Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
PaulusG3972, een apostelG652 van JezusG2424 ChristusG5547, door den wilG2307 van GodG2316, naarG2596 de belofteG1860 des levensG2222, dat inG1722 ChristusG5547 JezusG2424 is,
Paulus, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God, naar de belofte des levens, dat in Christus Jezus is,
KJV
Paul,1
an apostle2
of Jesus3
Christ4
by5
the will6
of God,7
according to8
the promise9
of life10
which11
is in12
Christ13
Jesus,14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Aan TimotheusG5095, mijn geliefdenG27 zoonG5043: genadeG5485, barmhartigheidG1656, vredeG1515 zij u vanG575 GodG2316 den VaderG3962, enG2532 ChristusG5547 JezusG2424, onzen HeereG2962.
Aan Timotheus, mijn geliefden zoon: genade, barmhartigheid, vrede zij u van God den Vader, en Christus Jezus, onzen Heere.
KJV
To Timothy,1
my dearly beloved2
son:3
Grace,4
mercy,5
and peace,6
from7
God8
the Father9
and10
Christ11
Jesus12
our
Lord.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Ik dankG2192 GodG2316, Wien ik dieneG3000 van mijn voorouderenG4269 aan inG1722 een reinG2513 gewetenG4893, gelijkG5613 ik zonder ophoudenG88 uwer gedachtigG3417 ben inG1722 mijn gebedenG1162 nachtG3571 enG2532 dagG2250;
Ik dank God, Wien ik diene van mijn voorouderen aan in een rein geweten, gelijk ik zonder ophouden uwer gedachtig ben in mijn gebeden nacht en dag;
KJV
I thank2
God,4
whom5
I serve6
from7
my forefathers8
with9
pure10
conscience,11
that12
without ceasing13
I have14
remembrance18
of16
thee
in19
my
prayers21
night23
and24
day;25
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Zeer begerigG1971 zijnde om uG4771 te zienG1492, als ik gedenkG3415 aan uw tranenG1144, opdatG2443 ik met blijdschapG5479 moge vervuldG4137 worden;
Zeer begerig zijnde om u te zien, als ik gedenk aan uw tranen, opdat ik met blijdschap moge vervuld worden;
KJV
Greatly desiring1
to see
thee,
being mindful
of thy
tears,7
that8
I may be filled10
with joy;9
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Als ik mij in gedachtenisG5280 brengG2983 het ongeveinsdG505 geloofG4102, dat in uG4771 is, hetwelk eerstG4412 gewoondG1774 heeft inG1722 uw grootmoederG3125 LoisG3090, en in uw moederG3384 EuniceG2131; en ik ben verzekerdG3982, datG3754 het ookG2532 in uG4771 woont.
Als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof, dat in u is, hetwelk eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Lois, en in uw moeder Eunice; en ik ben verzekerd, dat het ook in u woont.
KJV
When I call2
to remembrance1
the unfeigned6
faith7
that is in4
thee,
which8
dwelt9
first10
in11
thy
grandmother13
Lois,15
and16
thy
mother18
Eunice;24
and26
I am persuaded25
that27
in29
thee
also.28
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
OmG1223 welkeG3739 oorzaakG156 ikG1473 u indachtigG363 maak, dat gijG4771 opwektG329 de gaveG5486 GodsG2316, dieG3739 inG1722 uG4771 isG1510, door de opleggingG1936 mijner handenG5495.
Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat gij opwekt de gave Gods, die in u is, door de oplegging mijner handen.
KJV
Wherefore1
I put4
➔ thee
in remembrance
that thou stir up6
the gift8
of God,10
which2
is
in13
thee
by15
the putting on17
of my
hands.19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
WantG1063 GodG2316 heeft ons nietG3756 gegevenG1325 een geestG4151 der vreesachtigheidG1167, maarG235 der krachtG1411, enG2532 der liefdeG26, enG2532 der gematigdheidG4995.
Want God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid, maar der kracht, en der liefde, en der gematigdheid.
KJV
For2
God6
hath3
➔ not1
given
us
the spirit7
of fear;8
but9
of power,10
and11
of love,12
and13
of a sound mind.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
SchaamG1870 u danG3767 nietG3361 der getuigenisG3142 onzes HeerenG2962, noch mijns, die Zijn gevangeneG1198 ben; maarG235 lijd verdrukkingenG4777 met het EvangelieG2098, naarG2596 de krachtG1411 GodsG2316;
Schaam u dan niet der getuigenis onzes Heeren, noch mijns, die Zijn gevangene ben; maar lijd verdrukkingen met het Evangelie, naar de kracht Gods;
KJV
Be3
➔ not1
thou
➔ therefore2
ashamed
of the testimony5
of our
Lord,7
nor9
of me
his13
prisoner:12
but14
be thou partaker of the afflictions15
of the gospel17
according to18
the power19
of God;20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Die ons heeft zaligG4982 gemaakt, enG2532 geroepenG2564 met een heiligeG40 roepingG2821; nietG3756 naarG2596 onze werkenG2041, maarG235 naarG2596 Zijn eigenG2398 voornemenG4286 enG2532 genadeG5485, die ons gegevenG1325 is inG1722 ChristusG5547 JezusG2424, voor de tijdenG5550 der eeuwenG166;
Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden der eeuwen;
KJV
Who1
hath saved2
us,
and4
called5
us with an holy7
calling,6
not8
according to9
our
works,11
but13
according to14
his own15
purpose16
and17
grace,18
which10
was given20
us
in22
Christ23
Jesus24
before25
the world began,26
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Doch nu geopenbaardG5319 is doorG1223 de verschijningG2015 van onzen ZaligmakerG4990 JezusG2424 ChristusG5547, Die den doodG2288 heeft te niet gedaan, en het levenG2222 en de onverderfelijkheidG861 aan het licht gebrachtG5461 doorG1223 het EvangelieG2098;
Doch nu geopenbaard is door de verschijning van onzen Zaligmaker Jezus Christus, Die den dood heeft te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie;
KJV
But2
is1
➔ now3
made manifest
by4
the appearing6
of our
Saviour8
Jesus10
Christ,11
who13
hath abolished12
death,15
and17
hath brought16
➔ life18
and19
immortality20
to light
through21
the gospel:23
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WaartoeG1519 ikG1473 gesteldG5087 ben een predikerG2783, enG2532 een apostelG652, enG2532 een leraarG1320 der heidenenG1484;
Waartoe ik gesteld ben een prediker, en een apostel, en een leraar der heidenen;
KJV
Whereunto1
I4
am appointed3
a preacher,5
and6
an apostle,7
and8
a teacher9
of the Gentiles.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Om welkeG3739 oorzaakG156 ik ookG2532 dezeG3778 dingen lijdeG3958, maarG235 word nietG3756 beschaamdG1870; want ik weetG1492, Wien ik geloofdG4100 heb, enG2532 ik ben verzekerdG3982, dat Hij machtigG1415 isG1510, mijn pandG3866, bij HemG1565 weggelegd, te bewarenG5442 totG1519 dien dagG2250.
Om welke oorzaak ik ook deze dingen lijde, maar word niet beschaamd; want ik weet, Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag.
KJV
For1
the which2
cause3
I6
➔ also4
suffer
these things:
nevertheless7
I am9
➔ not8
ashamed:
for11
I know10
whom12
I have believed,13
and14
am persuaded15
that16
he is
able17
to keep22
that which I
have committed unto him20
against23
that24
day.26
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
HoudG2192 het voorbeeldG5296 der gezondeG5198 woordenG3056, dieG3739 gij van mijG1473 gehoordG191 hebt, inG1722 geloofG4102 enG2532 liefdeG26, die inG1722 ChristusG5547 JezusG2424 is.
Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is.
KJV
Hold fast2
the form1
of sound3
words,4
which5
thou hast heard8
of6
me,
in9
faith10
and11
love12
which13
is in14
Christ15
Jesus.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
BewaarG5442 het goedeG2570 pand, dat u toebetrouwd is, door den HeiligenG40 GeestG4151, Die inG1722 ons woontG1774.
Bewaar het goede pand, dat u toebetrouwd is, door den Heiligen Geest, Die in ons woont.
Ook in dit vers
pand toebetrouwdG3872
KJV
That good thing2
which was committed unto thee3
keep4
by5
the Holy7
Ghost6
which1
dwelleth9
in10
us.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Gij weetG1492 ditG3778, dat allenG3956, die in AzieG773 zijn, zich van mijG1473 afgewendG654 hebben; onder dewelke is FygellusG5436 enG2532 HermogenesG2061.
Gij weet dit, dat allen, die in Azie zijn, zich van mij afgewend hebben; onder dewelke is Fygellus en Hermogenes.
KJV
This
thou knowest,1
that3
all6
they which are in8
Asia10
be turned away from4
me;
of whom11
are
Phygellus13
and14
Hermogenes.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
De HeereG2962 geveG1325 den huizeG3624 van OnesiforusG3683 barmhartigheidG1656; wantG3754 hij heeft mijG1473 dikmaalsG4178 verkwiktG404, enG2532 heeft zich mijner ketenG254 nietG3756 geschaamdG1870.
De Heere geve den huize van Onesiforus barmhartigheid; want hij heeft mij dikmaals verkwikt, en heeft zich mijner keten niet geschaamd.
KJV
The Lord4
give1
mercy2
unto the house7
of Onesiphorus;6
for8
he11
➔ oft9
refreshed
me,
and12
was17
➔ not16
ashamed
of my
chain:14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
MaarG235 als hij te RomeG4516 gekomen wasG1096, heeft hij mij zeer naarstiglijkG4706 gezochtG2212, enG2532 heeft mijG1473 gevondenG2147.
Maar als hij te Rome gekomen was, heeft hij mij zeer naarstiglijk gezocht, en heeft mij gevonden.
KJV
But,1
when he was2
in3
Rome,4
he sought6
➔ me
out
very diligently,
and8
found9
me.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
De HeereG2962 geveG1325 hem, dat hijG846 barmhartigheidG1656 vindeG2147 bijG1722 den HeereG2962, inG1722 dienG1565 dagG2250; enG2532 hoeveelG3745 hij mij te EfezeG2181 gediendG1247 heeft, weet gijG4771 zeer wel.
De Heere geve hem, dat hij barmhartigheid vinde bij den Heere, in dien dag; en hoeveel hij mij te Efeze gediend heeft, weet gij zeer wel.
KJV
The Lord4
grant1
unto him2
that he may find5
mercy6
of7
the Lord8
in9
that10
day:12
and13
in how many things14
he ministered unto me17
at15
Ephesus,16
thou19
knowest20
very well.18
door den wil van God,
Dat is, die van God zelf, naar Zijn believen, tot het apostelschap verkoren en beroepen ben. Zie Rom. 1:1; Gal. 1:1, Gal. 1:15.
Hertaald:
door den wil van God,
Dat is: ik die door God Zelf, naar Zijn believen, tot het apostelschap verkoren en geroepen ben. Zie Rom. 1:1; Gal. 1:1, Gal. 1:15.
naar de belofte des levens,
Dat is, om te verkondigen het Evangelie, waarin voorgesteld wordt de belofte des eeuwigen levens, die God gedaan heeft aan al degenen diein Christus Jezus geloven. Zie Rom. 1:2, Rom. 1:16; Tit. 1:1-3.
Hertaald:
naar de belofte des levens,
Dat is: om het Evangelie te verkondigen, waarin de belofte van het eeuwige leven voorgesteld wordt die God gedaan heeft aan allen die in Christus Jezus geloven. Zie Rom. 1:2, Rom. 1:16; Tit. 1:1-3.
Aan Timótheüs,
Van dezen zie Hand. 16:1; Rom. 16:21; 1 Kor. 4:17; 2 Kor. 1:1; Fil. 2:19; 1 Tim. 1:2, en doorgaans in de Handelingen der apostelen, en in de zendbrieven van Paulus.
Hertaald:
Aan Timótheüs,
Over hem, zie Hand. 16:1; Rom. 16:21; 1 Kor. 4:17; 2 Kor. 1:1; Filipp. 2:19; 1 Tim. 1:2, en telkens in de Handelingen der Apostelen en in de brieven van Paulus.
zoon
genade, Grieks kind; zie 1 Tim. 1:2. Zo noemt hem de apostel, die nu een oud man was, Filem. 1:9, omdat hij nog jong was, 1 Tim. 4:12, en omdat hij hem door het Evangelie had gebaard, en jegens hem vaderlijk gezind was, gelijk het woord geliefde ook te kennen geeft.
Hertaald:
zoon
Grieks: kind; zie 1 Tim. 1:2. Zo noemt de apostel hem, die zelf nu een oud man was, Filem. 1:9, omdat Timotheüs nog jong was, 1 Tim. 4:12, omdat hij hem door het Evangelie voortgebracht had en omdat hij vaderlijk tegenover hem gezind was, zoals het woord geliefde ook te kennen geeft.
Ik dank God,
Aldus kan dit ook overgezet worden uit vergelijking van deze plaats met Rom. 1:8-10. Ik dank God voor u. En God is mijn getuige, dien ik diene, enz. hoe ik zonder ophouden uwer gedachtig ben, enz. Of deze woorden: ik dank God, kunnen gevoegd worden bij vs.5.
Hertaald:
Ik dank God,
Dit kan ook zo vertaald worden, uit de vergelijking van deze plaats met Rom. 1:8-10: ik dank God voor u. En God is mijn Getuige, Die ik dien, enzovoort, hoe ik zonder ophouden aan u denk, enzovoort. Of deze woorden ik dank God kunnen bij vers 5 gevoegd worden.
van mijn voorouderen aan
Dat is, naar het voorbeeld der heilige patriarchen, profeten en gelovige Joden in het Oude Testament, van wie ik afkomstig ben. Zie Hand. 22:3; 2 Kor. 11:22; Fil. 3:5.
Hertaald:
van mijn voorouderen aan
Dat is: naar het voorbeeld van de heilige patriarchen, profeten en gelovige Joden in het Oude Testament, uit wie ik afkomstig ben. Zie Hand. 22:3; 2 Kor. 11:22; Filipp. 3:5.
in een rein geweten,
Dat is, gereinigd zijnde door den Heiligen Geest en het bloed van Jezus Christus; Hebr. 9:14, en Hebr. 10:22. Hetwelk moet verstaan worden van den tijd zijner bekering; hoewel hem enigszins een goed geweten kan toegeschreven worden voor zijne bekering, om de redenen verklaard; Hand. 23:1.
Hertaald:
in een rein geweten,
Dat is: een geweten dat gereinigd is door de Heilige Geest en door het bloed van Jezus Christus; Hebr. 9:14 en Hebr. 10:22. Dat moet verstaan worden van de tijd na zijn bekering, hoewel hem ook vóór zijn bekering in zekere zin een goed geweten toegeschreven kan worden, om de redenen die verklaard zijn bij Hand. 23:1.
tranen, opdat ik
Namelijk die gij om mijnentwil dikwijls gestort heb, horende van mijn verdrukkignen, en voornamelijk toen gij van mij scheiddet. Zie Hand. 20:37-38.
Hertaald:
tranen, opdat ik
Namelijk de tranen die u dikwijls om mij gestort hebt, toen u van mijn verdrukkingen hoorde en vooral toen u van mij scheidde. Zie Hand. 20:37-38.
met blijdschap
Namelijk als ik u weder zal mogen zien.
Hertaald:
met blijdschap
Namelijk wanneer ik u weer zal mogen zien.
Als ik mij in gedachtenis
Grieks gedachtenis nemende van uw geloof.
Hertaald:
Als ik mij in gedachtenis
Grieks: gedachtenis nemende van uw geloof.
ongeveinsd geloof,
Dit wist de apostel uit menigvuldige ervaring zijner oprechtheid.
Hertaald:
ongeveinsd geloof,
Dit wist de apostel uit veelvuldige ervaring met zijn oprechtheid.
gewoond heeft in uw
Dat is, altijd en gedurig in haar is geweest, en gelijk als een vaste woonstede in haar hart genomen had.
Hertaald:
gewoond heeft in uw
Dat is: altijd en voortdurend in haar geweest is en als het ware een vaste woonplaats in haar hart genomen had.
grootmoeder Loïs,
Namelijk vanwege uwe moeder. Want zijn vader was van Griekse of heidense afkomst en godsdienst. Zie Hand. 16:1.
Hertaald:
grootmoeder Loïs,
Namelijk uw grootmoeder van de kant van uw moeder. Want zijn vader was van Griekse of heidense afkomst en godsdienst. Zie Hand. 16:1.
Eunice; en
Die een gelovige Joodse vrouw wordt genoemd; Hand. 16:1.
Hertaald:
Eunice; en
Zij wordt een gelovige Joodse vrouw genoemd; Hand. 16:1.
ik ben verzekerd,
Namelijk door al de overvloedige betoningen van de oprechtheid uws geloofs, die niet toelaten enigszins daaraan te twijfelen.
Hertaald:
ik ben verzekerd,
Namelijk verzekerd door alle overvloedige bewijzen van de oprechtheid van uw geloof, die het niet toelaten daar op enige manier aan te twijfelen.
opwekt
Het Griekse woord anazopyrein, hetwelk de apostel hier gebruikt, betekent eigenlijk een klein vuur, dat bijna uitgegaan is, of onder de as geraakt, door blazen wederom levend en brandend maken; een zeer geschikte gelijkenis, waardoor aangewezen wordt, dat zo ook de gaven des Heiligen Geestes door bidden, aanhouden in het lezen en vlijtige bediening onzer roeping, vermeerderd en als brandende gemaakt worden.
Hertaald:
opwekt
Het Griekse woord anazōpyrein dat de apostel hier gebruikt, betekent eigenlijk: een klein vuur dat bijna uitgegaan of onder de as geraakt is, door blazen weer levend en brandend maken. Dat is een zeer treffende vergelijking, waarmee aangewezen wordt dat ook de gaven van de Heilige Geest door bidden, door aanhoudend lezen en door het nauwgezet uitoefenen van onze roeping vermeerderd en als het ware brandend gemaakt worden.
de gave Gods,
Zie 1 Tim. 4:14.
Hertaald:
de gave Gods,
Zie 1 Tim. 4:14.
die in u is, door de oplegging
Dat is, die ik met deze plechtigheid van de oplegging der handen te kennen heb gegeven, door de werking des Heiligen Geestes in u te zijn; en die, door de krachtige gebeden der gemeente bij deze ceremonie gevoegd, van God in u nog zullen vermeerderd worden.
Hertaald:
die in u is, door de oplegging
Dat is: de gave waarvan ik met deze plechtigheid van het opleggen van de handen te kennen gegeven heb dat zij door de werking van de Heilige Geest in u is, en die God, samen met de krachtige gebeden van de gemeente die bij deze plechtigheid gevoegd werden, in u nog verder zal vermeerderen.
mijner handen
In den eersten zendbrief, 1 Tim. 4:14, zegt de apostel des ouderlingschaps; hetwelk beide waar is, daar de apostel Paulus hem de handen heeft opgelegd in tegenwoordigheid en uit naam van de ganse vergadering der ouderlingen, als zijnde de voornaamsten onder dezen en bovendien een apostel.
Hertaald:
mijner handen
In de eerste brief, 1 Tim. 4:14, zegt de apostel: van het ouderlingschap. Beide is waar, omdat de apostel Paulus hem de handen opgelegd heeft in de aanwezigheid en uit naam van de hele vergadering van de ouderlingen, omdat hij de voornaamste onder hen was en bovendien een apostel.
een geest der vreesachtigheid,
Dat is, ene beweging des harten en des gemoeds, die, als zij kwaad is, van den bozen, en als zij goed is, van den Heiligen Geest in de mensen gewrocht wordt, en daarom Geest genaamd wordt.
Hertaald:
een geest der vreesachtigheid,
Dat is: een beweging van het hart en het gemoed. Wanneer die slecht is, wordt zij door de boze in de mensen gewerkt, en wanneer zij goed is door de Heilige Geest; daarom wordt zij geest genoemd.
der kracht, en der liefde,
Dat is, der sterkte en kloekmoedigheid des harten in het bedienen van ons ambt, midden onder alle vijanden, gevaren en verdrukkingen.
Hertaald:
der kracht, en der liefde,
Dat is: de sterkte en de moed van het hart in het uitoefenen van ons ambt, te midden van alle vijanden, gevaren en verdrukkingen.
der gematigdheid
Grieks sophronismou; waardoor eigenlijk verstaan wordt een gematigd of gezond verstand, hetwelk bij de kloekmoedigheid moet gevoegd worden, opdat deze niet in roekeloosheid, tieren, razen en onbescheidenheid verandere.
Hertaald:
der gematigdheid
Grieks: sōfronismou. Daarmee wordt eigenlijk een gematigd of gezond verstand bedoeld, dat bij de moed gevoegd moet worden, opdat die niet in roekeloosheid, tieren, razen en onbezonnenheid verandert.
der getuigenis onzes Heeren,
Dat is, de leer des Evangelies, waarin getuigd wordt wie onze Heere en Zaligmaker is, en hoe de Heere Zijne macht, wijsheid, rechtvaardigheid en barmhartigheid aan de mensen betoont. Zie Ps. 19:8, en Ps. 119:2; 1 Kor. 1:6, en 1 Kor. 2:1.
Hertaald:
der getuigenis onzes Heeren,
Dat is: de leer van het Evangelie, waarin getuigd wordt Wie onze Heere en Zaligmaker is en hoe de Heere Zijn macht, wijsheid, rechtvaardigheid en barmhartigheid aan de mensen betoont. Zie Ps. 19:8 en Ps. 119:2; 1 Kor. 1:6 en 1 Kor. 2:1.
Zijn gevangene ben; maar lijd
Dat is, om Zijnentwil gevangen.
Hertaald:
Zijn gevangene ben; maar lijd
Dat is: om Zijnentwil gevangen.
verdrukkingen met het Evangelie,
Dat is, die het Evangelie zelf, en om des Evangelies wil onderworpen zijn al degenen, die het prediken, aannemen en belijden; 2 Tim. 3:12.
Hertaald:
verdrukkingen met het Evangelie,
Dat is: de verdrukkingen waaraan het Evangelie zelf onderworpen is, en waaraan om het Evangelie allen onderworpen zijn die het prediken, aannemen en belijden; 2 Tim. 3:12.
naar de kracht Gods;
Dat is, naar dat u God sterkte verleent, om die verdrukkingen lijdzaam en standvastig te verdragen. Dit doet hij daarbij, opdat wij zulks niet aan onze eigene krachten toeschrijven; zie Fil. 1:29; 1 Tim. 1:12.
Hertaald:
naar de kracht Gods;
Dat is: naar de sterkte die God u geeft om die verdrukkingen met volharding en standvastig te verdragen. Dit voegt hij eraan toe, opdat wij dat niet aan onze eigen krachten toeschrijven; zie Filipp. 1:29; 1 Tim. 1:12.
zalig gemaakt, en
Namelijk door Zijnen Zoon Jezus Christus.
Hertaald:
zalig gemaakt, en
Namelijk zalig gemaakt door Zijn Zoon Jezus Christus.
geroepen
Namelijk uiterlijk door de prediking des Evangelies, en inwendig door de krachtige werking Zijns Geestes.
Hertaald:
geroepen
Namelijk uiterlijk geroepen door de prediking van het Evangelie en innerlijk door de krachtige werking van Zijn Geest.
met een heilige roeping;
Dat is, die in zichzelf heilig is, en die ons roept tot heiligheid; Luc. 1:75; Ef. 1:4; Kol. 1:22.
Hertaald:
met een heilige roeping;
Dat is: een roeping die in zichzelf heilig is en die ons tot heiligheid roept; Luk. 1:75; Ef. 1:4; Kol. 1:22.
niet naar onze werken,
Namelijk die als een voorgaande of voorgeziene oorzaak deze roeping zouden verdienen, of God daartoe zouden hebben bewogen; zie Rom. 9:11; Ef. 2:9; Tit. 3:5.
Hertaald:
niet naar onze werken,
Namelijk werken die als een voorafgaande of vooruit geziene oorzaak deze roeping zouden verdienen of God daartoe zouden bewegen; zie Rom. 9:11; Ef. 2:9; Tit. 3:5.
maar naar Zijn eigen voornemen en
Dat is, naar dat het hem beliefd en behaagd heeft van eeuwigheid, bij zichzelf, over ons te besluiten; zie Rom. 8:28, en Rom. 9:11; Ef. 1:11, en Ef. 3:11.
Hertaald:
maar naar Zijn eigen voornemen en
Dat is: naar wat Hem van eeuwigheid bij Zichzelf beliefd en behaagd heeft over ons te besluiten; zie Rom. 8:28 en Rom. 9:11; Ef. 1:11 en Ef. 3:11.
genade,
Dat is, genadig voornemen, welks enige en eerste bewegende oorzaak is de onverdiende genade en barmhartigheid Gods; Rom. 6:23, en Rom. 11:5-6; Gal. 1:15; Ef. 1:6; Tit. 3:7.
Hertaald:
genade,
Dat is: een genadig voornemen, waarvan de enige en eerste beweegoorzaak de onverdiende genade en barmhartigheid van God is; Rom. 6:23 en Rom. 11:5-6; Gal. 1:15; Ef. 1:6; Tit. 3:7.
die ons gegeven is
Dat is, die God in Zijn raad voorgenomen en besloten heeft ons te geven. Zie dergelijke Joh. 17:24; want deze genade is ons metterdaad niet van eeuwigheid, maar in der tijd gegeven, wanneer wij geroepen worden; maar wordt zo gezegd, omdat deze werkelijke schenking geschiedt, naar dat eeuwig voornemen Gods, hetwelk zo vast is alsof het reeds volbracht ware.
Hertaald:
die ons gegeven is
Dat is: die God in Zijn raad voorgenomen en besloten heeft ons te geven. Zie iets dergelijks in Joh. 17:24. Want deze genade is ons in werkelijkheid niet van eeuwigheid gegeven, maar in de tijd, wanneer wij geroepen worden. Het wordt zo gezegd omdat dit werkelijke schenken gebeurt naar dat eeuwige voornemen van God, dat zo vast is alsof het al volbracht was.
in Christus Jezus,
Dat is, om derzelver vruchten door Jezus Christus te verkrijgen. Zie verder Ef. 1:4.
Hertaald:
in Christus Jezus,
Dat is: om de vruchten daarvan door Jezus Christus te verkrijgen. Zie verder Ef. 1:4.
voor de tijden der eeuwen;
Dat is, van eeuwigheid, of, gelijk hij elders spreekt, voor de grondlegging der wereld; Ef. 1:4.
Hertaald:
voor de tijden der eeuwen;
Dat is: van eeuwigheid, of, zoals hij elders zegt, vóór de grondlegging van de wereld; Ef. 1:4.
de verschijning van
Namelijk in het vlees, in Zijne eerste komst.
Hertaald:
de verschijning van
Namelijk Zijn verschijning in het vlees, bij Zijn eerste komst.
den dood heeft
Namelijk de eeuwige dood.
Hertaald:
den dood heeft
Namelijk de eeuwige dood.
te niet gedaan, en
Namelijk door Zijn dood; Hebr. 2:14. Versta, ten aanzien van de gelovigen, die door Hem daarvan verlost en bevrijd zijn. Want op de ongelovigen blijft de toorn Gods; Joh. 3:36.
Hertaald:
te niet gedaan, en
Namelijk tenietgedaan door Zijn dood; Hebr. 2:14. Versta dat met het oog op de gelovigen, die daarvan door Hem verlost en bevrijd zijn. Want op de ongelovigen blijft de toorn van God; Joh. 3:36.
het leven en de onverderfelijkheid
Namelijk het eeuwige leven, gelijk het volgende woord onverderfelijkheid, ter verklaring bijgevoegd, aantoont.
Hertaald:
het leven en de onverderfelijkheid
Namelijk het eeuwige leven, zoals het volgende woord onverderfelijkheid, dat ter verklaring toegevoegd is, aantoont.
aan het licht gebracht
Dat is, teweeggebracht door zijn verdiensten, en tevoorschijn gebracht of bekend gemaakt door de prediking des Evangelies.
Hertaald:
aan het licht gebracht
Dat is: tot stand gebracht door Zijn verdiensten en voor de dag gebracht of bekendgemaakt door de prediking van het Evangelie.
Waartoe ik
Dat is, om dit Evangelie te prediken, voornamelijk onder de heidenen.
Hertaald:
Waartoe ik
Dat is: om dit Evangelie te prediken, vooral onder de heidenen.
gesteld ben een prediker,
Namelijk van God, die mij daartoe afgezonderd, geroepen en verordineerd heeft. Zie Hand. 13:2; Rom. 1:1; Gal. 1:1.
Hertaald:
gesteld ben een prediker,
Namelijk gesteld door God, Die mij daartoe afgezonderd, geroepen en verordend heeft. Zie Hand. 13:2; Rom. 1:1; Gal. 1:1.
deze dingen lijde,
Dat is, deze verdrukkingen en banden.
Hertaald:
deze dingen lijde,
Dat is: deze verdrukkingen en boeien.
niet beschaamd; want
Of, ik schaam mij des niet.
Hertaald:
niet beschaamd; want
Of: ik schaam mij daar niet over.
Wien ik geloofd heb,
Dat is, op wiens toezeggingen ik vertrouwd heb.
Hertaald:
Wien ik geloofd heb,
Dat is: op Wiens toezeggingen ik vertrouwd heb.
machtig is,
Dat is, dat hij niet alleen den wil heeft, hetwelk uit zijne toezeggingen blijkt, maar ook de macht om die te volbrengen.
Hertaald:
machtig is,
Dat is: dat Hij niet alleen de wil heeft, wat uit Zijn toezeggingen blijkt, maar ook de macht om die te volbrengen.
mijn pand, bij Hem
Dat is, de eeuwige gelukzaligheid en heerlijkheid, die God zijnen kinderen en getrouwen dienaren beloofd heeft, en van Hem in den hemel als een toevertrouwd pand voor hen weggelegd is, en getrouw bewaard wordt.
Hertaald:
mijn pand, bij Hem
Dat is: de eeuwige gelukzaligheid en heerlijkheid die God Zijn kinderen en Zijn trouwe dienaars beloofd heeft, die door Hem in de hemel als een toevertrouwd pand voor hen weggelegd is en die Hij trouw bewaart.
dien dag
Namelijk der toekomst van Christus ten oordeel, wanneer hij het hun zal geven om werkelijk en eeuwig te bezitten.
Hertaald:
dien dag
Namelijk de dag van de komst van Christus ten oordeel, wanneer Hij het hun zal geven om het werkelijk en eeuwig te bezitten.
Houd het voorbeeld
Dat is, houd altijd in uwen zin een kort begrip der gezonde leer, waarin de voornaamste hoofdstukken daarvan in het kort gelijk als ontworpen en afgebeeld zijn, waarnaar gij uwe leringen moogt richten. Of, gelijk sommigen uitleggen, laat de gezonde woorden, dat is, de gezonde leer, die gij van mij gehoord hebt, en de manier, die ik in het leren houd, u een voorschrift zijn, hetwelk gij in het leren volgt.
Hertaald:
Houd het voorbeeld
Dat is: houd altijd een korte samenvatting van de gezonde leer in gedachten, waarin de belangrijkste hoofdpunten daarvan in het kort als het ware geschetst en getekend zijn en waarnaar u uw onderwijs kunt richten. Of: zoals sommigen uitleggen, laat de gezonde woorden, dat is de gezonde leer die u van mij gehoord hebt, en de manier die ik bij het onderwijzen aanhoud, u een voorschrift zijn dat u bij het onderwijzen volgt.
in geloof en liefde,
Dit zijn twee hoofdstukken, waartoe al de artikelen of stukken der gezonde leer gebracht kunnen worden, en waarin deze begrepen zijn. Zie Tit. 3:8.
Hertaald:
in geloof en liefde,
Dit zijn twee hoofdpunten waartoe alle artikelen of onderdelen van de gezonde leer teruggebracht kunnen worden en waarin die begrepen zijn. Zie Tit. 3:8.
die in Christus Jezus is
Dat is, welk geloof Christus Jezus tot een fondament heeft, en welke liefde om Christus' wil betoond moet worden. Zie 1 Tim. 1:14.
Hertaald:
die in Christus Jezus is
Dat is: welk geloof Christus Jezus als fundament heeft, en welke liefde om Christus' wil betoond moet worden. Zie 1 Tim. 1:14.
het goede pand,
Namelijk der gezonde leer. Zie 1 Tim. 6:20.
Hertaald:
het goede pand,
Namelijk het pand van de gezonde leer. Zie 1 Tim. 6:20.
dat u toebetrouwd is,
Namelijk van God, om wel te bewaren, en anderen zuiver en getrouw mede te delen.
Hertaald:
dat u toebetrouwd is,
Namelijk toevertrouwd door God, om het goed te bewaren en het zuiver en trouw aan anderen mee te delen.
door den Heiligen Geest,
Dit doet hij daarbij, opdat Timotheüs deze bewaring niet zichzelf, of aan zijne krachten zou toeschrijven, daar dit in ons een werk en gave des Heiligen Geestes is; Rom. 15:13; 1 Kor. 12:3.
Hertaald:
door den Heiligen Geest,
Dit voegt hij eraan toe, opdat Timotheüs dit bewaren niet aan zichzelf of aan zijn eigen krachten zou toeschrijven, omdat dit in ons een werk en een gave van de Heilige Geest is; Rom. 15:13; 1 Kor. 12:3.
Die in ons woont
Zie Rom. 8:9, Rom. 8:11; 1 Kor. 3:16.
Hertaald:
Die in ons woont
Zie Rom. 8:9, Rom. 8:11; 1 Kor. 3:16.
allen, die in Azië zijn,
Dat is, meest alle dienaars des Evangelies, die òf van Azië zijn, òf nu in Azië, te Efeze en elders zich ophouden. Zie de aantekeningen op Hand. 20:4.
Hertaald:
allen, die in Azië zijn,
Dat is: bijna alle dienaars van het Evangelie die óf uit Azië komen, óf zich nu in Azië, in Efeze en elders ophouden. Zie de aantekeningen bij Hand. 20:4.
afgewend hebben;
Dat is, verlaten hebben, zonder mij in mijn dienst, of verantwoording bij te staan. Dergelijke klachten zie 2 Tim. 4:10, 2 Tim. 4:16.
Hertaald:
afgewend hebben;
Dat is: mij verlaten hebben, zonder mij in mijn dienst of in mijn verantwoording bij te staan. Dergelijke klachten, zie 2 Tim. 4:10, 2 Tim. 4:16.
den huize van Onesiforus
Dat is, het ganse huisgezin, hetwelk des huisvaders goed voorbeeld, om Paulus te verkwikken, zonder twijfel nagevolgd heeft.
Hertaald:
den huize van Onesiforus
Dat is: het hele huisgezin, dat zonder twijfel het goede voorbeeld van de huisvader in het verkwikken van Paulus nagevolgd heeft.
barmhartigheid;
Dat is, alles goeds naar lichaam en ziel, hetwelk zo genoemd wordt, omdat God de mensen het niet uit verdiensten, maar uit genadige ontferming verleent. Zie 1 Tim. 1:2.
Hertaald:
barmhartigheid;
Dat is: al het goede naar lichaam en ziel. Dat wordt zo genoemd omdat God het de mensen niet uit verdiensten, maar uit genadige ontferming geeft. Zie 1 Tim. 1:2.
verkwikt, en heeft zich
Het Griekse woord betekent eigenlijk, heeft mij verkoeling gedaan; ene gelijkenis van degenen, die, verhit zijnde, door de verkoeling verkwikt worden. Zie Ps. 39:14, en Ps. 66:12; Hand. 3:19.
Hertaald:
verkwikt, en heeft zich
Het Griekse woord betekent eigenlijk: hij heeft mij verkoeling gegeven. Dit is een vergelijking met mensen die, wanneer zij verhit zijn, door de verkoeling verkwikt worden. Zie Ps. 39:14 en Ps. 66:12; Hand. 3:19.
mijner keten niet geschaamd
Dat is, mijn vernederden staat in mijn gevangenschap. Zie van deze keten de aantekeningen Hand. 28:16.
Hertaald:
mijner keten niet geschaamd
Dat is: mijn vernederde staat in mijn gevangenschap. Zie over deze keten de aantekeningen bij Hand. 28:16.
gezocht, en heeft mij gevonden
Namelijk alzo Rome een zeer grote stad was en vol volks uit de gehele wereld.
Hertaald:
gezocht, en heeft mij gevonden
Namelijk gezocht, terwijl Rome een zeer grote stad was, vol mensen uit de hele wereld.
dat hij barmhartigheid
Zie vs.16.
Hertaald:
dat hij barmhartigheid
Zie vers 16.
bij den Heere,
Dat is, bij Hem, die onze Heere en Rechter is.
Hertaald:
bij den Heere,
Dat is: bij Hem Die onze Heere en Rechter is.
in dien dag;
Namelijk als deze Heere de levenden en doden zal oordelen, en de straffen en de beloningen zal uitdelen.
Hertaald:
in dien dag;
Namelijk op de dag dat deze Heere de levenden en de doden zal oordelen en de straffen en de beloningen zal uitdelen.
te Efeze gediend heeft,
Namelijk boven den dienst, dien Hij mij daarna hier te Rome heeft bewezen.
Hertaald:
te Efeze gediend heeft,
Namelijk naast de dienst die hij mij daarna hier in Rome bewezen heeft.
zeer wel
Grieks beter.
Hertaald:
zeer wel
Grieks: beter. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De grootmoeder van Timotheüs, in wie een ongeveinsd geloof woonde dat zij aan haar dochter Eunice en kleinzoon Timotheüs doorgaf (2 Tim. 1:5). De moeder van Timotheüs, een gelovige Jodin (vgl. Hand. 16:1), in wie hetzelfde ongeveinsde geloof woonde als in haar moeder Lois (2 Tim. 1:5). Een gelovige uit Azië die zich, samen met Hermogenes, van Paulus heeft afgewend (2 Tim. 1:15). Een gelovige uit Azië die zich, samen met Fygellus, van Paulus heeft afgewend (2 Tim. 1:15). Een gelovige die Paulus dikwijls verkwikt heeft en die hem, toen hij in Rome was, ijverig heeft opgezocht en gevonden zonder zich van zijn gevangenschap te schamen (2 Tim. 1:16-18; 4:19). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas De grote Huisvader heeft aan iedere dienaar een talent toevertrouwd; geen enkel deel van een levend lichaam is zonder functie. Het is waar dat er lichaamsdelen zijn waarvan de werking nog altijd niet volledig is ontdekt. Zelfs artsen en anatomen kunnen niet altijd verklaren waarom bepaalde organen zich in het menselijk lichaam bevinden of welke functie zij precies vervullen. Toch weten we dat, wanneer ze tot het lichaam behoren, ze een nuttige en noodzakelijke functie hebben. Sommige christenen lijken misschien in die categorie te vallen. Voor anderen kan het een raadsel zijn waartoe zij in staat zijn en welke plaats zij in het geheel innemen. Toch heeft God ook aan hen een bepaalde taak toevertrouwd die zij behoren te vervullen. Als zij ware gelovigen zijn, zijn zij levende en onmisbare leden van het lichaam van Christus. Zoals ieder dier, iedere vogel, iedere vis en ieder insect zijn eigen plaats in de schepping heeft, zo heeft iedere christen een passende plaats in de huishouding van Gods genade. Geen boom, geen plant en zelfs geen onkruid kan zonder schade voor de volmaaktheid van de natuur worden gemist. Evenmin kan enige gave of genade uit de kerk verloren gaan zonder dat dit haar volkomenheid schaadt. Hij heeft ons zalig gemaakt en geroepen met een heilige roeping. 2 Timotheüs 1:9 Als je in Jezus Christus gelooft, ben je gered. Je hoeft niet te leven… Charles Haddon Spurgeon 11 mei 1856 Schrift: 2 Timoteüs 1:13 Uit: New Park Street Pulpit Deel 2 Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord… Want God heeft ons niet gegeven een geest van vreesachtigheid, maar van kracht en liefde en bezonnenheid. 2 Timotheüs 1:7 Geliefde lezer, er is een plek waar jij… Maar Mijn dienaar Kaleb, omdat in hem een andere geest was en hij erin volhard heeft Mij na te volgen, hem zal Ik brengen in het land waar… Er is een stem van het bloed van uw broer, dat van de aardbodem tot Mij roept. (Genesis 4:10) Lees verder Efeze 5:15—20. De dienaren van Satan beschamen… Om welke oorzaak ik ook deze dingen lijde, maar word niet beschaamd; want ik weet, Wie ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn… Die ons heeft zalig gemaakt... niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden der eeuwen;… Want God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid, maar der kracht, en der liefde, en der gematigdheid. 2 Timotheüs 1:7 In Zijn liefde tot Zijn kinderen trekt… Waartoe ik gesteld ben een prediker, en een apostel, en een leraar der heidenen; Om welke oorzaak ik ook deze dingen lijde, maar word niet beschaamd; want ik weet,… "Die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen." Romeinen 8:30 Verlangt uw hart naar heiligheid? In 2 Timotheüs 1:9 staat: "Die ons heeft zalig gemaakt en geroepen met… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen. Romeinen 8:30 In 2 Timotheus 1 vers 9 staat: "Die ons heeft zalig… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Die ons heeft zalig gemaakt en geroepen met een heilige roeping. 2 Timotheus 1:9 De apostel gebruikt hier de verleden tijd en… Er zijn maar weinig onderwerpen die dringender de overdenking van een predikant of de aandacht van de hoorder vragen dan geloof. Deze preek, gehouden in de concertzaal van Surrey… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
2 Timotheüs 1
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Ter overdenking
Verdiepende artikelen
Een heilige roeping
Blijf bij de gezonde woorden
Een toevluchtsoord voor al jouw angsten
De man met een andere geest
Verloochen je Jezus?
Een weggelegd pand
Niet naar onze werken
Kracht, liefde, gematigdheid
Apart gezet
Bent u door God geroepen?
Die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen
Die ons heeft zalig gemaakt en geroepen met een heilige roeping
Geloof, zeker zalig worden


2 Timotheüs 1
2 Timotheüs 1:1-2
Kruisverwijzingen1 Timotheüs 1:2→2 Korinthe 1:1→Handelingen 16:1→Romeinen 1:7→Efeze 3:6→Titus 1:2→Hebreeën 9:15→Johannes 6:40→— Paulus, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God, naar de belofte des levens, dat in Christus Jezus is, Aan Timotheus, mijn geliefden zoon: genade, barmhartigheid, vrede zij u van God den Vader, en Christus Jezus, onzen Heere.
Paulus neemt een hoog standpunt in. Hij is geen apostel door de wil van de Gemeente, maar een apostel door de wil van God. Gods wil is de grote drijfkracht in de Gemeente van God. Sommigen spreken veel over de wil van de mens. Wat denkt u van de wil van God, de wil van de Almachtige? Die zal zeker standhouden. Paulus voelde dat hij dat achter zich had. Daarom spreekt hij altijd zeer vrijmoedig. Hij vraagt nooit iemand om verlof. Is hij een apostel door de wil van God, dan oefent hij zijn ambt uit zonder vrees.
2 Timotheüs 1:3
KruisverwijzingenRomeinen 1:8→Handelingen 23:1→Handelingen 24:14→Handelingen 22:3→1 Timotheüs 1:5→Handelingen 24:16→Hebreeën 13:8→Handelingen 26:4→— Ik dank God, Wien ik diene van mijn voorouderen aan in een rein geweten, gelijk ik zonder ophouden uwer gedachtig ben in mijn gebeden nacht en dag;
Hiervoor dankt Paulus God. Hij vergat nooit voor Timotheüs te bidden, en dat is een reden tot dankbaarheid. Wanneer wij ons gedrongen voelen om te bidden, ook al is het voor een ander, is de geest van het gebed in wezen dezelfde, wat het onderwerp ook is. Wij behoren dankbaar te zijn wanneer wij voortdurend in staat zijn om voor een vriend te bidden.
2 Timotheüs 1:4
Kruisverwijzingen2 Timotheüs 4:9→2 Timotheüs 4:21→1 Thessalonicenzen 2:17→Filippenzen 1:8→Romeinen 1:11→Psalmen 126:5→Handelingen 20:37→Johannes 16:22→— Zeer begerig zijnde om u te zien, als ik gedenk aan uw tranen, opdat ik met blijdschap moge vervuld worden;
Wat waren die tranen? Tranen van heilige mannen en vrouwen zijn zo kostbaar als diamanten. Paulus had de traan zien fonkelen in het oog van broeder Timotheüs: de traan van berouw, de traan van dankbaarheid, de traan van vurig verlangen. Hij had dat opgemerkt, en verlangde daarom ernaar dat dierbare gezicht opnieuw te zien.
2 Timotheüs 1:5-6
Kruisverwijzingen1 Timotheüs 4:14→1 Petrus 4:10→1 Timotheüs 1:5→Handelingen 16:1→1 Thessalonicenzen 5:19→2 Petrus 3:1→Psalmen 116:16→1 Timotheüs 4:6→— Als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof, dat in u is, hetwelk eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Lois, en in uw moeder Eunice; en ik ben verzekerd, dat het ook in u woont. Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat gij opwekt de gave Gods, die in u is, door de oplegging mijner handen.
Elke levende heilige heeft zijn taak te bewaren, zijn pond waarover hij rentmeester is. Een mate van gave is in ons allen aanwezig, en die moet opgewekt worden. Er zijn vele soorten gaven. Alle christenen hebben een gave; sommigen hebben er misschien maar één, maar allen hebben er ten minste één. Deze moeten goed gebruikt worden. Wat besteed wordt in de dienst van de Meester, wordt weggelegd in de hemel, waar mot noch roest kan verderven.
2 Timotheüs 1:7-8
KruisverwijzingenRomeinen 8:15→1 Johannes 4:18→Johannes 14:27→Handelingen 1:8→Galaten 5:22→Zacharia 4:6→Spreuken 2:7→Hebreeën 2:15→— Want God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid, maar der kracht, en der liefde, en der gematigdheid. Schaam u dan niet der getuigenis onzes Heeren, noch mijns, die Zijn gevangene ben; maar lijd verdrukkingen met het Evangelie, naar de kracht Gods;
Noch Paulus, noch Timotheüs had een lafhartige geest. Zij waren geen van beiden bevreesd. God had hun Zijn waarheid geleerd, en zij kenden haar, en hielden haar vast, alle tegenstand trotserend.
2 Timotheüs 1:9-10
KruisverwijzingenRomeinen 16:25→Efeze 2:8→Titus 3:4→Titus 1:2→Efeze 1:3→Jesaja 14:26→Deuteronomium 7:7→Romeinen 2:7→— Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden der eeuwen; Doch nu geopenbaard is door de verschijning van onzen Zaligmaker Jezus Christus, Die den dood heeft te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie;
Hoe duidelijk blijkt hieruit dat hij vast geloofde in de eeuwige verkiezing van de gelovigen: in hun zijn in Christus, en in hun bezit van genade in Christus. Gods liefde tot Zijn volk is niet iets van gisteren! Hij had hen lief voordat de wereld gemaakt werd, en Hij zal hen liefhebben wanneer de wereld heeft opgehouden te bestaan.
2 Timotheüs 1:10-12
Kruisverwijzingen2 Timotheüs 1:8→1 Petrus 4:19→Nahum 1:7→1 Timotheüs 6:20→1 Timotheüs 2:7→2 Timotheüs 4:8→Romeinen 2:7→Romeinen 16:26→— Doch nu geopenbaard is door de verschijning van onzen Zaligmaker Jezus Christus, Die den dood heeft te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie; Waartoe ik gesteld ben een prediker, en een apostel, en een leraar der heidenen; Om welke oorzaak ik ook deze dingen lijde, maar word niet beschaamd; want ik weet, Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag.
Paulus wist dat genade zijn ziel kon bewaren, maar ik denk dat hij hier bedoelt dat hij zijn eigen Evangelie kon bewaren. Paulus had het bewaard, had het geloof bewaard. Maar nu vertrouwde hij het toe aan de hand van de Grotere, Die het zou bewaren wanneer elke apostel dood was, en elke getrouwe getuige heengegaan was.
2 Timotheüs 1:13-14
KruisverwijzingenTitus 1:9→2 Timotheüs 3:14→2 Timotheüs 2:2→1 Timotheüs 1:14→Filippenzen 4:9→Romeinen 6:17→Romeinen 2:20→1 Timotheüs 1:10→— Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is. Bewaar het goede pand, dat u toebetrouwd is, door den Heiligen Geest, Die in ons woont.
Houd de waarheid vast. Houd de vorm en gestalte ervan zelf vast. Wilt u het leven bewaren dat in een ei is, dan mag u zelfs de schaal niet breken. Zorg voor alles, en zorg er des te meer voor wanneer men met schijnredeneringen zegt: “wij zullen dezelfde waarheid vasthouden, alleen in een andere vorm.” Waarom zou men een andere vorm willen, als men niet een andere leer wil vasthouden? Nee, mijn broeders, vooral u die zoals de jonge Timotheüs bent: neem dit woord ter harte. “Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is.” Als de Heilige Geest in ons is, zullen wij nooit met de waarheid spelen. Hij is de Liefhebber en de Openbaarder van de waarheid. Wij zullen de leerstukken van Gods Woord steeds dichter naar ons hart toe drukken, naarmate de Heilige Geest in ons woont.
2 Timotheüs 1:15
Kruisverwijzingen2 Timotheüs 4:16→Filippenzen 2:21→2 Timotheüs 4:10→Handelingen 19:10→1 Korinthe 16:19→Handelingen 19:27→Handelingen 16:6→Handelingen 19:31→— Gij weet dit, dat allen, die in Azie zijn, zich van mij afgewend hebben; onder dewelke is Fygellus en Hermogenes.
Wat! Van Paulus afgewend? Sommige mensen denken dat het een verschrikkelijke zaak is wanneer bepaalde mensen zich afwenden van een dienaar van Christus. Voor henzelf is het dat wel, maar niet voor de dienaar. Paulus staat vast; zelfs hij, de dapperste van de dapperen, en toch wenden zij zich allen van hem af. Wat zou dat? Wankelt Paulus daardoor? Nee, hij niet.
2 Timotheüs 1:16-18
Kruisverwijzingen2 Timotheüs 4:19→Hebreeën 6:10→2 Timotheüs 1:12→Filemon 1:7→Handelingen 28:20→Filemon 1:20→Efeze 6:20→1 Timotheüs 1:3→— De Heere geve den huize van Onesiforus barmhartigheid; want hij heeft mij dikmaals verkwikt, en heeft zich mijner keten niet geschaamd. Maar als hij te Rome gekomen was, heeft hij mij zeer naarstiglijk gezocht, en heeft mij gevonden. De Heere geve hem, dat hij barmhartigheid vinde bij den Heere, in dien dag; en hoeveel hij mij te Efeze gediend heeft, weet gij zeer wel.
In Rome kon men niet zomaar te weten komen waar een gevangene zich bevond. De registers waren niet voor onderzoek geopend. Men moest van gevangenis naar gevangenis gaan, en de bewakers omkopen om toegelaten te worden, of te horen wie daar mocht zijn. Onesiforus was vastbesloten Paulus te vinden. Ik veronderstel dat hij naar de Mamertijnse kerker ging, waar sommigen van ons ook geweest zijn: de ene kerker onder de andere. De eerste heeft geen licht, behalve door een rond gat bovenaan. Door het tweede ronde gat liet men iemand naar de onderste kerker zakken. Wij denken dat Paulus daar was. Onesiforus ging van de ene gevangenis naar de andere, totdat hij hem vond.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
A. Zien wij terug op de uitspraken, waarin Paulus, zowel in het begin van zijn gevangenschap tegenover de Hoge Raad als in het verder verloop daarvan tegenover de landvoogd Felix en de koning Agrippa en eindelijk ook voor de Romeinse Joden over de eigenlijke oorzaak van de tegen hem gerichte aanklacht heeft verklaard (Hand. 23: 6; 24: 14, vv; 26: 6 v., 22 v. ; 28: 20 en ontmoeten wij nu aan het begin van de tweede brief van Timotheus de zo eigenaardige benaming van zijn apostelschap “naar de belofte van het leven, dat in Christus Jezus is”, dan is niet te ontkennen, dat deze brief zeker de eerste is onder degene, die hij als gevangene te Rome heeft geschreven (in de zomer van het jaar 61). De apostel schrijft het vaste standpunt, waarop hij voor God, voor zichzelf en voor de rechterstoel alle vijandige aanklachten krachteloos had gemaakt, nu ook voor Timotheus neer. Het is zeker voor elke aangeklaagde een bijzondere vertroosting om zijn vrienden te overtuigen van zijn eigen recht; maar hier begeerde hij meer, namelijk hem, aan wie de brief gericht is, tot hetzelfde vaste standpunt, waarop hij zich bevond, te verheffen. Hoe het nu tegenwoordig met Timotheus te Efeze gesteld was, daarop wijst het predikaat, dat Paulus in de plaats van het vroegere (1 Tim. 1: 2) “mijn oprechte zoon in het geloof” hem geeft “mijn geliefde zoon”. Vroeger wilde hij hem tegenover de zich uitbreidende geest van de dwaalleraars als een oprechte zoon in het geloof van de apostel voorstellen, nu moet hij hem liefde verzekeren tot opwekking van zijn moed en zijn beslistheid.
Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God (1 Kor. 1: 2. 2 Kor. 1: 1 1. 2 2Co Efeze 1: 1 Kol. 1: 1) naar, ten gevolge van de belofte van het leven, dat in Christus Jezus aanwezig is. Om die belofte verdraag ik, zowel met het oog op de uitverkorenen, als op mijzelf, alles wat ik heden als een gevangene moet lijden (Hoofdstuk 2: 9 vv. Hand. 24: 15 v.).
Het “een apostel van Jezus Christus door de wil van God”, waarmee Paulus ook elders zijn persoon naar de door God hem aangewezen plaats noemt, spreekt hier het bewustzijn uit, waarin hij het volgende schrijft, niet de intentie om zijn apostolische waarde te verdedigen (“1Th 1: 1” en “1Ti 2: 7. Als nu de volgende inhoud van de brief daarop neerkomt, dat Timotheus naar het voorbeeld van de apostel, die omwille van het Evangelie in banden is, van alle goederen van het tijdelijk leven afstand moet doen en gevaren en lijden bereidwillig om het Evangelie op zich moet nemen, die nadere benaming van het ambt van de apostel, wiens medehelper Timotheus is, zou dan meer gepast kunnen zijn dan die, die nu volgt: “naar de belofte van het leven, dat in Christus Jezus is” en die, zoals duidelijk is, bestemd is, om de blik van Timotheus op dat leven te richten, waarom hij de goederen van dit leven moet afstaan.
Met een belofte van het leven, waarop zijn apostelschap rust (en waardoor het bepaald is) troost zich de man, die van hoofdmisdaad is aangeklaagd en de herinnering daaraan moet Timotheus opnieuw bemoedigen, die van een gelijksoortige werkzaamheid is teruggetreden.
Aan Timotheus (vgl. 1 Tim. 1: 2 en Tit. 1: 4), mijn geliefde zoon (1 Kor. 4: 17), a) genade, barmhartigheid, vrede zij u van God de Vader en Christus Jezus, onze Heere (1Ti 1: 2).
Gal. 1: 3. 1 Petrus 1: 2
Sinds Timotheus de apostel op zijn reis naar Jeruzalem tot het Pinksterfeest van het jaar 58 na Christus vergezeld had (Hand. 20: 4), verdwijnt hij geheel uit ons gezicht. Voor de eerste maal vinden wij hem weer in de brief aan de Kolossensen (Hoofdstuk 1: 1), die volgens onze mening in de herfst van het jaar 61 geschreven is en in de gelijktijdige brief aan Filemon (vs. 1), in de omgeving van Paulus te Rome. Deze heeft hem dan ook in de brief aan de Filippensen, die ongeveer een jaar later is gemaakt (Hoofdstuk 1: 1), nog bij zich en denkt hem zo snel mogelijk tot de laatstgenoemde gemeente te zenden (Hoofdstuk 2: 19 vv.). Wij moeten dus weer een opening in zijn levensgeschiedenis aanvullen, evenals vroeger tussen de reis van de apostel van Corinthiërs omstreeks Pasen van het jaar 54 en het laatste gedeelte van zijn verblijf te Efeze aan het einde van het jaar 56 (vgl. bij Hand. 16: 3 en 19: 20). Naar alle waarschijnlijkheid, zo kan op goede grond worden gezegd, zond Paulus snel in het begin van zijn gevangenschap te Cesarea (einde van Mei van het jaar 58), toen de landvoogd Felix toestond dat de zijnen hem zouden dienen, of bij hem zouden komen (Hand. 24: 23), Timotheus naar Efeze, om deze gemeente, die op de voorgrond stond van de door hem gestichte Christelijke kerk uit de heidenen, te leiden en te verzorgen. Hij kon dat zonder bedenking doen, omdat de brief, die in het jaar 56 aan Timotheus gericht was, deze toch voldoende aandrang had gegeven tot echte ambtsbediening en deze in het bijzonder in dat punt, dat het rijk willen worden aangaat (1 Tim. 6: 6 vv.), zich onthouden had van alle mogelijke vroegere speculaties en zich weer had begeven tot de ware godzaligheid, zoals daaruit blijkt, dat de apostel hem in het jaar 57 gebruikte om ene collecte in Macedonië en Achaja te houden (Hand. 19: 21 v.) en tegenover de Corinthiërs (1 Kor. 16: 10) zo’n gunstig getuigenis aflegt over zijn betrouwbaarheid. Hij schijnt echter niet in dezelfde mate zich de kunst te hebben toegeëigend om de dwaalleraars op de juiste, door Paulus hem aangegevene manier tegen te staan. Dat was zeker voor hem bij zijn eigenaardige gemoedsaard, zoals wij die bij 1 Tim. 5: 21 leerden kennen de moeilijkste taak. Maar niet het terugtreden van haar vervulling, maar integendeel het weer opvatten daarvan, de gelegenheid tot praktische oefening van wilskracht en bekwaamheid om te weerstaan, kon hier helpen. Juist daarvoor werd ten tweeden male het Efezische arbeidsveld hem toevertrouwd en, naar vs. 4 te oordelen, scheidde Timotheus met hete tranen van de apostel, een bewijs hoe lief hij hem had en hoe bereidwillig hij was om zijn werk te volbrengen. Een moeilijke slag nu trof hem, toen hij met zijn meester tot de eerste verantwoording in Hoofdstuk 4: 16 vermeld gekomen was, waarbij wij moeten denken aan het voorgevallene onder de landvoogd Festus in Hand. 25: 6 v. Het einde toch was daarvan, dat het met Paulus tot nadere verantwoording voor de keizer te Rome moest komen (Hand. 25: 12) en omdat de gevangene zelfs nog in de herfst van het jaar 60 daar werd heengevoerd (Hand. 27: 1 vv.), werd Timotheus zozeer door de geest van vrees en versaagdheid (vs. 7) ingenomen, dat hem alle blijdschap en lust tot de dienst van de Heere in het openbaar ambt verging, hij alle kracht tot weerstand tegenover de drieste dwaalleraars verloor en meer en meer er zich toe bepaalde om voor zijn persoon gelovig te zijn, zonder de Christelijke waarheid naar buiten uit te breiden en het dringen van allerlei wanordelijkheid in het leven van de gemeente te weren. Van deze staat van zaken kreeg de apostel bericht door Onesiphorus een Christen te Efeze, die tot hem te Rome was gekomen (vs. 16), niet lang na zijn eigen komst daar (Hand. 28: 16). De gemeente te Efeze en de dochter-gemeenten, die tot haar behoorden, die te Smyrna, Pergamus enz. (Openbaring 1: 11) trok hij zelf tot zich door de rondgaande brief aan hen gericht, die wij in de brief aan de Efeziërs hebben en handelt over het wezen en de taak van de kerk. Voor Timotheus meende hij niet beter te kunnen doen, dan aan de ene kant de hem opgedragen plichten en het hem betamende gedrag juist onder die omstandigheden, waarin hij zich destijds bevond, volledig uiteen te zetten, alsof hij nog verder te Efeze zou blijven, maar aan de andere kant hem toch tot zich naar Rome liet komen, om hem daar in zijn eigen dienst te gebruiken, totdat hij aan de plaats van zijn bestemming zou kunnen terugkeren. Hier, in de omgeving van de apostel, en onder diens persoonlijke invloed moest Timotheus voor alle dingen ertoe komen om de gave van God, die in hem was, op te wekken en in plaats van de geest van vreesachtigheid, die hem nu beheerste, zich door de geest van kracht en liefde en van tucht te laten vervullen en leiden. Later als hij weer tot de juiste toestand zou zijn gekomen, en vernieuwd zou zijn in de geest van zijn gemoed, zouden dan ook de aanwijzingen, over zijn ambtsbediening hem gegeven, hem tot nut zijn en tot die tijd, die tot weer opvatting van zijn vorig ambt geschikt was, moest intussen Tychicus, die de brief overbracht (Hoofdstuk 4: 12) zijn plaats waarnemen. Zo kan hier eenvoudig worden verklaard, wat de uitleggers veelal als een onoplosbaar raadsel, ja zelfs als een aanstoot is voorgekomen, dat namelijk, terwijl Paulus toch dadelijk vanaf het begin het verlangen uitdrukt Timotheus in zijn gevangenschap bij zich te hebben en dan voor zijn reis naar Rome bepaalde opdrachten geeft, zodat het voor hem geheel boven twijfel verheven is, hij desniettemin door het gehele hoofddeel van de brief Timotheus onderwijst op een manier, alsof hij er in het geheel niet aan dacht hem van zijn station af te roepen, maar wilde, dat hij ook onder de moeilijkste omstandigheden daar zou volhouden en alleen daarop acht slaan, hoe hij zich waardig zou gedragen en zijn plichten getrouw vervullen. De zendbrief is juist met die bedoeling, om Timotheus zonder schade voor de werkzaamheid aan de gemeente te Efeze, die hij later weer zou beginnen, bij zich te zien, door de apostel geschreven. Deze bedoeling komt dan meteen in de eerstvolgende vijf verzen duidelijk voor de dag.
B. Evenals in de eerste brief aan Timotheus zo volgt ook in deze tweede op het begin, die de apostolischen zegengroet bevat, het eigenlijke hoofddeel. Dit zal uit twee delen bestaan, die deze zullen zijn vernemen wij uit de vijf eerste verzen, die de hoofdinhoud van de brief inleiden. De apostel betuigt met dankbaarheid jegens God aan Timotheus, hoe hij zonder ophouden hem gedenkt in zijn gebeden en hoe hartelijk hij, die zijn tranen bij het afscheid getrouw in het geheugen heeft bewaard, ernaar verlangt hem weer bij zich te zien. Hij begeert dat, om van zo’n samenzijn een winst te hebben, die hem met vreugde vervult en hem aanleiding wordt, om zich het ongeveinsde geloof van Timotheus te herinneren, dat van te voren in zijn grootmoeder en moeder had gewoond en zich ook wel bij hem als een blijvende en niet als een voorbijgaande gast zou hebben gevestigd (vs. 3-5). Maar daartoe dat Paulus zo’n winst had van het weer te samenzijn behoort, dat Timotheus de genadegave, die hij bij zijn aanstelling tot helper van de apostelen onder oplegging van de handen van zijn meester had ontvangen en die hij had laten insluimeren, opwekte en in plaats van de natuurlijke geest van vreesachtigheid, die hem had aangegrepen, zich opnieuw overgaf aan de Christelijke geest van kracht en liefde. Met herinnering van het vertrouwen, dat hij op zijn geloof stelt, wil de apostel door zijn brief hem dringen dit te doen (vs. 6 en 7).
Ik dank God, a) die ik dien van mijn voorouderen, ouders en grootouders (1 Tim. 5: 4), af in een rein geweten (Hand. 23: 1; 24: 14 vv. en “Ac 9: 2 dat b), zoals u het naar de toestand van uw hart zozeer nodig heeft, ik zonder ophouden u gedachtig ben in mijn gebeden, die ik nacht en dag voor alle heiligen tot God opzend. Zo mag ik hoop hebben, dat de Heere die de gebeden verhoort, u in uw tegenwoordige zwakheid van het geloof te hulp zal komen.
Hand. 22: 3 Rom. 1: 9 b) 1 Thessalonicenzen. 1: 2; 3: 10
Misschien hebben de Joodsgezinde ijveraars de apostel beschuldigd van een moedwillige en goddeloze afval van de wet. Maar hij zuivert zich hier van al zulke smet en betuigt, dat hij altijd met oprechtheid had gewandeld. Hij had op zijn Joodse afkomst kunnen roemen, zozeer als iemand van de Joodsgezinden. Hij daarentegen roemt alleen in het dienen van de God van zijn vrome voorouders, met een rein geweten. Deze vermelding van een rein geweten kan ook geschied zijn ziende van ter zijde op de Joodsgezinden. Paulus was in alles te werk gegaan naar de ingevingen van zijn geweten, zowel vóór als na zijn bekering tot het Christendom; ofschoon hij, toen hij de Christenen vervolgde, een dolend geweten volgde. Maar omdat hij zo eerlijk en oprecht was, is hij te meer in staat om bekeerd te worden en genade te vinden. Omdat de Joodsgezinden, die het goede geweten zowel als het ware geloof verworpen hadden, zeer onbekwaam waren om bekeerd of aangenomen te worden.
Ik bid voor u, zeer begerig zijnde om u hier bij mij te zien (Hoofdstuk 4: 9 vv.), als ik gedenk aan uw tranen, waarmee u te Cesarea van mij afscheid nam 2Ti 1: 2 en waardoor u zo’n grote gehechtheid aan mij, uw vader in Christus, te kennen gaf (Hand. 20: 37 v. ; 21: 13), opdat ik, als nu zo’n samenzijn ertoe dient, om u weer terecht te brengen (Gal. 6: 1), met blijdschap over uw geestelijke herstelling vervuld moge worden.
Maar vooral voel ik die belangstelling in u, als ik mij u voorstel als zo geheel aan mij gelijk (vs. 3), zo geheel de mijne, als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof, dat in u is, door opvoeding en onderricht in u opgewekt (Hoofdstuk 3: 15) en dat eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Loïs (= betere, of Laïs =” leeuw en in uw moeder Eunice (= Victoria, overwinning); en ik ben verzekerd, dat hetzelfde geloof ook in u woont en niet slechts een voorbijgaande gast geweest is.
Van de drie pastorale brieven heeft alleen deze de gewone dankzegging aan het begin (Rom. 1: 8 vv. 1 Kor. 1: 4 vv. 2 Kor. 1: 3 vv. Efeze. 1: 3 vv. Fil. 1: 3 vv. Kol. 1: 3 vv 1 Thessalonicenzen. 1: 2 vv. 2 Thessalonicenzen. 1: 3 vv. Filemon 1: 4 vv.), die behalve daar (1 Tim. 1: 3 vv. Tit. 1: 5 vv.) nog alleen in de brief aan de Galaten (Gal. 1: 6 vv.) ontbreekt. Opmerkelijk is de overeenkomst met het begin in Rom. 1: 8 vv. Dit heeft zijn reden daarin, dat daar zowel als hier de apostel over zijn dank jegens God zowel als van zijn bede tot Hem spreekt, om hen, die de brief ontvangen, eens te zien en ook daar de herinnering aan hen, zoals hier aan Timotheus met de dank en de bede verbindt.
Bij het “ik dank God” voegt de apostel: “Die ik dien van mijn voorouderen af in een rein geweten”, omdat hij in de gedachte heeft, ook Timotheus op zijn voorouders, met name op zijn grootmoeder en zijn moeder te wijzen. Deze uitspraak over zichzelf staat echter niet in tegenspraak met 1 Tim. 1: 13 en dergelijke, omdat hij ook gedurende zijn ijveren voor de wet de God van zijn vaderen in een rein geweten wilde dienen.
Paulus was ook als vervolger er zich van bewust, dat hij daarmee God diende; zijn bewustzijn was echter subjectief. Toen hem de waarheid duidelijk werd zag hij in, dat hij onwetend, in ongeloof gehandeld had; toch was hij “in een rein geweten”, d. i. menend God een dienst te doen (Joh. 16: 2), zijn vreselijke weg gegaan en zijn geloof was ongeveinsd geweest. Bij de woorden: “zoals ik zonder ophouden u gedachtig ben”, ligt de nadruk op “zonder ophouden”. Nauwkeuriger luiden zij volgens de grondtekst: “dat ik zo (als ik doe) zonder ophouden u gedenk”. Daarom dankt Paulus voor het onophoudelijk denken aan Timotheus en nu bepaalt hij in vs. 4 de aard en de manier van dat denken nader: het is verbonden met het verlangen Timotheus te zien. Tot dit verlangen wordt hij geleid door de herinnering aan zijn tranen, die zijn sterke behoefte aan gemeenschap met de apostel, in zijn grote smart om van hem gescheiden te leven, te kennen gaven en heeft ten doel, dat Paulus met vreugde vervuld mocht worden. In deze laatste woorden wijst de apostel met grote tederheid op zijn smart, die hij nu voelt. Hij wil in plaats daarvan vreugde hebben en wil, als vervuld wordt, wat hij hoopt een verse en levendige herinnering ontvangen, zoals vs. 5 zegt, namelijk een nieuwe indruk van het ongeveinsd geloof, dat, evenals in Timotheus’ voorouders van moeders zijde, zo ook in hem woont. Daarvoor dat Timotheus, die de krachtige leiding van de apostel voor een geruime tijd had moeten ontberen, in onzekerheid en moedeloosheid verzonk, hebben wij in de tijd van de reformatie een analoog in de betrekking tussen Luther en Melanchton. Na Luther’s dood was de zachte, gemoedelijke man wankelend geworden. Hij vreesde, hij schrikte, om de tegenstellingen te verzoenen, in plaats van openlijk en beslist de goede belijdenis uit te spreken en te verdedigen. Zijn oprechte zoon in het geloof, zoals in 1 Tim. 1: 2, kon hem daarom Paulus in vs. 2 niet noemen, want hij moest hem oproepen om de oprechtheid van zijn geloof opnieuw te bewijzen en hij kon toch de vordering niet dadelijk in het adres kwiteren. Wel noemt hij hem zijn geliefde zoon, want de liefde, die hij voor hem voelt, gelooft alles en hoopt alles.
Een ongeveinsd geloof is zo’n geloof, dat uit een volkomen overtuiging van het gemoed werkzaam is, zonder verkeerde bijeinden van tijdelijke inzichten en zo diep in het hart geworteld, dat het de sterkste beproevingen kan doorstaan. Zo’n geloof was er, door Gods genade, die Paulus daarvan de eer geeft, in Timotheüs; ook had het eerst gewoond in zijn grootmoeder en in zijn moeder.
Om welke oorzaak (Kol. 2: 18), namelijk dat ik, zoals ik zei, de overtuiging van u heb, dat u in uw persoonlijk leven het ongeveinsd geloof betoond heeft, ik u ook voor de bediening van uw ambt indachtig maak, dat u volgens hetgeen ik u nader zal schrijven, opwekt tot bediening van dat u opgedragen ambt, de gave van God, a) die in u is door de oplegging van mijn handen 1Ti 4: 14.
Hand. 6: 6; 8: 17; 13: 3; 19: 6. 1 Tim. 5: 22
Zeker is het in uw macht die gave op te wekken en het uitgebluste vuur weer aan te blazen, wanneer u zich slechts niet laat overheersen door uw natuurlijke vreesachtigheid, zoals u thans doet. Want God heeft ons Christenen nietgegeven een geest van vreesachtigheid (MATTHEUS. 8: 26 Openbaring 21: 8), zodat u recht zou hebben te zeggen dat het niet anders met u is, dat u die bevreesdheid niet overwinnen kunt, maar Hij heeft gegeven de Geest van de kracht en van de liefde en van de gematigdheid (eigenlijk “vermaning” of “bestraffing.
Timotheus moet de herinnering, die de apostel hem laat toekomen, daaruit verklaren, dat hij van de oprechtheid van zijn geloof overtuigd is. Was hij daarvan niet verzekerd, dan zou hij zo’n eis niet tot hem richten. In deze zin moet Timotheus die opnemen, maar hij kan dan ook niet weigeren daaraan gevolg te geven, zonder de overtuiging van de apostel aan het wankelen te brengen. Aan de andere kant wordt de eis gedaan in de vorm van een herinnering en hij, die herinnerd wordt iets te doen, moest, zoals hem daardoor wordt duidelijk gemaakt, rechtens zelf daaraan gedachtig zijn. In dit geval moest dat temeer zijn, omdat gesproken wordt van een weer levend maken van een vroeger ontvangen gave, die Timotheus niet had mogen laten sluimeren. De gave wordt hier bedoeld, waarvan wij in 1 Tim. 4: 14 hebben gelezen, dat die hem onder handoplegging van de opzieners van de gemeente gegeven is. Daar werd hij gedwongen die niet ongebruikt te laten, omdat hij daardoor het vertrouwen, dat de opzieners van de gemeente van zijn woonplaats hem hadden geschonken en hun verwachtingen zou teleurstellen; daarom wordt daar gesproken van hun handoplegging. Als daarentegen hier de apostel aan die van hem zelf denkt, dan houdt hij hem voor, dat hij aan hem, wiens handoplegging voor hem de toedeling van zulke gaven heeft teweeg gebracht (Hand. 8: 17), verplicht was die te gebruiken en dus, als hij ze door nalatigheid in het aanwenden heeft laten inslapen, ze tot nieuw leven weer op te wekken. De gave, die hij had ontvangen en waarvan de apostel zegt, dat die in hem woonde, was zijn bekwaamheid tot de door hem ontvangen roeping, namelijk om het Evangelie te verkondigen; de bekwaamheid zelf verflauwt en verzwakt, als ijver nalaat ze te gebruiken.
Hier geldt het woord van de Heere (MATTHEUS. 13: 12): die heeft die zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, van die zal genomen worden ook dat hij heeft. De middelen, waardoor het opwekken van de toevertrouwde gave plaats heeft, zijn hoofdzakelijk drieërlei: het gebed, welks adem het glimmend vuur steeds helderder doet branden, het lezen van het Woord, waardoor de Geest tot ons spreekt en in ons wordt opgewekt en de gemeenschap van de heiligen, waardoor het individuele leven voor ziekelijke toestanden en voor afsterven wordt bewaard.
Met het woord van vs. 7 wijst Paulus aan, hoe de aard van het ware gehoor eist, dat Timotheus de ambtsijver mocht vernieuwen en de verkregen genade weer mocht aanwakkeren. Uit het karakter van de Christen wijst hij de dienaar van het Evangelie zijn plicht aan; hij zou in Timotheus niet meer de ware Christen erkennen, hield hij op een dienaar van het Evangelie getrouw in zijn roeping te zijn.
De goddelijke Geest, de Christen verleend, is niet een geest van vreesachtigheid. d. i. van versaagdheid in de strijd voor het rijk van God, maar van de kracht, niet alleen tot het standhouden tegenover de aanvallen van de wereld, maar ook om de wereld steeds meer te overwinnen; vervolgens ook van de liefde, die hem bij de strijd nooit het doel, namelijk het heil van de broeders, uit het oog laat verliezen, maar hem dringt met alle zelfverloochening voor hen werkzaam te zijn, zonder offers te ontzien; en eindelijk van de gematigdheid of van de bestraffing, die hem dringt bij de misslagen van anderen niet werkeloos te blijven, maar hen te bestraffen, opdat zij daarvan zich onthouden.
Men kan het woord “bestraffing”, “tucht” ook verklaren als ziende op de persoon zelf, zoals Luther schrijft: “het woordje tucht, dat Paulus veel gebruikt, betekent wat wij zeggen: zich matig, rein, verstandig gedragen. ” De kracht maakt mannelijk en sterk, de liefde teder en zorgvuldig, de tucht ootmoedig en bescheiden. De Geest van de kracht heeft in de dienst van God tot belijdenis van de waarheid vooral zijn werk, de liefde laat zich gelegen liggen aan de naaste en de tucht bewaart voor de eigen geest en voor alles wat te veel is, op verkeerde paden leidt en het eigen ik zoekt. Die vertrouwend op de ontvangen kracht, de liefde, de ootmoed, de tucht zou willen vergeten, die zou een dweper kunnen worden. Die altijd maar sprak van liefde, gematigdheid, verstandigheid en daarbij de Geest van de kracht uitdoofde, zou kunnen worden tot een in Jezus’ mond ondraaglijke lauwe. God geeft en wil niet onbezonnenheid, maar een kracht, die onder de tucht staat; geen flauwhartige liefde, maar een, die met betoning van de Geest de verbetering van de naaste zoekt, een Geest, die bij de tucht zelf zich niet verloochent.
De apostel was beducht dat Timotheus in verzoeking komen zou, om de buitengewone gaven, waarmee hij verwaardigd was, te verzuimen; niet uit een vleselijke traagheid, maar uit vreesachtigheid, hetzij wegens zijn jonkheid, hetzij wegens de zorgelijke omstandigheden, waarin hij verkeerde, omdat hij niet alleen aan velerlei vervolgingen, maar ook aan de verleiding van valse leraren was blootgesteld. Paulus herinnert hem daarom de hoedanigheden en uitwerkselen van de buitengewone gaven, die hij hem met oplegging van de handen had meegedeeld. Hij sluit er zichzelf mee in, zeggende: God heeft ons gegeven enz., om Timotheus van het te meer op te wekken, tot datgene, waartoe hij zichzelf evenzeer verplicht rekende. De Geest, wiens buitengewone gave Paulus en Timotheus beiden bij hun roeping, de een tot een apostel en de ander tot een Evangelist, ontvangen hadden, was geen geest van vreesachtigheid, die hun harten met angst in schrik vervullen zou, zodat zij tegen alle zwarigheden moedeloos opzagen, maar een geest van kracht en van de dapperheid, die hun zulke heldenmoed inboezemde, dat zij bewust van hun plicht en van hun roeping en vertrouwend op de bijstand van hun goddelijke Zender, alle zwarigheden rustig overstapten en door alle hindernissen heen braken. Daarenboven was deze geest een geest van de liefde en van de gematigdheid. De liefde en gematigdheid worden hier door het woord “maar” tegen de vreesachtigheid overgesteld. Door de liefde hebben wij daarom te denken aan die blakende liefde tot God en mensen, die alle vrees verbant en door de gematigdheid, die gemoedsgesteldheid waardoor men alle vrees, in vertrouwen op de goddelijke bijstand, in de zorgelijkste omstandigheden geheel verbant, zodat men zijn hart geruststelt en zijn gemoed in een effenbare gestalte houdt. Anders kan men het zo begrijpen, dat de apostel, om te voorkomen dat Timotheus hem zo niet begreep, alsof hij door de geest van de kracht zo’n geest bedoelde, die in alles stoutmoedig en onbesuisd te werk gaat, zonder acht te geven op hetgeen de liefde tot God en mensen vorderen, zijn mening nader verklaren, dat hij namelijk door de geest van de kracht zo’n geest verstaat, die wel kloekmoedig te werk gaat, maar deze kloekmoedigheid tevens door een vurige liefde tot God en de naaste bestuurt, in alles geregeld en bedaard te werk gaande, overeenkomstig de wet van de liefde, en naar personen, tijden, plaatsen en zaken. Had nu Timotheus zo’n geest van kracht ontvangen, dan moest hij zich zowel als de apostel zelf verplicht rekenen om de buitengewone gave, die God hem geschonken had, door vreesachtigheid niet te verdoven, maar die door hervatte moed op te wekken en met liefde en gematigdheid ten nutte van de gemeente, getrouw en kloekmoedig aan te leggen.
I. Vs. 8KruisverwijzingenMarkus 8:38→2 Timotheüs 4:5→2 Timotheüs 2:9→Efeze 3:1→Romeinen 1:16→Openbaring 12:11→2 Timotheüs 1:12→2 Timotheüs 1:16→
— Schaam u dan niet der getuigenis onzes Heeren, noch mijns, die Zijn gevangene ben; maar lijd verdrukkingen met het Evangelie, naar de kracht Gods;
-Hoofdstuk 4:8. Het sluit zich onmiddellijk aan de woorden in vs. 7 aan: “Want God heeft ons niet gegeven een geest van de vreesachtigheid, maar van de kracht en van de liefde en van gematigdheid. ” Het heeft ten doel Timotheus te versterken, opdat hij de gave opwekt, die in hem is (vs. 6). Wat dus in de bovenstaande inleidingsverzen pas op de tweede plaats als het doel van de apostel bij het schrijven van de brief werd genoemd, komt hier op de eerste plaats, want het maakt de hoofdstrekking uit, waarbij de tweede, Timotheus tot een snelle reis naar Rome te dringen, als een persoonlijk belang met recht achterstaat Php 4: 10.
A. Vs. 8-18. “God heeft ons niet gegeven een geest van vreesachtigheid. ” Op grond van dit woord, dat hij vroeger heeft uitgesproken, vermaant Paulus Timotheus in de eerste plaats, zich niet voor de getuigenis van Jezus Christus, noch voor de gebondene van de Heere, de gevangen apostel te schamen. Hij moet de geest van vreesachtigheid of beschaamdheid, die over hem gekomen is en die een Christen niet past, van zich verdrijven en daarentegen naar het voorbeeld van deze gebonden verdrukkingen lijden met het Evangelie (vs. 8). Hij kan dat in de kracht van God en is ook verplicht dat te doen uit dankbaarheid jegens die God, die ook hem zalig gemaakt heeft en met een heilige roeping tot Zijn rijk geroepen heeft zonder enige verdienste of waardigheid van zijn kant, maar alleen naar Zijn eeuwig voornemen en naar de genade, waarmee Hij hem verkoren heeft vóór de grondlegging van de wereld en heeft vervolgens in de volheid van de tijden deze genade openbaar doen worden in de zaligheid door Christus teweeg gebracht (vs. 9 en 10). Geschiedt nu de openbaring van de zaligmakende genade door het Evangelie, waarvoor toch niemand zich zal schamen, die de genade aan zichzelf ervaren heeft en is Paulus, die tot prediker daarvan gesteld is, in zijn roeping, die vooral de heidenwereld aangaat, een gevangene, dan zal Timotheus toch ook zich voor de gevangen apostel niet meer schamen. Hij zal zich dan aansluiten aan het voorbeeld van hem, die het zich niet schaamt, als hij om het Evangelie moet lijden. Hij moet echter niet slechts in het algemeen zich verstouten, maar in het bijzonder vasthouden aan de leer, die hem
door de apostel is overgeleverd; deze moet hij met alle beslistheid vasthouden in een streek, waar zo vele anderen, zoals hij zelf weet, de apostel de rug hebben toegekeerd (vs. 13-15). Tegenover dit voorbeeld van ontrouw staat een exempel van bijzondere getrouwheid in een anderen Efeziër, Onesiforus; Timotheus zal er goed aan doen, als hij dit voorbeeld navolgt (vs. 16-18).
God heeft ons niet gegeven de geest van de vreesachtigheid, die teweegbrengt, dat wij ons makkelijk schamen voor hetgeen wij ons de hoogste eer moesten rekenen. Schaam u dan niet voor de getuigenis van onze Heere en ZijnEvangelie (Rom. 1: 16. 1 Kor. 1: 6 Ro 1. 16 1Co Hand. 4: 33), noch voor mij, a) die Zijn gevangene ben (Fil. 1: 9 Efeze 3: 13); maar lijd verdrukkingen (Sir. 2: 2 met het Evangelie (Fil. 1: 27), zoals ik daarmee lijdt (vs. 12; 2: 9), naar de kracht van God, die sterk is in de zwakken (2 Kor. 12: 9 en “Eph 3: 16).
Hand. 21: 33 Efeze. 3: 1; 4: 1 Kol. 4: 18
In vs. 7 zei de apostel dat de Geest, de Christen gegeven, geen geest van vreesachtigheid of lafhartigheid was. Daarmee gaf hij te kennen, dat hij de oorzaak, waarom voor Timotheus die herinnering nodig was, om de bijzondere genadegave van God, die in hen woonde, weer tot een nieuwe levendigheid op te wekken (vs. 6), in een moedeloosheid zocht, die hem overvallen was. Dienovereenkomstig luidt dan ook de vermaning, die hem op grond daarvan moet worden toegevoegd. Hij moet zich van de getuigenis van de Heere Jezus en Paulus, zijn gevangene, niet schamen, d. i. zich niet tot beide in zodanige verhouding plaatsen, dat hij niets met hen te doen wil hebben, omdat hij oneer van hun gemeenschap vreest maar hij moet lijden met het Evangelie, evenals Paulus, hij moet gewillig zijn, om de boodschap van de zaligheid met de apostel verdrukkingen te dragen en hij moet dat doen naar de maat van de goddelijke kracht, die hem niet zal ontbreken.
Het is zeer mogelijk, dat men zich voor de zaak van de Heere schaamt, vooral in zachtere Melanchtons-naturen, zoals ook Timotheus zo iemand schijnt geweest te zijn, naturen, die meer gewijd zijn tot geduldig lijden dan tot moedig strijden voor de waarheid.
De apostel zegt niet: “vrees niet, verschrik niet”, maar “schaam u niet”, omdat er geen gevaar meer is, als men zich voor een zaak niet meer schaamt, want als men zich schaamt wordt men neergedrukt.
Paulus wil zeggen: “als het van u geëist wordt, dat ook u iets moet lijden omwille van het Evangelie, lijd het dan geduldig, met een blij en onbevreesd gemoed, naar mijn voorbeeld. “
Die de handen op zich laat leggen tot het predikambt, laat die ook aan zich leggen tot gevangenschap, als God het zo beschikt.
a) Die ons heeft zalig gemaakt door het werk van de verlossing, dat ons Christenen ten goede komt, die Hij ten eeuwige leven verordineerd heeft (Hand. 13: 48 Rom. 8: 28 vv.) en geroepen met een heilige roeping, om ons van de wereld af te zonderen en tot gemeenschap met Hem te leiden. Die zegen is niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade (Tit. 3: 4 v. Efeze 2: 4 vv.), die als een in Zijn raadsbesluit nog verborgen ons gegeven is in Christus Jezus voor de tijden van de eeuwen (Tit. 1: 2 Efeze 3: 11. 1 Kor. 2: 7).
Efeze. 1: 3 Tit. 3: 4, 5, 6
De apostel gebruikt hier de verleden tijd en zegt: Die ons heeft zalig gemaakt. Gelovigen in Christus zijn behouden. Zij worden niet beschouwd als mensen, die in een hoopvolle toestand verkeren en daaruit eindelijk behouden kunnen worden, maar zij zijn reeds geheiligd. De zaligheid is geen zegen, die pas op het sterfbed wordt genoten en bezongen wordt in de staat van de toekomstige gelukzaligheid, maar een zaak, die nu reeds kan worden verkregen, ontvangen en genoten. De Christen is volkomen behouden in Gods voornemen. God heeft hem tot de zaligheid verordend en Zijn voornemen is onwankelbaar. Hij is behouden, want ook de prijs werd voor hem betaald: “het is volbracht”, was de uitroep van de Heiland vóór Zijn sterven. De gelovige is ook volkomen behouden in Zijn Verbondshoofd, immers zoals hij in Adam stierf, wordt hij in Christus weer levend gemaakt. Deze volkomen zaligheid gaat gepaard met een heilige roeping. Zij, die de Heiland aan het kruis verloste, worden ter bekwamer tijd verlost van hun zonden, zij trachten aan Christus gelijkvormig te worden; zij kiezen de heiligheid, niet uit nooddwang, maar door de drang van de nieuwe natuur, die hen ertoe leidt om zich even natuurlijk in heiligheid te verblijden, als zij van te voren zich verheugden in de zonde. God riep en verkoos hen niet, omdat zij heilig waren, maar opdat zij heilig zouden zijn; de heerlijkheid is de schoonheid, in hen gewrocht door Zijn werk in hen. De uitnemende eigenschappen, die wij in de gelovige opmerken, zijn evenzeer het werk van God, als de verzoening zelf. Aldus komt op liefelijke manier de volheid van de genade van God aan het licht. De zaligheid moet uit genade zijn, omdat de Heere daarvan de bewerker is en wat anders dan genade kon Hem hebben bewogen, om de schuldige te behouden? De zaligheid moet uit genade zijn, want de Heere werkt altijd op zo’n manier, dat onze gerechtigheid voor eeuwig buitengesloten wordt. Dit is het erfdeel van de gelovige: een zaligheid die aanwezig is; dit het bewijs, dat hij ertoe geroepen is: een heilig leven.
Naar zijn eigen voornemen en genade. Men kan beide deze woorden, volgens de spreektrant van de Hebreeuwen, zo opvatten, als of er stond, naar zijn eigen genadig voornemen: of die zo onderscheiden, dat het eerste de bepaling van Gods wil aanduidt, om de Zijnen langs de weg van roeping te zaligen en het ander de bron aanwijzen, waaruit die bepaling van Gods wil is voortgevloeid: namelijk Gods vrijmachtige en onbegrijpelijke genade, of, wil men liever, het zalig uitwerksel van dat vrijmachtig voornemen. Het komt in het wezen van de zaak op hetzelfde neer. Zegt nu de apostel, God heeft ons zalig gemaakt en geroepen, naar Zijn eigen voornemen en genade, het geeft te kennen, dat God in het zalig maken en roepen beiden van Paulus en Timotheus alleen te werk was gegaan naar Zijn genadig en vrijmachtig voornemen. Maar wat zegt het woord eigen? Naar Zijn eigen voornemen en genade. De apostel wil daardoor het vrijmachtige en onafhankelijke van dat genadig voornemen des te meer aantonen en leren dat God nergens anders door, dan alleen door de vrijmachtige en onafhankelijke bepaling van Zijn wil, zonder iets in Paulus en Timotheus vooraf in aanmerking te nemen, bewogen is om hen te roepen en aanvankelijk te zaligen. De apostel oordeelde het nodig om het vrijmachtige van dit genadige voornemen nog nader aan te tonen, zoals God deze ongebonden genade in de eeuwigheid bestemd en in de tijd op de luisterrijke wijze geopenbaard had, zeggende, die genade is ons gegeven in Christus Jezus vóór de tijden van de eeuwen. Paulus verklaart dat die genade, die de bron is van het Goddelijk voornemen en tegelijk van de roeping tot zaligheid, naar dat voornemen, aan hem en Timotheus gelijk aan alle gelovigen van het Nieuwe Testament, gegeven, dat is, bestemd en toegedacht was in Christus Jezus, voor zover God namelijk behoudens Zijn volmaaktheden, de zaligheid aan de Zijnen niet anders kon bestemmen en toedenken, dan met verordening van Zijn eigen Zoon tot Borg en Middelaar, om Zijn volmaaktheden, die door de zonde verloochend waren, volkomen op te luisteren. Dit geven en bestemmen van deze genade in Christus Jezus was geschied vóór de tijden van de eeuwen, dat is van eeuwigheid vóór de grondlegging van de wereld. Te weten, ofschoon de deelgenoten van deze genade toen nog geen bestaan hadden, zijn zij evenwel aan het Goddelijk verstand, dat het toekomstige, zowel als het verleden en tegenwoordige tegelijk beschouwt, als reeds aanwezig voorgekomen. In dit opzicht kan er van hen gezegd worden, dat hun deze genade, schoon toen niet aanwezig, echter in Christus Jezus, uit kracht van die bestemming voor de tijden van de eeuwen af van eeuwigheid gegeven is.
a) Maar nu in de volheid van de tijden (Gal. 4: 4 Efeze 1: 10) geopenbaard is door de verschijning van onze Zaligmaker Jezus Christus in het vlees. Deze is het, die door Zijn sterven en Zijn opstanding de dood teniet heeft gedaan, hem zijn macht en heerschappij heeft ontnomen en zelfs tot gehele opheffing in latere tijd heeft gebracht (Hebr. 2: 14. 1 Kor. 15: 26 Hos. 13: 14) en daarentegen door Zijn opstanding en hemelvaart het leven, dat geen dood kent en de onverderfelijkheid, die de dood achter zich heeft, aan het licht gebracht, tot een onderwerp van helder erkennen en gelovig aannemen gemaakt heeft door het Evangelie, waarin het wordt verkondigd (1 Tim. 2: 6 Tit. 1: 3).
Rom. 16: 25 Kol. 1: 26. 1 Petrus 1: 20
Opdat Timotheus nog meer zou worden opgewekt tot een moedig volharden in zijn roeping, herinnert Paulus hem aan de oneindige rijkdom van de weldaden, waartoe persoonlijk genot hij door hetzelfde Evangelie was gekomen, waarvoor hij zich niet moest schamen, maar waarmee hij lijden moest.
Dat Timotheus zich geheel van alle ambtelijke werkzaamheden zou hebben teruggetrokken, blijkt geenszins uit de brief, integendeel, hij moet zijn plaats in Efeze nog hebben ingenomen en zijn ambt hebben waargenomen. Er ontbrak echter veel aan, dat hij met de autoriteit en de overgave van een plaatsbekleder van de apostel arbeidde. Hij beperkte zich voornamelijk tot de betoning van zijn subjectieve vroomheid, plaatste het ambtelijk werk achteraan, bracht zijn tijd door met het zorgen voor tijdelijk voedsel (Hoofdstuk 2: 3 vv.), begaf zich met de vreemde leraars tot wetenschappelijke vragen en moeilijkheden (Hoofdstuk 2: 8, 16, 23), had de moed niet de gemeente van dwaalleraars te reinigen (Hoofdstuk 2: 17 vv.) en predikte de hoofdleer van het apostolisch Christendom niet met volle beslistheid (Hoofdstuk 2: 8), om geen grote moeilijkheden teweeg te brengen.
Onder zulke omstandigheden herinnert de apostel hem, wat hij aan het Evangelie te danken heeft en dus daaraan ook verschuldigd is en hoe zou hij zijn plicht jegens dat Evangelie verzuimen uit vrees voor aards tijdelijk lijden, als hem daardoor het leven en de onvergankelijkheid in het helderst licht is geplaatst, waarin hij dat als onmiskenbare werkelijkheid voor zich ziet? Wat hem reeds het opschrift (vs. 1) op het gemoed kon binden, als Paulus zich een apostel in Christus Jezus noemde, daaraan wordt hij hier herinnerd, opdat hij zich de getuigenis van Jezus niet mocht schamen, noch moedeloos terugschrikken voor het lijden, dat zijn roeping als getuige van Christus meebracht.
God heeft ons zalig gemaakt en met een heilige roeping geroepen op geheel onverdiende wijze. Hoe minder er nu van onze zijde verdienste is, des te meer aanleiding is er tot die dankbare wederliefde, die zich ook te midden van lijden betoont. De grond van onze roeping is alleen Gods voornemen. Deze openbaart zich, wordt zichtbaar in de genade en deze is ons gegeven in Christus Jezus d. i. in of met zijn hele persoon en zij is ons gegeven vóór de tijd van de wereld. Met zo’n geven is niet het concrete, reële geven gemeend, maar het abstracte, ideale, zodat het eigenlijk een bestemmen, een toekennen betekent; door het raadsbesluit van God, dat eeuwig is, is ons de genade van eeuwigheid bestemd, toegekend (Efez. 1: 4 vv.). Maar daarom, omdat zij ons buiten de tijd was gegeven, moest zij in de tijd geopenbaard worden en hoe dit geschied is, zegt de apostel verder in het tiende vers. De verschijning van Jezus Christus is hier niet, zoals in 1 Tim. 6: 14 Zijn terugkomt op het einde van de tijden, maar Zijn gehele aardse verschijning in de volheid van de tijd. Wat Hij gedaan heeft is aan de ene kant, dat Hij de dood teniet heeft gedaan en aan de andere kant, dat Hij leven en onverderfelijkheid aan het licht heeft gebracht. Als nu Paulus nog de bijvoeging geeft “door het Evangelie” dan heeft hij reeds de gedachte bij zich, die hij vervolgens in vs. 11 uitspreekt.
De grond van onze zaligheid lag reeds vóór de tijd van de wereld, zoals die ook onbeweeglijk staat, als aarde en hemel ten ondergaan. De zaligheid kwam dan als teweeg gebracht voor God door de verschijning van Christus; maar tot onze kennis en ons genieten komt zij eerst door het Evangelie. En voor dit woord van de verzoening een ambt op te richten of een prediker te stellen, is ook een belangrijk deel van Gods voornemen en genade.
Deze ongehouden genade, die God van eeuwigheid bestemd had, heeft Hij in de tijd op luisterrijke manier geopenbaard en wel door de verschijning van onze Zaligmaker Jezus Christus. Die genade is geopenbaard, dat is: allerluisterrijkst vertoond, nadat zij van de tijden van de eeuwen in het Goddelijk voornemen was besloten en als verborgen geweest. Deze openbaring van de genade, die van eeuwigheid in het Goddelijk voornemen als opgesloten was geweest, is geschied door de verschijning van onze Zaligmaker Jezus Christus in het vlees. Die verschijning had tot een voornaam oogmerk: de gemelde genade van Paulus en Timotheus tot hun zaligheid of de allerluisterrijkste wijs te openbaren en te verheerlijken. Maar wat had de Zaligmaker Jezus Christus bij zijn verschijning in het vlees gedaan, om Paulus en Timotheus dadelijk deelgenoten te maken van de hun toegedachte genade? Dit verklaart de apostel nader, wanneer hij er bijvoegt: Die de dood heeft teniet gedaan en het leven en de onsterfelijkheid aan het licht gebracht heeft, door het Evangelie. Hij heeft de dood teniet gedaan. Paulus en Timotheus lagen, zoals alle mensen van natuur, onder het geweld van de dood. Daarom, zouden zij zalig kunnen worden, moest eerst ten hun opzichte dit geweld van de dood vernietigd worden. Dit was boven het kunnen van enig eindig schepsel. Deze eer was bewaard voor onze Zaligmaker Christus Jezus. Hij heeft de dood teniet gedaan door Zijn borgtochtelijke gehoorzaamheid, waardoor Hij de dood het recht, dat hij had, ontnomen heeft, uit kracht van de goddelijke rechtvaardigheid en van de bedreiging op de eerste overtreding gedaan, om over de zondaar te heersen, maar voornamelijk door Zijn opstanding, wanneer Hij over de dood volkomen heeft gezegepraald. Het leven en de onsterfelijkheid is het onsterfelijk leven in de gewesten van de zaligheid. Dit onsterfelijk leven, dat van te voren als in het duistere lag, heeft de gezegende Zaligmaker als in het licht voortgebracht door de prediking van het Evangelie, zowel in persoon gedurende Zijn omwandeling door het Joodse land als na Zijn verhoging door Zijn gezanten. Het onsterfelijk leven lag voorheen in het duister, hoewel God het zelf, door de algemene openbaring, die Hij in Adam aan het hele menselijk geslacht gegeven en in Noach na de vloed herhaald heeft, duidelijk genoeg bekend had gemaakt. Maar de heidenen hadden het licht schromelijk verduisterd, de overblijfselen van deze oorspronkelijke openbaring waren door afgoderij en bijgeloof van tijd tot tijd al meer en meer verloren gegaan, zodat de schranderste wijsgeren over een toekomend leven van de mensen geheel in twijfel stonden en de leer van de opstanding van de doden was hun ten slotte geheel onbekend. Onder de Joden, die met een nadere openbaring verwaardigd waren, werd de leer van een toekomend leven of van de opstanding van de doden, door de Sadduceeën ronduit ontkend en de Farizeeën schijnen niet vreemd geweest te zijn van het geloof van de zielsverhuizing. Maar de goddelijke Verlosser heeft het leven en de onsterfelijkheid weer aan het licht gebracht, voor zoverre Hij deze aangelegen waarheden door het Evangelie allerwegen en allerduidelijkst bekend heeft gemaakt. Had nu God zo’n onschatbare weldaad aan Paulus en Timotheus bewezen, dat Hij hen op de gezegde manier zalig maakte, in onderscheiding van zo vele anderen, die nog lagen onder het geweld van de dood en nog niet bestraald waren met het licht van het Evangelie en de openbaring van het leven en de onsterfelijkheid, dan moesten zij ook daaruit hun onberekenbare verplichting aan de Zaligmaker afleiden en de overweging daarvan moest Timotheus in het bijzonder opwekken, om zich niet te schamen over het Evangelie, dat zulke aangelegen waarheden aan het licht bracht en door middel waarvan hij zo’n grote genade verkregen had.
Men kan niet ontkennen, dat de heidenen door overlevering en het licht van de natuur enige hoop hadden op een toekomend geluk, wanneer dit leven geëindigd zou zijn; want dat was volstrekt noodzakelijk, zegt de apostel, om tot God te komen of Hem enige behagelijke dienst te bewijzen; want die tot God komt moet geloven, dat Hij is en een beloner is van hen, die Hem zoeken (Hebr. 11: 6). Maar die hoop was echter gering en zwak in hen en nauwelijks geloofd door hun filosofen. Bij Cicero wordt ze genoemd een vermoeden van toekomende eeuwen. Het is Seneka iets, dat onze wijze mannen beloven, zonder het te bewijzen. Socrates spreekt bij zijn dood aldus: Ik hoop te gaan naar vrome mannen, maar ik ben daar niet zeker van en het betaamt geen wijs man vast te stellen, dat het zo zijn zal. Ik, zegt hij verder, moet nu sterven en jullie zullen nu blijven leven, maar wie in de beste staat is, de levende of de dode, weet God alleen. Zowel hij als Cebes bekennen rondweg, dat die dingen aangaande de ziel niet geloofd werden door het grootste gedeelte van het mensdom. Aristoteles achtte daarom de dood voor het allerverschrikkelijkste, als een eind makende aan alle dingen, omdat na de dood iemand noch goed noch kwaad overkomt. Ja, zegt hij, het is ongerijmd te zeggen, dat iemand gelukkig kan zijn na zijn dood, omdat de gelukzaligheid in werking bestaat. Hierom rekent Atticus hem onder degenen, die staande hielden dat de zielen niet overbleven na de lichamen. Origenes zegt dat hij de leer van de onsterfelijkheid van de ziel veroordeelde. De dichters Sophocles, Euripides, Astydamas komen hierin overeen, dat de doden geen smart of leed voelen. Lipsius bekent, dat dit stuk onder de stoïcijnen betwist en niet met eenparige toestemming onder hen aangenomen werd en die hen leest zal hen steeds vinden met hun: als enz., niet wetende of er iets na de dood zou zijn of niet, zoals Socrates in Phaedo spreekt: of zielen vernietigd worden dan wel alleen van plaats verwisselen, of zij in een staat van gevoel of gevoelloosheid zijn, of de ziel en het lichaam tezamen vernietigd waren dan niet, zoals Cicero, Seneka en anderen, of elders afgezonderd blijven, gestadig zijnde tussen een staat van vernietiging of overgang, een diepe slaap, een lange reis of een volslagen ontslaping (alles onbepaald latend). Caesar verklaart dat de dood een einde maakt aan al onze kwalen en pijnigingen, als geen plaats latend voor blijdschap of vrees en Plinius, dat de ziel en het lichaam geen meer gevoel hebben na de dood, dan vóór de geboorte. Cicero begint zijn redenering over dit onderwerp met een bekentenis, dat hij niet voornam iets te zeggen, dat vast en zeker was, maar alleen waarschijnlijk, en enige gelijkheid naar waarheid had. En de verschillende gevoelens van de filosofen daarover opgeteld hebbende, besluit hij dus: welk van deze gevoelens waarachtig is, moest ons een van de goden zeggen; wat de waarheid nabij komt, wordt zeer betwist. En als hij zoveel bewijs gegeven heeft als hij kan aangaande de onsterfelijkheid van de ziel, belijdt hij openhartig dat dit voelen tegengesproken werd, niet alleen van de gehele troepen van de gezindheid van Epicurus, maar ook van zeer vele geleerden van andere gezindheden. Plutarchus zegt, dat men om de mensen te beteugelen tegen een kwade levenswijze, door vrees hen moet houden onder het bijgeloof van de schrik van de hel en dat men degenen, die deze vrees hebben afgeschud, moet voorstellen de fabelachtige hoop van onsterfelijkheid. Dit, zegt hij verder, is een groot voordeel van de filosofie, dat zij heeft geleerd de dood, die anderen vrezen, als niets voor ons te achten, zodat de filosofen zelf zagen, wat een kwade uitlegging de ontkenning van of de twijfel aan deze dingen op het gedrag van de mensen moest hebben, namelijk: 1. De mensen zeer te stijven om in een kwaad leven voort te gaan, want als de dood, zegt Socrates, een eind aan alles maakt of van alle kwaad bevrijdt, dit zal een aangename tijding zijn voor de goddelozen. 2. De mensen af te trekken van een vroom en deugdzaam leven, als al hun hoop van gelukzaligheid wegnemend; want zoals Dionysius Halikarnassus terecht aanmerkt, als de ziel van haar lichaam afgescheiden vernietigd wordt, is het niet gemakkelijk te begrijpen dat vrome mensen gelukkig konden zijn, die hier vaak geen voordeel uit de deugd behalen, maar menigmaal daardoor omkomen. 3. Het geduld en de standvastigheid in de deugd weg te nemen en de aankleving aan trouw en billijkheid, wanneer men daarom lijden moet in deze wereld; want het is met waarheid gezegd door Cicero, dat het niet mogelijk is voor iemand die achting te hebben voor trouw en billijkheid, van verschrikkelijke pijnigingen te ondergaan, om de volharding daarin, tenzij hij verzekerd zij, dat de dingen, die hij toegestemd heeft, niet vals konden zijn. Na al deze onzekerheid was het onze deïsten nog wel te raden het besluit van Plato, uit zijn gesprek aangaande dit onderwerp, goed te bedenken, namelijk, dat schoon niemand van de wijzen hierin iets zekers kon stellen, het hem nochtans betaamde zijn best te doen om deugd en wijsheid te verkrijgen, omdat de hoop groot en de prijs uitmuntend was en waardig een proef daarop te doen, schoon met onzekerheid aangaande de uitkomst, of wij ze geloofden, want het is, zegt hij, een edele proef en wij behoren deze dingen in ons verstand ingedrukt te houden. Van de onsterfelijkheid, die het lichaam zal deelachtig worden, geloofden of wisten de heidenen niets. Zij lachten ermee en merkten ze aan als onmogelijk en God onwaardig en zonder enig overtuigelijk voorbeeld, dat zij zou kunnen geschieden. Hieruit zien wij de noodzakelijkheid dat het leven en de onsterfelijkheid aan het licht gebracht werd door het Evangelie en welke onophoudelijke dankzegging wij verschuldigd zijn aan de gezegende Jezus, die door Zijn dood niet alleen de vrees en de prikkel, maar ook het aanzijn van de dood heeft weggenomen en ons een gelukzalige onsterfelijkheid heeft aangebracht, niet alleen naar de ziel, maar ook naar het lichaam.
Zo die ik het Evangelie door het te verkondigen en tot de wereld te brengen, inzonderheid tot hen, die nog gezeten zijn in duisternis en schaduwen van de dood Jes. 9: 2 Luk. 1: 79), a) waartoe ik gesteld ben een prediker en een apostel en een leraar van de heidenen (1 Tim. 2: 7).
Hand. 9: 15; 13: 2; 22: 21
Ik bedien dat ambt in alle getrouwheid, om welke oorzaak ik ook deze dingen, die ik hier te Rome in mijn banden te dragen heb, lijdt, omdat ik niet alleen een gevangene van Christus Jezus, maar in het bijzonder voor de heidenen ben (Efeze 3: 1 en 13). Ik word echter niet beschaamd, als ik zo lijdt, maar ik roem integendeel en verheug mij daarin (Rom. 5: 3 Kol. 1: 24), want ik weet, wie ik geloofd heb, namelijk God en op wie ik al mijn vertrouwen stel (1 Tim. 4: 10 Hand. 27: 25) en ik ben verzekerd, dat Hij tegenover alle vijandige machten, die mij dat onttrekken willen, machtig is mijn pand, dat Hij mij als toekomstige bezitting heeft toegedacht, namelijk de kroon van de rechtvaardigheid (Hoofdstuk 4: 8), het pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot die dag, de dag van Christus (Fil. 1: 10. 2 Thessalonicenzen. 1: 10, wanneer het mij zal worden toegedeeld.
Timotheus moest zich niet alleen niet voor de getuigenis van Jezus schamen, maar ook niet voor de apostel in zijn gevangenis (vs. 8). Nadat nu het bevestigen van die eerste vermaning in vs. 9 en 10 is geëindigd in het “door het Evangelie”, gaat de rede voort met de stelling, reeds in de eerste brief gevonden, om ook de tweede aanmaning te bevestigen. Paulus is ertoe geroepen om het Evangelie te verkondigen, in de wereld uit te gaan, om het daar te brengen en vooral om de heidenen te onderwijzen: hoe zou Timotheus zich dan schamen voor hem, die God daartoe heeft verordend? Hij moest zich dan ook voor het Evangelie schamen. Of hoe zou hij zich van zijn schamen om hetgeen hij te lijden had! De apostel schaamt zichzelf er niet voor.
Tot volhardend geduld is er voor iemand veel aan gelegen dat de oorzaak van zijn lijden voor hem in het juiste licht wordt gesteld. Men zie, hoe in Joh. 15: 22 en 16: 3 de Heiland Zijn discipelen hierin te hulp is gekomen. De wereld, vaak ook onze vrienden, zouden evenals die van Job, geheel andere opschriften boven iemands kruis willen plaatsen. Zelfs het eigen hart wil soms opdringen, dat men het zichzelf heeft opgelegd, dat men op deze of andere wijze het zou hebben kunnen ontwijken. Maar de Geest van Christus leert altijd weer het eigenlijke “waarom. ” Onder de toedichting van andere onheilige oorzaken zou men iemand ertoe brengen, dat hij zich voor het lijden van Christus schaamde, zich in de vleselijke wegen van aardsgezinde mensen terugtrok, die alles zo weten in te richten, dat zij van het kruis van Christus verschoond blijven en dan zit het vaak diep en werkt het snel wat iemand tot zo’n afmattend schamen voor het lijden van Christus wil verleiden. Daarom moet ook datgene, wat dit kan uitdrijven van zo’n doordringende kracht zijn als de verzekering is, die Paulus geeft: “ik weet in wie ik geloof.”
Ten gevolgen daarvan, zegt hij verder, ben ik, nadat ik reeds menig bericht van Zijn krachtige hulp ondervonden heb (Hoofdstuk 4: 16 v.), zeker, dat Hij machtig is mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot die dag; ” onder “mijn pand” kan men verstaan het leven en de onvergankelijkheid, waarvan in vs. 10 sprake was en dan zegt de apostel als in Hoofdstuk 4: 8 dat de kroon van de rechtvaardigheid voor hem gereed ligt en daarmee heeft hij duidelijk uitgesproken wat hij hier bedoelt.
Brand, door en oorlog neemt alles weg. Wat betekent het? Het beste is verzekerd! Het is daarboven in de hemel en daar is het goed bewaard.
Volgens de Roomse wet was de pandbewaarder aansprakelijk wegens zijn zorgen en getrouwheid in het bewaren van een onderpand. Maar als het hem door geweld ontnomen was, werd hij niet schuldig geoordeeld. Paulus schijnt op beiden het oog te hebben. Hij spreekt vooraf van de getrouwheid van God en zegt: ik weet wie ik vertrouwd heb en dan laat hij erop volgen, dat geen macht of geweld het van hem kon nemen. Want Hij was machtig, zijn pand bij Hem weggelegd te bewaren tot die dag.
Weten en geloven, niet zelden worden die twee woorden in het dagelijks leven lijnrecht tegenover elkaar gesteld. Men zegt datgene te geloven, wat men volstrekt nog niet weet en daarentegen datgene te weten, wat men niet meer hoeft te geloven. In hoeverre die tegenstelling op zichzelf juist is, mag hier worden daargelaten, maar dat zij zeker niet in de geest van het Evangelie en allerminst in die van Paulus mag heten, het woord van de tekst wijst het uit. In het gemoedsleven van de grote apostel-martelaar althans staat het ene niet onverzoenlijk tegenover het ander; hij weet met duidelijke bewustheid, niet slechts dat, maar ook in wie hij geloofd heeft. Hij kent Hem, de verheerlijkte Zaligmaker voor zichzelf in Zijn onmisbaarheid, gewilligheid en dierbaarheid. Hij is zich bewust, niet slechts van zijn persoonlijke betrekking op de Heer, maar ook en bovenal van de voortdurende zorg en liefde van de Heere voor Hem en waar hij zo voor het tegenwoordige volkomen vrede geniet, is hij ook van zijn aardse en hemelse toekomst in voldoende mate verzekerd. Om het even wat hij ook bedoelt door “het pand bij Hem weggelegd. ” Sommigen verstaan dit woord van het eeuwige zielenheil van de apostel, anderen van de hem aan vertrouwde Evangeliebediening zoveel is duidelijk, dat hij met kalme en vaste blik over het graf heen op de dag van Christus’ terugkomst ziet, waarop het geloof is aanschouwen verwisseld wordt en de strijder zijn kroon zal ontvangen. De marteldood voor ogen laat hij in de laatste brief, die ons van zijn hand is bewaard, de taal van de meest vrijmoedige geloofsverzekering horen. Ik weet, in wie ik geloofd heb! Vanwaar mag het komen, dat dit woord zo weinig gehoord en ook, waar het gehoord werd, zo weinig wordt verstaan en geschat? Ach, hoezeer ontbreekt het aan de helderheid, aan de diepte, aan de vreugd en vrucht van het geloof, waarvan dit roerend afscheidswoord van Paulus getuigenis aflegt! Sommigen hebben immer geloofd in die zin, waarin dat woord in het Evangelie gebruikt wordt; hun dusgenaamd geloof was een koele overtuiging van het verstand, hun door de eerste storm van twijfel ontvallen. Anderen geloven niet meer; zij behoren op de lange lijst van hen, die, naar Paulus’ woord, aan het geloof hebben schipbreuk geleden, wellicht omdat hun geweten door zware schuld voor God werd bezoedeld. Niet weinigen hebben ja het beginsel van een levend geloof in hun hart, maar zij durven zich de heilsbeloften van het Evangelie niet toe-eigenen, zij menen, dat er nog eerst geheel buitengewone dingen in hun hart en leven moeten plaats grijpen, eer zij het zouden durven wagen dit apostolisch woord te herhalen. Zij beschouwen de geloofsverzekerdheid als een gans bijzondere genadegave, die aan enkele uitverkorenen toegedacht is; niet zonder heimelijk zelfbehagen blijven zij zichzelf sinds jaar en dag onder de zoekenden tellen, zonder ooit met de heilige moed van het geloof te durven zeggen: gevonden, geborgen, behouden. En zeker, ook op dit heilig en geheimzinnig gebied is het woord van de Doper waarachtig: een mens kan niets aannemen, dat is willekeurig zich aanmatigen, wat hem niet uit de hemel gegeven is (Joh. 3: 27). Geloofsverzekerdheid kan men zich evenmin zoals een door toe-eigenen, als men zich die kan laten mededelen door anderen. Toch is het de vraag, of niet reeds menigeen in het volle licht van de Heere zou wandelen, wanneer hij niet zichzelf in de weg stond en door onkunde of vooroordeel voortdurend in donkere nevelen rondtastte. Dat het althans mogelijk is tot volle geloofszekerheid te komen, wij zien het niet enkel in Paulus, maar in geheel de wolk van getuigen, die ons in de Christelijke loopbaan omringen. Dat het zalig, onschatbaar zijn zou, als ook wij met volle vrijmoedigheid, vóór ons heengaan, dezelfde roemtaal herhalen konden, het laat zich even weinig betwijfelen; kennen wij ze niet, die schatten zouden willen geven, als zij echt door het geloof voor zichzelf van Gods liefde in Christus verzekerd waren? Zo blijft de vraag slechts over: langs welke weg die blinkende berghoogte ook voor ons bereikbaar mag heten en om het antwoord te vinden, hebben wij niet verder dan op Paulus zelf te zien. Hoe is hij tot die vaste en duidelijke zekerheid gekomen, die in deze geloofstaal zich uitspreekt? Geen hemelstem of engelenverschijning heeft hem aangezegd, dat hij in onderscheiding van anderen een kind van God en erfgenaam is van het eeuwige leven. Toch staat hij als op een rots gegrond, want hij bouwt op de getuigenis van het Evangelie, dat hij voor zichzelf heeft aangenomen, nog vóór hij het heeft verkondigd aan anderen. Hij heeft de getuigenis van zijn eigen consciëntie, bij alle zwakheid en gebrek van volkomen oprechtheid voor God in geloof en keuze van het hart. Hij heeft eindelijk de getuigenis van de ervaring van al wat de Heere voor hem reeds zolang is geweest en gebleven en na zo’n rijk voorleden kan hij ook voor de toekomst niet arm zijn aan levende hoop. Maar immers is dit alles ook verkrijgbaar voor ons en het komt er tenslotte eenvoudig op aan, om voor onszelf te weten wat God ons in Christus geschonken heeft! Leert de Heilige Geest het ons gedurig beter verstaan en vertroosten wij voorts ons hart ook met deze gedachte: wellicht heeft de Heere de genadegave van de volle verzekerdheid tot de zware proeftijd bewaard, die nog vóór het einde voor ons, evenals voor Paulus kan komen.
a) Houd in uw prediking, die u, naar ik vertrouw, wel weer met alle kracht zult aanvangen, het voorbeeld van de gezonde woorden, het voorbeeld dat u zich uit die woorden heeft leren kennen, die u van mij gehoord heeft in geloof en liefde, die in Christus Jezus is, in die liefde, die bevestiging is van de gemeenschap met Christus Jezus (1 Tim. 1: 14).
2 Tim. 3: 14
Sommigen willen dat de apostel hier, sprekend van geloof en liefde, het oog zou hebben op de borstplaat van de Joodse hogepriester, die, naar gezegd wordt, betekende: licht en volmaaktheid. Deze twee deugden moesten de borst van de Evangelist bezitten. Timotheus moest vasthouden niet zijn eigen woorden of de woorden van enig feilbaar mens, maar de woorden van de apostel alleen. En het is opmerkenswaardig, dat hij moest vasthouden het voorbeeld van de gezonde woorden, dat hij van de apostel ontvangen had, niet alleen in geloof of met getrouwheid, maar met liefde en genegenheid tot alle eerlijke gemoederen, al bezaten zij niet zoveel kennis als hij had, of al verschilden zij met hem in enige bijzonderheden.
Door de gezonde woorden bedoelt de apostel de zalige leer van het Evangelie. De waarheden van het Evangelie heten hier gezonde, of, zoals er eigenlijk staat, gezondmakende woorden, naardien zij een gezegend middel zijn in Gods hand, om de zieke ziel aanvankelijk gezond te maken en die genezing hoe langer hoe meer voort te zetten, alsmede in tegenstelling van de dwaalleer van de verleiders, die de geestelijke ziekte niet kon genezen, maar veel eer verergerde. Deze gezondmakende woorden had Timotheus van de apostel gehoord, deels door de openbare Evangelieprediking van Paulus, deels door het bijzonder onderwijs en de gemeenzame omgang met die grote man. Deze gezonde woorden bestonden in en kwamen hoofdzakelijk voort uit geloof en liefde, die in Christus Jezus is. Het hoofdoogmerk van de Evangelie-prediking is het inscherpen van twee belangrijke bijzonderheden, het geloof en de liefde, waarvan het eerste betrekking heeft op de leerstukken en het andere op de zedeplichten van het Evangelie. Beiden zijn zij in Christus Jezus; deze is het voorwerp van het geloof, dat werkzaam is in de liefde.
Bewaar tegen misvorming of verkleining het goede pand, dat u toevertrouwd is (1 Tim. 6: 20), u ten deel is geworden door de Heilige Geest, die in ons woont en ons dus ten allen tijde ten dienste staat, om ons ook te doen volbrengen hetgeen wij volgens de wil van God moeten verrichten.
Zonder aanknoping aan het vorige, maar toch in goed verband daarmee, gaat de apostel over tot een nieuwe vermaning. Deze treedt in zoverre aanvullende aan de zijde van de vorige, als het niet genoeg is dat Timotheus opnieuw moed vat, om zijn vroegere werkzaamheid weer op te vatten, maar zij moet ook van de juiste aard zijn en de leer, die hij verkondigt, moet die van de apostel zijn.
“Houd het voorbeeld van de gezonde woorden, die u van mij gehoord heeft”, d. i. volg de schilders na, die hun origineel op het getrouwst copieren. Wat ik u gegeven heb, is uw origineel, de gezonde woorden, de gezonde leer (1 Tim. 6: 3 Titus 1: 9; 2: 1), in tegenstelling tot de dwaalleer.
De woorden “in geloof en liefde” geven de aard en de manier te kennen, waarop Timotheus de woorden van de apostel moet bevestigen. Het moet niet geschieden op uitwendig mechanische wijze, maar zo, dat geloof en liefde als het ware het vat zijn, waarin het aangewezen voorbeeld wordt bewaard, zodat het tegelijk het persoonlijk en het geestelijk eigendom van Timotheus is. Als dit plaats vindt, dan zal hij zonder de minste krenking van de waarheid de heilzame woorden van de apostel zelfstandig reproduceren en deze geenszins slechts als een echo op geesteloze manier herhalen.
Paulus stelt het bezitten van de ware leer, Timotheus toevertrouwd, voor als een goed pand. Als middel tot bewaring is genoemd de Heilige Geest, die in hem evenals in de apostel woont en zo voor hem ten allen tijde gereed is. Hij staat tegenover een wereldse geleerdheid, die alleen de natuurlijke mens inneemt.
Kort van te voren (vs. 12) noemde de apostel de zaligheid hem weggelegd zijn pand en hier noemt hij de heerlijke, Timotheus toevertrouwde schat van de gezonde leer een pand, dat hij moest bewaren. Zoals God getrouw voor ons bewaart, wat Hij ginds voor ons heeft weggelegd, zo wil Hij dat wij hier getrouw zullen bewaren wat ons is toevertrouwd.
Omdat wij het ware, het goede, het schone, zal het voor ons leven iets wezenlijks en blijvends teweeg brengen, niet maar als begrip kunnen bevatten, maar het in concrete vorm voor ons moeten zien, daarom is het volkomen correct, als de apostel zichzelf als voorbeeld voor zijn discipelen voorstelde. Een partijman was hij toch niet; want, zoals het resultaat van de geschiedkundige ontwikkeling heeft bewezen, was het in de strijd tussen de Christenen uit de heidenen en die uit de Joden niet te doen om de gelijkstelling van twee partijen, die evenveel recht hadden, maar om het vasthouden van de waarheid tegenover een van de waarheid afdwalende partij. De geschiedenis onderricht ons daarover, hoe het in de strijd van de Kerk met de verschillende ketterse partijen gesteld was. Als dus Paulus zich in zijn vasthouden aan de gezonde leer als voorbeeld voor de discipelen stelt, bedoelt bij daarmee geen partij-organisatie en partij-discipline, maar hij stelt de discipelen het ware in concrete vorm voor. Wij zien te vaak voorbij, van hoeveel gewicht dit is en komen daardoor in een te vergaand subjectivisme. Als wij van de grote voorbeelden, die ons de geschiedenis voorstelt, niet willen leren, dan verraadt dat een zeer grote tevredenheid met zichzelf en het gevolg zal zijn, dat wij een groot aantal fouten begaan, die voor ons en voor de zaak, die wij dienen, niet dan smartelijke gevolgen kunnen hebben. De wolk van getuigen, die nu nog aanzienlijk groter is, dan in de tijd van de schrijver van de brief aan de Hebreeën (Hebr. 12: 1), moeten wij altijd voor ogen hebben. Wij moeten het voorbeeld vasthouden, dat zij ons hebben gegeven.
U weet dit, a) dat allen, die in Azië zijn, zich van mij afgewend hebben, mij de rug hebben toegekeerd als een, met wie zij verder niets willen te doen hebben, onder welke is Fygellus en Hermogenes, d. i. allen in Azië, tot wier klasse die beiden behoren.
Hand. 19: 10
De apostel bedoelt de Christenen, die in Asia proconsularis woonden. Zij schijnen te Rome gekomen te zijn, om als getuigen voor Paulus op te treden, maar toen zijn zaak een ongunstige wending nam, zich uit vrees aan zijn verdediging onttrokken te hebben en naar Azië terug gekeerd te zijn. Fygellus en Hermogenes zijn ons van elders niet bekend, maar worden bij name door Paulus genoemd, zo het schijnt, omdat hij in hen het meeste vertrouwen had gesteld en hun gedrag hem het meest bevreemd had. Zij hadden wel niet de Heere verloochend, noch het Christendom verzaakt, maar hadden Paulus verlaten en aan zijn zaak zich onttrokken. Timotheus wist dit wel reeds, maar de apostel voelt zich echter gedrongen om het hem te herinneren, deels omdat zijn hart ervan vervuld was en hij er zich diep over bedroefde, deels opdat Timotheus hun verkeerd gedrag hun onder het oog zou brengen en zich voor hen zou hoeden. Hij spreekt echter niet van hen met bitterheid, noch wenst hun iets kwaads toe. Hij vermeldt alleen hun handelwijze en toont zo ook hier, dat de geest van zijn Heer, de geest van de zachtmoedigheid en verschonende liefde in hem woonde.
De Heere geeft het huis van Onesiforus, waarvan ik later nog in het bijzonder de groeten vragen zal (Hoofdstuk 4: 19), barmhartigheid; want hij heeft mij dikwijls verkwikt door bewijzen van liefde jegens mij en heeft zich voor mijn keten niet geschaamd, zoals dat vele anderen hebben gedaan.
Maar toen hij hier (1 Kor. 16: 8) te Rome gekomen was heeft hij mij zeer naarstig gezocht, juist omdat hij gehoord had van mijn banden en heeft mij na een lang zoeken in de volkrijke stad, waar hij niet dadelijk berichten over mijn verblijf (Hand. 28: 16) kon verkrijgen, gevonden.
De apostel hebben allen, die niet naar hem horen, hem niet terwille zijn, in het algemeen niets met hem te doen willen hebben, de rug toegekeerd allen, die voor Timotheus daardoor zijn aangewezen, dat hem de namen Fygellus en Hermogenes worden genoemd, zodat dus deze voornamelijk tot hun getal behoren (vgl. Hoofdstuk 2: 17. 1 Tim. 1: 20 Er had zich dus in Azië een partij gevormd, die met Paulus niets meer wilde te doen hebben; zij zullen het tegengestelde hebben gedaan van hetgeen, waartoe de apostel Timotheus zo-even vermaand heeft de betrekking, waarin zij tot hem als hun leraar van het Evangelie hebben gestaan, hebben zij afgebroken. Wat eens zijn tegenstanders te Corinthiërs en in Achaje hadden nagejaagd, dat is hier geschied, zo niet van gehele gemeenten, toch door een talrijke partij en dat is juist nu en wellicht ten gevolge daarvan geschied, dat hij om het Evangelie in gevangenschap was. Als echter Timotheus weet, dat die gehele partij en weliswaar niet slechts inwendig, maar openlijk de apostel de rug heeft toegekeerd, dan moet dit voor hem een vermaning zijn, om des te meer zijn gemeenschap met hem te bevestigen en hem door de bitterheid van die ervaring voor zo’n verkwikking schadeloos te stellen, als hij die van een anderen uit Azië, van Onesiforus, heeft ondervonden. En als hij leest, hoeveel de apostel zo’n verkwikking waard geweest is, dan zal hij ze hem toch voor zijn deel niet willen onthouden, hem zijn liefde niet minder willen bewijzen dan deze Onesiforus.
Toen deze namelijk, waarschijnlijk om tijdelijke aangelegenheden, tegen het einde van de lente of in het begin van de zomer van het jaar 61 naar Rome kwam, rustte hij niet, voor hij de apostel had gevonden. Als toch Paulus het als iets bijzonders noemt, dat hij zich voor zijn ketenen niet had geschaamd, besluiten wij daaruit met recht, dat Onesiforus hem in het begin van zijn gevangenschap, d. i. op een tijd had bezocht, dat het nog iets nieuws en bevreemdends was de apostel in ketenen te zien en waar deze zelf zijn verlaten zijn daardoor meende te moeten verklaren, dat de vroegere vrienden en helpers zich voor zijn banden schaamden. Van Onesiforus nu zijn zonder twijfel de berichten afkomstig over de omstandigheden van de gemeente te Efeze, die Paulus te Rome ontving. Deze gaf hem bericht, dat zijn helpers in de Aziatische gemeenten zich in grote getale van hem hadden afgekeerd en dat Timotheus, deels door de zorg voor zijn levensonderhoud gedrukt, moedeloos was geworden en zich noch de geschokte toestand van de gemeente met energie aantrok, noch de arbeid van de prediking met echten ernst voortzette.
De Heere Christus geve hem, verleent hem ter vergelding daarvoor, volgens hetgeen hij in MATTHEUS. 10: 42 heeft gezegd, dat hij, die hier beneden Zijn gevangenen bezocht heeft en niet rustte voor hij hen vond, ook daarboven barmhartigheid vindt bij de Heere in die dag van het algemeen oordeel van de wereld. En hoeveel hij, Onesiforus, mij te Efeze gediend heeft, weet u zeer goed, zodat ik het u niet eerst hoef op te tellen.
In vs. 16 wenst de apostel eerst alleen aan het huis van Onesiforus barmhartigheid. In vs. 18 doet hij het vervolgens ten opzichte van Onesiforus zelf. Opmerkelijk is daarom het dubbele “Heere”: de Heere geve hem, dat hij barmhartigheid vindt bij de Heere in die dag! De apostel had wel de tweede maal kunnen weglaten; terwijl hij echter in het oordeel, dat zich voor zijn geest plaatst, Christus als de Rechter ziet, dringt zich het “bij de Heere” aan hem op, dat hij neer schrijft zonder angstvallig er acht op te slaan, dat hij met “de Heere geve” begonnen is.
Uit deze biddende wens, in verband met de omstandigheid, dat Paulus later alleen het huis van Onesiforus laat groeten, besluit men gewoonlijk, dat die reeds gestorven was, toen Paulus de brief schreef. Dan zou echter uit die plaats volgen, dat de hoogste beslissing over een mens niet dadelijk na zijn dood, maar pas op de jongste dag geschiedt en men daarom ook voor een gestorvene nog genade en ontferming bij de Heere zou kunnen afsmeken voor het laatste beslissende gericht. Om die reden komt dat slot dan toch zeer bedenkelijk voor; integendeel was Onesiforus zeker nog bij Paulus achtergebleven en van hem tijdens het schrijven van de brief afwezig, wellicht voor een dienst gebruikt, dat aan de apostel aanleiding geeft later nog zijn te Efeze bewezen diensten te gedenken. Deze zijn juist niet, zoals Luther en onze Staten-Vertalers het hebben opgevat, waarom zij het “mij” hebben ingevoegd, aan Paulus in het bijzonder bewezen, hoewel dat niet is buiten gesloten (vgl. Rom. 16: 2); maar Onesiforus was wellicht een van de diakenen (1 Tim. 3: 8 vv.) van de Efezische gemeente.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel