24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Christus slapende in het schip

Christus slapende in het schip

“Meester! Bekommert het U niet, dat wij vergaan?” Markus 4:38

Een zeer doorluchtige dag was achter de rug. Onze Heere had op merkwaardige wijze Zijn onderwijs gegeven en Zijn kracht ter genezing geopenbaard. Grote scharen waren er toegestroomd en Hij had kostelijke gelijkenissen tot hen gesproken en wonderbare genezingen in hun midden tot stand gebracht. Doch hoe verheven en gewichtig de dag ook was, hij kon zijn einde niet bereiken zonder een storm. Naar dezelfde wijze zal het u in de geschiedenis van de kerk Gods blijken, dat grote zegepralen door grote beproevingen worden afgewisseld. Het Pinksterfeest wordt gevolgd door vervolgingen, de prediking van Petrus door Petrus’ gevangenschap. Schoon een kerk heden overvloedig moge bloeien, kan zij binnen een zeer korte tijd door zware tegenspoeden worden bezocht; zij kan er niet des te minder, maar zoveel te meer om beproefd worden, wijl God in het midden van haar is en haar zegent. Toen onze Heere scheep ging, schijnt het weer zeer schoon te zijn geweest, en vele kleine boten, welke zich nauwelijks op de zee zouden hebben gewaagd, zo haar oppervlakte oneffen was geweest, zetten koers op het meer onder begeleiding van het schip van de grote Leraar. Het vlaggenschip van de admiraal was het Zijne. En die andere scheepjes vormden de vloot, die gedachten opwekte van blijdschap en geluk. Zij maakten een bekoorlijk flottielje uit, dat zachtjes daarheen gleed, gelijk zeevogels, wanneer de oceaan kalm en in rust is. Alle harten hadden een gevoel van geluk, alle gemoederen waren kalm gestemd en de slaap van de Meester was niets anders dan een type van de vrede die er in het rond heerste. De natuur rustte; het meer was als een effen spiegel; alles ademde kalmte en vrede. Daar komt plotseling, gelijk meer gebeurt bij die diep in het binnenland gelegen watervlakten, de stormwind uit zijn schuilhoek midden tussen de bergen te voorschijn, alles voor zich uit zwepende. Het kleine vaartuig had het hard te verduren, het was bijna vol water en in gevaar van te zinken door de kracht van de jagende orkaan. Aldus kunnen ook voor ons de tijden van de lieflijkste kalmte opgevolgd worden door overweldigende stormen. Een Christen heeft zelden lang aaneen een leven van rust en gemak. Ons leven, evenals het weer in April, bestaat uit zonneschijn en regenvlagen. Wanneer wij zeer veel genietingen hebben, moeten wij al weer vrezen, dat een naderend gevaar zich voor ons opdoet. Niets in dit ondermaanse, waarop men zich verlaten kan. Alle dingen zijn onveranderlijk veranderlijk. “Beroemt u niet over de dag van morgen,” zegt de wijze man. En hij mocht er wel bijgevoegd hebben: “Beroemt u niet over de dag van heden, want gij weet niet hoe de avond sluiten zal, hoe schitterend de morgen dan ook mag hebben ingezet.” Laat ons bij de aanvang deze les leren: laat ons niet rekenen op de voortduur van de tegenwoordige rust, noch ons geluk verwachten van de ongestadigheden van deze wereld, maar laat ons op veranderingen voorbereid zijn, zodat wij, wanneer zij komen, niet voor boze tijdingen vrezen, daar ons hart vastheid heeft, dewijl het op de Heere vertrouwt.

Het schijnt, dat de discipelen, toen de storm opstak, niet terstond de Meester wekten. Zij hadden een zeker ontzag voor Zijn buitengewone vermoeidheid, want Hij had de gehele dag in zeer vermoeiende bezigheden doorgebracht. En Zijn menselijke kracht was uitgeput. Mogelijk dachten zij wel, dat het gehuil en gebulder van de storm Hem zou doen ontwaken. Hoe kon Hij slapen te midden van de gierende winden en de bruisende golven? Zij hadden er weinig besef van hoe uiterst kalm Zijn hart was, zodat Hij te midden van storm en onweer zeer goed kon slapen, want dat noodweer raakte Zijn ziel niet. Toen het hun tenslotte voorkwam, dat zij zich in groot gevaar bevonden, want het leek er wel naar dat hun scheepje spoedig zou zinken, begonnen zij hun Heere te beoordelen en ongelovige en onvriendelijke gedachten omtrent Hem te vormen. Zij dachten, dat zij zouden omkomen en verwonderden zich hoe Hij zulks kon toelaten. En daarom gingen zij naar Hem toe, roepende, zoals Lukas het zegt: “Meester! Meester ! Wij vergaan,” of zoals het bij Markus luidt: “Meester! Bekommert het U niet, dat wij vergaan?” Velen van hen riepen en schreeuwden; de een zei dit, de ander dat, maar het kwam alles hierop neer, dat zij klachten uitten over hun Heere. Zij wisten, dat Hij hen liefhad en toch kwam de gedachte bij hen op, dat Hij wreed tegenover hen handelde. Zij vertrouwden Hem en hadden toch smartelijke twijfelingen. Zij noemden Hem Meester en toch waren zij al half tegen Hem in opstand. Zij erkenden wel is waar Zijn heerschappij, maar waren op het punt om tegen Hem te muiten, omdat Hij Zijn macht niet tot hun bevrijding aanwendde.

Wij zullen de tekst nemen tot grondtoon van ons onderwerp. En in de eerste plaats onze gedachten vestigen op de schijnbare onverschilligheid van de Heere tegenover Zijn volk; in de tweede plaats zullen wij aanwijzen, dat die onverschilligheid slechts schijn is; in de derde plaats, dat Hij werkelijk zorg voor hen draagt in tijden, dat Hij onverschillig schijnt te zijn; en in de vierde plaats, dat het hun spoedig duidelijk zal worden, dat dit zo is.

I.

In de eerste plaats dan, wij, zowel als de discipelen op het Galilese meer, klagen soms over DE ONVERSCHILLIGHEID VAN DE HEERE TEGENOVER ONS. Het is echter slechts een schijnbare onverschilligheid.

Somtijds neemt de klacht deze vorm aan. God laat de natuurwetten in hun voorgeschreven loop doorwerken, ook wanneer Zijn eigen kinderen daardoor zullen worden verpletterd. Er bevindt zich een schip op zee. Het is door een dikke mist omgeven. Door godzalige lieden, die zich aan boord bevinden, worden gebeden opgezonden voor de rechte besturing van het schip. Maar als het langer zo gestuurd wordt als nu het geval is, zal het op een rots komen. En het komt werkelijk op een rots, niettegenstaande de gebeden. Bekommert God er Zich niet om, dat er een schip vergaat met mensen aan boord, die om bestuur en uitredding bidden? Op een andere tijd zijn de ruwe winden losgelaten en het schip vliegt voor hen uit. Het zal spoedig zinken, het kan het in dat noodweer niet lang uithouden. Vele smekingen en gebeden worden tot God opgezonden, doch de storm blijft aanhouden en er is niet te merken, dat hij ook maar iets in zijn woede vermindert. De wetten van de natuur schijnen op zulke tijden even grimmig en harteloos te zijn alsof zij werden bestuurd door de overste van de macht der lucht. Gelijk God het verordineerd heeft, zo beweegt zich de natuur. Voor ons staan de wateren niet overeind als een hoop en ook verdrinken wij er even goed in als anderen. Of het een martelaar of een moordenaar is, het vuur verslindt met evenveel woede en het zwaard valt voor de een met een even dodelijke slag als voor de ander. Hetzelfde wedervaart de rechtvaardige als de goddeloze. Uit dit feit ontstaat menige klacht, en wij roepen uit: “Bekommert het U niet, dat wij vergaan?” Een van onze dierbaren, die Jezus liefheeft, is krank; dag en nacht smeken wij om zijn herstel, maar de koorts verandert haar gewone loop niet. Of wel het gebroken lid heeft zijn volle tijd nodig om te genezen. God wijzigt de natuurwetten in betrekking tot het lichaam in het belang van Zijn uitverkorenen niet; vergif is voor hen vergif, en krankheid is krankheid. Zeer dikwijls laat de Heere degenen, die wij liefhebben, een lange tijd lijden, en het schijnt wel of Hij geen acht slaat op onze gebeden en smekingen. Ja zelfs gebeurt het menigmaal, dat de toestand al erger en erger wordt. Wij zijn zeer geneigd, wanneer wij ons onder een beschikking bevinden, die ons een beproeving oplegt, de wetten van de natuur als zeer onbarmhartige ordinantiën te beschouwen die geen medelijden kennen. En wij zeggen: “Meester! Bekommert het U niet, dat wij vergaan? Wij dienen ons echter wel te herinneren, dat wij maar al te licht vergeten, dat de tegenwoordige klacht op een dwaling gegrond is; want de wetten der natuur doen niets hoegenaamd. En er bestaat evenmin reden om haar hard te vallen als de geboden aan de wand van de kerk. Zulk een macht als een wet der natuur die uit zich zelf handelt, is er niet. Alle macht ligt in God. En een wet der natuur is niets meer of minder dan een beschrijving van de wijze, waarop de Heere gewoonlijk werkt. Het schip, dat slecht bestuurd wordt, komt op de rots, omdat God de schepen doorgaans doet gehoorzamen aan hun stuurpennen en de rotsen haar hardheid laat behouden. En de mens, die aan een ziekte sterft, sterft niet uit hoofde van de ene of andere onbestuurbare kracht in de natuur, maar omdat God voortgaat kracht te verlenen aan vernielende werkingen. De wetten der natuur zijn niets meer dan een krachteloze letter; God werkt alle dingen. Hij zelf heeft gezegd: “Ik maak het licht en schep de duisternis.” Geen zaadkorrel zwelt er in de bodem, geen knop ontplooit zich in zijn schoonheid, geen korenaar rijpt er voor de oogst zonder God. Hij is in de dauw en in de zonneschijn, in het licht en in de warmte, welke de planten tot voedsel strekken en tot groei brengen. Gelukkig is hij, die in alle dingen een daarin aanwezige godheid opmerkt. Ik zie de wetten der natuur en ik weet, dat God daarnaar handelt, maar ik zie het best de God, Die achter de wet staat. De wet, welk een kracht heeft die? Het is God, Die naar de wet werkt, Hij doet het alles. Deze waarheid stelt de zaken in een ander licht, want zo het de Heere is, Die de beproeving over ons brengt, hebben wij onzen mond niet te openen, maar ons te buigen voor Zijn wil. Zijn wegen en handelingen moeten goed zijn. En indien zij ons smart veroorzaken, gevoelen wij nochtans, dat Hij. ons niet van harte bedroeft, of ons niet zonder oogmerk pijn veroorzaakt. Wanneer wij Zijn hand opmerken, kussen wij de roede. In plaats van te zeggen: “Meester! Bekommert het U niet, dat wij vergaan?” roepen wij in berusting uit: “Hij is de Heere, Hij doe wat goed is in Zijn ogen.”

Somtijds nemen onze klaagtonen een andere vorm aan. Wij beschouwen de moeiten, welke ons overkomen, als het gevolg van de strenge, de hardvochtige lotsbeschikkingen en huiveren, omdat het ons ongeloof toeschijnt dat God weinig rekening met ons heeft gehouden en de zaken zo heeft geregeld zonder veel te letten op de zwakheid, de ellendigheid en de gebrekkigheid van Zijn volk. Broeders, de meesten van ons, alhier tegenwoordig, geloven aan de voorverordinering en zijn overtuigd dat de Heere alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil. Wij geloven, dat alle dingen, grote en kleine, zijn vastgesteld in het eeuwig voornemen en voorzeker zullen geschieden zoals zij verordineerd zijn. Deze leer wordt aanleiding om in verstrikking en verwarring te geraken. Wij staren op de geweldige raderen van de voorbeschikking in hun verschrikkelijke omwentelingen en vrezen, dat zij ons tot poeder zullen vermalen. Bij het voorgevoel van onze moeiten vrezen wij, dat wij in dat ontzaglijke raderwerk verward zullen geraken en dat wij, aangezien het om ons geroep niet blijft stilstaan, daardoor in stukken gescheurd zullen worden. Dat rad vervult ons met angst en ontzetting. Maar wij behoren te bedenken, dat er zo iets als een blind noodlot in het geheel niet bestaat – de voorbeschikking is een geheel andere zaak. Het noodlot is een blindeman, die dolzinnig voortholt, omdat hij moet. De voorbeschikking is vol ogen en gaat te werk in één richting omdat deze het beste pad is, dat zou kunnen worden ingeslagen. Het noodlot is een tiran, die verklaart, dat dit of dat zal geschieden, omdat hij het wil; de voorbeschikking is een vader die alle dingen verordent tot heil voor zijn huishouding. God heeft Zijn bedoeling en Zijn wijze van uitvoering. En Zijn bedoelingen zijn zowel tot Zijn eigen verheerlijking als tot welzijn van Zijn volk. Wie onder ons zou wensen, dat de Heere ter zijde afweek van Zijn heilig en genadig voornemen? Hij heeft het beste verordineerd. Zouden wij dan willen, dat Hij veranderingen maakte? Hij heeft alle dingen met wijsheid besloten; zouden wij willen, dat Hij anders ging besluiten? Datgene, hetwelk ons overkomt, geschiedt, omdat het naar het oordeel van de oneindige wijsheid en goedheid over het geheel het best is, dat het zo geschiedt. Zouden wij dan wensen, dat de Heere het anders beschikte? Zou gij de Heilige Israëls willen verzoeken? Zou gij Hem willen vragen om iets anders te doen dan hetgeen wijs en rechtvaardig, en goed, en heilig, en tot Zijn eigen verheerlijking is? Laat ons, in plaats van tegen onze lotsbeschikking onze stem te verheffen, ze met een blij gemoed aannemen, omdat de Heere er in is. Zegt niet: “Bekommert het U niet, dat wij vergaan?” maar gelooft, dat in plaats van te vergaan uw volkomen zaligheid zal worden bevorderd door al de gebeurtenissen, welke de voorzienigheid van God over u brengt.

Het is ook mogelijk, dat wij ons in een andere gemoedstoestand bevinden. En ons heden kwellen, omdat het ons toeschijnt, dat de beproeving toegezonden wordt aan mensen, op wier karakter in het geheel niets valt aan te merken. En dat de godzaligen meer moeten lijden dan de bozen. Indien gij de vraag van de apostelen leest met de nadruk op het woord wij “Bekommert het U niet, dat wij vergaan?” zal u zulks mijn bedoeling verduidelijken. Wat zij zeiden, kwam hierop neer: “Wij zijn Uw apostelen, wij hebben U lief, wij wijden ons leven aan U; bekommert het U niet, dat wij vergaan? Wij zouden het wel kunnen verstaan, dat het schip, hetwelk een vracht tollenaars en zondaars draagt, naar de kelder gaat. Maar bekommert het U niet dat wij vergaan?” Somtijds hebben wij ons wel eens in moeitevolle omstandigheden verwonderd waarom wij zo zwaar bezocht worden, want wij droegen toch een gevoel bij ons om, dat de Heere ons voor bekende zonde had bewaard en ons op de weg der heiligheid had geleid. En daarom konden wij geen bijzondere oorzaak ontdekken voor Zijn geselslagen. Onze uitroep was alsdan: “Wijs mij aan waarom Gij met mij twist;” en zo er waren, die zich wreed genoeg betoonden om, evenals de troosters van Job, te zeggen dat ons lijden voortkwam uit een bijzondere zonde, hielden wij vast aan onze gerechtigheid. En verklaarden, dat wij niet goddeloos waren in de zin, in welke zij ons beschuldigden. Laat ons nu enige ogenblikken hieraan onze aandacht wijden. En wij zullen ontdekken, dat God de beproeving toezendt naar de behoeften van het karakter, maar niet naar de regel, welke vlees en bloed zouden willen voorschrijven. Er staat niet geschreven: “Zo velen als Ik haat, die kastijd Ik,” verre van dat: Hij laat de goddelozen uitspruiten als het gras en bloeien als een boom aan frisse waterbeken. Als ossen zijn zij wel doorvoed, opdat zij bereid mogen zijn ter slachting. Zij worden vetgemest, maar hun einde is nabij. Er staat evenwel: “Zo velen als Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik.” De gunstelingen van de hemel zijn erfgenamen van de roede. Er wordt niet gezegd: “De takken, welke geen vruchten voortbrengen, zullen besnoeid worden.” Neen, deze zullen te rechter tijd geheel en al weggenomen en in het vuur geworpen worden; maar er staat geschreven: “Elke rank, die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.” Wanneer er dus een bezoeking komt over onze geliefde nabestaande, die een zeer voorbeeldig leven heeft geleid, of wanneer een pijnlijke dood een mens treft, die op buitengewone wijze door de genade is begiftigd, moeten wij geen onvriendelijke gedachten van de Heere vormen, alsof Hij onrechtvaardig was, maar in dat alles Zijn liefhebbende hand zien en Hem danken dat Hij met onze geliefden handelt zoals Hij gewoon is met zonen te handelen. Want wat zoon is er, die de Vader niet kastijdt? Hij geselt een iegelijke zoon, die Hij aanneemt. Het goud wordt in de smeltoven gebracht, omdat het goud is; er zou geen baat of voordeel bij te vinden zijn, zo er puin en stenen in gedaan werden. Het koren wordt gedorst, omdat het koren is; zo het onkruid was, zou het niet door de vlegel worden aangeraakt. De grote Eigenaar van de kostelijke stenen des hemels acht het de moeite waard op de stenen van de meeste waarde een nauwkeuriger en scherper bewerking toe te passen. Een diamant van het eerste water ondergaat gewis meer snijding en slijping dan een van mindere soort, omdat de Koning begeert, dat hij vele facetten, vele vakjes heeft, welke de eeuwigheid door met groter glans het licht van de heerlijkheid van Zijn naam kunnen terugkaatsen.

Het kan zelfs wel gebeurd zijn, waarde broeders, dat wij van oordeel waren, dat Jezus Zich om ons niet bekommerde, omdat Hij geen wonder verrichtte tot onze bevrijding en niet op een in het oog vallende wijze tussenbeide kwam om ons te helpen. Gij bevindt u bij tijden in zulk een angst en verlegenheid, dat gij wel zou willen uitroepen: “O, dat Hij de hemelen scheurde en nederdaalde tot mijn verlossing!” Maar de hemelen zijn niet gescheurd. Gij hebt in levensbeschrijvingen van heilige mannen bijzonderheden gelezen van een zeer buitengewoon ingrijpen van de voorzienigheid; maar zulke buitengewone handelingen van de voorzienigheid zijn niet tot uw redding komen opdagen. Gij wordt van lieverlee al armer en armer, of wel, gij wordt hoe langer hoe meer bezocht in uw lichaam. En nu had gij gehoopt, dat God op een buitengewone wijze met u had gehandeld. Maar er is niets bijzonders voorgevallen. Waarde broeder, weet dit, dat God somtijds een groter wonder werkt, wanneer Hij Zijn volk in moeiten en wederwaardigheden staande houdt dan Hij zou doen, indien Hij hen er uit leidde. Het is voor Hem een veel verhevener zaak, dat het braambos doorbrandt en niet verteerd wordt, dan dat Hij de vlammen blust en alzo het braambos voor de ondergang behoedt. God wordt in uw wegen van moeite verheerlijkt. En indien gij hiervoor een oog krijgt, zult gij bereid zijn om te zeggen: “Heere, maak de last nog maar zwaarder, als het tot Uw verheerlijking strekt, geef mij slechts kracht naar de mate van hetgeen ik te dragen heb. En stapel dan de vracht nog maar hoger op; ik zal er niet onder verpletterd worden, maar Uw macht zal in mij tot glans en heerlijkheid geraken. Mijn zwakheid zal Uw macht verheerlijken.”

Mogelijk neemt het harde vermoeden, dat Jezus Zich om u niet bekommert, nog wel een andere vorm aan. “Ik vraag de Heere niet om een wonder te verrichten, maar ik vraag Hem om mijn hart op te beuren. Het is mijn begeerte, dat Hij de beloften aan mijn ziel toepast. Het is mijn verlangen, dat Zijn Geest mij bezoekt, zoals ik weet dat dit met sommige mensen het geval is, zodat ik mijn pijn mag vergeten door de genieting van de tegenwoordigheid van de Heere. Ik wens zulk een volkomen verzekerdheid te gevoelen van de tegenwoordigheid van de Zaligmaker, dat de tegenwoordige beproeving als het ware verzwolgen wordt in een veel meer uitnemend gewicht van blijdschap. Maar, helaas! De Heere verbergt Zijn aangezicht voor mij. En dit maakt mijn beproeving zoveel zwaarder.” Geliefden, kunt gij niet geloven in een zwijgende God? Wenst gij altijd tekenen van God te ontvangen? Moet gij vertroeteld worden evenals een bedorven kind? Is uw God van een zodanige geaardheid, dat gij Hem volstrekt moet wantrouwen, als Zijn aangezicht omsluierd is? Kunt gij Hem niet verder vertrouwen, dan gij Hem zien kunt? Daarenboven, gij verliest wat gij hebt, terwijl gij smacht naar hetgeen gij niet hebt. Gij zegt: “Ik verlang naar beloften;” maar ik vraag u: “Wat kan Hij meer zeggen, dan Hij tot u reeds gezegd heeft. Tot U, die tot Jezus de toevlucht hebt genomen?” Gij zegt, dat gij behoefte hebt aan een teken ten goede – wat groter tekenen verlangt gij dan die Hij u reeds gegeven heeft in de ervaring, die achter u ligt, of dan Hij u heeft voorgesteld in de bloedende wonden van een stervende Zaligmaker? De tekenen ten goede, welke Jezus aan het kruis gaf, dienen genoegzaam en meer dan voldoende te zijn.

Nog zegt er iemand: “Als Hij niet tot mij komt en de duisternis door het licht van Zijn aanschijn verbreekt, zou ik toch wel wensen, dat Hij de pijn, die ik heb te dragen, een weinig matigde. Als Hij ze niet geheel en al wil wegnemen, zo zal Hij mij toch zeker niet vanwege de hevigheid geheel doen vergaan.” “Vergaan,” zegt gij, maar dat is juist de zaak, waarvoor gij niet hebt te vrezen. En ik bid u, let toch op de onderscheiding: “Dat Hij ons beproeft, dat kunnen wij wel verstaan; maar dat Hij ons zou laten vergaan, dat kunnen wij niet begrijpen.” Neen, waarde broeder, het wordt ook niet van u gevraagd, dat gij dat begrijpt, want gij zijt nog niet vergaan. Slecht als uw toestand is, hij kan nog wel erger. Het is bij u zeer laag aan de grond, maar het kan nog wel lager, gij zou in de kerkers der hel kunnen zijn. Welk een genade is het, dat gij nooit lager kunt zinken dan het graf; gij zult nooit uw bed opmaken in de hel. Dank God daarvoor. Wanneer gij op het allerlaagste komt, dan treedt God tussenbeide. Het getij verandert, als gij bij het laagste punt van de eb aangekomen zijt. En het donkerste gedeelte van de nacht is dat, hetwelk aan het opkomen van de zon voorafgaat. Houdt goede moed, gij zijt nog niet vergaan, en laat dit voor u een wonder zijn.

Heere, ik ben nog in leven,
Aan de hel niet prijsgegeven.

Waarom zou een levend mens klagen? Zou hij geen hoop blijven koesteren en verwachten dat God in de uiterste nood voor Hem verschijnen zal?

Aldus hebben wij verschillende vormen vermeld, onder welke de verzoeking om de Heere op dwaze wijze te beschuldigen zich aan de ziel voordoet.

II.

Maar nu, in de tweede plaats, DE ONVERSCHILLIGHEID VAN GOD TEGENOVER ZIJN VOLK MOET TEN ALLE TIJDE SCHIJNBAAR, EN KAN GEEN WERKELIJKHEID ZIJN. Denkt slechts een weinig na. Vestigt uw gedachten op de natuur van de drie-enige God, van Wie wij spreken. De Vader, kan Hij onvriendelijk zijn? “Zijn goedertierenheid duurt tot in eeuwigheid,” Zijn naam, Zijn wezen is liefde. Hij vindt er Zijn lust in om barmhartigheid te bewijzen. Wij weten, dat Hij een onveranderlijk God is. En daarom worden wij niet verteerd. Kunt gij, o erfgenamen van de hemel, geloven, dat Hij onverschillig voor u, Zijn kind, is? Gij, die boos zijt, zijt met zorg voor uw kinderen vervuld. Hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, met mededogen voor de Zijnen vervuld zijn? Kunt gij er bij tegenwoordig zijn, dat uw kind door pijnen gekweld wordt, zonder te wensen, het daarvan te ontheffen? Hebt gij, moeders, niet somtijds gevoeld, dat gij met de grootste blijdschap het lijden van uw kinderen zou willen overnemen, indien gij daardoor uw lievelingen er van kon bevrijden? En hebt gij, arme gevallen schepselen, zulk een gevoel van medelijden, zou uw hemelse Vader het dan niet hebben? O oordeelt toch niet zo over Hem. Zegt niet tot Hem: “Bekommert het U niet, dat wij vergaan?”

Denkt aan de tweede Persoon in de goddelijke Drieëenheid, Jezus, de Zoon van God, uw broeder zowel als Gods geliefde Zoon, kan Hij Zijn volk vergeten? Heeft Hij uw natuur niet aangenomen? Is Hij niet in alle dingen verzocht geweest gelijk gij? Heeft Hij uw naam niet in Zijn beide handpalmen gegraveerd, heeft Hij de dierbare herinneringstekenen van Zijn liefde niet in Zijn zijde en het dichtst bij Zijn hart geschreven? Kunt gij de Gekruisigde in het aangezicht staren en geloven dat Hij onverschillig omtrent u is? O, er is een tijd geweest in de min van uw eerste liefde, toen Zijn linkerhand onder uw hoofd was en Zijn rechterhand u omhelsde, dat gij niet zulke harde gedachten van Hem zou hebben gekoesterd. Toen Hij u kuste met de kussingen van Zijn mond en gij de ervaring opdeed, dat Zijn liefde beter is dan de wijn, toen kon gij niet zulke gruwelijke dingen aangaande uw Welbeminde gezegd hebben. Neen, het is onmogelijk, dat Jezus ooit onverschillig zou zijn voor de jammer en de ellende van Zijn volk.

En de Geest, de dierbare en eeuwig gezegende Heilige Geest, Die in ons woont, kan Die zonder mededogen zijn? Hij verwaardigt Zich in ons te wonen en de bijzondere taak van Trooster op Zich te nemen. En dit is een weergaloze goedgunstigheid. Denkt gij dan, dat Hij, Die de Trooster is, niet met ons mee gevoelt? Een trooster zonder medelijden zou inderdaad een vreemd wezen zijn, hij zou een bespotter zijn van de menselijke ellende. De Heilige Geest evenwel is vol van teder mededogen. Denkt aan de liefde van de Geest en laat nooit voor een enkel ogenblik het vermoeden bij u oprijzen, dat het Hem een onverschillige zaak is of gij vergaat al of niet. De drie-enige God is liefde. “Gelijk zich een vader ontfermt over zijn kinderen, zo ontfermt Zich de Heere over degenen, die Hem vrezen.” Hij kan niet onverschillig zijn omtrent de toestand van de Zijnen.

Vestigt vervolgens uw gedachten, geliefden, op de daden van de goddelijke liefde van oude tijden her, waarvan de Schriften met nadruk melding maken. En het zal u duidelijk zijn, dat het niet anders kan of de Heere moet met zorg vervuld wezen ten opzichte van uw welzijn. Weet gij niet, dat de eeuwige Jehova u liefhad, aleer de wereld was? Zijt gij het vergeten, dat de bergen met hun grijze toppen niet anders dan pasgeboren kinderen zijn, vergeleken met Zijn liefde tot u? Hij heeft u uitverkoren. Hij kon u voorbijgegaan zijn, maar Hij verkoos u om Zijn eigendom te wezen. “De Heere is mij verschenen van oude dagen af,” zegt de profeet, “zeggende: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde: daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid;” En heeft Hij u deze lange reeks van eeuwen liefgehad om Zich nu om uw zuchten niet te bekommeren? Kan dat mogelijk zijn? Indien het Zijn bedoeling was geweest u weg te werpen, dan zou Hij dat al lang geleden gedaan hebben. Indien het hem te doen was om redenen voor uw verwerping, Hij had redenen van alle eeuwigheid, want Hij wist wat gij zou zijn. Geen zonde in u is voor Hem een verrassing geweest. Hij voorzag de hardheid van uw hart en de weerstrevigheid van uw ganse wezen. En als Hij u nu kon verwerpen, zou Hij u nimmer verkoren hebben. Hij zou u dan geenszins tot Zich hebben genomen. O, laat dan de eeuwige liefde u behoeden voor de gedachte, dat Hij ooit onverschillig zou kunnen zijn hierover of gij vergaat al dan niet.

Gaat vervolgens, wat ik u bidden mag, eens denken aan hetgeen Hij voor u gedaan heeft. Ik zal het slechts in het kort aanstippen. Denkt gij, dat Christus van de hemel op aarde gekomen is om u te redden en dat Hij nu onverschillig omtrent u is? Denkt gij, dat Hij hier dertig jaren van moeite en gezwoeg doorgebracht heeft om u vrij te kopen, en dat Hij u nu zal wegwerpen? En gelooft gij, dat Hij voor u opgegaan is naar het kruis, nadat Hij het verschrikkelijk toneel in de hof Gethsemané had ondergaan en Zijn bloedig zweet daar voor u had uitgestort en Zich toch om u niet bekommert? Denkt gij dat Hij de ganse last van de toorn van God voor u gedragen heeft en nu uw zaligheid als zulk een beuzelachtige zaak beschouwt, dat Hij er Zich niet om bekommert of gij vergaat of niet? Gelooft gij, dat Hij in het graf voor u gerust heeft en weer voor u opgestaan is, dat Hij voor u binnen het voorhangsel is gegaan en dat Hij bij God voor u pleit. En toch, als het er op aankomt, een geveinsde is, die geen werkelijke liefde voor u heeft? O mens! Zo datgene, wat Christus gedaan heeft, u niet kan overtuigen, wat is dan wel daartoe in staat? Vele wateren zouden Zijn liefde niet kunnen uitblussen, ook zouden de vloeden ze niet kunnen verzwelgen; wilt gij voor het tegenwoordige en voor de toekomst niet op Hem vertrouwen, na alles wat Hij voor u gedaan heeft?

Bedenkt ook wat Hij persoonlijk aan u gedaan heeft en wat gij in uw binnenste hebt ervaren en gevoeld. Jaren geleden waart gij Zijn vijand en Hij heeft u gered en u tot Zijn vriend gemaakt. Herinnert gij het u niet, hoe gij in de angst van uw ziel als uit de onderste kuil tot Hem geroepen hebt en Hij tot uw redding opdaagde? Zal Hij u dan nu verlaten? Let er op hoe zeker dichter van de geschiedenis, die achter hem lag een pleidooi vormde en daarmee bij God aandrong – doet ook gij alzo.

Een zondaar kwam vol angst gevloôn,
O God, tot Uw genadetroon:
Genade hoorde en stelde hem vrij,
Heer! Die genade kwam tot mij.

Veel is er sinds voorbijgegaan,
Al meen’ge wisseling zag ik aan:
Gij hield mij staande in mijn stand
Door Uwe trouwe Vaderhand.

Gij hielp mij uit in iedere nood,
Uw goedheid was oneindig groot,
En stroomde toe in volle maat ….
Kan ‘t zijn, dat Gij mij zinken laat?

Zo is het. Indien God niet reeds zoveel voor ons gedaan had, zouden wij Zijn bedoelingen tegenover ons in twijfel kunnen trekken; maar na de goedheid en genade, die Hij heeft betoond, zal Hij voorzeker daarmee doorgaan en het werk dat Hij begonnen is, volmaken. Hij heeft al te veel aan Zijn werk ten koste gelegd om het nu te laten varen.

Bedenkt ook, geliefden – en dit is een zoete verkwikking voor de geest – bedenkt ook welk een betrekking er bestaat tussen u en uw God. Vaderschap en zoonschap, welk een troost ligt daarin! Kan de Heere een onteder Vader zijn? Zal de Heere Zijn eigen kinderen verwerpen? “Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermt over de zoon van haar buik? Ofschoon zij vergat, zo zal Ik u toch niet vergeten, spreekt de Heere.” Bedenkt ook, dat er tussen u en Christus, o gelovige, een betrekking bestaat als die van een man en vrouw. “Ik heb Mij u getrouwd,” spreekt de Heere; en de profeet zegt ons, dat de Heere, de God van Israël, de verstoting haat. “Waar is de scheidbrief van uw moeder?” zegt Hij, alsof Hij iedereen uitdaagt om te bewijzen, dat Hij ooit Zijn geliefde had verstoten. “Ik zal Mij u voor eeuwig ondertrouwen,” is de taal van onze onveranderlijke God. De Heere heeft Zijn volk, hetwelk Hij van te voren kende, niet verworpen. Waarom Hem dan te wantrouwen? O, bij de innige betrekking, welke er bestaat tussen onze harten en God, laat ons Hem niet van onverschilligheid verdenken.

Denkt ook aan de goddelijke beloften. Zal God Zich een leugenaar betonen te zijn en ons laten omkomen? Denkt aan Zijn eedzwering. Het is een gruwelijke godslastering, te denken, dat Hij Zich ooit van Zijn eed ontbonden zou achten. Denkt aan het plechtige zegel van het bloed der verzoening. Hoe kan de Heere het bloed van Jezus met onverschilligheid behandelen, of het verbond verzaken, hetwelk verzekerd en bekrachtigd werd door de dood van Zijn eigen Zoon? Een gelovige laten vergaan! Onverschillig zijn of Zijn vrijgekochten behouden worden of niet! Onmogelijk! Het kan niet zijn. Ver van hier, afschuwelijke gedachte! Laat de storm woeden zoals hij wil en laat Christus slapen zoals Hij verkiest, Hij moet een hart voor Zijn volk hebben. Zijn onverschilligheid kan niet anders dan denkbeeldig zijn.

III.

In de derde en laatste plaats, ER IS IN ONZE HEERE EEN WEZENLIJKE ZORG VOOR ZIJN VOLK TE MIDDEN VAN ZIJN SCHIJNBARE ONVERSCHILLIGHEID. Dit was voorzeker het geval op de Galilese zee. Merkt er op in het verhaal, dat ofschoon Christus sliep, Hij Zich in het schip bevond; Hij had Zijn discipelen niet verlaten; en hoe God ook met Zijn volk moge schijnen te handelen, Hij is toch met en bij hen. “Vreest niet,” zegt Hij, “want ik ben met u.” Als er niets meer is, behoort de tegenwoordigheid van de Heere genoeg te zijn om ons op te beuren. Onze hemelse Vader kent onze behoeften. Verbannen te zijn van de tegenwoordigheid Gods zou de hel wezen; maar hoezeer ons schip ook door storm en onweer moge worden geslingerd, wij kunnen niet wanhopen, zolang de Heere onze metgezel is.

Bedenkt ook, dat ofschoon Christus sliep, Hij evenzeer als de discipelen heen en weer geslingerd werd en in hetzelfde gevaar verkeerde. Zij mochten wel zeggen: “Bekommert het U niet, dat wij vergaan?” Hem bij zich insluitende, want zij zouden gezamenlijk naar de diepte gegaan zijn, Hij zowel als zij. Als wij vervolgd worden, wordt Jezus vervolgd. Als wij lijden, lijdt het Hoofd in de leden. Onze zaak is Zijn zaak. Dit behoort ons moed in te boezemen. Toen de Romeinse veldheer Caesar tot de bevreesde kapitein zei: “Vrees niet, gij vervoert Caesar met zijn ganse fortuin,” leverde hij ons slechts een aards type van de grote hemelse waarheid, dat het vaartuig der zaligheid Christus en Zijn eer zowel als Zijn volk draagt.

Bedenkt ook, dat onze Heere Zijn volk weldadigheid bewees, toen Hij slapende was, want Hij stelde hun een goed voorbeeld, een voorbeeld van heilige gerustheid in tijden van nood. Hij sliep niet alleen ter oorzaak van Zijn vermoeidheid als mens, maar ook omdat Hij Zich veilig wist in de handen van Zijn Vader. Toen de Meester Zijn voet aan boord van dat vaartuig zette, wist Hij dat er een storm zou opsteken. Het op- en neergaan verraste Hem niet, en toch ging Hij slapen, omdat Hij wist, dat het alles wel was. Niemand had met zulk een voorkennis kunnen slapen, dan iemand, wiens hart vol vertrouwen was op God. De Heere wil, dat Zijn Volk gerust en niet gemelijk zal zijn: “Hij geeft het Zijn beminden als in de slaap.” Wij lezen er nergens van, dat onze Heere sliep, dan alleen bij deze gelegenheid, deze majestueuze gelegenheid, toen Hij een verkwikkende slaap genoot in een vaartuig, dat door de storm op en neer werd geworpen. Met Zijn hoofd op een peluw, omdat Zijn hart rustte aan de boezem van God. Hiermee gaf Hij aan al Zijn dienaren deze les: “Neemt rust in tijden van moeite en laat het alles over in de handen van Hem, Die voor u zorgt.” Zijn slapen was een aanschouwelijke prediking over de tekst: “Uw hart worde niet ontroerd.”

Daarenboven stelde Hij hen op de proef en maakte Hij hen met zich zelf bekend. Misschien waren velen onder hen in dezelfde gestalte als Petrus en dachten zij dat zij alles konden verdragen, maar nooit de Heere zouden wantrouwen. Hij liet de stormwind waaien, waardoor zij in een gemoedstoestand geraakten, waarbij de twijfel hen overheerste, opdat zij het boze hart vol ongeloof mochten aanschouwen, hetwelk nog in hen op de loer lag. Door deze beproeving sterkte Hij hen. Zij zouden hun gehele leven vissers van mensen zijn en vissers moeten met stormen kennis maken. Dit was een van de stormen in hun leerjaren, nu hun Aanvoerder nog bij hen was, opdat wanneer zij zelf aanvoerders werden, hun niet iets vreemds zou overkomen, als zij door een storm werden overvallen. Indien zij, toen Christus bij hen was, niets anders dan fraai weer hadden aanschouwd, zouden de orkanen hen naderhand hebben doen opschrikken, nadat Hij was heengegaan; maar nu zullen zij in tijden van vervolging en beproeving tot elkaar zeggen : “Heeft Hij ons zulks van te voren niet laten zien, op die dag toen Hij ons meenam naar Genesaret; Hij was toen bij ons in het schip en toch hadden wij een storm te doorstaan.”

En wat nog het beste van alles was, Jezus zorgde voor hen, opdat Hij het gevaar, waarin zij verkeerden, te baat nam om Zich zelf aan hen te openbaren. Hij wenste hun Zijn almacht te tonen; maar hoe kon Hij zulks doen, indien er geen moeilijkheden waren, die Hij door Zijn goddelijke macht had te overwinnen? Hij had hun getoond hoe Hij duivelen kon uitdrijven en kwalen kon genezen; maar nu verlangt Hij, dat zij ook zullen zien, hoe de winden en de golven onderworpen zijn aan Zijn wil. En daarom ontketent Hij de woedende stormwinden. Het heeft weinig te betekenen of iemand tegenover een geketende leeuw staat; maar als het verschrikkelijke dier losgelaten is, dan moet het al een held zijn, die zich er aan durft wagen. De orkaan is losgelaten, de golven woeden, zij verslinden het vaartuig: nu zult gij zien hoe groot de Meester is, waar Hij, op het schip staande, uitroept: “Zwijg, wees stil!” En alles beneden Hem is in rust. Zonder de storm konden zij de heerlijkheid van de Rustaanbrenger niet hebben aanschouwd. En alzo was de beproeving volstrekt noodzakelijk, opdat zij Zijn Godheid volkomen zouden leren kennen.

IV.

Wij komen nu tot onze laatste gedachte, welke deze is: TE RECHTER TIJD ZULLEN AL DEGENEN, DIE OP GOD VERTROUWEN, ZIEN, DAT HIJ VOOR HEN ZORGT. Toen Jezus gewekt werd, was Hij niet toornig. Als Hij dat gewild had, had Hij wel van Zijn discipelen weg kunnen gaan: het stond volkomen in Zijn macht om over de golven heen te stappen en hen met weerzin de rug toe te keren. En ook na de harde dingen, die wij van God hebben gedacht en gezegd, zou Hij ons wel aan ons zelf en aan het verderf kunnen overgeven, als Hij dat wilde; maar Hij wil zo iets niet. Jezus verwierp de onwaardige gebeden van Zijn zwakke volgelingen niet; Hij had Zich wel geërgerd kunnen betonen, dat zij woorden van Hem te horen kregen als deze: “Denkt gij zo over Mij? Is dat de manier, waarop gij over Mij spreekt?” Maar Hij nam hen niet op een dusdanige wijze onder handen. Op een zachte toon zette Hij hen terecht, uit liefde tot hen. Maar toorn was er niet te merken. Hij nam hun gebeden aan en Hij werd wakker en welk een ontwaken was dat! Hoe machtig waren Zijn werken! Een ogenblik nadat men Hem wakker gemaakt had, was er geen spoor van de storm meer te bespeuren. De alleronstuimigste van die ruk- en dwarrelwinden sliepen als een zuigeling aan de boezem van zijn moeder. De golven waren zo effen als een marmeren plaat. Verontruste ziel! Gij zult ook nog kalmte genieten. Arm beproefd en verzocht kind van God! Gij zult dagen zien, op welke gij u zult verwonderen waar toch uw moeite en onrust gebleven is; gij zult tot uzelf zeggen: “Zij is geheel verdwenen, er is niets meer waarover ik mij ongerust maak; Christus heeft al mijn moeiten en zorgen verdreven.” Misschien zult gij dan wel een langdurige, onafgebroken kalmte genieten – geen gewone kalmte, maar een zodanige, zo vredig en zo diep, dat gij tot u zelf zult zeggen: “Het is de moeite waard een storm te ondergaan, als men daardoor tot een vrede geraakt, zoals ik thans geniet.” Na de woestijn te zijn doorgetrokken, zult gij Kanaän binnengaan. De engelen zullen u bezoeken, wanneer de verzoekingen van de duivelen een einde genomen hebben. Gij zult het strijdperk verlaten om het land der ruste in te gaan, waar gij de hemelse koren zult horen zingen en de engelen u specerijen zullen brengen uit de hoven van de gezaligden. Alleen, schept moed! Blijft staande op uw post, vertrouwt op de Heere, denkt goed van Hem en rust in Hem, want daar de Heere leeft zal geen vaartuig, dat Christus aan boord heeft, ooit schipbreuk lijden. Degene die het geloof deelachtig is, is verzekerd tegen verderf en ondergang, Wacht op de Heere, ook zo Hij vertoeft te komen en een bekoorlijke zonneschijn en een aangename vaart zullen uw loon zijn.

Ik zal van het onderwerp afstappen, na nog in twee richtingen wenken te hebben gegeven, die tot toepassing kunnen dienen.

De eerste zaak is deze. Naar mijn gevoelen is dit geval zeer wel van toepassing op de staat van de kerk in deze tegenwoordige tijd. Er bestaat in het gemoed van sommigen een grote onrust omtrent de kerk, want het gaat alles verkeerd en het een komt met het ander in botsing. De tekenen der tijden zijn somber. Voor mij is het de grootste reden tot ongerustheid, dat Jezus schijnt te slapen; er wordt niets gedaan, men hoort van geen grote godsdienstige opwekking en de bediening oefent weinig kracht uit. Ik vind evenwel troost in de gedachte, dat Jezus slaapt, maar dat Hij nooit te lang slaapt. Wanneer wij in slaap vallen, weten wij niet, hoe en wanneer wij zullen ontwaken; maar dat weet Jezus Christus wel: Hij slaapt, maar Hij slaapt niet over Zijn tijd. Ere zij Zijn naam. Hij slaapt, maar Hij is niet dood. En zolang als Hij in leven is, is onze blijdschap levendig. Aangezien er een levende Christus is, zal er steeds een levende kerk zijn. De mogelijkheid bestaat, dat zowel Christus als zijn kerk in slaap zijn; maar noch Christus, noch Zijn kerk kunnen vergaan. Indien onze Heere in slaap is, is Hij in de nabijheid van het roer in slaap: Hij behoeft Zijn hand slechts uit te steken om stuur aan het schip te geven. Hij is in slaap; maar Hij slaapt slechts zolang, totdat wij luider tot Hem roepen. Wanneer wij zodanig in moeite geraken, dat wij ons zelf niet kunnen helpen en onze algehele afhankelijkheid van Hem gevoelen, dan zal Hij Zijn macht openbaren. Misschien zal gedurende de eerstvolgende twintig jaar de toestand op godsdienstig gebied in Engeland al erger en erger worden; het is zeer wel mogelijk, dat nog een reeks van jaren het ongeloof en het bijgeloof de boventoon zullen voeren; en dan zal Zijn kerk zich in een jammerlijke staat bevinden en uitroepen: “O God, de kaars is bijna uitgedoofd, het licht is bijna weggenomen!” Maar dan zal er zulk een buitengewoon groot en bitter geroep opstijgen, dat Christus het zal horen en zal komen om Zijn werk op recht heerlijke wijze met nieuw leven te bezielen. Het kan wel zijn, dat Hij de strijd tegen ons nog lange tijd zal doen voortduren en dat onze geringe kracht Zich in de grootste zwakheid zal oplossen, zodat wij bijna aan de goede uitslag gaan wanhopen. Dan zal Zijn Geest neerdalen en het geklank der bazuin zal worden gehoord; wij zullen Zijn stem vernemen: “Zijt goedsmoeds; wanneer gij zwak zijt, dan zijt gij machtig!” Dan zullen wij eensklaps in onze volslagen onmacht nogmaals op de vijand aanvallen. En gelijk Gideon’s gerstebrood, hetwelk de tenten van de Midianieten sloeg en ter aarde deed vallen, zo zal het volk des Heeren grote heldendaden verrichten, omdat de Heere als een geweldige uit Zijn slaap is ontwaakt. Een plotselinge en heerlijke overwinning zal hemel en aarde doen weergalmen van Zijn lof. Zijt niet moedeloos en troosteloos. De storm is nog niet op zijn hevigst, het vaartuig is nog niet met water gevuld, het is nog drijvende. Wanneer het aan het zinken toe is en bijna in de golven onderduikt dan zal de Gezagvoerder Zich op het schip vertonen en de wateren tot kalmte brengen. Wanneer het bijna door de woedende baren wordt overweldigd, zal Hij Zijn stem laten horen. Zwijg, wees stil!” Het is ook mogelijk, dat de kalmte, de lange duizendjarige kalmte niet zover meer af is; wij weten niet, hoe nabij ze wel kan zijn; laat ons evenwel de hoop niet verliezen.

De andere toepassing is voor de zondaar. Het kan zijn, dat hier iemand is, die zich in een jammervolle toestand bevindt: hij gevoelt, dat zijn zonden, als hongerige golven gereed zijn hem te verslinden en hij weet geen weg ter ontkoming. Hij heeft zich evenwel in het gebed tot God gewend en dat verblijdt mij. Waarde vriend, houd nooit op met bidden! De arme ziel heeft haar geroep laten horen: “Heere, help mij!” Het is het rechte gebed. Broeder, houdt er mee vol. Maar het schijnt hem toe, dat Jezus slaapt, en hij zegt: “Bekommert Hij Zich niet om een arme zondaar? Wil Hij mij in de hel laten verzinken en Zich nergens aan storen? Wat zegt gij, mijn vriend, zou gij een biddende zondaar naar de hel laten gaan, als gij hem kon redden? “O neen!” Zegt gij, “als hij tot mij riep, zou ik hem helpen.” Denkt gij dan, dat gij beter, dat gij goedhartiger zijt dan Christus? Ik zeg u, dat Zijn hart een en al tederheid is, dat Zijn binnenste smelt van liefde. Geloof in Zijn liefde, werp u op Zijn genade, en wanneer gij in Hem gelooft, zijt gij behouden. Koester geen harde gedachten van Hem. Raak de zoom van Zijn kleed aan en gij zult gezond worden. Vertrouw uw schuldige ziel aan Hem toe en het is wel met u, nu en tot in eeuwigheid. Moge God u Zijn zegen geven om Jezus’ wil. AMEN.

 

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend