24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Het zaad, groeiende in het verborgen

Het zaad, groeiende in het verborgen

“En hij zei: alzo is het koninkrijk Gods, gelijk een mens het zaad in de aarde wierp, en voorts sliep, en opstond, nacht en dag; en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist hoe. Want de aarde brengt van zelf vrucht voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar. En als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst daar is.” Markus 4:26-29

Onlangs was het onderwerp van onze prediking de arbeiders op Gods akker en hun grote Meester. En toen hebben wij u trachten aan te tonen in hoe verre de menselijke werkzaamheid nodig is voor de arbeid van het Evangelie. Wij hebben toen ook gezien, hoe alle heilige vruchten van die arbeid volkomen afhankelijk zijn van God, want noch hij, die zaait, noch hij, die nat maakt is iets, maar God, die de wasdom geeft. Wij zullen heden ongeveer hetzelfde onderwerp behandelen, slechts gaat het wat dieper, en toont het nog meer ten volle aan, hoe ver de arbeider gaan kan, en hoe ver hij niet kan gaan; waar de mens met heilige naarstigheid mag komen, en waar geen menselijke arbeid zich bij mogelijkheid kan indringen. Ons onderwerp voor heden zal voornamelijk wezen de mate en de grens van het menselijke medearbeiden in het koninkrijk der genade. Indien de Geest Gods ons onderwijst, dan zullen wij uit deze schriftuurplaats zeer veel omtrent deze aangelegenheid kunnen leren.

Het is opmerkelijk, dat deze gelijkenis alleen bij Markus gevonden wordt. Geen ander Evangelist maakt er melding van. Doch dat vermindert er voor ons de hoge waardij niet van. Indien zij ons vier keer was verhaald, wij zouden er de herhaling gaarne van aangehoord hebben en er een viervoudige aandacht aan hebben verleend. Daar zij ons echter slechts één maal is medegedeeld, zullen wij met te meer ernst horen naar een stem, die slechts eens tot ons spreekt. Wij verheugen ons, dat de Heilige Geest Markus er toe geleid heeft uit de vele voortreffelijke dingen, die onze Heere gezegd heeft, en die verloren zijn, deze parel voor ons te bewaren. Johannes zegt ons, dat, zo de vele dingen, die Jezus gedaan heeft, elk bijzonder geschreven werden, de wereld zelf de geschreven boeken niet zou bevatten. Vele van de dingen, die Jezus gezegd heeft, zijn ongetwijfeld nog gedurende enige tijd bewaard gebleven, maar werden toen langzamerhand vergeten. En wij behoren dankbaar te zijn, dat de Geest van God door de hand van zijn dienstknecht Markus deze keurige gelijkenis te boek heeft doen stellen, want zij is van onschatbare waarde.

Hier is een les voor zaaiers, – voor de arbeiders op de akker van God. Het is een gelijkenis voor allen, die belang hebben bij het koninkrijk van God. Voor hen, die in het rijk der duisternis zijn, zal zij weinig waarde hebben, want hun is niet bevolen het goede zaad te zaaien. “Tot de goddeloze zegt God: wat hebt gij mijn inzettingen te vertellen?” Maar alle trouwe onderdanen van Koning Jezus, allen, die de opdracht ontvangen hebben het zaad voor de koninklijke Landman uit te strooien, zullen verblijd zijn te weten, hoe het koninkrijk bevorderd wordt en de oogst bereid wordt voor Hem, die zij dienen. Luistert dan, gij allen, die aan alle wateren zaait, gij, die met heilige arbeidzaamheid de graanschuren van uw God zoekt te vullen, -luistert, en moge de geest Gods in uw oren spreken naar de mate gij in staat zijt het te dragen.

I.

Wij zullen ten eerste uit onze tekst leren, WAT WIJ DOEN KUNNEN EN WAT WIJ NIET DOEN KUNNEN.

“Alzo het is koninkrijk van God, gelijk of een mens het zaad in de aarde wierp.” Dat is dus iets, hetwelk de godvruchtige arbeider doen kan. “En het zaad uitsproot, en lang werd, dat hij zelf niet wist hoe.” Dat is iets, hetwelk hij niet doen kan; het behoort tot een hogere macht. De mens kan het zaad noch doen uitspruiten, noch doen opgroeien; in dat opzicht kan hij gerust het veld verlaten en naar huis gaan, om “te slapen en op te staan nacht en dag.” Is het zaad eens gezaaid, dan behoort het niet meer tot de rechtsmacht van de mensen, maar is onder de zorg van God. Eerlang komt de arbeider echter weer: “Als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin.” Ter bestemder tijd kunnen wij oogsten. En het is beide onze plicht en ons voorrecht dit te doen. Gij ziet alzo, dat er voor de arbeider een plaats is bij het begin, en schoon er in het midden tijdperk geen plaats voor hem is, wordt hem daarna toch weer gelegenheid gegeven tot arbeiden, wanneer het zaad, dat hij gezaaid heeft, vrucht draagt.

Wij kunnen dus zaaien. Ieder, die de kennis van de genade Gods in zijn hart heeft ontvangen, kan anderen onderwijzen. Wij kunnen niet allen gelijkelijk onderwijzen, want allen hebben niet dezelfde gaven; aan de een is één talent gegeven, aan een ander tien. En evenmin hebben wij allen dezelfde gelegenheden, want de een leeft stil en onbekend, en een ander heeft een verreikende invloed. Toch is er in het huisgezin van God geen enkele kinderhand, die haar zaadkorreltje niet in de grond kan laten vallen. Er is geen man onder ons, die ledig op de markt behoeft te staan, want er is werk, dat berekend is voor zijn krachten. En er is geen enkele vrouw, die door genade verlost is, aan wie geen heilige taak wordt opgedragen; dat zij haar vervul en aldus het goedkeurend woord van de Meester verwerft: “Zij heeft gedaan wat zij kon.” Er is het een of ander heilig werk, dat binnen het bereik is van ieders gave of vatbaarheid, of het de moeder is in haar gezin, of het kindermeisje, dat voor een klein kind heeft te zorgen; de knaap in de school, de ambachtsman in zijne werkplaats, of de verpleegster aan het leger der kranken. Zij, die de minste gelegenheid hebben kunnen toch nog iets doen voor Jezus en zijn zaak. Het kostbare zaad van het Woord Gods is klein als een mosterdzaad, en kan door de zwakste hand heengedragen worden naar de plaats, waar het honderdvoudige vrucht voortbrengt.

Wij behoeven nooit met God te twisten, omdat wij niet alles kunnen, indien Hij ons slechts vergunt dat ene te doen; want het goede zaad te zaaien is een werk, waarvoor wij al ons verstand, al onze kracht, al onze liefde, al onze zorg nodig hebben. Heilig zaad te zaaien kan wel door ons worden aangenomen als het hoogste doel, dat wij moeten najagen, en dat volstrekt niet beneden de waardigheid is van het edelste leven, dat men kan leiden. Gij zult hemels onderwijs behoeven ten einde de tarwe zorgvuldig te kiezen en vrij te houden van het onkruid van de dwaling. Wij moeten er zelfs onze eigen gedachten en meningen uit weg wannen, want zij zouden wel eens in strijd kunnen zijn met de bedoelingen van God. De mensen worden niet behouden door ons woord, maar door Gods woord. Wij zijn verplicht te zorgen, dat wij zelf het Evangelie kennen en het geheel en al te onderwijzen. Aan verschillende mensen moeten wij met voorzichtig beleid dat gedeelte van het Woord van God brengen, dat het best tot hun geweten spreekt, want heel veel kan er van afhangen, dat het een woord op zijn tijd is, en niet een volzin, die, als bij geval, onverschillig daarheen wordt geworpen. Wij zullen genoeg te doen hebben, als wij acht geven op de zaadkorf, opdat wij wellicht niet even goed onkruid als tarwe zaaien, of het goede zaad wegwerpen ter plaatse waar het slechts boze vogels kan voeden.

Het zaad gekozen hebbende, zullen wij werk genoeg hebben, als wij uitgaan om het met volle handen overal te zaaien, want elke dag en ieder gezelschap brengt zijn gelegenheden. “Zaai uw zaad in de morgenstond, en trek uw hand aan de avond niet af.” “Zaait aan alle wateren.” Doet als de zaaier in de gelijkenis, die niet de verkeerde zuinigheid heeft betracht van alleen maar te zaaien, waar, naar zijn mening, goede aarde was, maar die, gevoelende, dat hij behalve voor het kiezen van de grond zijn oordeel nog voor andere zaken kon gebruiken, rechts en links het zaad strooide terwijl hij over de weg ging. En zelfs aan de steenachtige en met doornen begroeide grond geen handvol zaad heeft geweigerd. Gij, waarde medearbeiders, zult ten alle tijde en aan alle plaatsen genoeg te doen hebben, als gij, beide met ijver en voorzichtigheid het levende woord van de levende Heere bekend maakt.

Evenwel, verstandige zaaiers ontdekken gunstige gelegenheden tot zaaien, en grijpen ze met blijdschap aan. Er zijn tijden, wanneer zaaien duidelijk een verspillen zou zijn van het zaad, want de aarde zou het niet in zich op kunnen nemen, zij is er niet voor in de geschikte toestand. Na een regenbui, of vóór dat de regenbui komt, of op zulk een tijd, als hij, die de landbouwkunde heeft bestudeerd, goed acht, dan is het de tijd om aan het werk te gaan. Terwijl wij dus immer voor God arbeiden, zijn er toch tijden, wanneer het parels voor de zwijnen geworpen zou zijn om over heilige dingen te spreken. En er zijn andere tijden, wanneer traagheid een schandelijk verwaarlozen van gunstige gelegenheden zou zijn. Wie traag is in de tijd van ploegen en zaaien, is in waarheid traag, want hij verspilt niet slechts de dag, maar het gehele jaar. Indien gij uitziet naar zielen, en de gunstige uren, en de ogenblikken van heilige vertedering gebruikt, dan zult gij niet hebben te klagen over de weinige ruimte, die u voor uw arbeid gegeven is. Zelfs al zou gij nooit geroepen worden tot “nat maken”, of tot oogsten, is uw arbeid nog omvangrijk genoeg, als gij het werk van een zaaier doet.

Want, gering als het schijnt om de eenvoudige waarheid van het Evangelie te onderwijzen, toch is dit onontbeerlijk. Hoe zullen de mensen horen zonder iemand, die hen onderwijst? De akker zal nooit koren opleveren, als het niet gezaaid werd. Onkruid zal wel van zelf groeien, zonder dat wij er iets voor behoeven te doen, maar geen tarwe of gerst. Het menselijk hart is zó verdorven, dat het geheel natuurlijk overvloedig kwaad voortbrengt. En Satan zorgt er voor het niet te laten liggen, zonder kwaad zaad te zaaien; maar indien de ziel van de mensen Gode ooit vrucht zal voortbrengen, dan moet het zaad der waarheid er van buiten af ingebracht worden. Dienstknechten Gods, het zaad der waarheid is niet gelijk distelwol, dat door elke wind voort gedragen wordt, noch gelijk aan sommige zaden, die zich zelf zaaien. Neen, het koren van het koninkrijk behoeft een menselijke hand om gezaaid te worden. En zonder deze medewerking zal het in het hart van de mensen niet komen en kan het geen vruchten voortbrengen tot Gods eer. De prediking van het Evangelie is de noodzakelijkheid van iedere eeuw. God geve, dat ons land er nooit beroofd van mocht worden. Zelfs als de Heere het nodig voor ons oordeelde ons gebrek aan brood en water te doen hebben, zo mocht Hij ons toch nooit een hongersnood zenden van Gods Woord. Het geloof is uit het gehoor. En hoe kan er een horen zijn, zo er geen prediking is? Zaait, o! Zaait dan het zaad van het koninkrijk, want dit is onmisbaar voor de oogst. De verspreiding van het Evangelie is niet iets, dat gij kunt doen, of niet kunt doen, al naar u dit welgevallig is. Neen, het is een volstrekt noodzakelijke plichtsbetrachting om het te doen, en er zal u streng rekenschap van gevraagd worden, zo gij die plicht verzuimt. Gij kunt het zaad zaaien, en het zaad moet gezaaid worden.

Dit zaad moet dikwijls gezaaid worden, want in de tijd, waarin wij leven, kan één enkel zaaisel niet volstaan. Het zaad moet ook overal gezaaid worden, want er zijn in de wereld geen keurige, kostelijke plekjes, waaraan gij niets behoeft te doen, wijl gij hoopt, dat deze wel van zelf een oogst zullen opleveren. Gij moet niet denken, dat gij aan de rijken en ontwikkelden niet behoeft te arbeiden, wijl zij toch zeker wel met het Evangelie bekend zullen zijn, want het is niet zo; de grootsheid van het leven leidt hen af van God. Gij mag de armen en ongeletterden niet aan zich zelf overlaten, zeggende: “Deze zullen gewis wel zelf hun grote behoefte aan een Zaligmaker gevoelen.” Niets is minder waar: zij zullen al lager en lager zinken, tenzij gij hen opheft door het Evangelie. Geen mensengeslacht, geen mensen met een bijzondere gemoedsaard mogen door ons veronachtzaamd worden; overal moeten wij het Woord prediken, tijdig en ontijdig. Ik heb gehoord, dat Kapitein Cook, de beroemde reiziger rondom de wereld, in één opzicht een bewonderenswaardig voorbeeld voor ons was. In welk deel van de wereld hij aan land ging, overal nam hij een pakje met verschillende Engelse zaden met zich. En dan zag men hem dat zaad op geschikte plekjes zaaien. Hij verliet de boot en wandelde een eind van de kust af, en zonder aan iemand iets te zeggen, zaaide hij het Engelse zaad, waar hij ook heenging, zodat hij de wereld omgordde met de bloemen en kruiden van zijn geboorteland. Volg hem na, overal waar gij heen gaat. Zaai geestelijk zaad aan alle plaatsen, waar gij uw voet zet. Sommigen van u zult u eerlang in de een of andere zeebadplaats bevinden, of te midden van de Zwitserse bergen, of in andere streken van de aarde, om wat afwisseling te hebben en van de schoonheden van de natuur te genieten. Draagt het hemelse zaad met u, en rust niet, vóórdat gij overal enige zaadjes hebt laten vallen, die voor God vrucht kunnen voortbrengen. Dit kunt gij doen, ziet toe, dat gij het doet.

Laat ons thans denken aan hetgeen gij niet kunt doen. Als het zaad uit uw hand is, kunt gij het geen leven doen voortbrengen. Gij kunt het niet doen groeien, want gij weet niet hoe het groeit. De tekst zegt: “en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist, hoe.” Hetgeen buiten het bereik van onze kennis is, is zeer gewis ook buiten het bereik van onze macht. Kunt gij een zaadje doen ontkiemen. Gij kunt er warmte en vochtigheid aan geven, waardoor het zwelt en uitbot, maar de kieming zelf is buiten uw macht. Hoe geschiedt zij? Wij weten het niet. En als de kiem daar is, kunt gij haar dan verder doen groeien, en haar leven ontwikkelen in blad en stengel? Neen, ook dit staat niet in uw macht. En als de groene, grasachtige halm gevolgd wordt door de aar, kunt gij haar dan doen rijpen? Zij zal rijpen, maar kunt gij het? Gij weet, dat gij het niet kunt. Gij kunt aan die werking volstrekt niet mee doen, al kunt gij iets bijdragen tot bevordering van de toestand, onder welke zij voortgebracht wordt. Het leven is een verborgenheid, de wasdom is een verborgenheid, het rijpen is een verborgenheid, en deze drie verborgenheden zijn fonteinen, die voor alle indringers gesloten en verzegeld zijn. Hoe komt het, dat er in het rijpe zaad de toebereiding is voor een ander zaaisel en een andere groei? Wat is dit levensbeginsel, deze verborgen voortbrengingskracht? Weet gij er iets van? De wijsgeer mocht zeggen, dat hij leven en groei kan verklaren, en dan zal hij naar de gewone manier van de filosofie u overstelpen met termen, die minder verstaanbaar zijn dan de gewone praat van kleine kinderen. En nu zegt hij: “Ziedaar de gehele zaak! Het is zo duidelijk mogelijk!” Hij omhult zijn onwetendheid met allerlei hoogdravende termen van geleerdheid en noemt het wijsheid. Tot op de huidige dag blijft het waar van het groeien van de gewoonste zaden: “Hij weet niet hoe.” De man van wetenschap kan spreken over chemische verbindingen en fysische omzettingen. En hij kan op gelijksoortige gevallen wijzen, maar het groeien van het zaad een verborgenheid blijft; het ontspruit en “hij weet niet hoe.” Dit is voorzeker even waar van de opkomst en de voortgang van het Woord van God in het hart. Het treedt de ziel binnen, en schiet er wortels; gij weet niet hoe. Van nature haten de mensen het Woord, maar het komt in het hart en verandert het hart, zodat zij er toe komen het Woord lief te hebben; maar hoe weten wij niet. Geheel hun natuur is vernieuwd, zodat zij, in plaats van zonde voort te brengen, bekering, geloof en liefde voortbrengt; maar hoe weten wij niet. Hoe de Geest van God werkt op de geest van de mensen, hoe Hij het nieuwe hart schept en de vaste geest, hoe wij wedergeboren worden tot een levende hoop, hoe wij geboren worden uit de Geest, dat weten wij niet. De Heilige Geest komt tot ons in; wij horen zijn stem niet, wij zien zijn licht niet, wij gevoelen zijn aanraking niet, en toch werkt Hij een krachtdadig werk in ons, dat niet lang zal voortgaan eer wij het bemerken. Wij weten, dat het werk van de Geest een nieuwe schepping is, een opstanding uit de doden, maar al deze woorden zijn slechts bedekte zaken van onze volkomen onbekendheid met de wijze van zijn werking, waar wij ons niet kunnen inmengen. Wij weten niet, hoe Hij de wonderen van zijn liefde tot stand brengt, en, niet wetende hoe Hij werkt, kunnen wij er zeker van zijn, dat wij Hem het werk niet uit de hand kunnen nemen. Wij kunnen niet scheppen, wij kunnen niet levend maken, wij kunnen niet wederbaren, wij kunnen niet zalig maken.

En als nu dit werk Gods tot de groei van het zaad is gekomen, wat dan vervolgens? Wij kunnen de rijpe aren inzamelen. Na een wijle zal God, de Heilige Geest, zijn dienstknechten wederom gebruiken. Zodra het levende zaad in de allereerste plaats de halm van de gedachte heeft voortgebracht, en toen de groene aar der overtuiging van zonde en daarna het geloof, dat als het volle koren in de aar is, dan kan de Christenarbeider weer dienst doen, want hij kan maaien. “Als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin.” Dat is niet het oogsten van de laatste grote dag, want dat komt niet binnen de kring van deze gelijkenis, die blijkbaar heen wijst naar een menselijke zaaier en maaier. Het soort van oogst, dat de Zaligmaker hier op het oog heeft, is die, welken Hij bedoelde, toen Hij tot zijn discipelen zei: “Heft uwe ogen op, en aanschouwt de landen, want zij zijn alreeds wit om te oogsten.’ Nadat Hij het zaad in de harten van de Samaritanen gezaaid had en het ontsproten was, zodat zij geloof in Hem begonnen te tonen, riep de Heere Jezus: “De landen zijn alreeds wit om te oogsten.” De apostel zegt: “De een zaait, een ander maait.” Onze Heere zegt tot de discipelen: “Ik heb u uitgezonden om te maaien, hetgeen gij niet gearbeid hebt.” Is er niet de belofte: “Te zijner tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen?”

Christenarbeiders beginnen hun werk met zorgvuldig op te letten, wanneer de mensen tekenen van geloof in Christus tonen. Zij verlangen het halmpje te zien, en verlustigen er zich in de rijpende aar gade te slaan. Zij hopen dikwijls, dat de mensen gelovigen zijn, maar zij verlangen er zeker van te wezen; en als zij oordelen, dat de vrucht van het geloof eindelijk voortgebracht is, dan beginnen zij aan te moedigen en te vertroosten. Zij weten, dat de jonge gelovige het nodig heeft ingebracht te worden in de schuur van de christelijke gemeenschap, ten einde beschermd te worden tegen duizenderlei gevaren. Geen verstandig landbouwer zal de veldvruchten lang blootgesteld laten blijven aan de hagel, die er de korrels uit kan slaan, of aan de honigdauw die ze kan verwoesten, of aan de vogels des hemels, die ze kunnen roven. Blijkbaar moet geen gelovige buiten de korenschuur van de heilige gemeenschap gelaten worden, hij moet in het midden van de gemeente gebracht worden met al de blijdschap die de inzameling van de oogst kenmerkt. De arbeider voor Christus ziet zorgvuldig uit. En als hij ontdekt, dat zijn tijd is gekomen, dan begint hij terstond de bekeerden in te halen, opdat zij door de broederen verzorgd, afgezonderd van de wereld, beschut tegen verzoeking en voor de Heere bewaard kunnen worden. Hij beijvert zich dit terstond te doen, want de tekst zegt, “terstond zendt hij de sikkel daarin.” Hij zal niet maanden lang wachten in koude achterdocht; hij is niet bevreesd te spoedig aan te moedigen, als het geloof wezenlijk daar is. Hij komt met het woord der belofte, en de glimlach van de broederlijke liefde, en dat wel terstond. En hij zegt tot hem: “Hebt gij belijdenis afgelegd van uw geloof? Is de tijd niet gekomen, dat gij de Heere openlijk belijdt? Heeft Jezus niet geboden, dat de gelovige gedoopt zal worden? Zo gij Hem lief hebt, bewaar Zijne geboden.” Hij rust niet, voordat hij de bekeerde ingeleid heeft tot de gemeenschap van de gelovigen. Want ons werk, geliefden, is nog maar half gedaan, als de mensen tot discipelen gemaakt en gedoopt zijn. Dan hebben wij hen te bemoedigen, te onderwijzen, te versterken, te vertroosten. En in tijden van moeilijkheden en gevaar bij te staan en te ondersteunen. Wat zegt de Zaligmaker? “Gaat dan henen, maakt discipelen (zie kantt. SV Matth.28:19) onder alle volken, dezelve dopende in de naam van de Vader, en de Zoon, en van de Heilige Geest; lerende hen onderhouden alles, wat ik u geboden heb.”

De maaier is de man, die de bekeerden inbrengt. En hij bekleedt een eervol en nuttig ambt. Indien ik heden het Evangelie verkondig, en er worden mensen bekeerd, dan ben ik de zaaier; maar indien gij, die als vreemdelingen hier in dit kerkgebouw zijt gekomen, weder huiswaarts keert naar de verschillende steden en dorpen, waar gij woont, en door uw leraars opgenomen wordt in de gemeenten, dan zullen zij maaien, wat ik gezaaid heb. Ik benijd mijn medebroeder in de bediening zijn voorspoed niet in het inzamelen van de bekeerden, maar ik verblijd mij met hem. De zaaier en de maaier kunnen zich wel te samen verblijden, want ons werk is één, en wij hebben gearbeid voor de Heere.

Let dan op de sfeer van werkzaamheid. Wij kunnen de waarheid brengen tot de mensen, maar die waarheid moet de Heere zelf zegenen. Het leven en groeien van het Woord binnen in de ziel is de werking van God alleen. Als de verborgen werking van het groeien geschied is, dan zijn wij in staat de verlosten in te leiden in de gemeente. Hen in gemeenschap te brengen met de gelovigen is ons werk. En wij moeten niet verzuimen het te doen. Want dat Christus in de mensen gewrocht is, Christus de hope der heerlijkheid, dat is niet ons werk, dat blijft overgelaten aan God. Maar als Jezus Christus in hen gevormd is, dan is het onze plicht en onze zielsverlustiging om dat beeld van de Heere in hen te onderkennen, en tot hen te zeggen: “Kom in, gij gezegende des Heeren, waarom zou gij buiten staan?” Het goddelijk leven te scheppen is aan God, het te koesteren is aan ons. Het verborgen leven in stilte te doen groeien is het werk van de Heere; het opkomen en het volkomen worden van dat leven te zien en er zich in te verblijden, is het werk van de gelovigen, gelijk geschreven is: “Als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin omdat de oogst daar is.”

Dit is alzo de eerste les: wij zien wat wij kunnen, en wat wij niet kunnen.

II.

Ons tweede punt is gelijk aan het eerste, en bestaat in WAT WIJ KUNNEN WETEN, EN WAT WIJ NIET KUNNEN WETEN.

Ten eerste: wat wij kunnen weten. Wij kunnen weten, dat, als wij het goede zaad van het Woord gezaaid hebben, het zal groeien; want dat heeft God beloofd. Niet iedere zaadkorrel in elke plaats, want sommige graankorrels zullen naar de vogels gaan, en sommigen naar de wormen, en sommigen zullen verschroeid worden door de zon; maar in algemene zin zal Gods Woord niet ledig tot Hem weerkeren, het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Hij het gezonden heeft. Dit kunnen wij weten. En wij kunnen weten, dat het zaad, wanneer het eens wortel geschoten heeft, voort zal gaan te groeien; dat het geen droombeeld is, dat verdwijnt, maar een zaak van werkelijkheid en kracht, dat voortgaat van de grashalm naar het koren in de aar, en onder Gods zegen zich zal ontwikkelen tot werkelijke zaligheid, en dan “het volle koren in de aar” zijn zal. Als God ons helpt en zegent, dan zal ons werk van onderwijzen de mensen niet slechts leiden tot nadenken en tot overtuiging van zonde, maar tot bekering en het eeuwige leven.

Wij weten ook, omdat het ons gezegd is, dat de voornaamste reden hiervan is, dat er leven is in het Woord. Er is in het Woord Gods zelf leven, want er is geschreven: “Het Woord Gods is levend en krachtig.” Het is het “onvergankelijk zaad, het levende en eeuwig blijvende Woord van God.” Het is in de natuur van levend zaad te groeien. En de reden, waarom het Woord Gods groeit in het hart van de mensen, is, omdat dit het levende woord is van de levende God. En waar het woord van een koning is, daar is heerschappij. Wij weten dit, omdat de Schrift het ons leert. Is er niet geschreven: “Naar zijn wil heeft hij ons gebaard door het woord der waarheid?”

En voorts: de aarde, die hier het type is van de mens, “brengt van zelf vrucht voort.” Wij moeten zeer voorzichtig zijn in de verklaring van deze woorden, want het menselijk hart brengt niet van zelf geloof voort, het is zo hard als de rots, waarop het zaad verloren gaat. Maar het betekent dit: dat gelijk onder de zegen van dauw en regen Gods verborgen werking de aarde het zaad in zich doet opnemen, zo wordt ook het hart van de mensen toebereid om het Evangelie van Jezus Christus in zich te ontvangen. Er is iets in de aarde, dat overeenstemt met het zaad, dat er in gezaaid is, zodat het zaad door de grond wordt opgenomen en gevoed. Evenzo is het hart van de mensen, als God het tot goede grond heeft gemaakt. Het ontwaakte hart van de mensen heeft juist behoefte aan hetgeen het Woord Gods geeft. Door goddelijke invloed bewogen zal de ziel de waarheid omhelzen, en er door omhelsd worden; en zo leeft dan de waarheid in het hart. En het hart zal er door levend gemaakt worden. De liefde van de mensen neemt de liefde aan van God; het geloof van de mensen, dat door de Geest van God in hem gewrocht is, gelooft de waarheid van God; de hoop van de mensen, die de Geest van God in hem gewerkt heeft, grijpt de dingen aan, die geopenbaard zijn, en aldus groeit het hemelse zaad in de ziel. Het leven komt niet van u, die het woord predikt, maar het is door de Heilige Geest gelegd in het woord, dat gij predikt. Het leven is niet in uw hand, maar in de mens zelf, die door de Geest van God er toe geleid wordt de waarheid aan te grijpen. De zaligheid is niet door het persoonlijk gezag van de prediker, maar door de persoonlijke overtuiging, het persoonlijk geloof en de persoonlijke liefde van de hoorder. Aan u, de zaaier, wordt door de gelijkenis geleerd, dat het geestelijk leven en de wasdom van God zijn. En door het zaad en de grond komen, veel meer dan door u. Voor zoveel het de waarheid betreft, is haar innerlijke kracht dezelfde, wie haar ook predikt. Het is niet, omdat deze of die godgeleerde, die door God werd gezegend, het Evangelie verkondigt, dat het in het hart van de mensen leeft. O neen! Het is vanwege de waarheid zelf, en vanwege de harten zelf, die door de verborgen werking van Gods gezegende Geest de waarheid ontvangen. Zo veel weten wij. En is dit voor alle praktische doeleinden niet genoeg?

Evenwel, er is iets, dat wij niet kunnen weten, een verborgenheid, waar wij niet in kunnen komen. Ik herhaal wat ik reeds heb opgemerkt: gij kunt in het hart van de mensen niet lezen, niet zien hoe de waarheid tot hem doordringt, noch hoe het hart de waarheid aangrijpt. Velen hebben zó lang op hun eigen gewaarwordingen gezien, dat zij verblind werden door vertwijfeling. En anderen hebben de gewaarwordingen van jonge mensen bespied en hebben hen door hun streng toezicht meer kwaad dan goed gedaan. In Gods werk is meer plaats voor geloof dan voor aanschouwen. Het hemelse zaad groeit in het verborgen. Gij moet het begraven van voor uw ogen, of er zal geen oogst wezen. Maar al zou gij het zaad boven de grond houden, als het uitspruit, kunt gij toch niet ontdekken hoe het groeit, al zou gij het zwellen en uitbotten ook door een microscoop gadeslaan, zou gij toch de innerlijke levenskracht niet zien, die het zaad beweegt. Onder de sluier, die de verborgen werking van God in de geheimenissen van het natuurlijk leven en groeien bedekt, kunt gij niet gluren. En zo moet ook het goddelijk leven in de mens voor altijd voor alle sterfelijke ogen verborgen blijven. De vrucht er van zult gij in staat zijn te zien, en iets van de wijze van ontwikkeling er van zult gij kunnen weten, maar de wezenlijke, de eigenlijke wijze van werking, de verborgen, de meer inwendige geheimenis van de nieuwe geboorte zal u niet gegeven worden te bemerken. Gij weet de weg van de Geest niet. (Pred.11:5) Zijn werk geschiedt in het verborgene, en gij weet niet, van waar Hij komt, of waar Hij heen gaat. “Verklaar mij de nieuwe geboorte,” zegt iemand. “Wees zelf wedergeboren,” is mijn antwoord, “en gij zult weten wat het is.” Er zijn verborgenheden, waar wij niet in kunnen komen, want haar licht is te hel voor sterfelijke ogen. Gij kunt niet alwetend worden, o mens, want gij zijt een schepsel, en niet de Schepper. Voor u zal er altijd een gebied overblijven, dat niet slechts onbekend is, maar ook niet gekend kan worden. Tot zo ver zal uw kennis gaan, maar ook niet verder; en gij kunt God danken, dat dit zo is, want aldus laat hij plaats overblijven voor het geloof en geeft Hij ons reden tot gebed. Roep sterk tot de grote Werker, vraag Hem te doen, wat gij niet kunt volbrengen, zodat gij het heil, de verlossing ziende van de mens, Hem voor eeuwig de eer er van zult geven.

III.

Ten derde. Onze tekst zegt ons, WAT WIJ, ZO WIJ ARBEIDEN VOOR GOD, KUNNEN VERWACHTEN, EN WAT WIJ NIET KUNNEN VERWACHTEN. Volgens deze gelijkenis kunnen wij verwachten vruchten te zien. De landman strooit zijn zaad in de aarde, en het zaad ontkiemt en groeit, en zo kan hij een oogst verwachten. Ik wenste wel een woord te kunnen spreken, om bij christenarbeiders verwachting op te wekken; want ik vrees, dat velen arbeiden zonder geloof. Indien gij een hof hebt, of een akker, en gij zaait er zaad in, dan zoude gij zeer verbaasd en teleurgesteld zijn, zo het niet opkomt; maar vele christenen schijnen volkomen tevreden te zijn om maar altijd voort te werken, zonder ooit vrucht te verwachten. Dit is een erbarmelijk soort van werken – het is alsof men jaar in jaar uit ledige emmers optrekt uit een waterput. Voorwaar! Indien ik een trouw dienstknecht ben van mijn grote Meester, dan moet ik òf vrucht zien op mijn arbeid, òf diepe smart hebben, omdat ik haar niet zie. Wij moeten vrucht verwachten op onze arbeid; indien wij meer hadden verwacht, wij zouden meer gezien hebben, maar het niet verwachten is een grote oorzaak van het niet slagen van Gods arbeiders.

Wat wij echter niet mogen verwachten, dat is al het zaad, dat wij zaaien, terstond te zien uitspruiten. Geloofd zij God! Soms gebeurt het, dat wij het woord hebben te spreken en er zullen terstond mensen zijn, die zich bekeren. In zulke gevallen volgt de maaier de zaaier als op de voet, doch het is niet altijd zo. Er zijn zaaiers, die jaren lang met grote ijver in deze of die akker gezaaid hebben, maar het scheen te vergeefs, totdat eindelijk de oogst daar was, een oogst, die, menselijker wijze gesproken, nooit ingezameld zou zijn, indien zij niet volhard hadden tot het einde toe. Deze wereld zal, naar ik geloof, tot Christus bekeerd worden; maar niet heden, en niet morgen, ja wellicht niet in vele eeuwen; maar het zaaien, de eeuwen door, is niet verloren. Het werkt voort, totdat het grote einddoel bereikt is. Een oogst van paddestoelen kan wel spoedig worden voortgebracht, maar een woud van eiken zal de planter niet belonen, voordat vele elkaar opvolgende geslachten van zijn kinderen tot stof zijn vergaan. Aan ons is het te zaaien en te hopen op een spoedig oogsten; maar wij behoren ons tevens te herinneren, dat “de landman de kostelijke vrucht van het land verwacht, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het de vroege en spade regen zal hebben ontvangen,” en dat ook wij dit moeten doen. Wij moeten vrucht verwachten, maar wij mogen niet ontmoedigd zijn, zo wij ze heden of morgen nog niet zien.

Wij moeten verwachten het goede zaad te zien groeien, maar niet altijd op onze manier. Wij zijn bijna allen als kinderen, want er zijn nog niet vele vaders. En evenals kinderen zijn wij licht geneigd ongeduldig te worden. Uw zoontje heeft gisteren mostaard en waterkers in zijn tuintje gezaaid. Heden zal hij reeds gaan zien, of het nog niet opkomt. Er is niet veel waarschijnlijkheid, dat zijn mostaard en waterkers iets geven zullen, want hij laat ze niet lang genoeg met rust om te kunnen groeien. Zo is het ook met haastige arbeiders; zij moeten terstond het resultaat zien van de Evangelieprediking, want anders houden zij er mee op, en wantrouwen het gezegend Woord. Sommige predikers zijn zó gehaast, dat zij, ofschoon de mensen het Woord in zich ontvangen hebben en er over nadenken, hun geen tijd gunnen om te denken, geen ruimte om de kosten te berekenen, en geen gelegenheid om hun weg te overdenken en zich met een vast voornemen van het hart tot de Heere te wenden. Alle andere zaden hebben tijd nodig om te groeien; maar het zaad van het Woord moet als bij toverslag voor de ogen van de sprekers opkomen, of hij denkt, dat niets geschied is. Die broederen zijn zó gretig om terstond halmen en aren voort te brengen, dat zij hun zaad roosteren op het vuur van de dweepzucht, zodat het niet in het leven kan blijven. Zij laten de mensen denken, dat zij bekeerd zijn, en aldus verhinderen zij hen om tot de zaligmakende kennis der waarheid te komen. Ik ben er ten diepste van overtuigd, dat sommige mensen verhinderd zijn om tot verlossing te komen, wijl hun gezegd wordt, dat zij reeds verlost zijn, en opgeblazen worden door het denkbeeld van volmaaktheid en zondeloosheid, terwijl zij nog niet eens verbroken van hart zijn. Indien aan deze mensen geleerd was naar iets meer diepte uit te zien, zij zouden zich wellicht niet tevreden hebben gesteld niet het zaad in een steenachtige grond te ontvangen; terwijl zij zich thans vergenoegen met hetgeen voortkomt uit zaad, dat op onverbroken rotsen gezaaid is. Zij tonen een zeer snelle ontwikkeling, en een even snelle kwijning en verval. Laat ons gelovig verwachten het zaad te zien groeien; maar laat ons daarbij verwachten de voortgang te zien naar de wijze van de predikers, -ten eerste, ten tweede, ten derde: eerst het kruid, daarna de aar, vervolgens het volle koren in de aar.

Gij zijt haastig, mijn broeder, maar het zou veel beter zijn, het geduld te betonen van beginsel, dan de hitte van hartstochtelijkheid. Laten alle mensen haast hebben om behouden te worden, maar laten zij, die de waarheid prediken, er zich mee vergenoegen de mensen overtuigd te zien van zonde, verlost van het betrouwen op zich zelf, verlicht omtrent de genade Gods, om aldus met vaste tred op weg te zijn naar het geloof. Sommigen van de beste christenen weten het juiste ogenblik niet te noemen, toen zij bekeerd werden. Het was een trapsgewijze werking: van het groene kruid tot de rijpe aar, en zij kunnen niet met juistheid en nauwkeurigheid zeggen, wanneer de werkelijke vrucht van het geloof in hen gevormd was. Sommigen van hen, die het diepst denken, komen niet plotseling, niet met een ruk, als het ware, tot het inzicht van de godsdienst, zij komen langzaam en trapsgewijze tot het licht, even als ook de middaghoogte van de zon langzaam en trapsgewijze bereikt wordt. Bij velen is er in den beginne niets dan een grasscheutje; gij weet niet, of het al of niet enkel gras, en niets dan gras is. Wat zij gevoelen, gelijkt zeer veel op een natuurlijke gewaarwording, veroorzaakt door vrees voor de hel, en dit zou wel eens op niets kunnen uitlopen. Daarna komt een klein beetje geloof, dat wel op de korenaar van het geloof gelijkt, maar toch wel eens niets dan een denkbeeld, een begrip kan wezen. Er is voor zulke mensen tijd nodig, eer zij het volle koren in de aar tonen van een welverzekerd geloof in Jezus. De groei is dikwijls, zo niet altijd, langzaam en trapsgewijze; en zullen wij verandering wensen te brengen in Gods wijze van werken? Wij kunnen verwachten, dat het zaad zal groeien, maar elke grond is niet even welig. En wij moeten van God niet eisen, dat Hij altijd en bij iedereen met dezelfde mate van spoed zal werken.

Wij kunnen ook verwachten, dat het zaad rijp zal worden. Ons werk zal door Gods genade tot waar geloof leiden in hen, in wie Hij door zijn woord en Geest een werk begonnen heeft, maar wij moeten niet verwachten, het terstond tot volkomenheid te zien komen. Hoe vele vergissingen heeft men te dezen opzichte niet begaan! Hier is een jeugdig persoon, die diepe indrukken ontvangen heeft. En nu komt een broeder en legt die jonge mens allerlei diepzinnige vragen voor. Hij schudt zijn wijs hoofd, en fronst zijn wenkbrauwen. Hij gaat op het korenveld om te zien, hoe het met de oogst staat, en schoon het nog vroeg is in het jaar, klaagt hij, dat hij nog geen korenaren ziet, ja, dat hij nog niets dan gras kan ontdekken. “Ik kan nergens een spoor van koren gewaar worden,” zegt hij. Neen, broeder, natuurlijk kunt gij dat niet; want gij zijt niet tevreden met het kruid als blijk van leven, gij staat er op alles terstond rijp te zien. Indien gij had uitgezien naar het kruid, gij zou het ontdekt hebben. En het zou u hebben aangemoedigd. Ik voor mij ben al zeer blij, als ik in iemand een flauwe begeerte mag bespeuren, een zwak verlangen, een zekere mate van onrust en van afkeer van zonde, of van behoefte aan genade. Zal het ook niet verstandig zijn in u, als gij de dingen laat beginnen van het begin, en er mee tevreden te zijn, als dit begin klein is? Ontdek het kruidje van de begeerte, en zie dan uit naar meer. Weldra zult gij iets gewaar worden, dat meer is dan begeerte, want er zal overtuiging zijn van zonde en een vast besluit om in Gods kracht er tegen te strijden. En daarna zult gij een zwak geloof bemerken, klein als een mosterdzaadje, maar dat bestemd is te groeien. Veracht niet de dag van de kleine dingen. Ga het pasgeboren kleine kind geen examen afnemen over de verschillende schakeringen in de Calvinistische geloofsleer, ten einde te zien of het, naar uw idee van gezondheid, gezond is. Tien tegen één, dat het er nog heel ver van af is van gezond te zijn. En dan zult gij zulk een klein kind in het geloof slechts kwellen met uw moeilijke vragen. Spreek tot hem van het feit, dat hij een zondaar is, en dat Christus de Zaligmaker is, dan zult gij hem op die wijze bevochtigen, zodat zijn genade tot het volle koren in de aar zal groeien. Het kan wezen dat er in, of aan hem nog niet veel te bespeuren is, dat op koren gelijkt, maar weldra zult gij zeggen: “Tarwe, o gewis, indien ik weet, wat tarwe is, dan is dit tarwe. Deze mens is zeer stellig een echte kenner van korenaren. En met blijdschap zal ik hem bij de schoven van mijn Meester plaatsen.” Indien gij het kruid vertreedt, waar zullen de aren dan vandaan komen? Indien gij de groene aren afsnijdt, waar zullen de rijpe dan wezen? Verwacht genade in uw bekeerlingen, maar verwacht niet nu reeds heerlijkheid in hen te ontdekken. Het is genoeg, zo gij de hemel ziet begonnen. Denk niet, dat gij hem hier beneden volmaakt in hen zien zult.

Verwacht dan, broeders, de oogst te zien, maar verwacht niet, dat elk zaadje opkomen zal. “Dat is een ontmoedigend woord,” zegt iemand. “Het kan zijn, maar het is een waar woord. Er is een oud werelds spreekwoord, hetwelk zegt: “Zalig zij, die niets verwachten, want zij zullen nooit teleurgesteld worden.” Ik houd niet van dat spreekwoord, maar ik vind er toch een zekere mate van waarheid in: “Zalig zij, die niet verwachten wat onredelijk is, want zij zullen het niet verkrijgen.” Indien gij, jonge lieden, die begint te arbeiden voor God, verwacht, dat elk woord, dat gij spreekt, nuttig en gezegend zal zijn voor hen, die het horen, dan zal dat niet gebeuren, en zo zult gij ontmoedigd worden. Daarom zou ik uw verwachting zo hoog willen spannen als de waarheid het toelaat, maar niet hoger. Ik zou u tot de hoogste sport van de ladder willen laten klimmen, maar zo ik u aanmoedig om nog hoger te gaan, dan zult gij zeer spoedig, terwijl gij nog denkt te klimmen, aan de andere zijde naar beneden tuimelen. Ik houd er nooit van iemand iets te zien verwachten, dat hij niet zal verkrijgen. Nu weet ik, dat een deel van ons zaad onder de doornen zal vallen, en een ander deel op steenachtige plaatsen, en als dit gebeurt, dan wanhoop ik daarom niet. Als ik het Evangelie predik, dan verwacht ik niet, dat ieder, die het hoort, het ook zal ontvangen, want ik weet, dat het voor sommigen een reuk des levens ten leven, en voor anderen een reuk des doods ten dode zal wezen. Ik zal het net optrekken, en dat wel met alle macht; maar ik weet, dat als het op de oever komt, er allerlei vreemde dingen in zullen wezen, die geen vissen zijn, en die weggeworpen zullen moeten worden. En ik ben blij, dat er ook een bemoedigend aantal goede vissen in zullen zijn. Het resultaat van ons dienstwerk in deze dagen zal van gemengde aard zijn, gelijk als toen Paulus predikte: sommigen geloofden, en anderen geloofden niet. Daarop moeten wij voorbereid zijn. En toch vermaan ik u zeer grote verwachtingen te koesteren, want zo God met u is, kunt gij zestig of honderdvoudige vrucht hebben van het zaad. En dat zal u overvloedig belonen, al zullen dan de kraaien en de wormen hun deel van het graan opeten.

IV.

Ons laatste punt is: HOE VEEL SLAAP DE ARBEIDERS MOGEN HEBBEN EN HOEVEEL ZIJ NIET MOGEN HEBBEN; want er is van deze zaaier gezegd, dat hij sliep, en opstond nacht en dag, en het zaad uitsproot, en lang werd, en hij zelf niet wist hoe. Men zegt, dat het bedrijf van een landman winstgevend is, wijl het immer doorgaat, ook terwijl hij te bed is en slaapt. En gewis, ook ons bedrijf is kostelijk, als wij onze Meester dienen door goed zaad te zaaien, want ook dat groeit, terwijl wij slapen. Maar hoe mag een goed arbeider voor Christus wettig gaan slapen? Ik antwoord, ten eerste, dat hij de slaap van de gerustheid mag slapen, die geboren wordt uit vertrouwen. Gij vreest, dat het koninkrijk van Christus niet zal komen? Wie heeft u gevraagd bevreesd te zijn, dat de ark des Heeren zal vallen? Bevreesd, dat de raadsbesluiten van de oneindige Jehovah niet uitgevoerd zullen worden? Schande over u! Uw bezorgdheid onteert God. Gij beledigt Hem door uw vreze, dat Hij zal falen. Zal de Almacht verslagen worden? Gij deed beter te slapen dan te waken, zo gij de rol van Uzzah wilt spelen. Hebt geduld. Gods wil zal geschieden. En zijn koninkrijk zal komen. En zijn uitverkorenen zullen behouden worden. En om de arbeid van zijn ziel zal Christus het zien. Slaapt de zoete slaap, die God geeft aan zijn beminden, de slaap van het volkomen vertrouwen, gelijk Jezus die genoot in het achterdeel van het schip, toen het door de storm heen en weer werd geslingerd. De zaak Gods is nog nooit in gevaar geweest. En zal het ook nimmer wezen. Het gezaaide zaad is door de Almacht tegen schade of ramp verzekerd, en moet zijn oogst opleveren. Bezit uw ziel in uw lijdzaamheid, en wacht tot de oogst daar is, want door Jezus hand zal het welbehagen des Heeren gelukkig voortgaan.

Geniet ook de slaap, die tot het zalig ontwaken leidt van een blijde verwachting. Staat des morgens op met de bewustheid, dat de Heere alles bestuurt tot de vervulling van zijn eigen doeleinden. Ziet daar naar uit. Indien gij niet slaapt, dan zult gij des morgens gewis ook niet verkwikt opstaan en bereid zijn voor meer werk. Indien het mogelijk voor u was de gehele nacht op te blijven en het brood van de bezorgdheid te eten, dan zou gij ongeschikt zijn voor de dienst die de Meester u voor de morgenstond aanwijst. Zo neemt dan rust, en arbeidt met kalme waardigheid, want in de hand van de Heere is de zaak volkomen veilig.

Neemt rust, omdat gij wel bewust het werk in de hand van de Heere hebt overgegeven. Neemt, na het Woord gesproken te hebben, de toevlucht tot God in het gebed. En beveelt het in Gods handen. En tobt er dan niet over. Nergens kan het beter bewaard zijn; laat het daar.

Doch de slaap van het niet waakzaam zijn mag u niet slapen. De landman zaait zijn zaad; maar na het gezaaid te hebben vergeet hij het niet. Hij moet de heiningen in orde brengen, ten einde het vee buiten te houden. Hij moet wellicht ook vogels verjagen, onkruid wieden, of overstromingen zien te voorkomen. Hij zit niet neer om de groei gade te slaan, hij heeft vrij wat anders te doen. Nooit zal hij de slaap van de onverschilligheid, of van de werkeloosheid slapen, want ieder jaargetijde eist werkzaamheid van hem. Hij heeft de ene akker bezaaid, maar nu moet hij nog een andere akker bezaaien. Hij heeft gezaaid, maar hij moet ook maaien; en als het maaien afgelopen is, dan heeft hij weer wat anders te doen. Nooit heeft hij afgedaan; want het een of ander deel van de akker zal hem nodig hebben. Zijn slaap is slechts een tussenspel, dat hem kracht geeft, om zijn arbeid voort te zetten. Bedenkt, dat de gelijkenis ons leert, dat wij ons in het domein van God niet hebben in te dringen, maar dat wij met betrekking tot de verborgen werking van de waarheid in het hart der mensen, rust moeten nemen, onze weg moeten gaan, en, overeenkomstig de wil van God, onze tijd en ons geslacht moeten dienen.

Ik wens, waarde broeders en zusters, dat gij heden morgen nog tot dit punt komen zult. “Heere, dit is uw eigen werk. Heere, gij kunt uw eigen werk doen. Heere, doe uw eigen werk – wij bidden en smeken U, doe het. Heere, help ons ons werk te doen, beide aan het begin en aan het einde, vertrouwende, dat Gij het in het midden niet zult verlaten maar dat Gij uw werk zult doen. Help ons geloof te oefenen in U, en onze arbeid te verrichten in het vertrouwen, dat Gij met ons zijt, en dat wij uw medearbeiders zijn.” Staat op, mijn broeders, verheft u, beklimt nog heden de Karmel, en bidt God, dat Hij door zijn Geest een hemelse regen doe neerdalen. Verhef u, Elia, roept tot Go d, totdat gij er zeker van zijt, dat de wolk, schoon zij in den beginne niet groter is dan eens mans hand, de ganse aarde zal bedekken en het land zal bevochtigen met regen. Sta op en bid, dat God alle twijfelingen weg zal vagen, alle twijfelingen die heden, evenals sprinkhanen, de kerk verslinden, en alle liefde tot de zonde, en alle verwerping van Christus; dat God nog heden, ja te dezer ure, zich door de zwakke hand van de zaaier, terwijl hij het zaad zaait, mocht verheerlijken. Bidt, waarde vrienden, bidt heden namiddag, en heden avond, dat het Woord des Heeren goddelijk mocht overwinnen. Ik stel mij ter zijde, ik treed terug, opdat God mocht werken. En dan treed ik voorwaarts, opdat God mocht werken door mij. En Hem zij de lof tot in eeuwigheid. Amen.

 

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend