Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1En Hij begon wederom te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, alzo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1En Hij begonG756wederomG3825 te lerenG1321 omtrent de zeeG2281; enG2532 er vergaderdeG4863 een grote schareG3793bijG4314 Hem, alzo dat Hij, in het schipG4143gegaanG1684 zijnde, nederzatG2521 op de zeeG2281; enG2532 de geheleG3956schareG3793wasG1510 op het landG1093aanG4314 de zeeG2281.En Hij begon wederom te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, alzo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2παλινG3825wederom, opnieuwagain3ηρξατοG756begon, begonnen, beginnen(rehearse from the) begin(-ning)4διδασκεινG1321lerende, leerde, lerenteach5παραG3844van, bij, naastabove, against, among, at, before, by, contrary to, X friend, from, + give (such things as they), + that (she) had, X his, in, more than, nigh unto, (out) of, past, save, side…by, in the sight of, than, (there-)fore, with6τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7θαλασσανG2281zeesea8καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet9συνηχθηG4863vergaderd, vergaderden, vergadert+ accompany, assemble (selves, together), bestow, come together, gather (selves together, up, together), lead into, resort, take in10προςG4314tot, bij, aanabout, according to , against, among, at, because of, before, between, (where-)by, for, X at thy house, in, for intent, nigh unto, of, which pertain to, that, to (the end that), X together, to (you) -ward, unto, with(-in)11αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which12οχλοςG3793schare, scharen, volkcompany, multitude, number (of people), people, press13πολυςG4183vele, velen, veelabundant, + altogether, common, + far (passed, spent), (+ be of a) great (age, deal, -ly, while), long, many, much, oft(-en (-times)), plenteous, sore, straitly14ωστεG5620zodat, daarom(insomuch) as, so that (then), (insomuch) that, therefore, to, wherefore15αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which16εμβανταG1684gegaan, geklommen, gingencome (get) into, enter (into), go (up) into, step in, take ship17ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with18τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19πλοιονG4143schip, schepen, scheepship(-ing)20καθησθαιG2521zittende, zit, zittendwell, sit (by, down)21ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)22τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc23θαλασσηG2281zeesea24καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet25παςG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever26οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc27οχλοςG3793schare, scharen, volkcompany, multitude, number (of people), people, press28προςG4314tot, bij, aanabout, according to , against, among, at, because of, before, between, (where-)by, for, X at thy house, in, for intent, nigh unto, of, which pertain to, that, to (the end that), X together, to (you) -ward, unto, with(-in)29τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc30θαλασσανG2281zeesea31επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with32τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc33γηςG1093aarde, land, Egyptelandcountry, earth(-ly), ground, land, world34ηνG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was
2En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zeide in Zijn lering tot hen:
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2EnG2532 Hij leerdeG1321hunG846veelG4183 dingen doorG1722gelijkenissenG3850, enG2532 Hij zeideG3004inG1722 Zijn leringG1322 tot hen:En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zeide in Zijn lering tot hen:
3Hoort toe: ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3HoortG191 toe: zietG3708, een zaaierG4687 ging uit om te zaaienG4687.Hoort toe: ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.
KJVHearken;1Behold,there went out3a sower5to sow:
1ακουετεG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand2ιδουG3708ziet, gezien, Ziebehold, perceive, see, take heed3εξηλθενG1831uitgegaan, gingen, uitgaandecome (forth, out), depart (out of), escape, get out, go (abroad, away, forth, out, thence), proceed (forth), spread abroad4οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5σπειρωνG4687gezaaid, zaait, bezaaidsow(- er), receive seed6τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7σπειραιG4687gezaaid, zaait, bezaaidsow(- er), receive seed
4En het geschiedde in het zaaien, dat het ene deel zaads viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen, en aten het op.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4En het geschieddeG1096inG1722 het zaaienG4687, datG3739 het ene deel zaads vielG4098 bij den wegG3598; enG2532 de vogelenG4071 des hemelsG3772kwamenG2064, enG2532atenG2719 het op.En het geschiedde in het zaaien, dat het ene deel zaads viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen, en aten het op.
KJVAnd1it came to pass,2as3he sowed,5some6fell8by9the way side,11and12the fowls15of the air17came13and18devoured19it20up.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2εγενετοG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought3ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)4τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5σπειρεινG4687gezaaid, zaait, bezaaidsow(- er), receive seed6οG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc7μενG3303wel, enerzijdseven, indeed, so, some, truly, verily8επεσενG4098viel, gevallen, vielenfail, fall (down), light on9παραG3844van, bij, naastabove, against, among, at, before, by, contrary to, X friend, from, + give (such things as they), + that (she) had, X his, in, more than, nigh unto, (out) of, past, save, side…by, in the sight of, than, (there-)fore, with10τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11οδονG3598weg, wegen, Wegjourney, (high-)way12καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet13ηλθενG2064komen, gekomen, kwamaccompany, appear, bring, come, enter, fall out, go, grow, X light, X next, pass, resort, be set14ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15πετειναG4071vogelen, dieren vogelen, gevogeltebird, fowl16τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17ουρανουG3772hemel, hemelen, hemelsair, heaven(-ly), sky18καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet19κατεφαγενG2719aten, eet, opetendevour20αυτοG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
5En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5En het andere vielG4098opG1909 het steenachtigeG4075, waar het niet veelG4183aardeG1093hadG2192; en het ging terstondG2112 op, omdat het geen diepteG899 van aardeG1093hadG2192.En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.
1αλλοG243ander, andersmore, one (another), (an-, some an-)other(-s, -wise)2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3επεσενG4098viel, gevallen, vielenfail, fall (down), light on4επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with5τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6πετρωδεςG4075steenachtigestony7οπουG3699waar, waarheenin what place, where(-as, -soever), whither (+ soever)8ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but9ειχενG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use10γηνG1093aarde, land, Egyptelandcountry, earth(-ly), ground, land, world11πολληνG4183vele, velen, veelabundant, + altogether, common, + far (passed, spent), (+ be of a) great (age, deal, -ly, while), long, many, much, oft(-en (-times)), plenteous, sore, straitly12καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet13ευθεωςG2112terstond, dadelijkanon, as soon as, forthwith, immediately, shortly, straightway14εξανετειλενG1816spring up15διαG1223door, om, vanwegeafter, always, among, at, to avoid, because of (that), briefly, by, for (cause) … fore, from, in, by occasion of, of, by reason of, for sake, that, thereby, therefore, X though, through(-out), to, wherefore, with (-in)16τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without18εχεινG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use19βαθοςG899diepte, dieptendeep(-ness, things), depth20γηςG1093aarde, land, Egyptelandcountry, earth(-ly), ground, land, world
6Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6MaarG1161 als de zonG2246opgegaanG393 was, zo is het verbrandG2739 geworden, en omdat het geenG3361wortelG4491hadG2192, zo is het verdordG3583.Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord.
KJVBut2when3the sun1was up,it was scorched;4and5because6it had9no8root,10it withered away.
1ηλιουG2246zon+ east, sun2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3ανατειλαντοςG393opgegaan, opgaan, gesproten(a-, make to) rise, at the rising of, spring (up), be up4εκαυματισθηG2739verbrand, verhit, verhittenscorch5καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet6διαG1223door, om, vanwegeafter, always, among, at, to avoid, because of (that), briefly, by, for (cause) … fore, from, in, by occasion of, of, by reason of, for sake, that, thereby, therefore, X though, through(-out), to, wherefore, with (-in)7τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without9εχεινG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use10ριζανG4491wortel, Wortel, wortelenroot11εξηρανθηG3583verdord, verdorde, dordry up, pine away, be ripe, wither (away)
7En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7En het andere vielG4098inG1519 de doornenG173, enG2532 de doornenG173wiesenG305 op, enG2532verstiktenG4846hetzelveG846, enG2532 het gafG1325geenG3756vruchtG2590.En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht.
8En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies; en het ene droeg dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8En het andere vielG4098inG1519 de goedeG2570aardeG1093, enG2532gafG1325vruchtG2590, die opgingG305enG2532wiesG837; enG2532 het eneG1520droegG5342dertigG5144 voud, enG2532 het andere zestigG1835 voud, enG2532 het andere honderdG1540 voud.En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies; en het ene droeg dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud.
9En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9EnG2532 Hij zeideG3004 tot hen: Wie orenG3775heeftG2192 om te horenG191, die horeG191.En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.
KJVAnd1he said2unto them,3He that hath5ears6to hear,7let him hear.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ελεγενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter3αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5εχωνG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use6ωταG3775oren, oorear7ακουεινG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand8ακουετωG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand
10En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10En als Hij nu alleen wasG1096, vraagdenG2065HemG846 degenen, die omtrentG4012HemG846 waren, met de twaalvenG1427, naar de gelijkenisG3850.En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis.
KJVAnd2when1he was3alone,4they that were about8him6with10the twelve12asked5of him9the parable.
1οτεG3753toen, wanneerafter (that), as soon as, that, when, while2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3εγενετοG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought4καταμοναςG2651alone5ηρωτησανG2065baden, bid, badask, beseech, desire, intreat, pray6αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which7οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8περιG4012van, over, aangaande(there-)about, above, against, at, on behalf of, X and his company, which concern, (as) concerning, for, X how it will go with, ((there-, where-)) of, on, over, pertaining (to), for sake, X (e-)state, (as) touching, (where-)by (in), with9αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which10συνG4862met, samen metbeside, with11τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12δωδεκαG1427twaalf, twaalven, Twaalftwelve13τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14παραβοληνG3850gelijkenis, gelijkenissen, afbeeldingcomparison, figure, parable, proverb
11En Hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maar dengenen, die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11En Hij zeideG3004 tot henG846: Het is uG4771gegevenG1325 te verstaanG1097 de verborgenheidG3466 van het KoninkrijkG932GodsG2316; maarG1161 dengenen, dieG1565buitenG1854 zijn, geschiedenG1096alG3956 deze dingen doorG1722gelijkenissenG3850;En Hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maar dengenen, die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen;
KJVAnd1he said2unto them,3Unto youit is given5to know6the mystery8of the kingdom10of God:12but14unto them13that are without,16all these things20are done21in17parables:
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ελεγενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter3αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4υμινG4771u, gij, gijliedenthou5δεδοταιG1325gegeven, geven, gafadventure, bestow, bring forth, commit, deliver (up), give, grant, hinder, make, minister, number, offer, have power, put, receive, set, shew, smite (+ with the hand), strike (+ with the palm of the hand), suffer, take, utter, yield6γνωναιG1097gekend, weten, kentallow, be aware (of), feel, (have) know(-ledge), perceived, be resolved, can speak, be sure, understand7τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8μυστηριονG3466verborgenheid, verborgenheden, Verborgenheidmystery9τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10βασιλειαςG932Koninkrijk, koninkrijk, Koninkrijkskingdom, + reign11τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12θεουG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)13εκεινοιςG1565die, dien, dezenhe, it, the other (same), selfsame, that (same, very), X their, X them, they, this, those14δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)15τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16εξωG1854buiten, weg, uitgedrevenaway, forth, (with-)out (of, -ward), strange17ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)18παραβολαιςG3850gelijkenis, gelijkenissen, afbeeldingcomparison, figure, parable, proverb19ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc20πανταG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever21γινεταιG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought
12Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12OpdatG2443 zij ziendeG991zienG991, enG2532nietG3361bemerkenG1492, enG2532horendeG191horenG191, enG2532nietG3361verstaanG4920; opdat zij zich niet te eniger tijdG3379, bekerenG1994enG2532hunG846 de zondenG265vergevenG863 worden.Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden.
KJVThat1seeing2they may see,3and4not5perceive;and7hearing8they may hear,9and10not11understand;12lest at any time13they should be converted,14and15their sins19should be forgiven16them.
1ιναG2443opdat, dat, wilalbeit, because, to the intent (that), lest, so as, (so) that, (for) to2βλεποντεςG991zien, zie, ziendebehold, beware, lie, look (on, to), perceive, regard, see, sight, take heed3βλεπωσινG991zien, zie, ziendebehold, beware, lie, look (on, to), perceive, regard, see, sight, take heed4καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet5μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without6ιδωσινG3708ziet, gezien, Ziebehold, perceive, see, take heed7καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet8ακουοντεςG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand9ακουωσινG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand10καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet11μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without12συνιωσινG4920verstaan, verstaat, verstondenconsider, understand, be wise13μηποτεG3379tijd, Geenszins, mogelijkif peradventure, lest (at any time, haply), not at all, whether or not14επιστρεψωσινG1994bekeren, bekeerd, keerdecome (go) again, convert, (re-)turn (about, again)15καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet16αφεθηG863vergeven, verlaten, lietcry, forgive, forsake, lay aside, leave, let (alone, be, go, have), omit, put (send) away, remit, suffer, yield up17αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which18ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19αμαρτηματαG265zonden, zondesin
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
13En Hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13EnG2532 Hij zeideG3004 tot henG846: WeetG1492 gij dezeG3778gelijkenisG3850nietG3756, enG2532hoeG4459 zult gij alG3956 de gelijkenissenG3850verstaanG1097?En Hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan?
KJVAnd1he said2unto them,3Know ye5not4thisparable?7and9how then10will ye know14all11parables?
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2λεγειG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter3αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but5οιδατεG1492weet, zag, ziendebe aware, behold, X can (+ not tell), consider, (have) know(-ledge), look (on), perceive, see, be sure, tell, understand, wish, wot6τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7παραβοληνG3850gelijkenis, gelijkenissen, afbeeldingcomparison, figure, parable, proverb8ταυτηνG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who9καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet10πωςG4459hoe?, op welke wijzehow, after (by) what manner (means), that11πασαςG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever12ταςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13παραβολαςG3850gelijkenis, gelijkenissen, afbeeldingcomparison, figure, parable, proverb14γνωσεσθεG1097gekend, weten, kentallow, be aware (of), feel, (have) know(-ledge), perceived, be resolved, can speak, be sure, understand
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14De zaaierG4687 is, die het WoordG3056zaaitG4687.De zaaier is, die het Woord zaait.
KJVThe sower2soweth5the word.
1οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2σπειρωνG4687gezaaid, zaait, bezaaidsow(- er), receive seed3τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4λογονG3056woord, Woord, woordenaccount, cause, communication, X concerning, doctrine, fame, X have to do, intent, matter, mouth, preaching, question, reason, + reckon, remove, say(-ing), shew, X speaker, speech, talk, thing, + none of these things move me, tidings, treatise, utterance, word, work5σπειρειG4687gezaaid, zaait, bezaaidsow(- er), receive seed
15En dezen zijn, die bij den weg bezaaid worden, waarin het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zo komt de satan terstond, en neemt het Woord weg, hetwelk in hun harten gezaaid was.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15En dezenG3778zijnG1510, die bij den weg bezaaid worden, waarin het WoordG3056gezaaidG4687 wordt; en als zij het gehoordG191 hebben, zo komtG2064 de satanG4567terstondG2112, en neemtG142 het WoordG3056 weg, hetwelk inG1722hunG846hartenG2588gezaaidG4687 was.En dezen zijn, die bij den weg bezaaid worden, waarin het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zo komt de satan terstond, en neemt het Woord weg, hetwelk in hun harten gezaaid was.
Ook in dit vers
wegG3598
[bezaaid]G3699
KJVAnd2these1are theyby5the way side,7where8the word11is sown;9but12when13they have heard,14Satan18cometh16immediately,15and19taketh away20the word22that was sown24in25their28hearts.
1ουτοιG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3εισινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was4οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5παραG3844van, bij, naastabove, against, among, at, before, by, contrary to, X friend, from, + give (such things as they), + that (she) had, X his, in, more than, nigh unto, (out) of, past, save, side…by, in the sight of, than, (there-)fore, with6τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7οδονG3598weg, wegen, Wegjourney, (high-)way8οπουG3699waar, waarheenin what place, where(-as, -soever), whither (+ soever)9σπειρεταιG4687gezaaid, zaait, bezaaidsow(- er), receive seed10οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11λογοςG3056woord, Woord, woordenaccount, cause, communication, X concerning, doctrine, fame, X have to do, intent, matter, mouth, preaching, question, reason, + reckon, remove, say(-ing), shew, X speaker, speech, talk, thing, + none of these things move me, tidings, treatise, utterance, word, work12καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet13οτανG3752wanneer, zodraas long (soon) as, that, + till, when(-soever), while14ακουσωσινG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand15ευθεωςG2112terstond, dadelijkanon, as soon as, forthwith, immediately, shortly, straightway16ερχεταιG2064komen, gekomen, kwamaccompany, appear, bring, come, enter, fall out, go, grow, X light, X next, pass, resort, be set17οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc18σαταναςG4567satan, satanas, satansSatan19καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet20αιρειG142weggenomen, namen, neemaway with, bear (up), carry, lift up, loose, make to doubt, put away, remove, take (away, up)21τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc22λογονG3056woord, Woord, woordenaccount, cause, communication, X concerning, doctrine, fame, X have to do, intent, matter, mouth, preaching, question, reason, + reckon, remove, say(-ing), shew, X speaker, speech, talk, thing, + none of these things move me, tidings, treatise, utterance, word, work23τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc24εσπαρμενονG4687gezaaid, zaait, bezaaidsow(- er), receive seed25ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)26ταιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc27καρδιαιςG2588hart, harten, harte(+ broken-)heart(-ed)28αυτωνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
16En dezen zijn desgelijks, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden; welke, als zij het Woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16EnG2532dezenG3778zijnG1510 desgelijks, die opG1909 de steenachtigeG4075 plaatsen bezaaidG4687 worden; welkeG3739, als zij het WoordG3056gehoordG191 hebben, terstondG2112hetzelveG846metG3326vreugdeG5479ontvangenG2983;En dezen zijn desgelijks, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden; welke, als zij het Woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen;
KJVAnd1these2are theylikewise4which are sown9on6stony ground;8who,10when11they have heard12the word,14immediately15receive18it19with16gladness;
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ουτοιG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who3εισινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was4ομοιωςG3668insgelijks, evenzolikewise, so5οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with7ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8πετρωδηG4075steenachtigestony9σπειρομενοιG4687gezaaid, zaait, bezaaidsow(- er), receive seed10οιG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc11οτανG3752wanneer, zodraas long (soon) as, that, + till, when(-soever), while12ακουσωσινG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand13τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14λογονG3056woord, Woord, woordenaccount, cause, communication, X concerning, doctrine, fame, X have to do, intent, matter, mouth, preaching, question, reason, + reckon, remove, say(-ing), shew, X speaker, speech, talk, thing, + none of these things move me, tidings, treatise, utterance, word, work15ευθεωςG2112terstond, dadelijkanon, as soon as, forthwith, immediately, shortly, straightway16μεταG3326met, na, nadatafter(-ward), X that he again, against, among, X and, + follow, hence, hereafter, in, of, (up-)on, + our, X and setting, since, (un-)to, + together, when, with (+ -out)17χαραςG5479blijdschap, vreugdegladness, X greatly, (X be exceeding) joy(-ful, -fully, -fulness, -ous)18λαμβανουσινG2983ontvangen, nam, genomenaccept, + be amazed, assay, attain, bring, X when I call, catch, come on (X unto), + forget, have, hold, obtain, receive (X after), take (away, up)19αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
17En hebben geen wortel in zichzelven, maar zijn voor een tijd; daarna, als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo worden zij terstond geergerd.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17EnG2532hebbenG2192geenG3756wortelG4491inG1722zichzelvenG1438, maarG235 zijn voor een tijdG4340; daarna, als verdrukkingG2347ofG2228vervolgingG1375komtG1096omG1223 des WoordsG3056 wil, zo worden zij terstondG2112geergerdG4624.En hebben geen wortel in zichzelven, maar zijn voor een tijd; daarna, als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo worden zij terstond geergerd.
KJVAnd1have3no2root4in5themselves,6and7so endurebut for a time:8afterward,10when affliction12or13persecution14ariseth11for15the word's sake,17immediately18they are offended.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but3εχουσινG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use4ριζανG4491wortel, Wortel, wortelenroot5ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)6εαυτοιςG1438zichzelven, zich, onszelvenalone, her (own, -self), (he) himself, his (own), itself, one (to) another, our (thine) own(-selves), + that she had, their (own, own selves), (of) them(-selves), they, thyself, you, your (own, own conceits, own selves, -selves)7αλλαG235maar, dochand, but (even), howbeit, indeed, nay, nevertheless, no, notwithstanding, save, therefore, yea, yet8προσκαιροιG4340tijd, tijdelijkdur-(eth) for awhile, endure for a time, for a season, temporal9εισινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was10ειταG1534daarna, vervolgensafter that(-ward), furthermore, then11γενομενηςG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought12θλιψεωςG2347verdrukking, verdrukkingen, Verdrukkingafflicted(-tion), anguish, burdened, persecution, tribulation, trouble13ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea14διωγμουG1375vervolging, vervolgingenpersecution15διαG1223door, om, vanwegeafter, always, among, at, to avoid, because of (that), briefly, by, for (cause) … fore, from, in, by occasion of, of, by reason of, for sake, that, thereby, therefore, X though, through(-out), to, wherefore, with (-in)16τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17λογονG3056woord, Woord, woordenaccount, cause, communication, X concerning, doctrine, fame, X have to do, intent, matter, mouth, preaching, question, reason, + reckon, remove, say(-ing), shew, X speaker, speech, talk, thing, + none of these things move me, tidings, treatise, utterance, word, work18ευθεωςG2112terstond, dadelijkanon, as soon as, forthwith, immediately, shortly, straightway19σκανδαλιζονταιG4624geergerd, ergert, Ergert(make to) offend
18En dezen zijn, die in de doornen bezaaid worden, namelijk degenen, die het Woord horen;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18EnG2532dezenG3778zijnG1510, die inG1519 de doornenG173bezaaidG4687 worden, namelijk degenen, die het WoordG3056horenG191;En dezen zijn, die in de doornen bezaaid worden, namelijk degenen, die het Woord horen;
KJVAnd1these2arethey which aresown8among5thorns;7such as10hear17the word,
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ουτοιG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who3εισινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was4οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with6ταςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7ακανθαςG173doornenthorn8σπειρομενοιG4687gezaaid, zaait, bezaaidsow(- er), receive seed10ουτοιG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who11εισινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was14οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16λογονG3056woord, Woord, woordenaccount, cause, communication, X concerning, doctrine, fame, X have to do, intent, matter, mouth, preaching, question, reason, + reckon, remove, say(-ing), shew, X speaker, speech, talk, thing, + none of these things move me, tidings, treatise, utterance, word, work17ακουοντεςG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand
19En de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19En de zorgvuldighedenG3308 dezer wereldG165, enG2532 de verleidingG539 des rijkdomsG4149enG2532 de begeerlijkhedenG1939omtrentG4012 de andereG3062 dingen, inkomendeG1531, verstikkenG4846 het WoordG3056, enG2532 het wordtG1096onvruchtbaarG175.En de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2αιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc3μεριμναιG3308zorgvuldigheden, bekommernis, zorgcare4τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5αιωνοςG165eeuwigheid, wereld, eeuwage, course, eternal, (for) ever(-more), (n-)ever, (beginning of the , while the) world (began, without end)6τουτουG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who7καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet8ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9απατηG539verleiding, bedriegerijendeceit(-ful, -fulness), deceivableness(-ving)10τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11πλουτουG4149rijkdom, rijkdomsriches12καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet13αιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14περιG4012van, over, aangaande(there-)about, above, against, at, on behalf of, X and his company, which concern, (as) concerning, for, X how it will go with, ((there-, where-)) of, on, over, pertaining (to), for sake, X (e-)state, (as) touching, (where-)by (in), with15ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16λοιπαG3062anderen, andere, overigeother, which remain, remnant, residue, rest17επιθυμιαιG1939begeerlijkheden, begeerlijkheid, begeerteconcupiscence, desire, lust (after)18εισπορευομεναιG1531ingaat, ingaande, inkomencome (enter) in, go into19συμπνιγουσινG4846verstikt, verdrongen, verstikkenchoke, throng20τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc21λογονG3056woord, Woord, woordenaccount, cause, communication, X concerning, doctrine, fame, X have to do, intent, matter, mouth, preaching, question, reason, + reckon, remove, say(-ing), shew, X speaker, speech, talk, thing, + none of these things move me, tidings, treatise, utterance, word, work22καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet23ακαρποςG175onvruchtbaar, onvruchtbare, vruchtelooswithout fruit, unfruitful24γινεταιG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought
20En dezen zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het Woord horen en aannemen, en dragen vruchten, het ene dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20EnG2532dezenG3778zijnG1510, die in de goedeG2570aardeG1093bezaaidG4687 zijn, welke het WoordG3056horenG191enG2532aannemenG3858, enG2532 dragen vruchtenG2592, het eneG1520dertigG5144 voud, enG2532 het andere zestigG1835 voud, enG2532 het andere honderdG1540 voud.En dezen zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het Woord horen en aannemen, en dragen vruchten, het ene dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud.
KJVAnd1these2arethey which are sown10on5good9ground;7such as11hear12the word,14and15receive16it, and17bring forth fruit,18some19thirtyfold,20some21sixty,23and24some22an hundred.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ουτοιG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who3εισινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was4οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with6τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7γηνG1093aarde, land, Egyptelandcountry, earth(-ly), ground, land, world8τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9καληνG2570goede, goed, goedenX better, fair, good(-ly), honest, meet, well, worthy10σπαρεντεςG4687gezaaid, zaait, bezaaidsow(- er), receive seed11οιτινεςG3748wie ook, die, welkeX and (they), (such) as, (they) that, in that they, what(-soever), whereas ye, (they) which, who(-soever)12ακουουσινG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand13τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14λογονG3056woord, Woord, woordenaccount, cause, communication, X concerning, doctrine, fame, X have to do, intent, matter, mouth, preaching, question, reason, + reckon, remove, say(-ing), shew, X speaker, speech, talk, thing, + none of these things move me, tidings, treatise, utterance, word, work15καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet16παραδεχονταιG3858aannemen, aanneemt, nemenreceive17καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet18καρποφορουσινG2592vruchten dragen, brengt, vrucht draagtbe (bear, bring forth) fruit(-ful)19ενG1520een, ene, enena(-n, -ny, certain), + abundantly, man, one (another), only, other, some20τριακονταG5144dertigthirty21καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet22ενG1520een, ene, enena(-n, -ny, certain), + abundantly, man, one (another), only, other, some23εξηκονταG1835zestig, zestig-sixty(-fold), threescore24καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet25ενG1520een, ene, enena(-n, -ny, certain), + abundantly, man, one (another), only, other, some26εκατονG1540honderd, Honderd, honderd-hundred
21En Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de koornmaat of onder het bed gezet worde? Is het niet, opdat zij op den kandelaar gezet worde?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21En Hij zeideG3004 tot henG846: KomtG2064 ook de kaarsG3088, opdatG2443 zij onderG5259 de koornmaatG3426ofG2228onderG5259 het bedG2825 gezet worde? Is het nietG3756, opdatG2443 zij opG1909 den kandelaarG3087 gezet worde?En Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de koornmaat of onder het bed gezet worde? Is het niet, opdat zij op den kandelaar gezet worde?
22Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22WantG1063 er is niets verborgen, dat nietG3361geopenbaardG5319 zal worden; en er is niets geschiedG1096, om verborgen te zijn, maarG235opdatG2443 het in het openbaarG1519 zou komenG2064.Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen.
Ook in dit vers
verborgenG614
verborgenG2927
nietsG3756
nietsG3761
KJVFor2there isnothing1hid,5which6shall9notbe manifested;neither10was any thing kept11secret,12but13that14it should come17abroad.15
1ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but2γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet3εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was4τιG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)5κρυπτονG2927verborgen, verborgene, bedekselenhid(-den), inward(-ly), secret6οG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc7εανG1437indien, zo, warebefore, but, except, (and) if, (if) so, (what-, whither-)soever, though, when (-soever), whether (or), to whom, (who-)so(-ever)8μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without9φανερωθηG5319geopenbaard, openbaar, openbaar maaktappear, manifestly declare, (make) manifest (forth), shew (self)10ουδεG3761ook niet, nochneither (indeed), never, no (more, nor, not), nor (yet), (also, even, then) not (even, so much as), + nothing, so much as11εγενετοG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought12αποκρυφονG614verborgen, heimelijkhid, kept secret13αλλG235maar, dochand, but (even), howbeit, indeed, nay, nevertheless, no, notwithstanding, save, therefore, yea, yet14ιναG2443opdat, dat, wilalbeit, because, to the intent (that), lest, so as, (so) that, (for) to15ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with16φανερονG5318openbaarabroad, + appear, known, manifest, open (+ -ly), outward (+ -ly)17ελθηG2064komen, gekomen, kwamaccompany, appear, bring, come, enter, fall out, go, grow, X light, X next, pass, resort, be set
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23ZoG1487iemandG1536orenG3775heeftG2192 om te horenG191, die horeG191.Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.
KJVIf any manhave3ears4to hear,5let him hear.
1ειG1487indien, zo, offorasmuch as, if, that, (al-)though, whether2τιςG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)3εχειG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use4ωταG3775oren, oorear5ακουεινG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand6ακουετωG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
24En Hij zeide tot hen: Ziet, wat gij hoort. Met wat maat gij meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24EnG2532 Hij zeideG3004 tot henG846: Ziet, wat gij hoortG191. MetG1722 wat maatG3358 gij meetG3354, zal u gemetenG3354 worden, enG2532uG4771, dieG3739hoortG191, zal meer toegelegdG4369 worden.En Hij zeide tot hen: Ziet, wat gij hoort. Met wat maat gij meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden.
KJVAnd1he said2unto them,3Take heed4what5ye hear:6with7what8measure9ye mete,10it shall be measured11to you:and13unto youthat hear17shall more be given.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ελεγενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter3αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4βλεπετεG991zien, zie, ziendebehold, beware, lie, look (on, to), perceive, regard, see, sight, take heed5τιG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why6ακουετεG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand7ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)8ωG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc9μετρωG3358maat, matemeasure10μετρειτεG3354meet, mat, metenfiguratively, to estimate:--measure, mete11μετρηθησεταιG3354meet, mat, metenfiguratively, to estimate:--measure, mete12υμινG4771u, gij, gijliedenthou13καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet14προστεθησεταιG4369toegedaan, toedoen, toegeworpenadd, again, give more, increase, lay unto, proceed further, speak to any more15υμινG4771u, gij, gijliedenthou16τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17ακουουσινG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand
25Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25WantG1063 zo wie heeft, dien zal gegevenG1325 worden; enG2532wieG3739nietG3756heeftG2192, vanG575dienG3739 zal genomenG142 worden, ookG2532 dat hijG846 heeft.Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.
KJVFor2he that1hath,4to him6shall be given:5and7he that8hath10not,9from15him16shall be taken14even11that which12he hath.
1οςG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc2γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet3ανG302drukt voorwaardelijkheid uit; blijft meestal onvertaald(what-, where-, wither-, who-)soever4εχηG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use5δοθησεταιG1325gegeven, geven, gafadventure, bestow, bring forth, commit, deliver (up), give, grant, hinder, make, minister, number, offer, have power, put, receive, set, shew, smite (+ with the hand), strike (+ with the palm of the hand), suffer, take, utter, yield6αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which7καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet8οςG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc9ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but10εχειG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12οG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc13εχειG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use14αρθησεταιG142weggenomen, namen, neemaway with, bear (up), carry, lift up, loose, make to doubt, put away, remove, take (away, up)15απG575van, uit, af(X here-)after, ago, at, because of, before, by (the space of), for(-th), from, in, (out) of, off, (up-)on(-ce), since, with16αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
26En Hij zeide: Alzo is het Koninkrijk Gods, gelijk of een mens het zaad in de aarde wierp;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26EnG2532 Hij zeideG3004: AlzoG3779isG1510 het KoninkrijkG932GodsG2316, gelijkG5613 of een mensG444 het zaadG4703 in de aardeG1093wierpG906;En Hij zeide: Alzo is het Koninkrijk Gods, gelijk of een mens het zaad in de aarde wierp;
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ελεγενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter3ουτωςG3779alzo, aldus, zoafter that, after (in) this manner, as, even (so), for all that, like(-wise), no more, on this fashion(-wise), so (in like manner), thus, what4εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was5ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6βασιλειαG932Koninkrijk, koninkrijk, Koninkrijkskingdom, + reign7τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8θεουG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)9ωςG5613als, gelijk, hoeabout, after (that), (according) as (it had been, it were), as soon (as), even as (like), for, how (greatly), like (as, unto), since, so (that), that, to wit, unto, when(-soever), while, X with all speed10εανG1437indien, zo, warebefore, but, except, (and) if, (if) so, (what-, whither-)soever, though, when (-soever), whether (or), to whom, (who-)so(-ever)11ανθρωποςG444mensen, mens, Menscertain, man12βαληG906geworpen, wierp, werpenarise, cast (out), X dung, lay, lie, pour, put (up), send, strike, throw (down), thrust13τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14σπορονG4703zaad, gezaaiselseed (X sown)15επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with16τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17γηςG1093aarde, land, Egyptelandcountry, earth(-ly), ground, land, world
27En voorts sliep, en opstond, nacht en dag; en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist, hoe.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27En voorts sliepG2518, enG2532opstondG1453, nachtG3571enG2532dagG2250; enG2532 het zaadG4703uitsprootG985enG2532langG3373 werd, dat hij zelfG846nietG3756wistG1492, hoeG5613.En voorts sliep, en opstond, nacht en dag; en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist, hoe.
28Want de aarde brengt van zelve vruchten voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28WantG1063 de aardeG1093brengtG2592 van zelveG844vruchten voortG2592: eerstG4412 het kruidG5528, daarna de aarG4719, daarna het volleG4134korenG4621inG1722 de aarG4719.Want de aarde brengt van zelve vruchten voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.
29En als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst daar is.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29EnG1161 als de vruchtG2590 zich voordoetG3860, terstondG2112zendtG649 hij de sikkelG1407 daarin, omdatG3754 de oogstG2326 daar is.En als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst daar is.
30En Hij zeide: Waarbij zullen wij het Koninkrijk Gods vergelijken, of met wat gelijkenis zullen wij hetzelve vergelijken?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30EnG2532 Hij zeideG3004: WaarbijG5101 zullen wij het KoninkrijkG932GodsG2316 vergelijken, ofG2228metG1722 wat gelijkenisG3850 zullen wij hetzelveG846 vergelijken?En Hij zeide: Waarbij zullen wij het Koninkrijk Gods vergelijken, of met wat gelijkenis zullen wij hetzelve vergelijken?
Ook in dit vers
vergelijkenG3666
vergelijkenG3846
KJVAnd1he said,2Whereunto3shall we liken4the kingdom6of God?8or9with10what11comparison12shall we compare13it?
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ελεγενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter3τινιG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why4ομοιωσωμενG3666vergelijken, vergelekenbe (make) like, (in the) liken(-ess), resemble5τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6βασιλειανG932Koninkrijk, koninkrijk, Koninkrijkskingdom, + reign7τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8θεουG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)9ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea10ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)11ποιαG4169welk?, wat voor een?what (manner of), which12παραβοληG3850gelijkenis, gelijkenissen, afbeeldingcomparison, figure, parable, proverb13παραβαλωμενG3846legden, vergelijkenarrive, compare14αυτηνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
31Namelijk bij een mosterdzaad, hetwelk, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van al de zaden, die op de aarde zijn.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31Namelijk bij een mosterdzaadG2848, hetwelkG3739, wanneer het in de aardeG1093gezaaidG4687 wordt, het minsteG3398 is van alG3956 de zadenG4690, die opG1909 de aardeG1093 zijn.Namelijk bij een mosterdzaad, hetwelk, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van al de zaden, die op de aarde zijn.
KJVIt is like1a grain2of mustard seed,3which,4when5it is sown6in7the earth,9is less10than all11the seeds13that bein16the earth:
1ωςG5613als, gelijk, hoeabout, after (that), (according) as (it had been, it were), as soon (as), even as (like), for, how (greatly), like (as, unto), since, so (that), that, to wit, unto, when(-soever), while, X with all speed2κοκκωG2848mosterdzaad, mostaardzaad, graancorn, grain3σιναπεωςG4615mustard4οςG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc5οτανG3752wanneer, zodraas long (soon) as, that, + till, when(-soever), while6σπαρηG4687gezaaid, zaait, bezaaidsow(- er), receive seed7επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with8τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9γηςG1093aarde, land, Egyptelandcountry, earth(-ly), ground, land, world10μικροτεροςG3398kleinen, klein, minsteleast, less, little, small11παντωνG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever12τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13σπερματωνG4690zaad, zade, zadenissue, seed14εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was15τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with17τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc18γηςG1093aarde, land, Egyptelandcountry, earth(-ly), ground, land, world
32En wanneer het gezaaid is, gaat het op, en wordt het meeste van al de moeskruiden, en maakt grote takken, alzo dat de vogelen des hemels onder zijn schaduw kunnen nestelen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32En wanneer het gezaaidG4687 is, gaat het op, enG2532wordtG1096 het meesteG3187 van alG3956 de moeskruidenG3001, enG2532maaktG4160groteG3173takkenG2798, alzo dat de vogelenG4071 des hemelsG3772onderG5259 zijn schaduwG4639 kunnen nestelenG2681.En wanneer het gezaaid is, gaat het op, en wordt het meeste van al de moeskruiden, en maakt grote takken, alzo dat de vogelen des hemels onder zijn schaduw kunnen nestelen.
KJVBut1when2it is sown,3it groweth up,4and5becometh6greater thanall7herbs,9and11shooteth out12great10branches;13so that15the fowls22of the air24may16lodge25under17the shadow19of it.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2οτανG3752wanneer, zodraas long (soon) as, that, + till, when(-soever), while3σπαρηG4687gezaaid, zaait, bezaaidsow(- er), receive seed4αναβαινειG305klom, opgevaren, gingenarise, ascend (up), climb (go, grow, rise, spring) up, come (up)5καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet6γινεταιG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought7παντωνG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever8τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9λαχανωνG3001moeskruiden, moeskruidherb10μειζωνG3173grote, groot, groten(+ fear) exceedingly, great(-est), high, large, loud, mighty, + (be) sore (afraid), strong, X to years11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12ποιειG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield13κλαδουςG2798takken, takbranch14μεγαλουςG3173grote, groot, groten(+ fear) exceedingly, great(-est), high, large, loud, mighty, + (be) sore (afraid), strong, X to years15ωστεG5620zodat, daarom(insomuch) as, so that (then), (insomuch) that, therefore, to, wherefore16δυνασθαιG1410kan, kunt, konbe able, can (do, + -not), could, may, might, be possible, be of power17υποG5259van, onder, dooramong, by, from, in, of, under, with18τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19σκιανG4639schaduw, schaduweshadow20αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which21ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc22πετειναG4071vogelen, dieren vogelen, gevogeltebird, fowl23τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc24ουρανουG3772hemel, hemelen, hemelsair, heaven(-ly), sky25κατασκηνουνG2681nestelen, nestelden, rustenlodge, rest
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
33En door vele zulke gelijkenissen sprak Hij tot hen het Woord, naardat zij het horen konden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33EnG2532 door veleG4183 zulke gelijkenissenG3850sprakG2980 Hij tot hen het WoordG3056, naardatG2531 zij het horenG191kondenG1410.En door vele zulke gelijkenissen sprak Hij tot hen het Woord, naardat zij het horen konden.
KJVAnd1with many4such2parables3spake he5the word8unto them,6as9they were able10to hear
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2τοιαυταιςG5108zodanige, zodanigen, zodaniglike, such (an one)3παραβολαιςG3850gelijkenis, gelijkenissen, afbeeldingcomparison, figure, parable, proverb4πολλαιςG4183vele, velen, veelabundant, + altogether, common, + far (passed, spent), (+ be of a) great (age, deal, -ly, while), long, many, much, oft(-en (-times)), plenteous, sore, straitly5ελαλειG2980spreken, gesproken, sprakpreach, say, speak (after), talk, tell, utter6αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which7τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8λογονG3056woord, Woord, woordenaccount, cause, communication, X concerning, doctrine, fame, X have to do, intent, matter, mouth, preaching, question, reason, + reckon, remove, say(-ing), shew, X speaker, speech, talk, thing, + none of these things move me, tidings, treatise, utterance, word, work9καθωςG2531gelijk, zoalsaccording to, (according, even) as, how, when10ηδυναντοG1410kan, kunt, konbe able, can (do, + -not), could, may, might, be possible, be of power11ακουεινG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand
34En zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet; maar Hij verklaarde alles Zijn discipelen in het bijzonder.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34En zonder gelijkenisG3850sprakG2980 Hij tot hen nietG3756; maar HijG846verklaardeG1956allesG3956 Zijn discipelenG3101 in het bijzonderG2398.En zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet; maar Hij verklaarde alles Zijn discipelen in het bijzonder.
KJVBut2without1a parable3spake5he not4unto them:6and9when they were alone,8he expounded13all things14to his12disciples.
1χωριςG5565zonder, afgescheiden vanbeside, by itself, without2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3παραβοληςG3850gelijkenis, gelijkenissen, afbeeldingcomparison, figure, parable, proverb4ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but5ελαλειG2980spreken, gesproken, sprakpreach, say, speak (after), talk, tell, utter6αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which7κατG2596naar, tegen, doorabout, according as (to), after, against, (when they were) X alone, among, and, X apart, (even, like) as (concerning, pertaining to touching), X aside, at, before, beyond, by, to the charge of, (charita-)bly, concerning, + covered, (dai-)ly, down, every, (+ far more) exceeding, X more excellent, for, from … to, godly, in(-asmuch, divers, every, -to, respect of), … by, after the manner of, + by any means, beyond (out of) measure, X mightily, more, X natural, of (up-)on (X part), out (of every), over against, (+ your) X own, + particularly, so, through(-oughout, -oughout every), thus, (un-)to(-gether, -ward), X uttermost, where(-by), with8ιδιανG2398eigen, bijzonder, eigenenX his acquaintance, when they were alone, apart, aside, due, his (own, proper, several), home, (her, our, thine, your) own (business), private(-ly), proper, severally, their (own)9δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)10τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11μαθηταιςG3101discipelen, discipel, discipelsdisciple12αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which13επελυενG1956beslecht, verklaardedetermine, expound14πανταG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever
35En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35EnG2532 op denzelfdenG1565dagG2250, als het nu avondG3798 geworden was, zeideG3004 Hij tot hen: Laat ons overvarenG1330aanG1519 de andere zijde.En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde.
KJVAnd1the4same5day,7when the even8was come,9he saith2unto them,3Let us pass over10unto11the other side.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2λεγειG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter3αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)5εκεινηG1565die, dien, dezenhe, it, the other (same), selfsame, that (same, very), X their, X them, they, this, those6τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7ημεραG2250dag, dagen, dageage, + alway, (mid-)day (by day, (-ly)), + for ever, judgment, (day) time, while, years8οψιαςG3798avond, avondstondeven(-ing, (-tide))9γενομενηςG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought10διελθωμενG1330doorgegaan, doorgaande, doorgereisdcome, depart, go (about, abroad, everywhere, over, through, throughout), pass (by, over, through, throughout), pierce through, travel, walk through11ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with12τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13περανG4008overzijdebeyond, farther (other) side, over
36En zij, de schare gelaten hebbende, namen Hem mede, gelijk Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36En zij, de schareG3793gelatenG863 hebbende, namenG3880HemG846medeG3880, gelijkG5613 Hij inG1722 het schipG4143 was; en er waren nog andere scheepjesG4142 met HemG846.En zij, de schare gelaten hebbende, namen Hem mede, gelijk Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem.
KJVAnd1when they had sent away2the multitude,4they took5him6even as7he wasin9the ship.11And14there werealso12with17him18other13little ships.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2αφεντεςG863vergeven, verlaten, lietcry, forgive, forsake, lay aside, leave, let (alone, be, go, have), omit, put (send) away, remit, suffer, yield up3τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4οχλονG3793schare, scharen, volkcompany, multitude, number (of people), people, press5παραλαμβανουσινG3880nam, aangenomen, ontvangenreceive, take (unto, with)6αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which7ωςG5613als, gelijk, hoeabout, after (that), (according) as (it had been, it were), as soon (as), even as (like), for, how (greatly), like (as, unto), since, so (that), that, to wit, unto, when(-soever), while, X with all speed8ηνG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was9ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)10τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11πλοιωG4143schip, schepen, scheepship(-ing)12καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet13αλλαG243ander, andersmore, one (another), (an-, some an-)other(-s, -wise)14δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)15πλοιαριαG4142scheepje, scheepjesboat, little (small) ship16ηνG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was17μετG3326met, na, nadatafter(-ward), X that he again, against, among, X and, + follow, hence, hereafter, in, of, (up-)on, + our, X and setting, since, (un-)to, + together, when, with (+ -out)18αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
37En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzo dat het nu vol werd.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37En er werdG1096 een groteG3173stormG2978 van windG417, en de barenG2949sloegenG1911 over inG1519 het schipG4143, alzo dat het nuG1161volG1072 werd.En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzo dat het nu vol werd.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2γινεταιG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought3λαιλαψG2978storm, draaiwindstorm, tempest4ανεμουG417wind, windenwind5μεγαληG3173grote, groot, groten(+ fear) exceedingly, great(-est), high, large, loud, mighty, + (be) sore (afraid), strong, X to years6ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)8κυματαG2949baren, golvenwave9επεβαλλενG1911sloegen, sloeg, slaanbeat into, cast (up-)on, fall, lay (on), put (unto), stretch forth, think on10ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with11τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12πλοιονG4143schip, schepen, scheepship(-ing)13ωστεG5620zodat, daarom(insomuch) as, so that (then), (insomuch) that, therefore, to, wherefore14αυτοG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which15ηδηG2235alrede, Alredealready, (even) now (already), by this time16γεμιζεσθαιG1072vol, vulde, vuldenfill (be) full
38En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38En Hij wasG1510 in het achterschipG4403, slapendeG2518opG1909 een oorkussenG4344; enG2532 zij wektenG1326HemG846 op, enG2532zeidenG3004 tot HemG846: MeesterG1320, bekommertG3199 het UG4771nietG3756, datG3754 wij vergaanG622?En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan?
KJVAnd1he3wasin4the hinder part of the ship,6asleep10on7a pillow:9and11they awake12him,13and14say15unto him,16Master,17carest19thounot18that21we perish?
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ηνG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was3αυτοςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with5τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6πρυμνηG4403achterschiphinder part, stern7επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with8τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9προσκεφαλαιονG4344oorkussenpillow10καθευδωνG2518slaapt, slapende, slapen(be a-)sleep11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12διεγειρουσινG1326opgewekt, opwekke, wektenarise, awake, raise, stir up13αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which14καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet15λεγουσινG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter16αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which17διδασκαλεG1320Meester, leraars, meesterdoctor, master, teacher18ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but19μελειG3199Zorgt, bekommeren, bekommert(take) care20σοιG4771u, gij, gijliedenthou21οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why22απολλυμεθαG622verloren, verliezen, verdervendestroy, die, lose, mar, perish
39En Hij opgewekt zijnde, bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39EnG2532 Hij opgewektG1326 zijnde, bestrafteG2008 den windG417, enG2532zeideG2036 tot de zeeG2281: ZwijgG4623, wees stilG5392! EnG2532 de windG417 ging liggenG2869, enG2532 er werdG1096groteG3173stilteG1055.En Hij opgewekt zijnde, bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte.
KJVAnd1he arose,2and rebuked3the wind,5and6saidunto the sea,9Peace,10be still.11And12the wind15ceased,13and16there was17a great19calm.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2διεγερθειςG1326opgewekt, opwekke, wektenarise, awake, raise, stir up3επετιμησενG2008bestrafte, bestraften, gebood(straitly) charge, rebuke4τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5ανεμωG417wind, windenwind6καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet7ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter8τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9θαλασσηG2281zeesea10σιωπαG4623zwijgen, zweeg stil, Zwijgdumb, (hold) peace11πεφιμωσοG5392Zwijg stil, muilbanden, mond gestoptmuzzle12καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet13εκοπασενG2869stilde, liggencease14οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15ανεμοςG417wind, windenwind16καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet17εγενετοG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought18γαληνηG1055stiltecalm19μεγαληG3173grote, groot, groten(+ fear) exceedingly, great(-est), high, large, loud, mighty, + (be) sore (afraid), strong, X to years
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
40En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40EnG2532 Hij zeideG2036 tot hen: WatG5101zijtG1510 gij zoG3779vreesachtigG1169? Hoe hebtG2192 gij geenG3756geloofG4102?En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof?
KJVAnd1he saidunto them,3Why4are yeso7fearful?5how is it8that ye have10no9faith?
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter3αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4τιG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why5δειλοιG1169vreesachtig, vreesachtigenfearful6εστεG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was7ουτωςG3779alzo, aldus, zoafter that, after (in) this manner, as, even (so), for all that, like(-wise), no more, on this fashion(-wise), so (in like manner), thus, what8πωςG4459hoe?, op welke wijzehow, after (by) what manner (means), that9ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but10εχετεG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use11πιστινG4102geloof, geloofs, geloveassurance, belief, believe, faith, fidelity
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
41En zij vreesden met grote vreze, en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41En zij vreesdenG5399 met groteG3173vrezeG5401, enG2532zeidenG3004totG4314elkanderG240: WieG5101isG1510 toch DezeG3778, dat ookG2532 de windG417enG2532 de zeeG2281HemG846gehoorzaamG5219 zijn?En zij vreesden met grote vreze, en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?
KJVAnd1they feared2exceedingly,3and5said6one8to7another,What9manner of manisthis,11that13even14the wind16and17the sea19obey20him?
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2εφοβηθησανG5399bevreesd, vreest, vreesdenbe (+ sore) afraid, fear (exceedingly), reverence3φοβονG5401vreze, vrees, schrikbe afraid, + exceedingly, fear, terror4μεγανG3173grote, groot, groten(+ fear) exceedingly, great(-est), high, large, loud, mighty, + (be) sore (afraid), strong, X to years5καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet6ελεγονG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter7προςG4314tot, bij, aanabout, according to , against, among, at, because of, before, between, (where-)by, for, X at thy house, in, for intent, nigh unto, of, which pertain to, that, to (the end that), X together, to (you) -ward, unto, with(-in)8αλληλουςG240elkander, ander, onderlingeeach other, mutual, one another, (the other), (them-, your-)selves, (selves) together (sometimes with G3326 (μετά) or G4314 (πρός))9τιςG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why10αραG687of somstherefore11ουτοςG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who12εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was13οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why14καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet15οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16ανεμοςG417wind, windenwind17καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet18ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19θαλασσαG2281zeesea20υπακουουσινG5219gehoorzaam, gehoorzaamt, gehoorzamenhearken, be obedient to, obey21αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Markus 4:1— En Hij begon wederom te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, alzo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee.Markus 2:13→Lukas 5:1→Lukas 8:4→Mattheüs 13:1→Markus 3:7→
Markus 4:2— En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zeide in Zijn lering tot hen:Markus 3:23→Mattheüs 13:34→Markus 4:11→Mattheüs 13:10→Mattheüs 13:3→Markus 4:33→Psalmen 49:4→Johannes 7:16→
Markus 4:3— Hoort toe: ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.1 Korinthe 3:6→Lukas 8:5→Johannes 4:35→Markus 4:26→Mattheüs 13:26→Deuteronomium 4:1→Spreuken 8:32→Psalmen 45:10→
Markus 4:4— En het geschiedde in het zaaien, dat het ene deel zaads viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen, en aten het op.Mattheüs 13:19→Genesis 15:11→Mattheüs 13:4→Lukas 8:12→Lukas 8:5→Markus 4:15→
Markus 4:5— En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.Amos 6:12→Ezechiël 36:26→Lukas 8:13→Hosea 10:12→Ezechiël 11:19→Lukas 8:6→Mattheüs 13:20→Mattheüs 13:5→
Markus 4:6— Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord.Jakobus 1:11→Jona 4:8→Psalmen 1:3→Jeremia 17:5→Jesaja 25:4→2 Thessalonicenzen 2:10→Hooglied 1:6→Kolossenzen 2:7→
Markus 4:7— En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht.Jeremia 4:3→Genesis 3:17→Lukas 12:15→1 Timotheüs 6:9→Markus 4:18→Lukas 8:14→1 Johannes 2:15→Mattheüs 13:7→
Markus 4:8— En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies; en het ene droeg dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud.Johannes 15:5→Kolossenzen 1:6→Genesis 26:12→Markus 4:20→Jeremia 23:29→Handelingen 17:11→1 Petrus 2:1→Mattheüs 13:8→
Markus 4:9— En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.Mattheüs 11:15→Markus 4:23→Mattheüs 13:9→Openbaring 3:6→Openbaring 3:13→Mattheüs 15:10→Markus 7:14→Lukas 8:18→
Markus 4:10— En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis.Mattheüs 13:10→Markus 4:34→Lukas 8:9→Mattheüs 13:36→Spreuken 13:20→Markus 7:17→
Markus 4:11— En Hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maar dengenen, die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen;1 Timotheüs 3:7→Mattheüs 11:25→Kolossenzen 4:5→1 Thessalonicenzen 4:12→1 Korinthe 5:12→Jakobus 1:16→Efeze 1:9→1 Johannes 5:20→
Markus 4:12— Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden.Jesaja 6:9→Jeremia 5:21→Jesaja 44:18→Deuteronomium 29:4→Mattheüs 13:14→2 Timotheüs 2:25→Lukas 8:10→Hebreeën 6:6→
Markus 4:13— En Hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan?Openbaring 3:19→Mattheüs 16:8→1 Korinthe 3:1→Markus 7:17→Mattheüs 13:51→Lukas 8:11→Lukas 24:25→Mattheüs 15:15→
Markus 4:14— De zaaier is, die het Woord zaait.Mattheüs 13:37→Markus 2:2→Lukas 1:2→Jesaja 32:20→Handelingen 8:4→Mattheüs 13:19→Markus 4:3→Kolossenzen 1:5→
Markus 4:15— En dezen zijn, die bij den weg bezaaid worden, waarin het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zo komt de satan terstond, en neemt het Woord weg, hetwelk in hun harten gezaaid was.Openbaring 20:10→Openbaring 20:2→1 Petrus 5:8→Openbaring 20:7→Job 1:6→Openbaring 12:9→Genesis 19:14→Handelingen 5:3→
Markus 4:16— En dezen zijn desgelijks, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden; welke, als zij het Woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen;Markus 6:20→Lukas 8:13→Johannes 5:35→Mattheüs 13:20→Ezechiël 33:31→Handelingen 8:13→Markus 10:17→Handelingen 8:18→
Markus 4:17— En hebben geen wortel in zichzelven, maar zijn voor een tijd; daarna, als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo worden zij terstond geergerd.1 Thessalonicenzen 3:3→Mattheüs 11:6→Mattheüs 12:31→2 Timotheüs 1:15→Johannes 15:2→Markus 4:5→Lukas 12:10→Mattheüs 24:9→
Markus 4:18— En dezen zijn, die in de doornen bezaaid worden, namelijk degenen, die het Woord horen;Mattheüs 13:22→Jeremia 4:3→Lukas 8:14→Markus 4:7→
Markus 4:19— En de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.1 Timotheüs 6:17→1 Timotheüs 6:9→1 Johannes 2:15→1 Petrus 4:2→2 Timotheüs 4:10→Prediker 4:8→Mattheüs 19:23→Lukas 21:34→
Markus 4:20— En dezen zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het Woord horen en aannemen, en dragen vruchten, het ene dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud.Markus 4:8→Romeinen 7:4→Johannes 15:4→Genesis 26:12→Filippenzen 1:11→Mattheüs 13:23→Kolossenzen 1:10→Lukas 8:15→
Markus 4:21— En Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de koornmaat of onder het bed gezet worde? Is het niet, opdat zij op den kandelaar gezet worde?Mattheüs 5:15→Lukas 11:33→Lukas 8:16→1 Korinthe 12:7→Efeze 5:3→Jesaja 60:1→Filippenzen 2:15→
Markus 4:22— Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen.Lukas 8:17→Handelingen 4:20→Handelingen 20:27→Prediker 12:14→Psalmen 40:9→1 Korinthe 4:5→Mattheüs 10:26→Psalmen 78:2→
Markus 4:23— Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.Markus 4:9→Mattheüs 11:15→Openbaring 2:11→Openbaring 2:7→Openbaring 2:29→Openbaring 2:17→
Markus 4:24— En Hij zeide tot hen: Ziet, wat gij hoort. Met wat maat gij meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden.Mattheüs 7:2→2 Petrus 2:1→Lukas 8:18→Lukas 6:37→2 Korinthe 9:6→Handelingen 17:11→Johannes 10:16→1 Johannes 4:1→
Markus 4:25— Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.Mattheüs 13:12→Lukas 8:18→Mattheüs 25:28→Lukas 16:9→Lukas 19:24→Johannes 15:2→
Markus 4:26— En Hij zeide: Alzo is het Koninkrijk Gods, gelijk of een mens het zaad in de aarde wierp;Mattheüs 13:24→Prediker 11:6→1 Petrus 1:23→Johannes 4:36→Mattheüs 13:33→Spreuken 11:18→Jakobus 3:18→Mattheüs 13:3→
Markus 4:27— En voorts sliep, en opstond, nacht en dag; en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist, hoe.Prediker 11:5→Johannes 3:7→Prediker 8:17→1 Korinthe 15:37→2 Petrus 3:18→2 Thessalonicenzen 1:3→
Markus 4:28— Want de aarde brengt van zelve vruchten voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.Markus 4:31→Filippenzen 1:6→Filippenzen 1:9→Jesaja 61:11→Genesis 4:11→Spreuken 4:18→1 Thessalonicenzen 3:12→Psalmen 92:13→
Markus 4:29— En als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst daar is.Joël 3:13→Job 5:26→Jesaja 57:1→Mattheüs 13:30→2 Timotheüs 4:7→Openbaring 14:13→Mattheüs 13:40→
Markus 4:30— En Hij zeide: Waarbij zullen wij het Koninkrijk Gods vergelijken, of met wat gelijkenis zullen wij hetzelve vergelijken?Klaagliederen 2:13→Lukas 13:18→Mattheüs 11:16→Mattheüs 13:24→Mattheüs 13:31→
Markus 4:31— Namelijk bij een mosterdzaad, hetwelk, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van al de zaden, die op de aarde zijn.Micha 4:1→Jesaja 53:2→Jesaja 9:7→Daniël 2:44→Zacharia 8:20→Genesis 22:17→Jesaja 60:22→Maleachi 1:11→
Markus 4:32— En wanneer het gezaaid is, gaat het op, en wordt het meeste van al de moeskruiden, en maakt grote takken, alzo dat de vogelen des hemels onder zijn schaduw kunnen nestelen.Ezechiël 31:3→Jesaja 32:2→Jesaja 11:9→Psalmen 91:1→Daniël 4:10→Spreuken 4:18→Hooglied 2:3→Klaagliederen 4:20→
Markus 4:33— En door vele zulke gelijkenissen sprak Hij tot hen het Woord, naardat zij het horen konden.Johannes 16:12→1 Korinthe 3:1→Mattheüs 13:34→Hebreeën 5:11→
Markus 4:34— En zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet; maar Hij verklaarde alles Zijn discipelen in het bijzonder.Johannes 16:25→Markus 4:10→Lukas 24:27→Mattheüs 13:36→Mattheüs 15:15→Markus 7:17→Lukas 8:9→Lukas 24:44→
Markus 4:35— En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde.Mattheüs 8:18→Lukas 8:22→Mattheüs 8:23→Johannes 6:1→Markus 8:13→Markus 5:21→Johannes 6:17→Markus 6:45→
Markus 4:36— En zij, de schare gelaten hebbende, namen Hem mede, gelijk Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem.Markus 3:9→Markus 4:1→Markus 5:2→Markus 5:21→
Markus 4:37— En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzo dat het nu vol werd.Job 1:19→Mattheüs 8:23→2 Korinthe 11:25→Lukas 8:22→Job 1:12→Psalmen 107:23→Handelingen 27:14→Handelingen 27:41→
Markus 4:38— En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan?1 Petrus 5:7→Hebreeën 4:15→Psalmen 77:7→1 Koningen 18:27→Jesaja 64:12→Jesaja 54:6→Jesaja 63:15→Psalmen 44:23→
Markus 4:39— En Hij opgewekt zijnde, bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte.Psalmen 107:29→Psalmen 29:10→Psalmen 89:9→Psalmen 65:7→Job 38:11→Spreuken 8:29→Psalmen 93:3→Nahum 1:4→
Markus 4:40— En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof?Jesaja 43:2→Mattheüs 16:8→Mattheüs 14:31→Lukas 8:25→Johannes 6:19→Mattheüs 8:26→Mattheüs 6:30→Jesaja 42:3→
Markus 4:41— En zij vreesden met grote vreze, en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?Lukas 8:25→1 Samuël 12:24→Psalmen 89:7→Mattheüs 14:32→Mattheüs 8:27→1 Samuël 12:18→Job 38:11→Maleachi 2:5→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Markus 4 vers 1— En Hij begon wederom te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, alzo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee.
de zee;
Dat is, het meer van Galilea of Gennesareth, waaraan Kapernaüm lag, aan hetwelk Christus dikwijls ging, omdat daar gemeenlijk veel volks was en daarom geschiktheid om te leren; Matt. 13:1 ; Marc. 2:13 .
Hertaald:de zee;
Dat is: het meer van Galilea of Gennesareth, waaraan Kapernaüm lag. Christus ging daar vaak heen omdat er gewoonlijk veel volk was en het dus een geschikte plaats was om te onderwijzen; Matth. 13:1; Mark. 2:13.
Markus 4 vers 2— En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zeide in Zijn lering tot hen:
in Zijn lering tot hen
Dat is, in het leren, of als Hij leerde.
Hertaald:in Zijn lering tot hen
Dat is: in het onderwijzen, of terwijl Hij onderwees.
Markus 4 vers 5— En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.
niet veel aarde had;
Want weinig aarde wordt spoedig van de zon verwarmd en van den regen bevochtigd. Doch als de hitte blijft duren, zo wordt zij ook haastig uitgedroogd.
Hertaald:niet veel aarde had;
Want weinig aarde wordt snel door de zon verwarmd en door de regen bevochtigd. Maar als de hitte aanhoudt, droogt zij ook snel uit.
Markus 4 vers 6— Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord.
geen wortel had,
Dat is, geen genoegzamen of vasten wortel.
Hertaald:geen wortel had,
Dat is: geen voldoende of vaste wortel.
Markus 4 vers 8— En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies; en het ene droeg dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud.
het andere viel in de goede aarde,
Namelijk graan, of deel des zaads.
Hertaald:het andere viel in de goede aarde,
Namelijk graan, of een deel van het zaad.
en het andere
Grieks, het ene.
Hertaald:en het andere
Grieks: het ene.
het andere honderd- voud.
Grieks, het ene.
Hertaald:het andere honderd- voud.
Grieks: het ene.
Markus 4 vers 9— En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.
Wie oren heeft om te horen,
Zie de verklaring Matt. 13:9 .
Hertaald:Wie oren heeft om te horen,
Zie de verklaring in Matth. 13:9.
Markus 4 vers 10— En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis.
die omtrent Hem waren,
Gelijk daar waren degenen, uit dewelken hij zijne zeventig discipelen genomen heeft.
Hertaald:die omtrent Hem waren,
Zoals zij uit wie Hij Zijn zeventig discipelen genomen heeft.
Markus 4 vers 11— En Hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maar dengenen, die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen;
te verstaan
Namelijk klaarlijk en duidelijk.
Hertaald:te verstaan
Namelijk helder en duidelijk.
die buiten zijn,
Namelijk die buiten het getal van mijne schapen zijn, of die geen rechte leden der gemeente zijn;; Joh. 10:26 ; Rom. 9:6-8 .
Hertaald:die buiten zijn,
Namelijk zij die buiten het getal van Mijn schapen zijn, of die geen echte leden van de gemeente zijn; Joh. 10:26; Rom. 9:6-8.
Markus 4 vers 12— Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden.
Opdat zij ziende zien,
Met deze woorden, genomen uit Jes. 6:9 , wordt verklaard het oordeel Gods over degenen, die het Evangelie ongehoorzaam zijn. Zie Matt. 13:14 , en 2 Thess. 2:11-12 .
Hertaald:Opdat zij ziende zien,
Met deze woorden, ontleend aan Jes. 6:9, wordt het oordeel van God verklaard over hen die het Evangelie ongehoorzaam zijn. Zie Matth. 13:14 en 2 Thess. 2:11-12.
Markus 4 vers 14— De zaaier is, die het Woord zaait.
het Woord zaait
Dat is die de leer des Evangelies predikt.
Hertaald:het Woord zaait
Dat is: hij die de leer van het Evangelie predikt.
Markus 4 vers 15— En dezen zijn, die bij den weg bezaaid worden, waarin het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zo komt de satan terstond, en neemt het Woord weg, hetwelk in hun harten gezaaid was.
zijn, die bij den weg bezaaid worden,
Dat is, door dezen, die bij den weg bezaaid zijn, worden betekend degenen, enz.
Hertaald:zijn, die bij den weg bezaaid worden,
Dat is: met hen die bij de weg bezaaid zijn worden diegenen bedoeld, enzovoort.
waarin het Woord gezaaid wordt;
Grieks alwaar; dat is, in welken. Zie voorts de verklaring van deze gehele gelijkenis in de aantekeningen Matt. 13:18 , enz.
Hertaald:waarin het Woord gezaaid wordt;
Grieks: waar; dat is: in wie. Zie verder de verklaring van deze hele gelijkenis in de aantekeningen bij Matth. 13:18, enzovoort.
Markus 4 vers 17— En hebben geen wortel in zichzelven, maar zijn voor een tijd; daarna, als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo worden zij terstond geergerd.
terstond geërgerd
Dat is, zij stoten zich daaraan, dat zij met de belijders des Evangelies aan vervolging onderworpen zijn en vallen daarna af.
Hertaald:terstond geërgerd
Dat is: zij nemen er aanstoot aan dat zij met de belijders van het Evangelie aan vervolging onderworpen zijn, en vallen daarna af.
Markus 4 vers 19— En de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.
wereld,
Grieks, eeuw; dat is, van dingen, die tot dit leven behoren.
Hertaald:wereld,
Grieks: eeuw; dat is: van de dingen die bij dit leven horen.
de andere dingen,
Namelijk als van eer, wellusten, wraak en dergelijke.
Hertaald:de andere dingen,
Namelijk zoals eer, genot, wraak en dergelijke.
Markus 4 vers 21— En Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de koornmaat of onder het bed gezet worde? Is het niet, opdat zij op den kandelaar gezet worde?
Komt ook de kaars,
Dat is, wordt ook ene kaars ontstoken en gebracht.
Hertaald:Komt ook de kaars,
Dat is: wordt er ook een kaars aangestoken en gebracht.
bed gezet worde?
Of, bedstede.
Hertaald:bed gezet worde?
Of: bedstede.
Markus 4 vers 22— Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen.
niets verborgen,
Namelijk door Christus zijne discipelen geleerd om verborgen te blijven, maar opdat zij tot zijnen tijd hetzelve voor allen openlijk zouden leren.
Hertaald:niets verborgen,
Namelijk dat Christus Zijn discipelen leerde om verborgen te blijven; maar juist opdat zij het te Zijner tijd voor allen openlijk zouden onderwijzen.
Markus 4 vers 23— Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.
hore
Dat is, die merke daarop.
Hertaald:hore
Dat is: hij moet daarop letten.
Markus 4 vers 24— En Hij zeide tot hen: Ziet, wat gij hoort. Met wat maat gij meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden.
maat gij meet,
Dat is, naardat gij uwe gaven van kennis anderen getrouw zult mededelen, zal de Heere u die ook vermeerderen. Zie Matt. 25:21 , Matt. 25:29 .
Hertaald:maat gij meet,
Dat is: naarmate u uw gaven van kennis trouw aan anderen zult meedelen, zal de Heere die ook in u vermeerderen. Zie Matth. 25:21, Matth. 25:29.
Markus 4 vers 26— En Hij zeide: Alzo is het Koninkrijk Gods, gelijk of een mens het zaad in de aarde wierp;
Koninkrijk Gods,
Dat is, de voortgang van de predikatie des Evangelies. Zie Matt. 21:43 .
Hertaald:Koninkrijk Gods,
Dat is: de voortgang van de prediking van het Evangelie. Zie Matth. 21:43.
Markus 4 vers 27— En voorts sliep, en opstond, nacht en dag; en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist, hoe.
sliep,
Dat is, daarna gerust op en neder ging, gelijk Ps. 3:6 .
Hertaald:sliep,
Dat is: daarna gerust op en neer ging, zoals Ps. 3:6.
lang werd,
Dat is, groot of hoog opgeschoten.
Hertaald:lang werd,
Dat is: groot of hoog opgeschoten.
Markus 4 vers 28— Want de aarde brengt van zelve vruchten voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.
van zelve vruchten voort
Dat is, brengt door haar ingeschapen kracht en natuur vrucht voort van hetgeen daarin gezaaid is; Gen. 1:11 . Met deze gelijkenis leert Christus dat het goddelijke woord, gepredikt zijnde, zijn wasdom krijgt in de harten der mensen, niet eigenlijk door des leraars arbeid en zorg, maar door de verborgen werking des Geestes Gods, welke uit het voortkomen van de vruchten allengskens daar bespeurd wordt, 1 Kor. 3:7 .
Hertaald:van zelve vruchten voort
Dat is: zij brengt door haar ingeschapen kracht en natuur vrucht voort van wat erin gezaaid is; Gen. 1:11. Met deze gelijkenis leert Christus dat het goddelijke Woord, wanneer het gepredikt is, zijn groei krijgt in de harten van de mensen — niet eigenlijk door de arbeid en zorg van de leraar, maar door de verborgen werking van de Geest van God, die daar geleidelijk aan de vruchten bespeurd wordt; 1 Kor. 3:7.
Markus 4 vers 29— En als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst daar is.
daar is
Grieks, daar staat.
Hertaald:daar is
Grieks: daar staat.
Markus 4 vers 31— Namelijk bij een mosterdzaad, hetwelk, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van al de zaden, die op de aarde zijn.
bij een mosterdzaad,
Wat deze gelijkenis beduidt, zie Matt. 13:31 .
Hertaald:bij een mosterdzaad,
Zie wat deze gelijkenis betekent bij Matth. 13:31.
het minste is van al de zaden,
Grieks, het mindere.
Hertaald:het minste is van al de zaden,
Grieks: het mindere.
Markus 4 vers 32— En wanneer het gezaaid is, gaat het op, en wordt het meeste van al de moeskruiden, en maakt grote takken, alzo dat de vogelen des hemels onder zijn schaduw kunnen nestelen.
het meeste van al de moeskruiden,
Grieks, het meerdere, of grotere.
Hertaald:het meeste van al de moeskruiden,
Grieks: het meerdere, of grotere.
Markus 4 vers 33— En door vele zulke gelijkenissen sprak Hij tot hen het Woord, naardat zij het horen konden.
het Woord,
Namelijk des Evangelies.
Hertaald:het Woord,
Namelijk van het Evangelie.
naardat zij het horen konden
Dat is, naardat zij deze algemene aardse dingen verstonden, hoewel zij het geestelijke, dat daarmede afgebeeld wordt, niet begrepen.
Hertaald:naardat zij het horen konden
Dat is: naarmate zij deze algemene aardse dingen begrepen, hoewel zij het geestelijke dat daarmee afgebeeld wordt niet vatten.
Markus 4 vers 35— En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde.
aan de andere zijde
Namelijk van de Galilese zee, tegenover Kapernaüm, naar het land der Gadarenen, gelijk blijkt uit Marc. 5:1 .
Hertaald:aan de andere zijde
Namelijk van de zee van Galilea, tegenover Kapernaüm, naar het land van de Gadarenen, zoals blijkt uit Mark. 5:1.
Markus 4 vers 38— En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan?
Meester,
Grieks, leraar.
Hertaald:Meester,
Grieks: leraar.
bekommert het U niet,
Of, gaat het u niet aan?
Hertaald:bekommert het U niet,
Of: gaat het U niet aan?
Markus 4 vers 40— En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof?
geen geloof?
Dat is, geen vast vertrouwen. Want zij waren niet geheel zonder geloof, maar kleingelovigen; Matt. 8:26 ; Luc. 8:25 .
Hertaald:geen geloof?
Dat is: geen vast vertrouwen. Want zij waren niet geheel zonder geloof, maar kleingelovig; Matth. 8:26; Luk. 8:25.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
De zaaier en de vier soorten grond — De gelijkenis waarmee Christus verklaart waarom hetzelfde Woord zo verschillend uitwerkt (Mark. 4:3-20)
Het zaad valt op vier soorten grond: bij de weg, op het steenachtige, in de doornen en in de goede aarde (Mark. 4:4-8). Christus legt de gelijkenis daarna Zelf uit, en dat maakt haar tot de sleutel van de andere gelijkenissen. De zaaier is die het Woord zaait (Mark. 4:14). Bij de weg wordt het weggenomen zodra het gehoord is (Mark. 4:15). Op het steenachtige wordt het meteen met vreugde ontvangen, maar er is geen wortel, en bij verdrukking of vervolging om des Woords wil valt het weg (Mark. 4:16-17). In de doornen komen de zorgvuldigheden van deze wereld, de verleiding van de rijkdom en de begeerten naar andere dingen, en die verstikken het Woord (Mark. 4:18-19). In de goede aarde wordt het gehoord en aangenomen, en het draagt vrucht: dertig-, zestig- en honderdvoud (Mark. 4:20).
Bijbelse betekenis: De gelijkenis verklaart een ervaring die iedere prediker en iedere hoorder kent: dezelfde boodschap, en zo verschillende uitkomst. Drie dingen zijn van belang. Het eerste is dat het zaad overal hetzelfde is; het verschil ligt niet in het Woord maar in de grond. Het tweede is de tweede grond, want die is de meest verontrustende: daar is vreugde, en toch geen wortel. Blijdschap bij het horen is dus op zichzelf nog geen bewijs. Het derde is dat de vrucht in verschillende maten komt. Dertigvoud is niet minder echt dan honderdvoud; de gelijkenis onderscheidt tussen wél en geen vrucht, niet tussen veel en weinig.
Typologie: Jesaja moest prediken tot een volk dat horende niet zou verstaan (Jes. 6:9-10), en Christus haalt juist dat woord aan bij deze gelijkenis (Mark. 4:12). Jakobus wijst op wat de goede aarde kenmerkt: wees daders des Woords en niet alleen hoorders, waarmee gij uzelven bedriegt (Jak. 1:22).
Mark. 4:3-20; Jes. 6:9-10; Mark. 4:12; Jak. 1:22
Wie is toch Deze (de storm gestild) — De discipelen worden van de storm verlost en schrikken daarna erger dan tevoren (Mark. 4:39-41)
Er komt een grote stormwind, en de baren slaan zo over in het schip dat het volloopt (Mark. 4:37). Christus slaapt in het achterschip op een oorkussen, en zij wekken Hem met een verwijt: "Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan?" (Mark. 4:38). Hij staat op, bestraft de wind en zegt tot de zee: "Zwijg, wees stil!" (Mark. 4:39). Er komt grote stilte. Dan volgt de vraag aan hen: waarom zijn zij zo vreesachtig, hoe hebben zij geen geloof (Mark. 4:40)? En het slot vertelt hun reactie: "zij vreesden met grote vreze, en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?" (Mark. 4:41).
Bijbelse betekenis: De opbouw is de betekenis. Zij zijn bang voor de storm; als de storm weg is, zijn zij banger dan daarvoor. Die tweede vrees is van een andere soort: het is de schrik van wie merkt met Wie hij in het schip zit. Twee dingen horen erbij. Het eerste is hun verwijt. Zij vragen niet om hulp maar of het Hem niets kan schelen, en dat verwijt wordt niet weggepoetst; de Schrift laat het staan zoals het gezegd is. Het tweede is Zijn vraag naar hun geloof, die komt ná de redding en niet ervoor. De vraag die zij zelf stellen, blijft in dit hoofdstuk onbeantwoord, en het Evangelie beantwoordt haar in het vervolg.
Typologie: In de Psalmen doet God precies wat hier gebeurt: Hij doet de storm stilstaan, zodat hun golven zwijgen, en Hij voert hen tot de haven van hun begeerte (Ps. 107:29-30). Dat een mens dit doet, verklaart de schrik van de discipelen. En de vraag wie Hij toch is, krijgt haar antwoord bij de belijdenis van Petrus (Mark. 8:29, reeds behandeld).
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De Engel des HEERENniveau 1Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
Wie is toch Deze? — 4:35-41
Het is avond geworden na een dag van onderwijzen bij de zee. Hij zegt: laat ons overvaren naar de andere zijde. Zij nemen Hem mee zoals Hij was, en er waren nog andere scheepjes bij Hem.
Op het meer wordt de vraag gesteld waarop het hele evangelie van Markus antwoord geeft — en de discipelen stellen haar zelf.
De storm komt met woorden die de nood laten voelen: er werd een grote storm van wind, en de golven sloegen over in het schip, alzo dat het nu vol werd.
En dan het beeld dat blijft hangen: “En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen.” Van alle bijzonderheden die Markus had kunnen noemen, noemt hij dat kussen.
Hun verwijt is dat van mannen die aan het einde zijn: “Meester, bekommert het U niet dat wij vergaan?” Zij vragen niet om hulp maar om aandacht.
Wat Hij doet, doet Hij met woorden. Hij bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil. Dat zijn dezelfde twee woorden waarmee Hij elders een onreine geest tot zwijgen brengt. De zee wordt aangesproken als iets dat gehoorzamen moet.
En dan: de wind ging liggen, en er werd grote stilte. Niet een afnemende storm maar stilte, ineens.
Zijn vraag daarna is even scherp als hun verwijt: wat zijt gij zo vreesachtig? “Hoe hebt gij geen geloof?”
En dan komt het merkwaardigste van het hele stuk. Zij vreesden met grote vreze — niet tijdens de storm maar erna. En zij zeggen tegen elkaar: wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?
Die vraag is niet retorisch, en het antwoord staat in de Psalmen. Daar is het de HEERE Die de stormwind doet stilstaan en de golven doet zwijgen: Hij verandert den storm in stilte, zo dat hun golven stilzwijgen. Wie op het meer met twee woorden doet wat daar van God gezegd wordt, kan niet enkel een leraar zijn.
Het antwoord op hun vraag komt in Markus pas veel later, en dan uit de mond van een heidense hoofdman bij het kruis: waarlijk, deze Mens was Gods Zoon.
Psalm 107:29 — Hij verandert den storm in stilte, zodat hun golven stilzwijgen.
Markus 4:38 — Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen.
Markus 4:39 — Hij zegt tot de zee: Zwijg, wees stil.
Markus 4:40 — Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof?
Markus 4:41 — Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?
Markus 15:39 — Het antwoord komt van een heidense hoofdman: deze Mens was Gods Zoon.
In het Nieuwe Testament: Psalm 107:23-30; Psalm 89:10; Markus 15:39; Jona 1:4-16
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Markus 4:1.KruisverwijzingenMarkus 2:13→Lukas 5:1→Lukas 8:4→Mattheüs 13:1→Markus 3:7→ — En Hij begon wederom te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, alzo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee. “En Hij begon wederom te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, alzo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee.”
U kunt zich dat toneel gemakkelijk voorstellen. De Meester zit neer in het schip, met een kleine ademruimte water tussen Hemzelf en de schare. En dan de menigte op de oplopende oever, de een boven de ander, allen starend naar de Leraar Die neerzat en hen onderwees.
Moet u hier in het gedrang stáán? Bedenk dan dat in die dagen de hoorders allen stonden en alleen de prediker zat; dat verzoent u misschien met uw plaats.
Markus 4:2-3.KruisverwijzingenMarkus 3:23→Mattheüs 13:34→Markus 4:11→Mattheüs 13:10→Mattheüs 13:3→1 Korinthe 3:6→Lukas 8:5→Johannes 4:35→ — En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zeide in Zijn lering tot hen: Hoort toe: ziet, een zaaier ging uit om te zaaien. “En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zeide in Zijn lering tot hen: Hoort toe: ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.”
Hij ging niet uit om zichzelf te vertonen, of om de mensen te laten zien hoe behendig hij was in de kunst van het zaaien. Hij ging uit om te zááien.
En zo behoort elke ware prediker uit te gaan met dit ene doel: het goede zaad van het Koninkrijk breeduit te strooien. Hij moet proberen het toegang te verschaffen tot de harten van zijn hoorders.
Markus 4:4.KruisverwijzingenMattheüs 13:19→Genesis 15:11→Mattheüs 13:4→Lukas 8:12→Lukas 8:5→Markus 4:15→ — En het geschiedde in het zaaien, dat het ene deel zaads viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen, en aten het op. “En het geschiedde in het zaaien, dat het ene deel zaads viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen, en aten het op.”
Daar kon hij niets aan doen. Het was niet zijn schuld, maar de schuld van de weg en van de vogels.
Zo is het ook wanneer het Woord van God de toegang tot het hart van de mensen geweigerd wordt. De prediker zal door zijn Meester niet gelaakt worden, als hij het maar getrouw gepredikt heeft. De schuld ligt tussen het harde hart dat het zaad niet binnen wil laten, en de duivel die kwam en het wegnam.
Markus 4:5.KruisverwijzingenAmos 6:12→Ezechiël 36:26→Lukas 8:13→Hosea 10:12→Ezechiël 11:19→Lukas 8:6→Mattheüs 13:20→Mattheüs 13:5→ — En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had. “En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.”
Mensen met een oppervlakkig karakter zijn dikwijls heel snel in het ontvangen van godsdienstige indrukken. Maar zij verliezen ze even snel weer. Wie haastig en opvliegend zijn, laten zich even gemakkelijk de verkeerde kant op keren als de goede.
Markus 4:6-8.KruisverwijzingenJohannes 15:5→Jeremia 4:3→Jakobus 1:11→Genesis 3:17→Kolossenzen 1:6→Genesis 26:12→Markus 4:20→Jona 4:8→ — Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord. En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht. En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies; en het ene droeg dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud. “Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord. En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht. En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies; en het ene droeg dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud.”
God zij daarvoor gedankt! Er waren drie mislukkingen, maar er was één succes. Of misschien mogen wij juister zeggen: drie successen.
Er waren drie soorten grond die niets opleverden. Maar ten slotte kwam de zaaier bij een stuk bodem dat goed toebereid was en daarom goede aarde was, en dat vrucht droeg. Al wisselde de hoeveelheid ook daar: het een dertig, en het een zestig, en het een honderd.
Markus 4:9.KruisverwijzingenMattheüs 11:15→Markus 4:23→Mattheüs 13:9→Openbaring 3:6→Openbaring 3:13→Mattheüs 15:10→Markus 7:14→Lukas 8:18→ — En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore. “En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.”
Sommige mensen hebben oren, maar zij hebben geen oren om te horen. Zij hebben oren, maar zij sluiten die voor wat zij horen moesten. Is iemand werkelijk bereid naar de waarheid te luisteren, dan helpe God hem luisteren met heel zijn hart, en geestelijk.
Markus 4:10-12.KruisverwijzingenJesaja 6:9→Jeremia 5:21→Jesaja 44:18→Deuteronomium 29:4→Mattheüs 13:14→1 Timotheüs 3:7→Mattheüs 11:25→2 Timotheüs 2:25→ — En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis. En Hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maar dengenen, die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen; Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden. “En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis. En Hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maar dengenen, die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen; Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden.”
Deze verblinding was als een oordeel over de Joden gekomen. Zij hadden hun ogen zo lang voor het licht gesloten dat God ze ten slotte sloot, en zij verblind waren.
Zij hadden geweigerd acht te geven op zoveel boodschappen die de grote God hun gezonden had. Ten slotte werd dit vonnis over hen uitgesproken als straf voor hun zonde: dat zij in hun zonden zouden sterven. Zelfs de prediking van het Woord door de mond van de Heere Jezus Zelf zou hun niet baten.
Dat is een van de vreselijkste oordelen die iemand ooit kunnen treffen. Het gebeurt wanneer God zelfs een vloek legt op iemands zegeningen, en wanneer het evangelie een “reuk des doods ten dode” wordt, terwijl het een “reuk des levens ten leven” moest zijn.
Markus 4:13.KruisverwijzingenOpenbaring 3:19→Mattheüs 16:8→1 Korinthe 3:1→Markus 7:17→Mattheüs 13:51→Lukas 8:11→Lukas 24:25→Mattheüs 15:15→ — En Hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan? “En Hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan?”
Het is alsof Hij zegt: dit is een van de eenvoudigste gelijkenissen van alle. Verstaat u deze gelijkenis niet, wat zult u dan wel verstaan?
Markus 4:14-15.KruisverwijzingenMattheüs 13:37→Markus 2:2→Openbaring 20:10→Openbaring 20:2→1 Petrus 5:8→Openbaring 20:7→Lukas 1:2→Jesaja 32:20→ — De zaaier is, die het Woord zaait. En dezen zijn, die bij den weg bezaaid worden, waarin het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zo komt de satan terstond, en neemt het Woord weg, hetwelk in hun harten gezaaid was. “De zaaier is, die het Woord zaait. En dezen zijn, die bij den weg bezaaid worden, waarin het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zo komt de satan terstond, en neemt het Woord weg, hetwelk in hun harten gezaaid was.”
Er is altijd een vogel waar een zaadje op de weg ligt, en er is altijd een duivel waar een preek gehoord maar niet in het hart opgenomen wordt.
“Zo komt de satan terstond”, staat er. Hij is heel voortvarend. Wij mogen uitstellen, maar de duivel doet dat nooit.
Markus 4:16-17.KruisverwijzingenMarkus 6:20→1 Thessalonicenzen 3:3→Mattheüs 11:6→Mattheüs 12:31→Lukas 8:13→Johannes 5:35→Mattheüs 13:20→Ezechiël 33:31→ — En dezen zijn desgelijks, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden; welke, als zij het Woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen; En hebben geen wortel in zichzelven, maar zijn voor een tijd; daarna, als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo worden zij terstond geergerd. “En dezen zijn desgelijks, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden; welke, als zij het Woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen; En hebben geen wortel in zichzelven, maar zijn voor een tijd; daarna, als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo worden zij terstond geergerd.”
Dit zijn de mensen die het hart van ernstige dienaren verontrusten en bedroeven. Er zijn opwekkingspredikers die nooit ergens komen zonder dat er heel wat mensen naar voren komen om te zeggen dat zij bekeerd zijn.
Ik ken een stad waar volgens de berichten van sommige predikers elke avond zoveel belijdende bekeerlingen waren, dat alle inwoners van die stad bekeerd moesten zijn. En nog een flink aantal uit de omliggende dorpen erbij. Maar niemand kan hen nu terugvinden. Wáren zij bekeerd? Ik geloof het niet.
Toch zit er ook in zulk werk iets goeds. De zaaier in de gelijkenis wordt niet gelaakt omdat zijn werk zo vluchtig bleek; hoe kon hij dat voorkomen? Omdat de bodem zo ondiep was, kwam de schijnbare uitkomst heel snel, en de teleurstelling kwam even snel.
Ik vertrouw, lieve vrienden, dat u nooit tevreden zult zijn met een tijdelijke godsvrucht, met lichte indrukken die snel ontvangen en snel weer verloren zijn. Er moet een openbreken komen van de ijzeren korst van het hart, en een uitrukken van de rotsen die onder de bodem liggen. Anders komt er geen oogst voor God.
Markus 4:18-19.Kruisverwijzingen1 Timotheüs 6:17→1 Timotheüs 6:9→1 Johannes 2:15→1 Petrus 4:2→2 Timotheüs 4:10→Mattheüs 13:22→Jeremia 4:3→Lukas 8:14→ — En dezen zijn, die in de doornen bezaaid worden, namelijk degenen, die het Woord horen; En de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar. “En dezen zijn, die in de doornen bezaaid worden, namelijk degenen, die het Woord horen; En de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.”
Het zaad kan in zo’n bodem niet groeien. De ene mens heeft het te druk, de ander gaat geheel op in het vermaak; sommigen zijn te trots op zichzelf, of zelfs op de kleren die hen bedekken. Hoe kan er plaats voor Christus in de herberg zijn wanneer die vol andere gasten zit?
Markus 4:20.KruisverwijzingenMarkus 4:8→Romeinen 7:4→Johannes 15:4→Genesis 26:12→Filippenzen 1:11→Mattheüs 13:23→Kolossenzen 1:10→Lukas 8:15→ — En dezen zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het Woord horen en aannemen, en dragen vruchten, het ene dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud. “En dezen zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het Woord horen en aannemen, en dragen vruchten, het ene dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud.”
Alle bekeerlingen zijn niet even goed. Ik vrees dat er in onze gemeenten een groot aantal dertigvoudige mensen is. Wij zijn blij dat wij hen hebben, maar het zijn geen blinkende christenen.
Och, dat wij zestigvoudige bekeerlingen kregen, mensen die geschikt zijn om leiders in de gemeente van God te zijn! En komen wij aan honderdvoudig toe, dan verheugen wij ons pas werkelijk.
Dit honderdvoudige zaad draagt in zich het vermogen tot een bijna onbegrensde vermenigvuldiging. Bij de eerste zaaiing krijgen wij een honderdvoudige opbrengst; maar wat komt er van de volgende, en de volgende, en de volgende? God zende ons dit slag koren, en moge het rijkelijk zijn!
Markus 4:21.KruisverwijzingenMattheüs 5:15→Lukas 11:33→Lukas 8:16→1 Korinthe 12:7→Efeze 5:3→Jesaja 60:1→Filippenzen 2:15→ — En Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de koornmaat of onder het bed gezet worde? Is het niet, opdat zij op den kandelaar gezet worde? “En Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de koornmaat of onder het bed gezet worde? Is het niet, opdat zij op den kandelaar gezet worde?”
Dit koren is dus bedoeld om gezaaid te worden; het Woord van God is bedoeld om verbreid te worden. Wordt een kaars gebracht om onder een korenmaat of onder een bed gezet te worden?
Werd zij onder een bed gezet, dan zou zij het bed in brand steken. En zo is er, als u ware genade in uw hart hebt, niets dat haar licht smoren kan. Het vuur en het licht samen zullen zich een weg naar buiten banen.
Markus 4:22-23.KruisverwijzingenLukas 8:17→Handelingen 4:20→Markus 4:9→Mattheüs 11:15→Handelingen 20:27→Prediker 12:14→Psalmen 40:9→1 Korinthe 4:5→ — Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen. Zo iemand oren heeft om te horen, die hore. “Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen. Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.”
Vertel dan uit wat God u verteld heeft, en laat iedereen van u de waarheid horen zoals u die zelf gehoord hebt. Zie eens wat een samengestelde rente er ligt in deze gezegende handel voor Christus.
Markus 4:24-25.KruisverwijzingenMattheüs 7:2→Mattheüs 13:12→2 Petrus 2:1→Lukas 8:18→Lukas 6:37→2 Korinthe 9:6→Handelingen 17:11→Johannes 10:16→ — En Hij zeide tot hen: Ziet, wat gij hoort. Met wat maat gij meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden. Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft. “En Hij zeide tot hen: Ziet, wat gij hoort. Met wat maat gij meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden. Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.”
Wordt het evangelie niet aangenomen, weigert iemand het, dan wordt het voor hem een werkelijk verlies. Er is een manier waarop het zo werkt dat wat iemand meende te hebben verdwijnt. Sommigen zijn slechter geworden door de prediking van dat Woord dat hen beter had moeten maken. Moge het met niemand van ons zo gaan!
Markus 4:35-36.KruisverwijzingenMattheüs 8:18→Lukas 8:22→Markus 3:9→Markus 4:1→Mattheüs 8:23→Johannes 6:1→Markus 5:2→Markus 8:13→ — En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde. En zij, de schare gelaten hebbende, namen Hem mede, gelijk Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem. “En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde. En zij, de schare gelaten hebbende, namen Hem mede, gelijk Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem.”
Zij lieten de schare weten dat Christus hun die dag geen onderwijs meer geven zou en dat zij beter naar huis konden gaan. Er zijn predikers met grote gaven van verstrooiing; die hebben niet veel tijd nodig om een gemeente uiteen te doen gaan. Maar ik verwacht dat de discipelen van Christus het geen lichte taak vonden de scharen weg te zenden die naar de wonderlijke woorden van hun Meester geluisterd hadden.
Christus was die avond de opperbevelhebber van het meer van Galilea, en Hij had een heel vlootje schepen om Zijn vlaggenschip heen.
Markus 4:37.KruisverwijzingenJob 1:19→Mattheüs 8:23→2 Korinthe 11:25→Lukas 8:22→Job 1:12→Psalmen 107:23→Handelingen 27:14→Handelingen 27:41→ — En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzo dat het nu vol werd. “En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzo dat het nu vol werd.”
Het meer is onderhevig aan heel plotselinge en hevige stormen. Het ligt in een diepe holte. Uit de omringende kloven en dalen komt de lucht met een geweldige vaart naar beneden, zoals men die zelfs op een echte zee zelden ondervindt.
Mij is verteld dat op sommige meren de wind soms uit drie of vier hoeken tegelijk komt, waarbij de boot in haar geheel uit het water getild wordt. Soms lijkt het wel of het water zelf omhooggeheven wordt, met de boot en alles wat erin is.
Zij zullen de boot ongetwijfeld uit alle macht leeggehoosd hebben en hun best gedaan hebben om te voorkomen dat zij zonk. En toch liep het schip vol. Maar waar was hun Heere en Meester, en wat deed Hij terwijl de storm woedde?
Markus 4:38.Kruisverwijzingen1 Petrus 5:7→Hebreeën 4:15→Psalmen 77:7→1 Koningen 18:27→Jesaja 64:12→Jesaja 54:6→Jesaja 63:15→Psalmen 44:23→ — En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan? “En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan?”
Hij was volkomen thuis op de wilde golven, als iemand die gewiegd wordt in de wieg van de diepte. Want wind en golven waren niet meer dan de knechten van Zijn Vader, die Zijn bevelen gehoorzaamden.
Hij lag in het achterschip te slapen op een oorkussen, ongetwijfeld vermoeid en versleten van de arbeid van die dag. Wij denken niet altijd genoeg aan de vermoeidheid van het menselijk lichaam van Christus.
Er was niet alleen de inspanning van het prediken. Zijn prediking was zo vol verheven gedachten, en de uitdrukkingen die Hij gebruikte waren zo zwanger van betekenis. Het moet Hem veel gekost hebben zo uit het hart te preken, met een innige zielsangst en met Zijn verstand voortdurend in de weer.
Bedenk dat Hij waarlijk mens was zowel als de Zoon van God. Wat Hij deed was van zo’n hoge orde dat niemand van ons het bereiken kan, en het moet Hem uitgeput hebben. Daarom had Hij slaap nodig om Zich te verkwikken. En daar nam Hij die wijselijk, en diende Hij God door vast te slapen en Zich zo voor te bereiden op de arbeid van de volgende dag.
Markus 4:39.KruisverwijzingenPsalmen 107:29→Psalmen 29:10→Psalmen 89:9→Psalmen 65:7→Job 38:11→Spreuken 8:29→Psalmen 93:3→Nahum 1:4→ — En Hij opgewekt zijnde, bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte. “En Hij opgewekt zijnde, bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte.”
De wind was onstuimig en luidruchtig, en Hij gebood die de wil van zijn Meester te gehoorzamen. Kunt u zich niet bijna verbeelden dat u die gebiedende stem hoort, gericht tot de razende, brullende, oproerige winden en golven?
Niet alleen werd de wind tot rust gebracht en de zee in slaap gesust, maar een diepe, dode, geheimzinnige stilte veranderde het meer in een gesmolten spiegel.
Wanneer Christus wind en golven stilt, is het een grote stilte. Hebt u ooit een grote stilte gevoeld? Het is veel meer dan gewone gemoedsrust. Het is voor uw hart alsof er geen mogelijkheid tot vrees meer bestaat. Uw moeiten zijn zo volkomen weg dat u zich ze nauwelijks herinneren kunt. Er is niemand dan de HEERE Zelf Die zo spreken kan dat er een grote stilte komt.
Markus 4:40-41.KruisverwijzingenJesaja 43:2→Mattheüs 16:8→Mattheüs 14:31→Lukas 8:25→1 Samuël 12:24→Psalmen 89:7→Mattheüs 14:32→Johannes 6:19→ — En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof? En zij vreesden met grote vreze, en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn? “En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof? En zij vreesden met grote vreze, en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?”
Toen Hij de winden en de golven tot bedaren gebracht had, moest Hij nog tot een ander wispelturig gezelschap spreken, wispelturiger dan wind of golven.
Zij gingen van de ene vrees over in de andere. Maar deze keer was het de vrees van het ontzag: een gewijde huivering over wat er gebeuren kon met een schip dat zo’n geheimzinnige Persoon aan boord had.
Waarschijnlijk was er in hun gemoed geen vrees voor de dood. Maar het scheen hun een ontzagwekkende zaak in de tegenwoordigheid te leven van Iemand Die zo’n macht had over de razende elementen. Gezegende God en mens, wij aanbidden U!
III. Vs. 1-34.KruisverwijzingenJohannes 15:5→Markus 2:13→Jeremia 4:3→Lukas 5:1→Markus 3:23→Mattheüs 13:34→Markus 4:11→Mattheüs 13:19→ — En Hij begon wederom te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, alzo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee. En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zeide in Zijn lering tot hen: Hoort toe: ziet, een zaaier ging uit om te zaaien. En het geschiedde in het zaaien, dat het ene deel zaads viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen, en aten het op. En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had. Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord. En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht. En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies; en het ene droeg dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud. En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore. En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis. De Evangelist gaat verder in chronologische samenhang te verhalen hoe Jezus weer aan de zee het volk geleerd heeft. Als Hij het doet van het schip, waar zich de discipelen in Zijn onmiddellijke nabijheid bevinden, terwijl het volk op de oever staat, is al uiterlijk een onderscheid teweeg gebracht tussen degenen die binnen en degenen die buiten zijn. Als Hij het volk alleen door gelijkenissen het geheim van het Godsrijk verkondigt, maar de discipelen ook het verstand voor deze gelijkenissen opent, hen tevens hun roeping voor de wereld en de toekomstige, hogere gaven voor die roeping aanwijzend, maakt Hij ook inwendig scheiding tussen degenen die zich buiten en degenen die zich binnen het rijk van God bevinden. Hij karakteriseert nu hen die Hij in de vorige afdeling Zijn familie of betrekkingen noemde als Zijn gemeente of kerk.
KruisverwijzingenMarkus 2:13→Lukas 5:1→Lukas 8:4→Mattheüs 13:1→Markus 3:7→— En Hij begon wederom te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, alzo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee.
En Hij begon op de namiddag van die dag, op welke het in Hoofdst. 3: 20 vv. vertelde, was voorgevallen, weer te leren rondom de zee bij Bethsaida. En er vergaderde, zodra Zijn tegenwoordigheid daar bekend was geworden, een grote menigte bij Hem, zodat Hij, in het schip gegaan zijnde dat de discipelen voor dergelijke gevallen gereed hielden (Hoofdstuk 3: 9), was op de zee; en de gehele menigte was op het land aan de zee.
KruisverwijzingenMarkus 3:23→Mattheüs 13:34→Markus 4:11→Mattheüs 13:10→Mattheüs 13:3→Markus 4:33→Psalmen 49:4→Johannes 7:16→— En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zeide in Zijn lering tot hen:
En Hij leerde hen veel dingen door gelijkenissen. En Hij zei in Zijn lering, de hoofdinhoud in één gelijkenis samenvattende, tot hen:
Door deze, voor Markus eigenaardige uitdrukking (vgl. Hoofdstuk 12: 38) wordt gezegd dat het volgende slechts een stuk is uit de voordracht van Jezus dat bij wijze van voorbeeld wordt aangehaald. Dit wordt vervolgens met een “Hoort toe” ingeleid, een oproep die bijzonder tot opmerkzaamheid dringt, alsof een al vooraf besproken zaak nu ten slotte haar uitdrukking zal vinden. Wij zullen ons niet vergissen wanneer wij de opzettelijke mededeling dat Jezus, afgezonderd van de dicht op elkaar gedrongen menigte, Zijn standpunt heeft gehad en van daar tot deze bonte massa dezelfde rede uit Zijn mond gekomen is, voor een opzettelijke illustratie tot de volgende parabel houden en aannemen dat een juiste beschouwing omtrent Zijn ogenblikkelijke verhouding tot de menigte Jezus deze rede in de mond gelegd heeft, zodat Hij daarin het wezen van Zijn verkondiging, zoals Hij die op dat ogenblik volbrengt, heeft willen voorstellen. In parabolische d. i. in indirecte vorm drukt Hij Zijn gedachten uit: want “parabel”, de vergelijking van twee zaken, is in het Nieuwe Testament een kunstige uitdrukking voor zo’n voorstelling van de waarheid waarbij het gezegde, omdat het de hoorder evengoed als de spreker bekend is en daarvan in zijn eerste betekenis geen doel van de mededeling kan zijn, vanzelf ertoe dringt het op een ander gebied over te brengen, om de eigenlijke mening van de spreker te vatten. Deze wil namelijk wat op algemeen bekend gebied voorkomt ook op iets anders, dat hij in de gedachte heeft, toepassen en zo vormt hij een gelijkstelling, een parabel.
Kruisverwijzingen1 Korinthe 3:6→Lukas 8:5→Johannes 4:35→Markus 4:26→Mattheüs 13:26→Deuteronomium 4:1→Spreuken 8:32→Psalmen 45:10→— Hoort toe: ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.
Hoor toe: zie, een zaaier ging uit om te zaaien.
KruisverwijzingenMattheüs 13:19→Genesis 15:11→Mattheüs 13:4→Lukas 8:12→Lukas 8:5→Markus 4:15→— En het geschiedde in het zaaien, dat het ene deel zaads viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen, en aten het op.
En het gebeurde tijdens het zaaien, dat het ene deel van het zaad bij de weg viel die langs de akker liep; en de vogels van de hemel kwamen en aten het op, of het werd vertrapt.
KruisverwijzingenAmos 6:12→Ezechiël 36:26→Lukas 8:13→Hosea 10:12→Ezechiël 11:19→Lukas 8:6→Mattheüs 13:20→Mattheüs 13:5→— En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.
En het andere viel op het steenachtige, op rotsachtige grond, waar het niet veel aarde had boven de harde ondergrond; en het ging meteen op, omdat het geen diepte van aarde had, maar gemakkelijk voor de dag kon komen.
KruisverwijzingenJakobus 1:11→Jona 4:8→Psalmen 1:3→Jeremia 17:5→Jesaja 25:4→2 Thessalonicenzen 2:10→Hooglied 1:6→Kolossenzen 2:7→— Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord.
Maar toen de zon opgegaan was is het verbrand geworden en omdat het geen wortel had is het verdord.
KruisverwijzingenJeremia 4:3→Genesis 3:17→Lukas 12:15→1 Timotheüs 6:9→Markus 4:18→Lukas 8:14→1 Johannes 2:15→Mattheüs 13:7→— En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht.
En het andere viel in de doornen, op land dat zaden van doornen in zich had en de doornen bloeiden op en verstikten het en het gaf geen vrucht.
KruisverwijzingenJohannes 15:5→Kolossenzen 1:6→Genesis 26:12→Markus 4:20→Jeremia 23:29→Handelingen 17:11→1 Petrus 2:1→Mattheüs 13:8→— En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies; en het ene droeg dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud.
En het andere viel in de goede aarde en gaf vrucht, die opging en bloeide; en het ene droeg dertig en het andere zestig en het andere honderdmaal 13: 9″); elke zaadkorrel gaf zoveel keren opbrengst.
De reeks van gelijkenissen over het koninkrijk der hemelen begint met het woord en met de geschiedenis van geloof en ongeloof daarin; hoe de mens het aanneemt en verwerpt, hoe hij het in lief en leed vast houdt of laat varen. Evenals hetzelfde zaad een geheel andere geschiedenis bevat en iets geheel anders wordt, naardat het of op de weg valt, of op de dode, met weinig aarde bedekte steen, of onder de doornen geworpen, of in goed land uitgezaaid wordt, zo is ook de geschiedenis en werking van het woord Gods geheel verschillend naar de verschillende toestand van het menselijk hart, zoals die onder deze beelden wordt voorgesteld.
KruisverwijzingenMattheüs 11:15→Markus 4:23→Mattheüs 13:9→Openbaring 3:6→Openbaring 3:13→Mattheüs 15:10→Markus 7:14→Lukas 8:18→— En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.
En Hij zei tot hen, nadat Hij die gelijkenis geeindigd had: Wie oren heeft om te horen, die horen. Daardoor wekte de Heere tot nadenken over de gelijkenis, terwijl Hij om het gewicht daarvan door een Hoort toe (vs. 3) hen gedrongen had om Hem met ingespannen opmerkzaamheid aan te horen.
KruisverwijzingenMattheüs 13:10→Markus 4:34→Lukas 8:9→Mattheüs 13:36→Spreuken 13:20→Markus 7:17→— En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis.
En toen Hij daarna het volk had laten heengaan en nu alleen was, vroegen degenen, die om Hem heen waren, die tot Zijn vertrouwde discipelen, behalve de eigenlijke apostelen, behoorden, met de twaalf naar de gelijkenis, wat de eigenlijke bedoeling daarvan was (Luk. 8: 9).
Kruisverwijzingen1 Timotheüs 3:7→Mattheüs 11:25→Kolossenzen 4:5→1 Thessalonicenzen 4:12→1 Korinthe 5:12→Jakobus 1:16→Efeze 1:9→1 Johannes 5:20→— En Hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maar dengenen, die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen;
En Hij zei tot hen: a) Het is u gegeven de verborgenheid van het koninkrijk Gods te verstaan; b) maar degenen die buiten zijn, gebeuren al deze dingen die hen van dit geheim moeten worden meegedeeld door gelijkenissen, onder de verberging van de parabolische leervorm.
Matth. 11: 25. 2 Kor. 2: 14. b) 2 Kor. 3: 14.
KruisverwijzingenJesaja 6:9→Jeremia 5:21→Jesaja 44:18→Deuteronomium 29:4→Mattheüs 13:14→2 Timotheüs 2:25→Lukas 8:10→Hebreeën 6:6→— Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden.
a)Opdat zij, gelijk in Jes. 6: 9 vv. te voren verkondigd is, ziende zien en niet bemerken en horende horen en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd bekeren voordat het in Jes. 6:10 aangekondigde gericht ten einde toe is volvoerd en hun de zonden vergeven worden (MATTHEUS. 13: 10-15).
Joh. 12: 40. Hand. 28: 26. Rom. 11: 8.
In Hoofdst. 3: 9 vv. heeft de Evangelist slechts indirect aangeduid in hoeverre het met de grote, naar wonderen begerige menigte nu al zo ver was gekomen dat de Heere hen als “die buiten zijn” moest noemen. Terwijl Hij vervolgens in Hoofdst. 3: 21 vv. de Zijnen in parallel plaatst tegenover de openbare tegenstanders en lasteraars, breidt Hij de kring van deze daar buiten staanden zo ver uit dat die eigenlijk het gehele Israël omvat, dat naar zijn grootste getal ongelovig bleef en met zijn geestelijke leidslieden gemeenschappelijke zaak maakte, zodat het rijk Gods van de Joden moest worden weggenomen en aan de heidenen gegeven werd. De moeder en broeders van Jezus zijn hier een afbeeldsel van degenen die Jezus toebehoorden naar het vlees (Rom. 9: 3) en van welke Hij zich los had moeten verklaren. Het scheepje op de zee is een afbeeldsel van de kerk, die met het kleine overschot van de geredden uit Israël zich tot de heidenen gekeerd heeft, waarbij het buiten beschouwing blijft dat de moeder en broeders later toch ook tot dit kleine overblijfsel behoorden. (Hand. 1: 13 v. ). Het is duidelijk dat de toenmalige toestand tot zo’n manier van beschouwing aanleiding gaf. Het “opdat” in vs. 12 is op te nemen als middendoel, niet als einddoel; men heeft hier een goddelijke straf op het oog, die de bestemming heeft om op te voeden.
KruisverwijzingenOpenbaring 3:19→Mattheüs 16:8→1 Korinthe 3:1→Markus 7:17→Mattheüs 13:51→Lukas 8:11→Lukas 24:25→Mattheüs 15:15→— En Hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan?
En Hij zei tot hen, als antwoord op hun vraag om verklaring van de zin van de gelijkenis over het ene zaad en de verschillenden grond: Weet gij deze gelijkenis niet? en hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan, die Ik verder gezegd heb (MATTHEUS. 13: 24-30. Mark. 4: 26-29) en die Ik in het vervolg nog zal uitspreken? U is het echter gegeven de verborgenheden van het koninkrijk Gods te weten, hoe zou Ik u dan de gewenste verklaring willen onthouden?
Het antwoord, dat in de samenhang ligt en door Jezus feitelijk meteen op deze vraag gegeven werd, is: “Ik zal u haar verklaren. ” Dit komt geheel overeen met de inhoud van vs. 11 v. , want hen is het gegeven de verborgenheid van het Godsrijk te weten, niet zodat zij die zonder verklaring al vanzelf zouden verstaan, maar zodat het hen verklaard moet worden, terwijl dat aan de anderen niet ten dele wordt. De vraag bevat dus niet een berisping van de discipelen, zoals men veelal heeft aangenomen en zo de zin voor geheel ongepast heeft uitgegeven, maar zij brengt hen hun behoefte tot bewustzijn, erkent de noodzakelijkheid van de bevrediging en belooft die voor dit evenals voor alle gevallen, die komen zullen (vs. 34). De gelijkenis nu waarover in de eerste plaats gehandeld wordt, is de grondsteen voor alle volgende. Verstaan zij deze niet, zo zullen zij in het algemeen er geen verstaan, maar met de verklaring van deze is hen ook de sleutel tot het verstaan van de anderen gegeven.
KruisverwijzingenMattheüs 13:37→Markus 2:2→Lukas 1:2→Jesaja 32:20→Handelingen 8:4→Mattheüs 13:19→Markus 4:3→Kolossenzen 1:5→— De zaaier is, die het Woord zaait.
De zaaier die in vs. 3 bedoeld is, is die het woord zaait; er is dus een prediker van het Evangelie bedoeld en wel in de eerste plaats de grootste en voornaamste onder hen, Christus, de Heere.
KruisverwijzingenOpenbaring 20:10→Openbaring 20:2→1 Petrus 5:8→Openbaring 20:7→Job 1:6→Openbaring 12:9→Genesis 19:14→Handelingen 5:3→— En dezen zijn, die bij den weg bezaaid worden, waarin het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zo komt de satan terstond, en neemt het Woord weg, hetwelk in hun harten gezaaid was.
En deze zijn die bij de weg gezaaid worden; deze moeten verstaan worden onder het zaad dat op de weg viel, al degenen 13: 23″) waarin het woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben komt de satan meteen en neemt het woord weg dat in hun harten gezaaid was.
KruisverwijzingenMarkus 6:20→Lukas 8:13→Johannes 5:35→Mattheüs 13:20→Ezechiël 33:31→Handelingen 8:13→Markus 10:17→Handelingen 8:18→— En dezen zijn desgelijks, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden; welke, als zij het Woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen;
En wat het zaad in vs. 5 aangaat, deze zijn gelijk die op de steenachtige plaatsen gezaaid worden: die als zij het woord gehoord hebben het meteen met vreugde ontvangen;
Kruisverwijzingen1 Thessalonicenzen 3:3→Mattheüs 11:6→Mattheüs 12:31→2 Timotheüs 1:15→Johannes 15:2→Markus 4:5→Lukas 12:10→Mattheüs 24:9→— En hebben geen wortel in zichzelven, maar zijn voor een tijd; daarna, als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo worden zij terstond geergerd.
En hebben geen wortel in zichzelf, maar zijn voor een tijd; daarna als verdrukking of vervolging komt omwille van het woord, zo worden zij meteen geergerd.
KruisverwijzingenMattheüs 13:22→Jeremia 4:3→Lukas 8:14→Markus 4:7→— En dezen zijn, die in de doornen bezaaid worden, namelijk degenen, die het Woord horen;
En deze zijn (vs. 7) die in de doornen gezaaid worden: namelijk degenen, die het woord horen;
Kruisverwijzingen1 Timotheüs 6:17→1 Timotheüs 6:9→1 Johannes 2:15→1 Petrus 4:2→2 Timotheüs 4:10→Prediker 4:8→Mattheüs 19:23→Lukas 21:34→— En de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.
a) En de zorgvuldigheden van deze wereld en de verleiding van de rijkdom en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, zoals zinnelijke lusten, ijdelheid, eergierigheid, enz. , komen en verstikken het woord en hetwordt onvruchtbaar.
KruisverwijzingenMarkus 4:8→Romeinen 7:4→Johannes 15:4→Genesis 26:12→Filippenzen 1:11→Mattheüs 13:23→Kolossenzen 1:10→Lukas 8:15→— En dezen zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het Woord horen en aannemen, en dragen vruchten, het ene dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud.
En deze zijn (vs. 8) die in de goede aarde gezaaid zijn, welke het woord horen en aannemen en vruchten dragen, het ene dertig-, het andere zestig- en het andere honderdmaal (vgl. bij Luk. 8: 11-15).
Doel van deze parabel is aan te tonen welke toestanden van het menselijk gemoed oorzaak zijn dat het zaad van het goddelijke woord bij zo velen niet wordt opgenomen, of niet bij voortduring opwast en daartegenover wat bij de mensen gevorderd wordt opdat het vrucht zou kunnen voortbrengen. Daarbij wordt dan als verhindering voor het woord Gods genoemd a. stompzinnigheid, waar het in het geheel niet wordt verstaan en zo in het geheel niet tot het hart komt; b. lichtzinnigheid en gebrek aan diepte, waar het wel snel wordt opgenomen, maar de mens het even zo makkelijk laat varen, wanneer enige opoffering nodig wordt; c. wereldsgezindheid, die slechts op het aardse gericht is.
KruisverwijzingenMattheüs 5:15→Lukas 11:33→Lukas 8:16→1 Korinthe 12:7→Efeze 5:3→Jesaja 60:1→Filippenzen 2:15→— En Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de koornmaat of onder het bed gezet worde? Is het niet, opdat zij op den kandelaar gezet worde?
Zo begon de Heere op de terugweg naar Kapernaum hun verstand voor Zijn gelijkenissen te openen. En Hij zei tot hen, om hen te over het doel daarvan: Is de kaars om onder de korenmaat (MATTHEUS. 5: 15) of onder het bed gezet te worden, zodat haar schijnsel verborgen wordt? Is de kaars niet om op een kandelaar te zetten en zo allen te beschijnen die in huis zijn of de kamer binnenkomen (Luk. 8: 16 vv. )?
KruisverwijzingenLukas 8:17→Handelingen 4:20→Handelingen 20:27→Prediker 12:14→Psalmen 40:9→1 Korinthe 4:5→Mattheüs 10:26→Psalmen 78:2→— Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen.
a)Want er is niets verborgen dat niet geopenbaard zal worden en er is niets gebeurd om verborgen te zijn, maar zodat het in het openbaar zou komen. Zo bent ook u, Mijn discipelen, geroepen om het geheim van het koninkrijk van God door de gehele wereld bekend te maken.
Job. 12: 22. Luk. 12: 2.
Meen niet dat wat Ik u nu in het geheim toevertrouw, terwijl Ik u de kennis van de verborgenheden van het rijk van God openbaar, altijd verborgen zal blijven. Integendeel er is door Mij een licht aangestoken, zodat het door uw dienst de duisternis van de gehele wereld verdrijft.
Het licht dat u van Mij ontvangt, zult u anderen niet onthouden, maar zijn verbreiding bewerken; want zoals niets verborgens bestemd is voor de verborgenheid, maar om openbaar te worden, zo ook het geheim van het Messiasrijk.
KruisverwijzingenMarkus 4:9→Mattheüs 11:15→Openbaring 2:11→Openbaring 2:7→Openbaring 2:29→Openbaring 2:17→— Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.
Als iemand oren heeft om te horen, die hore; hij verstaat Mijn wil, hoe u zich ten opzichte van de behandeling van de u medegedeelde geheimen te gedragen hebt.
Dak en markt zijn de loge van de vrij-timmerman van Nazareth.
God geeft niemand het licht van Zijn kennis alleen tot zijn eigen nut, maar tot nut van het algemeen. 1 Kor. 12: 7.
KruisverwijzingenMattheüs 7:2→2 Petrus 2:1→Lukas 8:18→Lukas 6:37→2 Korinthe 9:6→Handelingen 17:11→Johannes 10:16→1 Johannes 4:1→— En Hij zeide tot hen: Ziet, wat gij hoort. Met wat maat gij meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden.
En Hij verbindde met deze aanwijzing ook een vermaning en zei tot hen: Zie wat u hoort. Met welke maat u meer zal u gemeten worden (MATTHEUS. 7: 2. Luk. 6: 38) en u die hoort zal meer gegeven worden.
KruisverwijzingenMattheüs 13:12→Lukas 8:18→Mattheüs 25:28→Lukas 16:9→Lukas 19:24→Johannes 15:2→— Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.
Want wie heeft, die zal gegeven worden; en wie niet heeft, van die zal genomen worden ook dat wat hij heeft (MATTHEUS. 13: 12; 25: 29. Luk. 8: 18; 19: 26).
De vermaning: “Zie wat u hoort, ” hangt op het nauwst samen met vs. 23; zij wekt op tot juist verstand en gebruik van de stellingen in vs. 21 en 22. De Heere wil er opmerkzaam op maken dat alles wat nu geheim is tussen Hem en Zijn discipelen, bestemd is om op zijn tijd openbaar te worden. “Wie oren heeft om te horen, die hore, ” voegt Hij er daarom in vs. 23 aan toe, dat is: hij let op hetgeen Ik hem in vs. 21 v. gezegd heb. In een andere uitspraak wordt dit de discipelen nog duidelijker op het hart gedrukt. Hoe gewichtig het juiste toezien, waartoe Hij aanmaant, voor hen is, drukt het gezegde uit: “Met welke maat u meet zal u gemeten worden, ” namelijk zoals u aan anderen het door u verkregen inzicht, volgens de regel van vs. 21 v. , weer toemoet, verder geeft, “zal u gemeten en meer gegeven worden. ” Hoe meer u meedeelt, des te meer zult u ontvangen; hoe ijveriger u uitdeelt wat u toevertrouwd is, des te rijkelijker zal u gegeven worden. Daaraan sluit ter bevestiging vs. 25 goed aan. Slechts hij heeft werkelijk, die er ook gebruik van maakt. Een bezitten zonder gebruiken heeft geen waarde en is ook niet blijvend.
KruisverwijzingenMattheüs 13:24→Prediker 11:6→1 Petrus 1:23→Johannes 4:36→Mattheüs 13:33→Spreuken 11:18→Jakobus 3:18→Mattheüs 13:3→— En Hij zeide: Alzo is het Koninkrijk Gods, gelijk of een mens het zaad in de aarde wierp;
En Hij zei bij Zijn prediking aan de zee (vs. 4 vv. ), het tweede gedeelte daarvan samenvattend in de gelijkenis van het onkruid onder de tarwe (MATTHEUS. 13: 24-30) en hierop het derde deel in de volgende gelijkenis: Het koninkrijk van God lijkt op een mens die het zaad in de aarde wierp;
KruisverwijzingenPrediker 11:5→Johannes 3:7→Prediker 8:17→1 Korinthe 15:37→2 Petrus 3:18→2 Thessalonicenzen 1:3→— En voorts sliep, en opstond, nacht en dag; en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist, hoe.
En daarna sliep en opstond nacht en dag en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist hoe.
KruisverwijzingenMarkus 4:31→Filippenzen 1:6→Filippenzen 1:9→Jesaja 61:11→Genesis 4:11→Spreuken 4:18→1 Thessalonicenzen 3:12→Psalmen 92:13→— Want de aarde brengt van zelve vruchten voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.
28 Want de aarde brengt vanzelf vrucht voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.
KruisverwijzingenJoël 3:13→Job 5:26→Jesaja 57:1→Mattheüs 13:30→2 Timotheüs 4:7→Openbaring 14:13→Mattheüs 13:40→— En als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst daar is.
En toen de vrucht zich voordeed oogstte hij meteen, omdat de oogsttijd gekomen was (vgl. de verklaring en uitlegging van deze gelijkenis achter MATTHEUS. 13: 46).
In het volgende knoopt Markus aan de beide gelijkenissen die hij uit de tweede prediking van Jezus aan de zee heeft meegedeeld (Markus deelt er in Matth. 13: 3-9, 24-30, 47-50 drie mee, tussen de tweede en derde is de voor ons liggende bij Markus vs. 26 vv. in te lassen, zodat tesamen vier gelijkenissen uit deze tweede prediking ons bekend zijn) nog een andere aan, die echter tot de eerste prediking aan de zee 8: 18) behoort. Zo verkrijgt hij het heilige drietal, terwijl daarentegen Mattheus, die eveneens beide predikingen tot een enkele voorstelling verenigt, zich aan het heilige zevental houdt en met de bovengenoemde drie gelijkenissen uit de tweede prediking, vier uit de eerste prediking verbindt, behalve de volgende van het mosterdzaad nog die van het zuurdeeg, van de verborgen schat in de akker en van de kostbaren parel. Wij hebben, toen wij de gelijkenissen van de tweede prediking bij Mattheus nader bespraken, die van de eerste prediking uitgesteld totdat wij Markus zouden behandelen; wij beginnen nu met die, welke de volgende verzen (vgl. MATTHEUS. 13: 31 en 32. Luk. 13: 18 en 19) ons mededelen. –
KruisverwijzingenKlaagliederen 2:13→Lukas 13:18→Mattheüs 11:16→Mattheüs 13:24→Mattheüs 13:31→— En Hij zeide: Waarbij zullen wij het Koninkrijk Gods vergelijken, of met wat gelijkenis zullen wij hetzelve vergelijken?
En Hij zei bij een vorige gelegenheid, ongeveer 8 maanden vroeger, toen Hij Zich ook in de toestand bevond zoals die in vs. 1 is meegedeeld: Waarmee zullen wij het koninkrijk van God vergelijken, wat de geringheid van zijn aanvang in de wereld aangaat en vervolgens de grootte en algemeenheid bij de verdere voortgang en de laatste ontwikkeling? of met welke gelijkenis zullen wij het vergelijken, het voor ogen stellen?
De toehoorders worden op redenaarswijze gedwongen om na te denken over een gepaste gelijkenis voor de gedachte die uitgedrukt moet worden. Dat is een teken dat wij hier nog met een tijd te doen hebben waarin Jezus Zich niet afgescheiden had van de menigte die Hem navolgde en Zijn woord wilde horen; een tijd waarin Hij Zich nog niet bij Zijn discipelen bepaalde, zoals in vs. 11 v. , maar waarin Hij nog op gelijke voet met allen verkeerde en er op scheen te rekenen dat zij allen zonder uitzondering zich voor het koninkrijk der hemelen zouden laten winnen; een tijd, toen Hij met vol vertrouwen op hun begeerte naar redding en op vatbaarheid voor de verborgenheden van het Godsrijk tot hen kwam.
KruisverwijzingenMicha 4:1→Jesaja 53:2→Jesaja 9:7→Daniël 2:44→Zacharia 8:20→Genesis 22:17→Jesaja 60:22→Maleachi 1:11→— Namelijk bij een mosterdzaad, hetwelk, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van al de zaden, die op de aarde zijn.
Namelijk met een mosterdzaad kunnen wij het vergelijken, dat wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van al de zaden die op de aarde zijn, namelijk van de tuingewassen.
KruisverwijzingenEzechiël 31:3→Jesaja 32:2→Jesaja 11:9→Psalmen 91:1→Daniël 4:10→Spreuken 4:18→Hooglied 2:3→Klaagliederen 4:20→— En wanneer het gezaaid is, gaat het op, en wordt het meeste van al de moeskruiden, en maakt grote takken, alzo dat de vogelen des hemels onder zijn schaduw kunnen nestelen.
En wanneer het gezaaid is en eens uit de grond is opgewassen, gaat het op en wordt het meeste van al de moeskruiden en maakt grote takken, zodat de vogelen van de hemel onder zijn schaduw kunnen nestelen.
Het mosterdzaad is een peuldragend struikgewas dat en in het wild groeit en in het Oosten en Zuiden van Europa om zijn zaad, dat tot specerij dient, verbouwd wordt. In Europa groeit het slechts twee voet hoog; in warme landen schiet het echter werkelijk, vooral onder verzorging van de tuiniers, tot een kleine boom op, zodat zijn stengel zelfs 10 voet hoogte bereikt. De ronde korrels (4-6 in een peul) worden bij de Joden genoemd bij wijze van een spreekwoord voor het kleinste en nietigste (MATTHEUS. 17: 20) en zijn het ook onder de zaadkorrels die in de Israëlitische landbouw voorkomen, hoewel de wetenschappelijke Botaniek zeker nog veel kleinere kent.
Door het mosterdzaad wil de Heere niets anders voorstellen dan het kleine onooglijke begin van het rijk van God; en inderdaad de hele geschiedenis van het Christendom in de wereld en in ieder hart in het bijzonder, is een volkomen verklaring van deze woorden. Hoe klein en onzichtbaar lag, als een mosterdzaad, het zaad van het rijk Gods in de profetieen en voorbereidingen van het Oude Testament verborgen. Toen God onder de boom van Edens hof de gevallen mens de eerste belofte van de slangenvertreder gaf, wie zou in het korte, arme woord zo grote zegenrijke gevolgen hebben kunnen vermoeden, als de latere tijd van de vervulling in de gehele mensheid verwezenlijkte? Vierduizend jaren ligt die zaadkorrel stil onder Adams kinderen, twee duizend jaren onder Abrahams nakomelingen in een hoek van de aarde, onder het kleine, onaanzienlijke, ja verachte volk van de Joden. De overige volken weten en vermoeden niets van de toezeggingen en profetieen, aan dit volk gegeven, noch van de grote verwachtingen die ook hen daardoor zullen worden geschonken. Geen wijze van de oudheid is in staat de beloften na te vorsen, geen vorst en machtige van de aarde kan ze vervullen; verborgen en stil gaan zij hun gang door de eeuwen. Die eeuwen gaan voorbij, de mensengeslachten wisselen elkaar af, als was het zaadje weggewaaid en gestorven. Daar breekt een kiem door, een wonderbaar heerlijke kiem, de gewenste verschijnt om de beloften te vervullen, Christus wordt geboren. Maar hoe klein en onooglijk is weer deze kiem, die uit het mosterdzaadje te voorschijn komt! In een armzalige stal, in een kribbe zelfs te Bethlehem, in de diepste behoefte begroet Hij het licht van deze wereld. Wie zou hebben kunnen vermoeden dat dit kind, onder zulke omstandigheden geboren, eens de wereld zou verlossen, het rijk van God zou stichten, de hemel op aarde zou brengen en de gehele mensheid vernieuwen? Wel hebben er wonderbare gebeurtenissen plaats, tekenen van de hemel bij Zijn geboorte, engelenstemmen prijzen Zijn menswording; maar hoe snel zijn ze vergeten! de volgende dertig jaren gaan voorbij, bijna zonder het minste bericht van Hem! het is als was Zijn naam alweer uitgewist, als behoorde Hij zelfs al lang tot de gestorvenen. Stiller, verborgener, bedekter, ootmoediger kon geen leven en werken beginnen. Het is zo onopgemerkt als wanneer een mens een enkele zaadkorrel van de kleinste soort op zijn akker strooit, waarvan de hele wereld niets merkt. – Nu is het waar, met het dertigste jaar veranderde plotseling de schouwplaats: stemmen van de hemel leiden de Zoon van God bij Zijn doop in het profetenambt in, woorden van de liefelijkste soort en van de rijkste inhoud klinken in het land van de belofte; er gebeuren wonderen, zo groot en bewonderingswaardig als de wereld noch te voren noch later heeft gezien; het hele land is vol van roem over Hem die rondtrekt en weldoet en al het volk hing Hem aan en hoorde Hem graag. Maar toch bleef het over het algemeen bij het oude karakter van onbekendheid. Hoe kort was de tijd van het rondwandelen van de Heere op aarde! Slechts drie jaren duurde Zijn leren en wonderen doen. Hoe arm en eenvoudig was Zijn verschijning ook in die tijd! De vossen hebben holen en de vogels van de hemel nesten, maar de Zoon des mensen heeft niets waarop Hij Zijn hoofd kan neerleggen. Hoe beperkt was de kring van Zijn werkzaamheid! Hij was slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël en bleef daarom in Kanaan, vooral in Galilea, in het kleine Joodse land, onder het verachte Joodse volk. Het machtige Rome, het beschaafde Athene, het rijke Corinthiers vernamen niets van Hem en van Zijn zaak zolang Hij op aarde wandelde.
Hoe onbeduidend was het gevolg van Zijn werken, toen Hij Zijn ogen sloot! twaalf apostelen, zeventig discipelen, later honderd en twintig in Jeruzalem, vijf honderd in Galilea, dat is het hele hoopje dat zich aan Hem overgaf en door het geloof Hem beleed. Onder de groten werd Hij wel door nieuwsgierigheid aangegaapt, maar net zo snel weer vergeten; van de oversten van het volk, van de overpriesters en schriftgeleerden geloofde bijna niemand in Hem. Zie verder dat hoopje van gelovigen, die apostelen aan, die enkelen die onder miljoenen door de macht van de waarheid aangegrepen, door de Geest van God verlicht en gedreven, in de wereld getuigenis aflegden van de Gekruisigde en Herrezene: wat zijn dat voor mensen? Niets dan arme vissers en tollenaars uit de geringste stand, mensen die geen scholen bezochten, geen vorming genoten hebben, die geheel onbekend waren met de wereld en haar toestanden, die geen gunst van een machtige, geen aanbeveling bij de groten van de aarde, geen vurige welsprekendheid noch gave van overreding, geen schatten en rijkdommen, kortom niets bezaten van hetgeen bij de wereld ingang vindt, die niets hadden wat noodzakelijk is om enige zaak in te leiden en door te zetten. En dat alles zouden wij nog willen voorbijzien wanneer slechts in henzelf een grond aanwezig zou zijn waarop de Heere Zijn hemelrijk kon bouwen, een volheid van vatbaarheid en toewijding, een geestdrift en trouw voor Zijn zaak, een heldenmoed die met de Heere en voor de Heere door nood en dood ging. Maar ook van deze voorwaarden, onmisbaar tot stichting van het Godrijk, is niets bij hen aan te treffen. Een onder hen is zelfs een verrader, de ander kan in het uur van het gevaar, ondanks alle vroegere verzekeringen, zijn boven alles geliefde Heere en Meester driemaal verloochenen. Allen tot op een toe gaan op de vlucht en verklaren zich los van Hem, zo wankelmoedig, zo kleingelovig, zo zonder vertrouwen, zo ongeschikt om Hem na te volgen, zo beperkt in hun inzicht lijken zij, dat ieder ander dan de Heere met sidderen en beven hun toekomst tegemoet zou hebben gezien. Echt, geen koning zou zulke mensen tot zijn troepen, geen meester in enige kunst of wetenschap zou zulke mensen tot zijn discipelen gekozen hebben, zoals Christus, de hoogste, ja enige Heere en Meester, met de apostelen gedaan heeft. Hun keus bevestigde wel het apostolische woord: 1 Kor. 1: 26-29 ! – Evenals een mosterdzaad begon het rijk van de Heere in Christus en de apostelen, zoals een mosterdzaadje begint het nog altijd in ons. Kan er een onaanzienlijker begin zijn, dan dat wat het onbewust in de doop bij ons neemt? Waar is het woord van de Heere: “Zalig zijn zij, die niet zien en toch geloven, ” meer dan daar? Uitwendig zien wij niets dan heilige gebruiken en een schijnbaar onvatbaar mensenkind, met sluimerende geesteskrachten, met een ongeschiktheid om in zich op te nemen, zoals zij niet groter kan worden gedacht – en toch is de doop het bad van de wedergeboorte en van de vernieuwing van de Heilige Geest, het verbond van een goed geweten met God. De dopeling wordt niet alleen opgenomen in de zichtbare gemeenschap van de Kerk, maar ook in de onzichtbare gemeente van de heiliging. Wat de belofte van de Messias in het paradijs was voor het pas geschapen mensengeslacht in het algemeen, dat is bij de mens in het bijzonder de doop: het uitstrooien van het mosterdzaad in het menselijk hart (?) Maar ook de wedergeboorte, die in latere levensjaren bij ons met bewustheid tot stand komt, begint zij niet telkens klein en onbemerkt? Het is nu eens een woord van God, dat op Zondag in de kerk of op een andere plaats en op andere tijd, toen wij het in het geheel niet verwachten, diep schokkend in de ziel valt, een klein koorntje, een voorbijgeziene bijbeltekst, een lang vergeten vers – en wij kunnen het niet weer kwijt raken, het klinkt van tijd tot tijd steeds weer in onze oren het buigt ons neer en verheft ons op onweerstaanbare wijze en de verborgen kiem heft eindelijk de aardkorst op. De donkere akker van ons hart en van ons leven begint groen en versierd te worden met de heerlijkheid van de lente. Het is daar een gebeurtenis in ons leven, een ziekte, een onaangename tijding, een sterfgeval, een groot, onverwacht geluk en – ons binnenste is als omgekeerd, het hele leven is opeens uit zijn voegen geweken. Waar vroeger lichtzinnigheid woonde heerst plotseling diepe ernst, in plaats van onverschilligheid omtrent Gods woord heeft liefde tot Hem en vragen, onderzoeken, bidden, verlangen naar Zijn genade het hart vervuld. Het is daar weer het gevoel van het ongenoegzame van alle aardse goederen en vermaken, dat – wij weten zelf niet hoe? -plotseling zonder uitwendige aanleiding in ons ontwaakt is en de eerste lichtstraal is in de duisternis van ons hart gevallen. Of een gedachte, die wij gehoord, misschien zonder opmerkzaamheid gehoord hebben en die nu een waarheid bezit en een kracht uitoefent, dat wij haar plaats moeten geven. Genoeg echter, wat het ook is, het begin van de nieuwe geboorte in het rijk van God is altijd klein. De Heere zegt: “De wind blaast waarheen hij wil en u hoort zijn geluid, maar u weet niet van waar hij komt of waar hij heengaat, zo is een ieder die uit de Geest geboren is.
Kijken wij na 18 eeuwen naar hetgeen uit het eens geplante mosterdzaadje van het hemelrijk, dat zo nietig leek, geworden is, dan moeten wij verwonderd staan over de boom die daaruit is opgewassen en nu al zijn takken over alle delen van de wereld uitbreidt en mensen van alle volken, talen en landen onder zijn schaduw verzamelt. Wie het opmerkt hoe het Christendom, over de gehele aarde verbreid, onder alle hemelstreken, in alle werelddelen aanwezig is, hoe de oorkonden daarvan, de heilige schriften van het Oude en Nieuwe Testament in de talen van bijna alle volken gelezen worden, die moet erkennen dat het woord van de belofte van God aan Abraham tot een licht en een levenswoord van God voor de hele mensheid is geworden; dat hetgeen daar zo bij een enkele, in één familie begon, heerlijker dan een mens het kon denken, tot een goddelijke algemeenheid is verhoogd en nu al echt, zonder pracht of praal, zonder dwang en overijling, een zegen voor alle geslachten van de aarde geworden is, of dat het onaanzienlijke mosterdzaadje van het koninkrijk der hemelen is opgegroeid tot een boom die de aarde overschaduwt. En toch is alles wat tot hiertoe is geworden, nog niet datgene wat het zal worden. Het woord van de gelijkenis: “Wanneer het opgekomen is, dan is het het grootste, ” zal dan pas eigenlijk vervuld zijn en juist worden verstaan wanneer door de verschijning van de toekomst van de Heere, al de grote, kwade, openlijke en geheime hindernissen van waarheid en godzaligheid zijn weggeruimd en voor het koninkrijk der hemelen opnieuw op aarde zo plaats en ruimte gemaakt is, dat het zich naar alle kanten heen ongehinderd kan uitbreiden en met zijn licht en vrede alle volken zalig kan maken. Dat zal gebeuren! Israël naar het vlees, die onder alle volken verbreide getuige van God en Zijn woorden, wordt van zijn blindheid genezen tot een licht van geloof en kennis en zal met een oog van het geloof en aanbidding Hem aanzien, die zijn vaderen hebben doorstoken. Alle heidenen zullen de Heere prijzen en alle volken Hem loven, omdat Zijn genade en waarheid ons door Jezus Christus geworden is en over ons is in eeuwigheid. Halleluja!
“Al is het begin ook nog zo klein, wanneer het uit God is zal het gezegend zijn; ” dat is ook ons gezegd en voornamelijk als waarschuwing voor alle trotse geesten. U, hoogmoedige geesten! die alleen kijkt naar dat wat voor ogen is en slechts waarde hecht aan dat wat glinstert, voor u is het Evangelie van Christus nog vandaag het onaanzienlijke mosterdzaadje zonder gedaante of schoonheid, omdat het niet in het oog valt en geen beweging maakt. Maar ziet toe dat u niet te schande wordt voor Hem, want echt, deze plant, door God geplant, roeit u niet uit en zij groeit alle kool van uw eigen wijsheid te boven, alle laurieren van de door uzelf geplante heerlijkheid. – “God bestrijdt de hovaardige, maar de nederige geeft Hij genade. ” Dat is gezegd tot troost voor alle vrezende zielen. Schaamt u zich over uw eigen geringheid en armoede; vraagt u, hoe zal uit mij arme made nog iets worden tot eer van God en tot roem van Zijn naam; er is toch nauwelijks een zaadje van het nieuwe leven in mij gevallen; mijn geloof, mijn liefde, mijn hoop is nauwelijks een mosterdzaadje, zo nietig en klein en zo snel neergetrapt: zie, wanneer u maar een geloof hebt als een mosterdzaadje, u kunt bergen verzetten; wanneer eenmaal het beginsel van het goddelijke leven in uw hart is gevallen; verzorg het slechts trouw, bid maar dagelijks, waak maar vlijtig en ook in u zal het mosterdzaad tot een boom opwassen. Klein zowel in de wereld daarbuiten, klein ook in het hart, is het begin van het rijk van God, maar uit één ogenblik van genade kan een zaligheid in eeuwigheid opwassen. Een tekst, een vers, een goede gedachte op de juiste tijd in de ziel gevallen en in een rein hart bewaard, kan tot een levensboom worden, die vruchten van de hemel draagt voor u en voor anderen. Ook al is het begin nog zo klein, als het uit God is, het zal voorspoedig voortgaan, dat zij gezegd tot een regel voor allen die iets willen arbeiden voor tijd en eeuwigheid. Wilt u een huis bouwen, begin niet groot en met pronk, maar stil en bescheiden: de ootmoedige geeft God genade. Wilt u een goed werk doen, laat niet voor u trompetten, maar doe het in stilte; de Vader, die in het verborgene ziet, zal het in het openbaar vergelden. Wilt u het rijk van God bevorderlijk zijn voor uw deel, u behoeft geen trotse toren te bouwen en geen prachtige banier te planten; plant het mosterdzaadje van het goddelijke woord in de harten en in de eerste plaats in het uwe, daaruit zal het rijk van God opwassen; daaruit zal groeien gerechtigheid, vrede en vreugde in de Heilige Geest voor u en anderen.
Hier sluiten wij uit MATTHEUS. 13: 33 de gelijkenis van het zuurdeeg aan (vgl. Luk. 13: 20 v. ).
Een andere gelijkenis sprak Hij tot hen die op dezelfde manier begon als de vorige: Het koninkrijk der hemelen lijkt op een zuurdesem die een vrouw nam en verborg in drie maten (Ex 16: 36) meel, totdat het geheel gezuurd was.
De gelijkenis van het mosterdzaad heeft ons getoond hoe het rijk van God op aarde een zeer gering, onaanzienlijk begin had, hoe het echter in zonneschijn en onder stormen opgroeide en wonderbaar toenam, zodat het nu een boom is die zijn takken ver over de wereld uitstrekt. In die gelijkenis wordt ons dus vooral de uitwendige uitbreiding van Christus kerk voor ogen gesteld. De gelijkenis van het zuurdeeg richt daarentegen ons oog voornamelijk op het inwendige Godsrijk, op de werkzaamheid van het Evangelie in de harten van de mensen. Het woord zuurdesem wordt vaak in de Schrift als een beeld gebruikt, maar heeft op andere plaatsen (MATTHEUS. 16: 6. 1 Kor. 5: 6 v. Gal. 5: 9) een kwade betekenis. In onze tekst daarentegen heeft het woord juist een tegenovergestelde een gunstige en heerlijke betekenis, zoals dan ook het zuurdesem op zichzelf niets kwaads, maar iets nuttigs en onontbeerlijks is; hier is daardoor het levende en krachtige woord van God (Hebr. 4: 12) afgebeeld. Het zuurdeeg is bestemd om onder het meel en het Evangelie om in ons hart te komen. De drie schepels meel zijn de menselijke ziel met verstand, gemoed en wil. Wij kunnen echter ook bij het woord “hart” blijven, omdat daarin het hele inwendige wezen van de mens samenkomt.
Het zuurdeeg doortrekt het meel, zo dringt het goddelijke woord door ons binnenste heen. Zie een voorbeeld dadelijk bij die prediking van Petrus op het pinksterfeest, toen het van een groot deel van zijn toehoorders gezegd kon worden (Hand. 2: 37): “Toen zij dit hoorden werden zij verslagen in het hart. ” Het goddelijke woord werkt op de gedachten, op de neigingen, op de voornemens van de mensen. Het dringt om zo te zeggen door alle aders en vezels van het hart heen, ja tot in de leden door. En dit op een verborgen manier. Verborgen maar toch krachtig gaat het zuurdeeg door het meel, zo ook het rijk van God door de harten van de mensen. Daar stond de menigte om de apostelen, toen zij van de gekruisigde en herrezen Zoon van God predikten. Sommigen spotten; die prediking leek hen iets dwaas en verkeerds; zij dachten er in de verte niet aan wat voor machtige werking zij bij anderen kon hebben; maar zie, het woord had onverwacht honderd en duizend harten diep aangegrepen. Hoe het in het verborgene het hart aangrijpt en doordringt, dat de onbekeerde daarvan niets bemerkt en de daarmee vervulde het zelf niet weet hoe hij er van doordrongen wordt, zo moet het aan de andere kant ook zijn kracht, zijn leven in het hart doen voelen, dat het zuurdeeg gisting in het meel brengt. Zo ontstaat met het goddelijk woord een arbeid, een werking in het menselijk hart – dat is nog een bijzonder opmerkelijk punt van vergelijking. Gods woord brengt een gisting teweeg in zondige mensenharten; het voert een strijd daarbinnen. In het bijzonder gist het vaak inwendig bij het begin van een waarachtige bekering, de mens van de zonde in ons en die goddelijke levenskracht kunnen elkaar niet verdragen. Het vlees neigt zich naar de aarde en haar goederen – het goddelijk woord zegt: “Zoek hetgeen daarboven is; ” het vlees begeert naar de onreine begeerlijkheden van de wereld – het goddelijk woord zegt: “Wordt de wereld niet gelijkvormig; ” het vlees denkt: ik wil groot zijn onder de mensen – het goddelijk woord zegt: “Wandel in alle ootmoedigheid; ” – het vlees zegt: “Ach ik kan Christus niet dienen” – het goddelijk woord spreekt: “Hij is uw Heere en Hem zult u aanbidden. ” Zo is alles tegen elkaar. Er ontstaat een hevige strijd, zodat het arme hart vaak zeer bang wordt. Maar eigenlijk is het een blijde gebeurtenis, want het is een teken dat het hemelse element in het hart aanwezig en daarin werkzaam is en het zal tot een liefelijke vrede komen. Het zuurdeeg maakt zich meester van het meel en deelt het een aangenamen smaak mee. Zo wordt het menselijk hart door het Evangelie overwonnen, veranderd, aangenaam en welgevallig voor God, zoals geschreven staat: “Als die wedergeboren zijn uit het levende woord van God – God reinigde hun harten door het geloof – is iemand in Christus, hij is een nieuw schepsel -wij zijn voor God een goede reuk van Christus. ” Intussen moet het zuurdeeg onder het meel gebracht zijn; wanneer het daarnaast, afgescheiden ligt dan ontwaart het meel de kracht niet en wanneer het er niet goed onder gewerkt wordt, wordt het geen goed brood. Zo wordt er ook de mens niet anders en beter van dat zijn bijbel naast hem op de plank of in de kast ligt; en wanneer hij zich onder de prediking begeeft en Gods woord ligt op de kansel, maar het wordt door de prediker niet werkelijk en zuiver weergegeven, dan doet het hem ook geen goed. Daarom is een goede vermenging nodig. De gelijkenis zegt: een vrouw nam het zuurdesem en vermengde die onder het meel totdat het geheel gezuurd was. ” Wie is nu deze vrouw? Het is zeer gepast wanneer wij daaronder de Christelijke kerk als uitdeelster van het goddelijk woord verstaan; zij volbrengt haar ambt door haar dienaren. Zo zijn hier voornamelijk de leraars bedoeld die geroepen zijn om aan de hun toevertrouwde zielen het goddelijk woord te laten horen en dat, voor zover het aan mensen is, in hen te planten. Aan deze wordt hun verheven en heilige plicht voorgehouden om niets anders dan het goede hemelse zuurdeeg, het zuivere woord van God aan de zielen mee te delen, dat zij die niet door schadelijke leringen verderven in plaats van hen tot zaligheid te leiden. Zij worden ook aan hun ernstige plicht herinnerd om, met het ware zuurdeeg in de hand, met het goddelijk woord in de mond, niet lui en nalatig te zijn, maar het gewichtige werk met alle zorgvuldigheid te volbrengen. Zij moeten het krachtige, zaligmakende woord in alle delen van de ziel proberen in te dringen. Zij moeten het verstand verhelderen, het gemoed met troost vervullen, de wil opwekken en ten goede leiden; zij moeten hun rede naar de bijzondere toestanden en behoeften van de hen toevertrouwden inrichten; zij moeten vooral de harde plaatsen in het hart, waar vooroordeel, eigenzinnigheid of een lievelingszonde het hart heeft verhard, moedig aangrijpen, zodat het hart overal voor de levenskrachten toegankelijk wordt. Overigens mogen wij echter niet bij de openbare leraars blijven staan. Er zijn ook in het huisgezin predikers aangesteld, de ouders, die de hunnen van Gods woord, als de nooddruft van de ziel, nog zorgvuldiger hebben te voorzien dan van de lichamelijke behoeften; deze moeten zich aan de vrouw van onze gelijkenis spiegelen. Wanneer nu de openbare en huisonderwijzers hun plicht niet doen, het edele zuurdeeg niet met ijver en trouw tot de hun toevertrouwde zielen brengen of zelfs door woord en wandel de zuurdesem van de valse leer, de zuurdesem van de zonde, van de boosheid en verkeerdheid in hen brengen, hoe zou het kunnen bevreemden wanneer men in een Evangelische gemeente, bij Evangelische kinderen weinig licht en leven van het Evangelie, maar dwaling en dwaasheid, boosheid en verkeerdheid en allerlei zonde en overvloed waarneemt? Wanneer zij echter hun dure plicht behoorlijk volbrengen dan zal zeker een gezegende uitwerking niet achterblijven. O hoe veel goeds en zaligs kan een arm vrouwtje in de kring van haar kinderen werken, wanneer zij er zich op toelegt om voor hun zielen een vrouw uit de gelijkenis te zijn – en aan de zielen van de kinderen moest toch ieder, niet waar? meer zorg besteden, dan op het meel in de trog! Nog een zaak moeten wij behandelen. Wanneer de vrouw het zuurdeeg goed onder het meel vermengd heeft, dan moet het deeg nog staan, zodat de gewenste doorzuring plaats heeft; men mag niet te vroeg brood willen hebben; zo wil ook het goddelijk woord, hoe wonderbaar het door de ziel kan heengaan, hoe snel dikwijls een enkele spreuk door de ziel gaat, toch zijn tijd hebben, tot het het hele hart naar alle kanten heen doordringt en werkelijk verandert. Het hart toch is klein en toch weer bijzonder groot. Er is een hele wereld in en er is veel voor nodig voordat een oude wereld een nieuwe wordt. Daarom moeten ouders en leermeesters niet ongeduldig worden wanneer zij in hen, die aan hun zorgen zijn toevertrouwd, niet dadelijk enkel vreugdevolle zaken opmerken; zij vinden immers bij zichzelf, hoe oud zij ook worden, altijd nog veel dat ongezuurd is. Men mag het werk niet moe worden, ook het wachten niet -“voordat het geheel doorzuurd is. ” Zeker is het menselijk hart niet in ieder opzicht zo’n meel, dat aan de bewerking geen tegenstand biedt. Het hart toch heeft zelf een wil, een leven en bewegen; daarom komt het in elk geval ten slotte op het hart zelf aan. Het mag zich niet sluiten voor het goddelijk woord, maar moet datgene in zich laten teweeg brengen waartoe het gegeven is. Helaas! velen willen het niet in zich opnemen of in zich niet genoeg ruimte daaraan geven; zo kan de arbeid van getrouwe leraars en verzorgers tot hun verbetering en vernieuwing geen nut doen (Hebr. 4: 2). Waar echter uw hart er zich voor opent en het vrij in zich laat werken, ja waar u ook zelf – zoals u zou moeten – aan uw eigen hart het werk van de trouw verricht door vlijtig, heilbegerig, alles in zich opnemend en in zich verwerkend de Schrift lezend, daar zal het hemelse zuurdeeg zijn kracht betonen; het zal langzaamaan alles doordringen en doorkruiden zodat uw hart, in de hitte van de bestrijding en de oven van de beproeving gevormd, een liefelijk offerbrood wordt, evenals dat op de goude tafel van het heiligdom.
Vergelijk MATTHEUS. 27: 37. Er zijn drie andere maten meel bij u en bij mij en waar wij in het eigen hart kijken, dat arglistig en dodelijk hart, zullen wij dan minder reden hebben voor God om te roepen: “Onrein, onrein?” Wij hebben schuld aan de algemene zonden, omdat wij een deel zijn van het volk, wij hebben ook onze bijzondere zonden. Die drie maten zijn: ons kenvermogen, ons gevoelvermogen, ons begeervermogen, de drie krachten van de menselijke ziel. En wat zegt de schrift: “De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die van de Geest van God zijn. Is die natuur afgelegd, gekruisigd, gedood; is al uw wandelen in het licht van de profeet van God? Hoe noemt de Schrift het hart? “Een stenen hart?” Is het weggenomen bij u en is daar een hart van vlees, waarop Gods geboden staan geschreven, een rein hart? Waarom verwijt de Heer de ongelovigen: “U wilt tot Mij niet komen. ” En geliefden in Christus! kan het uw woord ten allen tijde zijn: “Wij uw volk zijn gewillig op de dag van Uw heerschappij” (Ps. 110: 3). “Niet mijn wil, Uw wil geschiede” (Luk. 22: 42)? Is het Evangelie doorgedrongen? Zijn wij mannen die hun ziel hebben overgegeven voor de naam van de Heere Jezus (Hand. 15: 26) en kan de Heere tot een ieder van deze vrouwen zeggen: “O vrouw! groot is uw geloof. (MATTHEUS. 15: 28). Wij vragen geen antwoord hoorbaar voor ons, maar een antwoord hoorbaar voor God, een antwoord in de binnenkamer van de gebeden.
MATTHEUS. 13: 44. Weer is het koninkrijk der hemelen, ten opzichte van de vreugde die het teweegbrengt wanneer iemand het ontdekt en wat de prijs aangaat die hij zich dan getroost om het te bezitten, als een schat in de akker verborgen, die een mens, bijvoorbeeld iemand die die akker in huur had gevonden heeft en die nog verbergt in de akker omdat die zijn eigendom nog niet was, zodat hij die schat nog niet voor zich mocht nemen. En van blijdschap over die gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker, om nu die akker op rechtmatige wijze te mogen bezitten.
De gelijkenis is een van de kortste, maar tevens een van de meest zinrijke en betekenisvolle. Terwijl zij ons het koninkrijk der hemelen voorstelt, toont zij ons 1) hoe verborgen zijn heerlijkheid, 2) hoe verheugend het vinden en 3) hoe gemakkelijk het verkrijgen is. – I. Wat het koninkrijk der hemelen is hoeven wij aan degenen die daaraan deel hebben evenmin eerst uit te leggen, als hem die eet wat brood, hem die drinkt wat water is. Zij weten het, want zij zitten dagelijks aan de tafel van de grote Koning die in het rijk heerst en regeert. Men zou de heerlijkheid van dit rijk kunnen schilderen met de liefelijkste kleuren, haar kunnen prijzen met de welsprekendste en verhevenste woorden, haar kunnen verheffen en roemen met de schoonste liederen en gezangen en men zou toch nooit worden begrepen door degenen die nog ver van dit rijk zijn en er geen deel aan hebben. Wij zouden voor hen in raadsels, in vreemde talen spreken; zij zouden ons niet begrijpen, ons voor dwepers en dromers houden, want de heerlijkheid is voor degenen die buiten zijn verborgen en omsluierd, het koninkrijk der hemelen is als een schat in de akker verborgen. Voordat de mens die heeft gevonden vermoedt hij niets van zijn waarde, van zijn glans, zelfs heeft hij geen begrip van zijn bestaan. Hij loopt er duizendmaal voorbij, terwijl hij andere schatten najaagt en naar andere schatten graaft. Voor dezen is er geen rijk van God, geen rijk van onverderfelijkheid en onvergankelijkheid. Hij weet daarvan net zo min als de blinde van het rijk van de natuur, de dove van het rijk van de muziek, de egoist van het rijk van de liefde. Men spreekt tot hem van onbekende dingen wanneer men spreekt van de vrede van God, die hoger is dan alle verstand van de mensen, van de hoop die niet beschaamt, van de overwinning van het geloof die de wereld overwint. Het enige dat aan dit aardse leven een hogere waarde en een hogere betekenis geeft, wat onze inwendige mens gelukkig en zalig maakt, wat ons aan het stof van de vergankelijkheid ontrukt en ook het aardse ons verheldert, wat ons vreugde en troost geeft in leven en in sterven – hij kent het niet, hij vermoedt er niets van. Al behoorde hem ook de hele aarde toe, al won hij ook de hele wereld – hij is een arm mens, armer dan de armste dagloner, die die schat gevonden heeft! Maar er zijn ook mensen die wel van het koninkrijk der hemelen weten, maar voor wie toch zijn eigenlijke heerlijkheid nog verborgen is; ik bedoel die mensen, die de feiten, begrippen, meningen en voorstellingen van het Christendom wel kennen, maar voor wie desalniettemin het eigenlijke en innerlijke wezen van het Christendom nog vreemd en gesloten bleef. Zij behoren niet tot degenen, die helemaal geen behoefte in zich voelen aan iets hogers en goddelijks en van wie de levensspreuk klinkt: “Eet en drink, want morgen bent u dood; nee, zij spreken en horen graag van godsdienstige zaken, zij gaan naar de kerk, zij lezen in de Schrift, zij geloven in een God, zij hebben een zekere eerbied voor Christus, zij hopen op een eeuwig leven. Maar ondanks dat alles staan zij toch nog in de voorhoven van het heiligdom en voor het allerheilige hangt voor hen nog een ondoordringbaar voorhangsel. Zij kennen wel de akker van het koninkrijk der hemelen, maar nog niet de verborgen schat in de akker; zij houden zich slechts vast aan de oppervlakte en graven niet in de diepte. Wie het echter werkelijk en ernstig daarom te doen is, die vindt ook wat hij zoekt. De heerlijkheid van het koninkrijk der hemelen, ja zij is verborgen; maar niemand kan zich daarmee verontschuldigen wanneer hij steeds het woord Gods bezit, de helder schijnende fakkel, die voor ons licht tot in de diepste diepten van de mijn van de goddelijke waarheid. II. Zalig, die die verborgen schat in de akker ontdekt en vindt! De vreugde, die zo iemand vervult is hoger dan alle vreugde van deze wereld. Hoe kan het ook anders zijn? Want wat voor een wereld ging hem opeens bij dat vinden op! Was er tot hiertoe voor hem slechts een rijk van de vergankelijkheid en van de doods, hij erkent nu plotseling dat er iets hogers is, een rijk van onvergankelijkheid en een eeuwig leven! Zag hij slechts tot hiertoe een blind spel van het toeval in de lotgevallen van de mensen, nu ziet hij daarin de besturende hand van een zowel wijze als liefdevolle God, zonder wiens wil zelfs niet het geringste gebeurt. Zag hij tot hiertoe in het graf het einde van het menselijk leven, nu weet hij dat het graf slechts de doorgang is tot een hoger aanzijn van onsterfelijkheid en onverderfelijkheid. Was er tot hiertoe slechts een duister gevoel, slechts een wankelende, onhoudbare verwachting, waarmee hij het wankelende leven vasthield, nu is het de blijdste zekerheid en zalig vertrouwen. Echter meer nog dan dit alles ontvouwt zich voor zijn, van vreugde dronken, blik, wanneer hij die schat ontdekt. Al die afzonderlijke, hartverheffende waarheden zijn goudstukken, die het beeld van een almachtige Koning dragen: droegen zij dat niet, wie stond voor de echtheid van de munt in? De naam van deze Koning is Jezus Christus. Hij is de Koning die in dat rijk heerst welke heerlijkheid voor hem is ontsloten. De glans van Zijn hoogheid en majesteit, hoe glinstert die hem tegen! Zag hij tot hiertoe in Christus slechts een mensenzoon, nu erkent hij in Hem de Eengeboren Zoon van de Vader, vol van genade en waarheid. Was het slechts een verbeterde zedenleer en een volmaakt voorbeeld dat tot hiertoe naar zijn mening deze Jezus de mensen bracht en gaf, nu ziet hij in dat Christus ons niets minder brengt dan verzoening met God en verlossing van de zonde. Was hem tot hiertoe de weg naar de hemel onbekend, de waarheid wankelend, het leven twijfelachtig, nu kent hij de weg, de waarheid en het leven in één Persoon, die de enige poort is waardoor men het vaderhuis binnengaat. Bijzonder groot is de vreugde over het gevondene wanneer iemand de schat in de akker plotseling ontdekt, terwijl hij, lang tevergeefs ernaar zoekend, op duizend dwaalwegen heeft omgedoold. Wat hem geen menselijk weten, geen aardse kunst, geen vergankelijke begeerte kan verschaffen, wat hij tevergeefs bij de wijzen van deze wereld gezocht heeft, waarvan de duistere droom van een verloren paradijs een denkbeeld en een verlangen in zijn hart heeft achtergelaten, dat heeft hij nu gevonden – en o, hoe klopt zijn hart van vreugde, hoe verheft zich zijn ziel van blijdschap en genot! De moede pelgrim zit aan de sterk verlangde bron, de verdwaalde zoon staat aan de drempel van het vaderhuis. Zoals Andreas eens tot zijn broeder Simon, zoals Filippus tot zijn vriend Nathanael, zo spreekt hij zalig en vol verrukking tot allen die hem ontmoeten: “Ik heb gevonden, ik heb gevonden wat ik zocht, gevonden de ster van mijn verlangen, het anker van mijn hoop, de rots van mijn heil; ik heb gevonden de rust en de vrede van mijn ziel!” – Maar nee, nog zwijgt hij, nog is hij stom van vreugde. Het is een diepe trek in onze gelijkenis dat de Heere zegt: Het koninkrijk der hemelen is als een schat, in de akker verborgen, die een mens vond en die hij verborg. ” Hij verbergt hem, hij zegt er niets van, uit ijverzucht om de schat niet prijs te geven aan de ogen van anderen, uit bezorgdheid dat hij die snel weer verliest en ervan beroofd wordt. Hij verbergt de schat, want het is nog de zijne niet, nog moet hij die eerst verkrijgen. O heilig zwijgen, waarin een mens daarheen gaat, die door de volle glans van het koninkrijk der hemelen vervuld is! Heilig nadenken over het ene nodige, om deel te krijgen aan de goederen van dit rijk! Door de ziel van zo iemand gaat dag en nacht slechts die ene vraag: tot welke prijs wordt die schat mijn eigendom? Zo denkt hij, zo vraagt hij; en het antwoord op deze vraag blijft niet verborgen. III. Bij de eerste oogopslag wekt het bevreemding dat de Heere in de gelijkenis zegt: “En hij, de gelukkige vinder van de verborgen schat, verbergende die en van blijdschap over die gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker. ” Hoe, vragen wij, hoe kan er van een koop sprake zijn? Al was zelfs de vinder een rijk man, welk kapitaal weegt tegen deze schat op? Nu zou het zeker onmogelijk zijn het koninkrijk der hemelen te verkrijgen als wij het in de gewone zin van het woord werkelijk moesten kopen. Hier is echter een kopen bedoeld, waartoe Jes. 55 al opwekt: “Kom en koop zonder geld en zonder prijs. ” Intussen ligt in de uitdrukking ook aangewezen dat wie het koninkrijk der hemelen wil verwerven ook veel moet afstaan en ten offer brengen. Dat kan voor geen betaling doorgaan, te minder daar de reden waarom wij het moeten laten varen, juist deze is dat het niet deugt, dat het slecht is en daarom gedeeltelijk moet worden vernietigd, gedeeltelijk minstens in de smelt- en zuiveringskroes moet worden geworpen. Alles wat wij hebben of menen te hebben moeten wij verkopen d. i. afstand daarvan doen. Daartoe behoort voornamelijk onze eigen ingebeelde gerechtigheid. Zolang wij die niet loslaten en hongerig en dorstig geworden zijn naar de gerechtigheid die voor God geldt, kunnen wij het koninkrijk der hemelen niet ingaan. Daartoe behoort verder onze eigen ingebeelde wijsheid in goddelijke zaken. Zolang wij ze niet in haar ongenoegzaamheid hebben erkend en daarom hebben opgegeven zijn wij niet in staat de schatten van die wijsheid en van die kennis ons toe te eigenen die in Christus Jezus verborgen zijn. Daartoe behoort verder onze eigen, van het goddelijke afgekeerde, ja tegenover Hem geplaatste, wil. Zolang wij die de Heere niet ten offer hebben gebracht is het niet mogelijk dat wij door de Heere echt vrij en zelfstandig worden. Ja daartoe behoort niet alleen dit ?n dat ?n dat, daartoe behoort alles. Hoe wij omwille van Hem en om de schat van Zijn rijk te winnen bereid moeten zijn van alles, ook van het liefste, afstand te doen, drukt de Heere eens (Luk. 14: 25) met zeer sterke, tweesnijdende woorden uit: “Buiten Hem mogen wij niets, in Hem mogen wij alles liefhebben” Dat is de zin van die woorden. Wanneer echter eens de verborgen heerlijkheid van het koninkrijk der hemelen zich geopenbaard heeft, wanneer eens de hemelse vreugde over zo’n gevonden schat het hart vervuld heeft, dan is men ook graag bereid alles daarvoor af te staan.
MATTHEUS. 13: 45. Weer is het koninkrijk der hemelen ten opzichte van zijn waarde in vergelijking van andere goederen, als een koopman die mooie parels zoekt, die hij bij de verkopers kan inruilen en weer met winst aan anderen verkopen (Math. 13: 46. ). De koopman vond één (op het woord “één” ligt bijzondere nadruk) parel van grote waarde (want ten opzichte van hetgeen hier bedoeld is, is er slechts één die die naam verdient), ging heen en verkocht al wat hij had en kocht die.
Wanneer men ons vroeg welke goederen de grootste waarde hebben, de aardse of de geestelijke, welke van beide het diepste verlangen van onze ziel bevredigen, welke van beide ook met grote ijver en vlijt gezocht moeten worden, zouden wij allen als uit één mond antwoorden: de geestelijke! Wanneer men nu verder vroeg: maar zoekt u ook de geestelijke goederen met die ijver en die vlijt die zij verdienen? Hebt u het hoogste goed leren kennen en het gevonden? Hebt u alles aangewend om dat als eigendom te verkrijgen? Dan vrees ik zeer dat, wanneer men met die vragen voortging, het getal van diegenen steeds zou verminderen die ze met ja zouden kunnen beantwoorden. Och, dat toch de kinderen van het licht net zo wijs waren als de kinderen van de wereld in hun geslacht. Dat zij toch even rusteloos naar geestelijke goederen streefden, als deze voor de aardse zorgen! Is de koopman van onze tekst niet volkomen iemand van zijn soort? Hij zoekt goede parels: dat is de bezigheid van zijn leven en hij wijdt er zich geheel aan. Daar vindt hij een kostbare parel. Hij ziet haar en erkent haar met zijn geoefend oog dadelijk voor wat zij is, voor de grootste schat die ooit van de bodem van de zee is opgenomen. Hij moet haar bezitten, dat staat bij hem vast; de prijs, die er voor geeist wordt, is buitengewoon groot – het zij zo, nog groter kan de winst zijn – en zo ging hij heen en verkocht wat hij had en kocht die. Het koninkrijk der hemelen is aan deze koopman gelijk; de burgers van de hemel moeten zijn voorbeeld navolgen, alleen met dit onderscheid dat het geestelijke in de plaats van het aardse gesteld wordt. Zij moeten 1) geestelijke goederen zoeken; zij moeten 2) het ene geestelijke goed opmerken en vinden; zij moeten 3) alles overgeven om het tot hun eigendom te maken.
De beide gelijkenissen van de schat in de akker verborgen en van de kostbare parel schilderen ons de toeeigening die het rijk Gods van iedere ziel in het bijzonder verlangt en de weg waarlangs men daartoe komt. Bij de gelijkenis van de kostbare parel hebben wij te letten: 1) op de manier waarop zij zich aan ons voordoet; en 2) op wat wij voor haar over moeten hebben. Wat de kostbare parel is? Het is die ene gave van God, die van welke Christus, Zichzelf bedoelend, tot de Samaritaanse vrouw gezegd heeft: “Wanneer u de gave van God zou kennen. ” Het is de genadegift van de verlossing die aan het kruis is verkregen. Het is de genadegift van de gerechtigheid van God, die op de verdienste van Christus gegrond is. Het is die hemelse gave van het brood des levens, de gave van zalig genot en eeuwig leven, zoals Christus schenkt, zoals Christus is. Er zijn vele soorten gaven, maar er is één Heere en deze gave kan slechts de enige zijn. De parel, dat edel sieraad waarmee de menselijke schoonheid zich tooit, is een wonderbaar treffend beeld voor wat de Heere daarmee bedoelt. Diep op de grond van de zee wordt zij in het verborgen gevormd. Uit de diepte van de zee wordt zij met gevaar en moeite gehaald. Eerst in een onooglijk omhulsel verborgen glinstert zij daarna met liefelijke glans. Zo is het ook met de genadegift in Christus. Diep in de verborgen grond van het goddelijke Wezen is zij geboren, uit de diepte van de goddelijke liefde is zij voortgekomen. Christus heeft ze aan het licht gebracht. Het heeft Hem moeite gekost om omwille van onze zonden door de verschrikkingen van de dood omgeven te zijn. Hij heeft ze voor ons verworven, voor Zichzelf heeft Hij ze niet hoeven te zoeken. Eerst in een omkleedsel zonder heerlijkheid en gedaante, maar vol van de glans van hemelse heerlijkheid biedt Hij ze aan; zij wil alleen gegeven zijn. In deze wordt het waar: Ik ben gevonden door degenen die Mij niet zochten. Daarom wordt ook van de koopman in de tekst alleen gezegd dat hij goede parels zocht, de ene, de kostbare heeft hij gevonden uit genade. Dit is niet het eerste, dat wij de genade najagen, maar dat de genade ons zoekt; niet dat is het eerste, dat wij het goddelijk geheim van de verlossing ontdekken, maar dat de hemelse Vader het ons ontsluiert. Niet van het menselijk willen en lopen hangt het af, maar alleen van de goddelijke ontferming. Wat de mens doen kan door zichzelf is alleen dit dat hij goede parels zoekt, de ene, de kostbare wordt door hem gevonden uit genade. Diep in het menselijk hart woont een verlangen naar vrede, ja vrede; maar de vrede die in de verzoening met God door Christus ligt, die kent men pas wanneer men die ondervonden heeft. Diep in het menselijk hart woont een worstelen en zuchten naar verlossing, ja verlossing; maar die ene verlossing, die Christus aan het kruis teweeg heeft gebracht, die kent men pas wanneer men ze heeft ondervonden. Goede parels kunt u zoeken, maar die ene, die kostbare wordt u gegeven uit genade! – Er is iemand; hij vraagt om liefde; hij zoekt een hart dat hij het zijne zou mogen noemen, dat met hem lief en leed wil delen, waartegen hij kan zeggen: “Wat het mijne is, is het uwe en al het uwe is het mijne. ” En een liefdevol hart, het is zeker een goede parel die hij zoekt maar hoe velen hebben toch op deze weg meer gevonden! Hij zocht een liefhebbend hart, niets meer; maar zie, het hart dat hem beminde had ook de Heiland lief; de ziel die zich aan hem verbond, hem huwde, was ook de bruid van de hemelse Bruidegom. Onbemerkt werd zij een predikster voor hem, werd zij tot een middel waardoor Christus zelf Zich hem aanbood. En nu, wanneer hij heeft leren bidden, omdat zijn liefhebbende vrouw voor hem bad, dan, wanneer hij door de liefdevolle hand geleid zijn Heiland gevonden heeft, vraag hem dan: wat zal hij antwoorden? “Liefde heb ik gezocht, geloof heb ik gevonden; een menselijk hart heb ik gezocht en het hart van mijn Heiland is van mij geworden; goede parels zocht ik, maar de ene, de kostbare, werd gevonden uit genade. ” Daar is een ander; een sterke begeerte naar waarheid bezielt hem. Hij doorloopt het ene gebied van menselijke kennis na het andere; hij doorzoekt de schatten van menselijke wijsheid; hij leert de schoonheid, de rijkdom van de natuur kennen. En wie zou ontkennen dat het goede parels zijn die hij zoekt. Maar het komt niet tot gehele voldoening; het blijft slechts een zoeken, het vinden zelf wordt steeds opnieuw tot een zoeken. Het ene raadsel wordt opgelost, andere raadsels doen zich aan hem voor en het allerminst wordt het raadsel in eigen borst opgelost. Daar ontstaat, bij hetgeen hij weet, het geloof in wat God openbaart; van de wijsheid van de mensen neemt hij de toevlucht tot de wijsheid die uit God is. Nu heeft men een vaste standplaats gevonden, van welke alle raadsels zich oplossen – het woord van God. Vraag hem nu, wat zal hij antwoorden? “Goede parels heb ik gezocht; de ene, kostbare heb ik gevonden uit genade. ” Daar is een ander; hij zoekt voortdurende bevrediging in het leven. Hij zoekt die in onafgebroken arbeid, maar deze laat toch een leegheid over. Hij zoekt die in vergeestelijkte genietingen, maar alle behoeften van het inwendige leven bevredigen zij niet. Hij zoekt die in de kring van trouwe vrienden, maar bittere ervaringen blijven niet uit. Daar komt hem Gods woord in de hand; hij wordt geplaatst voor de ware Vriend van de zielen, die nooit misleidt, geplaatst voor de volheid van genade die in alle omstandigheden zo rijkelijk stroomt, voor het brood des levens dat werkelijk verzadigt. Gaandeweg vindt hij de vrede van God, die niemand hem ontrooft. Vraag hem nu, wat zal hij antwoorden? “Ik heb goede parels gezocht, maar die ene, kostbare, heb ik uit genade gevonden!” Daar is er weer een; hij bracht rijkelijk het zijne er toe bij om te helpen, zo ver zijn arm, zijn vermogen reikte. Hij zou niet zonder zegen op de aarde geweest willen zijn; hij wil de vertrooster van de treurenden, de bijstand van de behoeftigen, de vriend van de verlatenen zijn. En zeker, het zijn goede parels die hij zoekt; maar hij wil troosten en leert voelen dat de ware troost hemzelf ontbreekt; hij wil helpen en hij ziet dat er zonder redding van de ziel niets geholpen is, terwijl hij die toch niet redden kan. Aan het ziekbed van een vrome merkt hij het geduld van de heilige op; op de meest verschillende wegen wordt hij naar de ware Helper gewezen; hij zocht zieken te genezen en heeft zelf genezing gevonden; hij zocht treurenden te troosten en is zelf een treurende geworden, zoals degenen van wie geschreven staat dat zij zalig zijn. Goede parels zocht hij, maar die ene, die kostbare, heeft hij gevonden uit genade. – II. De koopman in de gelijkenis heeft het zijne opgeofferd voor de kostelijke parel die hij vond. Hij wil ze zich ten eigendom maken, dat is dadelijk zijn doel en nu worden bij hem besluit en daad tot een. Het verlangen ze de zijne te mogen noemen ontbrandt op het ogenblik dat hij weet ze de zijne te kunnen noemen. De ijver om ze te bezitten ontstaat op het ogenblik dat ze hem wordt aangeboden. Wij moeten echter belijden dat deze koopman zich werkelijk onderscheidt van velen in onze tijd. Hoe velen zijn er, aan wie van de jeugd af de kostbare parel wordt voorgehouden, wie van de eerste kindsheid is aangewezen dat de genade van God ook hen ten deel kan worden. Maar dat in hen een ijver ontwaakte, een verlangen ontbrandde om haar te bezitten, dat ziet men niet. Hoevelen weer toeven en talmen en komen tot geen helder, vast besluit. Hoevele anderen komen in hun hele leven niet verder dan het voornemen. Hoe velen wankelen en twijfelen over de weg die zij zullen inslaan, maar tot een werkelijk heengaan om de aangeboden genade zich toe te eigenen, tot een beslistheid om, wat het ook koste, de zaligheid te verwerven, brengen zij het niet. En toch is dat het beslissende keerpunt in elk leven. Heeft de genade van God in Christus getoond dat zij u wil, dan moet u ook horen dat u haar wilt. Werkt Gods verborgen hand in uw hart en spreekt hij, wijzend op Christus: “Deze zal de uwe zijn!” zo moet gij ook uw hand ten gelofte tot God opheffen en zeggen: “Ja, Hij zal de mijne zijn. ” De koopman verkocht nu alles wat hij had en kocht de parel. Hier hebt u de prijs die u moet betalen om het hoogste dat gedacht kan worden, ja, dat in geen gedachte opklimmen kon, het eeuwige leven, te verkrijgen. Het is wat Christus ergens zonder beeldspraak eist, wanneer Hij zegt: “Degene die niet alles verlaat wat hij heeft, kan Mijn discipel niet zijn. ” Dit wil zeggen, dat wij inwendig loslaten wat wij bezitten, dat wij ons vrij maken van datgene waaraan ons hart hangt, dat wij vaarwel zeggen alles wat God en Zijn rijk niet dient, dat wij met Petrus zeggen: “Wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd” en met Paulus kunnen zeggen: “Ik acht het alles schade te zijn bij de uitnemendheid van de kennis van Jezus Christus; ” dat wij alles afleggen wat ons verhindert omkleed te worden met het kleed van de gerechtigheid, dat wij alles afleggen wat ons naar de aarde trekt en het zoeken naar hetgeen daarboven is in de weg staat. Verkopen alles, wat u hebt! hoort u? alles! Ook uw liefste wensen moet u opgeven voor dat ene verlangen een kind van God te heten; alles, ook uw edelste krachten moet u besteden om u een schat in de hemel te winnen; alles, ook uw zekerste meningen moet u gevangen geven onder de gehoorzaamheid van Christus; alles, ook uw liefde zelfs, alle aardse liefde moet op de achtergrond treden bij die ene liefde tot God en Christus; alles, ook uw leven, wanneer u het alleen tot die prijs kunt behouden, dat u het uitzicht op het eeuwige leven verliest; alles, zelfs uw eigen Ik moet u verbreken om u helemaal aan Christus over te geven. Niets mag u te hoog, niets te dierbaar, niets te schoon voorkomen, dat u niet bereid zou zijn op te offeren, wanneer het er op aankomt u het offer toe te eigenen dat Christus voor u gebracht heeft. Dat komt ons voor als een hoge prijs, een ernstige eis. Wanneer er gezegd was: “Veel!”, wij zouden er ons in kunnen vinden, maar alles, ook niet één zaak behouden, ook het liefste en dierbaarste niet omwille van de Heere, dat schijnt te veel gevraagd. Ieder heeft een prijs waartegen hij zich overgeeft, maar ook ieder heeft een kant waarom hij zich aan de Heere niet overgeeft. Het is een waar woord: “Hangt niet ieder hart aan zijn eigen strik? Zie waar het schort; vaak houdt slechts één ding terug!” En juist dat ?ne is alles wat u moet verkopen om die kostbare parel te verkrijgen.
De Heere schetst eerst de voorspoedige voortgang van het koninkrijk der hemelen. In de gelijkenis van het mosterdzaad wordt vooral de extensieve, in die van het zuurdeeg meer de intensieve uitbreiding van het Godsrijk geschetst. Voorspoedig en zegenrijk als het mosterdzaad zou het zich naar buiten ontwikkelen, met verborgen maar onweerstaanbare kracht als van het zuurdeeg zou het geheel het innerlijk leven van de mens en de mensheid vernieuwen en zijn taak niet voleindigd hebben totdat dit geheel met zijn weldadige invloed doortrokken was. Hoe beide gelijkenissen van de uitgestrektste toepassing zijn op de Stichter van het Godsrijk, op de Christelijke Kerk in het algemeen en op ieders Christelijk leven in het bijzonder, valt vanzelf in het oog. Aan deze voegt Hij een tweetal gelijkenissen, om de waarde van het Godsrijk te schetsen. Dit rijk is voor de één een niet gezocht, maar onverwacht gevonden, voor de anderen een lang gezocht en eindelijk gevonden schat. Voor beiden echter is het een schat die zij vurig proberen te verkrijgen; alles verkopen zij om het gevondene machtig te worden en beschouwen die opoffering als onschatbare winst. Het valt ons dadelijk op dat de akker waarin de schat te vinden is de Kerk van Christus is, waarin men Zijn heilgoederen deelachtig kan worden; dat die schat verborgen genoemd wordt, omdat hij zich aan de aardsgezinde mens niet meteen in al zijn glans openbaart en dat in beide gelijkenissen herinnerd wordt hoe het koninkrijk der hemelen opofferingen vereist, maar ook ten volle verdient.
KruisverwijzingenJohannes 16:25→Markus 4:10→Lukas 24:27→Mattheüs 13:36→Mattheüs 15:15→Markus 7:17→Lukas 8:9→Lukas 24:44→— En zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet; maar Hij verklaarde alles Zijn discipelen in het bijzonder.
Nu werd dit later zozeer uitsluitend Zijn leerwijze dat de discipelen zich daarover verwonderden (MATTHEUS. 13: 10) en zonder gelijkenis sprak Hij voortaan tot hen niet, maar wanneer Hij met Zijn discipelen alleen was, verklaarde Hij alles aan Zijn discipelen in het bijzonder. Deze toch waren de hoorders, voor wie niet het tweede in vs. 11 genoemde doel van de gelijkenis bestond, maar het oorspronkelijke, in vs. 33 aangewezene, terwijl Hij het volk aan zichzelf overliet en verder niets deed om het hun te doen begrijpen.
Het was in het bijzonder de leer van de stichting (en, voegen wij er bij, van het geestelijk karakter) van het rijk van God die Jezus zich gedwongen voelde door parabolische spreekwijzen te omsluieren, want deze leer was juist die waardoor Hij zich het verst verwijderde van de voorstellingen van Zijn volk, terwijl Hij in het algemeen hun verwachtingen moest tegenspreken. Wanneer Hij nu Zijn onderwijzingen over dit punt slechts met de grootste voorzichtigheid aan het volk gaf, dan getuigt de kruisiging daarvan dat Hij in Zijn voorzichtigheid de maat niet te buiten is gegaan en dat het volk werkelijk niet meer geschikt was om over de ware natuur van het Godsrijk onderwezen te worden, bewijst de verwoesting van Jeruzalem. ” Van andere aard daarentegen zijn de gelijkenissen zoals wij die tot de eerste prediking aan de zee gerekend hebben (vs. 30-32, MATTHEUS. 13: 33, 44-46). Deze bevatten over het algemeen geen waarheid die voor de profane menigte moest worden verborgen (volgens MATTHEUS. 7: 6), zij moeten integendeel opwekken en dwingen en het verlangen levendig maken, zoals zij die uitwerking ook in MATTHEUS. 8: 19-22 openbaren. Wij hebben ze daarom juist tot die vroegeren gerekend. De laatste verbindt zich echter voor onze Evangelist zozeer tot een eenheid met de latere tijd die wij in onze afdeling voor ogen hadden, dat hij de gebeurtenis die op de eerste prediking aan de zee gevolgd is, op de tweede laat volgen, met een tijdsbepaling (vs. 35 : “En op dezelfde dag, toen het avond geworden was enz. ), die makkelijk verkeerd kan worden opgevat, wanneer wij het nu even aangegeven punt van de tijd, dat hij daarbij in de gedachte heeft, niet weten te onderscheiden van dat wat de uitwendige volgorde van zijn mededeling aan de hand geeft.
IV. Vs. 35-41.KruisverwijzingenMattheüs 8:18→1 Petrus 5:7→Psalmen 107:29→Psalmen 29:10→Psalmen 89:9→Lukas 8:22→Markus 3:9→Markus 4:1→ — En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde. En zij, de schare gelaten hebbende, namen Hem mede, gelijk Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem. En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzo dat het nu vol werd. En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan? En Hij opgewekt zijnde, bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte. En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof? En zij vreesden met grote vreze, en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn? Jezus had Zich volgens de eerste afdeling van deze derde groep (Hoofdstuk 3: 13-19) een eigen geestelijke familie gevormd door de keuze van de twaalf, die blijvend bij Hem zouden zijn. Hij had vervolgens in de tweede afdeling (Hoofdstuk 3: 20-35) bij deze Zijn geestelijke familie de bloedverwantschap achtergesteld, omdat die op dezelfde toon spraken als Zijn openbare tegenstanders. Hij had hierop in de derde afdeling (Hoofdstuk 4: 1-34) ook de grote menigte van het volk uitwendig door het leren in gelijkenissen voorgesteld als buiten die gemeente staande, waaraan Hij Zich geheel en zonder verberging kon openbaren. Nu volgt volgens de wet van die manier van vertellen, die meer de inwendige ontwikkeling van bepaalde toestanden en betrekkingen beschouwt, dan op de geschiedkundige op elkaar volging van de afzonderlijke gebeurtenissen let, de vaart over de zee, waarbij zich een storm verhief die door het woord van Christus werd gestild. In deze samenhang komt die gebeurtenis voor als een beeld van de toekomstige weg van de discipelen, die zij zonder de onmiddellijke tegenwoordigheid van hun Heere door een vijandige wereld zouden moeten maken en waarover zij hier moesten worden onderwezen in een beeld, zodat zij zouden weten wat voor een Hij is, wiens werk zij geroepen waren te verrichten en welk een macht Hem ten dienste stond. Dat moest al hun vrees voor de vijandige machten met één woord zegerijk verslaan (vgl. MATTHEUS. 8: 18-27. Luk. 8: 22-25).
KruisverwijzingenMattheüs 8:18→Lukas 8:22→Mattheüs 8:23→Johannes 6:1→Markus 8:13→Markus 5:21→Johannes 6:17→Markus 6:45→— En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde.
En op die dag, waarop Hij die rede aan de zee gehouden had, waaruit boven (vs. 30 vv. ) de gelijkenis van het mosterdzaad werd meegedeeld, toen hetavond geworden was, wilde Hij niet naar Kapernaum terugkeren. Daarom zei Hij tot hen, tot Zijn discipelen, van wie het getal toen nog slechts zes bedroeg, Simon, Andreas, Jakobus I, Johannes, Filippus en Bartholomeus of Nathanael: laat ons overvaren over de zee aan de andere kant, naar de zuidelijke oever bij Gadara en geef bevel aan het volk, dat het ook zonder ons naar huis ga.
KruisverwijzingenMarkus 3:9→Markus 4:1→Markus 5:2→Markus 5:21→— En zij, de schare gelaten hebbende, namen Hem mede, gelijk Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem.
En zij, gehoorzaam aan dat bevel, lieten de menigte achter, namen Hem mee zoals Hij in het schip was, zonder dat Hij nog eerst aan land was gegaan of zij zich verder voor de vaart hadden ingericht. Intussen had zich een schriftgeleerde aangeboden om mee te gaan. Terwijl Jezus deze afwees, riep Hij een andere, namelijk Thomas om Hem na te volgen (MATTHEUS. 8: 19-22). Nadat de Heere Zich, om van de vermoeienis van de dag uit te rusten, naar het achterdeel van het schip had begeven, voeren zij af en er waren nog andere scheepjes met Hem, die eveneens de vaart over de zee wilden maken, al was het ook met een ander doel.
Het is duidelijk dat de Evangelist in vs. 35 niet die dag kan bedoelen waarvan hij in vs. 1 gesproken heeft; want de uitdrukking in vs. 36 : “Zij namen Hem mee, zoals Hij in het schip was, ” wijst aan, dat de Heere in het achterdeel van het schip, zich op het daar aanwezige kussen uitstrekkend, snel in slaap is gevallen (vs. 38). Tot een samenspraak met de discipelen over de gelijkenissen, zoals die op de in vs. 1 aangewezen dag na het heengaan van het volk gevolgd is (vs. 10. MATTHEUS. 13: 10 en 36 Luk. 8: 9), was dus op de in vs. genoemde dag geen tijd of gelegenheid. Nu heeft toch de Evangelist door het “weer” in vs. 1 te kennen gegeven dat vroeger al eens een dergelijke toestand had plaats gehad als die van welke hij daar uitging. Die vorige prediking aan de zee, waarop hij tot hiertoe slechts gewezen heeft, vervolgt hij dan hier verder en de laatste is zozeer in zijn gedachte, dat hij begint te vertellen: “En op die dag enz. “
KruisverwijzingenJob 1:19→Mattheüs 8:23→2 Korinthe 11:25→Lukas 8:22→Job 1:12→Psalmen 107:23→Handelingen 27:14→Handelingen 27:41→— En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzo dat het nu vol werd.
En er kwam, toen zij al midden op de zee waren, een grote storm van wind en de golven sloegen over in het schip, zodat het nu vol werd en er gevaar ontstond van zinken (Jona1: 4).
Kruisverwijzingen1 Petrus 5:7→Hebreeën 4:15→Psalmen 77:7→1 Koningen 18:27→Jesaja 64:12→Jesaja 54:6→Jesaja 63:15→Psalmen 44:23→— En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan?
En Hij was in het achterschip, slapend op een oorkussen (Jon. 1: 5); en zij wekten Hem en zeiden tot Hem: Meester! bekommert het U niet dat wij vergaan?
KruisverwijzingenPsalmen 107:29→Psalmen 29:10→Psalmen 89:9→Psalmen 65:7→Job 38:11→Spreuken 8:29→Psalmen 93:3→Nahum 1:4→— En Hij opgewekt zijnde, bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte.
En Hij werd wakker a) en bestrafte de wind en zei tot de zee: Zwijg! wees stil! (vgl. bij MATTHEUS. 8: 26). En de wind ging liggen en er kwam grote stilte.
Job 26: 12. Ps. 107: 29. Jes. 51: 10.
KruisverwijzingenJesaja 43:2→Mattheüs 16:8→Mattheüs 14:31→Lukas 8:25→Johannes 6:19→Mattheüs 8:26→Mattheüs 6:30→Jesaja 42:3→— En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof?
En Hij zei tot hen, zodra zij Hem gewekt hadden (vs. 38. MATTHEUS. 8: 26). Waarom bent u zo vreesachtig? en later nadat Hij hulp had verleend (Luk. 8: 25): Hebt u geen geloof?
Een wederkerig verwijt! De discipelen doen de Heere het ongegronde en oneerbiedige verwijt van zorgeloosheid; Hij van Zijn kant doet hen het verwijt van bevreesdheid, van gebrek aan geloof. Zij spreken hun verwijt voorbarig uit, voordat zij de beslissing van de Heere hebben afgewacht. Christus spreekt het Zijne pas volledig uit nadat Hij geholpen heeft. Dit feit wordt dikwijls herhaald in de grote noden van de Kerk, zowel als bij de moeilijkheden van het leven van de Christenen.
KruisverwijzingenLukas 8:25→1 Samuël 12:24→Psalmen 89:7→Mattheüs 14:32→Mattheüs 8:27→1 Samuël 12:18→Job 38:11→Maleachi 2:5→— En zij vreesden met grote vreze, en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?
En zij vreesden met grote vreze en zeiden tot elkaar: Wie is toch deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn.
“Wie is toch deze?” vragen zij, terwijl zij uit hetgeen zij zo even gezien en ondervonden hebben, gevolgtrekkingen maken, als wilden zij zeggen: waarvoor hebben wij, naar aanleiding van het gebeurde, deze te houden?
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Markus 4
Markus 4:1.KruisverwijzingenMarkus 2:13→Lukas 5:1→Lukas 8:4→Mattheüs 13:1→Markus 3:7→
— En Hij begon wederom te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, alzo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee.
“En Hij begon wederom te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, alzo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee.”
U kunt zich dat toneel gemakkelijk voorstellen. De Meester zit neer in het schip, met een kleine ademruimte water tussen Hemzelf en de schare. En dan de menigte op de oplopende oever, de een boven de ander, allen starend naar de Leraar Die neerzat en hen onderwees.
Moet u hier in het gedrang stáán? Bedenk dan dat in die dagen de hoorders allen stonden en alleen de prediker zat; dat verzoent u misschien met uw plaats.
Markus 4:2-3.KruisverwijzingenMarkus 3:23→Mattheüs 13:34→Markus 4:11→Mattheüs 13:10→Mattheüs 13:3→1 Korinthe 3:6→Lukas 8:5→Johannes 4:35→
— En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zeide in Zijn lering tot hen: Hoort toe: ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.
“En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zeide in Zijn lering tot hen: Hoort toe: ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.”
Hij ging niet uit om zichzelf te vertonen, of om de mensen te laten zien hoe behendig hij was in de kunst van het zaaien. Hij ging uit om te zááien.
En zo behoort elke ware prediker uit te gaan met dit ene doel: het goede zaad van het Koninkrijk breeduit te strooien. Hij moet proberen het toegang te verschaffen tot de harten van zijn hoorders.
Markus 4:4.KruisverwijzingenMattheüs 13:19→Genesis 15:11→Mattheüs 13:4→Lukas 8:12→Lukas 8:5→Markus 4:15→
— En het geschiedde in het zaaien, dat het ene deel zaads viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen, en aten het op.
“En het geschiedde in het zaaien, dat het ene deel zaads viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen, en aten het op.”
Daar kon hij niets aan doen. Het was niet zijn schuld, maar de schuld van de weg en van de vogels.
Zo is het ook wanneer het Woord van God de toegang tot het hart van de mensen geweigerd wordt. De prediker zal door zijn Meester niet gelaakt worden, als hij het maar getrouw gepredikt heeft. De schuld ligt tussen het harde hart dat het zaad niet binnen wil laten, en de duivel die kwam en het wegnam.
Markus 4:5.KruisverwijzingenAmos 6:12→Ezechiël 36:26→Lukas 8:13→Hosea 10:12→Ezechiël 11:19→Lukas 8:6→Mattheüs 13:20→Mattheüs 13:5→
— En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.
“En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.”
Mensen met een oppervlakkig karakter zijn dikwijls heel snel in het ontvangen van godsdienstige indrukken. Maar zij verliezen ze even snel weer. Wie haastig en opvliegend zijn, laten zich even gemakkelijk de verkeerde kant op keren als de goede.
Markus 4:6-8.KruisverwijzingenJohannes 15:5→Jeremia 4:3→Jakobus 1:11→Genesis 3:17→Kolossenzen 1:6→Genesis 26:12→Markus 4:20→Jona 4:8→
— Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord. En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht. En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies; en het ene droeg dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud.
“Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord. En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht. En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies; en het ene droeg dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud.”
God zij daarvoor gedankt! Er waren drie mislukkingen, maar er was één succes. Of misschien mogen wij juister zeggen: drie successen.
Er waren drie soorten grond die niets opleverden. Maar ten slotte kwam de zaaier bij een stuk bodem dat goed toebereid was en daarom goede aarde was, en dat vrucht droeg. Al wisselde de hoeveelheid ook daar: het een dertig, en het een zestig, en het een honderd.
Markus 4:9.KruisverwijzingenMattheüs 11:15→Markus 4:23→Mattheüs 13:9→Openbaring 3:6→Openbaring 3:13→Mattheüs 15:10→Markus 7:14→Lukas 8:18→
— En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.
“En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.”
Sommige mensen hebben oren, maar zij hebben geen oren om te horen. Zij hebben oren, maar zij sluiten die voor wat zij horen moesten. Is iemand werkelijk bereid naar de waarheid te luisteren, dan helpe God hem luisteren met heel zijn hart, en geestelijk.
Markus 4:10-12.KruisverwijzingenJesaja 6:9→Jeremia 5:21→Jesaja 44:18→Deuteronomium 29:4→Mattheüs 13:14→1 Timotheüs 3:7→Mattheüs 11:25→2 Timotheüs 2:25→
— En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis. En Hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maar dengenen, die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen; Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden.
“En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis. En Hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maar dengenen, die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen; Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden.”
Deze verblinding was als een oordeel over de Joden gekomen. Zij hadden hun ogen zo lang voor het licht gesloten dat God ze ten slotte sloot, en zij verblind waren.
Zij hadden geweigerd acht te geven op zoveel boodschappen die de grote God hun gezonden had. Ten slotte werd dit vonnis over hen uitgesproken als straf voor hun zonde: dat zij in hun zonden zouden sterven. Zelfs de prediking van het Woord door de mond van de Heere Jezus Zelf zou hun niet baten.
Dat is een van de vreselijkste oordelen die iemand ooit kunnen treffen. Het gebeurt wanneer God zelfs een vloek legt op iemands zegeningen, en wanneer het evangelie een “reuk des doods ten dode” wordt, terwijl het een “reuk des levens ten leven” moest zijn.
Markus 4:13.KruisverwijzingenOpenbaring 3:19→Mattheüs 16:8→1 Korinthe 3:1→Markus 7:17→Mattheüs 13:51→Lukas 8:11→Lukas 24:25→Mattheüs 15:15→
— En Hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan?
“En Hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan?”
Het is alsof Hij zegt: dit is een van de eenvoudigste gelijkenissen van alle. Verstaat u deze gelijkenis niet, wat zult u dan wel verstaan?
Markus 4:14-15.KruisverwijzingenMattheüs 13:37→Markus 2:2→Openbaring 20:10→Openbaring 20:2→1 Petrus 5:8→Openbaring 20:7→Lukas 1:2→Jesaja 32:20→
— De zaaier is, die het Woord zaait. En dezen zijn, die bij den weg bezaaid worden, waarin het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zo komt de satan terstond, en neemt het Woord weg, hetwelk in hun harten gezaaid was.
“De zaaier is, die het Woord zaait. En dezen zijn, die bij den weg bezaaid worden, waarin het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zo komt de satan terstond, en neemt het Woord weg, hetwelk in hun harten gezaaid was.”
Er is altijd een vogel waar een zaadje op de weg ligt, en er is altijd een duivel waar een preek gehoord maar niet in het hart opgenomen wordt.
“Zo komt de satan terstond”, staat er. Hij is heel voortvarend. Wij mogen uitstellen, maar de duivel doet dat nooit.
Markus 4:16-17.KruisverwijzingenMarkus 6:20→1 Thessalonicenzen 3:3→Mattheüs 11:6→Mattheüs 12:31→Lukas 8:13→Johannes 5:35→Mattheüs 13:20→Ezechiël 33:31→
— En dezen zijn desgelijks, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden; welke, als zij het Woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen; En hebben geen wortel in zichzelven, maar zijn voor een tijd; daarna, als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo worden zij terstond geergerd.
“En dezen zijn desgelijks, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden; welke, als zij het Woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen; En hebben geen wortel in zichzelven, maar zijn voor een tijd; daarna, als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo worden zij terstond geergerd.”
Dit zijn de mensen die het hart van ernstige dienaren verontrusten en bedroeven. Er zijn opwekkingspredikers die nooit ergens komen zonder dat er heel wat mensen naar voren komen om te zeggen dat zij bekeerd zijn.
Ik ken een stad waar volgens de berichten van sommige predikers elke avond zoveel belijdende bekeerlingen waren, dat alle inwoners van die stad bekeerd moesten zijn. En nog een flink aantal uit de omliggende dorpen erbij. Maar niemand kan hen nu terugvinden. Wáren zij bekeerd? Ik geloof het niet.
Toch zit er ook in zulk werk iets goeds. De zaaier in de gelijkenis wordt niet gelaakt omdat zijn werk zo vluchtig bleek; hoe kon hij dat voorkomen? Omdat de bodem zo ondiep was, kwam de schijnbare uitkomst heel snel, en de teleurstelling kwam even snel.
Ik vertrouw, lieve vrienden, dat u nooit tevreden zult zijn met een tijdelijke godsvrucht, met lichte indrukken die snel ontvangen en snel weer verloren zijn. Er moet een openbreken komen van de ijzeren korst van het hart, en een uitrukken van de rotsen die onder de bodem liggen. Anders komt er geen oogst voor God.
Markus 4:18-19.Kruisverwijzingen1 Timotheüs 6:17→1 Timotheüs 6:9→1 Johannes 2:15→1 Petrus 4:2→2 Timotheüs 4:10→Mattheüs 13:22→Jeremia 4:3→Lukas 8:14→
— En dezen zijn, die in de doornen bezaaid worden, namelijk degenen, die het Woord horen; En de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.
“En dezen zijn, die in de doornen bezaaid worden, namelijk degenen, die het Woord horen; En de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.”
Het zaad kan in zo’n bodem niet groeien. De ene mens heeft het te druk, de ander gaat geheel op in het vermaak; sommigen zijn te trots op zichzelf, of zelfs op de kleren die hen bedekken. Hoe kan er plaats voor Christus in de herberg zijn wanneer die vol andere gasten zit?
Markus 4:20.KruisverwijzingenMarkus 4:8→Romeinen 7:4→Johannes 15:4→Genesis 26:12→Filippenzen 1:11→Mattheüs 13:23→Kolossenzen 1:10→Lukas 8:15→
— En dezen zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het Woord horen en aannemen, en dragen vruchten, het ene dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud.
“En dezen zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het Woord horen en aannemen, en dragen vruchten, het ene dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud.”
Alle bekeerlingen zijn niet even goed. Ik vrees dat er in onze gemeenten een groot aantal dertigvoudige mensen is. Wij zijn blij dat wij hen hebben, maar het zijn geen blinkende christenen.
Och, dat wij zestigvoudige bekeerlingen kregen, mensen die geschikt zijn om leiders in de gemeente van God te zijn! En komen wij aan honderdvoudig toe, dan verheugen wij ons pas werkelijk.
Dit honderdvoudige zaad draagt in zich het vermogen tot een bijna onbegrensde vermenigvuldiging. Bij de eerste zaaiing krijgen wij een honderdvoudige opbrengst; maar wat komt er van de volgende, en de volgende, en de volgende? God zende ons dit slag koren, en moge het rijkelijk zijn!
Markus 4:21.KruisverwijzingenMattheüs 5:15→Lukas 11:33→Lukas 8:16→1 Korinthe 12:7→Efeze 5:3→Jesaja 60:1→Filippenzen 2:15→
— En Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de koornmaat of onder het bed gezet worde? Is het niet, opdat zij op den kandelaar gezet worde?
“En Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de koornmaat of onder het bed gezet worde? Is het niet, opdat zij op den kandelaar gezet worde?”
Dit koren is dus bedoeld om gezaaid te worden; het Woord van God is bedoeld om verbreid te worden. Wordt een kaars gebracht om onder een korenmaat of onder een bed gezet te worden?
Werd zij onder een bed gezet, dan zou zij het bed in brand steken. En zo is er, als u ware genade in uw hart hebt, niets dat haar licht smoren kan. Het vuur en het licht samen zullen zich een weg naar buiten banen.
Markus 4:22-23.KruisverwijzingenLukas 8:17→Handelingen 4:20→Markus 4:9→Mattheüs 11:15→Handelingen 20:27→Prediker 12:14→Psalmen 40:9→1 Korinthe 4:5→
— Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen. Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.
“Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen. Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.”
Vertel dan uit wat God u verteld heeft, en laat iedereen van u de waarheid horen zoals u die zelf gehoord hebt. Zie eens wat een samengestelde rente er ligt in deze gezegende handel voor Christus.
Markus 4:24-25.KruisverwijzingenMattheüs 7:2→Mattheüs 13:12→2 Petrus 2:1→Lukas 8:18→Lukas 6:37→2 Korinthe 9:6→Handelingen 17:11→Johannes 10:16→
— En Hij zeide tot hen: Ziet, wat gij hoort. Met wat maat gij meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden. Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.
“En Hij zeide tot hen: Ziet, wat gij hoort. Met wat maat gij meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden. Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.”
Wordt het evangelie niet aangenomen, weigert iemand het, dan wordt het voor hem een werkelijk verlies. Er is een manier waarop het zo werkt dat wat iemand meende te hebben verdwijnt. Sommigen zijn slechter geworden door de prediking van dat Woord dat hen beter had moeten maken. Moge het met niemand van ons zo gaan!
Markus 4:35-36.KruisverwijzingenMattheüs 8:18→Lukas 8:22→Markus 3:9→Markus 4:1→Mattheüs 8:23→Johannes 6:1→Markus 5:2→Markus 8:13→
— En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde. En zij, de schare gelaten hebbende, namen Hem mede, gelijk Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem.
“En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde. En zij, de schare gelaten hebbende, namen Hem mede, gelijk Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem.”
Zij lieten de schare weten dat Christus hun die dag geen onderwijs meer geven zou en dat zij beter naar huis konden gaan. Er zijn predikers met grote gaven van verstrooiing; die hebben niet veel tijd nodig om een gemeente uiteen te doen gaan. Maar ik verwacht dat de discipelen van Christus het geen lichte taak vonden de scharen weg te zenden die naar de wonderlijke woorden van hun Meester geluisterd hadden.
Christus was die avond de opperbevelhebber van het meer van Galilea, en Hij had een heel vlootje schepen om Zijn vlaggenschip heen.
Markus 4:37.KruisverwijzingenJob 1:19→Mattheüs 8:23→2 Korinthe 11:25→Lukas 8:22→Job 1:12→Psalmen 107:23→Handelingen 27:14→Handelingen 27:41→
— En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzo dat het nu vol werd.
“En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzo dat het nu vol werd.”
Het meer is onderhevig aan heel plotselinge en hevige stormen. Het ligt in een diepe holte. Uit de omringende kloven en dalen komt de lucht met een geweldige vaart naar beneden, zoals men die zelfs op een echte zee zelden ondervindt.
Mij is verteld dat op sommige meren de wind soms uit drie of vier hoeken tegelijk komt, waarbij de boot in haar geheel uit het water getild wordt. Soms lijkt het wel of het water zelf omhooggeheven wordt, met de boot en alles wat erin is.
Zij zullen de boot ongetwijfeld uit alle macht leeggehoosd hebben en hun best gedaan hebben om te voorkomen dat zij zonk. En toch liep het schip vol. Maar waar was hun Heere en Meester, en wat deed Hij terwijl de storm woedde?
Markus 4:38.Kruisverwijzingen1 Petrus 5:7→Hebreeën 4:15→Psalmen 77:7→1 Koningen 18:27→Jesaja 64:12→Jesaja 54:6→Jesaja 63:15→Psalmen 44:23→
— En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan?
“En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan?”
Hij was volkomen thuis op de wilde golven, als iemand die gewiegd wordt in de wieg van de diepte. Want wind en golven waren niet meer dan de knechten van Zijn Vader, die Zijn bevelen gehoorzaamden.
Hij lag in het achterschip te slapen op een oorkussen, ongetwijfeld vermoeid en versleten van de arbeid van die dag. Wij denken niet altijd genoeg aan de vermoeidheid van het menselijk lichaam van Christus.
Er was niet alleen de inspanning van het prediken. Zijn prediking was zo vol verheven gedachten, en de uitdrukkingen die Hij gebruikte waren zo zwanger van betekenis. Het moet Hem veel gekost hebben zo uit het hart te preken, met een innige zielsangst en met Zijn verstand voortdurend in de weer.
Bedenk dat Hij waarlijk mens was zowel als de Zoon van God. Wat Hij deed was van zo’n hoge orde dat niemand van ons het bereiken kan, en het moet Hem uitgeput hebben. Daarom had Hij slaap nodig om Zich te verkwikken. En daar nam Hij die wijselijk, en diende Hij God door vast te slapen en Zich zo voor te bereiden op de arbeid van de volgende dag.
Markus 4:39.KruisverwijzingenPsalmen 107:29→Psalmen 29:10→Psalmen 89:9→Psalmen 65:7→Job 38:11→Spreuken 8:29→Psalmen 93:3→Nahum 1:4→
— En Hij opgewekt zijnde, bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte.
“En Hij opgewekt zijnde, bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte.”
De wind was onstuimig en luidruchtig, en Hij gebood die de wil van zijn Meester te gehoorzamen. Kunt u zich niet bijna verbeelden dat u die gebiedende stem hoort, gericht tot de razende, brullende, oproerige winden en golven?
Niet alleen werd de wind tot rust gebracht en de zee in slaap gesust, maar een diepe, dode, geheimzinnige stilte veranderde het meer in een gesmolten spiegel.
Wanneer Christus wind en golven stilt, is het een grote stilte. Hebt u ooit een grote stilte gevoeld? Het is veel meer dan gewone gemoedsrust. Het is voor uw hart alsof er geen mogelijkheid tot vrees meer bestaat. Uw moeiten zijn zo volkomen weg dat u zich ze nauwelijks herinneren kunt. Er is niemand dan de HEERE Zelf Die zo spreken kan dat er een grote stilte komt.
Markus 4:40-41.KruisverwijzingenJesaja 43:2→Mattheüs 16:8→Mattheüs 14:31→Lukas 8:25→1 Samuël 12:24→Psalmen 89:7→Mattheüs 14:32→Johannes 6:19→
— En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof? En zij vreesden met grote vreze, en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?
“En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof? En zij vreesden met grote vreze, en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?”
Toen Hij de winden en de golven tot bedaren gebracht had, moest Hij nog tot een ander wispelturig gezelschap spreken, wispelturiger dan wind of golven.
Zij gingen van de ene vrees over in de andere. Maar deze keer was het de vrees van het ontzag: een gewijde huivering over wat er gebeuren kon met een schip dat zo’n geheimzinnige Persoon aan boord had.
Waarschijnlijk was er in hun gemoed geen vrees voor de dood. Maar het scheen hun een ontzagwekkende zaak in de tegenwoordigheid te leven van Iemand Die zo’n macht had over de razende elementen. Gezegende God en mens, wij aanbidden U!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-34.KruisverwijzingenJohannes 15:5→Markus 2:13→Jeremia 4:3→Lukas 5:1→Markus 3:23→Mattheüs 13:34→Markus 4:11→Mattheüs 13:19→
— En Hij begon wederom te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, alzo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee. En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zeide in Zijn lering tot hen: Hoort toe: ziet, een zaaier ging uit om te zaaien. En het geschiedde in het zaaien, dat het ene deel zaads viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen, en aten het op. En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had. Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord. En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht. En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies; en het ene droeg dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud. En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore. En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis.
De Evangelist gaat verder in chronologische samenhang te verhalen hoe Jezus weer aan de zee het volk geleerd heeft. Als Hij het doet van het schip, waar zich de discipelen in Zijn onmiddellijke nabijheid bevinden, terwijl het volk op de oever staat, is al uiterlijk een onderscheid teweeg gebracht tussen degenen die binnen en degenen die buiten zijn. Als Hij het volk alleen door gelijkenissen het geheim van het Godsrijk verkondigt, maar de discipelen ook het verstand voor deze gelijkenissen opent, hen tevens hun roeping voor de wereld en de toekomstige, hogere gaven voor die roeping aanwijzend, maakt Hij ook inwendig scheiding tussen degenen die zich buiten en degenen die zich binnen het rijk van God bevinden. Hij karakteriseert nu hen die Hij in de vorige afdeling Zijn familie of betrekkingen noemde als Zijn gemeente of kerk.
En Hij begon op de namiddag van die dag, op welke het in Hoofdst. 3: 20 vv. vertelde, was voorgevallen, weer te leren rondom de zee bij Bethsaida. En er vergaderde, zodra Zijn tegenwoordigheid daar bekend was geworden, een grote menigte bij Hem, zodat Hij, in het schip gegaan zijnde dat de discipelen voor dergelijke gevallen gereed hielden (Hoofdstuk 3: 9), was op de zee; en de gehele menigte was op het land aan de zee.
En Hij leerde hen veel dingen door gelijkenissen. En Hij zei in Zijn lering, de hoofdinhoud in één gelijkenis samenvattende, tot hen:
Door deze, voor Markus eigenaardige uitdrukking (vgl. Hoofdstuk 12: 38) wordt gezegd dat het volgende slechts een stuk is uit de voordracht van Jezus dat bij wijze van voorbeeld wordt aangehaald. Dit wordt vervolgens met een “Hoort toe” ingeleid, een oproep die bijzonder tot opmerkzaamheid dringt, alsof een al vooraf besproken zaak nu ten slotte haar uitdrukking zal vinden. Wij zullen ons niet vergissen wanneer wij de opzettelijke mededeling dat Jezus, afgezonderd van de dicht op elkaar gedrongen menigte, Zijn standpunt heeft gehad en van daar tot deze bonte massa dezelfde rede uit Zijn mond gekomen is, voor een opzettelijke illustratie tot de volgende parabel houden en aannemen dat een juiste beschouwing omtrent Zijn ogenblikkelijke verhouding tot de menigte Jezus deze rede in de mond gelegd heeft, zodat Hij daarin het wezen van Zijn verkondiging, zoals Hij die op dat ogenblik volbrengt, heeft willen voorstellen. In parabolische d. i. in indirecte vorm drukt Hij Zijn gedachten uit: want “parabel”, de vergelijking van twee zaken, is in het Nieuwe Testament een kunstige uitdrukking voor zo’n voorstelling van de waarheid waarbij het gezegde, omdat het de hoorder evengoed als de spreker bekend is en daarvan in zijn eerste betekenis geen doel van de mededeling kan zijn, vanzelf ertoe dringt het op een ander gebied over te brengen, om de eigenlijke mening van de spreker te vatten. Deze wil namelijk wat op algemeen bekend gebied voorkomt ook op iets anders, dat hij in de gedachte heeft, toepassen en zo vormt hij een gelijkstelling, een parabel.
Hoor toe: zie, een zaaier ging uit om te zaaien.
En het gebeurde tijdens het zaaien, dat het ene deel van het zaad bij de weg viel die langs de akker liep; en de vogels van de hemel kwamen en aten het op, of het werd vertrapt.
En het andere viel op het steenachtige, op rotsachtige grond, waar het niet veel aarde had boven de harde ondergrond; en het ging meteen op, omdat het geen diepte van aarde had, maar gemakkelijk voor de dag kon komen.
Maar toen de zon opgegaan was is het verbrand geworden en omdat het geen wortel had is het verdord.
En het andere viel in de doornen, op land dat zaden van doornen in zich had en de doornen bloeiden op en verstikten het en het gaf geen vrucht.
En het andere viel in de goede aarde en gaf vrucht, die opging en bloeide; en het ene droeg dertig en het andere zestig en het andere honderdmaal 13: 9″); elke zaadkorrel gaf zoveel keren opbrengst.
De reeks van gelijkenissen over het koninkrijk der hemelen begint met het woord en met de geschiedenis van geloof en ongeloof daarin; hoe de mens het aanneemt en verwerpt, hoe hij het in lief en leed vast houdt of laat varen. Evenals hetzelfde zaad een geheel andere geschiedenis bevat en iets geheel anders wordt, naardat het of op de weg valt, of op de dode, met weinig aarde bedekte steen, of onder de doornen geworpen, of in goed land uitgezaaid wordt, zo is ook de geschiedenis en werking van het woord Gods geheel verschillend naar de verschillende toestand van het menselijk hart, zoals die onder deze beelden wordt voorgesteld.
En Hij zei tot hen, nadat Hij die gelijkenis geeindigd had: Wie oren heeft om te horen, die horen. Daardoor wekte de Heere tot nadenken over de gelijkenis, terwijl Hij om het gewicht daarvan door een Hoort toe (vs. 3) hen gedrongen had om Hem met ingespannen opmerkzaamheid aan te horen.
En toen Hij daarna het volk had laten heengaan en nu alleen was, vroegen degenen, die om Hem heen waren, die tot Zijn vertrouwde discipelen, behalve de eigenlijke apostelen, behoorden, met de twaalf naar de gelijkenis, wat de eigenlijke bedoeling daarvan was (Luk. 8: 9).
En Hij zei tot hen: a) Het is u gegeven de verborgenheid van het koninkrijk Gods te verstaan; b) maar degenen die buiten zijn, gebeuren al deze dingen die hen van dit geheim moeten worden meegedeeld door gelijkenissen, onder de verberging van de parabolische leervorm.
Matth. 11: 25. 2 Kor. 2: 14. b) 2 Kor. 3: 14.
a)Opdat zij, gelijk in Jes. 6: 9 vv. te voren verkondigd is, ziende zien en niet bemerken en horende horen en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd bekeren voordat het in Jes. 6:10 aangekondigde gericht ten einde toe is volvoerd en hun de zonden vergeven worden (MATTHEUS. 13: 10-15).
Joh. 12: 40. Hand. 28: 26. Rom. 11: 8.
In Hoofdst. 3: 9 vv. heeft de Evangelist slechts indirect aangeduid in hoeverre het met de grote, naar wonderen begerige menigte nu al zo ver was gekomen dat de Heere hen als “die buiten zijn” moest noemen. Terwijl Hij vervolgens in Hoofdst. 3: 21 vv. de Zijnen in parallel plaatst tegenover de openbare tegenstanders en lasteraars, breidt Hij de kring van deze daar buiten staanden zo ver uit dat die eigenlijk het gehele Israël omvat, dat naar zijn grootste getal ongelovig bleef en met zijn geestelijke leidslieden gemeenschappelijke zaak maakte, zodat het rijk Gods van de Joden moest worden weggenomen en aan de heidenen gegeven werd. De moeder en broeders van Jezus zijn hier een afbeeldsel van degenen die Jezus toebehoorden naar het vlees (Rom. 9: 3) en van welke Hij zich los had moeten verklaren. Het scheepje op de zee is een afbeeldsel van de kerk, die met het kleine overschot van de geredden uit Israël zich tot de heidenen gekeerd heeft, waarbij het buiten beschouwing blijft dat de moeder en broeders later toch ook tot dit kleine overblijfsel behoorden. (Hand. 1: 13 v. ). Het is duidelijk dat de toenmalige toestand tot zo’n manier van beschouwing aanleiding gaf. Het “opdat” in vs. 12 is op te nemen als middendoel, niet als einddoel; men heeft hier een goddelijke straf op het oog, die de bestemming heeft om op te voeden.
En Hij zei tot hen, als antwoord op hun vraag om verklaring van de zin van de gelijkenis over het ene zaad en de verschillenden grond: Weet gij deze gelijkenis niet? en hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan, die Ik verder gezegd heb (MATTHEUS. 13: 24-30. Mark. 4: 26-29) en die Ik in het vervolg nog zal uitspreken? U is het echter gegeven de verborgenheden van het koninkrijk Gods te weten, hoe zou Ik u dan de gewenste verklaring willen onthouden?
Het antwoord, dat in de samenhang ligt en door Jezus feitelijk meteen op deze vraag gegeven werd, is: “Ik zal u haar verklaren. ” Dit komt geheel overeen met de inhoud van vs. 11 v. , want hen is het gegeven de verborgenheid van het Godsrijk te weten, niet zodat zij die zonder verklaring al vanzelf zouden verstaan, maar zodat het hen verklaard moet worden, terwijl dat aan de anderen niet ten dele wordt. De vraag bevat dus niet een berisping van de discipelen, zoals men veelal heeft aangenomen en zo de zin voor geheel ongepast heeft uitgegeven, maar zij brengt hen hun behoefte tot bewustzijn, erkent de noodzakelijkheid van de bevrediging en belooft die voor dit evenals voor alle gevallen, die komen zullen (vs. 34). De gelijkenis nu waarover in de eerste plaats gehandeld wordt, is de grondsteen voor alle volgende. Verstaan zij deze niet, zo zullen zij in het algemeen er geen verstaan, maar met de verklaring van deze is hen ook de sleutel tot het verstaan van de anderen gegeven.
De zaaier die in vs. 3 bedoeld is, is die het woord zaait; er is dus een prediker van het Evangelie bedoeld en wel in de eerste plaats de grootste en voornaamste onder hen, Christus, de Heere.
En deze zijn die bij de weg gezaaid worden; deze moeten verstaan worden onder het zaad dat op de weg viel, al degenen 13: 23″) waarin het woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben komt de satan meteen en neemt het woord weg dat in hun harten gezaaid was.
En wat het zaad in vs. 5 aangaat, deze zijn gelijk die op de steenachtige plaatsen gezaaid worden: die als zij het woord gehoord hebben het meteen met vreugde ontvangen;
En hebben geen wortel in zichzelf, maar zijn voor een tijd; daarna als verdrukking of vervolging komt omwille van het woord, zo worden zij meteen geergerd.
En deze zijn (vs. 7) die in de doornen gezaaid worden: namelijk degenen, die het woord horen;
a) En de zorgvuldigheden van deze wereld en de verleiding van de rijkdom en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, zoals zinnelijke lusten, ijdelheid, eergierigheid, enz. , komen en verstikken het woord en hetwordt onvruchtbaar.
MATTHEUS. 19: 23. Mark. 10: 23. Luk. 18: 24. 1 Tim. 6: 9.
En deze zijn (vs. 8) die in de goede aarde gezaaid zijn, welke het woord horen en aannemen en vruchten dragen, het ene dertig-, het andere zestig- en het andere honderdmaal (vgl. bij Luk. 8: 11-15).
Doel van deze parabel is aan te tonen welke toestanden van het menselijk gemoed oorzaak zijn dat het zaad van het goddelijke woord bij zo velen niet wordt opgenomen, of niet bij voortduring opwast en daartegenover wat bij de mensen gevorderd wordt opdat het vrucht zou kunnen voortbrengen. Daarbij wordt dan als verhindering voor het woord Gods genoemd a. stompzinnigheid, waar het in het geheel niet wordt verstaan en zo in het geheel niet tot het hart komt; b. lichtzinnigheid en gebrek aan diepte, waar het wel snel wordt opgenomen, maar de mens het even zo makkelijk laat varen, wanneer enige opoffering nodig wordt; c. wereldsgezindheid, die slechts op het aardse gericht is.
Zo begon de Heere op de terugweg naar Kapernaum hun verstand voor Zijn gelijkenissen te openen. En Hij zei tot hen, om hen te over het doel daarvan: Is de kaars om onder de korenmaat (MATTHEUS. 5: 15) of onder het bed gezet te worden, zodat haar schijnsel verborgen wordt? Is de kaars niet om op een kandelaar te zetten en zo allen te beschijnen die in huis zijn of de kamer binnenkomen (Luk. 8: 16 vv. )?
a)Want er is niets verborgen dat niet geopenbaard zal worden en er is niets gebeurd om verborgen te zijn, maar zodat het in het openbaar zou komen. Zo bent ook u, Mijn discipelen, geroepen om het geheim van het koninkrijk van God door de gehele wereld bekend te maken.
Job. 12: 22. Luk. 12: 2.
Meen niet dat wat Ik u nu in het geheim toevertrouw, terwijl Ik u de kennis van de verborgenheden van het rijk van God openbaar, altijd verborgen zal blijven. Integendeel er is door Mij een licht aangestoken, zodat het door uw dienst de duisternis van de gehele wereld verdrijft.
Het licht dat u van Mij ontvangt, zult u anderen niet onthouden, maar zijn verbreiding bewerken; want zoals niets verborgens bestemd is voor de verborgenheid, maar om openbaar te worden, zo ook het geheim van het Messiasrijk.
Als iemand oren heeft om te horen, die hore; hij verstaat Mijn wil, hoe u zich ten opzichte van de behandeling van de u medegedeelde geheimen te gedragen hebt.
Dak en markt zijn de loge van de vrij-timmerman van Nazareth.
God geeft niemand het licht van Zijn kennis alleen tot zijn eigen nut, maar tot nut van het algemeen. 1 Kor. 12: 7.
En Hij verbindde met deze aanwijzing ook een vermaning en zei tot hen: Zie wat u hoort. Met welke maat u meer zal u gemeten worden (MATTHEUS. 7: 2. Luk. 6: 38) en u die hoort zal meer gegeven worden.
Want wie heeft, die zal gegeven worden; en wie niet heeft, van die zal genomen worden ook dat wat hij heeft (MATTHEUS. 13: 12; 25: 29. Luk. 8: 18; 19: 26).
De vermaning: “Zie wat u hoort, ” hangt op het nauwst samen met vs. 23; zij wekt op tot juist verstand en gebruik van de stellingen in vs. 21 en 22. De Heere wil er opmerkzaam op maken dat alles wat nu geheim is tussen Hem en Zijn discipelen, bestemd is om op zijn tijd openbaar te worden. “Wie oren heeft om te horen, die hore, ” voegt Hij er daarom in vs. 23 aan toe, dat is: hij let op hetgeen Ik hem in vs. 21 v. gezegd heb. In een andere uitspraak wordt dit de discipelen nog duidelijker op het hart gedrukt. Hoe gewichtig het juiste toezien, waartoe Hij aanmaant, voor hen is, drukt het gezegde uit: “Met welke maat u meet zal u gemeten worden, ” namelijk zoals u aan anderen het door u verkregen inzicht, volgens de regel van vs. 21 v. , weer toemoet, verder geeft, “zal u gemeten en meer gegeven worden. ” Hoe meer u meedeelt, des te meer zult u ontvangen; hoe ijveriger u uitdeelt wat u toevertrouwd is, des te rijkelijker zal u gegeven worden. Daaraan sluit ter bevestiging vs. 25 goed aan. Slechts hij heeft werkelijk, die er ook gebruik van maakt. Een bezitten zonder gebruiken heeft geen waarde en is ook niet blijvend.
En Hij zei bij Zijn prediking aan de zee (vs. 4 vv. ), het tweede gedeelte daarvan samenvattend in de gelijkenis van het onkruid onder de tarwe (MATTHEUS. 13: 24-30) en hierop het derde deel in de volgende gelijkenis: Het koninkrijk van God lijkt op een mens die het zaad in de aarde wierp;
En daarna sliep en opstond nacht en dag en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist hoe.
28 Want de aarde brengt vanzelf vrucht voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.
En toen de vrucht zich voordeed oogstte hij meteen, omdat de oogsttijd gekomen was (vgl. de verklaring en uitlegging van deze gelijkenis achter MATTHEUS. 13: 46).
In het volgende knoopt Markus aan de beide gelijkenissen die hij uit de tweede prediking van Jezus aan de zee heeft meegedeeld (Markus deelt er in Matth. 13: 3-9, 24-30, 47-50 drie mee, tussen de tweede en derde is de voor ons liggende bij Markus vs. 26 vv. in te lassen, zodat tesamen vier gelijkenissen uit deze tweede prediking ons bekend zijn) nog een andere aan, die echter tot de eerste prediking aan de zee 8: 18) behoort. Zo verkrijgt hij het heilige drietal, terwijl daarentegen Mattheus, die eveneens beide predikingen tot een enkele voorstelling verenigt, zich aan het heilige zevental houdt en met de bovengenoemde drie gelijkenissen uit de tweede prediking, vier uit de eerste prediking verbindt, behalve de volgende van het mosterdzaad nog die van het zuurdeeg, van de verborgen schat in de akker en van de kostbaren parel. Wij hebben, toen wij de gelijkenissen van de tweede prediking bij Mattheus nader bespraken, die van de eerste prediking uitgesteld totdat wij Markus zouden behandelen; wij beginnen nu met die, welke de volgende verzen (vgl. MATTHEUS. 13: 31 en 32. Luk. 13: 18 en 19) ons mededelen. –
En Hij zei bij een vorige gelegenheid, ongeveer 8 maanden vroeger, toen Hij Zich ook in de toestand bevond zoals die in vs. 1 is meegedeeld: Waarmee zullen wij het koninkrijk van God vergelijken, wat de geringheid van zijn aanvang in de wereld aangaat en vervolgens de grootte en algemeenheid bij de verdere voortgang en de laatste ontwikkeling? of met welke gelijkenis zullen wij het vergelijken, het voor ogen stellen?
De toehoorders worden op redenaarswijze gedwongen om na te denken over een gepaste gelijkenis voor de gedachte die uitgedrukt moet worden. Dat is een teken dat wij hier nog met een tijd te doen hebben waarin Jezus Zich niet afgescheiden had van de menigte die Hem navolgde en Zijn woord wilde horen; een tijd waarin Hij Zich nog niet bij Zijn discipelen bepaalde, zoals in vs. 11 v. , maar waarin Hij nog op gelijke voet met allen verkeerde en er op scheen te rekenen dat zij allen zonder uitzondering zich voor het koninkrijk der hemelen zouden laten winnen; een tijd, toen Hij met vol vertrouwen op hun begeerte naar redding en op vatbaarheid voor de verborgenheden van het Godsrijk tot hen kwam.
Namelijk met een mosterdzaad kunnen wij het vergelijken, dat wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van al de zaden die op de aarde zijn, namelijk van de tuingewassen.
En wanneer het gezaaid is en eens uit de grond is opgewassen, gaat het op en wordt het meeste van al de moeskruiden en maakt grote takken, zodat de vogelen van de hemel onder zijn schaduw kunnen nestelen.
Het mosterdzaad is een peuldragend struikgewas dat en in het wild groeit en in het Oosten en Zuiden van Europa om zijn zaad, dat tot specerij dient, verbouwd wordt. In Europa groeit het slechts twee voet hoog; in warme landen schiet het echter werkelijk, vooral onder verzorging van de tuiniers, tot een kleine boom op, zodat zijn stengel zelfs 10 voet hoogte bereikt. De ronde korrels (4-6 in een peul) worden bij de Joden genoemd bij wijze van een spreekwoord voor het kleinste en nietigste (MATTHEUS. 17: 20) en zijn het ook onder de zaadkorrels die in de Israëlitische landbouw voorkomen, hoewel de wetenschappelijke Botaniek zeker nog veel kleinere kent.
Door het mosterdzaad wil de Heere niets anders voorstellen dan het kleine onooglijke begin van het rijk van God; en inderdaad de hele geschiedenis van het Christendom in de wereld en in ieder hart in het bijzonder, is een volkomen verklaring van deze woorden. Hoe klein en onzichtbaar lag, als een mosterdzaad, het zaad van het rijk Gods in de profetieen en voorbereidingen van het Oude Testament verborgen. Toen God onder de boom van Edens hof de gevallen mens de eerste belofte van de slangenvertreder gaf, wie zou in het korte, arme woord zo grote zegenrijke gevolgen hebben kunnen vermoeden, als de latere tijd van de vervulling in de gehele mensheid verwezenlijkte? Vierduizend jaren ligt die zaadkorrel stil onder Adams kinderen, twee duizend jaren onder Abrahams nakomelingen in een hoek van de aarde, onder het kleine, onaanzienlijke, ja verachte volk van de Joden. De overige volken weten en vermoeden niets van de toezeggingen en profetieen, aan dit volk gegeven, noch van de grote verwachtingen die ook hen daardoor zullen worden geschonken. Geen wijze van de oudheid is in staat de beloften na te vorsen, geen vorst en machtige van de aarde kan ze vervullen; verborgen en stil gaan zij hun gang door de eeuwen. Die eeuwen gaan voorbij, de mensengeslachten wisselen elkaar af, als was het zaadje weggewaaid en gestorven. Daar breekt een kiem door, een wonderbaar heerlijke kiem, de gewenste verschijnt om de beloften te vervullen, Christus wordt geboren. Maar hoe klein en onooglijk is weer deze kiem, die uit het mosterdzaadje te voorschijn komt! In een armzalige stal, in een kribbe zelfs te Bethlehem, in de diepste behoefte begroet Hij het licht van deze wereld. Wie zou hebben kunnen vermoeden dat dit kind, onder zulke omstandigheden geboren, eens de wereld zou verlossen, het rijk van God zou stichten, de hemel op aarde zou brengen en de gehele mensheid vernieuwen? Wel hebben er wonderbare gebeurtenissen plaats, tekenen van de hemel bij Zijn geboorte, engelenstemmen prijzen Zijn menswording; maar hoe snel zijn ze vergeten! de volgende dertig jaren gaan voorbij, bijna zonder het minste bericht van Hem! het is als was Zijn naam alweer uitgewist, als behoorde Hij zelfs al lang tot de gestorvenen. Stiller, verborgener, bedekter, ootmoediger kon geen leven en werken beginnen. Het is zo onopgemerkt als wanneer een mens een enkele zaadkorrel van de kleinste soort op zijn akker strooit, waarvan de hele wereld niets merkt. – Nu is het waar, met het dertigste jaar veranderde plotseling de schouwplaats: stemmen van de hemel leiden de Zoon van God bij Zijn doop in het profetenambt in, woorden van de liefelijkste soort en van de rijkste inhoud klinken in het land van de belofte; er gebeuren wonderen, zo groot en bewonderingswaardig als de wereld noch te voren noch later heeft gezien; het hele land is vol van roem over Hem die rondtrekt en weldoet en al het volk hing Hem aan en hoorde Hem graag. Maar toch bleef het over het algemeen bij het oude karakter van onbekendheid. Hoe kort was de tijd van het rondwandelen van de Heere op aarde! Slechts drie jaren duurde Zijn leren en wonderen doen. Hoe arm en eenvoudig was Zijn verschijning ook in die tijd! De vossen hebben holen en de vogels van de hemel nesten, maar de Zoon des mensen heeft niets waarop Hij Zijn hoofd kan neerleggen. Hoe beperkt was de kring van Zijn werkzaamheid! Hij was slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël en bleef daarom in Kanaan, vooral in Galilea, in het kleine Joodse land, onder het verachte Joodse volk. Het machtige Rome, het beschaafde Athene, het rijke Corinthiers vernamen niets van Hem en van Zijn zaak zolang Hij op aarde wandelde.
Hoe onbeduidend was het gevolg van Zijn werken, toen Hij Zijn ogen sloot! twaalf apostelen, zeventig discipelen, later honderd en twintig in Jeruzalem, vijf honderd in Galilea, dat is het hele hoopje dat zich aan Hem overgaf en door het geloof Hem beleed. Onder de groten werd Hij wel door nieuwsgierigheid aangegaapt, maar net zo snel weer vergeten; van de oversten van het volk, van de overpriesters en schriftgeleerden geloofde bijna niemand in Hem. Zie verder dat hoopje van gelovigen, die apostelen aan, die enkelen die onder miljoenen door de macht van de waarheid aangegrepen, door de Geest van God verlicht en gedreven, in de wereld getuigenis aflegden van de Gekruisigde en Herrezene: wat zijn dat voor mensen? Niets dan arme vissers en tollenaars uit de geringste stand, mensen die geen scholen bezochten, geen vorming genoten hebben, die geheel onbekend waren met de wereld en haar toestanden, die geen gunst van een machtige, geen aanbeveling bij de groten van de aarde, geen vurige welsprekendheid noch gave van overreding, geen schatten en rijkdommen, kortom niets bezaten van hetgeen bij de wereld ingang vindt, die niets hadden wat noodzakelijk is om enige zaak in te leiden en door te zetten. En dat alles zouden wij nog willen voorbijzien wanneer slechts in henzelf een grond aanwezig zou zijn waarop de Heere Zijn hemelrijk kon bouwen, een volheid van vatbaarheid en toewijding, een geestdrift en trouw voor Zijn zaak, een heldenmoed die met de Heere en voor de Heere door nood en dood ging. Maar ook van deze voorwaarden, onmisbaar tot stichting van het Godrijk, is niets bij hen aan te treffen. Een onder hen is zelfs een verrader, de ander kan in het uur van het gevaar, ondanks alle vroegere verzekeringen, zijn boven alles geliefde Heere en Meester driemaal verloochenen. Allen tot op een toe gaan op de vlucht en verklaren zich los van Hem, zo wankelmoedig, zo kleingelovig, zo zonder vertrouwen, zo ongeschikt om Hem na te volgen, zo beperkt in hun inzicht lijken zij, dat ieder ander dan de Heere met sidderen en beven hun toekomst tegemoet zou hebben gezien. Echt, geen koning zou zulke mensen tot zijn troepen, geen meester in enige kunst of wetenschap zou zulke mensen tot zijn discipelen gekozen hebben, zoals Christus, de hoogste, ja enige Heere en Meester, met de apostelen gedaan heeft. Hun keus bevestigde wel het apostolische woord: 1 Kor. 1: 26-29 ! – Evenals een mosterdzaad begon het rijk van de Heere in Christus en de apostelen, zoals een mosterdzaadje begint het nog altijd in ons. Kan er een onaanzienlijker begin zijn, dan dat wat het onbewust in de doop bij ons neemt? Waar is het woord van de Heere: “Zalig zijn zij, die niet zien en toch geloven, ” meer dan daar? Uitwendig zien wij niets dan heilige gebruiken en een schijnbaar onvatbaar mensenkind, met sluimerende geesteskrachten, met een ongeschiktheid om in zich op te nemen, zoals zij niet groter kan worden gedacht – en toch is de doop het bad van de wedergeboorte en van de vernieuwing van de Heilige Geest, het verbond van een goed geweten met God. De dopeling wordt niet alleen opgenomen in de zichtbare gemeenschap van de Kerk, maar ook in de onzichtbare gemeente van de heiliging. Wat de belofte van de Messias in het paradijs was voor het pas geschapen mensengeslacht in het algemeen, dat is bij de mens in het bijzonder de doop: het uitstrooien van het mosterdzaad in het menselijk hart (?) Maar ook de wedergeboorte, die in latere levensjaren bij ons met bewustheid tot stand komt, begint zij niet telkens klein en onbemerkt? Het is nu eens een woord van God, dat op Zondag in de kerk of op een andere plaats en op andere tijd, toen wij het in het geheel niet verwachten, diep schokkend in de ziel valt, een klein koorntje, een voorbijgeziene bijbeltekst, een lang vergeten vers – en wij kunnen het niet weer kwijt raken, het klinkt van tijd tot tijd steeds weer in onze oren het buigt ons neer en verheft ons op onweerstaanbare wijze en de verborgen kiem heft eindelijk de aardkorst op. De donkere akker van ons hart en van ons leven begint groen en versierd te worden met de heerlijkheid van de lente. Het is daar een gebeurtenis in ons leven, een ziekte, een onaangename tijding, een sterfgeval, een groot, onverwacht geluk en – ons binnenste is als omgekeerd, het hele leven is opeens uit zijn voegen geweken. Waar vroeger lichtzinnigheid woonde heerst plotseling diepe ernst, in plaats van onverschilligheid omtrent Gods woord heeft liefde tot Hem en vragen, onderzoeken, bidden, verlangen naar Zijn genade het hart vervuld. Het is daar weer het gevoel van het ongenoegzame van alle aardse goederen en vermaken, dat – wij weten zelf niet hoe? -plotseling zonder uitwendige aanleiding in ons ontwaakt is en de eerste lichtstraal is in de duisternis van ons hart gevallen. Of een gedachte, die wij gehoord, misschien zonder opmerkzaamheid gehoord hebben en die nu een waarheid bezit en een kracht uitoefent, dat wij haar plaats moeten geven. Genoeg echter, wat het ook is, het begin van de nieuwe geboorte in het rijk van God is altijd klein. De Heere zegt: “De wind blaast waarheen hij wil en u hoort zijn geluid, maar u weet niet van waar hij komt of waar hij heengaat, zo is een ieder die uit de Geest geboren is.
Kijken wij na 18 eeuwen naar hetgeen uit het eens geplante mosterdzaadje van het hemelrijk, dat zo nietig leek, geworden is, dan moeten wij verwonderd staan over de boom die daaruit is opgewassen en nu al zijn takken over alle delen van de wereld uitbreidt en mensen van alle volken, talen en landen onder zijn schaduw verzamelt. Wie het opmerkt hoe het Christendom, over de gehele aarde verbreid, onder alle hemelstreken, in alle werelddelen aanwezig is, hoe de oorkonden daarvan, de heilige schriften van het Oude en Nieuwe Testament in de talen van bijna alle volken gelezen worden, die moet erkennen dat het woord van de belofte van God aan Abraham tot een licht en een levenswoord van God voor de hele mensheid is geworden; dat hetgeen daar zo bij een enkele, in één familie begon, heerlijker dan een mens het kon denken, tot een goddelijke algemeenheid is verhoogd en nu al echt, zonder pracht of praal, zonder dwang en overijling, een zegen voor alle geslachten van de aarde geworden is, of dat het onaanzienlijke mosterdzaadje van het koninkrijk der hemelen is opgegroeid tot een boom die de aarde overschaduwt. En toch is alles wat tot hiertoe is geworden, nog niet datgene wat het zal worden. Het woord van de gelijkenis: “Wanneer het opgekomen is, dan is het het grootste, ” zal dan pas eigenlijk vervuld zijn en juist worden verstaan wanneer door de verschijning van de toekomst van de Heere, al de grote, kwade, openlijke en geheime hindernissen van waarheid en godzaligheid zijn weggeruimd en voor het koninkrijk der hemelen opnieuw op aarde zo plaats en ruimte gemaakt is, dat het zich naar alle kanten heen ongehinderd kan uitbreiden en met zijn licht en vrede alle volken zalig kan maken. Dat zal gebeuren! Israël naar het vlees, die onder alle volken verbreide getuige van God en Zijn woorden, wordt van zijn blindheid genezen tot een licht van geloof en kennis en zal met een oog van het geloof en aanbidding Hem aanzien, die zijn vaderen hebben doorstoken. Alle heidenen zullen de Heere prijzen en alle volken Hem loven, omdat Zijn genade en waarheid ons door Jezus Christus geworden is en over ons is in eeuwigheid. Halleluja!
“Al is het begin ook nog zo klein, wanneer het uit God is zal het gezegend zijn; ” dat is ook ons gezegd en voornamelijk als waarschuwing voor alle trotse geesten. U, hoogmoedige geesten! die alleen kijkt naar dat wat voor ogen is en slechts waarde hecht aan dat wat glinstert, voor u is het Evangelie van Christus nog vandaag het onaanzienlijke mosterdzaadje zonder gedaante of schoonheid, omdat het niet in het oog valt en geen beweging maakt. Maar ziet toe dat u niet te schande wordt voor Hem, want echt, deze plant, door God geplant, roeit u niet uit en zij groeit alle kool van uw eigen wijsheid te boven, alle laurieren van de door uzelf geplante heerlijkheid. – “God bestrijdt de hovaardige, maar de nederige geeft Hij genade. ” Dat is gezegd tot troost voor alle vrezende zielen. Schaamt u zich over uw eigen geringheid en armoede; vraagt u, hoe zal uit mij arme made nog iets worden tot eer van God en tot roem van Zijn naam; er is toch nauwelijks een zaadje van het nieuwe leven in mij gevallen; mijn geloof, mijn liefde, mijn hoop is nauwelijks een mosterdzaadje, zo nietig en klein en zo snel neergetrapt: zie, wanneer u maar een geloof hebt als een mosterdzaadje, u kunt bergen verzetten; wanneer eenmaal het beginsel van het goddelijke leven in uw hart is gevallen; verzorg het slechts trouw, bid maar dagelijks, waak maar vlijtig en ook in u zal het mosterdzaad tot een boom opwassen. Klein zowel in de wereld daarbuiten, klein ook in het hart, is het begin van het rijk van God, maar uit één ogenblik van genade kan een zaligheid in eeuwigheid opwassen. Een tekst, een vers, een goede gedachte op de juiste tijd in de ziel gevallen en in een rein hart bewaard, kan tot een levensboom worden, die vruchten van de hemel draagt voor u en voor anderen. Ook al is het begin nog zo klein, als het uit God is, het zal voorspoedig voortgaan, dat zij gezegd tot een regel voor allen die iets willen arbeiden voor tijd en eeuwigheid. Wilt u een huis bouwen, begin niet groot en met pronk, maar stil en bescheiden: de ootmoedige geeft God genade. Wilt u een goed werk doen, laat niet voor u trompetten, maar doe het in stilte; de Vader, die in het verborgene ziet, zal het in het openbaar vergelden. Wilt u het rijk van God bevorderlijk zijn voor uw deel, u behoeft geen trotse toren te bouwen en geen prachtige banier te planten; plant het mosterdzaadje van het goddelijke woord in de harten en in de eerste plaats in het uwe, daaruit zal het rijk van God opwassen; daaruit zal groeien gerechtigheid, vrede en vreugde in de Heilige Geest voor u en anderen.
Hier sluiten wij uit MATTHEUS. 13: 33 de gelijkenis van het zuurdeeg aan (vgl. Luk. 13: 20 v. ).
Een andere gelijkenis sprak Hij tot hen die op dezelfde manier begon als de vorige: Het koninkrijk der hemelen lijkt op een zuurdesem die een vrouw nam en verborg in drie maten (Ex 16: 36) meel, totdat het geheel gezuurd was.
De gelijkenis van het mosterdzaad heeft ons getoond hoe het rijk van God op aarde een zeer gering, onaanzienlijk begin had, hoe het echter in zonneschijn en onder stormen opgroeide en wonderbaar toenam, zodat het nu een boom is die zijn takken ver over de wereld uitstrekt. In die gelijkenis wordt ons dus vooral de uitwendige uitbreiding van Christus kerk voor ogen gesteld. De gelijkenis van het zuurdeeg richt daarentegen ons oog voornamelijk op het inwendige Godsrijk, op de werkzaamheid van het Evangelie in de harten van de mensen. Het woord zuurdesem wordt vaak in de Schrift als een beeld gebruikt, maar heeft op andere plaatsen (MATTHEUS. 16: 6. 1 Kor. 5: 6 v. Gal. 5: 9) een kwade betekenis. In onze tekst daarentegen heeft het woord juist een tegenovergestelde een gunstige en heerlijke betekenis, zoals dan ook het zuurdesem op zichzelf niets kwaads, maar iets nuttigs en onontbeerlijks is; hier is daardoor het levende en krachtige woord van God (Hebr. 4: 12) afgebeeld. Het zuurdeeg is bestemd om onder het meel en het Evangelie om in ons hart te komen. De drie schepels meel zijn de menselijke ziel met verstand, gemoed en wil. Wij kunnen echter ook bij het woord “hart” blijven, omdat daarin het hele inwendige wezen van de mens samenkomt.
Het zuurdeeg doortrekt het meel, zo dringt het goddelijke woord door ons binnenste heen. Zie een voorbeeld dadelijk bij die prediking van Petrus op het pinksterfeest, toen het van een groot deel van zijn toehoorders gezegd kon worden (Hand. 2: 37): “Toen zij dit hoorden werden zij verslagen in het hart. ” Het goddelijke woord werkt op de gedachten, op de neigingen, op de voornemens van de mensen. Het dringt om zo te zeggen door alle aders en vezels van het hart heen, ja tot in de leden door. En dit op een verborgen manier. Verborgen maar toch krachtig gaat het zuurdeeg door het meel, zo ook het rijk van God door de harten van de mensen. Daar stond de menigte om de apostelen, toen zij van de gekruisigde en herrezen Zoon van God predikten. Sommigen spotten; die prediking leek hen iets dwaas en verkeerds; zij dachten er in de verte niet aan wat voor machtige werking zij bij anderen kon hebben; maar zie, het woord had onverwacht honderd en duizend harten diep aangegrepen. Hoe het in het verborgene het hart aangrijpt en doordringt, dat de onbekeerde daarvan niets bemerkt en de daarmee vervulde het zelf niet weet hoe hij er van doordrongen wordt, zo moet het aan de andere kant ook zijn kracht, zijn leven in het hart doen voelen, dat het zuurdeeg gisting in het meel brengt. Zo ontstaat met het goddelijk woord een arbeid, een werking in het menselijk hart – dat is nog een bijzonder opmerkelijk punt van vergelijking. Gods woord brengt een gisting teweeg in zondige mensenharten; het voert een strijd daarbinnen. In het bijzonder gist het vaak inwendig bij het begin van een waarachtige bekering, de mens van de zonde in ons en die goddelijke levenskracht kunnen elkaar niet verdragen. Het vlees neigt zich naar de aarde en haar goederen – het goddelijk woord zegt: “Zoek hetgeen daarboven is; ” het vlees begeert naar de onreine begeerlijkheden van de wereld – het goddelijk woord zegt: “Wordt de wereld niet gelijkvormig; ” het vlees denkt: ik wil groot zijn onder de mensen – het goddelijk woord zegt: “Wandel in alle ootmoedigheid; ” – het vlees zegt: “Ach ik kan Christus niet dienen” – het goddelijk woord spreekt: “Hij is uw Heere en Hem zult u aanbidden. ” Zo is alles tegen elkaar. Er ontstaat een hevige strijd, zodat het arme hart vaak zeer bang wordt. Maar eigenlijk is het een blijde gebeurtenis, want het is een teken dat het hemelse element in het hart aanwezig en daarin werkzaam is en het zal tot een liefelijke vrede komen. Het zuurdeeg maakt zich meester van het meel en deelt het een aangenamen smaak mee. Zo wordt het menselijk hart door het Evangelie overwonnen, veranderd, aangenaam en welgevallig voor God, zoals geschreven staat: “Als die wedergeboren zijn uit het levende woord van God – God reinigde hun harten door het geloof – is iemand in Christus, hij is een nieuw schepsel -wij zijn voor God een goede reuk van Christus. ” Intussen moet het zuurdeeg onder het meel gebracht zijn; wanneer het daarnaast, afgescheiden ligt dan ontwaart het meel de kracht niet en wanneer het er niet goed onder gewerkt wordt, wordt het geen goed brood. Zo wordt er ook de mens niet anders en beter van dat zijn bijbel naast hem op de plank of in de kast ligt; en wanneer hij zich onder de prediking begeeft en Gods woord ligt op de kansel, maar het wordt door de prediker niet werkelijk en zuiver weergegeven, dan doet het hem ook geen goed. Daarom is een goede vermenging nodig. De gelijkenis zegt: een vrouw nam het zuurdesem en vermengde die onder het meel totdat het geheel gezuurd was. ” Wie is nu deze vrouw? Het is zeer gepast wanneer wij daaronder de Christelijke kerk als uitdeelster van het goddelijk woord verstaan; zij volbrengt haar ambt door haar dienaren. Zo zijn hier voornamelijk de leraars bedoeld die geroepen zijn om aan de hun toevertrouwde zielen het goddelijk woord te laten horen en dat, voor zover het aan mensen is, in hen te planten. Aan deze wordt hun verheven en heilige plicht voorgehouden om niets anders dan het goede hemelse zuurdeeg, het zuivere woord van God aan de zielen mee te delen, dat zij die niet door schadelijke leringen verderven in plaats van hen tot zaligheid te leiden. Zij worden ook aan hun ernstige plicht herinnerd om, met het ware zuurdeeg in de hand, met het goddelijk woord in de mond, niet lui en nalatig te zijn, maar het gewichtige werk met alle zorgvuldigheid te volbrengen. Zij moeten het krachtige, zaligmakende woord in alle delen van de ziel proberen in te dringen. Zij moeten het verstand verhelderen, het gemoed met troost vervullen, de wil opwekken en ten goede leiden; zij moeten hun rede naar de bijzondere toestanden en behoeften van de hen toevertrouwden inrichten; zij moeten vooral de harde plaatsen in het hart, waar vooroordeel, eigenzinnigheid of een lievelingszonde het hart heeft verhard, moedig aangrijpen, zodat het hart overal voor de levenskrachten toegankelijk wordt. Overigens mogen wij echter niet bij de openbare leraars blijven staan. Er zijn ook in het huisgezin predikers aangesteld, de ouders, die de hunnen van Gods woord, als de nooddruft van de ziel, nog zorgvuldiger hebben te voorzien dan van de lichamelijke behoeften; deze moeten zich aan de vrouw van onze gelijkenis spiegelen. Wanneer nu de openbare en huisonderwijzers hun plicht niet doen, het edele zuurdeeg niet met ijver en trouw tot de hun toevertrouwde zielen brengen of zelfs door woord en wandel de zuurdesem van de valse leer, de zuurdesem van de zonde, van de boosheid en verkeerdheid in hen brengen, hoe zou het kunnen bevreemden wanneer men in een Evangelische gemeente, bij Evangelische kinderen weinig licht en leven van het Evangelie, maar dwaling en dwaasheid, boosheid en verkeerdheid en allerlei zonde en overvloed waarneemt? Wanneer zij echter hun dure plicht behoorlijk volbrengen dan zal zeker een gezegende uitwerking niet achterblijven. O hoe veel goeds en zaligs kan een arm vrouwtje in de kring van haar kinderen werken, wanneer zij er zich op toelegt om voor hun zielen een vrouw uit de gelijkenis te zijn – en aan de zielen van de kinderen moest toch ieder, niet waar? meer zorg besteden, dan op het meel in de trog! Nog een zaak moeten wij behandelen. Wanneer de vrouw het zuurdeeg goed onder het meel vermengd heeft, dan moet het deeg nog staan, zodat de gewenste doorzuring plaats heeft; men mag niet te vroeg brood willen hebben; zo wil ook het goddelijk woord, hoe wonderbaar het door de ziel kan heengaan, hoe snel dikwijls een enkele spreuk door de ziel gaat, toch zijn tijd hebben, tot het het hele hart naar alle kanten heen doordringt en werkelijk verandert. Het hart toch is klein en toch weer bijzonder groot. Er is een hele wereld in en er is veel voor nodig voordat een oude wereld een nieuwe wordt. Daarom moeten ouders en leermeesters niet ongeduldig worden wanneer zij in hen, die aan hun zorgen zijn toevertrouwd, niet dadelijk enkel vreugdevolle zaken opmerken; zij vinden immers bij zichzelf, hoe oud zij ook worden, altijd nog veel dat ongezuurd is. Men mag het werk niet moe worden, ook het wachten niet -“voordat het geheel doorzuurd is. ” Zeker is het menselijk hart niet in ieder opzicht zo’n meel, dat aan de bewerking geen tegenstand biedt. Het hart toch heeft zelf een wil, een leven en bewegen; daarom komt het in elk geval ten slotte op het hart zelf aan. Het mag zich niet sluiten voor het goddelijk woord, maar moet datgene in zich laten teweeg brengen waartoe het gegeven is. Helaas! velen willen het niet in zich opnemen of in zich niet genoeg ruimte daaraan geven; zo kan de arbeid van getrouwe leraars en verzorgers tot hun verbetering en vernieuwing geen nut doen (Hebr. 4: 2). Waar echter uw hart er zich voor opent en het vrij in zich laat werken, ja waar u ook zelf – zoals u zou moeten – aan uw eigen hart het werk van de trouw verricht door vlijtig, heilbegerig, alles in zich opnemend en in zich verwerkend de Schrift lezend, daar zal het hemelse zuurdeeg zijn kracht betonen; het zal langzaamaan alles doordringen en doorkruiden zodat uw hart, in de hitte van de bestrijding en de oven van de beproeving gevormd, een liefelijk offerbrood wordt, evenals dat op de goude tafel van het heiligdom.
Vergelijk MATTHEUS. 27: 37. Er zijn drie andere maten meel bij u en bij mij en waar wij in het eigen hart kijken, dat arglistig en dodelijk hart, zullen wij dan minder reden hebben voor God om te roepen: “Onrein, onrein?” Wij hebben schuld aan de algemene zonden, omdat wij een deel zijn van het volk, wij hebben ook onze bijzondere zonden. Die drie maten zijn: ons kenvermogen, ons gevoelvermogen, ons begeervermogen, de drie krachten van de menselijke ziel. En wat zegt de schrift: “De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die van de Geest van God zijn. Is die natuur afgelegd, gekruisigd, gedood; is al uw wandelen in het licht van de profeet van God? Hoe noemt de Schrift het hart? “Een stenen hart?” Is het weggenomen bij u en is daar een hart van vlees, waarop Gods geboden staan geschreven, een rein hart? Waarom verwijt de Heer de ongelovigen: “U wilt tot Mij niet komen. ” En geliefden in Christus! kan het uw woord ten allen tijde zijn: “Wij uw volk zijn gewillig op de dag van Uw heerschappij” (Ps. 110: 3). “Niet mijn wil, Uw wil geschiede” (Luk. 22: 42)? Is het Evangelie doorgedrongen? Zijn wij mannen die hun ziel hebben overgegeven voor de naam van de Heere Jezus (Hand. 15: 26) en kan de Heere tot een ieder van deze vrouwen zeggen: “O vrouw! groot is uw geloof. (MATTHEUS. 15: 28). Wij vragen geen antwoord hoorbaar voor ons, maar een antwoord hoorbaar voor God, een antwoord in de binnenkamer van de gebeden.
MATTHEUS. 13: 44. Weer is het koninkrijk der hemelen, ten opzichte van de vreugde die het teweegbrengt wanneer iemand het ontdekt en wat de prijs aangaat die hij zich dan getroost om het te bezitten, als een schat in de akker verborgen, die een mens, bijvoorbeeld iemand die die akker in huur had gevonden heeft en die nog verbergt in de akker omdat die zijn eigendom nog niet was, zodat hij die schat nog niet voor zich mocht nemen. En van blijdschap over die gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker, om nu die akker op rechtmatige wijze te mogen bezitten.
De gelijkenis is een van de kortste, maar tevens een van de meest zinrijke en betekenisvolle. Terwijl zij ons het koninkrijk der hemelen voorstelt, toont zij ons 1) hoe verborgen zijn heerlijkheid, 2) hoe verheugend het vinden en 3) hoe gemakkelijk het verkrijgen is. – I. Wat het koninkrijk der hemelen is hoeven wij aan degenen die daaraan deel hebben evenmin eerst uit te leggen, als hem die eet wat brood, hem die drinkt wat water is. Zij weten het, want zij zitten dagelijks aan de tafel van de grote Koning die in het rijk heerst en regeert. Men zou de heerlijkheid van dit rijk kunnen schilderen met de liefelijkste kleuren, haar kunnen prijzen met de welsprekendste en verhevenste woorden, haar kunnen verheffen en roemen met de schoonste liederen en gezangen en men zou toch nooit worden begrepen door degenen die nog ver van dit rijk zijn en er geen deel aan hebben. Wij zouden voor hen in raadsels, in vreemde talen spreken; zij zouden ons niet begrijpen, ons voor dwepers en dromers houden, want de heerlijkheid is voor degenen die buiten zijn verborgen en omsluierd, het koninkrijk der hemelen is als een schat in de akker verborgen. Voordat de mens die heeft gevonden vermoedt hij niets van zijn waarde, van zijn glans, zelfs heeft hij geen begrip van zijn bestaan. Hij loopt er duizendmaal voorbij, terwijl hij andere schatten najaagt en naar andere schatten graaft. Voor dezen is er geen rijk van God, geen rijk van onverderfelijkheid en onvergankelijkheid. Hij weet daarvan net zo min als de blinde van het rijk van de natuur, de dove van het rijk van de muziek, de egoist van het rijk van de liefde. Men spreekt tot hem van onbekende dingen wanneer men spreekt van de vrede van God, die hoger is dan alle verstand van de mensen, van de hoop die niet beschaamt, van de overwinning van het geloof die de wereld overwint. Het enige dat aan dit aardse leven een hogere waarde en een hogere betekenis geeft, wat onze inwendige mens gelukkig en zalig maakt, wat ons aan het stof van de vergankelijkheid ontrukt en ook het aardse ons verheldert, wat ons vreugde en troost geeft in leven en in sterven – hij kent het niet, hij vermoedt er niets van. Al behoorde hem ook de hele aarde toe, al won hij ook de hele wereld – hij is een arm mens, armer dan de armste dagloner, die die schat gevonden heeft! Maar er zijn ook mensen die wel van het koninkrijk der hemelen weten, maar voor wie toch zijn eigenlijke heerlijkheid nog verborgen is; ik bedoel die mensen, die de feiten, begrippen, meningen en voorstellingen van het Christendom wel kennen, maar voor wie desalniettemin het eigenlijke en innerlijke wezen van het Christendom nog vreemd en gesloten bleef. Zij behoren niet tot degenen, die helemaal geen behoefte in zich voelen aan iets hogers en goddelijks en van wie de levensspreuk klinkt: “Eet en drink, want morgen bent u dood; nee, zij spreken en horen graag van godsdienstige zaken, zij gaan naar de kerk, zij lezen in de Schrift, zij geloven in een God, zij hebben een zekere eerbied voor Christus, zij hopen op een eeuwig leven. Maar ondanks dat alles staan zij toch nog in de voorhoven van het heiligdom en voor het allerheilige hangt voor hen nog een ondoordringbaar voorhangsel. Zij kennen wel de akker van het koninkrijk der hemelen, maar nog niet de verborgen schat in de akker; zij houden zich slechts vast aan de oppervlakte en graven niet in de diepte. Wie het echter werkelijk en ernstig daarom te doen is, die vindt ook wat hij zoekt. De heerlijkheid van het koninkrijk der hemelen, ja zij is verborgen; maar niemand kan zich daarmee verontschuldigen wanneer hij steeds het woord Gods bezit, de helder schijnende fakkel, die voor ons licht tot in de diepste diepten van de mijn van de goddelijke waarheid. II. Zalig, die die verborgen schat in de akker ontdekt en vindt! De vreugde, die zo iemand vervult is hoger dan alle vreugde van deze wereld. Hoe kan het ook anders zijn? Want wat voor een wereld ging hem opeens bij dat vinden op! Was er tot hiertoe voor hem slechts een rijk van de vergankelijkheid en van de doods, hij erkent nu plotseling dat er iets hogers is, een rijk van onvergankelijkheid en een eeuwig leven! Zag hij slechts tot hiertoe een blind spel van het toeval in de lotgevallen van de mensen, nu ziet hij daarin de besturende hand van een zowel wijze als liefdevolle God, zonder wiens wil zelfs niet het geringste gebeurt. Zag hij tot hiertoe in het graf het einde van het menselijk leven, nu weet hij dat het graf slechts de doorgang is tot een hoger aanzijn van onsterfelijkheid en onverderfelijkheid. Was er tot hiertoe slechts een duister gevoel, slechts een wankelende, onhoudbare verwachting, waarmee hij het wankelende leven vasthield, nu is het de blijdste zekerheid en zalig vertrouwen. Echter meer nog dan dit alles ontvouwt zich voor zijn, van vreugde dronken, blik, wanneer hij die schat ontdekt. Al die afzonderlijke, hartverheffende waarheden zijn goudstukken, die het beeld van een almachtige Koning dragen: droegen zij dat niet, wie stond voor de echtheid van de munt in? De naam van deze Koning is Jezus Christus. Hij is de Koning die in dat rijk heerst welke heerlijkheid voor hem is ontsloten. De glans van Zijn hoogheid en majesteit, hoe glinstert die hem tegen! Zag hij tot hiertoe in Christus slechts een mensenzoon, nu erkent hij in Hem de Eengeboren Zoon van de Vader, vol van genade en waarheid. Was het slechts een verbeterde zedenleer en een volmaakt voorbeeld dat tot hiertoe naar zijn mening deze Jezus de mensen bracht en gaf, nu ziet hij in dat Christus ons niets minder brengt dan verzoening met God en verlossing van de zonde. Was hem tot hiertoe de weg naar de hemel onbekend, de waarheid wankelend, het leven twijfelachtig, nu kent hij de weg, de waarheid en het leven in één Persoon, die de enige poort is waardoor men het vaderhuis binnengaat. Bijzonder groot is de vreugde over het gevondene wanneer iemand de schat in de akker plotseling ontdekt, terwijl hij, lang tevergeefs ernaar zoekend, op duizend dwaalwegen heeft omgedoold. Wat hem geen menselijk weten, geen aardse kunst, geen vergankelijke begeerte kan verschaffen, wat hij tevergeefs bij de wijzen van deze wereld gezocht heeft, waarvan de duistere droom van een verloren paradijs een denkbeeld en een verlangen in zijn hart heeft achtergelaten, dat heeft hij nu gevonden – en o, hoe klopt zijn hart van vreugde, hoe verheft zich zijn ziel van blijdschap en genot! De moede pelgrim zit aan de sterk verlangde bron, de verdwaalde zoon staat aan de drempel van het vaderhuis. Zoals Andreas eens tot zijn broeder Simon, zoals Filippus tot zijn vriend Nathanael, zo spreekt hij zalig en vol verrukking tot allen die hem ontmoeten: “Ik heb gevonden, ik heb gevonden wat ik zocht, gevonden de ster van mijn verlangen, het anker van mijn hoop, de rots van mijn heil; ik heb gevonden de rust en de vrede van mijn ziel!” – Maar nee, nog zwijgt hij, nog is hij stom van vreugde. Het is een diepe trek in onze gelijkenis dat de Heere zegt: Het koninkrijk der hemelen is als een schat, in de akker verborgen, die een mens vond en die hij verborg. ” Hij verbergt hem, hij zegt er niets van, uit ijverzucht om de schat niet prijs te geven aan de ogen van anderen, uit bezorgdheid dat hij die snel weer verliest en ervan beroofd wordt. Hij verbergt de schat, want het is nog de zijne niet, nog moet hij die eerst verkrijgen. O heilig zwijgen, waarin een mens daarheen gaat, die door de volle glans van het koninkrijk der hemelen vervuld is! Heilig nadenken over het ene nodige, om deel te krijgen aan de goederen van dit rijk! Door de ziel van zo iemand gaat dag en nacht slechts die ene vraag: tot welke prijs wordt die schat mijn eigendom? Zo denkt hij, zo vraagt hij; en het antwoord op deze vraag blijft niet verborgen. III. Bij de eerste oogopslag wekt het bevreemding dat de Heere in de gelijkenis zegt: “En hij, de gelukkige vinder van de verborgen schat, verbergende die en van blijdschap over die gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker. ” Hoe, vragen wij, hoe kan er van een koop sprake zijn? Al was zelfs de vinder een rijk man, welk kapitaal weegt tegen deze schat op? Nu zou het zeker onmogelijk zijn het koninkrijk der hemelen te verkrijgen als wij het in de gewone zin van het woord werkelijk moesten kopen. Hier is echter een kopen bedoeld, waartoe Jes. 55 al opwekt: “Kom en koop zonder geld en zonder prijs. ” Intussen ligt in de uitdrukking ook aangewezen dat wie het koninkrijk der hemelen wil verwerven ook veel moet afstaan en ten offer brengen. Dat kan voor geen betaling doorgaan, te minder daar de reden waarom wij het moeten laten varen, juist deze is dat het niet deugt, dat het slecht is en daarom gedeeltelijk moet worden vernietigd, gedeeltelijk minstens in de smelt- en zuiveringskroes moet worden geworpen. Alles wat wij hebben of menen te hebben moeten wij verkopen d. i. afstand daarvan doen. Daartoe behoort voornamelijk onze eigen ingebeelde gerechtigheid. Zolang wij die niet loslaten en hongerig en dorstig geworden zijn naar de gerechtigheid die voor God geldt, kunnen wij het koninkrijk der hemelen niet ingaan. Daartoe behoort verder onze eigen ingebeelde wijsheid in goddelijke zaken. Zolang wij ze niet in haar ongenoegzaamheid hebben erkend en daarom hebben opgegeven zijn wij niet in staat de schatten van die wijsheid en van die kennis ons toe te eigenen die in Christus Jezus verborgen zijn. Daartoe behoort verder onze eigen, van het goddelijke afgekeerde, ja tegenover Hem geplaatste, wil. Zolang wij die de Heere niet ten offer hebben gebracht is het niet mogelijk dat wij door de Heere echt vrij en zelfstandig worden. Ja daartoe behoort niet alleen dit ?n dat ?n dat, daartoe behoort alles. Hoe wij omwille van Hem en om de schat van Zijn rijk te winnen bereid moeten zijn van alles, ook van het liefste, afstand te doen, drukt de Heere eens (Luk. 14: 25) met zeer sterke, tweesnijdende woorden uit: “Buiten Hem mogen wij niets, in Hem mogen wij alles liefhebben” Dat is de zin van die woorden. Wanneer echter eens de verborgen heerlijkheid van het koninkrijk der hemelen zich geopenbaard heeft, wanneer eens de hemelse vreugde over zo’n gevonden schat het hart vervuld heeft, dan is men ook graag bereid alles daarvoor af te staan.
MATTHEUS. 13: 45. Weer is het koninkrijk der hemelen ten opzichte van zijn waarde in vergelijking van andere goederen, als een koopman die mooie parels zoekt, die hij bij de verkopers kan inruilen en weer met winst aan anderen verkopen (Math. 13: 46. ). De koopman vond één (op het woord “één” ligt bijzondere nadruk) parel van grote waarde (want ten opzichte van hetgeen hier bedoeld is, is er slechts één die die naam verdient), ging heen en verkocht al wat hij had en kocht die.
Wanneer men ons vroeg welke goederen de grootste waarde hebben, de aardse of de geestelijke, welke van beide het diepste verlangen van onze ziel bevredigen, welke van beide ook met grote ijver en vlijt gezocht moeten worden, zouden wij allen als uit één mond antwoorden: de geestelijke! Wanneer men nu verder vroeg: maar zoekt u ook de geestelijke goederen met die ijver en die vlijt die zij verdienen? Hebt u het hoogste goed leren kennen en het gevonden? Hebt u alles aangewend om dat als eigendom te verkrijgen? Dan vrees ik zeer dat, wanneer men met die vragen voortging, het getal van diegenen steeds zou verminderen die ze met ja zouden kunnen beantwoorden. Och, dat toch de kinderen van het licht net zo wijs waren als de kinderen van de wereld in hun geslacht. Dat zij toch even rusteloos naar geestelijke goederen streefden, als deze voor de aardse zorgen! Is de koopman van onze tekst niet volkomen iemand van zijn soort? Hij zoekt goede parels: dat is de bezigheid van zijn leven en hij wijdt er zich geheel aan. Daar vindt hij een kostbare parel. Hij ziet haar en erkent haar met zijn geoefend oog dadelijk voor wat zij is, voor de grootste schat die ooit van de bodem van de zee is opgenomen. Hij moet haar bezitten, dat staat bij hem vast; de prijs, die er voor geeist wordt, is buitengewoon groot – het zij zo, nog groter kan de winst zijn – en zo ging hij heen en verkocht wat hij had en kocht die. Het koninkrijk der hemelen is aan deze koopman gelijk; de burgers van de hemel moeten zijn voorbeeld navolgen, alleen met dit onderscheid dat het geestelijke in de plaats van het aardse gesteld wordt. Zij moeten 1) geestelijke goederen zoeken; zij moeten 2) het ene geestelijke goed opmerken en vinden; zij moeten 3) alles overgeven om het tot hun eigendom te maken.
De beide gelijkenissen van de schat in de akker verborgen en van de kostbare parel schilderen ons de toeeigening die het rijk Gods van iedere ziel in het bijzonder verlangt en de weg waarlangs men daartoe komt. Bij de gelijkenis van de kostbare parel hebben wij te letten: 1) op de manier waarop zij zich aan ons voordoet; en 2) op wat wij voor haar over moeten hebben. Wat de kostbare parel is? Het is die ene gave van God, die van welke Christus, Zichzelf bedoelend, tot de Samaritaanse vrouw gezegd heeft: “Wanneer u de gave van God zou kennen. ” Het is de genadegift van de verlossing die aan het kruis is verkregen. Het is de genadegift van de gerechtigheid van God, die op de verdienste van Christus gegrond is. Het is die hemelse gave van het brood des levens, de gave van zalig genot en eeuwig leven, zoals Christus schenkt, zoals Christus is. Er zijn vele soorten gaven, maar er is één Heere en deze gave kan slechts de enige zijn. De parel, dat edel sieraad waarmee de menselijke schoonheid zich tooit, is een wonderbaar treffend beeld voor wat de Heere daarmee bedoelt. Diep op de grond van de zee wordt zij in het verborgen gevormd. Uit de diepte van de zee wordt zij met gevaar en moeite gehaald. Eerst in een onooglijk omhulsel verborgen glinstert zij daarna met liefelijke glans. Zo is het ook met de genadegift in Christus. Diep in de verborgen grond van het goddelijke Wezen is zij geboren, uit de diepte van de goddelijke liefde is zij voortgekomen. Christus heeft ze aan het licht gebracht. Het heeft Hem moeite gekost om omwille van onze zonden door de verschrikkingen van de dood omgeven te zijn. Hij heeft ze voor ons verworven, voor Zichzelf heeft Hij ze niet hoeven te zoeken. Eerst in een omkleedsel zonder heerlijkheid en gedaante, maar vol van de glans van hemelse heerlijkheid biedt Hij ze aan; zij wil alleen gegeven zijn. In deze wordt het waar: Ik ben gevonden door degenen die Mij niet zochten. Daarom wordt ook van de koopman in de tekst alleen gezegd dat hij goede parels zocht, de ene, de kostbare heeft hij gevonden uit genade. Dit is niet het eerste, dat wij de genade najagen, maar dat de genade ons zoekt; niet dat is het eerste, dat wij het goddelijk geheim van de verlossing ontdekken, maar dat de hemelse Vader het ons ontsluiert. Niet van het menselijk willen en lopen hangt het af, maar alleen van de goddelijke ontferming. Wat de mens doen kan door zichzelf is alleen dit dat hij goede parels zoekt, de ene, de kostbare wordt door hem gevonden uit genade. Diep in het menselijk hart woont een verlangen naar vrede, ja vrede; maar de vrede die in de verzoening met God door Christus ligt, die kent men pas wanneer men die ondervonden heeft. Diep in het menselijk hart woont een worstelen en zuchten naar verlossing, ja verlossing; maar die ene verlossing, die Christus aan het kruis teweeg heeft gebracht, die kent men pas wanneer men ze heeft ondervonden. Goede parels kunt u zoeken, maar die ene, die kostbare wordt u gegeven uit genade! – Er is iemand; hij vraagt om liefde; hij zoekt een hart dat hij het zijne zou mogen noemen, dat met hem lief en leed wil delen, waartegen hij kan zeggen: “Wat het mijne is, is het uwe en al het uwe is het mijne. ” En een liefdevol hart, het is zeker een goede parel die hij zoekt maar hoe velen hebben toch op deze weg meer gevonden! Hij zocht een liefhebbend hart, niets meer; maar zie, het hart dat hem beminde had ook de Heiland lief; de ziel die zich aan hem verbond, hem huwde, was ook de bruid van de hemelse Bruidegom. Onbemerkt werd zij een predikster voor hem, werd zij tot een middel waardoor Christus zelf Zich hem aanbood. En nu, wanneer hij heeft leren bidden, omdat zijn liefhebbende vrouw voor hem bad, dan, wanneer hij door de liefdevolle hand geleid zijn Heiland gevonden heeft, vraag hem dan: wat zal hij antwoorden? “Liefde heb ik gezocht, geloof heb ik gevonden; een menselijk hart heb ik gezocht en het hart van mijn Heiland is van mij geworden; goede parels zocht ik, maar de ene, de kostbare, werd gevonden uit genade. ” Daar is een ander; een sterke begeerte naar waarheid bezielt hem. Hij doorloopt het ene gebied van menselijke kennis na het andere; hij doorzoekt de schatten van menselijke wijsheid; hij leert de schoonheid, de rijkdom van de natuur kennen. En wie zou ontkennen dat het goede parels zijn die hij zoekt. Maar het komt niet tot gehele voldoening; het blijft slechts een zoeken, het vinden zelf wordt steeds opnieuw tot een zoeken. Het ene raadsel wordt opgelost, andere raadsels doen zich aan hem voor en het allerminst wordt het raadsel in eigen borst opgelost. Daar ontstaat, bij hetgeen hij weet, het geloof in wat God openbaart; van de wijsheid van de mensen neemt hij de toevlucht tot de wijsheid die uit God is. Nu heeft men een vaste standplaats gevonden, van welke alle raadsels zich oplossen – het woord van God. Vraag hem nu, wat zal hij antwoorden? “Goede parels heb ik gezocht; de ene, kostbare heb ik gevonden uit genade. ” Daar is een ander; hij zoekt voortdurende bevrediging in het leven. Hij zoekt die in onafgebroken arbeid, maar deze laat toch een leegheid over. Hij zoekt die in vergeestelijkte genietingen, maar alle behoeften van het inwendige leven bevredigen zij niet. Hij zoekt die in de kring van trouwe vrienden, maar bittere ervaringen blijven niet uit. Daar komt hem Gods woord in de hand; hij wordt geplaatst voor de ware Vriend van de zielen, die nooit misleidt, geplaatst voor de volheid van genade die in alle omstandigheden zo rijkelijk stroomt, voor het brood des levens dat werkelijk verzadigt. Gaandeweg vindt hij de vrede van God, die niemand hem ontrooft. Vraag hem nu, wat zal hij antwoorden? “Ik heb goede parels gezocht, maar die ene, kostbare, heb ik uit genade gevonden!” Daar is er weer een; hij bracht rijkelijk het zijne er toe bij om te helpen, zo ver zijn arm, zijn vermogen reikte. Hij zou niet zonder zegen op de aarde geweest willen zijn; hij wil de vertrooster van de treurenden, de bijstand van de behoeftigen, de vriend van de verlatenen zijn. En zeker, het zijn goede parels die hij zoekt; maar hij wil troosten en leert voelen dat de ware troost hemzelf ontbreekt; hij wil helpen en hij ziet dat er zonder redding van de ziel niets geholpen is, terwijl hij die toch niet redden kan. Aan het ziekbed van een vrome merkt hij het geduld van de heilige op; op de meest verschillende wegen wordt hij naar de ware Helper gewezen; hij zocht zieken te genezen en heeft zelf genezing gevonden; hij zocht treurenden te troosten en is zelf een treurende geworden, zoals degenen van wie geschreven staat dat zij zalig zijn. Goede parels zocht hij, maar die ene, die kostbare, heeft hij gevonden uit genade. – II. De koopman in de gelijkenis heeft het zijne opgeofferd voor de kostelijke parel die hij vond. Hij wil ze zich ten eigendom maken, dat is dadelijk zijn doel en nu worden bij hem besluit en daad tot een. Het verlangen ze de zijne te mogen noemen ontbrandt op het ogenblik dat hij weet ze de zijne te kunnen noemen. De ijver om ze te bezitten ontstaat op het ogenblik dat ze hem wordt aangeboden. Wij moeten echter belijden dat deze koopman zich werkelijk onderscheidt van velen in onze tijd. Hoe velen zijn er, aan wie van de jeugd af de kostbare parel wordt voorgehouden, wie van de eerste kindsheid is aangewezen dat de genade van God ook hen ten deel kan worden. Maar dat in hen een ijver ontwaakte, een verlangen ontbrandde om haar te bezitten, dat ziet men niet. Hoevelen weer toeven en talmen en komen tot geen helder, vast besluit. Hoevele anderen komen in hun hele leven niet verder dan het voornemen. Hoe velen wankelen en twijfelen over de weg die zij zullen inslaan, maar tot een werkelijk heengaan om de aangeboden genade zich toe te eigenen, tot een beslistheid om, wat het ook koste, de zaligheid te verwerven, brengen zij het niet. En toch is dat het beslissende keerpunt in elk leven. Heeft de genade van God in Christus getoond dat zij u wil, dan moet u ook horen dat u haar wilt. Werkt Gods verborgen hand in uw hart en spreekt hij, wijzend op Christus: “Deze zal de uwe zijn!” zo moet gij ook uw hand ten gelofte tot God opheffen en zeggen: “Ja, Hij zal de mijne zijn. ” De koopman verkocht nu alles wat hij had en kocht de parel. Hier hebt u de prijs die u moet betalen om het hoogste dat gedacht kan worden, ja, dat in geen gedachte opklimmen kon, het eeuwige leven, te verkrijgen. Het is wat Christus ergens zonder beeldspraak eist, wanneer Hij zegt: “Degene die niet alles verlaat wat hij heeft, kan Mijn discipel niet zijn. ” Dit wil zeggen, dat wij inwendig loslaten wat wij bezitten, dat wij ons vrij maken van datgene waaraan ons hart hangt, dat wij vaarwel zeggen alles wat God en Zijn rijk niet dient, dat wij met Petrus zeggen: “Wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd” en met Paulus kunnen zeggen: “Ik acht het alles schade te zijn bij de uitnemendheid van de kennis van Jezus Christus; ” dat wij alles afleggen wat ons verhindert omkleed te worden met het kleed van de gerechtigheid, dat wij alles afleggen wat ons naar de aarde trekt en het zoeken naar hetgeen daarboven is in de weg staat. Verkopen alles, wat u hebt! hoort u? alles! Ook uw liefste wensen moet u opgeven voor dat ene verlangen een kind van God te heten; alles, ook uw edelste krachten moet u besteden om u een schat in de hemel te winnen; alles, ook uw zekerste meningen moet u gevangen geven onder de gehoorzaamheid van Christus; alles, ook uw liefde zelfs, alle aardse liefde moet op de achtergrond treden bij die ene liefde tot God en Christus; alles, ook uw leven, wanneer u het alleen tot die prijs kunt behouden, dat u het uitzicht op het eeuwige leven verliest; alles, zelfs uw eigen Ik moet u verbreken om u helemaal aan Christus over te geven. Niets mag u te hoog, niets te dierbaar, niets te schoon voorkomen, dat u niet bereid zou zijn op te offeren, wanneer het er op aankomt u het offer toe te eigenen dat Christus voor u gebracht heeft. Dat komt ons voor als een hoge prijs, een ernstige eis. Wanneer er gezegd was: “Veel!”, wij zouden er ons in kunnen vinden, maar alles, ook niet één zaak behouden, ook het liefste en dierbaarste niet omwille van de Heere, dat schijnt te veel gevraagd. Ieder heeft een prijs waartegen hij zich overgeeft, maar ook ieder heeft een kant waarom hij zich aan de Heere niet overgeeft. Het is een waar woord: “Hangt niet ieder hart aan zijn eigen strik? Zie waar het schort; vaak houdt slechts één ding terug!” En juist dat ?ne is alles wat u moet verkopen om die kostbare parel te verkrijgen.
De Heere schetst eerst de voorspoedige voortgang van het koninkrijk der hemelen. In de gelijkenis van het mosterdzaad wordt vooral de extensieve, in die van het zuurdeeg meer de intensieve uitbreiding van het Godsrijk geschetst. Voorspoedig en zegenrijk als het mosterdzaad zou het zich naar buiten ontwikkelen, met verborgen maar onweerstaanbare kracht als van het zuurdeeg zou het geheel het innerlijk leven van de mens en de mensheid vernieuwen en zijn taak niet voleindigd hebben totdat dit geheel met zijn weldadige invloed doortrokken was. Hoe beide gelijkenissen van de uitgestrektste toepassing zijn op de Stichter van het Godsrijk, op de Christelijke Kerk in het algemeen en op ieders Christelijk leven in het bijzonder, valt vanzelf in het oog. Aan deze voegt Hij een tweetal gelijkenissen, om de waarde van het Godsrijk te schetsen. Dit rijk is voor de één een niet gezocht, maar onverwacht gevonden, voor de anderen een lang gezocht en eindelijk gevonden schat. Voor beiden echter is het een schat die zij vurig proberen te verkrijgen; alles verkopen zij om het gevondene machtig te worden en beschouwen die opoffering als onschatbare winst. Het valt ons dadelijk op dat de akker waarin de schat te vinden is de Kerk van Christus is, waarin men Zijn heilgoederen deelachtig kan worden; dat die schat verborgen genoemd wordt, omdat hij zich aan de aardsgezinde mens niet meteen in al zijn glans openbaart en dat in beide gelijkenissen herinnerd wordt hoe het koninkrijk der hemelen opofferingen vereist, maar ook ten volle verdient.
Nu werd dit later zozeer uitsluitend Zijn leerwijze dat de discipelen zich daarover verwonderden (MATTHEUS. 13: 10) en zonder gelijkenis sprak Hij voortaan tot hen niet, maar wanneer Hij met Zijn discipelen alleen was, verklaarde Hij alles aan Zijn discipelen in het bijzonder. Deze toch waren de hoorders, voor wie niet het tweede in vs. 11 genoemde doel van de gelijkenis bestond, maar het oorspronkelijke, in vs. 33 aangewezene, terwijl Hij het volk aan zichzelf overliet en verder niets deed om het hun te doen begrijpen.
Het was in het bijzonder de leer van de stichting (en, voegen wij er bij, van het geestelijk karakter) van het rijk van God die Jezus zich gedwongen voelde door parabolische spreekwijzen te omsluieren, want deze leer was juist die waardoor Hij zich het verst verwijderde van de voorstellingen van Zijn volk, terwijl Hij in het algemeen hun verwachtingen moest tegenspreken. Wanneer Hij nu Zijn onderwijzingen over dit punt slechts met de grootste voorzichtigheid aan het volk gaf, dan getuigt de kruisiging daarvan dat Hij in Zijn voorzichtigheid de maat niet te buiten is gegaan en dat het volk werkelijk niet meer geschikt was om over de ware natuur van het Godsrijk onderwezen te worden, bewijst de verwoesting van Jeruzalem. ” Van andere aard daarentegen zijn de gelijkenissen zoals wij die tot de eerste prediking aan de zee gerekend hebben (vs. 30-32, MATTHEUS. 13: 33, 44-46). Deze bevatten over het algemeen geen waarheid die voor de profane menigte moest worden verborgen (volgens MATTHEUS. 7: 6), zij moeten integendeel opwekken en dwingen en het verlangen levendig maken, zoals zij die uitwerking ook in MATTHEUS. 8: 19-22 openbaren. Wij hebben ze daarom juist tot die vroegeren gerekend. De laatste verbindt zich echter voor onze Evangelist zozeer tot een eenheid met de latere tijd die wij in onze afdeling voor ogen hadden, dat hij de gebeurtenis die op de eerste prediking aan de zee gevolgd is, op de tweede laat volgen, met een tijdsbepaling (vs. 35 : “En op dezelfde dag, toen het avond geworden was enz. ), die makkelijk verkeerd kan worden opgevat, wanneer wij het nu even aangegeven punt van de tijd, dat hij daarbij in de gedachte heeft, niet weten te onderscheiden van dat wat de uitwendige volgorde van zijn mededeling aan de hand geeft.
IV. Vs. 35-41.KruisverwijzingenMattheüs 8:18→1 Petrus 5:7→Psalmen 107:29→Psalmen 29:10→Psalmen 89:9→Lukas 8:22→Markus 3:9→Markus 4:1→
— En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde. En zij, de schare gelaten hebbende, namen Hem mede, gelijk Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem. En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzo dat het nu vol werd. En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan? En Hij opgewekt zijnde, bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte. En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof? En zij vreesden met grote vreze, en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?
Jezus had Zich volgens de eerste afdeling van deze derde groep (Hoofdstuk 3: 13-19) een eigen geestelijke familie gevormd door de keuze van de twaalf, die blijvend bij Hem zouden zijn. Hij had vervolgens in de tweede afdeling (Hoofdstuk 3: 20-35) bij deze Zijn geestelijke familie de bloedverwantschap achtergesteld, omdat die op dezelfde toon spraken als Zijn openbare tegenstanders. Hij had hierop in de derde afdeling (Hoofdstuk 4: 1-34) ook de grote menigte van het volk uitwendig door het leren in gelijkenissen voorgesteld als buiten die gemeente staande, waaraan Hij Zich geheel en zonder verberging kon openbaren. Nu volgt volgens de wet van die manier van vertellen, die meer de inwendige ontwikkeling van bepaalde toestanden en betrekkingen beschouwt, dan op de geschiedkundige op elkaar volging van de afzonderlijke gebeurtenissen let, de vaart over de zee, waarbij zich een storm verhief die door het woord van Christus werd gestild. In deze samenhang komt die gebeurtenis voor als een beeld van de toekomstige weg van de discipelen, die zij zonder de onmiddellijke tegenwoordigheid van hun Heere door een vijandige wereld zouden moeten maken en waarover zij hier moesten worden onderwezen in een beeld, zodat zij zouden weten wat voor een Hij is, wiens werk zij geroepen waren te verrichten en welk een macht Hem ten dienste stond. Dat moest al hun vrees voor de vijandige machten met één woord zegerijk verslaan (vgl. MATTHEUS. 8: 18-27. Luk. 8: 22-25).
En op die dag, waarop Hij die rede aan de zee gehouden had, waaruit boven (vs. 30 vv. ) de gelijkenis van het mosterdzaad werd meegedeeld, toen hetavond geworden was, wilde Hij niet naar Kapernaum terugkeren. Daarom zei Hij tot hen, tot Zijn discipelen, van wie het getal toen nog slechts zes bedroeg, Simon, Andreas, Jakobus I, Johannes, Filippus en Bartholomeus of Nathanael: laat ons overvaren over de zee aan de andere kant, naar de zuidelijke oever bij Gadara en geef bevel aan het volk, dat het ook zonder ons naar huis ga.
En zij, gehoorzaam aan dat bevel, lieten de menigte achter, namen Hem mee zoals Hij in het schip was, zonder dat Hij nog eerst aan land was gegaan of zij zich verder voor de vaart hadden ingericht. Intussen had zich een schriftgeleerde aangeboden om mee te gaan. Terwijl Jezus deze afwees, riep Hij een andere, namelijk Thomas om Hem na te volgen (MATTHEUS. 8: 19-22). Nadat de Heere Zich, om van de vermoeienis van de dag uit te rusten, naar het achterdeel van het schip had begeven, voeren zij af en er waren nog andere scheepjes met Hem, die eveneens de vaart over de zee wilden maken, al was het ook met een ander doel.
Het is duidelijk dat de Evangelist in vs. 35 niet die dag kan bedoelen waarvan hij in vs. 1 gesproken heeft; want de uitdrukking in vs. 36 : “Zij namen Hem mee, zoals Hij in het schip was, ” wijst aan, dat de Heere in het achterdeel van het schip, zich op het daar aanwezige kussen uitstrekkend, snel in slaap is gevallen (vs. 38). Tot een samenspraak met de discipelen over de gelijkenissen, zoals die op de in vs. 1 aangewezen dag na het heengaan van het volk gevolgd is (vs. 10. MATTHEUS. 13: 10 en 36 Luk. 8: 9), was dus op de in vs. genoemde dag geen tijd of gelegenheid. Nu heeft toch de Evangelist door het “weer” in vs. 1 te kennen gegeven dat vroeger al eens een dergelijke toestand had plaats gehad als die van welke hij daar uitging. Die vorige prediking aan de zee, waarop hij tot hiertoe slechts gewezen heeft, vervolgt hij dan hier verder en de laatste is zozeer in zijn gedachte, dat hij begint te vertellen: “En op die dag enz. “
En er kwam, toen zij al midden op de zee waren, een grote storm van wind en de golven sloegen over in het schip, zodat het nu vol werd en er gevaar ontstond van zinken (Jona1: 4).
En Hij was in het achterschip, slapend op een oorkussen (Jon. 1: 5); en zij wekten Hem en zeiden tot Hem: Meester! bekommert het U niet dat wij vergaan?
En Hij werd wakker a) en bestrafte de wind en zei tot de zee: Zwijg! wees stil! (vgl. bij MATTHEUS. 8: 26). En de wind ging liggen en er kwam grote stilte.
Job 26: 12. Ps. 107: 29. Jes. 51: 10.
En Hij zei tot hen, zodra zij Hem gewekt hadden (vs. 38. MATTHEUS. 8: 26). Waarom bent u zo vreesachtig? en later nadat Hij hulp had verleend (Luk. 8: 25): Hebt u geen geloof?
Een wederkerig verwijt! De discipelen doen de Heere het ongegronde en oneerbiedige verwijt van zorgeloosheid; Hij van Zijn kant doet hen het verwijt van bevreesdheid, van gebrek aan geloof. Zij spreken hun verwijt voorbarig uit, voordat zij de beslissing van de Heere hebben afgewacht. Christus spreekt het Zijne pas volledig uit nadat Hij geholpen heeft. Dit feit wordt dikwijls herhaald in de grote noden van de Kerk, zowel als bij de moeilijkheden van het leven van de Christenen.
En zij vreesden met grote vreze en zeiden tot elkaar: Wie is toch deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn.
“Wie is toch deze?” vragen zij, terwijl zij uit hetgeen zij zo even gezien en ondervonden hebben, gevolgtrekkingen maken, als wilden zij zeggen: waarvoor hebben wij, naar aanleiding van het gebeurde, deze te houden?
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel