24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Het zaad op de steenachtige grond

Het zaad op de steenachtige grond

“En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had. Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord.” Markus 4:6

Volgens de gelijkenis valt het zaad van het Evangelie op allerlei grond. Sommige van de kostelijke korrels vallen op de harde weg, sommige op de rots, sommige onder de doornen en slechts één deel, misschien wel in nog kleinere verhouding dan die van één tot vier, valt op goede grond, waarin het een geschikte verblijfplaats vindt. De prediker zal dus niet overal onvermengde voorspoed hebben. Hij kan op een volledig loon rekenen voor zijn werk als een geheel; maar hij moet niet denken, dat het goede woord overal ingang zal vinden, want voor velen zal het een reuk des doods zijn ten dode, en niet des levens ten leven. Zelfs toen Jezus predikte hebben slechts weinigen Hem ontvangen, en van Paulus’ dienstwerk lezen wij: “Sommigen geloofden wel hetgeen gezegd werd, maar sommigen geloofden niet”. Het is voor de eerstbeginnende in de dienst van de Heere de roeping om voorwaarts te gaan met billijke, doch niet al te hoog gespannen verwachtingen, opdat hij niet eerlang het werk moede wordt en het in zijn bittere teleurstelling geheel opgeeft.

Merkt wel op, dat de zaaier in de gelijkenis niet gelaakt wordt voor zijn uitstrooien van zaad op een grond, die onvruchtbaar bleek te zijn. Geen woord van afkeuring hieromtrent staat van hem geschreven. Hieruit kunnen wij nu redelijkerwijs afleiden, dat hij niet meer en niet minder dan zijn plicht gedaan heeft; en dat de dienstknecht van Christus het zaad van het Evangelie onder geheel het mensdom heeft uit te strooien. Het is Gods werk het zaligmakend woord te doen doordringen tot de harten, die Hij toebereid heeft om het te ontvangen; maar wat ons betreft; wij moeten het Evangelie prediken aan alle creaturen; en uitgaande in de straten en stegen van de stad, moeten wij allen, die wij vinden, nodigen om tot het Avondmaal des Heeren te komen. Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren De bedoeling is nooit geweest, dat de uitwendige roeping even beperkt zou zijn als de uitverkiezing; toch zijn er sommige leraren, wier prediking veel meer bestaat in een ontleding van de grond, dan in een zaaien van het zaad. De ontleding van de grond aan God overlatend, neem ik mijn opdracht aan uit zijn handen, en wens haar ten uitvoer te brengen. Hoorder van de steenachtige grond, er is een handvol zaad voor u; gij, die een hart hebt, zo hard als een begane weg, er is een handvol voor u; en zelfs onder de doornen, die in onze eeuw zo overvloedig gevonden worden, zal het goede zaad als een kostbare regen van de hemel neerkomen. En zo God in zijn genade het heenleidt naar zijn uitverkorenen, en dezen het, evenals de goede aarde, ontvangen, dan zal dat zijn werk zijn, want door mijn macht of bekwaamheid zal het nooit tot stand komen. Het is aan Mij het aan alle wateren te zaaien, aan zijn is het de wasdom te geven. Het beste schot, dat ooit met pijl en boog gedaan was, werd gedaan, toen een man de boog spande “in zijn eenvoudigheid”, en Achab, de koning van Israël schoot tussen de gespen en tussen het pantsier. En terwijl ik mijn boog span om het Evangelie te prediken aan alle kreaturen, gevoel ik in het geloof de zekerheid, dat de Heere de pijl zal besturen en zijn bedoelingen der genade tot stand zal brengen.

Ik gevoel, dat mij een hoog ernstig werk op de hand is gezet. Het is mij altijd een genot over een bemoedigend onderwerp te prediken, maar heden morgen zal ik moeten spreken over onderzoeken en toetsen. Wij hebben te handelen over mensen, die zeer goed schijnen te zijn; en wij zullen moeten aantonen, dat zij niet zijn wat zij schijnen. Wij zullen het koren van de dorsvloer in de zeef moeten doen; en nu zou het wel kunnen zijn, dat er veel kaf is, dat weggeblazen moet worden. Dit is een werking die niet aangenaam is voor het vlees; en wij hebben de Geest van God nodig om haar op de rechte wijze te verrichten, opdat de zwakken niet grotelijks beroerd worden, hetgeen wij verre zijn van te wensen. Een ernstige rede moet voortkomen uit een ernstig hart, en moet met ernst in het hart worden gehoord. God geve, dat dit heden zo zijn moge, dat het woord ten zegen mocht zijn voor een iegelijk van ons, hetzij wij al of niet belijders van het Evangelie zijn.

Wij zullen ten eerste de geschiedenis lezen van de hoorders van de steenachtige aarde; in de tweede plaats zullen wij op het radicaal gebrek wijzen van hun karakter, om dan in de derde plaats uit het geheel een lering te vinden voor ons zelf.

I.

Wij hebben hier dan, ten eerste, EEN KORTE LEVENSBESCHRIJVING VAN ZEKERE BELIJDERS VAN DE GODSDIENST. Laat ons haar met opmerkzaamheid lezen. Er wordt in de eerste plaats van hen gezegd, dat zij het woord hoorden.

“Welke, als zij het woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen”. Zij hadden het grote voorrecht van Gods Woord te horen. Zij hoorden het wezenlijke Evangelie; zij woonden geen kerkdienst bij, waar het woord Gods vervalst wordt door rooms bijgeloof of filosofische bespiegelingen; het was het woord, dat zij hoorden.

De zaaier zaaide geen onkruid, maar deugdelijk koren. Hoe gelukkig zijn zij, die een zuivere Evangelie-verkondiging kunnen horen! Mocht het God behagen zodanige leraren overal te vermenigvuldigen, en de harten van de mensen te neigen om hen gaarne te horen. Hoe kunnen wij verwachten, dat de zaligheid tot ons zal komen, indien wij het Evangelie van de zaligheid niet horen? ln dien wij slechts luisteren naar meningen, en denkbeelden, en wijsgerige redeneringen en bijgelovigheden, en niet naar het eigen Woord van God, dan kunnen wij geen zaligheid verwachten.

De Heilige Geest behoudt de mensen niet door middel van leugens; maar zo wij de waarheid horen, gelijk zij is in Jezus, dan kunnen wij hopen, dat Hij er kracht van zal doen uitgaan tot onze bekering.

Herinnert u voorts, dat horen niet genoeg is. Die alleen maar hoorders zijn van het woord, zullen de hemel niet binnengaan; er moet een doen zijn van het woord, zowel als een horen er van. Deze mensen waren goede, uitnemende hoorders, want zij gingen nog verder dan horen –zij hebben het ontvangen; niet in de goddelijke kracht en bovennatuurlijke uitwerking er van; maar toch hebben zij het ontvangen, dat is: zij hebben er niet op gevit, zij hebben er mee ingestemd gelijk zij het hoorden, en het erkent als de waarheid van God. Het woord ontvangende, heeft het ook een zekere uitwerking op hen gehad. Zij waren enigermate onder de indruk er van gekomen. Als er in de prediking gesproken werd van Gods toorn vanwege de zonde, dan werden zij verschrikt. Zij hebben niet altijd met droge ogen gehoord; zij waren niet altijd als de banken, waarop zij zaten, onbewogen en stompzinnig. Neen, zij ontvingen het woord, het wekte gewaarwordingen bij hen op; zij gevoelden er de uitwerking van en werden aldus geleid om in veel van hun leven verandering te brengen. Zij gingen naar huis en reinigden de kamers, die vol van onreinheden waren geweest.

Zij reinigden ten minste de buitenzijde van schotel en drinkbeker; en zorgden dat het graf, indien al niet ontdaan werd van de dorre doodsbeenderen, ten minste betamelijk wit gepleisterd was, zodat de voorbijganger er zich niet aan ergerde. Door hetgeen zij hadden gehoord waren zij voor het uitwendige veranderd en verbeterd. En in zoverre hebben zij het ontvangen.

En dan wordt, in de derde plaats, van hen gezegd, dat zij het terstond hebben ontvangen. Het heeft in hen geen strijd, geen twijfelingen of moeilijkheden opgewekt. De prediker zei: “dit is het Woord van God” en zij waren tevreden om hem te geloven, schoon zij niet wisten waarom. Terwijl anderen vroegen naar het gezag, waaraan hij zijn boodschap ontleende; en na dit gezag erkend te hebben, met duizend moeilijkheden hadden te kampen, hebben deze lieden zich alle moeite bespaard door maar nergens over te denken.

Het was de godsdienst van hun vader en moeder, en daarom geloofden zij er in. Zij slikten de pil met gesloten ogen en bekommerden er zich niet om of het de waarheid van God of de leugen van Satan was. Aan een geestelijk, innerlijk verwerken van de leer; daaraan dachten zij niet eens; alles wat men hen leerde namen zij voetstoots aan. De priesters zelf zouden geen volgzamer leerlingen kunnen wensen. Deze hoorders hadden geen zware worstelingen om tot de Zaligmaker te komen, geen bewustheid van schuld om hen terug te houden, geen gewetenswroeging om hen te beangstigen, geen ongerustheid door de vraag of zij wel waarlijk tot Gods volk behoorden, geen toetsing en geen zifting om te zien of zij oprecht berouw en een Gode welgevallig geloof hadden. “Gewis,” zeiden zij, “dit is een goede zaak, en wij willen haar hebben”. En in zekere zin hebben zij haar ook gehad, niet met enigerlei diepte van nadenken of met enig gewicht van oordeel, maar onmiddellijk hebben zij het woord ontvangen.

Er wordt nog bijgevoegd: zij hebben het met vreugde ontvangen. Het onmiddellijk gevolg van hun ontvangen van het woord was, dat het hen zeer gelukkig maakte; en er zijn niet weinigen, die geloven, dat zeer gelukkig geworden te zijn een stellig bewijs is van bekeerd te zijn. Gelooft mij: dit is een zeer twijfelachtig bewijs. Ongetwijfeld is één groot gevolg van het ontvangen van het Evangelie in het hart, dat men blijdschap en vrede ontvangt door te geloven; maar er zijn vele soorten van blijdschap, en vele soorten van vrede; en er is een blijdschap, die niet de vrucht is van genade, maar een voortbrengsel van de natuur; en een vrede, die voortkomt uit zelfbedrog en niet uit de Geest van God. Wij moeten ons wachten voor de gevolgtrekking, dat wij verlost en behouden zijn, omdat wij “zo gelukkig” zijn.

De rijke man, die naar de hel ging, was gelukkig, toen hij alle dag vrolijk en prachtig leefde. De man, die zei, dat hij zijn schuren wilde afbreken en grotere bouwen, was gelukkig, terwijl hij zijn goederen aan zag.

Ook de verloren zoon was gelukkig, terwijl hij zijn goed doorbracht en overdadig leefde. Maar hun blijdschap was van een geheel andere aard dan die, welke de vrucht van de Geest is. De mensen van onze tekst zagen uitsluitend op de gelukkige zijde van de godsdienst. “Daar is mijn moeder,” zei de hoorder van de steenachtige grond, “welk een gelukkige christin is zij!” Ik heb haar onder zware beproeving ondersteund gezien door de Geest van God; ik heb haar gadegeslagen als er een sterfgeval bij ons was; en ik heb gezien hoe kalm en vredig zij er onder geweest is. Ik zal Christus aannemen, want dan zal ik even gelukkig zijn als zij.” Die hoorders van de steenachtige grond dachten, dat het zeer gelukkig moet wezen om vergiffenis te hebben verkregen; en zo is het ook; maar zij bleven alleen daarbij staan. Begenadigd te zijn, een kind van God te wezen, aangenomen te zijn in de Geliefde, hoe kostelijk en heerlijk moet dit wezen!

Hoe heerlijk om tot Gods heiligen te worden gerekend, aan de tafel des Heeren aan te zitten en een geacht lid van de gemeente te zijn tot wie men hoog opziet! Zijn dat niet alle wegen van de liefelijkheid? En dan eindelijk naar de hemel te gaan, juichend te sterven, opgenomen te worden om met Jezus te zijn in het midden der heerlijkheid, wat vreugdevolle zaken! Wie twijfelt er aan? Maar deze mensen bleven alleen bij deze beschouwing van de zaak; en zij gedachten niet, dat er tussen hier en de hemel velerlei verzoeking is te bestrijden en te overwinnen. Dat er beproevingen zijn te verduren, zware beproevingen, die wij niet anders dan door Gods hulp en ondersteuning kunnen dragen. Rechterarmen zullen afgehouwen, rechterogen uitgerukt moeten worden. Er zullen kosten te overrekenen zijn, er zal een rekening moeten worden opgemaakt om te zien of de toekomst tegen de arbeid en de moeite van heden zal opwegen. Jeugdige lieden vol hoop in het hart doen de gelofte, dat zij bezit zullen nemen van het schone land Kanaän, maar zij bedenken niet hoe ruw de weg is, die er heen voert.

Evenals “Meeloper” begeven zij zich op weg naar de hemelse stad; maar zij hebben niet gerekend op de “Poel der Wanhoop.” En daarom willen zij, zodra zij een weinigje slijk in de mond krijgen, maar liever terugkeren, en het schone land overlaten voor hen, die er om geven. Wat hun betreft, zo zij slechts hun beenderen heel kunnen houden in hun lichaam, willen zij de toekomst gaarne overlaten voor wat zij is.

Deze lieden hebben alzo het woord terstond met blijdschap ontvangen. Hoe hoopvol moet dit de zaaier hebben toegeschenen! Bemerkt gij niet hoe gemakkelijk leraren bedrogen kunnen worden? Als gij slechts hebt te prediken, en als de mensen gewillig zijn om te horen; slechts te prediken en de mensen bereid om aan te nemen, – het Evangelie aan te nemen, en dat wel terstond, zonder dat zij u lastig vallen en u moeite veroorzaken door met hen te moeten redeneren; als zij het woord terstond met vreugde ontvangen, en gij u de moeite niet behoeft te geven om hen er toe aan te moedigen en op hun vragen en twijfelingen te antwoorden, hen in hun angst en benauwdheid te vertroosten met duizenderlei beloften die gij uit Gods woord moet kiezen, is dat dan geen heerlijk werk, dat de zaaier rijkelijk zal belonen? Helaas! Wij moeten onze vruchten niet tellen naar de knoppen!

Alles wat blinkt is geen goud, en niet alle eieren zullen uitgebroed worden.

Wij lezen ook, dat deze lieden snelle vorderingen maakten, “het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.” Omdat de aarde zo ondiep was, kon het snel opwassen. Deze mensen hoorden eens op een dag het Evangelie, zij ontvingen het en hielden zich er van overtuigd, dat zij verlost en behouden waren. Zij waren terstond vol van blijdschap en haastten zich om dadelijk openlijk belijdenis te doen. Zij hadden geen tijd nodig om neer te zitten en eens te zien of zij die belijdenis gestand zouden kunnen doen, of om genade te zoeken, opdat zij niet zouden lopen voor en aleer zij geroepen zijn; maar voort gingen zij, alsof er een vonk in een hoop buskruit was gevallen. Zij deden belijdenis, en een week daarna gaven zij al onderwijs in de zondagsschool. Zij waren er zó zeker van op de rechte weg te zijn, dat zij zich vertoornden op andere pelgrims, die niet zo snel reisden. Toen zij hoorden van christenen, die ongerust waren over hun toestand, zeiden zij: “welk een onzin! Wat reden hebt gij hiervoor?”

Als zij een wèl onderwezen christen zagen, die sidderend zijn eigen hart onderzocht, dan zeiden zij: “o, gij moet volstrekt niet op uzelf zien en geen acht geven op hetgeen er in u omgaat.” Zij hadden slechts een eenzijdig Evangelie ontvangen, en dat bevredigde hen volkomen; maar het werk van de Geest in de ziel, en de heilige jaloersheid, die één der beste vruchten is van een levende godsvrucht, daar hielden zij zich niet mee op. Zij wilden de kerk achter zich aan slepen, en de wereld voor zich uit drijven; en zeer snel zouden zij ook de prediking, die, naar zij voorgaven, het middel was van hun bekering, voorbij streven.

Van hysop op de muur werden zij opeens cederen van de Libanon. Zij waren nu eens mannen; en met hen zou de wijsheid uitsterven. Heerlijk om met zulke mensen van doen te hebben, niet waar? Wij zullen zien, en dan zullen wij bemerken, dat niet alle ranken, waaraan bladeren ontspruiten, ook vruchten zullen dragen.

Ter bestemder tijd kwam, volgens de gelijkenis, de beproeving. Het zaad was opgekomen; maar ook de zon was opgekomen, en begon het te verschroeien. Niemand zal in de hemel komen zonder op de weg derwaarts beproefd te zijn. Vraagt eens omtrent hen, die in hun witte klederen voor de troon van God staan: wie zijn zij, en van waar zijn zij gekomen? En het antwoord zal wezen: “dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed van het Lam.” Er is niet het minste goud in de gehele tempel van God, dat niet door het vuur gegaan is. Een onbeproefd geloof is geen geloof; onbeproefde genade is geen genade. God zal zijn volk toetsen en zal het kostelijke van het snode uittrekken.

Volgens de verklaring van de tekst van de Heiland kwam de beproeving in de vorm van vervolging. Ach! Hoe velen zijn er, die het woord met blijdschap ontvangen hebben, en die, zo de brandstapels weer opgericht werden, zeer spoedig hun belijdenis van het christendom zouden verzaken!

Of, zo er een gevangenis was, waarin zij moesten liggen totdat er mos groeide op hun oogleden, spoedig de waarheid zouden verlaten om de zijde van de dwaling te kiezen. Wij behoeven niet zeer bevreesd te zijn voor de herleving van zodanige beproevingen; maar er zijn andere vormen van vervolging die bloot uitwendige belijders niet in staat zijn te ondergaan.

Een smalend woord in de voorname kringen van de maatschappij; een aanmerking op het christendom van iemand, die gij gewoon zijt te eerbiedigen; een blik van iemand, die rijker is dan gij, terwijl hij u minacht om uw belijdenis van een volgeling van Christus te zijn; onvriendelijke woorden van een vader; tegenstand van een echtgenoot; het verlaten worden door een jonge metgezel, aan wiens leven gij hoopte verbonden te worden; zulke dingen – die volstrekt niet gelijken op brandstapel of gevangenis – zijn toch volkomen voldoende om op zwakke belijders de overhand te verkrijgen, zodat zij geërgerd worden en de rug toekeren aan de godsdienst, die zij eens zo snel en zo bereidvaardig hadden aangenomen.

Dikwijls gebeurt het, dat het vasthouden aan zijn beginsel groot verlies in zaken meebrengt; en zulk een verlies kunnen zij niet dragen. Indien Christus goedkoper te krijgen was, dan zouden zij Hem wel graag hebben; maar al de schatten van Egypte prijs te geven! Neen, dat zouden zij niet kunnen; en zo doen zij dan wederom afstand van die Christus, die zij eens hun Alles in allen hebben genoemd.

Voor anderen was het niet dusdanige beproeving, maar nood en ellende door de weg van Gods voorzienigheid met hen. Ik gedenk met smart aan een man met zijn vrouw, die leden van onze gemeente geweest zijn; en van wie volkomen waar was, wat zij zeiden, dat zij van het ogenblik, dat zij de godsdienst openlijk hebben beleden, in moeilijkheden zijn gekomen; en daarom hebben zij vanwege die smart en benauwdheid toen ook maar afstand gedaan van de vertroosting; want zij kwamen tot de gevolgtrekking, dat zij gewis niet tot het volk van God konden behoren; want dat God hun dan niet zoveel beproevingen zou kunnen opleggen; een gevolgtrekking, die lijnrecht in strijd is met de Schrift. Velen willen Christus wel hebben, als Hij hen liefkoost; maar niet als Hij hen kastijdt. Zij willen de Heere volgen, zolang Hij geeft; maar zij kunnen niet geloven in een God, die ontneemt.

Zij kunnen Hem loven, zolang Hij hen verrijkt; maar zij weten niets van een geloof als dat van Job, toen hij uitriep: “de HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de naam des HEEREN zij geloofd.”

Het kan ook wezen, dat zij, toen zij voor het eerst de godsdienst hebben beleden, niet heel veel wisten van de verzoekingen van het leven. Maar nu hebben zij het ouderlijk huis verlaten; en een betrekking verkregen, waar zij omgaan met jonge lieden, die hen bekend maken met plaatsen van zondig genot.

Of wèl, zij hebben de kring van de godvruchtigen, waarin zij eens verkeerd hebben, verlaten, en zijn nu onder de goddelozen; en helaas! Zij hunkeren naar de genoegens van de wereld. De basilisk van zondige genoegens heeft hen betoverd, en nu verlaten zij Christus voor Belial, de ware godsdienst voor wereldsgezindheid; het volgen van God voor het bevredigen van het vlees. O, hoe dikwijls is dit het geval!

Of wellicht is een ander schijnsel van de zon over hen gekomen. Zij dachten in het Evangelie te geloven, maar zij zijn onder twistredenaars geraakt. Zij zijn omringd van twijfelaars van wie zij argumenten horen, die zij nooit tevoren gehoord hebben. Daar zij nu nooit gewoon waren iets te wegen, of zich rekenschap te geven waarom zij in God geloofden en in Christus, staan zij geheel verschrikt en verbaasd.

Zij hebben geen diepte van aarde; zij zijn niet geworteld in de waarheid door overtuiging. Niet zodra zullen zij dus een atheïst (Godloochenaar) of een deïst (Godist, d.i. iemand, die alleen door de rede aan een God gelooft) of een twijfelaar, in welke vorm dan ook, ontmoeten; of zij zijn als distelwol voor de wind. Daar zij geen ballast in hun schip hebben, zal de eerste de beste windvlaag hen doen omslaan, en dan zijn zij verloren.

Welk een grote zaak is het bevestigd te zijn in de waarheid, geworteld, gefundeerd en vast te zijn. Ik heb eens van iemand gelezen, die zei: “Als ik de argumenten lees, die door de ongelovigen tegen het Evangelie worden aangevoerd, dan kan ik niet anders dan de spot met hen drijven, omdat zij hoegenaamd niet zo lastig zijn of zo moeilijk te beantwoorden, als de argumenten, die mijn eigen hart in vroeger jaren tegen de Heere heeft ingebracht. En daar dezen beantwoord en omver geworpen zijn, gevoel ik mij meer dan opgewassen tegen de nietige tegenstand van de goddelozen.” Het is heerlijk om in deze tijden van twijfelzucht niet bewogen te worden, maar de Heere te kennen door de verborgen omgang met Hem; zijn waarheid te kennen door een innerlijke bewustheid en een godvruchtig lezen van zijn woord met ogen, die van bovenaf geopend zijn. Helaas! Veel hoorders en ontvangers van het Woord zijn door vittende ongelovigen naar het verderf gevoerd. Zij hebben niets grondig geweten, en zo werden zij gemakkelijk bedrogen.

Er wordt van die mensen van de steenachtige grond gezegd, dat zij terstond geërgerd worden. Hun liefde voor het Evangelie is even snel bekoeld als opgekomen. “Terstond worden zij geërgerd.” Zij hebben zich bij de aanvang niet opgehouden met de vraag, waarom zij christenen moesten zijn; en nu houden zij zich niet op om redenen bij te brengen, waarom zij maar afstand moeten doen van hun belijdenis. Iemand zei hun: “Geloof! Geloof! Geloof!” En toen waren zij opgewonden; en nu zegt een andere spreker: geloof niet, geloof niet!” En zij zijn opgewonden in de tegenovergestelde richting. Bij een opwekking gingen zij mee met de menigte; en nu gaan zij met de menigte mee in de tijd van de lauwheid.

De leraar liet hen binnenkomen door de voordeur, en nu moet hij hen weer laten gaan door de achterdeur. Zij hebben hem teleurgesteld, zij hebben ergernis gebracht over de gemeente en een dubbele verantwoordelijkheid over henzelf, en nu zijn zij even begerig om hun godsdienst te verzaken, als zij eerst waren om hem te belijden. Ongelukkige zielen, vluchtig in alles, beuzelachtig omtrent de ontzaglijke dingen van de eeuwigheid, bereid om recht te lopen, als zij recht geleid worden; en even bereid om verkeerd te gaan, als zij in de verkeerde richting gedreven worden. Zij hebben geen eigen mening, schepselen als de weekdieren, zonder merg of gebeente, niets dan geleiachtige vis; er is niets substantieels, geen zelfstandigheid in hen te vinden. Hun huizen van zand zijn niet zodra opgebouwd, of zij worden door de vloed weggespoeld. Zij hebben geen rotsfondament; zij hebben de waarheid niet aangegrepen; zij hebben geen beginselen.

De beweegredenen, die hen beheersen, zijn onderwerping aan overreding, bewondering van welsprekendheid, en begeerte om geprezen te worden. Ongelukkigen! God geve, dat wij niet tot deze klasse van mensen behoren!

II.

Ik zal nu HET RADICAAL GEBREK aantonen van hun karakter. Het bestond in de eerste plaats in een onverbroken hart. De gelijkenis spreekt niet van een grond met stenen er in, niet van wat wij gewoonlijk een steenachtige grond noemen; want daar kan wel koren in groeien; maar van een bodem, met een harde rots tot ondergrond, en slechts een zeer dunne bedekking van aarde. Een harde laag van ijzeren rots was op de bodem, nauwelijks verborgen door een weinig aarde, ontstaan uit wat mos; juist genoeg om het zaad op te vangen en te doen ontkiemen; maar niet genoeg om er op de duur de wortelen mee te voeden. Het hart van deze lieden was nooit verbroken. “Is mijn woord niet als een hamer, spreekt de Heere?” Zij weten het niet, want zij hebben de hamerslagen er van nooit gevoeld. Zij hebben zonder slag of stoot hun vrede en blijdschap verkregen. Wat moet er geschieden met een stuk grond, waarin de rots zo dicht bij de oppervlakte is? De mens kan er niets mee doen.

Het enige, dat geschieden kan, is, dat God tussenbeide treedt; en als God in zijn oneindige genade de rots in goede grond verkeert, dan zal de tarwe groeien; maar ook niet eerder. “Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven.” Er moet een werk van de Heilige Geest zijn, waardoor de harde rots van de natuur in de goede aarde der genade wordt verkeerd, want anders zal al het zaaien van de wereld nooit een oogst voortbrengen. Deze mensen zagen dit voorbij; zij wilden er ook liever niet van horen. Zij hielden van predikers, die altijd het eenvoudig geloof in het werk van Jezus predikten, maar nooit van het werk van de Heilige Geest spraken, – eenzijdige predikers, die slechts de helft van Gods boodschap brengen tot de mensen. Onder zulk een prediking vonden zij vrede zonder benauwdheid van de ziel, en vertroosting zonder wedergeboorte. Bekering en de ouderwetse genade -daarop zagen zij minachtend neer. Voor God te wenen vanwege de zonde, verschrikking en benauwdheid onder de bewustheid van Gods toorn, vrees dat het vonnis van de wet aan hen ten uitvoer zal worden gelegd, daarvan wisten zij niets. Zij gingen het Land der Hope binnen zonder de weg van het Wenende Kruis genomen te hebben, en met elke dag groeit mijn wantrouwen aan in iemands godsdienst, als hij die weg niet heeft betreden. Iemand, die genezen werd, vóór hij nog gewond was; gekleed werd, vóórdat hij nog was ontbloot; vervuld werd, vóórdat hij nog was ontledigd; levend gemaakt werd, vóórdat hij nog was gestorven, heeft wel reden om te twijfelen of hij door Gods vrije en vrijmachtige genade ooit is aangeraakt.

Deze mensen van het onverbroken hart hadden een blijde hoop en vrolijk betrouwen; maar het kwam alles tot een einde, gelijk dit ook geschieden zal met u en met mij, als wij vreemd zijn gebleven aan berouw over de zonde. Laat het nooit worden vergeten, dat hoe waar het ook zij, dat een iegelijk, die in Jezus Christus gelooft, zalig zal worden, het even waar is dat gij “wedergeboren moet worden.” “Indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het koninkrijk der hemelen geenszins ingaan”; “hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit de Geest geboren is, dat is geest”; en “vlees en bloed kunnen het koninkrijk van God niet beërven.” Alleen die uit de Geest is geboren kan inkomen in geestelijke zaken en in het bezit komen van ware geestelijke blijdschap. Een onverbroken hart is een noodlottig gebrek.

En dit leidde tot een tweede gebrek, namelijk gebrek aan diepte. De hoorder van de steenachtige grond was een en al oppervlakte; alles in hem was oppervlakkig. Daar de rots nooit verbroken was, was er geen diepte van aarde om in te ploegen. Zo is er in velen, die zeggen bekeerd te zijn, nooit een waar begrip geweest van de zonde. “Ja, wij zijn allen zondaars,” zeggen zij; maar te gevoelen wat het is een zondaar te zijn, dat is geheel wat anders. Neergebogen te zijn en als verpletterd onder de bewustheid van de heilige wet van God te worden verbroken, dat is door velen nooit gekend.

En Jezus Christus – ja, Hij is een Zaligmaker, en zij zeggen, dat zij Hem aannemen als hun Zaligmaker; maar wat het is verlost te zijn, wat Hij geleden heeft, waarom het nodig was, dat Hij leed; wat de ontzettende schuld was, die zulk een offer noodzakelijk maakte, daar hebben zij nooit over nagedacht; ja zij hebben eigenlijk nergens over nagedacht, en zij zijn ook niet voornemens ergens over na te denken. De bijen strijken neer op de bloemen en halen er de honing uit; maar vlinders zitten voor een ogenblik op de leliën, en gaan dan weer weg, als ware zinnebeelden van de onbezonnen mensen, die voorwenden genade te hebben; maar nooit genade hebben gekend. Velen, die belijden christenen te zijn, zijn onbekend gebleven met de plaag van hun hart. Zij geloven, dat er daar binnen iets niet recht is; maar zij weten niet, dat hun hart “arglistig is, meer dan enig ding, ja, dat het dodelijk is.” Hoewel zij dus erkennen genade nodig te hebben, weten zij toch niet, hoe zeer zij haar behoeven.

Zij stemmen in met de waarheid “Zonder mij kunt gij niets doen,” maar zij weten dit niet door eigen ervaring. Zij weten niets van de fouten en innerlijke teleurstellingen, die er de mens toe brengen, zijn nietigheid te gevoelen. Het blijft alles bij de oppervlakte; er is niets, dat bij hen naar de diepte gaat. Toen zij belijders werden van de godsdienst van Christus, hebben zij de waarheid nooit gewogen; zij hebben nooit de Schriften onderzocht om te zien of die dingen wezenlijk alzo waren. Zij waren Calvinisten, omdat de prediker Calvinist was; zij zouden even geredelijk Arminianen geweest zijn, indien de prediker Arminiaan was geweest; ja, zij zouden alles geweest zijn, wat men hun geleerd had te zijn, want zij oordeelden niet, zij wogen niet. Zij dachten niet na over de dingen. Toen zij zich verklaarden voor de waarheid gelijk zij in Jezus is, hebben zij nooit aan de moeilijkheden van een godsdienstig leven gedacht. Het kwam niet bij hen op, dat zij te strijden zouden hebben met zonde van binnen en zonde van buiten.

Zij hebben nooit een blik geworpen op de machtige drie-eenheid: de wereld, het vlees en de duivel, waarmee zij hun leven lang te strijden zouden hebben. Zij namen het zoete, en dachten aan geen bittere kruiden; zij waren vluchtig, en zijn dit nog. Zij kunnen niet denken; en men kan hen er niet toe bewegen om dit eens te beproeven. Dit voorwaar! Is een gebrek.

En dan was er nog een derde gebrek: het verborgen deel van hun godsdienst deugde niet. Het zaad in de steenachtige grond bleef niet in gebreke uit te spruiten, of in halmen boven de grond te komen; maar het had geen wortel. Als gij sommige belijders in hun woningen kon zien, dan zou gij geen gebed in het verborgene ontdekken. Laat dit woord heengaan door deze vergadering, zo er onder u zijn, die het gebed in de binnenkamer verzuimen. Geen bidden in het verborgen, geen lezen van Gods Woord in het verborgen; geen nadenken er over, ten einde er het sap en het wezen uit te halen; geen levende aanraking met Christus in het verborgen; geen verborgen gemeenschap van de ziel met de levende God!

Dit is een dodelijk teken! Zij waren in de openbare bijeenkomst; zij waren luidruchtig genoeg in de bestuursvergadering; zij waren de eersten en de voornaamsten als er gezongen moest worden, of als er een prediking nodig was; maar ach! Het gebed in het verborgene; het verborgen leven met God, het onderzoeken van het eigen hart; het beproeven van de nieren om te zien of zij op de rechte of verkeerde weg waren – dit alles hadden zij maar opgegeven. Zij houden het er voor, dat hun staat goed moet zijn, omdat zij een soort van geloof hebben; en daarom beschouwen zij elke twijfel aan hun behoudenis als even zo veel ongeloof en het werk van Satan; en zo blijven zij zich zelf bedriegen. Zij denken, dat zij kinderen van God zijn, omdat zij zeggen, dat zij het zijn; maar zij hebben nooit uitgezien naar de vrucht, die door elke rank van de ware wijnstok gedragen moet worden.

En ten vierde was er nog iets dat hun ontbrak, hetwelk gij niet door Markus vermeld zult vinden, maar wel door één van de andere evangelisten –er ontbrak hun vochtigheid. (Luc.8:6). Een plant nu moet vochtigheid hebben, dauw, regen, of een ander soort van bewatering moet tot haar komen. Op dat beetje aarde met de harde rots op de bodem was er zeer veel hitte als de zon scheen; het beetje vochtigheid, dat er was, deed het zaad terstond uitspruiten; maar meer vochtigheid was er niet; en daarom moest het zaad verdorren. Evenzo verkrijgen sommige hoorders weinig vochtigheid, als het ware, door hun aanraking met een ernstige prediker. Zij komen onder dat woord, hetwelk druipt als de regen, en vloeit als de dauw, maar zij hebben de levenwekkende Heilige Geest niet aan hun wortel om de eeuwige bron van hun leven te zijn. Zij hebben hun lampen, maar zij hebben geen olie in hun vaten om ze brandende te houden. Hun ontbreekt de vochtigheid van de Heilige Geest. Hij is het, die in het verborgen tot zijn eigen volk komt, aan de wortelen van hun leven, zodat zij door Hem het leven Gods tot zich nemen en aldus zelf leven. Maar de bekeerling van de steenachtige grond heeft de Heilige Geest niet. En ach, laat mij tot een iegelijk, hier tegenwoordig ernstig mogen zeggen; indien wij niet méér hebben dan de natuur onder haar beste omstandigheden ons gaf, dan hebben wij niet meer dan de Farizeën hadden; en dat heeft hen ter helle gevoerd. Wij moeten de Geest van God hebben; en van het begin tot het einde moet de godsdienst van ons hart door de Geest zijn gewerkt, en door de Geest worden onderhouden; want zo niet, hoe eerder wij ons dan van die godsdienst ontdoen, hoe beter, want hij zou ons slechts bedriegen. Ik gevoel de noodzakelijkheid om op die wijze tot u te spreken, omdat ik bemerk dat leden van de gemeente ter zijde afwijken en in openlijke zonde vallen, en anderen ter zijde afgewend worden door de een of andere begoocheling van de eeuw, waarvan schier met elke maand een nieuwe komt. Sommige dwaze lieden staan met open mond gereed om iedere nieuwigheid in te drinken. Zij zijn als droog stro; er behoeft slechts de een of andere bedrieger te komen, die de vonk in hen werpt, en dan noemen zij zich christenen. Er zijn heden ten dage zo velen, die niet weten wat zij geloven, en daarom ten prooi worden van Roomsen en Ritualisten en Atheïsten, of van andere bedriegers. Er is een plantje in de hof, en nu komt een dief, die het met wortel en al weg rooft. Dat zou hij met een vast gewortelde eik niet kunnen; en zo wij, evenals de eik, vast geworteld waren, dan zouden wij geloven, wat wij geloven en weten wat wij weten; en dan zouden wij beginselen hebben om ons standvastig te houden.

De oude afgescheidenen werden zonder moeite naar de gevangenis of naar de brandstapel gesleept; maar hen hun beginselen te doen verzaken, dat was niet mogelijk. Hoe treurig is het de ontaarde kinderen te zien van zo stoere vaders. Indien hetgeen gij gelooft niet waar is, werpt het weg; maar indien het waar is, zo stelt uw aangezicht als een keisteen tegen alle verzoekingen van deze boze, voortdurend veranderende eeuw, die nu eens hier, en dan daar gaat, maar altijd in de richting, die van God weggaat. O, wanneer zal het zijn, dat zij die de Heere kennen, vast zullen staan; en, alles gedaan hebbende, nog blijven vast staan.

III.

Ik wens nu ten besluite u DE LERING te doen zien, DIE IN DE TEKST LIGT OPGESLOTEN. Die lering is vierderlei. Tot een iegelijk van ons zegt de tekst: laat het u zeer ernst wezen. Speel niet met de godsdienst.

Denk niet aan de godsdienst als aan het kleed, dat gij aan kunt doen en af kunt leggen. Bid God een werk in uw ziel tot stand te brengen voor de eeuwigheid. Gij moet sterven; gij zult voor Gods rechterstoel moeten verschijnen: heb een godsdienst, die deze vuurproeven zal kunnen doorstaan. Bid, dat gij zodanig een werk in uw ziel zult hebben, dat geen dood of oordeel u zal kunnen verschrikken. Roep tot God, dat berouw en bekering diep tot uw hart doordringen, dat uw geloof geen nagemaakt geloof zij; maar dat gij uw ziel geheel en al overgeeft in de handen van Christus, dat uw liefde voor Christus geen opwinding is maar een zaak van wezenlijke genegenheid van het hart; dat uw godsdienstige wandel niet is om door anderen gezien te worden, maar een wandel voor Gods aangezicht; dat al uw daden het uitvloeisel mogen zijn van beginselen; en dat gij niet geleid wordt door het verkeer met de wereld; maar dat gij veeleer invloed ten goede zult uitoefenen op de wereld en dat gij een levende kracht in u zult hebben, die u door God zelf ingeplant werd, waardoor gij wandelt op de smalle weg, welke weg door anderen ook gevolgd mocht worden. Wederom zeg ik; laat het u diepe ernst wezen met alles wat de godsdienst betreft, en bid God, dat Hij u vergeven zal, zo gij op enigerlei wijze oppervlakkig en beuzelachtig hieromtrent geweest bent.

Ten tweede: let op de uitwerking van uw dagelijkse beproevingen. Als een boot reeds zinkt in de Theems, dan moet zij stellig niet naar zee gezonden worden. Indien uw godsdienst u thans reeds begeeft, wat zal hij dan naderhand voor u doen? Gij werd uitgelachen, en gij waart al half geneigd om alles maar op te geven: wat zult gij dan doen, indien gij een strenger vervolging had te verduren? Gij waart reeds bereid terug te gaan; uw hart heeft gewankeld: wat zult gij dan doen, zo gij door heftiger verzoeking wordt aangevallen? Gij bent reeds schrikkelijk in verlegenheid gebracht door de argumenten van een dwaas: wat zoude gij dan doen, als sommigen van de diepzinnige denkers met u gingen redeneren? “Als gij loopt met de voetgangers, zo maken zij u moe; hoe zult gij u dan mengen met de paarden? Zo gij alleenlijk vertrouwt in een land van vrede, hoe zult gij het dan maken in de verheffing van de Jordaan?” Ik heb er niets tegen, dat gij langzaam wast en toeneemt, indien dit dan wel een langzame doch zekere toeneming is. Indien het bouwen van mijn huis lang duurt, dan wil ik de bouwer liever de tijd laten dan hem aan te sporen het in een paar weken klaar te krijgen. Wanneer het dan echter zo slecht in elkaar zit, dat de eerste de beste windvlaag het als een kaartenhuis omblaast. Gij zult in dit huis eeuwig moeten wonen; bid God, dat het stevig gebouwd zij. Maar het snelle bouwen, daar is volstrekt niets aan gelegen. O gij, die nauwelijks een stap naar de hemel doen kunt zonder vertwijfeling of tegenspraak, om u ben ik niet zo bekommerd als om sommigen, die nooit vertwijfeling kennen, omdat zij eigenlijk nooit nagedacht hebben, maar alles licht opnemen, omdat zij zorgeloos en luchthartig zijn. Ziet dan, hoe gij u onder uw tegenwoordige beproevingen gedraagt.

Gij bent rijker geworden: hebt gij de Heere even lief als vroeger? Uw zaken zijn uitgebreid: kunt gij nog altijd de wereld uit uw hart houden? Gij hebt in de laatste tijd meer lof ontvangen van mensen: kunt gij u nog steeds vastklemmen aan Christus zoals in de tijd toen gij nog maar weinig vrienden had? Gij hebt in de laatste tijd een goede gezondheid genoten: hebt gij even nabij God geleefd als toen gij krank waart? Of wel: gij zijd achteruitgegaan in de wereld en wordt gerekend met de armen: hebt gij de Heere even lief, als toen Hij u heeft verrijkt? Gij hebt onlangs de opmerkingen gehoord van een listige vijand van het Evangelie; waart gij in staat te gevoelen, dat gij, ofschoon gij hem niet met woorden kon antwoorden, uw hart hem toch wel geantwoord heeft, en zijn leugens afgeworpen heeft, gelijk het dak de regen afwerpt?

Zo neen, let er dan op. Indien uw vaartuig reeds in kalm water zinkt, wat zal het dan doen in een storm? Indien gij het thans niet vrij kunt houden van water, wat zult gij dan doen, zo het door een orkaan wordt overvallen? Ik vrees, dat het dan geheel met u gedaan zal zijn.

En wat gij er nog verder uit te leren hebt is dat gij voortdurend u zelf moet onderzoeken. Vele kooplieden gaan bankroet, maar voor zover ik mij herinner is dit nog nooit met iemand gebeurd door dat hij te veel acht gaf op zijn zaken. Ik heb nog nooit gehoord van een landbouwer, die zijn oogst verloor doordat hij al te vlijtig het land bewerkte; en van al de zielen, die verloren zijn gegaan, is er geen enkele omgekomen door al te veel ernst bij het zelfonderzoek. Waarde broeders, kiest u een getrouwe, hartontdekkende prediking van het Woord. Ziet niet uit naar een leraar met gladde tong, die altijd roept: “troost, troost mijn volk”. Gij behoeft vertroosting en moet haar ontvangen; maar gij hebt ook hartontdekking nodig, en ook deze moet gij ontvangen. Bidt, dat er getrouw met u gehandeld wordt; dat er geen bemanteling zijn zal van de zaken, geen bedekken van de wonden; maar dat er een oprecht handelen zij tussen u en de leraar, tussen u en uw God. God geve, dat wij bereid zijn om ons te laten onderzoeken, want als wij daar onwillig voor zijn, dan kunnen wij er gerust op rekenen, dat er iets verkeerds in ons is. Als wij roepen: “ik vrees, dat ik een huichelaar ben”, dan is er weinig reden om dit te vrezen; maar de aanmatiging van de valse gerustheid is noodlottig.

Eindelijk: laat dit alles ons tonen hoe noodzakelijk het is, dat wij het ganse gewicht van onze verlossing geheel en al op de Heere Jezus Christus leggen, want wie dat doet, heeft goede aarde verkregen in zijn ziel; en daar is het zaad behoorlijk opgewassen. Wanneer de mens waarlijk zeggen kan: “ik rust alleen in Jezus.” Dan is dit het grote geheim van de ware hoop: Jezus heeft voor ons geleefd en is voor ons gestorven; en zo wij volkomen en alleen op Hem steunen, dan is het wel met onze ziel.

Het is goed voortdurend te leven aan de voet van het kruis opziende tot Jezus, onze hoop vindende in Hem en niet in ons zelf. Geliefden, het is het werk van de Geest van God om ons daar te brengen en daar te houden. Indien wij ons zelf onderzoeken in het licht van het kruis, dan zullen wij gaarne ons zelf oordelen, opdat wij niet geoordeeld worden. Bij het aanschouwen van die dierbare wonden, waaruit het bloed van de verzoening vloeit, zullen wij roepen: “toets mijn nieren en mijn hart.” Maar zo iemand zegt: “ik geloof in Jezus, daarom wil ik geen onderzoek; ik vertrouw op Jezus, en daarom wil ik leven naar het mij goeddunkt,” dan heeft hij door zijn roekeloze redenering het kruis ontheiligd; en dan mag hij er wel over nadenken hoe God hem zal oordelen; want dat zal voorwaar! Het zwaarste oordeel zijn, hetwelk komen zal over de mens, die de leer van het kruis tot voorwendsel nam voor een slordig leven; en de genade en de reinigende kracht van de Verlosser tot een verontschuldiging maakte van zijn achteloze wandel voor God en voor zijn volharden in zijn ijdele aanmatiging. God schenkt ons de genade het zaad in goede aarde te ontvangen, om Jezus wil, Amen.

 

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend