefde van God: wanneer zij eenmaal door de Heilige Geest in het hart is uitgestort, blijft haar geur daar wonen. Alles kan verdwijnen, maar die liefde blijft. Soms lijken wij haar te vergeten temidden van de drukte van het leven; maar zodra de drukte wijkt, keert de ziel terug tot haar rust. De zoete geur van Gods liefde verdrijft de bedompte damp van de zonde en verlaat nooit geheel het hart dat haar heerlijkheid eenmaal heeft geproefd.
Laat mij het beeld nog anders uitdrukken. De liefde van God wordt door de Heilige Geest in het hart uitgestort als een rijke regenwolk die haar overvloedige regen uitstort over dorre aarde. Overal waar die regen valt, komt nieuw leven op: verdorde planten richten zich weer op en verheugen zich in de verkwikking van de hemel. Daarna stijgt van diezelfde aarde een zachte damp op die opnieuw wolken vormt. Zo wordt Gods liefde over ons uitgestort en verspreid in ons wezen, totdat onze ziel haar opneemt en nieuw leven bloemen van vreugde en vruchten van heiligheid voortbrengt. Vervolgens stijgt dankbare lofprijzing op tot God als wierook op het altaar van Jehovah. Liefde wordt in ons uitgestort, en daardoor leren wij op onze beurt liefhebben.
Om nu de beeldspraak los te laten: het uitstorten van Gods liefde door de Heilige Geest betekent dat Hij ons een diep besef schenkt van die liefde. Wij hebben ervan gehoord, erin geloofd en erover nagedacht, totdat wij uiteindelijk overweldigd worden door haar grootheid. “Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft.” Zo’n liefde kunnen wij niet bevatten. Wij staan verbaasd en verwonderd. Haar grootheid, haar uniekheid, haar bijzonderheid en haar oneindigheid vervullen ons met aanbidding. Zij is in onze harten uitgestort.
Daarna volgt de persoonlijke toe-eigening ervan. Wij zeggen: “Hij heeft míj liefgehad en Zichzelf voor míj overgegeven.” Wij beginnen te beseffen dat Gods liefde niet slechts een algemene liefde tot de mensheid is, maar ook een bijzondere liefde tot ons persoonlijk. En dat overweldigt ons geheel. Wanneer het geloof deze persoonlijke liefde omhelst, wordt de ziel vervuld met vreugde en lofprijzing. Dan antwoorden wij met wederliefde: “Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.”
Eens twijfelden wij aan Zijn liefde; nu kunnen wij er niet meer aan twijfelen. Wanneer ons driemaal gevraagd werd: “Hebt gij Mij lief?”, zouden wij nederig maar oprecht antwoorden: “Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb.” Ik zou niet kunnen leven zonder Hem lief te hebben. Ik zou liever duizendmaal wensen nooit geboren te zijn dan zonder liefde tot Hem te leven. Hoewel mijn liefde nog zo gebrekkig is en mijn hart verlangt naar een veel diepere liefde, toch heb ik Hem waarlijk lief. Dat weet Hij Zelf. Dit is wat het betekent dat de liefde van God door de Heilige Geest in het hart wordt uitgestort: haar kennen, ervan genieten, haar persoonlijk omhelzen, zich erin verheugen en leven onder haar heilige invloed. Moge dit bundeltje mirre nooit uit de kamer van mijn ziel verdwijnen.
Maar let nu op de bijzondere zoetheid die de apostel hier zo treffend aanwijst. Hij zegt: “Toen wij nog krachteloos waren, is Christus te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven.” Dáár moeten wij vooral bij stilstaan: dat God Zijn Zoon gaf om voor goddelozen te sterven. Dat God hen liefheeft die Hem liefhebben, dat Hij Zijn vernieuwde kinderen liefheeft die naar heiligheid verlangen — dat is groot en heerlijk. Maar het meest overweldigende van alles is dat Hij ons liefhad toen er nog niets goeds in ons was. Hij had ons lief vóór de grondlegging der wereld. Hij zag ons als gevallen en verloren mensen, en juist daarom besloot Hij uit liefde Zijn Zoon te zenden om voor ons te sterven.
Jezus kwam niet omdat wij goed waren, maar omdat wij slecht waren. Hij gaf Zichzelf niet voor onze gerechtigheid, maar voor onze zonden. De bron van Gods liefde lag niet in enige voortreffelijkheid van het schepsel, noch in iets wat Hij in ons voorzag, maar enkel in het welbehagen van Zijn eigen hart. Liefde ontsprong uit God Zelf. Zij was zó groot in Zijn hart dat ondanks dat Hij zag hoe wij in zonde vielen, toch bleef van ons bleef houden.
Hij had ons lief toen wij Hem haatten; Hij had ons lief toen wij ons tegen Hem verzetten, toen wij Hem vervloekten, Zijn volk vervolgden en Zijn wegen lasterden. Wat een wonderbaarlijk feit! O, mocht de Heilige Geest die waarheid diep in ons hart doen doordringen en ons de kracht ervan laten ervaren! Ik kan deze gedachte niet naar behoren uitleggen, laat staan haar in uw ziel doen neerdalen; maar de Heilige Geest kan dat wel. Hoe diep zult u dan vernederd worden, en tegelijk hoe vervuld van lof voor de Allerhoogste God!
De apostel neemt echter geen genoegen met alleen dit onder onze aandacht te brengen. Hij wil niet dat wij vergeten dat Christus voor ons gestorven is. Broeders, dat Christus ons vanuit de hemel liefhad, was al iets groots; dat Hij vervolgens naar de aarde neerdaalde en in Bethlehem geboren werd, was nog groter. Dat Hij voor ons een leven van volmaakte gehoorzaamheid leefde, was wonderbaarlijk; maar dat Hij stierf — dát is het hoogtepunt van de liefde, de hoogste top van het offer van Zijn genegenheid.
Sommige wonderen van deze wereld verbazen ons slechts een paar keer en worden daarna gewoon; maar het kruis van Christus groeit ons steeds meer boven het hoofd. Hoe meer wij ervan weten, des te meer overstijgt het ons begrip. Voor een heilige die reeds tweeduizend jaar verlost is, is het offer van Golgotha nog wonderlijker dan toen hij het voor het eerst aanschouwde. Dat God Zelf onze natuur aannam, en in die natuur de dood van een misdadiger stierf om ons — Zijn vijanden — te redden, zou ongelooflijk lijken als het niet geopenbaard was door goddelijk gezag. Het is een volstrekt onbegrijpelijk wonder. Wanneer deze waarheid door de Heilige Geest in het hart wordt uitgestort, voelt men dat er niets is dat het waard is gekend, geloofd of bewonderd te worden in vergelijking met het kruis van Christus. Geen enkele kennis kan zich meten met de kennis van de gekruisigde Verlosser. Welke boeken wij ook bestuderen, de wetenschap van Christus en Dien gekruisigd blijft de verhevenste van alle wetenschappen.
Verder laat de apostel zien dat de Heere ons ook in de toekomst zal blijven liefhebben, nu wij verzoend zijn. Zijn redenering is deze: als God ons liefhad toen wij nog vijanden waren, zal Hij ons zeker liefhebben nu wij Zijn vrienden zijn. Als Jezus voor ons stierf toen wij nog opstandelingen waren, zal Hij ons nu, nadat Hij ons verzoend heeft, niets weigeren. Als Hij ons door Zijn dood heeft verzoend, dan zal Hij ons zeker door Zijn leven behouden. Als Hij stierf om vijanden met God te verzoenen, zal Hij de verzoenden zeker bewaren.
Ziet u hoe het hele betoog erop gericht is onze hoop op heerlijkheid vast en zeker te maken, zodat wij ons daarvoor niet hoeven te schamen? Wanneer de grote God ons iets laat voelen van de onmetelijke grootheid van Zijn liefde, verdwijnen alle twijfels en angsten. Vanuit het karakter van Zijn liefde, zoals die zich in het verleden heeft geopenbaard, concluderen wij dat Hij ons onmogelijk ooit kan verstoten. Wat? Zou Hij voor ons sterven om ons daarna te verlaten? Zou Hij het bloed van Zijn hart uitstorten voor onze verlossing en ons dan alsnog verloren laten gaan? Zou Hij Zich aan ons openbaren in het karmozijn van Zijn verzoenend sterven, zoals Hij Zich niet aan de wereld openbaart, en ons tenslotte toch zeggen: “Gaat weg van Mij, gij vervloekten”? Onmogelijk! Hij verandert niet.
De sluitsteen van de boog van onze hoop is de onveranderlijke liefde van Jezus Christus, Die gisteren en heden Dezelfde is en tot in eeuwigheid. De Heilige Geest heeft de liefde van God in Christus Jezus zó rijkelijk in onze harten uitgestort dat wij er volkomen zeker van zijn dat niets ons daarvan kan scheiden. En zolang wij niet van die liefde gescheiden kunnen worden, is onze hoop op heerlijkheid even zeker als de troon van de Eeuwige.
Nogmaals: de apostel herinnert ons er in het elfde vers aan dat wij de verzoening ontvangen hebben. Wij ervaren reeds dat wij één met God zijn geworden. Door het offer van de Heere Jezus hebben wij vrede met God. Wij hebben Hem lief; onze vijandschap tegen Hem is voorbij. Wij verheugen ons in Hem en verlangen ernaar Hem te verheerlijken. En juist dit heerlijke besef van verzoening is een krachtige verzekering van genade én heerlijkheid.
De hoop op heerlijkheid brandt als een gouden lamp in een hart dat door Jezus Christus met God verzoend is. Voor zover wij nu in overeenstemming met God leven en niets anders verlangen dan te zijn en te doen wat Hij wil, dragen wij reeds het begin van de hemel in ons: de dageraad van de volmaakte dag. Genade is heerlijkheid in de kiem. Overeenstemming met God is het zaad van volmaakte heiligheid en volmaakt geluk. Wanneer wij onder de heerschappij van de heiligheid staan, en er geen verlangen meer in onze ziel is dat wij zouden willen behouden als het tegen de wil van onze heilige Heere ingaat, dan weten wij dat Hij ons aangenomen heeft, dat Zijn leven in ons woont, en dat wij uiteindelijk zullen delen in Zijn heerlijkheid.
Hij Die Zijn vijanden tot Zijn vrienden heeft gemaakt, zal niet toelaten dat dit genadewerk ongedaan wordt gemaakt of dat Zijn heilig voornemen mislukt. In onze huidige vreugde in God bezitten wij reeds het onderpand van onze eeuwige vreugde in Hem. Daarom schamen wij ons niet voor onze hoop.
Nog één opmerking over dit punt. Let erop dat de apostel niet alleen spreekt over de liefde van God en over het feit dat die in onze harten is uitgestort, maar ook over de goddelijke Persoon door Wie dit is geschied. De liefde van God is in onze harten uitgestort door de Heilige Geest, Die ons gegeven is. Alleen door de Heilige Geest kon dit plaatsvinden.
Denkt u dat de duivel ooit uw ziel vervuld zou hebben met verwondering over Gods liefde? Zou uw gevallen natuur u ooit overweldigd hebben met heilige vreugde in Gods liefde? Oordeel zelf. Wie Gods liefde werkelijk in zijn hart heeft gevoeld, kan zonder aarzeling zeggen: “Dit is Gods werk; de Heilige Geest heeft dit in mij gewerkt.” Niets minder dan de Heilige Geest kan dit tot stand brengen.
Misschien zegt iemand: “Ik heb onder krachtige prediking gezeten.” Dat kan; en toch hebt u misschien nooit de liefde van God in uw hart gevoeld. Wij kunnen over die liefde prediken, maar wij kunnen haar niet in het hart uitstorten. Daarvoor is een hogere macht nodig dan menselijke welsprekendheid. Misschien was u alleen in uw kamer, of liep u langs de weg, toen plotseling de zoete geur van die kennis uw ziel binnendrong. O, de liefde van God! Die verbazingwekkende, onmetelijke, onbegrijpelijke liefde van de Vader! O, haar zó te voelen dat de hele ziel erdoor ontvlamt en onze koude natuur in vuur en vlam wordt gezet van liefde tot de grote Liefhebber van zondaren! Wie kan dat werken behalve de Heilige Geest?
En hoe ontvangen wij de Heilige Geest anders dan als de vrije gave van God, Wiens gaven en roeping onberouwelijk zijn? God geeft niet om later terug te nemen; Zijn gaven blijven voor eeuwig. Wanneer de Heilige Geest aan u gegeven is, is Hij dan niet het onderpand van Gods liefde? Beschrijft de Schrift Hem niet als het onderpand van onze erfenis? En is een onderpand niet de zekerheid van alles wat nog komen zal? Zou de Heilige Geest Zijn zegel zetten op iets dat uiteindelijk zou mislukken? Nooit!
Als de Heilige Geest in u woont, dan is Hij de garantie van eeuwige heerlijkheid. Waar genade wordt geschonken door Zijn goddelijke inwoning, daar zal heerlijkheid noodzakelijk volgen. Wanneer de Heilige Geest in de ziel komt, komt Hij om daar te wonen; en Hij zal blijven totdat wij worden opgenomen naar de hogere gewesten om voor eeuwig het aangezicht van onze Heere te aanschouwen.
III. Tot slot willen we kort ingaan op HET RESULTAAT VAN DEZE ZEKERE HOOP. Laten we ons door de context laten leiden.


