Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 82 — Treasury of David

Titel en onderwerp
“Een psalm van Asaf.” Deze dichter van de tempel treedt hier op als prediker, voor het hof en voor de overheid. Wie één ding goed kan, kan meestal nog wel iets anders goed. Wie mooie verzen schrijft, kan vaak ook sterk preken. Wat zou dat een preek zijn geweest als Milton de kansel had beklommen, of als Vergilius een apostel was geweest!
Asafs preek voor de rechters hebben we nu voor ons. Hij spreekt heel duidelijk, en zijn lied valt meer op door kracht dan door zoetheid. Hier zien we dat niet elke psalm of lofzang een rechtstreekse lofprijs aan God hoeft te zijn. Naar het voorbeeld van deze psalm mogen we elkaar ook in onze liederen vermanen.
Asaf zag om zich heen ongetwijfeld veel omkoping en bederf. David strafte dat met het zwaard, en Asaf nam zich voor het te geselen met een profetische psalm. Daarmee liet de lieflijke zanger zijn roeping als musicus voor de Heere niet los. Hij oefende die juist op een ander terrein uit. Hij loofde God toen hij de zonde bestrafte die Hem onteerde. En al maakte hij geen muziek, hij bracht toch de wanklank tot zwijgen toen hij de machthebbers opdroeg om zonder aanzien des persoons recht te spreken.
Indeling
Deze psalm vormt één geheel. Een aparte indeling is niet nodig.
Uitleg
Vers 1
“God staat in de vergadering Godes.” Hij houdt toezicht. Vanuit Zijn eigen hoogte ziet Hij alles wat de groten van de aarde doen. Zitten zij in vol ornaat op hun zetel, dan staat Hij boven hen, klaar om met hen af te rekenen als zij het recht verdraaien. Rechters zullen zelf geoordeeld worden, en voor de rechtbanken wacht ook een recht dat hen zal treffen. Onze dorpsjonkers en vrederechters zouden daar goed aan doen te denken. Sommigen van hen moesten bij Asaf in de leer, tot ze deze psalm door en door kenden. Hun harde beslissingen en vreemde vonnissen worden uitgesproken in de tegenwoordigheid van Hem Die hen zeker ter verantwoording zal roepen voor elke onbetamelijke daad. Hij ziet immers niemands persoon aan en komt op voor de armen en behoeftigen. Een hoger gezag zal het besluit van de lagere rechtbank beoordelen. Zelfs de vonnissen van onze meest onpartijdige rechters worden nog herzien door het Hoogste Gerechtshof van de hemel.
“Hij oordeelt in het midden der goden.” Voor andere mensen zijn zij goden, maar voor hén is Hij God. Hij leent hun Zijn naam, en dat is hun volmacht om als rechter op te treden. Maar ze moeten oppassen dat ze de macht die hun is toevertrouwd niet misbruiken, want de Rechter van alle rechters zit midden tussen hen in de zitting. Onze lagere rechters zijn maar kleine rechters. En hun collega’s die het gewone recht toepassen, zullen op een dag zelf door dat gewone recht berecht worden.
Over het geheel nemen we deze grote waarheid in onze tijd goed ter harte. In de vroegere eeuwen van de Engelse geschiedenis was dat anders, toen Jeffries en zijn soortgenoten een schande waren voor de naam van gerechtigheid. Rechters in het Oosten zijn zelfs nu vaak, zo niet meestal, te koop. In vroeger tijd was het erg moeilijk om een heerser te vinden die enig besef van recht had buiten zijn eigen willekeurige wil. Zulk eenvoudig onderwijs als in deze psalm was dus echt nodig. En het was een moedig en goed man die op zulke hoofse wijze zijn eigen ziel redde.
Vers 2
“Hoe lang zult gijlieden onrecht oordelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen?” Hier wordt tussen de regels door gezegd dat de rechters onrechtvaardig en verdorven waren geweest. Ze nemen het niet alleen op voor de goddelozen. Ze beslissen zelfs in hun voordeel en tegen de rechtvaardigen. Een beetje hiervan is al te veel, en een korte tijd al te lang. Sommige rechtzoekenden kregen hun zaak meteen afgehandeld, en nog in hun eigen voordeel ook. Anderen verspilden hun leven met wachten op een hoorzitting, of werden door de rechtsgang zelf beroofd, omdat hun tegenstanders het oor van de rechter hadden. Hoe lang zou dat nog doorgaan? Zouden zij nooit aan de grote Rechter denken en hun goddeloosheid afzweren?
Dit vers is zó streng dat je zou zeggen: “Hier is zeker een Elia aan het woord.” “Sela.” Dat is een rustpunt voor de overtreders, om na te denken en te belijden.
Vers 3
“Doet recht den arme en den wees.” Stop met kwaad doen en leer goed te doen. Kijk niet naar de belangen van de rijken, die u geschenken toeschuiven. Bescherm de rechten van wie niets heeft. Zet u vooral in voor de wezen, wier bezit zo vaak een prooi wordt. Jaag de boer niet na omdat hij een paar takken heeft opgeraapt, en laat de nette zwendelaar niet door de mazen van de wet glippen.
“Rechtvaardigt den verdrukte en den arme.” Ook zij kunnen van u als rechter niet meer vragen dan recht. Medelijden met hun situatie mag de weegschaal niet scheef doen hangen. Maar geef hun dan in elk geval dat recht ten volle. Laat de verdrukte niet nog verder verdrukt worden doordat u onrecht toelaat. En laat de behoeftige niet lang wachten op een eerlijke behandeling.
Vers 4
“Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.” Breek de netten van de mensenvangers, de juridische valstrikken, de boeien en de waarborgen waarmee sluwe mensen armen en mensen in nood vangen en in slavernij houden. Het is moedig als een rechter een slachtoffer kan bevrijden, zoals een vlieg uit het web van de spin. Het is afschuwelijk als rechter en plunderaar onder één hoedje spelen. De wet is al te vaak een wraakwapen geweest in de hand van gewetenloze mensen, een wapen zo dodelijk als gif of een dolk. Het is aan de rechter zulke schurkenstreken tegen te houden.
Vers 5
“Zij weten niet, en verstaan niet.” Het is een ellendige toestand voor een volk als zijn rechters geen recht kennen en zijn oordelaars geen oordeel hebben. Je plicht niet kennen en hem ook niet willen kennen: dat past meer bij een verstokte misdadiger dan bij een overheidsdienaar. Toch werd zo’n brandmerk met recht op de leiders van Israël gezet.
“Zij wandelen steeds in duisternis.” Ze zijn net zo roekeloos als onwetend. Ze zijn onwetend én goddeloos, en toch durven ze een weg te gaan waar kennis en gerechtigheid onmisbaar zijn. Zonder aarzelen gaan ze verder. Ze vergeten welke verantwoordelijkheid ze dragen en welke straf ze over zich afroepen.
“Dies wankelen alle fondamenten der aarde.” Als de uitdelers van het recht het recht hebben afgeschaft, wordt orde wanorde, raakt de samenleving ontwricht en schudt het hele bouwwerk van het volk op zijn grondvesten. Wordt onrecht gepleegd binnen de gewone gang van het recht, dan is de wereld echt uit haar voegen. Als “het recht van de vrederechters” een spreekwoord wordt, is het tijd dat het recht de rechters aanpakt. Sommige “grote onbezoldigden” zouden gerust ontslagen mogen worden, nu hun vonnissen dag na dag laten zien dat ze geen oordeel hebben. Wat te denken als boeren ongestraft arbeiders met de rijzweep mogen afranselen, en een mooie vogel meer waard wordt gevonden dan arme mensen? Dan zakken de fundamenten van de aarde echt weg, als verrotte palen die de bouwwerken erop niet meer kunnen dragen.
God zij dank hebben wij bijna zonder uitzondering onomkoopbare rechters. Moge dat altijd zo blijven. Ook onze lagere rechters zijn over het algemeen zeer waardige mannen. Daarvoor mogen we God eeuwig dankbaar zijn.
Vers 6
“Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden.” Zo kregen ze de grootste eer die denkbaar is. Ze waren goden in opdracht, voor een tijd bekleed met een beetje van het gezag waarmee de Heere oordeelt onder de mensenkinderen. “En gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten.” Dit zegt iets over hun ambt, niet over hun zedelijke of geestelijke verhouding tot God. Er moet onder mensen nu eenmaal bestuur zijn. En omdat er geen engelen gestuurd worden om dat uit te oefenen, laat God toe dat mensen over mensen heersen. Hij bekrachtigt hun ambt, tenminste voor zover het misbruik ervan een belediging wordt van Zijn eigen rechten.
Rechters zouden niet het recht hebben de schuldigen te veroordelen als God het bestuur, het toepassen van het recht en het uitvoeren van vonnissen niet had goedgekeurd. Hier spreekt de Geest dus zeer eervol over deze ambten, ook al berispt Hij de ambtsdragers. Daarmee leert Hij ons eer te bewijzen aan wie eer toekomt. We eren het ambt, ook als we de man die het bekleedt terechtwijzen.
Vers 7
“Nochtans zult gij sterven als een mens.” Wat klinkt dit sarcastisch! Hoe groot hun ambt hen ook maakte, ze waren toch maar mensen en moesten sterven. Voor elke rechter is dit vers een memento mori, een herinnering aan de dood! Hij moet de rechterstoel verlaten om zelf voor de balie te staan. Onderweg moet hij zijn hermelijn afleggen en het doodskleed aantrekken.
“En als een van de vorsten zult gij vallen.” Zij stierven meestal het eerst. Oorlog, opstand en weelde richtten onder de groten immers meer verwoesting aan dan onder anderen. Zoals vorsten vaak door plotselinge en gewelddadige sterfgevallen zijn weggerukt, zo zal het ook gaan met rechters die vergeten recht te doen. Gewoonlijk hebben mensen ontzag voor het ambt van een rechter. Ze spannen niet samen om hem te doden, zoals ze wel doen om vorsten en koningen om te brengen. Maar onrecht neemt die bescherming weg en brengt de onrechtvaardige rechter persoonlijk in gevaar.
Hoe snel kleedt de dood de groten uit! Wat is hij een gelijkmaker! Een voorstander van vrijheid is hij niet, maar in het bevorderen van gelijkheid en broederschap is hij een meesterlijk democraat. Groten sterven net als gewone mensen. Hun bloed is hetzelfde, dus de slag die hun leven doet wegvloeien brengt dezelfde pijn en dezelfde stuiptrekkingen met zich mee. Geen plaats is te hoog voor de pijlen van de dood. Hij haalt zijn vogels uit de hoogste bomen. Het wordt tijd dat alle mensen dit goed bedenken.
Vers 8
“Sta op, o God! oordeel het aardrijk.” Kom, Rechter van alle mensen, breng de slechte rechters voor Uw balie en maak een eind aan hun bederf en gemeenheid. Hier ligt de echte hoop van de wereld om uit de klauwen van de tirannie gered te worden.
“Want Gij bezit alle natien.” Er komt een tijd dat alle volken van de aarde hun God erkennen en Hem als hun Koning aanvaarden. Eén Koning heeft het recht van God Zelf, en Hij is zelfs nu al onderweg. In de laatste dagen zullen we Hem op de troon zien, en alle onrechtvaardige machthebbers worden verbrijzeld als potten van een pottenbakker door Zijn krachtige scepter. De wederkomst van Christus is nog altijd de mooiste hoop van de aarde. Kom snel, ja, kom, Heere Jezus!
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
In de voorgaande psalmen schreef Asaf veel over de komst van Christus in het vlees. Nu spreekt hij over Zijn tweede komst, om te oordelen. — Josephus Maria Thomasius, 1649-1713.
Vers 1
“God staat.” Er wordt gezegd dat Hij staat vanwege Zijn onveranderlijkheid, Zijn macht en Zijn blijvende tegenwoordigheid. Ook laat het zien hoe snel Hij handelt: Hij staat klaar om het recht te laten zegevieren en de arme te helpen, zoals Hij deed bij de heilige Stefanus.
Eén uitlegger haalt uit het woord “staan” nog een diepere les. Hij herinnert ons eraan dat de rechter hoort te zitten, terwijl de rechtzoekenden of beschuldigden staan. Zo staat er geschreven: Mozes zat om het volk te richten, en het volk stond bij Mozes van de morgen tot de avond, Ex. 18:13. Het is dus een ernstige waarschuwing aan rechters. Elke zaak die voor hen komt, is Gods zaak, omdat er recht en onrecht in het geding zijn. Spreken ze schuldigen vrij of veroordelen ze onschuldigen, dan spreken ze een vonnis uit tegen God Zelf. — Albertus Magnus, Le Blanc en Agellius, aangehaald door Neale en Littledale.
Vers 1
“God staat in de vergadering Godes” (Engels: in de vergadering der machtigen), of: van God. Deze woorden lichten toe wat eerder gezegd was: God staat in de vergadering van God. Wat betekent dat? Hij oordeelt als de Hoogste onder de rechters van de wereld. Hij staat er niet als een nul of een gewone toeschouwer, maar Hij is Zelf één van hen.
- Hij oordeelt actief onder hen. Wij kijken naar mensen en denken dat het oordeel van hen is. Maar het is God Die onder hen recht spreekt.
- Hij is ook lijdelijk zo midden tussen deze aardse goden aanwezig dat Hij, als zij onrecht doen, recht over hen zal uitoefenen en de rechters van de wereld zal oordelen. Want hoe groot ze ook zijn, er is Eén groter dan zij, aan Wie ze binnenkort rekenschap moeten afleggen. — Thomas Hall, 1659-60.
Vers 1
“In de vergadering.” Heersers moeten begrijpen dat ze niet over blokken en stenen zijn gesteld, ook niet over zwijnen en honden, maar over de vergadering van God. Ze moeten er dus bang voor zijn dat ze tegen God Zelf ingaan wanneer ze onrechtvaardig handelen. — Maarten Luther.
Vers 2
“En het aangezicht der goddelozen aannemen.” In de laatste zin zit een van de meest eigenaardige Hebreeuwse uitdrukkingen. De combinatie die in de Engelse Bijbel meestal vertaald wordt met “persoon aanzien”, en die op partijdigheid van rechters wordt toegepast, betekent letterlijk “het aangezicht opnemen” (of opheffen). Sommigen denken dat dit het opheffen van het gezicht is, of iemand doen opkijken uit neerslachtigheid.
Maar de beste taalkundigen zijn het er tegenwoordig over eens dat het grondbegrip is: het gezicht of de persoon van de ene mens aanvaarden boven die van een ander. De precieze vorm van de uitdrukking is wat duister. Waarschijnlijk komt ze van de gewoonte om rechtzoekenden toe te laten bij stadhouders of heersers, om hen van aangezicht tot aangezicht te spreken. Dat voorrecht was soms alleen met omkoping te krijgen, vooral, maar niet alleen, aan oosterse hoven. — Joseph Addison Alexander.
Vers 3
Er wordt van Frans de Eerste van Frankrijk verteld dat hij een vrouw die voor hem knielde om recht te vragen, gebood op te staan. “Vrouw,” zei hij, “het is recht wat ik u schuldig ben, en recht zult u krijgen. Als u iets van mij vraagt, laat het dan genade zijn.”
Wat een gelukkige plaats en wat een gelukkig volk, waar het recht (zo lijkt het) niet werd afgeperst maar zo vriendelijk viel als honing uit de raat. Daar was geen verkoop van ambten, geen gesjacher met vergoedingen, geen spitsvondig uitstel en geen gesol om haast te maken. Er werden geen strikken gemaakt van kleine en strafrechtelijke verordeningen. Justitia hield weegschalen in haar hand, niet om goud te wegen maar billijkheid. Rechters en overheden waren als Noachs ark, die vermoeide duiven opnam, en als de hoornen van het altaar, waarheen onschuldige verdrukten konden vluchten.
Advocaten, pleiters en procureurs noemden het kwade daar niet goed en het goede niet kwaad, het bittere niet zoet, enzovoort. Eisers en aanklagers brachten niets uit boosheid, nijd of eigenbelang naar voren en vervolgden niemand om die redenen. Lagere ambtenaren durfden machtige misdadigers niet uit de nood te helpen. Ze lieten ook arme mensen, heen en weer geslingerd in hun rechtszaak, niet versmachten in het zicht van de haven, omdat ze Cerberus geen koekje toewierpen of de grote Diana van de spoed niet offerden. De speurhonden, zoals de lage, zich opwerkende aangevers, werden niet begunstigd. Ze werden zwaar gestraft bij elke valse, onrechtvaardige of boosaardige aangifte.
Om het af te ronden: daar was de overheid het volk recht schuldig en betaalde dat ook. Daar smeekte het volk om genade en kreeg die. — William Price, 1642.
Verzen 3-4
De toetssteen voor de rechtvaardigheid van overheden zijn de zaken van de armen, de wezen, de verdrukten en de behoeftigen. Zij kunnen hun rechtszaken niet lang volhouden en hebben geen vrienden of geld om het voor hen op te nemen. Daarom moesten de machtigen voor hen ogen zijn om hen te leiden en een staf voor hun zwakheid, om hen te steunen en te helpen aan hun recht. — David Dickson.
Vers 5
“Zij weten niet, en verstaan niet,” enzovoort. Elke rechter moet, zoals Baldus terecht zei, tweeërlei zout in zich hebben. Het eerste is sal scientiae, het zout van de kennis, zodat hij zijn plicht kent. Het tweede is sal conscientiae, het zout van het geweten, zodat hij zijn plicht doet. Wie in het eerste tekortschiet, wordt hier gestraft met een nescierunt en non intellexerunt: zij weten niet en verstaan niet. Wie in het tweede faalt, wordt hier gebrandmerkt met een ambulant in tenebris: zij wandelen in duisternis.
Het verwaarlozen van deze plichten brengt tweeërlei gevaar met zich mee. Het eerste betreft de hele gemeenschap: alle fondamenten der aarde wankelen. Het tweede raakt vooral de rechters zelf, in het zevende vers: “Nochtans zult gij sterven als een mens; en als een van de vorsten zult gij vallen.” En na de dood komt het oordeel, Ps. 82:8: “Sta op, o God! oordeel het aardrijk.” De almachtige God “staat in de vergadering Godes; Hij oordeelt in het midden der goden.” Als Opperrechter zit Hij bij elke zitting en elk assisenhof. Hij let op welke zaken er voorkomen en hoe ze worden afgedaan. Hij staat klaar om rechtvaardig te oordelen over wie anderen onrechtvaardig oordelen, “onrecht oordelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen.” Ps. 67:5, pros to kritèrion tou Theou.
Zo heb ik de weg voor u gebaand. God, oneindig rijk aan barmhartigheid, geve dat zowel ik in het spreken als u in het horen daarop wandelt, zoals de zalige apostel het uitdrukt, Gal. 2:14, “recht wandelden” (Engels: met een rechten voet).
“Zij weten niet, en verstaan niet.” Dat wil zeggen: zij kennen God niet, Die hen tot goden gemaakt heeft. Ze begrijpen ook Zijn wet niet, die een lantaarn is voor hun voet en een licht op hun paden. Of, zoals Placidus Parmensis erover zegt: zij overwegen niet hoe zij, die goden worden genoemd, als gevolmachtigden en dienaren van God anderen horen te oordelen. Ze bedenken ook niet hoe zijzelf geoordeeld zullen worden op de laatste dag, wanneer “alle fondamenten der aarde” zullen wankelen en God Zelf zal opstaan “om de aarde te richten.” Of: ze zijn zo verdorven en weerzinwekkend dat ze noch van anderen willen leren wat hun taak is, noch die zelf willen begrijpen.
Of, kort gezegd, om de uitleg te geven die volgens mij het best bij de tekst past, en naar ik zeker weet bij deze tijd: Nescierunt quid facti, non intellexerunt quid juris. Ze waren onwetend over het feit, omdat ze de oorzaak niet uitzochten. En ze waren onwetend over het recht. Ze zaten, zoals Paulus van Ananias zei, om volgens de wet te oordelen, en toch bevalen ze wat tegen de wet is. Het eerste raakt voor een groot deel de jury, het tweede voor een groot deel de rechters. Allebei worden ze veroordeeld, als de voedsters van alle verwarring in een gemenebest: ignorantia simplex en affectata. Dat is eenvoudige onwetendheid, wanneer ze zo oppervlakkig zijn dat ze het niet kunnen, en geveinsde onwetendheid, wanneer ze zo diep zijn dat ze niet willen begrijpen wat recht en redelijk is. — John Boys, in “The Judge’s Charge”, 1618.
Vers 6
“Gij zijt goden”, enz. Het spreekt vanzelf dat de profeet deze strenge waarschuwing richt aan wereldlijke bestuurders, en vooral aan hen die recht moeten spreken. Hij noemt hen “goden” en “kinderen des Allerhoogsten”. Voor het volk Israël was zo’n titel niet te gewaagd, want in bekende teksten uit de wet van Mozes kregen rechters hem al. In de wetten voor het burgerlijk leven die op de Sinaï werden gegeven staat bijvoorbeeld: “De goden zult gij niet vloeken, en de oversten in uw volk zult gij niet lasteren” (Ex. 22:28). En dat is niet het enige voorbeeld. Op nog twee andere plaatsen in diezelfde wetten (Ex. 21:6; 22:8-9) staat in het Hebreeuws “de goden” of “God”, waar onze vertalers “de rechters” hebben gezet.
Het gewone Hebreeuwse woord voor God (Elohim) staat bijna altijd in het meervoud. Daarom is het moeilijk te zeggen of je het op deze plaatsen in het enkelvoud of in het meervoud moet vertalen. Voor de betekenis maakt het niet uit. Neem Exodus 21:6. Je kunt lezen: “Zo zal hem (de dienstknecht) zijn heer tot de goden brengen”, maar met de Septuaginta ook: zijn heer zal hem brengen voor de rechterstoel van God (pros to kritèrion tou Theou). Hoe je het ook leest, de woorden willen duidelijk zeggen dat de majesteit van God aanwezig is op de plaats waar recht wordt gesproken.
Van Salomo staat dat hij als koning op de troon van de HEERE zat (1 Kron. 29:23). Zo kun je van elke overheidspersoon zeggen dat hij op Gods zetel zit. God heeft hem een deel van Zijn eigen heerschappij en gezag toevertrouwd. Hij heeft bevolen dat men hem gehoorzaamt, niet alleen uit angst voor straf, maar ook omwille van het geweten. Als de overheid haar hoge taak vervult, mag zij met recht zeggen dat zij regeert met goddelijk recht.
Niemand hoeft te horen dat deze oude leer van het goddelijk recht van heersers vreselijk is misbruikt. Kruiperige theologen hebben er vaak een zoete, vleiende troost voor vorsten van gemaakt. Ze leerden dat vorsten zich aan geen enkele wet hoefden te houden. Ze leerden dat zij alleen aan God verantwoording schuldig waren voor hun bestuur. En ze leerden dat elke poging van het volk om hun tirannie te breidelen, of om hen van hun zetel te verdrijven als mildere middelen niet hielpen, een opstand was tegen God, Wiens stadhouders zij immers waren. Zelfs nu klinkt dezelfde leer soms nog vanaf de kansel en in de pers. Zo proberen mensen het geweten van het volk te onderwerpen aan de grillen van tirannen.
Let er goed op dat de harp van Asaf dit “goddelijk recht van koningen om verkeerd te regeren” op geen enkele manier goedkeurt. Als de profeet zegt dat vorsten goden zijn, dan geldt die eer ook voor de allergeringste overheidspersoon. De oudsten die recht spraken in de poort van Bethlehem, hoe klein hun stad ook was onder de duizenden van Juda, zaten even echt op Gods zetel als koning Salomo op zijn ivoren troon in de rechtszaal van Jeruzalem. Het bekende gezegde “het goddelijk recht van koningen is het goddelijk recht van veldwachters” is een ruwe manier om een Bijbelse waarheid te zeggen. Houd dat in gedachten, en niemand zal de Schrift nog gebruiken om koninklijke aanspraken op onaantastbaar en onverantwoordelijk gezag te verdedigen, of voor zulk gezag de goedkeuring van een goddelijk recht opeisen.
Maar we moeten het goddelijk recht van de overheid wel beschermen tegen misbruik, en daarbij mogen we het recht zelf niet vergeten. De staat is een ordening van God. Net als het gezin heeft hij zijn fundament in de aard van de mens zelf. De ambtenaren van de staat, hoog of laag, hebben een goddelijk recht om recht te spreken in de gemeenschap waar de Voorzienigheid hen heeft neergezet. Wie bij de overheid komt voor een oordeel, komt bij de rechterstoel van God. Zo komt ook wie de bediening van het Woord zoekt, bij de grote Profeet van de kerk. Had de overheid geen opdracht van God gekregen, dan mocht zij het zwaard niet met recht dragen. Het leven van een weerloze medemens nemen, zonder een opdracht van de Allerhoogste waardoor die daad gerechtvaardigd is, zou moord zijn. — William Binnie.
Vers 6
In zijn Lex Rex leidt Rutherford uit deze psalm af dat rechters niet de schepselen van koningen zijn, die hun wil moeten uitvoeren. Hun macht komt niet van de vorst. Net als de koning zijn zij door God Zelf gemachtigd. Daarom moeten zij recht doen, of de vorst dat nu wil of niet.
Vers 6
“Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden.” Vorsten en rechters zijn goden (Elohim), omdat het woord van God tot hen kwam (Joh. 10:35) en hen daartoe maakte. Zelfs hier, waar God op het punt staat hen te veroordelen, begint Hij met de waardigheid te erkennen die Hij hun Zelf heeft gegeven. Daar beriepen zij zich op, alsof die hun absolute macht gaf om te doen wat ze wilden, goed of fout. Ze vergaten dat een hoog ambt zowel plichten heeft als waardigheid. Zoonschap ligt dicht bij koningschap en rechterschap. Al die waardigheden zijn door alle anderen misbruikt, maar ze zullen in hun grootste ideaal waargemaakt worden door de komende Koning, Rechter en Zoon van de Allerhoogste (Ps. 2:6-7,10-12). — A. R. Fausset.
Vers 6
“Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden.” Vleiers hebben sommige machthebbers zo genoemd, uit lage vleierij en om hun hoogmoed te sussen. Sommige vorsten hebben zelfs op goddeloze en lasterlijke wijze geprobeerd om goden genoemd, ja als goden aanbeden te worden. (God zal de zwaarste wraak nemen over iedereen die Zijn naam op zich neemt, of zich eraan onderwerpt wanneer die hem wordt gegeven.) Maar God Zelf heeft Zijn eigen naam op overheden gelegd. Hij wil hen aan hun plicht herinneren, en Hij heeft daarmee een tweeledig doel.
Ten eerste: omdat zij goden worden genoemd, moeten zij oordelen en regeren zoals God dat doet, of met een gezindheid als van God. Dat is vrij van elke vermenging met een eigenzinnige of driftige geest, en vol liefde voor en vreugde in eerlijk oordeel en gerechtigheid. Ten tweede: omdat zij goden worden genoemd, moeten alle mensen leren wat hun plicht is, namelijk om zich gewillig aan hen te onderwerpen en hen naar behoren te eren. Want elke oneer die hun wordt aangedaan, treft God, Wiens naam zij dragen. — Joseph Caryl.
Vers 6
“Goden.” Dit is niet Jah of Jehova, een naam die zegt wat God is, maar Eloah of Elohim, een naam die een ambt aanduidt. Die naam wordt hun gegeven. — Thomas Gataker.
Verzen 6-7
“Gij zijt goden”: daar kijkt Hij naar hun praal en waardigheid. “Nochtans zult gij sterven als een mens”: daar herinnert Hij hen aan hun einde. Zijn toon verandert, zodat ook zij van gezicht zouden veranderen. Hij zegt hun wat hun eer is, maar ook wat hun lot is. In macht, rijkdom, gevolg, titels en vrienden zijn zij anders dan anderen. In de dood zijn ze niet anders. Zij hebben het koud als de winter komt, verdorren van ouderdom, worden zwak van ziekte en smelten weg in de dood, net als de geringste. Alles wordt as.
“Alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid des mensen is als een bloem van het gras” (1 Petr. 1:24). De heerlijkheid, dat is: het beste ervan, is maar een bloem. Veel verschil is er niet: de bloem ziet er mooier uit, het gras blijft langer staan, maar één zeis maait ze allebei neer. Dieren, vet en mager, grazen in één weide en worden in één slachting gedood. De vorst in zijn hoge paleis en de bedelaar in zijn lage hut verschillen op twee manieren, in plaats en in rang, hoog en laag. Toch ontmoeten ze elkaar bij het graf en vermengen ze zich in de as.
We lopen door deze wereld als een man door een sneeuwveld. De hele weg lijkt vlak, maar van geen enkele stap zijn we zeker. Wij zijn allemaal als spelers op een toneel, de een met deze rol, de ander met die. De dood is steeds aan het werk onder ons. Hier valt een van de spelers; we begraven hem met verdriet en gaan terug naar ons toneel. Dan valt er een ander, ja, ze vallen allemaal, de een na de ander, totdat alleen de dood nog op het toneel staat. De dood is de verstikkende damp die alle flauwe lichtjes van de ijdelheid dooft. En toch gelooft de mens makkelijker dat de hele wereld zal sterven dan dat hij zelf ooit zal sterven. — Thomas Adams.
Vers 7
“Nochtans zult gij sterven als een mens”, enz. Zelfs u, die blinkt als engelen, die de hele wereld bewondert, voor wie men smeekt en buigt, en die eerbare, machtige en genadige heren wordt genoemd: ik zeg u waar uw eer op uitloopt. Eerst wordt u oud als anderen, dan wordt u ziek als anderen, dan sterft u als anderen, dan wordt u begraven als anderen, dan wordt u verteerd als anderen, dan wordt u geoordeeld als anderen. Ja, net als de bedelaars die bij uw poort om hulp roepen: de een wordt ziek, de ander wordt ziek; de een sterft, de ander sterft; de een verrot, de ander verrot. Kijk in het graf en wijs mij aan wie de rijke man was en wie Lazarus.
Voor de arme is er toch één troost: eens zal hij zijn als de rijke. Eens zal hij even rijk en even heerlijk zijn als een koning. Eén uur van de dood maakt iedereen gelijk. Wie over anderen kraaiden en op hen neerkeken als eiken, over hen lopen anderen heen als over wormen, en ze zullen weg zijn alsof ze nooit hebben bestaan. — Henry Smith.
Vers 7
“Nochtans zult gij sterven als een mens; en als een van de vorsten zult gij vallen.” Wie aan de dood denkt, haalt de pluimen van de hoogmoed neer. Je bent maar bezield stof. Zou stof en as dan hovaardig zijn? Je lichaam is van gras, en het wordt binnenkort afgemaaid. “Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden”, maar omdat ze anders hoogmoedig zouden worden, voegt Hij er een tegengif aan toe: “nochtans zult gij sterven als een mens.” Jullie zijn stervende goden. — Thomas Watson.
Vers 7
“En als een van de vorsten zult gij vallen.” Tirannen gaan zelden in vrede naar hun graf. De meeste Caesars vielen door de handen van het volk. Alsof God zegt (q.d.): als u net als tirannen zondigt, verwacht dan ook net als zij gestraft te worden. Zoals Ik hen van hun tronen heb geworpen om hun overmoed en geweld, zo zal Ik u werpen, en u zult vallen als een van deze tirannieke vorsten. — Thomas Hall.
Vers 7
- U valt van de hoogste top van eer en goede naam. De rechterstoel die u nu kent, zal u niet meer kennen. Een van de ouden roept bij het graf van Caesar uit: Ubi nunc pulchritudo Caesaris? quo abiit magnificentia ejus? Waar is nu de schoonheid van Caesar, wat is er van zijn pracht geworden? Waar zijn nu zijn legers, zijn eerbewijzen, zijn zegetochten, zijn zegeborden? Alles was weg toen Caesar weg was. Uw eerbewijzen en waardigheden, uw macht en uw posten sterven allemaal met u, zo niet vóór u.
- U valt van uw grootste schatten en bezittingen. Zoals u niets in de wereld hebt meegebracht, zo is het zeker dat u er niets uit zult meenemen (1 Tim. 6:7). Saladin, de machtige heerser van het Oosten, is heengegaan en heeft niet meer meegenomen dan u ziet, namelijk een hemd dat daarvoor was opgehangen, zei de priester die voor de baar uit liep.
- U valt van al uw vrienden en bekenden. Als u sterft, laten zij u in de steek, ook wie u na en dierbaar waren. — George Swinnock.
Vers 7
Indrukwekkendheid is een kenmerk van de “dood” of “val” van “vorsten”. Zulke gebeurtenissen maken om allerlei redenen diepe indruk. Maar kun je dat meestal ook zeggen van het sterven van de kinderen van de armoede? Het heengaan van een machthebber kan een verbijsterend effect hebben. Heeft het heengaan van een landarbeider, bijvoorbeeld, op zichzelf dezelfde kracht om plechtigheid en ontzag te wekken? Kun je dan, ook vanuit dit oogpunt, met recht van de landman zeggen dat hij valt als een van de vorsten? Als u denkt aan de uiterlijke omstandigheden van zijn laatste ogenblikken, en meteen daarna aan die bij het levenseinde van wie in vorstelijke of statige zalen woonde, lijkt er nauwelijks reden om ook maar de geringste vergelijking te maken.
Maar ik wil dat u de man, zoals hij daar ligt aan de vooravond van zijn ontbinding, niet vergelijkt met anderen die hem in rang overtreffen en in dezelfde toestand verkeren. Zet hem naast zichzelf, toen hij in de volle kracht van het bestaan heen en weer liep en zijn eigen nederige maar zware aandeel in de zaken van deze wereld deed. Kijk dan hoe de grote Verwoester al zijn krachten heeft gebroken en niets dan een lijk heeft achtergelaten. Dan zult u zeker toegeven dat het verschil tussen de mens zoals hij was en zoals hij nu is, even groot is als het verschil kan zijn tussen de tonelen aan de sterfbedden van vorsten en van armen. Ja, en even indrukwekkend. U hoeft alleen die ingrijpende verandering haar rechtmatige werking op uw gemoed te laten hebben. Dan kunt u, wat die werking betreft, van de landarbeider zeggen dat hij “als een van de vorsten” is gevallen. Want hij heeft een les gegeven die in haar waarschuwingen even wakker schudt en even krachtig is als wat de ander ooit kan geven. — Hugh B. Moffatt, 1861.
Verzen 7-8
Uw dag komt! De heiligen heffen de luide kreet van Psalm 82:8 aan. Ze nodigen de Messias uit, de ware God, de Zoon van de Allerhoogste (Joh. 10:34), de Machtige, de Rechter en Heerser, om op te staan en Zijn erfdeel in bezit te nemen, want Hij is de erfgenaam van alle dingen. Ze vragen Hem de ware Othniël, Ehud, Samgar, Barak, Gideon, Tola, Jaïr, Jeftha, Simson en Samuël te zijn, Die een slecht bestuurde aarde zal richten, of besturen en regeren.
We zingen dit lied van Sion in Zijn oren en sporen Hem aan om snel te komen. En we zingen het elkaar toe in blijde hoop, nu de fundamenten van de aarde uit hun baan lijken te raken, omdat we hier de Messias vinden als de ware Rechter van een slecht bestuurde wereld. — Andrew A. Bonar.
Vers 8
“Sta op, o God.” Dit beeld is ontleend aan de gewone gebaren van rechters. Zij zitten meestal terwijl ze zaken aanhoren, en staan op wanneer ze het vonnis komen uitspreken. — Thomas Gataker.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1
De soevereiniteit van God over de machtigsten en hoogstgeplaatsten. Hoe die soevereiniteit zich toont, en wat we ervan mogen verwachten.
Vers 1
De aanwezigheid van de Heere in kabinetten en senaten.
Vers 2
Een zonde die veel voorkomt. Het aanzien van personen beïnvloedt vaak ons oordeel over de meningen, deugden, gebreken en het hele optreden van mensen. Dat doet anderen onrecht en richt diepe schade aan bij wie wordt gevleid.
Vers 3
Een pleidooi voor de wezen.
Vers 5
- De kenmerken van goddeloze vorsten.
(a) Onwetendheid: zij weten niet.
(b) Bewuste blindheid: noch willen zij, enz.
(c) Ongeremd verkeerd gedrag: zij wandelen steeds voort, enz.
- De gevolgen voor anderen: alle fondamenten, enz.
(a) Voor de persoonlijke veiligheid.
(b) Voor het welzijn van de samenleving.
(c) Voor de bloei van de handel.
(d) Voor de rust in het land.
(e) Voor de vrijheid van godsdienst. Alles raakt uit zijn baan. — G. R.
Vers 5 (middelste zinsnede)
Een beschrijving van de pelgrimsreis van vermetele zondaars.
Vers 6
“Gij zijt goden.” De plaats in het Oude Testament waarin de leer van de godheid van Christus besloten ligt. — J. P. Lange.
Vers 8
- De aanroeping: “Sta op”, enz.
- De voorspelling: “Want Gij bezit”, enz. — G. R.
Werk over de tweeëntachtigste psalm
“The Beauty of Magistracy. An Exposition of Psalm 82.” Door Thomas Hall, B.D. 1659-60. (In Swinnock’s Works. Deel 4. Nichol’s uitgave.)
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas