Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En Zijn twaalfG1427 discipelenG3101 tot Zich geroepenG4341 hebbende, heeft Hij hun machtG1849 gegevenG1325 over de onreineG169 geestenG4151, om dezelve uit te werpenG1544, enG2532 om alleG3956 ziekteG3554 enG2532 alleG3956 kwaal te genezenG2323.
En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwaal te genezen.
Ook in dit vers
kwaleG3119
KJV
And1
when he had called2
unto him his6
twelve4
disciples,5
he gave7
them8
power9
against unclean11
spirits,10
to12
cast13
them14
out,
and15
to heal16
all manner17
of sickness18
and19
all manner20
of disease.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
De namenG3686 nuG1161 der twaalfG1427 apostelenG652 zijnG1510 dezeG3778: de eersteG4413, SimonG4613, gezegdG3004 PetrusG4074, en AndreasG406, zijn broederG80; JakobusG2385, de zoon van ZebedeusG2199, en JohannesG2491, zijn broederG80;
De namen nu der twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder;
KJV
Now2
the names6
of the twelve3
apostles4
are
these;
The first,9
Simon,10
who1
is called12
Peter,13
and14
Andrew15
his18
brother;17
James19
the son of5
Zebedee,22
and23
John24
his27
brother;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
FilippusG5376 enG2532 BartholomeusG918; ThomasG2381 enG2532 MattheusG3156, de tollenaarG5057; JakobusG2385, de zoon van AlfeusG256, enG2532 LebbeusG3002, toegenaamdG1941 ThaddeusG2280;
Filippus en Bartholomeus; Thomas en Mattheus, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeus, en Lebbeus, toegenaamd Thaddeus;
KJV
Philip,1
and2
Bartholomew;3
Thomas,4
and5
Matthew6
the publican;8
James9
the son of7
Alphaeus,12
and13
Lebbaeus,14
whose surname was16
Thaddaeus;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
SimonG4613 KananitesG2581, enG2532 JudasG2455 IskariotG2469, die HemG846 ookG2532 verradenG3860 heeft.
Simon Kananites, en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
KJV
Simon1
the Canaanite,3
and4
Judas5
Iscariot,6
who2
also8
betrayed9
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
DezeG3778 twaalfG1427 heeft JezusG2424 uitgezondenG649, en hunG846 bevelG3853 gegeven, zeggendeG3004: Gij zult niet heengaanG565 opG1519 den wegG3598 der heidenenG1484, enG2532 gij zult nietG3361 ingaanG1525 inG1519 enige stadG4172 der SamaritanenG4541.
Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad der Samaritanen.
KJV
These
twelve3
Jesus6
sent forth,4
and commanded7
them,8
saying,9
Go14
not13
into10
the way11
of the Gentiles,12
and15
into16
any city17
of the Samaritans18
enter ye20
not:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
MaarG1161 gaat veelG3123 meer heen totG4314 de verlorenG622 schapenG4263 van het huisG3624 IsraelsG2474.
Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israels.
KJV
But2
go1
rather3
to4
the lost8
sheep6
of the house9
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
EnG1161 heengaandeG4198 prediktG2784, zeggendeG3004: Het KoninkrijkG932 der hemelenG3772 is nabijG1448 gekomen.
En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.
KJV
And2
as ye go,1
preach,3
saying,4
The kingdom8
of heaven10
is at hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
GeneestG2323 de krankenG770; reinigtG2511 de melaatsenG3015; wektG1453 de dodenG3498 op; werptG1544 de duivelenG1140 uit. Gij hebt het om niet ontvangenG2983, geeftG1325 het om niet.
Geneest de kranken; reinigt de melaatsen; wekt de doden op; werpt de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.
KJV
Heal2
the sick,1
cleanse4
the lepers,3
raise6
the dead,5
cast out8
devils:7
freely9
ye have received,10
freely11
give.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
VerkrijgtG2932 uG4771 noch goudG5557, noch zilverG696, noch koperG5475 geld inG1519 uw gordelsG2223;
Verkrijgt u noch goud, noch zilver, noch koper geld in uw gordels;
KJV
Provide2
neither1
gold,3
nor4
silver,5
nor6
brass7
in8
your
purses,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Noch maleG4082 totG1519 den wegG3598, noch tweeG1417 rokkenG5509, noch schoenenG5266, noch stafG4464; wantG1063 de arbeiderG2040 is zijn voedselG5160 waardigG514.
Noch male tot den weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waardig.
KJV
Nor1
scrip2
for3
your journey,4
neither5
two6
coats,7
neither8
shoes,9
nor10
yet staves:12
for17
the workman19
is
worthy16
of his22
meat.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
EnG1161 in wat stadG4172 ofG2228 vlekG2968 gij zult inkomenG1525, onderzoektG1833, wie daarin waardigG514 isG1510; en blijftG3306 aldaar, totdat gij daar uitgaatG1831.
En in wat stad of vlek gij zult inkomen, onderzoekt, wie daarin waardig is; en blijft aldaar, totdat gij daar uitgaat.
KJV
And3
into1
whatsoever4
city5
or6
town7
ye shall enter,8
enquire9
who10
in11
it12
is
worthy;13
and there15
abide16
till18
ye go thence.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
EnG1161 als gij inG1519 het huisG3614 gaat, zo groetG782 hetzelveG846.
En als gij in het huis gaat, zo groet hetzelve.
KJV
And2
when ye come1
into3
an house,5
salute6
it.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En indien dat huisG3614 waardigG514 isG1510, zo komeG2064 uw vredeG1515 overG1909 hetzelveG846, maarG1161 indienG1437 het nietG3361 waardigG514 isG1510, zo kereG1994 uw vredeG1515 weder totG4314 uG4771.
En indien dat huis waardig is, zo kome uw vrede over hetzelve, maar indien het niet waardig is, zo kere uw vrede weder tot u.
KJV
And1
if2
the house6
be
worthy,7
let your
peace10
come8
upon12
it:13
but15
if
it be
not
worthy,18
let your
peace20
return24
to22
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
EnG2532 zoG1437 iemandG3739 uG4771 nietG3361 zal ontvangenG1209, noch uw woordenG3056 horenG191, uitgaandeG1831 uit dat huisG3614 ofG2228 uit dezelve stadG4172, schudtG1621 het stofG2868 uwer voetenG4228 af.
En zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis of uit dezelve stad, schudt het stof uwer voeten af.
KJV
And1
whosoever2
shall5
not
receive
you,
nor7
hear8
your
words,10
when ye depart out12
of that18
house14
or15
city,17
shake off19
the dust21
of your
feet.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
VoorwaarG281 zegG3004 Ik uG4771: Het zal den landeG1093 van SodomG4670 enG2532 GomorraG1116 verdragelijkerG414 zijnG1510 inG1722 den dagG2250 des oordeelsG2920, danG2228 dezelve stadG4172.
Voorwaar zeg Ik u: Het zal den lande van Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan dezelve stad.
KJV
Verily1
I say2
unto you,
It shall be
more tolerable4
for the land6
of Sodom7
and8
Gomorrha9
in10
the day11
of judgment,12
than13
for that16
city.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
ZietG3708, IkG1473 zendG649 uG4771 alsG5613 schapenG4263 inG1722 het middenG3319 der wolvenG3074; zijt danG3767 voorzichtigG5429 gelijkG5613 de slangenG3789, enG2532 oprechtG185 gelijkG5613 de duivenG4058.
Ziet, Ik zend u als schapen in het midden der wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven.
KJV
Behold,
I2
send3
you
forth
as5
sheep6
in7
the midst8
of wolves:9
be ye10
therefore11
wise12
as13
serpents,15
and16
harmless17
as18
doves.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
MaarG1161 wachtG4337 u voor de mensenG444; wantG1063 zij zullen u overleverenG3860 in de raadsvergaderingenG4892, en in hun synagogenG4864 zullen zijG846 uG4771 geselenG3146.
Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in hun synagogen zullen zij u geselen.
KJV
But2
beware1
of3
men:5
for7
they will deliver6
you
up
to9
the councils,10
and11
they will scourge16
you
in12
their15
synagogues;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En gij zult ookG2532 voor stadhoudersG2232 en koningenG935 geleidG71 worden, omG1519 MijnentwilG1700, hunG846 en den heidenenG1484 tot getuigenisG3142.
En gij zult ook voor stadhouders en koningen geleid worden, om Mijnentwil, hun en den heidenen tot getuigenis.
KJV
And1
ye shall be brought7
before2
governors3
and5
kings6
for my8
sake,
for10
a testimony11
against them12
and13
the Gentiles.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
DochG1161 wanneer zij u overleverenG3860, zo zult gij nietG3361 bezorgdG3309 zijn, hoeG4459 ofG2228 watG5101 gij sprekenG2980 zult; wantG1063 het zal u inG1722 dezelve ureG5610 gegevenG1325 worden, watG5101 gij sprekenG2980 zult.
Doch wanneer zij u overleveren, zo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat gij spreken zult.
KJV
But2
when1
they deliver3
you
up,
take6
no5
thought
how7
or8
what9
ye shall speak:10
for12
it shall be given11
you
in14
that same15
hour17
what18
ye shall speak.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
WantG1063 gijG4771 zijt het nietG3756, die spreektG2980, maarG235 het is de GeestG4151 uws VadersG3962, Die inG1722 uG4771 spreektG2980.
Want gij zijt het niet, die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders, Die in u spreekt.
KJV
For2
it is
not1
ye
that speak,6
but7
the Spirit9
of your
Father11
which5
speaketh14
in15
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En de ene broederG80 zal den anderen broederG80 overleverenG3860 tot den doodG2288, en de vaderG3962 het kindG5043, en de kinderenG5043 zullen opstaanG1881 tegenG1909 de oudersG1118, en zullen henG846 dodenG2289.
En de ene broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind, en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen doden.
KJV
And2
the brother3
shall deliver up1
the brother4
to5
death,6
and7
the father8
the child:9
and10
the children12
shall rise up11
against13
their parents,14
and15
cause16
them17
to be put to death.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
En gij zult vanG5259 allenG3956 gehaatG3404 worden om Mijn NaamG3686; maarG1161 die volstandigG5278 zal blijven totG1519 het eindeG3778, die zal zaligG4982 worden.
En gij zult van allen gehaat worden om Mijn Naam; maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden.
KJV
And1
ye shall
be hated3
of4
all5
men for6
my
name's sake:8
but11
he that15
endureth12
to13
the end14
shall be saved.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Wanneer zij u danG1161 in dezeG3778 stadG4172 vervolgenG1377, vliedtG5343 in de andere; wantG1063 voorwaarG281 zegG3004 ik u: Gij zult uw reis doorG1722 de stedenG4172 IsraelsG2474 niet geeindigdG5055 hebben, of de ZoonG5207 des mensenG444 zal gekomenG2064 zijn.
Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere; want voorwaar zeg ik u: Gij zult uw reis door de steden Israels niet geeindigd hebben, of de Zoon des mensen zal gekomen zijn.
KJV
But2
when1
they persecute3
you
in5
this
city,7
flee ye9
into10
another:12
for14
verily13
I say15
unto you,
Ye shall19
not
have gone over
the cities21
of Israel,23
till24
the Son28
of man30
be25
come.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
De discipelG3101 isG1510 nietG3756 boven den meesterG1320, noch de dienstknechtG1401 boven zijn heerG2962.
De discipel is niet boven den meester, noch de dienstknecht boven zijn heer.
KJV
The disciple3
is
not1
above4
his master,6
nor7
the servant8
above9
his12
lord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Het zij den discipelG3101 genoegG713, datG2443 hij wordeG1096 gelijkG5613 zijn meesterG1320, enG2532 de dienstknechtG1401 gelijkG5613 zijn heerG2962. IndienG1487 zijG846 den Heere des huizesG3617 BeelzebulG954 hebben gehetenG2564, hoeveelG4214 te meer Zijn huisgenotenG3615!
Het zij den discipel genoeg, dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienstknecht gelijk zijn heer. Indien zij den Heere des huizes Beelzebul hebben geheten, hoeveel te meer Zijn huisgenoten!
KJV
It is enough1
for the disciple3
that4
he be5
as6
his9
master,8
and10
the servant12
as13
his16
lord.15
If17
they have called25
the master of the house19
Beelzebub,24
how much26
more27
shall they call them of his30
household?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
VreestG5399 danG3767 henG846 niet; wantG1063 er isG1510 nietsG3762 bedektG2572, hetwelkG3739 niet zal ontdektG601 worden, enG2532 verborgenG2927, hetwelkG3739 niet zal gewetenG1097 worden.
Vreest dan hen niet; want er is niets bedekt, hetwelk niet zal ontdekt worden, en verborgen, hetwelk niet zal geweten worden.
KJV
Fear3
them4
not1
therefore:2
for6
there is
nothing5
covered,8
that9
shall11
not10
be revealed;
and12
hid,13
that14
shall16
not15
be known.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
HetgeenG3739 Ik uG4771 zegG3004 in de duisternisG4653, zegtG2036 het in het lichtG5457; enG2532 hetgeenG3739 gij hoortG191 in het oorG3775, prediktG2784 dat op de dakenG1430.
Hetgeen Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en hetgeen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken.
KJV
What1
I tell2
you
in4
darkness,6
that speak ye
in8
light:10
and11
what12
ye hear16
in13
the ear,15
that preach ye17
upon18
the housetops.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
En vreestG5399 nietG3361 voor degenen, die het lichaamG4983 dodenG615, en de zielG5590 nietG3361 kunnen dodenG615; maarG1161 vreestG5399 veelG3123 meer Hem, Die beide zielG5590 en lichaamG4983 kanG1410 verdervenG622 inG1722 de helG1067.
En vreest niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel.
KJV
And1
fear3
not2
them which5
kill6
the body,8
but10
are13
not12
able19
to kill14
the soul:11
but16
rather17
fear15
him which7
is able
to destroy24
both20
soul21
and22
body23
in25
hell.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Worden niet tweeG1417 musjesG4765 om een penningskenG787 verkochtG4453? EnG2532 niet eenG1520 vanG1537 deze zal opG1909 de aardeG1093 vallenG4098 zonder uw VaderG3962.
Worden niet twee musjes om een penningsken verkocht? En niet een van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader.
KJV
Are5
not1
two2
sparrows3
sold
for a farthing?4
and6
one7
of8
them9
shall11
not10
fall
on12
the ground14
without15
your
Father.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
En ookG2532 uw harenG2359 des hoofdsG2776 zijnG1510 alleG3956 geteldG705.
En ook uw haren des hoofds zijn alle geteld.
KJV
But2
the very3
hairs5
of your
head7
are
all8
numbered.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
VreestG5399 danG3767 nietG3361; gijG4771 gaat veleG4183 musjesG4765 te boven.
Vreest dan niet; gij gaat vele musjes te boven.
KJV
Fear ye3
not1
therefore,2
ye
are of more value6
than many4
sparrows.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
Een iegelijkG3956 danG3767, die Mij belijdenG3670 zal voor de mensenG444, dien zal Ik ook belijdenG3670 voor Mijn VaderG3962, Die inG1722 de hemelenG3772 is.
Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.
KJV
Whosoever1
therefore2
shall confess4
me
before7
men,9
him13
will I confess10
also11
before14
my
Father16
which8
is in5
heaven.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
MaarG1161 zo wie MijG1473 verloochendG302 zal hebben voor de mensenG444, dien zal IkG1473 ook verloochenenG720 voor Mijn VaderG3962, Die inG1722 de hemelenG3772 is.
Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, dien zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.
KJV
But2
whosoever1
shall3
deny4
me
before6
men,8
him10
will I also11
deny9
before12
my
Father14
which7
is in17
heaven.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
MeentG3543 niet, datG3754 Ik gekomenG2064 ben, om vredeG1515 te brengenG906 opG1909 de aardeG1093; Ik ben niet gekomenG2064 om vredeG1515 te brengenG906, maarG235 het zwaardG3162.
Meent niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.
KJV
Think2
not1
that3
I am come4
to send5
peace6
on7
earth:9
I came11
not10
to send12
peace,13
but14
a sword.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
WantG1063 Ik ben gekomenG2064, om den mensG444 tweedrachtigG1369 te maken tegenG2596 zijn vaderG3962, enG2532 de dochterG2364 tegenG2596 haar moederG3384, enG2532 de schoondochterG3565 tegenG2596 haarG846 schoonmoederG3994.
Want Ik ben gekomen, om den mens tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen haar moeder, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder.
KJV
For2
I am come1
to set3
a man4
at variance
against5
his8
father,7
and9
the daughter10
against11
her14
mother,13
and15
the daughter in law16
against17
her20
mother in law.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
EnG2532 zijG846 zullen des mensenG444 vijandenG2190 worden, die zijn huisgenotenG3615 zijn.
En zij zullen des mensen vijanden worden, die zijn huisgenoten zijn.
KJV
And1
a man's4
foes2
shall be they of his own7
household.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
Die vaderG3962 ofG2228 moederG3384 liefheeftG5368 boven MijG1473, isG1510 Mijns nietG3756 waardigG514; enG2532 die zoonG5207 ofG2228 dochterG2364 liefheeftG5368 boven MijG1473, isG1510 Mijns nietG3756 waardigG514.
Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig.
KJV
He that loveth2
father3
or4
mother5
more than6
me
is
not8
worthy11
of me:
and12
he that loveth14
son15
or16
daughter17
more than18
me
is
not20
worthy23
of me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
EnG2532 dieG3739 zijn kruisG4716 niet op zich neemtG2983, enG2532 MijG1473 navolgtG3694, isG1510 Mijns nietG3756 waardigG514.
En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.
KJV
And1
he2
that taketh4
not3
his7
cross,6
and8
followeth9
after10
me,
is
not12
worthy15
of me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
Die zijn zielG5590 vindtG2147, zal dezelveG846 verliezenG622; enG2532 die zijn zielG5590 zal verlorenG622 hebben om MijnentwilG1700, zal dezelve vindenG2147.
Die zijn ziel vindt, zal dezelve verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelve vinden.
KJV
He that findeth2
his5
life4
shall lose6
it:7
and8
he that loseth10
his13
life12
for my
sake14
shall find16
it.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
Die uG4771 ontvangtG1209, ontvangtG1209 Mij; enG2532 die MijG1473 ontvangtG1209, ontvangtG1209 Hem, Die MijG1473 gezondenG649 heeft.
Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.
KJV
He that receiveth2
you
receiveth5
me,
and6
he that receiveth9
me
receiveth10
him that sent12
me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41
Die een profeetG4396 ontvangt inG1519 den naamG3686 eens profetenG4396, zal het loonG3408 eens profetenG4396 ontvangen; enG2532 die een rechtvaardigeG1342 ontvangt inG1519 den naamG3686 eens rechtvaardigenG1342, zal het loonG3408 eens rechtvaardigenG1342 ontvangen.
Die een profeet ontvangt in den naam eens profeten, zal het loon eens profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in den naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen.
Ook in dit vers
ontvangenG1209
ontvangenG2983
ontvangtG1209
ontvangtG2983
KJV
He that receiveth2
a prophet3
in4
the name5
of a prophet6
shall receive9
a prophet's8
reward;7
and10
he that receiveth19
a righteous man13
in14
the name15
of a righteous man16
shall receive12
a righteous man's18
reward.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42
EnG2532 zoG1437 wieG3739 een van dezeG3778 kleinenG3398 te drinkenG302 geeftG4222 alleenlijk een bekerG4221 koudG5593 water, inG1519 den naamG3686 eens discipelsG3101, voorwaarG281 zegG3004 Ik uG4771, hijG846 zal zijn loonG3408 geenszinsG3364 verliezenG622.
En zo wie een van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud water, in den naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.
KJV
And1
whosoever2
shall give to drink4
unto one5
of these
little ones7
a cup9
of cold10
water only11
in12
the name13
of a disciple,14
verily15
I say16
unto you,
he shall in no wise
lose20
his23
reward.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
macht gegeven
Namelijk om in zijnen naam en door de krachts Gods, niet door hunne kracht wonderen te doen. Zie Hand. 3:12 , Hand. 3:16 .
Hertaald:
macht gegeven
Namelijk om in Zijn naam en door de kracht van God — niet door hun eigen kracht — wonderen te doen. Zie Hand. 3:12, Hand. 3:16.
over de onreine geesten,
Of, tegen.
Hertaald:
over de onreine geesten,
Of: tegen.
eerste Simon gezegd Petrus,
Petrus wordt hier eerst genaamd, niet omdat hij macht en gezag had over de anderen, hetwelk Gods Woord nergens leert, alzo de apostelen in deze elkander gelijk waren Joh. 20:22-23 , maar omdat hij zoals het schint, de oudste en van Christus tot het apostelschap het eerst geroepen was; Matt. 4:18 . anders wordt ook Jacobus eerst genaamd voor Petrus, Gal. 2:9 , of, omdat hij eerst met zijn broeder Andreas het eerste paar is, dat uitgezonden werd.
Hertaald:
eerste Simon gezegd Petrus,
Petrus wordt hier het eerst genoemd, niet omdat hij macht en gezag over de anderen had — wat Gods Woord nergens leert, aangezien de apostelen hierin aan elkaar gelijk waren, Joh. 20:22-23 — maar omdat hij, naar het schijnt, de oudste was en door Christus het eerst tot het apostelschap geroepen werd; Matth. 4:18. Elders wordt overigens ook Jakobus vóór Petrus genoemd, Gal. 2:9. Of het is omdat hij met zijn broer Andreas het eerste tweetal vormt dat uitgezonden werd.
tollenaar;
Dat is, die tollenaar geweest was. Zie Matt. 9:9 . Hij wordt ook Levi genaamd. Marc. 2:14 , en Luc. 5:27 , Luc. 5:29 .
Hertaald:
tollenaar;
Dat is: hij die tollenaar geweest was. Zie Matth. 9:9. Hij wordt ook Levi genoemd, Mark. 2:14 en Luk. 5:27, Luk. 5:29.
Thaddeüs;
Thaddai in het Syrisch, is Judas in het Hebreeuws, hetwelk zijn voornaam was. Zie Joh. 14:22 . Hoewel sommigen menen dat dit nog een derde naam is van dezen apostel, van een anderen oorsprong. Hij is ook toegenaamd Lebbeus.
Hertaald:
Thaddeüs;
Thaddai in het Syrisch is in het Hebreeuws Judas, wat zijn eigenlijke naam was. Zie Joh. 14:22. Hoewel sommigen menen dat dit nog een derde naam van deze apostel is, van een andere oorsprong. Hij is ook toegenaamd Lebbeüs.
Kananites,
Dat is, ijveraar, Grieks, Zelotes. Gelijk de eerste Simon is toegenaamd Kananites, dat is ijveraar, om van de ander onderscheiden te worden. Zie Luc. 6:15 ; Hand. 1:13 .
Hertaald:
Kananites,
Dat is: ijveraar; Grieks Zelotes. De eerste Simon is toegenaamd Kananiet, dat is: ijveraar, om hem van de andere te onderscheiden. Zie Luk. 6:15; Hand. 1:13.
Iskarioth,
Sommigen menen dat deze Judas zo genaamd wordt van de stad Keriothe, gelegen in de stam van Juda, Joz. 15:25 , anderen van Secarjuth, hetwelk een buidel betekent, omdat hij de beurs droeg, Joh. 12:6 .
Hertaald:
Iskarioth,
Sommigen menen dat deze Judas zo genoemd wordt naar de stad Kerioth, die in de stam van Juda lag, Joz. 15:25; anderen naar sekarjoth, wat een buidel betekent, omdat hij de beurs droeg, Joh. 12:6.
verraden heeft
Grieks, overgeleverd heeft.
Hertaald:
verraden heeft
Grieks: overgeleverd heeft.
Samaritanen;
De Samaritanen worden hier bij de heidenen gevoegd en onderscheiden omdat, hoewel zij van heidense afkomst waren, zij vele ceremoniën der Joden aangenomen hadden. Zie 2Ki 17 .
Hertaald:
Samaritanen;
De Samaritanen worden hier naast de heidenen genoemd en er toch van onderscheiden, omdat zij weliswaar van heidense afkomst waren maar veel ceremoniën van de Joden overgenomen hadden. Zie 2 Kon. 17.
Israëls
Dat is, Joden, die als dwalende schapen zonder oprechtleraars waren. Deze moest het Evangelie eerst gepredikt worden; Matt. 15:24 ; Hand. 13:46 .
Hertaald:
Israëls
Dat is: de Joden, die als dwalende schapen zonder oprechte leraars waren. Aan hen moest het Evangelie het eerst gepredikt worden; Matth. 15:24; Hand. 13:46.
kranken,
Grieks, krachteloos. In Grieks, staat het werkwoord \"krachteloos zijn\".
Hertaald:
kranken,
Grieks: krachteloos; in het Grieks staat het werkwoord krachteloos zijn.
verkrijgt u noch goud,
Namelijk tot voorraad op uwe reis.
Hertaald:
verkrijgt u noch goud,
Namelijk als voorraad voor onderweg.
gordels;
Of buidels; want de Joden hadden brede riemen of gordels om hun lange klederen er mee op te schorten, waarin zij ook hun geld droegen.
Hertaald:
gordels;
Of: buidels. Want de Joden hadden brede riemen of gordels om hun lange kleren mee op te schorten, waarin zij ook hun geld droegen.
twee rokken,
Dat is, geen klederen dan die zij zouden aanhebben.
Hertaald:
twee rokken,
Dat is: geen andere kleren dan die zij aanhadden.
waardig is;
Dat is, die het Evangelie gaarne willen aannemen, Hand. 2:41 , welke waardigheid niemand van zichzelven heeft, maar die de Heere door zijn Geest daartoe waardig en bekwaam maakt: Matt. 22:8-9 ; 2 Kor. 3:5 .
Hertaald:
waardig is;
Dat is: wie het Evangelie graag wil aannemen, Hand. 2:41. Die waardigheid heeft niemand uit zichzelf, maar de Heere maakt hem daartoe waardig en bekwaam door Zijn Geest: Matth. 22:8-9; 2 Kor. 3:5.
daar uitgaat
Dat is, uit die stad.
Hertaald:
daar uitgaat
Dat is: uit die stad.
groet hetzelve
Dat is, wens degenen die daarin wonen geluk en vrede, gelijk in het vs.13, blijkt. Anderen doen daarbij: zeggende: vrede zij dezen huize. Zie Luc. 10:5 .
Hertaald:
groet hetzelve
Dat is: wens hun die daarin wonen geluk en vrede toe, zoals uit vers 13 blijkt. Anderen voegen daaraan toe: zeggende: vrede zij dit huis. Zie Luk. 10:5.
stof uwer voeten af
Om daarmede te beteken dat zij met hen voortaan gans geen gemeenschap begeerde te hebben. Zie Hand. 13:51 , en Hand. 18:6 .
Hertaald:
stof uwer voeten af
Om daarmee aan te duiden dat zij voortaan volstrekt geen gemeenschap meer met hen wilden hebben. Zie Hand. 13:51 en Hand. 18:6.
het land van Sódom en Gomórra
Of, het land van die van Sodoma en Gomorra.
Hertaald:
het land van Sódom en Gomórra
Of: het land van hen van Sodom en Gomorra.
oprecht gelijk de duiven
Of, eenvoudig. Het Grieks, is genomen bij gelijkenis van dingen, die onvermengd en onvervalst zijn.
Hertaald:
oprecht gelijk de duiven
Of: eenvoudig. Het Griekse woord is ontleend aan de vergelijking met dingen die onvermengd en onvervalst zijn.
raadsvergaderingen,
Grieks, Synedria. Zie daarvan de verklaring Matt. 5:22 , en een voorbeeld Hand. 5:40 .
Hertaald:
raadsvergaderingen,
Grieks: synedria. Zie daarover de verklaring bij Matth. 5:22, en een voorbeeld in Hand. 5:40.
stadhouders en koningen
Namelijk der provinciën, gelijk waren Festus en Felix, en dergelijken. Zie Hand. 24:10 en 1 Petr. 2:14 . Zie ook dergelijke Neh. 5:14 .
Hertaald:
stadhouders en koningen
Namelijk van de provincies, zoals Festus en Felix en dergelijken. Zie Hand. 24:10 en 1 Petr. 2:14. Zie ook iets dergelijks in Neh. 5:14.
bezorgd zijn
Niet wij ons tevoren niet zouden mogen bedenken, of God om wijsheid bidden, maar dat wij daarover niet te zeer beangst of bekommerd moeten zijn. Zie Hand. 4:29 .
Hertaald:
bezorgd zijn
Niet dat wij ons niet van tevoren zouden mogen bedenken of God om wijsheid zouden mogen bidden, maar dat wij daarover niet al te angstig of bekommerd moeten zijn. Zie Hand. 4:29.
doden
Of, ter dood brengen.
Hertaald:
doden
Of: ter dood brengen.
gekomen zijn
Dat is, zal wederom bij u komen en u ontmoeten.
Hertaald:
gekomen zijn
Dat is: zal weer bij u komen en u ontmoeten.
Beëlzebul hebben geheten,
Anderen lezen Beëzebub, welke was de opperste afgod der Ekronieten; 2 Kon. 1:2 . Met welken naam de Joden den overste der duivelen noemden, omdat de afgoden der heidenen duivelen waren. Zie 1 Kor. 10:20 .
Hertaald:
Beëlzebul hebben geheten,
Anderen lezen Beëlzebub, die de voornaamste afgod van de Ekronieten was; 2 Kon. 1:2. Met die naam noemden de Joden de overste van de duivelen, omdat de afgoden van de heidenen duivelen waren. Zie 1 Kor. 10:20.
in het oor,
Dat is, wat gij van mij in het bijzonder hebt gehoord, verkondigt dat openbaar of overluid.
Hertaald:
in het oor,
Dat is: wat u onder vier ogen van Mij gehoord hebt, verkondig dat openlijk en hardop.
op de daken
De daken van de Joodse huizen waren boven plat, met een leuning rondom, vanwaar men gemakkelijk de lieden op de straten kon aanspreken. Zie Deut. 22:8 .
Hertaald:
op de daken
De daken van de Joodse huizen waren van boven plat, met een leuning eromheen, vanwaar men de mensen op straat gemakkelijk kon toespreken. Zie Deut. 22:8.
musjes
Anders, vogeltJes.
Hertaald:
musjes
Anders: vogeltjes.
een penningsken verkocht?
Grieks, Assarion; hetwelk een penning was, wegende ontrent vier greinen of azen zilvers, doende omtrent een duit (ruim 1/2 cent).
Hertaald:
een penningsken verkocht?
Grieks: assarion, een penning die ongeveer vier grein zilver woog, en ongeveer een duit waard was.
belijden voor mijn Vader,
Dat is, voor mijn ware discipelen erkennen; gelijk verlochenen is voor zijn ware discipelen niet erkennen. Zie Matt. 7:23 .
Hertaald:
belijden voor mijn Vader,
Dat is: voor Mijn ware discipelen erkennen; zoals verloochenen betekent: niet voor Zijn ware discipelen erkennen. Zie Matth. 7:23.
zwaard
Dat is onenigheid en vervolging, die op de predikatie zou volgen; waarvan oorzaak is, niet eigenlijk Christus, die de vredevorst is, Jes. 9:5 , of zijn vredes is, Ef. 6:15 , maar de moedwil dergenen, die het verwerpen, en de gelovigen haten en vijandig vervolgen.
Hertaald:
zwaard
Dat is: onenigheid en vervolging, die op de prediking zouden volgen. De oorzaak daarvan is niet Christus Zelf, Die de Vredevorst is, Jes. 9:5, en Die onze vrede is, Ef. 6:15, maar de moedwil van hen die het Evangelie verwerpen en de gelovigen haten en vijandig vervolgen.
schoondochter tegen hare schoonmoeder
Grieks, nieuwgehuwde, of bruid.
Hertaald:
schoondochter tegen hare schoonmoeder
Grieks: pas gehuwde, of bruid.
ziel vindt,
Dat is, die zijn leven zal willen behouden met verlochening mijns naams, die zal het ware leven, namelijk de zaligheid, verliezen.
Hertaald:
ziel vindt,
Dat is: wie zijn leven zal willen behouden door Mijn naam te verloochenen, die zal het ware leven — namelijk de zaligheid — verliezen.
in den naam eens profeten,
Dat is, om diens wil, dat hij een profeet of oprecht leraar is van het heilig Evangelie.
Hertaald:
in den naam eens profeten,
Dat is: om die reden, dat hij een profeet of een oprecht leraar van het heilig Evangelie is.
kleinen te drinken geeft
Dat is, die hier klein geacht worden; of die voor de allerminsten zouden mogen gerekend worden.
Hertaald:
kleinen te drinken geeft
Dat is: zij die hier gering geacht worden, of die voor de allerminsten gehouden zouden kunnen worden.
een beker koud water,
Dat is, ook de allerminste dienst of weldaad, omdat hij een oprecht discipel en lidmaat van Christus is.
Hertaald:
een beker koud water,
Dat is: ook de allerkleinste dienst of weldaad, omdat hij een oprecht discipel en lid van Christus is. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een visser aan het meer van Galilea, broer van Andreas. Jezus riep hem, samen met zijn broer, om Hem te volgen en "vissers der mensen" te worden; hij liet terstond zijn netten achter en volgde Jezus na (Matth. 4:18-20). Hij zou uitgroeien tot de voorman onder de twaalf apostelen. Een visser aan het meer van Galilea, broer van Simon Petrus, met wie hij door Jezus geroepen werd om Hem te volgen en "vissers der mensen" te worden (Matth. 4:18-20). Zoon van Zebedeüs en broer van Jakobus; een visser, geroepen door Jezus om Hem te volgen (Matth. 4:21-22); niet dezelfde persoon als Johannes de Doper. Hij zou een van de twaalf apostelen worden en het naar hem genoemde Evangelie en andere boeken van het Nieuwe Testament schrijven. Een tollenaar (belastinginner), die door Jezus geroepen werd terwijl hij in het tolhuis zat; hij stond terstond op en volgde Hem, en gaf een maaltijd waarbij vele tollenaars en zondaars met Jezus aanzaten (Matth. 9:9-13). Hij werd een van de twaalf apostelen, en wordt van oudsher gezien als de schrijver van het naar hem genoemde Evangelie; elders ook Levi genoemd. Een van de twaalf apostelen van Jezus (Matth. 10:3); niet te verwarren met Filippus, de evangelist (Hand. 6, 8) of met andere personen die deze naam droegen. Een van de twaalf apostelen van Jezus (Matth. 10:3); doorgaans geïdentificeerd met Nathanaël uit het Evangelie naar Johannes. Een van de twaalf apostelen van Jezus (Matth. 10:3); later bekend om zijn twijfel aan Jezus' opstanding, totdat hij Hem zelf zag (Joh. 20:24-29). Een van de twaalf apostelen van Jezus, zoon van Alfeüs (Matth. 10:3); niet dezelfde persoon als Jakobus, de zoon van Zebedeüs. Een van de twaalf apostelen van Jezus, ook Thaddeüs genoemd (Matth. 10:3); elders (Luk. 6:16) Judas, de zoon (of broeder) van Jakobus genoemd. Een van de twaalf apostelen van Jezus, aangeduid als "de Kananiet" (of Zeloot); niet dezelfde persoon als Simon Petrus (Matth. 10:4). Een van de twaalf apostelen van Jezus, die Hem later voor dertig zilverlingen aan de overpriesters zou verraden (Matth. 10:4; 26:14-16, 47-50). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Het woord komt in Mattheüs telkens uit de mond van Christus Zelf en steeds als waarschuwing. In de Bergrede staat het driemaal: wie tegen zijn broeder "gij dwaas" zegt, is strafbaar door het helse vuur, en het is beter een oog of hand te verliezen dan dat het gehele lichaam in de hel geworpen wordt (Matt. 5:22,29-30). Verder: vreest niet hen die het lichaam doden, maar Hem die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel (Matt. 10:28), en de scherpste toepassing van alle staat tegen de Schriftgeleerden en Farizeeën (Matt. 23:33). De achtergrond is het dal van Hinnom, waar koningen van Juda kinderen door het vuur lieten gaan — een gruwel die Jeremia een gericht aankondigde (Jer. 7:31-32; 19:5-6; vgl. 2 Kon. 23:10). Bijbelse betekenis: Het is van gewicht wie hier spreekt. Niet een profeet van het gericht maar de Zaligmaker Zelf gebruikt dit woord het meest, en Hij gebruikt het niet tegen buitenstaanders maar tegen hoorders en tegen godsdienstige mensen. De waarschuwing staat bovendien in het verband van de vreze Gods, niet in dat van willekeur: het gaat om Hem die beide ziel en lichaam kan verderven. Dat de aanduiding aan een dal met een geschiedenis van kinderoffers ontleend is, geeft het woord zijn gewicht — de plaats van de diepste gruwel werd het beeld van het uiterste gericht. Typologie: Openbaring noemt het einde de tweede dood en de poel des vuurs (Op. 20:14-15; 21:8), en Paulus spreekt van eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren (2 Thess. 1:9). Tegenover die ernst staat in hetzelfde Evangelie de enige uitweg die het kent: de Zoon des mensen is gekomen om Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen (Matt. 20:28). En wie in Hem gelooft, komt niet in het oordeel maar is uit de dood overgegaan in het leven (Joh. 5:24). Wie over dit onderwerp spreekt zonder dat erbij te zeggen, spreekt niet zoals de Schrift spreekt. Matt. 5:22,29-30; Matt. 10:28; Matt. 23:33; 2 Kon. 23:10; Jer. 7:31-32; Jer. 19:5-6; Joh. 5:24; 2 Thess. 1:9; Op. 20:14-15; Op. 21:8 Nadat Christus Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen heeft, geeft Hij hun macht over onreine geesten en om ziekten te genezen, en dan volgt de opsomming: "De namen nu der twaalf apostelen zijn deze" — hier heten zij voor het eerst zo (Matt. 10:1-4). De zending is aanvankelijk beperkt tot de verloren schapen van het huis Israëls (Matt. 10:5-6). De opdracht is aan het Evangelie gebonden en niet aan middelen: om niet ontvangen, om niet geven, en geen goud of zilver in de gordel (Matt. 10:8-10). Daarna volgt de waarschuwing dat de boodschapper het lot van zijn Zender deelt: de discipel is niet boven zijn meester (Matt. 10:24-25), en men zal hen overleveren en haten om Zijns Naams wil (Matt. 10:17-22). Ten slotte wordt hun getal en hun taak in het toekomende bevestigd: zij zullen zitten op twaalf tronen (Matt. 19:28). Bijbelse betekenis: Het getal twaalf is geen toeval maar een aanspraak: zoveel als de stammen van Israël. Het ambt is bovendien geheel afgeleid — een apostel spreekt niet uit zichzelf maar namens Hem die hem zendt, en daarom geldt: wie u ontvangt, ontvangt Mij (Matt. 10:40). Opmerkelijk is dat de lijst met Judas Iskariot sluit, mét de vermelding wat hij doen zou: het ambt vrijwaart niemand. Typologie: De grondslag van de gemeente wordt in het Nieuwe Testament aan hen gebonden: de gemeente is gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen (Ef. 2:20). En de muur van het nieuwe Jeruzalem heeft twaalf fundamenten met de namen van de twaalf apostelen (Op. 21:14). Daarmee is het ambt naar zijn aard onherhaalbaar: een fundament wordt eenmaal gelegd. Wel blijft de zending zelf: gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook ulieden (Joh. 20:21). Matt. 10:1-25,40; Matt. 19:28; Joh. 20:21; Ef. 2:20; Op. 21:14 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Thomas stelt zijn tante een bijzondere vraag over Jezus. Een mooi verhaal voor kinderen over moed, geloof en je niet schamen voor de Heere Jezus. Deze preek benadrukt dat Gods voorzienigheid zich niet alleen uitstrekt over de grote gebeurtenissen van de wereldgeschiedenis, maar ook over de kleinste details van het dagelijks leven, zodat… Hierna zei Jezus, omdat Hij wist dat nu alles volbracht was, opdat het Schriftwoord vervuld zou worden: Ik heb dorst! Johannes 19:28 De grote Verlosser sprak de woorden: 'Ik… En ook uw haren des hoofds zijn alle geteld. Mattheüs 10:30 Geen haar van uw hoofd zal verloren gaan, maar toch kan dat hoofd zich grote zorgen maken.… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Ik ben niet gekomen om vrede te brengen op de aarde, maar het zwaard. Mattheus 10:34 De Christen zal ongetwijfeld vijanden maken. Hij… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Het zij de discipel genoeg, dat hij worde gelijk zijn meester. Mattheus 10:25 Niemand zal deze uitspraak willen weerleggen, want het zou… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Mattheüs 10
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Durf jij te vertellen dat je bij Jezus hoort?
Voorzienigheid - Ook de haren van uw hoofd zijn alle geteld
Het teken van lijden
Volg de Heere
Ik ben niet gekomen om vrede te brengen op de aarde
Een knecht is niet meer als zijn meester


Mattheüs 10
Mattheüs 10:1-4.KruisverwijzingenMarkus 6:7→Markus 3:18→Lukas 9:1→Markus 3:13→Mattheüs 4:18→Handelingen 1:13→Mattheüs 4:21→Mattheüs 9:9→
— En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwaal te genezen. De namen nu der twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder; Filippus en Bartholomeus; Thomas en Mattheus, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeus, en Lebbeus, toegenaamd Thaddeus; Simon Kananites, en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
“En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwaal te genezen.”
Zij waren eerst discipelen van Christus, en daarna zond Hij hen uit als Zijn apostelen, bekleed met macht en gezag die zeer op de Zijne leken. De twaalf apostelen verbonden het geestelijke Israel met de twaalf stammen van het letterlijke Israel dat er een voorafschaduwing van geweest was.
Het is niet moeilijk de verschillende plaatsen over het werk van Jezus in het leven van Petrus met elkaar te rijmen. Er waren namelijk dríe roepingen. De eerste was die welke Christus Petrus gaf toen Hij hem uit de duisternis riep tot het wonderbare licht van God. De tweede was de roeping waarmee de knecht — al bekeerd, al gewillig — gedaagd werd om in nauwere verhouding tot zijn Heere te komen. Hij moest niet langer een knecht zijn wiens trouw wel echt was maar niet openbaar; hij moest die trouw laten zien door zijn Meester te volgen. En de derde roeping is de roeping die de Zaligmaker alleen gaf aan enkelen die Hij uitgekozen had voor een bijzonder werk: uitgekozen om apostel te zijn.
De eerste les uit deze namen is dat deze mannen bij tweeën genoemd worden. Ik denk dat Gods knechten in de regel het best in paren werken. Ook in een andere zin dan die van het huwelijk is het niet goed dat de mens alleen zij. Mozes heeft Aäron nodig, Petrus heeft Andreas nodig, Jakobus heeft Johannes nodig. Het is goed van zo’n aard en zo’n inborst te zijn dat u eendrachtig met een andere knecht van uw Heere kunt werken. Kunt u dat niet, bid God dan of Hij u veranderen wil.
Let op die uitdrukking in het derde vers: “en Bartholomeüs”. Ik meen dat er in het hele Nieuwe Testament geen enkele plaats is waar Bartholomeüs genoemd wordt zonder het woord “en” ervoor of erna. Misschien was hij geen man die ooit zelf een werk begon, maar wel een prachtig man om mee te doen en het voort te helpen wanneer iemand anders begonnen was.
Bent u dus, geliefde vriend, niet geschikt om een leider in de gemeente van Christus te zijn, wees dan bereid om nummer twee te zijn. Maar dien de Meester, in de ene of de andere hoedanigheid, met al uw macht. Wees een broeder die overal waar hij komt een “en” met zich meedraagt.
De laatste les uit de namen staat aan het einde van het vierde vers: en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft. Hij predikte over Christus, hij deed wonderen in de naam van Christus, en hij werd tot een van de apostelen van Christus geordend. En toch was hij de zoon van het verderf.
Och, laat niemand van ons tevreden zijn met alleen onze ambtelijke plaats. Laten wij ook niet vertrouwen op het goede dat wij hopen gedaan te hebben, of op enige gaven die de Meester ons toevertrouwd heeft. Judas Iskariot had al deze onderscheidingstekenen, en toch verried hij zijn Heere. God geve dat niemand onder ons een Judas Iskariot blijkt te zijn!
Mattheüs 10:5-6.KruisverwijzingenJohannes 4:9→Jeremia 50:6→Lukas 9:2→Psalmen 119:176→Jesaja 53:6→Handelingen 3:26→Handelingen 13:46→Handelingen 22:21→
— Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad der Samaritanen. Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israels.
“Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad der Samaritanen. Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israels.”
Het evangelie moet nu aan alle schepselen in de hele wereld gepredikt worden. Maar in die dagen moest het eerst aan de Joden verkondigd worden, daarna aan de Samaritanen, en pas daarna aan de heidenen in het algemeen. Dit was een zending van Israel tot Israel, bedoeld om het uitverkoren volk in het algemeen wakker te schudden. Ná de opstanding van onze Heere gaf Hij de ruimere opdracht: gaat heen in de gehele wereld, predikt het evangelie aan alle creaturen.
Onze opdracht om het evangelie aan alle creaturen te prediken is ruim. Maar die ruimte hoeft ons niet te beletten aanwijzingen van de voorzienigheid te volgen om het op de ene plaats eerder bekend te maken dan op de andere. Het is goed dat de knechten van Christus hun Meester altijd vragen wáár zij heen moeten gaan. U weet dat er in de Handelingen opgetekend staat dat Paulus en Silas naar Bithynië wilden gaan, maar dat de Geest het hun niet toeliet. Vraag de HEERE dus waar u werken zult, en ook wat uw werk zal zijn, want uw Meester weet hoe u Hem het best dienen kunt.
Mattheüs 10:7-8.KruisverwijzingenHandelingen 3:6→Mattheüs 3:2→Handelingen 4:30→Jesaja 61:1→Lukas 9:60→Handelingen 28:31→Mattheüs 4:17→Handelingen 20:33→
— En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Geneest de kranken; reinigt de melaatsen; wekt de doden op; werpt de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.
Dat gezegende Koninkrijk is nu onder de mensen opgericht. Christus is er de Koning van, en ik hoop dat velen van ons de onderdanen zijn. Toen was dat Koninkrijk nog “nabij gekomen”.
Zij moesten geneesheren zijn zowel als zendelingen: het evangelie prediken en de zieken genezen, en dat alles moest “om niet” gebeuren. Oefen uw genezende kunsten zo vrij mogelijk uit. Zij hebben u niets gekost; laten zij dan ook niets kosten aan wie er het voordeel van ontvangen.
Mattheüs 10:9-10.KruisverwijzingenLukas 22:35→Lukas 9:3→Lukas 10:7→Markus 6:8→Lukas 10:4→1 Korinthe 9:7→1 Timotheüs 5:17→1 Korinthe 9:4→
— Verkrijgt u noch goud, noch zilver, noch koper geld in uw gordels; Noch male tot den weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waardig.
Zij moesten zich, zoals wij zeggen, bij de vijand inkwartieren. Waar zij ook heen gingen, zij zouden van voedsel, kleding en onderdak voorzien worden, als zij de opdracht die hun Meester hun toevertrouwd had getrouw uitvoerden.
Het volk was in die tijd gunstig gezind tegenover onze Heere. Zijn apostelen mochten dus een ruimhartiger behandeling verwachten dan in deze tijden te verwachten valt. Sommige van deze voorschriften zijn bij een latere zending veranderd, toen het volk minder gunstig gezind was.
Mattheüs 10:11-13.Kruisverwijzingen1 Koningen 17:9→Handelingen 16:15→Job 31:32→Genesis 19:1→Lukas 10:5→1 Samuël 25:6→Psalmen 35:13→Lukas 10:6→
— En in wat stad of vlek gij zult inkomen, onderzoekt, wie daarin waardig is; en blijft aldaar, totdat gij daar uitgaat. En als gij in het huis gaat, zo groet hetzelve. En indien dat huis waardig is, zo kome uw vrede over hetzelve, maar indien het niet waardig is, zo kere uw vrede weder tot u.
Hoe staat het met uw huizen, geliefde vrienden? Zijn het “waardige” huizen in deze nieuwtestamentische zin? Kwam er een apostel, zou hij er dan vrede kunnen brengen? Of zou hij de vrede weer met zich mee moeten nemen naar een ander huis dat waardiger was om haar te ontvangen?
Mattheüs 10:14-15.KruisverwijzingenHandelingen 13:51→Handelingen 18:6→Nehemia 5:13→2 Petrus 2:9→1 Johannes 4:17→Mattheüs 12:36→Handelingen 20:26→Lukas 10:10→
— En zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis of uit dezelve stad, schudt het stof uwer voeten af. Voorwaar zeg Ik u: Het zal den lande van Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan dezelve stad.
Verloochen alle gemeenschap met hen die geen gemeenschap met uw Heere willen hebben. Laat hen weten dat u hen verlaat omdat zij de boodschap van uw Meester weigeren te ontvangen. Blijven zij de Zaligmaker verwerpen, dan zal hun vonnis nog verschrikkelijker zijn dan dat van Sodom en Gomorra.
Verachte en verworpen voorrechten zijn de felste brandstof voor de vuren van de hel. Zij die het evangelie hadden kunnen horen en het niet wilden horen, zullen de hand van God zwaarder op zich vinden dan zelfs de vervloekte Sodomieten. Wee dan hun die in een grote stad wonen en toch het Woord van de HEERE niet willen horen — of die het, wanneer zij het horen, niet willen aannemen!
Mattheüs 10:16.KruisverwijzingenLukas 10:3→Handelingen 20:29→Filippenzen 2:15→1 Korinthe 14:20→2 Korinthe 11:3→Kolossenzen 4:5→Genesis 3:1→Efeze 5:15→
— Ziet, Ik zend u als schapen in het midden der wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven.
“Ziet, Ik zend u als schapen in het midden der wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven.”
Wat een kracht ligt er in het woord van de Koning der koningen! Ziet, Ík zend u. U bent als schapen, hulpeloos en weerloos. En toch: Ík zend u, en daarom is het goed dat u zelfs midden onder de wolven gaat.
Wij zouden ons kunnen voorstellen dat de wolven de schapen zouden verslinden. En toch zijn er tegenwoordig veel meer schapen in de wereld dan wolven. Schapen zijn altijd zwak en hulpeloos geweest, en toch hebben zij zich vermenigvuldigd. Wolven zijn altijd sterk en woest geweest, en toch zijn zij verminderd, tot er in dit land geen enkele meer over is.
Zo zullen de zwakken en de hulpelozen, die onder de zorg van onze Heere Jezus komen, die grote Herder der schapen, bewaard worden voor alle wolven die hen zouden verslinden. Ja, zelfs voor de duivel, die als een briesende leeuw omgaat, zoekende wie hij zou mogen verslinden.
U zegt misschien dat dit aan de herder te danken is. Ja — en aan Hém zal ook uw veiligheid en uw overwinning te danken zijn. Hij zal voor u zorgen. Maar tart de wolven daarom niet. Wees voorzichtig als de slangen; heb een heilige omzichtigheid. Wees oprecht als de duiven, maar niet zo onnozel als duiven.
Wees oprecht omdat u als schapen bent, maar wees voorzichtig als de slangen omdat u onder wolven moet wonen. Ook u, geliefden, behoort zeer wijs te zijn vanwege de wijsheid die u meegedeeld is door de Meester Die u uitgezonden heeft. En u behoort uw beste verstand in Zijn dienst te gebruiken. Maar gebruik die wijsheid nooit met een kwade bedoeling, want de Christus Die u zendt doet mensen geen kwaad maar alleen goed.
Mattheüs 10:17-18.KruisverwijzingenMarkus 13:9→Mattheüs 23:34→Handelingen 26:11→Mattheüs 5:22→Lukas 12:11→Handelingen 22:19→Mattheüs 8:4→Handelingen 23:1→
— Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in hun synagogen zullen zij u geselen. En gij zult ook voor stadhouders en koningen geleid worden, om Mijnentwil, hun en den heidenen tot getuigenis.
Vertrouw uzelf niet aan hen toe. Probeer niet van de toejuiching van het volk te leven, maar wacht u voor de mensen. Verwacht van hen een slechte behandeling. Kunnen zij u met de gesel vervolgen, dan zullen zij het doen. En staat dat niet in hun macht, dan zullen zij u met hun tong vervolgen.
U zult verkeerd begrepen, verkeerd voorgesteld en belasterd worden. Verwacht zo’n behandeling, want Ík, uw Heere en Meester, heb haar vóór u gehad.
Mattheüs 10:19-20.KruisverwijzingenMarkus 13:11→Mattheüs 6:25→Exodus 4:12→Handelingen 4:8→2 Timotheüs 4:17→Lukas 12:11→Lukas 21:15→2 Petrus 1:21→
— Doch wanneer zij u overleveren, zo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat gij spreken zult. Want gij zijt het niet, die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders, Die in u spreekt.
“Doch wanneer zij u overleveren, zo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat gij spreken zult. Want gij zijt het niet, die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders, Die in u spreekt.”
Laat het u niet kwellen dat u geen redenaars bent en geen mensen van beschaving. Spreek wat God de Heilige Geest u leren zal te zeggen, en laat de uitkomst aan Hem over.
Het is zeer opmerkelijk wat een wijze antwoorden de martelaars vaak gegeven hebben. Ongeletterde mensen brachten de geleerden van de aarde volkomen in verwarring wanneer zij tegenover hen stonden. En zwakke vrouwen zetten hun aanvallers en rechters volslagen schaakmat.
Een opmerkelijk voorbeeld daarvan staat opgetekend in de geschiedenis van de dappere Anne Askew. Zij hadden haar op de pijnbank gemarteld en haar arme lichaam was vol pijn. En toen zat zij op de koude stenen van haar gevangenis en stelde zij de bisschoppen en inquisiteurs zulke vragen, dat zij er volkomen door van hun stuk gebracht werden. En Christus stelt Zijn getrouwe volgelingen door Zijn Heilige Geest nog altijd in staat over alle sluwheid en boosaardigheid van mensen te zegevieren.
Och, dat is heerlijk: wanneer iemand zo met God omgegaan heeft dat de Geest van de Vader Zelf in hem ingegaan is. Dan zal er een wonderlijke kracht in zijn spreken zijn. Mensen begrijpen misschien niet waar die vandaan kwam, maar zij zullen de kracht ervan wel moeten voelen.
Mattheüs 10:21-22.KruisverwijzingenMattheüs 24:13→Markus 13:13→Mattheüs 10:39→Jakobus 1:12→Openbaring 2:10→1 Johannes 3:13→Hebreeën 6:11→Lukas 8:15→
— En de ene broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind, en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen doden. En gij zult van allen gehaat worden om Mijn Naam; maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden.
“En gij zult van allen gehaat worden om Mijn Naam; maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden.”
Lees de boeken over de martelaars, en zie of het niet precies zo gegaan is als onze Heere voorzegd had. In de tijden van de martelaars verbraken mensen vaak alle banden van de natuurlijke liefde en verraadden zij zelfs hun eigen vaders of kinderen ter dood. En toch deinsden de heiligen niet terug. Zij waren tevreden elke aardse band te laten breken, opdat de band van hun hemelse en eeuwige verwantschap bevestigd zou worden. Mocht het ook met ons zo zijn!
Dat is een vreemd venijn van de menselijke natuur. Zij wordt nergens zo toornig over als over Gods waarheid. Waarom is dat? Valse godsdiensten verdragen elkaar wel, maar zij verdragen de godsdienst van Christus niet. Wordt dit niet allemaal verklaard door dat oude donkere woord aan de poorten van Eden? “Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad.” Die vijandschap zal zeker opkomen zolang de wereld staat.
Geven wij onszelf aan Christus, dan moeten wij het zonder enig voorbehoud doen. En wij moeten bereid zijn Hem zo nodig tot het bittere einde te volgen. Zouden alle mensen ons verlaten, zou de dood ons deel zijn om onze trouw aan Christus, dan mogen wij niet terugdeinzen.
Mattheüs 10:23.KruisverwijzingenHandelingen 17:10→Handelingen 8:1→Mattheüs 16:28→Mattheüs 4:12→Mattheüs 24:30→Mattheüs 2:13→Handelingen 17:14→Handelingen 14:6→
— Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere; want voorwaar zeg ik u: Gij zult uw reis door de steden Israels niet geeindigd hebben, of de Zoon des mensen zal gekomen zijn.
Ik veronderstel dat Christus hier zinspeelt op die wonderlijke komst van Hem in de verwoesting van Jeruzalem. Zij hadden maar korte tijd om dat land te evangeliseren. Dus moesten zij snel zijn in het uitvergaderen van de uitverkorenen van de HEERE, voordat Hij in dat verschrikkelijke oordeel kwam.
Diezelfde waarheid behoort vandaag de werkzaamheid van elke knecht van Christus te verhaasten. Wees snel met uw werk, want uw Meester is onderweg en zal spoedig hier zijn. Zij zijn nog niet door heel Palestina heen gekomen voordat Jeruzalem verwoest werd. Misschien zullen ook wij het evangelie nauwelijks in elk deel van de wereld gepredikt hebben voordat de haastige voetstappen van onze Meester gehoord worden.
Mattheüs 10:24-25.KruisverwijzingenJohannes 15:20→Johannes 13:16→Lukas 6:40→Markus 3:22→Lukas 11:15→Mattheüs 9:34→Mattheüs 12:24→Johannes 7:20→
— De discipel is niet boven den meester, noch de dienstknecht boven zijn heer. Het zij den discipel genoeg, dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienstknecht gelijk zijn heer. Indien zij den Heere des huizes Beelzebul hebben geheten, hoeveel te meer Zijn huisgenoten!
“Het zij den discipel genoeg, dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienstknecht gelijk zijn heer. Indien zij den Heere des huizes Beelzebul hebben geheten, hoeveel te meer Zijn huisgenoten!”
Het is genoeg voor de discipel dat hij worde gelijk zijn meester. Ja, het is meer dan genoeg. De discipel zou kunnen verwachten dat het hem harder verging dan zijn Meester, en de knecht dat hij minder gemak had dan zijn heer. Maar onze Heere en Meester heeft zo’n gemeenschap met Zijn volk, dat Hij het niet zo stelt.
De naam Beëlzebul, die de god van het vuil of naar sommigen de god van de vliegen betekent, werd door de Joden op de allerergste van de boze geesten toegepast. Zij veronderstelden dat sommige duivelen erger waren dan andere, en het hoofd en de meester van allen noemden zij Beëlzebul. En nu gaven zij die titel aan onze Heere Jezus Zelf.
Welnu, geven mensen ons dan lelijke namen en slechte karakters, moeten wij ons daarover verwonderen? Zou Christus bespuwd en veracht worden, en zouden u en ik geëerd en verhoogd worden? Zij kunnen ons ook geen ergere namen geven. Zij hebben onze Meester de zwartste van alle scheldnamen gegeven, en elke harde en smadelijke titel die ooit op ons kan worden toegepast, moet bij die van Hem achterblijven. Wij behoren dus geen ogenblik ineen te krimpen.
U hebt gehoord van Godfried van Bouillon, de kruisvaarder, die in triomf Jeruzalem binnentrok maar weigerde zich een gouden kroon op het hoofd te laten zetten. Hij zei dat hij zich nooit met goud zou laten kronen waar Christus met doornen gekroond was. Verwacht u dan geëerd te worden in de wereld waar uw Heere gekruisigd is?
Mattheüs 10:26.KruisverwijzingenLukas 8:17→Markus 4:22→1 Korinthe 4:5→Jesaja 43:1→Jesaja 41:14→Spreuken 29:25→Spreuken 28:1→Jesaja 41:10→
— Vreest dan hen niet; want er is niets bedekt, hetwelk niet zal ontdekt worden, en verborgen, hetwelk niet zal geweten worden.
Wanneer mensen u belasteren, kunnen zij uw goede naam voor God niet wegnemen. Er zal een opstanding van de goede namen zijn, zoals er een opstanding van de lichamen is. En goede mensen, al liggen hun goede namen diep begraven, zullen zeker een opstanding hebben.
Denk aan Wycliffe. Hoe weinig is er, betrekkelijk gesproken, ooit gezegd over waarschijnlijk de grootste man sinds de tijd van de apostel Paulus. Maar zijn naam en zijn faam zullen nog opstaan, en de hele geschiedenis zal ervan gewagen.
Zij kunnen uw naam en karakter met tijdelijke oneer bedekken, maar die bedekking zal spoedig openbreken. Als vuur dat onder herfstbladeren verborgen ligt, zal het na verloop van tijd opvlammen. Reken erop dat niemand die zijn Zaligmaker getrouw gediend heeft, de eer zal missen die hij werkelijk verdiend heeft. Dan zullen de rechtvaardigen blinken als de zon in het Koninkrijk van hun Vader. Wees dus tevreden met wachten.
Mattheüs 10:27.KruisverwijzingenHandelingen 5:20→Johannes 16:29→Johannes 16:1→Johannes 16:13→Handelingen 5:28→Lukas 8:10→Handelingen 17:17→Mattheüs 13:1→
— Hetgeen Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en hetgeen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken.
Er moet eerst dat stille, eenzame horen zijn — dat kalme zitten aan de voeten van de Meester om de les te leren. En daarna moet het moedige uitspreken ervan komen: spreken al zouden koningen het horen, en nooit tot zwijgen gebracht worden door een zondige schaamte.
Er is een verborgen leren, maar er moet ook een openbaar onderwijzen zijn. Christus neemt ons apart om Zichzelf te openbaren, opdat wij daarna stoutmoedig tot anderen uitgaan en hun vertellen wat wij in het verborgen geleerd hebben.
Och, kind van God, hebt u in de binnenkamer voor uzelf een zoete bete, wees dan niet zo zelfzuchtig die voor uzelf te houden. Hebt u honing gevonden? Eet die dan niet alleen zelf op. Simson vond honing in het lichaam van de leeuw, en ging ermee naar zijn vader en moeder. Ga zó naar vader en moeder en vrienden, met uw handen vol van de vondst, en laat hen er ook van eten.
En hier hoort u ook wáár wij moeten prediken: op de daken. Dat kunnen wij in dit land met onze schuine daken niet letterlijk doen. Maar in het oosten waren de daken de meest openbare plaatsen van de stad, en zij waren alle plat. Wie daar dus iets van de daken verkondigde, was verzekerd van een gehoor. Predik dan, knechten van God, op de meest openbare plaatsen van het land. Waar er mensen zijn om te horen, laat het daar niet aan tongen ontbreken om voor God te spreken.
Mattheüs 10:28.KruisverwijzingenJesaja 8:12→Lukas 12:4→2 Thessalonicenzen 1:8→Jesaja 51:12→Hebreeën 12:28→Hebreeën 10:31→Jeremia 5:22→Lukas 16:22→
— En vreest niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel.
“En vreest niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel.”
Och, wat een verschrikkelijk verderf! Dít is wat wij wel vrezen mogen: dat lichaam en ziel beide een eeuwige ondergang ondergaan, aan stukken gebroken en verwoest wat betreft alle uitnemendheid, geluk en vrede.
Een geweldenaar had eens gedreigd een wijsgeer te doden. En die placht te zeggen: u kunt mij niet doden; u kunt dit lichaam vermorzelen, maar míj kunt u niet aanraken. Ook Seneca beweerde vaak dat het niet in de macht van enig mens lag een goed wijsgeer kwaad te doen, want zelfs de dood was voor zo iemand winst. En voor de christen is dat zeker zo: voor hem is het sterven werkelijk gewin.
Maar och, vrees díe God, Die de ziel verderven kan. Want dan wordt ook het lichaam verwoest met een verschrikkelijk en ontzaglijk verderf. Vrees Hém.
Mattheüs 10:29-31.KruisverwijzingenLukas 12:6→1 Samuël 14:45→Psalmen 104:27→2 Samuël 14:11→Lukas 21:18→Handelingen 27:34→Lukas 12:7→1 Koningen 1:52→
— Worden niet twee musjes om een penningsken verkocht? En niet een van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader. En ook uw haren des hoofds zijn alle geteld. Vreest dan niet; gij gaat vele musjes te boven.
“Worden niet twee musjes om een penningsken verkocht? En niet een van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader. En ook uw haren des hoofds zijn alle geteld.”
Ziet u de kracht van dit betoog niet? Deze kleine schepseltjes, die onder de mensen zo weinig tellen, worden door uw hemelse Vader bewaakt. Zij kunnen niet sterven, ja zij kunnen niet eens op de grond vallen, zonder dat uw Vader het opmerkt. Zou Hij u dan kunnen vergeten, die zoveel meer waard bent dan veel musjes?
Hij beschikt over alle dingen, over de kleinste zowel als over de grootste. Wij zien Zijn hand in de storm, en wij kijken naar de zwarte vleugel van het onweer en zien dat God erop rijdt. Maar de vleugel van het kleine musje, zo gering van waarde, wordt even goed door Zijn macht en wijsheid bestuurd.
God zorgt dus meer voor ons dan wij voor onszelf zorgen. U hebt nooit gehoord van iemand die de haren van zijn hoofd telde. Mensen tellen hun schapen en hun vee, maar de christen is in Gods achting zo kostbaar dat Hij zelfs de haren van zijn hoofd telt. Hoe klein is de voorzienigheid van God, die zelfs zorgt voor dat deel van uw persoon dat niet van levensbelang is en waarzonder u nog altijd verder kunt leven.
Mattheüs 10:32-33.KruisverwijzingenOpenbaring 3:5→2 Timotheüs 1:8→Romeinen 10:9→2 Timotheüs 2:12→1 Johannes 4:15→Johannes 9:22→1 Samuël 2:30→Lukas 12:8→
— Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, dien zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.
“Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.”
Wat een heerlijke belofte is dit! Ik zal belijden dat hij met Mijn bloed gekocht is. Ik zal belijden dat hij Mijn getrouwe volgeling en vriend geweest is. Ik zal belijden dat hij Mijn broeder is, en zo zal Ik hem begunstigen met een deel in Mijn heerlijkheid.
Hebt u Christus voor de mensen beleden? Hebt u op Hem vertrouwd als uw Zaligmaker, maar hebt u uw geloof in Hem niet openlijk beleden? Hoe oprecht u ook bent, dan verwaarloost u een plicht die u kent. En dan kunt u niet verwachten dat deze belofte aan u vervuld wordt, als u de voorwaarde die eraan verbonden is niet houdt. De belofte van Christus is dat Hij belijdt wie Hém belijden.
Het is dus een vergeefse poging alle openbaarheid in de godsdienst te vermijden. Even vergeefs is het door de achterdeur de hemel binnen te sluipen, of op de een of andere manier een ondergrondse weg naar de zaligheid te vinden. Christus eist dat wij Hem erkennen, aangezien Hij ons zo genadig erkent. Hij stelt het als een plechtig gebod.
Waarom zou u terughouden? U zegt mij dat zij veel gebreken hebben. Hebben zij er meer dan u? Sluit u zich pas bij een gemeente aan wanneer u een volmaakte gevonden hebt, dan zult u zich aan deze zijde van de hemel nooit bij een gemeente aansluiten. En wás de gemeente volmaakt toen u zich aansloot, dan zou zij het daarna zeker niet meer zijn, want dan bracht ú uw tekortkomingen en onvolkomenheden erin.
Ik heb nu vele jaren onder het volk van God geleefd, en ik heb als voorganger van deze gemeente over menigeen om zijn gebreken moeten treuren. Maar toch is er geen volk als het volk van God. Van Zijn huis zeg ik met de dichter: hier wonen mijn beste vrienden en mijn verwanten, hier regeert God mijn Zaligmaker.
Christus niet belijden is Hem in de praktijk verloochenen; Hem niet volgen is van Hem weggaan; niet met Hem zijn is tegen Hem zijn.
Mattheüs 10:34.KruisverwijzingenLukas 12:49→Handelingen 14:4→Handelingen 13:45→Handelingen 14:2→Johannes 7:40→
— Meent niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.
“Meent niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.”
Versta de woorden van de Zaligmaker niet verkeerd. Christus sprak gewoonlijk zeer duidelijk, en duidelijkheid gaat niet altijd samen met omzichtigheid. Christus is wél gekomen om vrede te maken; dat is het einddoel van Zijn zending. Maar voor het heden is Hij niet gekomen om vrede te brengen.
Het eerste gevolg van de komst van Christus zal niet zijn dat wij een gemakkelijk en behaaglijk leven leiden. Integendeel: Hij komt om ons in Zijn leger in te lijven en soldaten van ons te maken, en soldaten moeten veel ontberingen verdragen.
Waar het christendom komt, veroorzaakt het twist. Want het licht moet altijd twisten met de duisternis, en de zonde kan nooit bevriend zijn met de gerechtigheid. Het is niet mogelijk dat de eerlijkheid in vrede leeft met de diefstal. En het kan niet zo zijn dat er eendracht is tussen de knechten van God en de knechten van de duivel.
De uitkomst van de zending van Christus zal vrede zijn. Zwaarden zullen tot spaden gesmeed worden en de spiesen tot sikkelen. Maar op de weg naar de vrede zal er oorlog zijn. Komt de ware godsdienst in het hart van iemand, dan maakt zij hem meteen tot een strijder. Hij begint tegen het kwaad te strijden en tegen de twist te strijden. Hij strijdt vóór de vrede, hoe vreemd dat ook lijken mag.
Mattheüs 10:35-36.KruisverwijzingenMattheüs 10:21→Micha 7:6→Micha 7:5→Psalmen 55:13→Mattheüs 24:10→Markus 13:12→Lukas 21:16→1 Samuël 17:28→
— Want Ik ben gekomen, om den mens tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen haar moeder, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder. En zij zullen des mensen vijanden worden, die zijn huisgenoten zijn.
Veel kinderen van God hebben dit tot hun grote smart waar bevonden. Geen vijanden kunnen ons zo diep verwonden als die van ons eigen huisgezin. Zij komen bij ons hart en snijden ons tot in het leven, terwijl anderen ons alleen vleeswonden kunnen geven.
Wel, het moet zo zijn. Waar het licht komt, zal de duisternis zich ertegen verzetten. De waarheid zal de dwaling altijd gereed vinden om haar te verslinden als zij kan. Verwacht dit, en de helft van de bitterheid ervan zal weg zijn wanneer het komt, juist omdat u het verwacht hebt.
Zij zullen ons terugdrijven zodra zij bemerken dat ons aangezicht naar de hemel gericht is. Ziet u een vis met de stroom mee zwemmen, dan is dat bijna altijd een dode vis. De levende vis gaat tegen de stroom in. En het ware kind van God moet tegen de stroom van de mensen in gaan. Vaak is de zwaarste worsteling in het leven de worsteling tegen vader, moeder, broer of zuster in, om Christus’ wil en om het evangelie.
Mattheüs 10:37-39.KruisverwijzingenLukas 14:26→Lukas 14:27→Mattheüs 16:24→Lukas 17:33→Johannes 12:25→Mattheüs 22:37→Markus 8:34→Markus 8:35→
— Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig. En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig. Die zijn ziel vindt, zal dezelve verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelve vinden.
“En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig. Die zijn ziel vindt, zal dezelve verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelve vinden.”
Wat een wonderlijk gezicht is de gemeente dan, terwijl zij door deze wereld trekt! Het Hoofd ervan is Christus, de Kruisdrager, en in de stoet daarachter volgen al Zijn getrouwe discipelen, allen nog altijd kruisen dragend. Dat is het beeld van een gemeente. U weet hoe Simon het kruis achter Christus droeg; hij is het zinnebeeld van al Zijn discipelen. Droeg Simon het kruis alleen, en gingen alle anderen vrijuit? Nee — er is een kruis voor ieder, en er is er ook een voor mij.
U wint het leven door voor Christus te sterven. Maar zou u uw leven redden door het geloof te verloochenen, dan zou u in de ergste zin alles verliezen wat het bestaan tot leven maakt. Er is een bestaan dat niets anders is dan de eeuwige dood, en dat is het lot van hen die van Christus afwijken.
In de dagen van de martelaars werd er iemand voor de rechters gebracht, en uit vrees voor de vlammen herriep hij en verloochende hij het geloof. Hij ging naar huis, en voordat het jaar om was vloog zijn eigen huis in brand en kwam hij er jammerlijk in om. Hij had evenveel pijn te verduren als hij om Christus’ wil had moeten verdragen, maar hij had er geen enkele troost bij. Hij vónd zijn leven, en toch verlóór hij het.
Zo lopen allen die het kruis van Christus mijden om zichzelf te redden, alleen maar het vuur in om aan de vonken te ontkomen. Zij zullen meer lijden dan zij anders gedaan zouden hebben. Maar wie bereid is alles voor Christus op te geven, zal leren dat niemand op de lange duur ooit werkelijk verliest bij Christus. Vroeg of laat, zo niet in dit leven dan zeker in het volgende, zal de HEERE aan ieder overvloedig vergoeden wat hij ooit om Zijnentwil geleden heeft.
Mattheüs 10:40.KruisverwijzingenLukas 9:48→Johannes 13:20→Galaten 4:14→Lukas 10:16→Mattheüs 18:5→Mattheüs 25:40→2 Johannes 1:9→Johannes 20:21→
— Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.
Denk daaraan, u die Christus ontvangen hebt. U hebt God Zélf ontvangen, en Hij is gekomen om in uw ziel te wonen en te regeren.
Bent u vriendelijk voor de armen? Helpt u het volk van God in hun moeiten en noden? Dan helpt u werkelijk Chrístus, in de persoon van Zijn arme maar getrouwe volgelingen.
Mattheüs 10:41-42.KruisverwijzingenMattheüs 25:40→Hebreeën 6:10→3 Johannes 1:5→Mattheüs 18:10→2 Koningen 4:8→Markus 9:41→Lukas 6:35→2 Johannes 1:8→
— Die een profeet ontvangt in den naam eens profeten, zal het loon eens profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in den naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen. En zo wie een van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud water, in den naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.
“En zo wie een van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud water, in den naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.”
Iemand in de naam van een profeet ontvangen betekent dit. Niet als een heer, en niet slechts als een mens, en ook niet als een begaafd persoon, maar als een profeet van God. Juist hetzelfde loon dat God aan profeten en aan rechtvaardigen geeft, zal Hij geven aan wie hén ontvangt in de naam van een profeet of van een rechtvaardige. Het loon van een profeet moet iets groots zijn, en zo zal het loon zijn van wie de knechten van God ruimhartig ontvangen.
Er zijn tijden geweest, zelfs in ons eigen land, waarin het geven van een beker koud water levensgevaarlijk was. In de donkere dagen van de vervolging werden sommigen die ketters genoemd werden midden in de winter het veld in gedreven, om van de kou om te komen. En het was de onderdanen van de koning op straffe van de dood verboden hun iets te eten of te drinken te geven.
In zo’n geval betekende het geven van een beker koud water veel meer dan wanneer u of ik eenvoudig een beker water geeft aan iemand die toevallig dorst heeft. Maar onze Heere Jezus belooft hier ieder te belonen die om Zijn knechten wil elk gevolg durft te riskeren dat hem daardoor treffen kan. Gods grote beloningen voor kleine diensten worden niet uit schuldigheid gegeven maar uit genade, naar Zijn rijkdom in heerlijkheid door Christus Jezus.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Dit uitzenden van arbeiders in de oogst van Zijn hemelse Vader wilde Hij, als de Zoon in het huis van de Vader (hoofdstuk 21: 37vv. ), voorlopig reeds aanstonds bewerken. En a) Zijn twaalf discipelen, die Hij reeds een half jaar geleden had gekozen, tot Zich geroepen hebbende, 1) heeft Hij hun, opdat zij niet alleen het Evangelie zouden verkondigen, maar ook de ongelukkigen helpen, macht gegeven over de onreine geesten om die uit te werpen en om elke ziekte en elke kwaal te genezen. 2) (hoofdstuk 4: 23vv. 8: 16vv. 9: 35).
Mark. 3: 13 Luk. 6: 18; 9: 1
Niet de keuze, maar alleen de uitzending van de twaalven wordt hier verteld.
Deze roeping tot het apostelambt is allereerst nog een voorlopige, beperkt door de tijdsomstandigheden in het koninkrijk van God; de beperkingen kunnen pas later wegvallen, als het werk van de Heere voleindigd is met Zijn hemelvaart, als hun aanschouwen van Hem geëindigd en de Heilige Geest uitgestort is.
Jezus komt hier groter en machtiger voor, dan wij Hem in de Evangelische geschiedenis, zo ver wij die tot hiertoe beschouwden, zagen; hoger, rijker, vrijer, in een mate en op een wijze handelende, die wij in het leven van geen profeet vinden, die slechts de Heere en de Zoon van de Vader toekwam. Reeds dit grote getal van discipelen, deze verkiezing van de twaalven en hun benoeming tot Zijn apostelen verheft Hem boven alle profeten, meer nog hun toerusting om uitgezonden te worden, de mededelingen van goddelijke krachten en gaven. De macht, die in Hem is, die de natuur voor Zich buigt, waarvoor ziekte en ellende wijken, waaraan de geesten moeten gehoorzamen, draagt Hij op hen over, deelt Hij hun mee; Hij heeft ze niet maar voor Zichzelf; Hij kan ze geven, aan wie Hij wil. De getuigenis van Hem moet van zijn eerste begin af niet slechts een woord van overreding, maar een van Hemzelf uitgegaan, door Hem gezonden, met Hem in verband staand levend woord zijn, rustende op betoon van Geest en van kracht.
De namen nu van de twaalf apostelen, a) wier getal bepaald was naar dat van de stammen van Israël en dus voor het gehele volk bestemd was, zijn opgeteld zoals zij de een na de ander in de nadere gemeenschap van de Heere waren opgenomen 8: 22″), deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, 1) en Andreas, zijn broeder; 2)Jakobus, de zoon van Zebedeus 3) en Johannes zijn broeder. 4)
Discipelen, leerlingen zo heetten destijds de twaalven, in de eerste plaats wegens de verhouding, waarin zij tot Jezus stonden, die naar de wijze van de Joodse Rabbijnen steeds een aantal leerlingen rondom zich hadden, en ten tweede, omdat gedurende het aardse leven van Jezus zij juist voornamelijk van Hem moesten leren. Na de uitstorting van de Heilige Geest droegen zij de naam van apostelen, en de overige Christenen die van discipelen (b. v. Hand. 6: 1vv. ) omdat deze van nu aan in de twaalven Jezus zelf hoorden, en in hen de en bedrieglijke leraars van de kerk moesten zien. In latere tijd schijnt de naam van buiten gebruik te zijn geraakt (Hand. 11: 26); reeds in de brieven komt die niet meer voor, maar in plaats daarvan die van broeders, gelovigen, heiligen, Christenen.
Zij zijn hier nog tezamen als Zijn twaalf uitverkoren discipelen. Nadat hun de macht is verleend zijn zij Zijn twaalf apostelen – een bewijs, dat de meest beslissende verandering heeft plaatsgevonden, hoewel zij daarom niet ophouden Zijn discipelen in de meest bijzondere zin van het woord te zijn.
Het getal twaalf is zonder twijfel niet willekeurig, maar rust op een innerlijke noodzakelijkheid van de hemelse en eeuwige zaken, en dus op goddelijke wijsheid. Wij vinden dit getal dikwijls in de Heilige Schrift bij grote en gewichtige zaken, in het bijzonder bij zulke, die op Israël, op het volk en het rijk van God betrekking hebben 35: 26). Zo komen hier bij een opmerkzame en onderzoekende lezer van de Heilige Schrift makkelijk velerlei vergelijkingen voor de aandacht, die meer of minder tot de zaak behoren en ons winst voor kennis en stichting opleveren. Ten genoege van hen, die van zulke vergelijkingen houden, moge de volgende parallel tussen de patriarchen met de stammen van Israël en de apostelen hier een plaats vinden: Wij vinden in het Oude Testament twaalf patriarchen, lichamelijke stamvaders van het volk van God; in het Nieuwe Testament twaalf apostelen, geestelijke stamvaders van het volk van God. Een patriarch, Jozef, scheen lang verloren te zijn, een apostel, Judas Iskarioth, ging werkelijk verloren (Jozef is echter geenszins voorbeeld van Judas, maar meer van den Heere Jezus zelf. Voor Jozef werden onder de namen van de stammen twee andere geplaatst, Manasse en Efraïm; voor Judas werden twee andere apostelen gekozen, Matthias en Paulus. Onder die eerste twee verkreeg de jongere, Efraïm de voorrang boven de oudere, Manasse. Onder deze twee apostelen schijnt de later geroepene, Paulus, in uitgebreidheid van werkzaamheid voor het rijk van de Heere niet alleen Matthias, maar alle overige apostelen te hebben overtroffen (1 Kor. 15: 10). Daardoor dat voor Jozef de twee stammen Efraïm en Manasse worden gerekend, ontstonden 13 stammen, en toch werd altijd slechts van twaalf, niet van dertien gesproken, zo waren er ook door Matthias en Paulus 13 apostelen, en toch worden altijd slechts twaalf apostelen geteld, geen dertien.
De twaalven als vertegenwoordiger van het geestelijk Israël (dit is in een beeld voorgesteld Openbaring . 21: 14), moesten onder elkaar een volkomen eenheid vormen, zij moesten daarom wat hun gaven en hun karakter aangaat elkaar wederkerig aanvullen, en alle verschillende richtingen, die zich later in de kerk hebben ontwikkeld, reeds in beginsel in zich hebben. Alleen als Kenner van de harten (Joh. 2: 25) kon de Heere zo’n lichaam van nauw aan elkaar verbonden gemoederen doen worden, dat daar kon staan als vertegenwoordigende de gehele geestelijke schepping, die in het aanzijn moest worden geroepen. In Hemzelf was alles in een heilige eenheid samen verbonden, maar evenals de straal zich splitst in zijn kleuren, zo ging ook het een licht, dat van Christus uitstroomde, in gewijzigde glans in de harten van Zijn twaalven over. Zo alleen konden niet enkele mensen maar allen gelijkmatig naar hun behoeften en naar hun aanleg door het Evangelie verzadigd worden.
Wat het werk van de apostelen geweest is, ligt reeds in de betekenis van het woord gezant. Als onmiddellijke leerlingen van de insteller van onze godsdienst ontvingen zij ook van Hem de onmiddellijke opdracht om het Evangelie van God aan alle volken te verkondigen en op de daken te prediken hetgeen Hij hun in het verborgen had gezegd. Immers omvatte Zijn plan het gehele menselijk geslacht. En wie waren nu de mensen, die door de Heiland tot dit grote werk, de verkondiging van de algemene godsdienst, geroepen werden? Gij kent ze genoeg, om uzelf die vraag te kunnen beantwoorden. Galilese mannen in de eenvoudige middenstand geloven en levende van de visvangst. God ziet toch niet aan wat voor ogen is, en de dwaasheid van de menselijke hovaardij moge onderscheid maken tussen het bloed, dat in ons aller aderen vloeit, de scheidsmuur tussen burgers en groten wordt in de hemel niet gekend. Het hart is de zetel van de adel, en al zwoeren de vorsten van de aarde, dat gij edel zijt, onedel zijt gij in het oog van God, zo Zijn vinger uw adelbrief niet ondertekend heeft. Die adel versierde de Galilese vissers, en God keurde hen waardig de eerste staatsdienaars in het rijk van Zijn Zoon te zijn. Eenvoudige mensen, zonder geleerdheid, zonder verstandelijke beschaving, zonder wereldkennis, bezet met vooroordelen, maar bezitters van een hart, dat van liefde blaakte voor hun Heer. Liefde deed hen de man volgen, die geen plaats had om Zijn hoofd op neer te leggen; liefde deed hen delen in de smaad, waarmee hun landgenoten hun Meester bejegenden; liefde eiste vuur van de hemel om de tegenstanders te verslinden; liefde smeekte de hooggeschatte Leraar Zich te onttrekken aan de woede van Zijn haters; liefde zwoer Hem de eed van trouw; bereid om in Zijn lot te delen en te zwak om die eed gestand te doen, barstte zij uit in tranen, bitter haar voorbarigheid bewenende. Diepe hoogachting en liefde voor Jezus, aan wier verkeerde richting het hart geen deel had, dit was de hoofdtrek in het karakter van Christus’ discipelen, en hoezeer hun misslagen en vooroordelen Hem dikwijls bedroefden, het hart was zoals het hart van een leerling van Jezus zijn moet, eerlijk en deugdzaam. – Maar waarom viel de keuze van de Heiland juist op zulke mensen? Het schijnt inderdaad in de eerste oogopslag, dat onze Heer beter Zijn belang berekend zou hebben, als Hij het werk van de Evangelieprediking aan mensen uit hogere stand en toegerust met uitgebreide kundigheden had opgedragen. Maar denkt gij, dat aanzienlijke schriftgeleerden zo bereid zouden geweest zijn, om op de stem van een onbekende, die gedaante noch heerlijkheid had, hun rang en stand te verlaten en zich aan de ongemakken van een zwervend leven te onderwerpen? Ten tweede, indien het de Heiland al gelukt was op Zijn eerste roepstem twaalf groten, in plaats van vissers rondom zich te verzamelen, denkt gij dan, dat deze mensen bij de nadere ontwikkeling van het plan van Jezus, Hem getrouw zouden zijn gebleven? Denkt gij eindelijk, dat het hart van geleerden even geschikt geweest zijn, om zich voor de hemelse leer van de Heiland te openen, als dat van de apostelen? Nee! Wilde hij harten aan Zich verbinden, dan stond Hem geen andere weg open dan harten te kiezen, die, in de vrije Natuur gevormd, onbekend waren met de grootheid van deze wereld, rein van besmetting met hoogmoed en waanwijsheid, eerlijk en edel en eenvoudig en vatbaar voor diepe indrukken. Het geloof van de Christen moet ook daardoor grotelijks versterkt worden, dat de keus van de Heiland viel op mensen uit de middenstand, zonder schoolse geleerdheid, zonder verstandelijke beschaving. De visser uit Galilea kon zich nooit zo’n beeld van goddelijke deugd vormen, de wijsgeer, die zich dit beeld kon vormen, kon nooit schrijven als een visser uit Galilea. Geen boek droeg duidelijker stempel van onvervalste waarheid. Heilige eenvoudigheid! hoe is het mogelijk, dat men u miskende! (E. A. BORGER).
Petrus staat in elk van de vier apostellijsten (vgl. Mark. 3: 16vv. Luk. 6: 14vv. Hand. 1: 13) bovenaan, en Mattheüs noemt hem zeker opzettelijk “de eerste”). Hij was de zoon van een visser Jona te Bethsaïda (aan de westzijde van het meer Gennesareth) en zijn eigenlijke naam was Simon. Na de dood van zijn vader bewoonde hij met zijn broeder Andreas het ouderlijk huis te Kapernaüm en oefende met deze het visserswerk uit op de Galilese zee. Reeds vroegtijdig kwam hij met de beide zonen van Zebedeus, Johannes en Jakobus, in nauwe verbintenis. Terwijl zijn broeder tot de meest besliste discipelen van Johannes de Doper gerekend kon worden, behoorde hij zelf waarschijnlijk tot de ruimere kring van die discipelen, d. i. hij was een van die uitverkoren Galilese vromen, die op de toekomst van de Messias hoopten en in Johannes met blijdschap Zijn voorloper begroetten, zonder zich juist bestendig bij deze aan te sluiten. Daardoor werd ook Andreas eerder met Jezus bekend en Petrus pas door Hem tot de nieuwe Meester geleid, van wie hij al spoedig in plaats van de naam Simon de naam Céfas, “een rots”, verkreeg (Joh. 1: 35-42). Dit gebeurde in de tweede helft van februari van het jaar 27 na Chr. en had de tijd van de eerste navolging, die ongeveer 10 maanden duurde, ten gevolge. In de eerste 5 maanden van het jaar 28 daarentegen was Petrus, evenals de overige discipelen, weer aan zichzelf overgelaten, en in deze tijd valt zijn huwelijk 8: 15). De tweede roeping volgde in het begin van juni van het genoemde jaar; haar geschiedenis is uit het Evangelie op de 5e zondag na Trinitatis (Luk. 5: 1vv. ) voldoende bekend. Reeds op de volgende dag, een Sabbat, zien wij Jezus, als Hij de synagoge te Kapérnaüm verlaat, bij Simon in zijn huis komen, om het op gelijke wijze tot Zijn herberg te maken, als Elisa bij de Sunamitische was (2 Kon. 4: 8vv. Mark. 1: 29 Luk. 4: 38). Daar verheerlijkt Hij Zichzelf aan de moeder, de schoonmoeder van Petrus, door een groot teken, om voortaan zelf de Heer des huizes te zijn (hoofdstuk 8: 14vv. ). Ongeveer een vierde jaar later treedt Petrus door Zijn derde roeping in de kring van de twaalven, en nu, nadat intussen een half jaar is verlopen, ontvangt hij met de anderen het apostolaat. Zijn levensgeschiedenis willen wij niet verder voortzetten, dit alleen zij opgemerkt, dat overeenkomstig zijn naam Simon (samengetrokken vorm voor Simeon) ook een werkelijke Simeons-natuur (Gen. 32: 25vv. ) in hem was – drieste moed en overmoedig wagen, grote wilskracht en krachtige beslistheid. Hoe deze in het geschenk van heilige standvastigheid door genade zou verheerlijkt worden, waarmee hij de rots Christus omvatte en zelf tot een rots der kerk werd, dat voorzegde reeds de hem gegeven naam van Petrus. Simons gedenkdag is tegelijk met die van Paulus op 29 juni (hoofdstuk 16: 13vv. ).
Andreas is een oud-Griekse naam (Herod. VI. 126), die zoveel als “manhaftig, sterk” betekent. Een Hebreeuwse naam komt van hem evenmin voor als van Filippus (liefhebber van paarden), evenzeer een Griekse naam. Nu zijn deze beide juist diegenen, wier tussenkomst de Grieken, die Jezus begeerden te zien (Joh. 12: 20vv. ) inriepen. De vroegere levensomstandigheden van Andreas blijken uit hetgeen over Petrus gezegd is; in de kring van de apostelen is hij met de drie hoofdapostelen, Simon Petrus, Jakobus I en Johannes (MATTHEUS. 17: 1; 26: 37 Mark. 5: 37)
als een vierde verbonden; overigens wordt hij, behalve in de aangehaalde plaats, nog slechts eens en weer in vereniging met Filippus (Joh. 6: 5-8) vermeld, terwijl hij in de geschiedenis van de apostelen niet verder wordt genoemd. Over zijn latere lotgevallen en daden zijn allerlei verhalen; volgens de oudste zou hij in Scythië hebben gewerkt, waarom de Russen hem als hun apostel vereren; volgens anderen moet hij in Klein-Azië en Thracië werkzaam geweest zijn, en eindelijk in Petrea en Achaja door middel van een schuin kruis (Uit 27: 31)
gekruisigd zijn. Aan het kruis zou hij nog drie dagen hebben geleefd en Christus met vreugde beleden hebben. Zijn gedenkdag valt op de 30e november (hoofdstuk 4: 18vv. ).
Jakobus, ter onderscheiding van de zoon van Alfeüs (No. 9) de oudere genoemd of Jakobus I, behoort met Simon Petrus en zijn broeder Johannes (No. 4) tot de vertrouwde discipelen van de Heere 17: 1). Terwijl de vader Zebedeus hier uitdrukkelijk wordt genoemd en zij vervolgens meermalen de kinderen van Zebedeus worden genoemd, blijkt uit de vergelijking van de beide plaatsen:
MATTHEUS. 27: 56 : Onder welke was Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder van de zonen van Zebedeus.
Mark. 15: 40 : . . . onder welke ook was Maria Magdalena en Maria de moeder van Jakobus, den kleine, en van Joses, en Salóme, dat de moeder Salóme heet. De overlevering noemt deze Salóme nu eens een dochter van Jozef, de pleegvader van Jezus, uit zijn eerste huwelijk, dan eens zijn echtgenote, bij wie hij twee dochters verwekt heeft; dan weer een broeders-dochter van de priester Zacharias, de vader van Johannes de Doper (Luk. 1: 5vv. ). Dit zijn allemaal legenden, waarvan de dwaasheid van de beide eersten dadelijk in het oog valt, en de derde niet de minste aanleiding in de Bijbel zelf heeft. Uit de derde plaats daarentegen:
Joh. 19: 25 : En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder, en Zijn moeders zuster, Maria de vrouw van Klópas, en Maria Magdalena, trekt men in de laatste tijd veelal het besluit, dat Salóme een zuster van Maria, de moeder van Jezus geweest is. Men verklaart die plaats dan zo, alsof daarin van vier vrouwen sprake was: 1) de moeder van Jezus (Maria), 2) Zijn moeders zuster (Salóme), 3) Maria de vrouw van Klópas, 4) Maria Magdalena. Men wilde vervolgens uit die bloedverwantschap van Salóme met Jezus, die dan Zijn tante geweest is, verklaring vinden voor haar bede in hfdst. 20: 20vv. Daarvoor zullen wij later een geheel andere, meer voor de hand liggende verklaring aangeven. Wat echter de bovengenoemde drie plaatsen aangaat, zo is het voornamelijk het doel van alle Evangelisten, om van de vele vrouwen, die bij het kruis van Jezus stonden, een drietal te noemen. Nu heeft Johannes, evenals hij zijn eigen naam gewoonlijk verzwijgt, ook die van zijn moeder weggelaten, en in de plaats daarvan de moeder van de Heeren genoemd, omdat het hem bij de daarop volgende mededeling (vs. 26v. ) hoofdzakelijk om haar te doen was, terwijl de vermelding van zijn eigen moeder nog een ophelderende aanmerking nodig zou hebben gemaakt, die hij wilde vermijden. Aan de beide andere Evangelisten daarentegen scheen de aanwezigheid van Zijn moeder vanzelf te spreken; zij noemden in de plaats daarvan de moeder van de zonen van Zebedeüs, Salóme. Van haar man, Zebedeüs, weten wij niets naders. Uit verschillende mededelingen kan men echter besluiten, dat hij het waardige hoofd van een welvarende, aanzienlijke en vrome vissersfamilie te Bethsaïda was, en met deze in betrekking tot het hogepriesterlijk huis te Jeruzalem stond), niet zozeer in bloedverwantschap als wel in godsdienstige en maatschappelijke betrekking, daardoor nader verklaard, dat de familie daar een bezitting had, die later de eigendom van Johannes werd (Joh. 19: 27). Dat de gezindheid van Zebedeüs zich niet boven de zorgen voor het aardse zou verheven hebben, heeft men willen besluiten uit de omstandigheid, dat hij bij zijn vissersnet is gebleven; de familie behoorde integendeel tot die, welke, in waar-Israëlitische vroomheid met het Oude Testament vertrouwd, toen in steeds sterkere hoop op de verschijning van de Messias leefden (Luk. 2: 38). De vader legde dan ook geen hinderpalen in de weg aan zijn twee zonen, dat zij eerst discipelen van de Doper (Joh. 1: 36vv. ), en later de bestendige navolgers van Jezus werden (hoofdstuk 4: 21vv. ). Naar het schijnt stierf hij tegen het einde van Jezus’ werkzaamheid in Galilea, en nu werd zijn weduwe Salóme een van de dienende vrouwen (Luk. 8: 2vv. Mark. 14: 40vv. ), en betoonde zij zich daar als een aanhangster van de Heere vol geestdrift, trouw en zelfopoffering. Naar alle waarschijnlijkheid was Jakobus de oudste zoon; hij is de eerste van de twaalven, die de marteldood (in het jaar 44 n. Chr. geleden heeft (Hand. 12: 1vv. ); aan hem wordt gedacht op 25 juli (hoofdstuk 20: 20vv. ).
Namen wij het bovenstaande woord van Dächsel in zijn geheel op, wij deden het ondanks verschil van mening. Wij houden de opmerking juist, voortvloeiende uit de vergelijking van de drie plaatsen, en alzo Salóme voor Maria’s zuster. Dächsel heeft de moeilijkheid voorbijgezien, dat als Johannes slechts drie vrouwen noemde, twee zusters dezelfde voornaam gedragen zouden hebben. Wij hebben bij Johannes de tekst naar zijn behoorlijke verdeling te lezen, zoals veelal een optelling in tweetallen plaats heeft, zoals ook hier bij de apostelen: “Zijn moeder en Zijn moeders zuster, Maria, de vrouw van Klópas, en Maria Magdalena. ” De Syrische en andere oude vertalingen hebben tussen “zuster” en “Maria” nog een voegwoord.
Johannes stond vroeger in dezelfde betrekking tot de Doper als later tot Christus. Hij vatte de diepste zijde in de prediking van de Doper op, die voor de andere discipelen nog verborgen bleef. Terwijl de drie eerste Evangelisten bericht geven over de boetprediking van de Doper, en slechts in het kort de opmerking erbij voegen, dat hij ook op de komst van de Messias heeft gewezen, vat Johannes deze laatste zijde als het hoofdpunt van het werken van de Doper op, en heeft hij de profetische redenen van deze over Christus’ natuur en lijden bewaard en te boek gesteld. Met een gelijke beslistheid als hij zich bij de Doper had aangesloten en volgens diens eis alle gemeenschap met de duisternis voor altijd had opgegeven, sloot hij zich bij Jezus aan, zodra de Doper op Hem had gewezen, en daar betoont hij zich als een stil diepdenkend karakter met een bijzondere receptiviteit (openheid om in zich op te nemen). Ieder woord van zijn geliefde Meester, dat aan zijn hart ontdekking geeft over het mysterie (heilig geheim), waarvan hij een voorgevoel had, grijpt hij in het diepste van zijn ziel aan; hij houdt het vast en overweegt het, zichzelf verdiepende in de beschouwing van de heerlijkheid van de Mensenzoon; bij alles wat Christus spreekt en doet, grijpt hij niet de momenten aan, die tot handelen dringen, zodat hij vroeg: wat moet ik doen? moet ik spoedig tabernakels bouwen op de berg van de verheerlijking? moet ik het zwaard trekken tegen Malchus? Maar verre van de drift om te handelen en mee te werken, heeft hij het rustig beschouwen lief van hetgeen Hij doet, Hij spreekt, Hij is, en hij is in het nadenkende, liefhebbende aanschouwen van Jezus verloren, zoals een bruid in het aanschouwen van de bruidegom. Daaruit moet verklaard worden, dat in de ziel en het geheugen van deze discipel elke fijnste adem van het wezen van Christus zo onvermengd en helder bewaard is, ja gehele gesprekken van de Heere met vijanden en vrienden hem tot in bijzonderheden gewichtig waren en bleven. Die geheel eigenaardige hoogheid en heerlijkheid van Christus, zoals wij die in het Evangelie van
Johannes vinden, bleef zeker ook voor de andere discipelen niet verborgen; maar alleen Johannes was geschikt om ze voorstellende te reproduceren. Ieder mens kan de schoonheid zien van een gebergte, dat in het avondrood gloeit, maar niet ieder is in staat die te schilderen. Johannes heeft de natuur van een levende spiegel, die niet alleen de volle glans van de Heere opnam, maar die ook kon weerkaatsen, en zo zal het aan niemand bevreemden, dat Jezus hem voornamelijk tot Zijn persoonlijke vriend koos en hij aan ‘s Meesters borst mocht liggen. “Evenals het zonnelicht de trekken van uw gelaat afdrukt op een zilveren plaat, die tot het ontvangen van het licht ontvangbaar werd gemaakt, zo is het hart van de discipel, die Jezus liefhad, voorbereid om het beeld van de heerlijkheid van de Zoon en het Lam Gods in zich op te nemen, en Zijn trekken weer in het hart van de gelovigen te laten schitteren. ” Gedenkdag 27 december (Joh. 21: 20vv. ).
Filippus5) en Bartholomeüs; 6) Thomas 7) en Mattheüs, de tollenaar. 8) Jakobus, de zoon van Alfeüs 9) en Lebbeüs, toegenaamd Thaddeüs. 10)
Filippus, van wie wij reeds bij No. 2 spraken, en wiens karakter in het algemeen is opgegeven 8: 22), komt behalve in Joh. 1: 43vv; 6: 5vv; 12: 20vv. ook in Joh. 14: 8vv. nog eens voor. Men verwarre hem niet met de diaken of Evangelist Filippus in Hand. 6: 5; 8: 26vv. ; 21: 8vv. , zoals de legende doet, wanneer zij van hem bericht, dat hij gehuwd is geweest en vier dochters heeft gehad. Men vertelt, dat hij in Frygië gewerkt heeft, en in Hiërapolis in hoge ouderdom is gestorven. Zijn gedenkdag valt op dezelfde dag, als die van Jakobus II, op de 1e mei (Joh. 14: 1vv. ).
Bartholomeüs (Nathanaël; Joh. 1: 45vv. 21: 2) uit Kana in Galilea afkomstig, komt overigens niet voor. Men zegt, dat hij het Evangelie in Indië (waaronder waarschijnlijk Gelukkig Arabië moet verstaan worden) verkondigd heeft, daar levend gevild en omgekeerd gekruist is. Zijn gedenkdag is 24 augustus (Luk. 22: 24vv. ).
Thomas, de tweeling genaamd (Didymus; Joh. 11: 16; 14: 5; 20: 24vv. ; 21: 2) is door ons met P. Lange gehouden voor de discipel, die in hoofdstuk 8: 21vv. niet bij name genoemd is, maar toch reeds gekarakteriseerd. Ook over hem zijn slechts sagen bekend; volgens deze moet hij in Perzië (Parthië) en Indië gepredikt hebben zonder dat zijn marteldood bepaald beweerd wordt.
Aan de kusten van Malabar worden nog een menigte Thomas-Christenen gevonden, die hun oorsprong van hem afleiden, maar in Christelijke kennis en geestelijk leven aan de Apostolische gemeenten zeer ongelijk zijn. Gedenkdag 21 december (Joh. 20: 24vv. ).
Mattheus vgl. hoofdstuk 9: 9vv. (21 september). Van zijn Apostolische werkzaamheid zijn slechts onzekere berichten, die aan hem een latere werkkring in Antiochië geven; belangrijker is hij voor ons als schrijver van het eerste Evangelie, waarover wij te gelegener tijd zullen handelen.
Jakobus de Jongere of de II. In ons vers wordt hij een zoon van Alfeüs (waarvoor in Joh. 19: 25 de vorm “Kleopas” staat) genoemd; in hoofdstuk 27: 56 (vgl. Mark. 15: 40; 16: 1) wordt zijn moeder Maria genoemd, die in 19: 25 naar onze opvatting van de plaats (vgl. bij No. 3) de zuster van Jezus moeder heet. Omdat nu in hoofdstuk 27: 56 tevens een broeder van hen met name Joses wordt genoemd, in hoofdstuk 13: 55 (Mark. 6: 3) vier broeders van de Heere: Jakobus, Joses, Simon en Judas worden genoemd, zo hebben wij ons voor de mening verklaard 2: 23), dat de Apostel Jakobus II de zoon van Alfeüs was, een en dezelfde persoon met die Jakobus, die in Gal. 1: 19 als broeder van de Heere en op gelijke rang met de Apostelen wordt gesteld. De tegenovergestelde mening daarentegen maakt van de zo-even genoemde, van de broeder van de Heere, een Jakobus III. Gedurende het leven van Jezus is deze ongelovig geweest (Joh. 7: 2vv. ), maar ten gevolge van de bekendmaking van Zijn opstanding, die Jezus nog in het bijzonder beval aan Zijn broeders te brengen (Joh. 20: 17) en nog meer ten gevolge van de verschijning van de herrezene, die bepaald Jakobus ten deel werd (1 Kor. 15: 7), trad deze in de rij van de discipelen (Hand. 1: 14), en verkreeg hij later een aanzienlijke plaats in de gemeente te Jeruzalem (Hand. 12: 17; 15: 13vv. ; 21: 18vv. Gal. 2: 9, 12). Om zijn reine wandel, gestreng naar de wet, noemde men hem “de rechtvaardige”. Als een echt Nazareeër genoot hij, zoals verteld wordt, het voorrecht, te allen tijde in priesterlijke kleding in de tempel te gaan, hetgeen hij, door innige liefde tot zijn volk vervuld, daartoe gebruikte, om zich dikwijls alleen in het heiligdom op zijn aangezicht neer te werpen en om vergeving voor de zonden van zijn volk te smeken; daarom werd hij ook voor de beschermmuur van zijn volk aangezien. Maar in de lente van 62 na Chr. , toen na de dood van de landvoogd Festus diens opvolger Albinus nog niet in Palestina was gekomen, maakte de Sadducees-gezinde Hogepriester Hannas II van de macht gebruik, die hij eens had bezeten, om zich van Jakobus meester te maken, als van een afvallige van de wet; hij liet hem van de tin van de tempel afwerpen en eindelijk met knotsen doodslaan 4: 7). Van hem is zonder twijfel de brief van Jakobus. Hoe schijnbaar juist nu deze mening omtrent een Jakobus II door de plaatsen Joh. 7: 2vv; 1 Kor. 15: 7 en Hand. 1: 14 is, zo bepaald wordt zij door de andere plaatsen Hand. 12: 17; 15: 13vv. ; 21: 18 en Gal. 1: 19; 2: 9, 12 weerlegd. Nadat namelijk Lukas in Hand. 1: 13 onder de twaalf Apostelen één Jakobus I en Jakobus II heeft genoemd, vervolgens in hoofdstuk 12: 17 van het ombrengen van Jakobus II bericht heeft, kan toch onmogelijk reeds van 12: 17 af zo opeens aan een Jakobus III worden gedacht, van wie tevoren geen woord gezegd is. Daaruit dat de heilige schrijver voortaan eenvoudig Jakobus schrijft, terwijl hij nog in 12: 2 heeft geschreven: “Jakobus, de broeder van Johannes, ” blijkt ondubbelzinnig dat hij van een Jakobus III niets weet. Had hij “de broeder van de Heere” van “Alfeüs’ zoon” willen onderscheiden, zo had hij ergens ervoor moeten zorgen, dat ook zijn lezers beide van elkaar konden onderscheiden; hij heeft echter niet eens daar, waar de beide andere Evangelisten van de broeders van de Heere spreken en hun namen aanhalen (MATTHEUS. 13: 55 Mark. 6: 3) op de parallelle plaats van zijn Evangelie (4: 22) met een enkel woord vermeld. Nu is ook datgene, wat Paulus in Gal. 1: 19 zegt, zo duidelijk van een Apostel gezegd, dat men de woorden een weinig moet verdraaien, om er de zin uit te halen, dat hier onder de “broeder van de Heere” een niet-Apostel zou moeten worden verstaan. Men late dus deze vermeende Jakobus III in zijn onderscheiding van Jakobus II als niets anders dan een uitvinding varen, en neme wat boven van de eerste gezegd is, op als van deze meegedeeld. Wij zullen toch zien, dat met de opvatting: Jakobus de zoon van Alfeüs, een van de twaalven, is geen ander dan Jakobus, de broeder van de Heere, met de bijnaam van de rechtvaardige – de plaats Joh. 7: 2vv. zeer goed te verenigen is. Over de gedenkdag van Jakobus II zie bij No. 5.
Lebbeüs d. i. “mijn hart” of “de moedige” met een andere naam, die ongeveer hetzelfde betekent. Thaddeüs (“mijn borst”, of de geweldige”; genoemd (Mark. 3: 18) wordt door Lukas (hoofdstuk 6: 16; Hand. 1: 13) Judas van Jakobus genoemd. Daaronder hebben wij zonder twijfel te verstaan de onder No. 9 genoemde broeder van Jakobus, die dus eveneens een broeder van de Heere zou zijn, en inderdaad wordt onder de in hoofdstuk 13: 55 Mark. 6: 3 voorkomende broeders van Jezus ook een Judas genoemd. Als een broeder van Jakobus, tevens een dienstknecht van Jezus Christus, stelt zich dan ook de schrijver voor van de brief van Judas (vs. 1). Intussen wordt door vele geleerden bestreden, dat beide, de Apostel Judas, broeder van Jakobus en de schrijver van de brief een en dezelfde persoon zouden zijn. De laatste schijnt zich integendeel in vs. 17 uitdrukkelijk van de Apostelen te willen onderscheiden en in vs. 1 zijn gezag daaraan te ontlenen dat hij een broeder van de Apostel Jakobus was; bij de Apostel Judas van Jakobus moet men echter het woord “zoon” en niet “broeder” (zoals onze Statenvertalers) invullen. Nu moest men bij onderscheiding van de beiden ook de onderscheiding van Jakobus, de zoon van Alfeüs en Jakobus, de broeder van de Heere weer ophalen, die wij onder No. 9 als verkeerd hebben aangewezen; want wat voor zin zou het hebben Jakobus, broeder van de Heere aan de ene zijde, en Judas, broeder van Jakobus, van de broeder van Jezus aan de andere zijde, en nog daarbij Jakobus, zoon van Alfeüs aan de ene zijde, en Judas zoon van Jakobus aan de andere zijde? Zouden deze bepalingen elkaar niet wederkerig te niet doen? Wij kunnen dus aan de tegenspraak tegen de boven door ons uitgesproken mening over de Apostel Judas, dat hij met de briefschrijver Judas dezelfde persoon is, geen gewicht hechten; in vs. 17vv. kon de schrijver van de brief zeer goed op de Apostelen als op een geheel wijzen, ook wanneer hij voor zijn persoon zelf tot de Apostelen behoorde (hij ziet juist hier geheel af van zijn persoon en beroept zich op het gezag van het gehele college); en de uitdrukking “Judas en Jakobus” in de zin “Judas (broeder) van Jakobus” wordt eenvoudig daardoor verklaard, dat Alfeüs reeds eens als vader van Jakobus genoemd en reeds lang gestorven was, daarom niet nog eens kon worden voorgesteld; daarentegen had Jakobus een zo groot aanzien in de kerk verkregen (Gal. 2: 9), dat een aanwijzing van zijn bloedverwantschap tot hem deze Judas het best onderscheidde van Judas de verrader, die in Luk. 6: 16 onmiddellijk op hem volgt, en in Hand. 1: 13 eveneens op hem zou volgen, wanneer hij niet toen reeds zijn Apostelschap had verloren. Judas van Jakobus (Lebbeüs of Thaddeüs) moet in Arabië, Syrië en Mesopotamië hebben gepredikt en te Edessa of Beiroet zijn gestorven; door anderen wordt zijn marteldood beweerd. Zijn gedenkdag valt met die van de volgende Apostel op de 28e oktober (Joh. 15: 17vv. ).
Simon Kananites 11) en Judas Iskariot, 12) die Hem ook verraden heeft.
Simon droeg in het Hebreeuws de bijnaam “Kaneani”, wat in Luk. 6: 15 Hand. 1: 13 voor Griekse lezers terecht met “Zelotes” d. i. “ijveraar” wordt vertaald, maar vroegtijdig door afschrijvers op deze plaats en Mark. 3: 18 waar het Hebreeuws werd behouden, in zoverre werd misverstaan, als zou daardoor de geboorteplaats worden aangewezen, waarom men voor “Kaneani” nu eens Kananites, dan Kananaias (de Kananiet of de Kananeeër) schreef. Luther heeft het door “van Kana” vertaald, alsof Simon een landgenoot van Nathanaël (Joh. 21: 2) of Bartholomeüs (No.
6) zou geweest zijn. Hij behoorde echter tot de orde van de zogenaamde Zeloten of ijveraars voor de wet, die naar het voorbeeld van Pinchas (Num. 25: 7vv. ) de overtredingen van de wet wilden wreken en later in de laatste Joodse oorlog een zo grote rol speelden. Reeds werd aangewezen 5: 1) dat wij hem evenals de beide vorige Apostelen voor een van de broeders van de Heere (hoofdstuk 13: 55 Mark. 6: 3) houden. Zo kan het best verklaard worden, hoewel van de Apostelen onder No. 1-8 de geschiedenis van hun vroegere roeping tot navolging van Jezus, voordat zij in de kring van de twaalven werden opgenomen, bericht wordt; maar van die onder Nr. 9-11 in het geheel niets wordt gezegd, hoe zij voor het eerst met de Heere in nadere aanraking zijn gekomen. Zij stonden reeds door de geboorte als zijn broeders (zie bij hoofdstuk 2: 23) tot Hem in nauwe betrekking; zij waren als het ware Hem aangewezen; Hij kon ze bij hun vatbaarheid voor het geloof in Hem, dat uit Joh. 20: 17 en Hand. 1: 14 duidelijk blijkt en bij hun opvoeding door een vrome vatbare moeder (hoofdstuk 27: 56), niet voorbijgaan. Wanneer zij echter ook nog in andere opzichten voor ongelovig moesten worden gehouden (Joh. 7: 2vv. ), zo moest Hij bij hun opneming in de kring van de Apostelen, dit evenals een zekere mate van ongeloof in alle twaalf laten welgevallen. Hoe weinig de bloedverwantschap van die drie hun een voorrang boven anderen gaf, blijkt eens daaruit, dat deze broeders van de Heere in alle vier de Apostellijsten niet in de eerste, zelfs niet in de tweede, maar eerst in de derde klasse geplaatst worden, wat zonder twijfel aan een door Jezus zelf gestelde orde doet denken; aan de andere zijde ook daaruit, dat de vierde plaats in deze derde klasse niet met de vierde broeder Joses, maar met een vreemde (Nr. 12) bezet is geworden. Is deze onze mening, die wij hier ontwikkelden, de ware, zo mogen wij verder besluiten, dat het boven aangeduide misverstand ten opzichte van de bijnaam Simon niet slechts een misverstand is, maar dat daaraan waarheid ten gronde ligt. Misschien is het alzo, dat Alfeüs, de broeder van Jozef, met zijn vrouw Maria, zo lang hij nog leefde, te Kana in Galilea woonde en omdat de vier zonen en de ongenoemde dochters verwekte. Daaruit zou duidelijk worden, hoe nu weer Maria, de moeder van de Heere, met deze zoon te Kana in Galilea een bevriend huis had, nog voordat Jezus Zijn heerlijkheid had geopenbaard (Joh. 2: 1vv. ), en waarom in Joh. 21: 2 Nathanaël niet naar zijn tweede naam, maar naar zijn afkomst wordt aangewezen, waarom wij ons ook de vertaling “Kananites” kunnen laten welgevallen. Het kerkelijk verhaal omtrent de latere lotgevallen van Simon en zijn werkkring geeft zeer van elkaar afwijkende berichten; niet ten onrechte is zijn gedenkdag met die van Judas (Nr. 10) op een en dezelfde datum gesteld.
Evenmin als wij met Dächsels mening, dat de “broeders van de Heere” zijn neven geweest zouden zijn, konden instemmen. evenmin geloven wij, dat Simon Kananites en Simon de broeder van de Heere dezelfde personen zijn geweest zijn. Wij stemmen liever Winer en velen anderen toe, dat deze onderscheiden personen waren.
Judas Iskarioth. Wij kunnen noch die verklaring onderschrijven, die deze bijnaam “man van Issaschar”, noch die, welke hem “man van de leugen” vertaalt. Judas is door die bijnaam als “de man van Karioth”, een stadje in Juda aangewezen. Op de vraag, hoe Jezus ertoe kwam, om ook deze man onder de twaalven op te nemen, omdat Hij toch zeker tevoren wist, dat deze
Hem tot verrader zou worden, kan eerst worden beantwoord, wanneer het ons duidelijk is geworpen, hoe Jezus aan de man kwam. Volgens onze verklaringen bij Nr. 11 zou de Heere gemakkelijk de twaalfde plaats van de kring van Zijn discipelen met Zijn andere broeder Joses hebben kunnen aanvullen. Omdat Joses zonder twijfel later ook tot de Christelijke gemeente behoorde, zoals uit zijn vermelding in hoofdstuk 27: 56 Mark. 15: 40, 47 en uit Hand. 1: 14 blijkt, zo zou Hij, wanneer Hij dat had gedaan, later niet over de verlorene (Joh. 17: 12) hebben hoeven te klagen – maar, hoe zou dan de Schrift vervuld zijn? Het moest zo gaan; en juist daarom, zo zouden wij beweren, omdat de twaalfde plaats die van de verrader was, heeft de Heere van Zijn vierde broeder Joses afstand gedaan. De zaak is echter nog anders voor te stellen. Met het huis van de twaalven wil Jezus het huis Jakobus en Zijn twaalf stammen voorstellen, wil Hij tevens de gehele toekomst van Zijn Kerk in alle mogelijke individualiteiten en eigenaardigheden van de Geest afbeelden; elke bijzondere aanleg en ontwikkeling, elk bijzonder karakter moot daarin een plaats hebben. Houden wij dit vast, zo moeten wij verder beweren, dat voor de twaalfde plaats Joses niet de geschikte man was, deels omdat hij eveneens een Galileeër was, aan de andere zijde omdat zijn aanleg en de eigenaardigheid van zijn karakter reeds genoegzaam in een van de overige Apostelen vertegenwoordigd was. Voor deze plaats behoorde weer iemand, die naar zijn oorspronkelijke afkomst een Judeeër was, opdat ook Juda in het huis van Jezus Zijn vertegenwoordiger zou hebben, en wel een, in wie het denkvermogen op uitstekende wijze was gevormd en ontwikkeld, opdat ook deze eigenaardigheid van geest in de Kerk, het voorbeeld van de toekomstige, een plaats zou vinden. Door de leiding van God, Zijn hemelse Vader, zag nu de Heere Judas (wij weten niet van waar en weten niet op welke weg) tot Zich geleid. Hij erkende des te duidelijker, dat juist deze Zijn verrader zou worden, omdat aan de ene zijde het voorbeeld van de verrader, Achitofel op Judea wees, en de naam van Judas maar al te zeer aan het woord van Juda in Gen. 37: 27 herinnerde, en de aard van de ongelovige Joden, die tot op de huidige dag in het geld woelen, betekende, en omdat aan de andere zijde de eigenaardigheid van Judas en de gemoedsrichting van Judas de aanleg bezat, om een kind van de duivel te worden. Evenzo staan uitstekende geesten nog altijd het meest in gevaar om het geloof te verliezen, en de toekomstige antichrist zal zeker eens door bijzondere overmacht van het verstand het daartoe brengen, dat hij de mens van de zonde en het kind van het verderf (2 Thessalonicenzen. 2: 3) wordt. De Heere onderwierp zich ook in deze zaak aan de leiding van Zijn hemelse Vader, en wij kunnen ons wel denken, door welke gevoelens en gewaarwordingen Zijn hart bewogen zal zijn geweest bij het gebed, waarmee Hij Zich tot de Apostelkeuze voorbereidde. Reeds toen was het bij Hem: “Mijn Vader, indien het mogelijk is, zo laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan, maar niet zoals Ik wil, maar zoals Gij wilt. ” Dat Hij later aan Judas de beurs toevertrouwde, waarbij zijn aanleg zich tot een duivelen-natuur ontwikkelde, vindt zijn verklaring in hetgeen Lampe zegt: “Het behoort tot de aanbiddenswaardige wegen van de goddelijke voorzienigheid ten opzichte van de zonde, dat de zondaars in omstandigheden worden geplaatst, waarin hun boosheid tevoorschijn moet komen; de geschiedenissen van de criminele rechtbanken geven voor deze stelling de veelvuldigste bewijzen. Nog slechts één zaak zij hierbij opgemerkt: het later door Judas’ dood leeg geworden Apostelambt splitst zich in twee ambten, in dat van Matthias en in dat van Paulus. Men kan wel aanstonds aannemen, dat de eerste van geboorte een Judeeër was, hoewel hij een oog- en oorgetuige van Christus’ woorden en werken geweest was van de doop van Johannes af tot aan de hemelvaart (Hand. 1: 22). Misschien besliste juist daarom het lot voor hem en niet voor de ander; juist de eigenschap van Judeeër moest door Matthias worden aangevuld. Daarentegen vond de begaafdheid met een voortreffelijk denkvermogen en met een uitstekende vorming van geest enige jaren later in Paulus zijn aanvulling. Deze is vervolgens het levend bewijs geworden, dat ook de grote geesten, de diepe denkers, de genieën onder de mensenkinderen, in Christus hun Meester vinden en zij zeer goed ootmoedige discipelen aan Zijn voeten kunnen worden, zonder hun gaven en krachten te moeten verloochenen.
Toen de Heere Judas koos, was het verraad nog niet in zijn binnenste, maar wel de kiem ertoe. De Heere, de hartenkenner wist het. Zou de omgang met de Heere zelf die kiem niet verstikken? In die omgang moest alles zich beslissend ontwikkelen, moest alles beter of erger worden. De satan was ook hier in het midden van de kinderen van God. Maar hoe kan het samengaan, dat Judas de Apostolische gave van de wonderen ontving en toch een verrader werd? De gaven zijn onafhankelijk van het geloof en zonder waarachtig geloof zijn alle gaven ijdel. Een Bileam kon profeteren en een Saul kon het ook, en toch waren zij ontbloot van genade. Daarom vermaant Paulus niet zozeer wondergaven maar genadegaven te begeren, en onder deze is de uitnemendste de liefde; zij is de door het geloof en de hoop voortgebrachte eeuwigblijvende vrucht van de Heilige Geest.
Ik meen, dat wij bij de keuze van Judas de Apostel, de Heer ons kunnen voorstellen als de harten kennende God en als de heilige, de volkomen mens. Als God doorzag Hij alle harten, ook dat van Judas, en hoe deze het verlossingsplan dienen, de profetieën vervullen zou; zijn opname in die kring was noodzakelijk. Meer hebben wij echter Christus ons in dezen voor te stellen als de mens, de leraar bij uitnemendheid, die ons tot een voorbeeld worden moest. In Judas waren grote gaven, die van de zuurdesem doortrokken, uitnemend het Godsrijk zouden dienen, maar ook, zo Christus ten oordeel werd, ontzettend zouden uitbarsten. Nu doet Christus tegenover Judas alles wat gedaan kon worden, om hem tot een uitstekende Apostel te vormen, zoals de Evangeliën nader zullen doen kennen; zelfs de overgave van de beurs was een daad van de hoogste wijsheid; zo Judas had kunnen genezen worden, dan was dit het middel; de dief kan alleen getroffen worden door het grootst mogelijke vertrouwen, het wankelende hart door een daad van de hoogste liefde. Zo behandelt hem de Heere tot het einde toe, totdat Judas zichzelf uitstoot. Het doel van God is bereikt tot verlossing en ieder leraar heeft in Christus het volmaakte voorbeeld. Judas gaat door eigen schuld ondanks alle middelen van Christus verloren, en ook zijn zonde dient het goddelijk plan.
Als een gezelschap van enige mensen zich tot het bereiken van een gemeenschappelijk doel verenigt, dan verwachten wij bij deze mannen een zekere overeenstemming van aanleg, temperament, inborst, verstandelijke vermogens en zedelijke krachten. Waar deze overeenstemming ontbreekt, daar is reeds deze vereniging niet waarschijnlijk, en de uitvoering van het plan zelf heeft met des te grotere moeilijkheden te worstelen, naarmate dit plan groot en uitgestrekt is. Heeft deze vereniging geen geringer doel, dan de gehele wereld te misleiden, dan is de samenzwering van de tegenstrijdigste karakters tot een groot, gemeenschappelijk bedrog, een ondenkbare zaak, en de volharding in het ééns begonnen werk, zonder een enkele van dit gezelschap te licht bevonden worde, mag bijkans onder de onmogelijkheden gerangschikt worden. Maar wat zullen wij dan zeggen, als wij mensen, van de verschillendste geaardheid, driftigen, bedaarden, zwaarmoedigen, niet alleen tot hetzelfde verbond zien toetreden om de wereld te bedriegen, maar liever tot één toe zich aan de wreedste folteringen zien onderwerpen, dan een geheim te verraden, waarvan zij niets dan verachting en lijden konden inoogsten? Het persoonlijk karakter van ieder van de Apostelen door Jezus gekozen, is ons niet voldoende bekend – maar sommigen van hen kennen wij genoeg, om de gemaakte aanmerkingen met vrucht op deze keuze toe te passen. Wij vinden in dit gezelschap een oplopende, en tevens vreesachtige Petrus; een bedaarde en zachtzinnige Johannes; en dan nog een voortreffelijke Apostel, schandelijk miskend, zodat zijn naam zelfs tot een scheldnaam geworden is, maar wiens heersend karakter was een onbegrensde liefde tot Jezus; ik bedoel de brave, maar zwaarmoedige Thomas. Voegt deze namen in uw gedachten bij elkaar, en, mij dunkt, de volgende aanmerkingen zullen als vanzelf bij u oprijzen. Indien Jezus enige mensen uit de menigte had willen uitkiezen, om haar te misleiden, dan deed Hij inderdaad een dwaze keuze, dat Hij mensen van zulke strijdige karakters tot zijn vertrouwde vrienden benoemde. Een bedrieger zou toch van tevoren de onwaarschijnlijkheid berekend hebben, dat zijn bedrog op al deze mensen in een gelijke mate zou werken, zodat zij allen zich aan hem zouden hechten en blijven hechten; hij zou berekend hebben, dat een bedrog, waardoor zich de vurige, voorbarige, en niet genoeg nadenkende Petrus liet wegslepen, waarschijnlijk door een diepe, peinzende Thomas ontdekt zou worden, of ten minste geen gerede ingang bij hem zon vinden; met één woord, hij zou berekend hebben, dat een zoveel mogelijke gelijkheid van karakters, de eerste voorwaarde was, om twaalf mensen gelijkelijk te kunnen misleiden. Indien Jezus deze mensen uit de menigte had uitgelezen om hun de bedrieglijke rol, die Hij spelen wilde, te ontdekken, en een verbond met hen te sluiten, om Hem in Zijn werk behulpzaam te zijn, ook dan was Zijn keuze even onbegrijpelijk. Hij verklaarde aan Zijn discipelen, dat Hij op de puinen van de Joodse en heidense godsdienst een rijk wilde stichten, dat alle volken van de aarde zou omvatten; hoe was het vooruit te zien, dat een zwaarmoedige Thomas ooit onder dat verdrag zijn naam tekenen, of, bij ervaring van duizend hinderpalen, zijn woord gestand zou doen? – Jezus verklaarde aan Zijn discipelen, dat hun leven een onafgebroken strijd zou zijn met de diep ingewortelde vooroordelen van hun landgenoten, dat zij met alle standen van de maatschappij in onenigheid zouden raken, dat wolven hen overal zouden omringen; kon dat leven voor de zachtzinnige en vredelievende Johannes enige aantrekkelijkheid hebben? – Jezus verklaarde eindelijk aan Zijn discipelen, dat zij in de loopbaan, die zij intraden, geen erekroonen zouden behalen, maar dat lijden, ballingschap en dood het loon van hun arbeid zou zijn; kon een bedrog, dat onder zulke voorwaarden gepleegd moest worden, een Petrus behagen, Petrus die geen moed genoeg had om voor een dienstmaagd staande te houden, dat hij een leerling van Christus was? Eindelijk moet het verschillend karakter van de Apostelen hen bij de onbevooroordeelde rechter van alle verdenking van dweperij vrijpleiten. Er is, in zo verre wij de twaalf discipelen van de Heere kennen, niet één onder hen, wiens karakter niet vatbaar zou zijn voor die opwinding van een verhitte verbeelding, die wij met de naam van dweperij gewend zijn te bestempelen. Maar dat deze ongelijke karakters in één en dezelfde zaak, op een gelijke wijze zouden dwepen, dit houden wij voor een zielkundige onmogelijkheid. Indien een Thomas begint te dwepen, dan wordt hij een monnik of kluizenaar; maar vervalt een Petrus tot deze ongelukkige stemming van het gemoed, dan predikt hij misschien een kruistocht. En echter deze mensen zien wij de handen inéén slaan. Zij vereren dezelfde Meester, verkondigen dezelfde leer, handelen in één zin en geest, bekrachtigen dezelfde besluiten, werken naar dezelfde maatregelen, onderwerpen zich aan dezelfde gevaren, en sterven met dezelfde belijdenis op de lippen. Neen, deze mensen waren geen bedrogenen, geen bedriegers, geen dwepers. Innige overtuiging van de waarheid was de band van hun vriendschap, verenigde de ongelijkste mensen, smolt aller belangen, aller harten tezamen, en de Godskracht uit de hoogte voltooide de eendracht van de Apostelen, opdat zij elkaar zouden liefhebben, zoals Christus hen had liefgehad. (E. A. BORGER).
Deze twaalf heeft Jezus twee aan twee (Mark. 6: 7) uitgezonden, en hun bevel gegeven, omdat Hij hun deels voor hun tegenwoordige zending bijzondere, deels voor hun toekomstige werkzaamheid algemene regels wildemeedelen, zeggende: Gij zult, voor dit maal en zo lang de juiste tijd daartoe nog niet is gekomen, niet heengaan op de weg van de heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad van de Samaritanen.
De middelmuur van het afscheidsel was nog niet verbroken; dit moest eerst plaatshebben in de dood van Christus, als zijnde de grondslag van het nieuwe en eeuwige verbond van God. Dan zou de Heere Zijn Apostelen tot alle volken zenden; thans kon Hij zelf alleen de eerstelingen uit de heidenen en Samaritanen toebrengen, ofschoon ook zelf alleen tot het huis van Israël gezonden. Met de bedeling van de Geest ving de toebrenging van de Joden en heidenen aan, zoals wij dit op de eerste Pinksterdag en later in het huis van Cornelius zien.
a) Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis van Israël (hoofdstuk 15: 14).
Hand. 3: 26; 13: 26, 46
De Joden werden hier verloren schapen genoemd met kennelijke weerslag op MATTHEUS. 9: 34
Christus werkte zelf onder de verloren schapen van het huis van Israël en aan deze moesten de Apostelen de eerste aanbiedingen doen van redding. In ieder land zijn verloren schapen; ook wij moeten die zoeken, predikende bekering tot God, zowel als geloof in onze Heere Jezus Christus, want het Koninkrijk Gods vestigt zich niet in een trots, onboetvaardig, vleselijk hart.
En wat de inhoud van uw prediking aangaat, heengaande predikt, zeggende: Het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen (hoofdstuk 3: 2; 4: 17), het is onder uw bereik gesteld, komt tot de bruiloft, want alle dingen zijn gereed.
Hij zond hen niet uit zonder boodschap, waar zij gingen moesten zij dit roepen. Dit moest hun tekst zijn, over dit onderwerp moesten zij uitwijden, laat het volk weten, dat het Koninkrijk van de Messias, de Heere van de hemel, nu zal worden opgericht volgens de Schriften; dat wie dit zoekt, berouw moet hebben over zijn zonden en die nalaten, opdat zij mogen worden toegelaten tot de zegeningen van dat Koninkrijk. Dit verkondigt behoud als nabij degenen, die God vrezen.
Zij predikten, om het geloof te werken, het Koninkrijk om de hoop op te wekken, de hemelen om liefde tot hemelse zaken in te storten en de aardse te doen gering achten; dit was nabij gekomen, opdat men zich zonder uitstel voorbereidde.
Maakt een gepast gebruik van de gave van de wonderen, die Ik u heb meegedeeld, om daardoor uw leer te bevestigen. Maar draagt zorg, dat gij daardoor altijd het heil van mensen bevordert. Geneest de zieken, reinigt de melaatsen, wekt de doden op, werpt de duivels uit. 1) a) Gij hebt het om niet ontvangen, zowel de zaligheid, die gij moet verkondigen, als de hulp, die Gij moogt brengen, geeft het om niet. 2)
Hand. 8: 18-20
Wat een bevel en wat een volmacht; wie kan ze geven dan de almachtige God alleen! Zo onnodig wij thans, nu de Schrift van het Nieuwe Testament bestaat, de wonderen keuren, zo onmisbaar waren zij voor de Heere en Zijn Apostelen. Een Koninklijk der hemelen op aarde te vestigen zonder wonderen was een volstrekte onmogelijkheid. Gods bovennatuurlijk werk moet zich onderscheiden van dat van de natuur, zullen zij niet met elkaar verward worden. Hieruit ziet gij de kwade toeleg van hen, die geen wonderen willen erkennen; zij nemen er de goddelijkheid van het Christendom mee weg en maken het tot een gewoon natuurlijk verschijnsel. Maar al hielden ook sinds de Apostolische tijd alle wonderen op, één wonder is overgebleven, en zal er overblijven tot de laatste dag toe: de bekering. Ja, iedere bekering is nog heden een zo groot wonder als de opstanding van Christus uit de doden was; want zij is de vrucht en daarmee de voortzetting van deze opstanding. Daarom kan alleen een onbekeerd mens het wonder ontkennen; voor een bekeerd mens is dit een volstrekte onmogelijkheid, want hij zelf heeft het wonder aan zich ondervonden.
Het is zeer duidelijk, dat het leven van een getrouw dienstknecht van Christus geen gemakkelijk leven kan zijn. Hij moet bereid zijn, lichaam en geest, tijd en krachten over te hebben voor het werk, waartoe hij geroepen is. Traagheid en beuzelachtigheid zijn in ieder beroep een groot kwaad, maar bovenal zijn deze dingen een groot kwaad in de wachter van de zielen. – Verder is het klaar, dat de stand van dienstknechten van Christus geenszins die is, waarin het onwetende volk hem soms plaatst, en welke zij ook soms, helaas! voor zichzelf eisen. Zij zijn geordend, niet zozeer om te regeren als wel om te dienen. Het is hun bestemming, niet zozeer om heerschappij te voeren over de gemeente van Christus, als wel om in haar behoeften te voorzien en over de gemeenteleden te waken (2 Kor. 1: 24). Het zou voor de zaak van de ware godsdienst gelukkig zijn, indien deze dingen beter werden verstaan! De meeste onheilen, die de Christenheid hebben getroffen, zijn voortgekomen uit verkeerde begrippen aangaande het leraarsambt.
Simon de tovenaar zou geen geld hebben aangeboden voor de gave om de Heilige Geest toe te delen Hand. 8: 18). Zo hij niet gehoopt had er geld door te winnen.
Was mogelijk voor Judas deze vermaning toen reeds nodig? Zij had betrekking op de genezingen. Jezus wilde niet, dat de leerlingen enige waarde zouden hechten aan de tijdelijke goederen. Niet alleen vuige winzucht verbood Hij hun, maar alles, wat hen in het denkbeeld versterken kon, dat het Koninkrijk der hemelen, de aankondiging waarvan Hij hun als opdracht gegeven had, van deze aarde was, probeerde Hij af te snijden.
Verkrijgt u noch goud-, noch zilver-, noch kopergeld in uw gordels; zoekt er niet angstig naar, dit in uw gordelbeurzen mee te nemen.
10. Noch male tot de weg, geen reiszak met eetwaren gevuld voor uw weg, noch twee rokken, noch schoenen, 1) noch staf, alsof gij voor uzelf zou moeten zorgen en in alle dingen voorzien; integendeel zal u hetgeen gij bij de uitoefening van uw opdracht van tijdelijke dingen nodig hebt, vanzelf toevallen, a)want de arbeider is zijn voedsel waardig, en het zal hem door Gods voorzienigheid toekomen.
Lev. 19: 13 Deut. 24: 14; 25: 4 Luk. 10: 7; 1 Kor. 9: 4, 14; 1 Tim. 5: 18.
God, die de arbeider tot zijn taak roept, zal ook wel in zijn onderhoud voorzien. Daaruit volgt tevens voor hen, onder wie hij leeft, de verplichting, hem te ondersteunen.
De Apostelen moesten ook geen staf meenemen. Wel een gewone wandelstok (vgl. Mark. 6: 8). Maar geen gewapende staf om zich te verdedigen tegen de struikrovers, die de wegen zeer onveilig maakten. In het Joodse land waren toch de reizigers gewend zich te wapenen met stokken, die met ijzer waren beslagen om zich daarmee te verweren in nood. Van zulk wapentuig mochten de Apostelen zich niet voorzien, maar moesten zich op de goddelijke bescherming gerust verlaten.
En als gij in het huis gaat, dat gij voor waardig houdt, zo groet het met de gewone groet: Vrede zij u (Luk. 10: 5 Joh. 20: 19).
En indien dat huis waardig is, dat gij daar blijft, zo kome uw vrede daarover; maar indien het niet waardig is, zo kere uw vrede zonder enige uitwerking (Jes. 55: 11) weer tot u, zodat gij niet verder zult moeten trekken met het gevoel alsof gij tegen het Woord in hoofdstuk 7: 6 had gehandeld.
In het Grieks is dit bij wijze van bevel gezegd: “zo kome uw vrede daarop, zo kere hij weer tot u. ” In het eerste geval groet het blijmoedig en met gezegend gevolg, in het andere geval moogt gij even zo welgemoed de zegen, die gij uitspreekt, weer tot u nemen. Hij is eenmaal in de naam van God van u uitgegaan, hij gaat niet verloren, maar komt u des te meer ten goede. Een troost voor de arbeiders van de Heere, die ondanks alle opofferende liefde, hardnekkige tegenstand vinden. Zo dikwijls de met Gods Geest vervulde boden van de Heere de oosterse groet: “vrede zij u” doen horen, is dat geen ijdele wens, er gaat daarbij kracht van God uit, die nooit werkeloos blijven kan (vgl. Luk. 1: 40 Joh. 14: 27 Joh. 16: 33; 20: 19, 26).
En als iemand, een persoon of ook enige plaats, u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis, of uit die stad, schudt het stof van uw voeten af, uzelf losmakende van elke gemeenschap met hen en alle verdere verplichtingen in hun opzicht (Hand. 13: 51; 18: 6).
Dus zult gij niets van hen nemen, dat gij zelfs hun stof van de schoenen slaat, opdat zij erkennen, dat gij niet uw belang, maar hun zaligheid gezocht hebt.
Het afschudden van het stof van de voeten betekende meer, namelijk, dat men verder met iemand of iets niet wilde te doen hebben, dat men hen voor heidenen verklaarde (Neh. 5: 13 hoofdstuk 18: 17).
Voorwaar zeg Ik u; het zal het gebied van Sodom en Gomorra verdragelijker zijn op de dag van het oordeel (hoofdstuk 11: 24), dan die stad, waarvan gij u op die wijze hebt moeten losmaken.
Deze lering wordt op vreselijke wijze over het hoofd gezien, en is nochtans de ernstige betrachting overwaardig. Men ziet zo snel voorbij, dat het waarlijk niet nodig is grote openlijke zonden te bedrijven om zijn ziel voor eeuwig in het verderf te storten. Indien men slechts het woord hoort zonder het te geloven, ernaar luistert zonder zich te bekeren, naar de kerk gaat zonder tot Christus te gaan, zal men zich weldra in de hel bevinden. Wij allen zullen geoordeeld worden naar het licht, dat wij gehad hebben. Wij zullen rekenschap moeten geven van het gebruik, dat wij van onze godsdienstige voorrechten hebben gemaakt. Te horen van de “grote zaligheid” en nochtans daarop geen acht te slaan, is een van de ontzettendste zonden, die de mens kan begaan (Joh. 16: 9 Hebr. 2: 3). Het zal ons niet behouden, dat wij geleefd hebben in de heldere zonneschijn van Christelijke voorrechten; wij moeten Christus bij bevinding hebben leren kennen. Zonder dit wordt slechts door de prediking van het Evangelie onze verantwoordelijkheid te groter.
Om deze woorden wel te begrijpen moeten wij in het oog honden, dat hier sprake is van die Joden, die door de doop van Johannes en door Jezus’ prediking reeds in zoverre op hetgeen de apostelen verkondigden waren voorbereid, dat zij het woord van de waarheid reeds niet meer konden verwerpen zonder zich aan een zonde schuldig te maken, die niet veel van die van de lastering tegen de Heilige Geest verschilde.
Zoals de Heere bij allen aandringt op de eerbiedige aanneming van het Evangelie, en door een bedreiging van zware straffen de tegenstrevers vrees inboezemt, zo geeft Hij ook hier de discipelen last de verkondigers te zijn van de wraak, die Hij dreigt, hetgeen slechts dan mogelijk is, wanneer zij vervuld zijn van brandende ijver om het woord te verbreiden. Geen echte leraar van de hemelse waarheid is hij, wie het niet in de ziel brandt en kwelt, als hij haar ziet verachten, en door geen misdrijf wordt God zo beledigd als door de verachting van Zijn woord; want zozeer mogen wij onze afschuw tegen moordenaars en overspelers niet betuigen als tegen hen, die dat doen. Wanneer schepselen van hun Schepper niet afhankelijk willen wezen, Zijn stem niet veel waard achten om ernaar te luisteren, Zijn vriendelijke uitnodiging afwijzen en aan Zijn rijke belofte van genade geen geloof willen slaan, dan is dat wel het toppunt van alle zonde.
Het zijn niet alleen afwijkingen, waarop gij u hebt voor te bereiden, maar zelfs de verschrikkelijkste vervolgingen, want ziet: Ik zend u, zo al niet bij deze eerste Apostolische werkzaamheid, dan toch in uw toekomstig ambt, als schapen in het midden van de wolven, die op geweldige wijze op u zullen aanvallen: wees dan voorzichtig als de slangen en oprecht als de duiven (Rom. 16: 19).
De Apostelen moesten voorzichtig zijn als de slangen. Plinius en andere natuurkenners geven breed op van de bijzondere schranderheid van de slangen. Zij hebben zeer fijne zintuigen; daardoor weten zij haar vijand geredelijk te ontwijken. In deze voorzichtigheid om gevaren te voorkomen en de vijanden te ontwijken, moesten de Apostelen de slangen navolgen. Maar tevens moesten zij oprecht, eerlijk, minzaam zijn als de duiven, zonder list en valsheid. De voorzichtigheid toch, doorgaans genoemd de staatkunde, kan tot het verachtelijk uiterste van arglistigheid en valsheid overstaan, en de welmenende oprechtheid wordt, wanneer zij kwalijk bestuurd is, gevaarlijke onbedachtzaamheid. Zij moesten voorzichtig zijn als de slangen, om te voorkomen, dat zij aan het geweld van vijanden werden blootgesteld, maar tevens moesten zij oprecht zijn als de duiven, zonder anderen kwaad te willen of te doen.
Maar wacht u, met de zo-even u aanbevolen voorzichtigheid van de slangen, maar zó, dat gij de oprechtheid van de duiven niet verliest, voor de mensen, a)want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen en in hun synagogen 1) zullen zij u geselen.
MATTHEUS. 24: 9 Luk. 21: 12 Joh. 15: 20; 16: 2 Openbaring 2: 11.
Aan de synagogen was meestal een rechtbank verbonden, die over de overtredingen tegen de godsdienst uitspraak deed, voor zover daarop geen straf zwaarder dan die van de geseling gesteld was (Hand. 22: 19; 2 Kor. 11: 24).
En gij zult ook voor stadhouders en koningen geleid worden om Mijnent wil (Hand. 24-26), hun en de heidenen tot getuigenis. Om de belijdenis van Mijn naam zal men u voor de rechtbanken brengen; gij zultdoor de groten van de aarde worden verworpen en mishandeld; maar dit zal hunzelf tot veroordeling zijn, want uw prediken zal hun elke verontschuldiging ontnemen, en dat zij u verwierpen, zal een getuigenis zijn van hun onbekeerlijkheid.
a) Maar wanneer zij u overleveren aan het gericht, zo zult gij niet bezorgd zijn met grote angstvalligheid, hoe of wat gij spreken zult. Vertrouw op de goddelijke bijstand en de invloed van de Heilige Geest; want het zal u op dat moment gegeven worden wat gij spreken zult.
Mark. 13: 11 Luk. 12: 11; 21: 14
Want wanneer gij voor de rechtbanken gesteld wordt, zo zijt gij het niet, die spreekt, omdat het niet uw zaak is, die gij hebt te verdedigen, maar het is de Geest van uw Vader, die in u spreekt, die Geest zal met u zijn bij uw verantwoording in het gericht.
De Heilige Geest verenigt Zich zo met Christus’ discipelen, dat Hij deelt in al hun bezwaren en noden, zoals Christus als mens onze noden menselijk meevoelt. Daarom wanneer hun die bijstand het meest nodig is, spreekt en handelt Hij zelf uit hen (vgl. Rom. 8: 26, 27). Toen de belijders van Christus in Parijs omwille van hun geloof gevangen gezet, hun geloofsbelijdenis aan Calvijn zonden, die zij aan de koning wensten te overhandigen, opdat hij daarin, zo nodig, iets zou verbeteren, antwoordde hij in het levend geloof in deze belofte van Jezus: “Ik zend u geen zodanige geloofsbelijdenis, als onze geliefde broeder van mij verlangd heeft; want God zal wel grotere zegen aan datgene verlenen, wat Hij door Zijn Heilige Geest, die Hij u geschonken heeft, zal laten opstellen, dan op iets, dat u op enige andere wijze zal worden gegeven. Datzelfde heb ik reeds onlangs aan broeders, die hun bloed ter ere van God hebben vergoten, geantwoord; ik heb mij verblijd in de geloofsbelijdenis, die ik van u gezien heb, om er mij mee te stichten, maar ik heb geen woord daaraan willen toedoen, of daarvan willen afnemen, want dat zou zijn iets wegnemen van de kracht en van het vuur van de Heilige Geest, wiens wijsheid en kracht men daarin kennelijk bespeurt. ” (Henry’s Calvijn I: 467).
De terzijdestelling van een verkeerde voorbereiding moet voor de ware voorbereiding plaatsmaken, voor gebed, overdenking, inwendige overgave, (oratio, meditatio, tentatio). Een woord van de leer van de ingeving van Gods woord door de Geest van God; een woord van belofte, dat Hij door ons zal spreken. – Terecht bouwt men mede op deze en dergelijke plaatsen de leer van de inspiratie van de Heilige Schrift.
Geen waardig Evangeliedienaar, of rechtschapen belijder zal immer misbruik maken van deze woorden om daarop te zondigen, en zonder voorbereiding in het werk van het Evangelie, of in de verdediging van Jezus’ naam en zaak bezig te zijn; maar komt het erop aan, dreigt de nood, dan zal het ook hun ondervinding zijn, en zij zullen niet in zichzelf, of in eigen bekwaamheid eindigen, maar wel in de Heere, wetende, dat het Zijn Geest is, die verlichten en helpen kan. (D. MOLENAAR).
a) En de ene broeder zal, omdat Ik niet gekomen ben, om vrede te brengen, maar het zwaard (vs. 34), de andere broeder overleveren tot de dood; en de vader het kind, en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders en zullen hen door hen over te geven aan de overheden, doden, omdat deze Mijn leer aannemen en die ze verwerpen.
Micha 7: 2, 5 Luk. 21: 16
En dan zal de vervolging u in de hoogste mate treffen, gij zult van allen, van Joden en heidenen, gehaat worden om Mijn naam. Het kan niet anders, want Mijn Evangelie is niet naar de mens, het is aangekant tegen beider veroordelen en verdorvenheid; maar die volstandig zal blijven in geloof, geduld en belijden tot het einde, wanneer Ik zal terugkomen en aan de haat van de tegen Mij gekante wereld een einde zal maken, die zal zalig worden en in de heerlijkheid van Mijn hemels koninkrijk ingaan.
MATTHEUS. 24: 13 Mark. 13: 13 Luk. 21: 19 Openbaring . 2: 10; 3: 10
a) Wanneer zij u dan in die haat, die u van de zijde van de gehele ongelovige wereld zal treffen, in deze stad vervolgen, vlucht in de andere; want voorwaar zeg Ik u: gij zult uw reis door de steden van Israël, zo vluchtende van de ene naar de andere plaats, niet geëindigd hebben, 1)of de Zoon des mensen zal gekomen zijn ten gerichte over Jeruzalem en het Joodse volk en aan uw vervolging zal door die verwoesting een einde gemaakt worden.
Matth. 2: 13; 4: 12; 12: 15 Hand. 8: 1; 9: 25; 14: 6
De uitdrukking ou mh teleshte tav poleiv Israhlbetekent: “gij zult de steden van Israël niet hebben afgedaan” of “volmaakt”. De laatste betekenis komt ons te sterk voor; liever nemen wij aan met vele uitleggers, dat de zin deze is: “gij zult op vele wijzen een overvloedige ruimte voor uw werkzaamheden vinden: het zal u nooit aan arbeidsveld ontbreken. “
Verwondert u echter niet, dat gij zo door ieder gehaat zult worden (vs. 22)a) de discipel is niet boven de Meester, noch de dienstknecht boven zijn Heer, dat hij een beter lot voor zich zou mogen verwachten dan deze ondervond.
Joh. 3: 16; 15: 20
Het zij de discipel genoeg, dat hij, wat de behandeling aangaat, die hem overkomt, worde als zijn Meester, en de dienstknecht als zijn Heer; iets hogers begeert hij niet, wanneer hij een waar discipel en een getrouw knecht is. Indien zij de Heer des huizes Beëlzebul hebben genoemd, hebben voorgesteld als die door de overste van de duivels de duivels uitdreef (hoofdstuk 9: 34; 12: 24), hoe veel te meer zullen zijn huisgenoten dergelijke zaken te lijden hebben.
a) Vreest dan hen niet, maar deelt graag en gewillig met Mij Mijn lot; vat moed om ondanks alle haat van de wereld het Evangelie van het koninkrijk aan de gehele wereld te brengen, opdat het de vereiste openbaarheid verkrijge. Vreest niet, b) want er is niets bedekt, wat niet zal ontdekt worden, en verborgen, wat niet geweten zal worden; dit spreekwoord heeft vooral betrekking op het Evangelie, dat nooit als een geheime leer mag worden behandeld (MATTHEUS. 5: 15).
Jes. 8: 12 Jer. 1: 8 b) Job 12: 22 Mark. 4: 22 Luk. 8: 17; 12: 2
Hetgeen Ik u zeg in de duisternis, omdat Ik Mij allereerst nog slechts in de vertrouwde kring van Mijn discipelen kan openbaren, opdat eerst Mijn rijk gegrondvest worde, zegt gij het in het licht, maakt dat overal bekend; en hetgeen gij hoort in het oor door bijzondere onderrichting, predikt dat op de daken van de huizen, zodat de mensen op de straten het kunnen vernemen.
De daken waren in het oosten vlak en met leuningen omringd. In het Christendom zijn geen geheimen, die niet bestemd zijn om openbaar te worden; zelfs is het geheel en al openbaring van de geheimenissen van God. De Christen behoort daarom graag zijn geloof en zijn overtuiging bloot te leggen, zoals eens in het gericht ieders gedachten openbaar zullen worden.
a) En vreest u bij zo’n openbare prediking, die haat en vervolging teweegbrengt, niet voor degenen, die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden, d. i. voor de mensen, al worden zij ook nog zo sterk tegen u; maar vreest veel meer Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel, d. i. voor God, uw eeuwige Rechter.
Jer. 1: 8 Luk. 12: 4
Het ware gevoel van onze onsterfelijkheid is het gevoel van onze onschendbaarheid in de bescherming van onze Vader.
De vrees voor mensen moet worden overwonnen door de vrees voor God.
Bij deze heilige, ernstige vrees voor God zij in uw hart het heilige blijde geloof in Hem, in wiens zeer bijzondere zorg gij staat als Zijn lieve kinderen. Wordenniet twee musjes om één penningske, het geringste muntstukje, dat men geven kan, verkocht? En niet een van deze zal dood op de aarde vallen zonder uw Vader, zonder Zijn wil en Zijn weten.
a) En ook uw haren op het hoofd zijn alle geteld; er kan niet één afvallen zonder Zijn bestuur; zo zorgt Hij niet alleen voor het behoud van uw leven, maar zelfs is het geringste en nietigste van u een voorwerp van Zijn zorg.
1 Sam. 14: 45
Vreest dan niet, gij gaat vele musjes te boven en kunt met veel meer onbezorgdheid dan zij u verblijden over uw hemelse Beschermer.
Zou dan de Christen, die in deze Schepper en Onderhouder van de natuur zijn Vader in de hemelen erkent, zich niet op die vaderlijke bescherming mogen verlaten? Als Hij ook met het kleinste, het schijnbaar minst betekenende, dat hem betreft, onder de leiding van die God staat, zou dan het hoogste, het behoud van zijn ziel, aan dat bestuur zijn onttrokken? Wat de Heere tot Zijn eerste discipelen bij de voorspelling van hun lijden gezegd heeft, zou dat in volgende tijden minder waarheid zijn? Laat er dan een storm losbreken, die alles met verwoesting dreigt, de plant, die de hemelse Vader geplant heeft, zal niet worden uitgerukt, al wordt zij ook hevig bewogen. In dit geloof kan de Christen rustig zijn en op de weg van de Christelijke belijdenis, hem van God aangewezen, getroost en met goede moed voortgaan.
a) Een ieder dan van u en van allen, die door uw woord in Mij zullen geloven, die Mij met alle vrijmoedigheid belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook op de jongste dag belijden voor Mijn Vader, die in de hemelen is; opdat hij niet in het oordeel kome.
Mark. 8: 38 Luk. 9: 26; 12: 8; 2 Tim. 2: 12
Nee, de discipel van Christus vleit zich niet met een ijdele hoop op de toekomst. Zij zijn hem voorgegaan, zij spreken, nadat zij gestorven zijn, de getuigen van Christus, die Hem tot in de dood hebben bekend. Een Stefanus heeft niet gevreesd voor degenen, die zijn lichaam konden doden, maar hem het oog niet konden sluiten voor de glans van de heerlijkheid van “de Zoon des mensen, staande aan de rechterhand van God, ” en van zijn ziel de ingang in de hemelse rust niet konden betwisten. Een Ignatius roept stervende: “ik ben een tarwekorrel van Christus, die eerst door de tanden van de wilde dieren moet worden vermalen, om er goed brood van te kunnen maken. ” Een Justinus verklaart: “ik heb geen oprechter wens dan te mogen lijden om Jezus’ wil, om in de zaligheid in te gaan en zal alzo met goed vertrouwen verschijnen voor de rechterstoel van mijn Heiland; ” en hij legt het hoofd op het blok, waarop de moordbijl zal neervallen. Een Polycarpus beklimt de brandstapel, omdat het hem onmogelijk is zijn Heer te vloeken, die hij 86 jaren heeft gediend. Deze allen, die door het geloof zijn gestorven en zo velen als voor de Heere “bespotting en geseling hebben verduurd, en ook banden en gevangenis, zijn gestenigd, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht, ” en door Christus als de Zijnen beleden met eeuwige heerlijkheid, zij bevestigen ons met nadruk het getuigenis van de Heere, het wachtwoord van Zijn kerk: “zijt getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de kroon des levens!”
Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, die in de hemelen is; voor aller oren zal Ik verklaren, dat Ik hem niet ken.
Die verloochening is hier niet de ogenblikkelijke, hoewel altijd schuldige zwakheid van een Petrus, die door vrees overmand zijn overtuigingen tijdelijk verbergt, maar toch in zijn hart van de Heere geen afstand heeft gedaan. Aan deze maakt elk discipel zich helaas maar al te dikwijls schuldig, mocht het altijd zijn met gelijke smart als van Petrus; maar die moedwillige verwerping, die zich aan de Heere en de smaadheid van Zijn kruis ergert, die met gehele of gedeeltelijke bewustheid de wereld boven Hem kiest, die zich om Zijn gemis geenszins ongelukkig gevoelt, die zich tooit met Zijn naam, maar zich onttrekt aan Zijn dienst, – zij brengt dit oordeel over zich. Ontzaglijk vonnis! “gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt, Ik heb u nooit gekend. “
Ik wil u echter nog eens wijzen op de grote beroering, die door de prediking van Mijn woord onder de mensen veroorzaakt zal worden (vs. 21vv. ), zodat gij u niet verwondert over hetgeen u overkomt. Meent niet dat Ikgekomen ben om vrede op aarde te brengen, zo lang het mensdom nog in zijn tegenwoordige toestand van verwijdering van God en het leven, dat uit God is, volhardt; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard, opdat het eerst tot een scheiding en beslissing kome, totdat na de strijd de vrede kan komen.
Want, zoals reeds in Micha 7: 6 oorlog en strijd tussen de naaste families als weeën van de dochters van Zion, die het rijk van de vrede vooraf zullen gaan, geprofeteerd zijn, zo is het: Ik ben gekomen om de mens tweedrachtig te maken tegen zijn vader en de dochter tegen haar moeder en de schoondochter tegen haar schoonmoeder (“Jud 19: 10”).
a) En zij zullen de vijanden van de mens worden, die zijn huisgenoten zijn, zijn ongelovige bloedverwanten.
Ps. 41: 10; 55: 13 Job 13: 18
Het zal niet aangetoond hoeven te worden, dat Jezus hier niet sprak van Zijn oogmerk, maar van het onvermijdelijk gevolg van Zijn komst. Hij kende de zedelijke toestand van het volk te goed, dan dat Hij Zijn leer van de waarheid voor algemene aanneming vatbaar gerekend zou hebben.
Het doel van Zijn eerste komst op aarde was niet de vestiging van een duizendjarig rijk, waarin allen van één geest zouden zijn, maar het brengen van het Evangelie, waarvan de verkondiging aanleiding geven zou tot twist en verdeeldheid. Wij hebben dus geenszins recht ons te verwonderen, wanneer wij dit nog gedurig in vervulling zien treden. Zo lang de een gelooft, terwijl de ander ongelovig blijft, – zo lang de een blijft vasthouden aan zijn zonden, en de ander hartelijk begeert ze los te laten, is het onvermijdelijk, dat de prediking van het Evangelie door verdeeldheid wordt gevolgd. De schuld daarvan ligt niet in het Evangelie, maar in het hart van de mensen.
Christus is een wonderman: Vredevorst en vrede-verstoorder.
De strijd van de Heere is beter dan de vrede van de wereld. 1) De vrede van de wereld loopt uit op eeuwig oproer en op de strijd van de hel; 2) de strijd van de Heere loopt uit op het eeuwig vrederijk van de hemel.
Het komt nu bij zulke scheiding erop aan, dat ieder de juiste keuze maakt. Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij is Mij niet waardig, zodat hij Mij als zijn Heer enMeester zou kunnen toebehoren (Deut. 33: 9 Luk. 14: 26).
Onze naaste vrienden zijn dikwijls de grootste vijanden van onze zaligheid.
Wij moeten niets boven Christus stellen, omdat Hij ook niets boven ons gesteld heeft.
Wie zo’n eis mag doen, moet meer dan mens of engel zijn.
a) En die zijn kruis, niet een door hemzelf gezocht, maar het door God hem opgelegde kruis, niet, als een door deze wereld verworpene en tot de dood van de oproermakers veroordeelde, op zich neemt, om het graag en gewillig te dragen, en Mij volgt, wie dat lot binnen niet lange tijdzal overkomen, is Mij niet waardig.
MATTHEUS. 16: 24 Mark. 8: 34 Luk. 9: 23; 14: 27
Wie niet Mij navolgende in de geest besloten heeft om, als het nodig mocht zijn, voor Mij gewillig zelfs de straf van de ergste misdadiger te lijden; wie ten aanzien van de begeerlijkheid en de toejuiching van de wereld niet gestemd is als een veroordeelde, die reeds zijn kruis naar de gerichtsplaats torst en die zo dat alles gering acht en verwerpt. .
a) Wie zijn ziel, zijn leven, in die hoogst gevaarlijke tijdsomstandigheden (vs. 34vv. ) vindt, omdat hij door verloochening van Mijn naam zich aan het gevaar onttrekt, zal haar verliezen, doordat hij de eeuwige zaligheid verliest, die toch alleen het ware leven is; en die zijn ziel, zijn leven, verloren zal hebben om Mijnent wil, zal haar vinden, zal leven in eeuwigheid.
MATTHEUS. 16: 25 Mark. 8: 35 Luk. 9: 24; 17: 33 Job 12: 25
Dit woord heeft een bepaalde historische en tevens de diepste algemene godsdienstige betekenis. Het egoïsme, dat steeds zijn leven wil behouden, voor zichzelf wil zijn, wint de dood; het geloof in zijn overgave en opoffering wint het leven.
Maar Ik wil, dat het u ook niet zal ontbreken aan hulp en vriendschap. Wie in die tijd, wanneer het zo gevaarlijk is een Apostel te herbergen (Hand. 17: 5vv. ), u ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft (Joh. 13: 20). Ik kom werkelijk in de Mijnen tot hem en Mijn vader in Mij.
a) Wie een profeet ontvangt in de naam van een profeet, om reden dat hij een profeet, een van God is, zal het loon van een profeet, hetzelfde loon, dat deze van God mag verwachten, ontvangen, en die een rechtvaardige, een, die door uw woord in Mij gelovig en door het geloof in Mij gerechtvaardigd is geworden, ontvangt in de naam van een rechtvaardige, zal het loon van een rechtvaardige ontvangen.
1 Kon. 17: 10; 18: 4; 2 Kon. 4: 8
Het eerste beginsel van genade openbaart zich in het “uw volk is mijn volk;” wie de broeders liefheeft, zodat hij om hen wel te doen zich aan gevaren blootstelt, in hem is zeker reeds een begin van de ware godzaligheid, een begin dat, hoe verborgen ook, door de Heere wordt gekend.
a) En zo wie een van deze kleinen, bij wie het nog niet gekomen is tot het gehele doorbreken van de rechtvaardigen, maar die toch op de drempel van het koninkrijk der hemelen staat – zo wie die te drinken geeft alleen een beker koud water, die hem slechts de geringste bewijzen van liefde, de minste hulp betoont in de naam van een discipel, omdat hij Mijn leerling is, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.
MATTHEUS. 25: 40 Mark. 9: 41 Hebr. 6: 10
Het heeft soms de schijn, alsof niemand acht slaat op onze werkzaamheden. De arbeid van een prediker, van een zendeling, een onderwijzer, een ziekenbezoeker mogen zeer nietig en onbeduidend schijnen, vergeleken met de daden van koningen en van parlementen, van legerscharen en van staatslieden, maar ze zijn geenszins onbeduidend in de ogen van God. Hij merkt op wie zich tegen Zijn dienaars verzet, en ook wie hen helpt. Hij ziet, wie vriendelijk jegens hen is, zoals Lydia was jegens Paulus, maar ook wie hen hinderpalen in de weg werpt, zoals Diotrefes tegenover Johannes (Hand. 16: 15; 3 Joh. 1: 9). Alles wordt opgeschreven in het grote boek van Zijn gedachtenis en zal op de jongste dag aan het licht gebracht worden.
Nadere verklaringen van de woorden in deze rede kan men vinden bij de paralelle afdelingen bij Markus en Lukas, als ook bij de rede tot de 70 discipelen Lu (10: 1 e. v. ) en Zijn profetie van de laatste dingen in Matth. 24 en 25, Mark. 13 en Luk. 21: 5vv. Met de vraag van de geleerden, of Jezus deze rede werkelijk zo heeft gehouden in deze volledigheid en in dezelfde samenhang, of dat de Evangelist hier verscheidene bij andere gelegenheden voorkomende gezegden tot een geheel heeft bijeengebracht, laten wij ons niet veel in. Wij laten de Schrift in haar samenhang zonder haar delen uit elkaar te willen rukken, waardoor wij onszelf schade zouden doen, en wij denken daarbij aan het woord van Christus, dat Hij in vs. 20 tot de discipelen spreekt, zodat, indien ook oorspronkelijk niet alles nauwkeurig op dezelfde plaats en in dezelfde samenhang door Hem gezegd mocht zijn, het toch voor ons even goed is, alsof Hij zo en niet anders had gesproken.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel