Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 81 — Treasury of David

Titel
“Voor den opperzangmeester, op de Gittith.” Over de betekenis van deze titel is maar weinig bekend. De beste uitleg die wij kennen, hebben we gegeven bij Psalm 8 in het eerste deel van dit werk. Als de titel op een druivenoogstlied wijst, zegt dat veel goeds over de vroomheid van het volk voor wie het lied was bedoeld. Ik vrees dat er maar weinig plaatsen zijn, zelfs in christelijke landen, waar men heilige lofzangen geschikt vindt voor bij de wijnpers. Maar wanneer de belletjes aan de paarden aan de Heere gewijd zijn, dan zal het druivensap opwellen onder heilige zang.
“Een psalm van Asaf.” Opnieuw staat deze dichter stil bij de geschiedenis van zijn volk. Zijn kracht lijkt te liggen in het bezingen van het verleden, in liederen die waarschuwen en vermanen. Hij is de dichter van de geschiedenis en de staatkunde van Israël. Een echte volkszanger dus, een man die vroom en vaderlandslievend tegelijk is.
Indeling
De psalm roept op tot lofzang om een gedenkwaardige dag te vieren, misschien het Pascha. Daarna wordt de verlossing uit Egypte beschreven (Ps. 81:2-8). Vervolgens wijst de HEERE Zijn volk vriendelijk terecht om hun ondankbaarheid. En Hij schildert hoe gelukkig ze zouden zijn geweest als ze Zijn geboden maar hadden gehoorzaamd.
Uitleg
Vers 2
“Zingt vrolijk Gode, onze Sterkte.” Zing zuiver en in de maat, zodat de lofzang van heel de gemeente één klank wordt. Zing met blijde tonen en een mooi geluid. En zing luid! Want de hartelijkste lof komt onze goede Heere toe. Zijn daden van liefde voor ons zeggen meer dan al onze woorden van dank ooit kunnen zeggen. Laat nooit lusteloosheid onze psalmzang verlammen, en laat halfheid hem niet doen hinken. Zing luid, jij die je hele leven aan soevereine genade dankt. Je hart is diep dankbaar, laat dat dan ook in je stem klinken.
“Onze Sterkte.” De Heere was de sterkte van Zijn volk toen Hij hen met opgeheven hand uit Egypte verloste. Hij was het ook toen Hij hen in de woestijn onderhield, hen in Kanaän vestigde, hen tegen hun vijanden beschermde en hun de overwinning gaf. Wie eren mensen méér dan hen op wie ze steunen? Laten we dus luid zingen voor onze God, Die onze sterkte en onze zang is.
“Juicht den God van Jakob.” De God van het volk, de God van hun vader Jakob, werd door de Israëlieten met blijde muziek verheven. Geen enkele christen mag daarbij zwijgen of achterblijven in de lofprijs, want deze God is onze God. Het is jammer dat de beschaafdheid van de zang van nu onze gemeenten afschrikt om uit volle borst mee te zingen. Wij genieten althans van een volle uitbarsting van lofprijs. We laten liever zien dat we geen muzikale scholing hebben, dan dat we de hartelijkheid van de zang door heel de gemeente missen.
Die deftigheid die de melodie in keurige fluistertoon prevelt, of de zang helemaal aan het koor overlaat, lijkt sterk op een bespotting van de eredienst. De goden van Griekenland en Rome mogen best met klassieke muziek worden vereerd, maar Jehova kan alleen met het hart worden aanbeden. En de beste muziek voor Zijn dienst is de muziek die het hart de meeste ruimte geeft.
Vers 3
“Heft een psalm op.” Kies een heilig lied en zet het dan in met jullie hartelijke stemmen. “En geeft de trommel.” Sla op jullie tamboerijnen, meisjes, en laat het geluid luid en opwekkend klinken. “Blaast de trompetten, slaat de trommen.” God wil niet gediend worden met somberheid, maar met vrolijke muziek. Laat de luide trom dus klinken, zoals jullie die vroeger sloegen bij “de donkere Egyptische zee.”
“De liefelijke harp met de luit.” De trom geeft het geluid, maar die moet samengaan met de harp voor de lieflijkheid, en de harp weer met andere snaarinstrumenten voor de afwisseling. Laat het hele bereik van de muziek aan de Heere gewijd zijn.
Vers 4
“Blaast de bazuin in de nieuwe maan.” Kondig de heilige maand aan, het begin van de maanden, de tijd waarin de Heere Zijn volk uit het diensthuis leidde. Helder en schel moet de oproep klinken die heel Israël roept om de Heere, de Bevrijder, te aanbidden.
“Ter bestemder tijd, op onzen feestdag.” Gehoorzaamheid moet onze aanbidding leiden, niet een bui of een gevoel. Doordat God de tijd heeft bepaald, krijgen plechtigheden en feesttijden een ernst die geen ceremoniële praal en geen kerkelijk voorschrift kan geven. De Joden hielden niet alleen de voorgeschreven maand, maar ook dat deel van de maand dat God apart had gezet. Het volk van de Heere ging die bestemde tijden voor de aanbidding in de oude tijd met vreugde tegemoet. Laten we dezelfde blijdschap voelen en nooit over de sabbat praten alsof hij iets anders kan zijn dan “een verlustiging” en “te eren.” Wie zich op deze plaats beroept, zal de feesten vieren die de Heere bepaalt, maar niet die welke Rome of Canterbury mogen voorschrijven.
Vers 5
“Want dit is een inzetting in Israel, een recht van den God Jakobs.” Het was een voorschrift dat alle stammen bond: er moest een heilige tijd worden apart gezet ter herinnering aan de barmhartigheid van de Heere. En terecht, want het was niet meer dan het recht van de Heere. Hij had aanspraak op zulke bijzondere eer.
Als iemand kan bewijzen dat het vieren van Kerstmis, Pinksteren en andere pauselijke feesten ooit door een goddelijke inzetting is ingesteld, dan zullen ook wij erop letten. Maar niet eerder. Het is net zozeer onze plicht om de overleveringen van mensen te verwerpen als om de inzettingen van de Heere te onderhouden. Bij elk ritueel en elk voorschrift vragen wij: “Is dit een recht van den God Jakobs?” En als dat niet duidelijk zo is, heeft het geen gezag over ons, want wij leven in christelijke vrijheid.
Vers 6
“Hij heeft het gezet tot een getuigenis in Jozef.” Het volk heet hier Jozef. In Egypte kende en noemde men hen waarschijnlijk als het gezin van Jozef, en Jozef was ook echt de pleegvader van het volk. Het Pascha, waarop hier waarschijnlijk wordt gedoeld, bleef een blijvende herinnering aan de verlossing uit Egypte. Alles eraan moest aan alle eeuwen en alle volken getuigen van de heerlijkheid van de Heere, Die Zijn uitverkoren volk verloste.
“Als Hij uitgetogen was tegen Egypteland.” De stammen trokken tijdens hun uittocht door een groot deel van Egypte. Overal was het feest dat ze in de nacht van Egypte’s bezoeking hadden gehouden een getuigenis voor de Heere, Die in de middernachtelijke slachting Zelf door het land Egypte was getrokken. De Israëlieten, eens zo onderdrukt, trokken als overwinnaars over het land van hun slavernij en liepen over de verslagenen heen.
“Alwaar ik gehoord heb een spraak, die ik niet verstond.” Het verband eist zeker dat we deze woorden opvatten als de taal van de Heere. Het zou de taal geweld aandoen als dit “ik” op één persoon sloeg en het “ik” in het volgende vers op een ander. Maar hoe kan de Heere spreken over een taal die Hij niet verstond? Hij weet toch alle dingen, en geen enkele manier van spreken is voor Hem onbegrijpelijk?
Het antwoord is dat de Heere hier spreekt als de God van Israël. Hij vereenzelvigt Zich met Zijn eigen uitverkoren volk, en noemt een taal die voor hen onbekend was ook onbekend voor Zichzelf. Nooit was Hij met psalm of gebed aanbeden in de taal van Egypte. Het Hebreeuws was de taal die in Zijn heilige huis bekend was, en het Egyptisch was daar vreemd en buitenlands. In de strengste zin, en niet alleen figuurlijk, kon de Heere dit zo zeggen, omdat Hij de goddeloze gebruiken en afgodische rituelen van Egypte afkeurde. In die zin kende Hij ze niet.
Van de goddelozen zal Jezus zeggen: “Ik heb u nooit gekend.” Waarschijnlijk moet deze uitdrukking in dezelfde zin worden verstaan, want ze kan ook zo vertaald worden: “een spraak die Ik niet ken, hoor Ik.” Het hoorde bij het verdriet van Israël dat hun slavendrijvers een onbekende taal spraken. Zo werden ze er voortdurend aan herinnerd dat ze vreemdelingen in een vreemd land waren. De Heere had medelijden met hen en maakte hen vrij. Daarom was het hun plicht om de herinnering aan Gods goedheid onverkort te bewaren. Het is geen kleine barmhartigheid om uit een goddeloze wereld te worden geleid en voor de Heere apart te worden gezet.
Vers 7
“Ik heb zijn schouder van den last onttrokken.” Israël was de slaaf en de sjouwer van Egypte, maar God gaf hem de vrijheid. God alleen bevrijdde het volk. Andere volken danken hun vrijheid aan hun eigen inspanning en moed, maar Israël kreeg zijn Magna Charta als een vrij geschenk van goddelijke macht. De Heere mag van ieder van Zijn bevrijden werkelijk zeggen: Ik heb zijn schouder van den last onttrokken.
“Zijn handen zijn van de potten ontslagen.” Hij hoefde niet langer aarde te dragen, te kneden en te bakken. De aardemand werd het volk niet meer opgelegd en het aantal stenen werd niet meer geëist, want ze kwamen in het open veld, waar niemand hun iets kon opleggen. Wat een beeld is dit van de verlossing van de gelovige uit de slavernij van de wet! Door het geloof glijdt de last van de zonde in het graf van de Zaligmaker, en het slaafse zwoegen van de eigengerechtigheid komt voorgoed ten einde.
Vers 8
“In de benauwdheid riept gij, en Ik hielp u uit.” God hoorde de kreten van Zijn volk in Egypte en bij de Rode Zee. Dat had hen voor altijd aan Hem moeten binden. Omdat God ons in onze nood niet verlaat, moeten wij Hem nooit verlaten. Wanneer ons hart van God afdwaalt, roepen onze verhoorde gebeden “schande” over ons.
“Ik antwoordde u uit de schuilplaats des donders.” Uit de wolk stuurde de Heere onweer op de vijanden van Zijn uitverkorenen. Die wolk was Zijn verborgen tent. Daarin hing Hij Zijn krijgswapens op: Zijn speren van bliksem en Zijn bazuin van donder. Uit die tent kwam Hij tevoorschijn en wierp Hij de vijand omver, zodat Zijn eigen uitverkorenen veilig konden zijn.
“Ik beproefde u aan de wateren van Meriba.” Zij hadden Hem beproefd en Hem trouw bevonden. Daarna beproefde Hij hen op Zijn beurt. Kostbare dingen worden getest, en daarom werd ook de trouw van Israël aan zijn Koning op de proef gesteld. Helaas schoot die jammerlijk tekort. De God Die de ene dag om Zijn goedheid werd aanbeden, werd de volgende dag gelasterd, toen het volk even de kwelling van honger en dorst voelde.
De geschiedenis van Israël is gewoon onze eigen geschiedenis in een andere vorm. God heeft ons gehoord, ons verlost, ons bevrijd. En al te vaak geeft ons ongeloof het ellendige antwoord van wantrouwen, mopperen en opstand. Onze zonde is groot, en de barmhartigheid van onze God is groot. Laten we beide overdenken en een poos stilstaan. “Sela.” Haastig lezen helpt weinig. Even gaan zitten en nadenken is heel nuttig.
Vers 9
“Mijn volk, zeide Ik hoor toe, en Ik zal onder u betuigen.” Wat nu? Zijn de mensen dan zo ongevoelig dat ze doof zijn voor hun God? Zo lijkt het, want Hij vraagt dringend om gehoor. Zijn ook wij soms niet net zo zorgeloos en onbeweeglijk?
“Israel, of gij naar Mij hoordet!” In dat “of” ligt veel besloten. Wat zijn ze diep gezonken, die zelfs God Zelf niet willen horen! De dove adder kruipt niet lager. We houden er niet van om bestraft te worden. We ontlopen liever scherpe en snijdende waarheden. En ook als de Heere ons Zelf berispt, vluchten we nog voor Zijn zachte terechtwijzing.
Vers 10
“Er zal onder u geen uitlands god wezen.” Geen vreemde god mag geduld worden in de tenten van Israël. “En gij zult u voor geen vreemden god nederbuigen.” Waar valse goden zijn, volgt vanzelf hun aanbidding. De mens is zo hopeloos verslaafd aan afgoden dat een beeld altijd een sterke verleiding blijft. Zolang de nesten er zijn, willen de vogels er graag naar terug. Geen enkele andere god had iets voor de Joden gedaan, en daarom hadden ze geen enkele reden om een andere god eer te bewijzen.
Voor ons geldt hetzelfde argument. Wij danken alles aan de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. De wereld, het vlees en de duivel hebben ons nooit gediend. Het zijn vreemden, buitenlanders, vijanden, en het past ons niet om ons voor hen neer te buigen. “Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden,” zegt onze Heere tot ons. Door de kracht van Zijn Geest willen we elke valse god uit ons hart werpen.
Vers 11
“Ik ben de Heere, uw God, Die u heb opgevoerd uit het land van Egypte.” Zo stelde Jehova Zich gewoonlijk aan Zijn volk voor. De grote verlossing uit Egypte was het beroep op de trouw van Zijn volk dat Hij het vaakst deed. Als ooit een volk aan zijn God gebonden was, dan was Israël duizendmaal aan Jehova verplicht door de wonderbaarlijke daden die Hij bij de uittocht voor hen had gedaan.
“Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.” Omdat Hij hen uit Egypte had geleid, kon Hij grote dingen voor hen doen. Hij had Zijn macht en Zijn goede wil bewezen. Het enige wat nog ontbrak, was dat Zijn volk in Hem geloofde en grote dingen van Hem vroeg. Hoe hoog hun verwachtingen ook gespannen werden, ze konden nooit meer verwachten dan de Heere wilde geven. Jonge vogeltjes in het nest sperren hun bek wijd genoeg open, en misschien schieten de oudervogels tekort in het vullen ervan. Maar zo zal het bij onze God nooit zijn. Zijn schatten van genade zijn onuitputtelijk, “zo diep als onze hulpeloze ellende, en zo grenzeloos als onze zonden.”
De Heere begon met Zijn uitverkoren volk op grote schaal. Hij deed grote wonderen voor hen en bood hun een rijke beloning voor hun geloof en liefde, als ze Hem maar trouw wilden zijn. Droevig was inderdaad de uitkomst van dit grootse proefstuk.
Vers 12
“Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord.” Zijn waarschuwingen werden verworpen, Zijn beloften vergeten, Zijn voorschriften genegeerd. Hoewel de stem van God hun niets dan goeds voorstelde, en dat zo mild als nooit eerder, bleven ze toch afdwalen.
“En Israel heeft Mijner niet gewild.” Ze wilden Zijn voorstellen niet aannemen. Ze liepen in regelrecht verzet tegen Zijn geboden. Ze snakten naar de os, de god van Egypte, en hun hart werd betoverd door de afgoden van de volken om hen heen. Dezelfde geest van afval zit in ons allemaal. En als we niet helemaal van de Heere zijn afgeweken, is het alleen genade die dat heeft voorkomen.
Vers 13
“Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten.” Er is geen straf die rechtvaardiger of zwaarder is dan deze. Als mensen zich niet laten tegenhouden, maar dwaas het bit tussen de tanden nemen en gehoorzaamheid weigeren, wie verbaast zich dan als de teugels hun op de nek worden gelegd en ze met rust worden gelaten om hun eigen ondergang te bewerken? Het zou beter zijn om aan leeuwen te worden overgegeven dan aan de lusten van ons hart.
“Dat zij wandelden in hun raadslagen.” Er was geen twijfel welke weg ze zouden kiezen. Want de mens is overal eigenzinnig en houdt van zijn eigen weg, die altijd recht tegenover Gods weg staat. Mensen die door de weerhoudende genade zijn verlaten, zondigen met overleg. Ze overleggen, redetwisten en wegen af, en kiezen dan het kwade boven het goede, met voorbedachten rade en met koel bloed. Het is een opvallende verharding in opstand wanneer mensen niet alleen uit hartstocht in de zonde vallen, maar rustig wandelen “in hun raadslagen” van ongerechtigheid.
Vers 14
“Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israel in Mijn wegen gewandeld had!” De neerbuigende liefde van God uit zich in pijnlijk verdriet over de zonde en de straf van Israël. Zulke klachten waren ook die van Jezus over Jeruzalem. Sommige leerstellig ingestelde mensen struikelen over zulke plaatsen en doen hun best om ze weg te verklaren. Maar voor wie meeleeft met het wezen van God zijn de woorden en de gevoelens duidelijk genoeg. Een barmhartige God kan niet aanzien hoe mensen door hun zonden verdriet over zichzelf ophopen, zonder dat Zijn medelijden met hen wordt gewekt.
Vers 15
“In kort zou Ik hun vijanden gedempt hebben.” Zoals Hij in Egypte Farao had neergeworpen, zo zou Hij elke vijand hebben verijdeld. “En Mijn hand gewend hebben tegen hun wederpartijders.” Hij zou hen één keer hebben geslagen en hun daarna met de rug van Zijn hand een terugslag hebben gegeven.
Zie toch wat wij door de zonde verliezen. Onze vijanden vinden de scherpste wapens tegen ons in het wapenhuis van onze overtredingen. Ze zouden ons nooit kunnen omverwerpen als we niet eerst onszelf omver hadden geworpen. De zonde ontneemt een mens zijn wapenrusting en laat hem naakt achter voor zijn vijanden. Onze twijfels en angsten zouden allang gedood zijn als we trouwer aan onze God waren geweest. Tienduizend kwaden die ons nu plagen, zouden ver van ons verdreven zijn als we ijveriger waren geweest voor heiligheid in onze levenswandel.
We moeten niet alleen nadenken over wat de zonde ons afpakt van wat we nu hebben, maar ook over wat ze ons belet te winnen. Als we erover nadenken, zien we al snel dat de zonde ons altijd duur komt te staan. Als we van God afwijken, beginnen onze innerlijke verdorvenheden zeker een opstand. Satan zal ons aanvallen, de wereld zal ons kwellen en twijfels zullen ons hinderen, en dat alles door onze eigen schuld. Salomo’s afwijking van God riep vijanden tegen hem op, en zo zal het ook bij ons gaan. Maar als onze wegen de Heere behagen, zal Hij zelfs onze vijanden met ons in vrede laten leven.
Vers 16
“Die den HEERE haten, zouden zich Hem geveinsdelijk onderworpen hebben.” Die onderwerping zou vals en vleierig zijn geweest. Toch zouden de vijanden van Israël zó diep vernederd zijn dat ze er haastig op uit waren vrede te sluiten met de stammen die God begunstigde. Zo gaat het met onze vijanden ook: ze worden bedeesd en laf wanneer wij vastberaden en zorgvuldig met de Heere wandelen. God kan de felste tegenstander in bedwang houden, en dat doet Hij ook, als wij een kinderlijke vrees voor Hem hebben, een vrome eerbied. “Maar hunlieder tijd zou eeuwig geweest zijn.” Het volk zou stevig staan en zijn voorspoed zou blijvend zijn. Niets maakt een staat of een kerk zo sterk als heiligheid. Staan wij vast in gehoorzaamheid, dan staan wij ook vast in ons geluk. Gerechtigheid bouwt op, zonde breekt af.
Vers 17
“En Hij zou het gespijsd hebben met het vette der tarwe.” Honger zou een onbekend woord zijn geweest in het hele land. Ze zouden het beste van het beste hebben gegeten, en wel in overvloed, elke dag weer. “Ja, Ik zou u verzadigd hebben met honig uit de rotsstenen.” Er zou niet alleen genoeg zijn geweest voor het levensnoodzakelijke, maar ook luxe. Zelfs de rotsen van het land zouden rijke en zoete voorraad opleveren. De bijen zouden de spleten in de rotsen vullen met heerlijke honing, en zo zou het onvruchtbaarste stuk van het land toch nog nut hebben.
De Heere kan grote dingen doen voor een volk dat Hem gehoorzaamt. Wanneer Zijn volk wandelt in het licht van Zijn aangezicht en zijn heiligheid onbevlekt bewaart, gaan de vreugde en de vertroosting die Hij hun geeft elke voorstelling te boven. Voor die mensen is de vreugde van de hemel zelfs op aarde al begonnen. Ze kunnen zingen op de wegen van de Heere. De lente van de eeuwige zomer is bij hen al aangebroken. Ze zijn nu al gezegend, en ze zien uit naar nog mooiere dingen.
Dit laat ons door het contrast pijnlijk duidelijk zien hoe droevig het is wanneer een kind van God zich als gevangene aan de zonde verkoopt en zijn ziel laat uithongeren doordat hij een andere god naloopt. O Heere, bind ons voor eeuwig aan U alleen, en houd ons trouw tot het einde.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Titel
Het is opvallend dat Psalm 80 over de kerk van God spreekt in het beeld van een wijnstok, en dat deze psalm als opschrift heeft: “op de Gittith”, letterlijk: op de wijnpers. Of dit woord een muziekinstrument aanduidt of een aanwijzing voor de melodie is, weten we niet zeker. Toen onze Zaligmaker het beeld van een wijngaard overnam voor Zijn kerk, sprak Hij ook van een wijnpers die daarin was uitgehouwen, Matth. 21:33. Dat beeld wijst in zekere zin vooruit naar de uiteindelijke uitkomst: naar de manier waarop zielen worden gered. Hetzelfde beeld van de wijnpers komt in Openbaring 16 terug voor de laatste vernietiging van de goddelozen. — W. Wilson.
Vers 3
“Trommel.” Het Hebreeuwse woord is toph. In de Engelse vertaling staat tabret of timbrel, bij de LXX tumpanon, één keer qalthrion. Het was wat wij nu een tamboerijn zouden noemen: je bespeelde haar met de hand, en vooral vrouwen gebruikten haar. In de Psalmen wordt ze drie keer genoemd: Ps. 81:3, 149:3 en 150:4. — Joseph Francis Thrupp.
Vers 3
De luit. Wat er precies bedoeld wordt met een psalter, is waarschijnlijk met geen mogelijkheid met zekerheid te zeggen. De Geneefse vertaling noemt het een viool, en de oude viool was een gitaar met zes snaren. In de vertaling van het Gebedenboek staat voor het Hebreeuwse woord luit, een instrument dat op de gitaar leek maar mooier klonk. Het Griekse woord “psalterion” betekent een snaarinstrument dat met de vingers werd bespeeld. Cassiodorus zegt dat het psalter driehoekig van vorm was en met een strijkstok werd bespeeld. Aben Ezra zag het kennelijk als een soort pijp, maar de meeste kenners houden het voor een snaarinstrument.
Het is een instrument dat lang in gebruik is geweest. In Davids tijd lezen we erover, gemaakt van dennenhout (2 Sam. 6:5), in de regering van Salomo gemaakt van algummimhout (2 Kron. 9:11), en nog in de dagen van Nebukadnezar werd het bespeeld.
Vers 4
“Blaast de bazuin,” enz. De Joden zeggen dat dit bazuinblazen plaatsvond ter herinnering aan de bevrijding van Izak, toen er een ram werd geofferd. Daarom bliezen ze op bazuinen van ramshoorns. Of het gebeurde ter herinnering aan de bazuin die klonk toen de wet werd gegeven. Maar waarschijnlijker is het een beeld van het evangelie en de bediening ervan. Daardoor worden zondaars opgeschud, wakker gemaakt en levend gemaakt, en worden zielen getrokken en aangelokt en vervuld met geestelijke blijdschap en vreugde. — John Gill.
Vers 4
De bazuin. In de Schrift is het geluid van de bazuin een heel gewoon beeld voor de stem of het woord van God. Op de berg Sinaï klonken de stem van God en de stem van de bazuin samen (Ex. 19:16,19). Eerst was het bazuingeluid het teken, daarna kwam de werkelijkheid. Zo hoorde ook Johannes de stem van de Heere als de stem van een bazuin (Openb. 1:10; 4:1). En steeds weer wordt het geluid van de bazuin genoemd als voorbode van de Zoon des mensen, wanneer Hij komt in kracht en grote heerlijkheid. Dan zal Hij het almachtige woord spreken dat de doden tot leven wekt en alle dingen nieuw maakt (Matth. 24:31; 1 Kor. 15:52; 1 Thess. 4:16).
Het geluid van de bazuin was dus een beeld van de majestueuze, almachtige stem of het woord van God. Maar dat geldt uiteraard alleen voor wat God de mensen te zeggen had. Het kon ook gebruikt worden van mensen naar God toe, of door het volk onderling. Dan was het een oproep om met meer dan gewone inzet en vuur bezig te zijn met het werk en de dienst van God. Dat was waarschijnlijk ook het eigenlijke doel van het bazuinblazen op de feesten in het algemeen, en vooral op het feest van de bazuinen op de eerste dag van de zevende maand. — Joseph Francis Thrupp.
Vers 4
“In de nieuwe maan,” enz. Het feest van de nieuwe maan werd altijd met bazuingeklank aangekondigd. Omdat de arme Joden geen sterrenkundige kennis hadden, wisten ze vaak niet goed wanneer het echt nieuwe maan was. Meestal stuurden ze mensen naar de top van een heuvel of berg, rond de tijd waarop volgens hun berekening de nieuwe maan moest verschijnen. Wie haar als eerste zag, moest dat meteen melden aan het Sanhedrin. Dat ondervroeg de boodschapper nauwkeurig: was hij wel betrouwbaar, en klopte zijn bericht met hun berekening? Als alles in orde bleek, kondigde de voorzitter de nieuwe maan af met de uitroep: mekuddash! “Zij is geheiligd.” Het volk herhaalde dit woord twee keer luid, en daarna werd het overal bekendgemaakt met hoorngeschal, wat men het geklank van de bazuinen noemt. Bij de Hindoes worden sommige feesten aangekondigd met de schelphoorn, de heilige schelp. — Adam Clarke.
Vers 4
“Ter bestemder tijd.” Het woord dat hier met “bestemde tijd” is vertaald, betekent de verborgen of bedekte periode. Dat wil zeggen: de tijd waarin de maan verborgen is of met duisternis bedekt. Deze dag was een vreugdevol feest dat elke maand terugkwam. Maar de eerste dag van de zevende maand was de plechtigste van allemaal, want hij was niet alleen de eerste van de maand, maar ook van het burgerlijke jaar. Dit heette het feest van de bazuinen, omdat het van zonsopgang tot zonsondergang werd gevierd met bazuinblazen, naar het gebod: “Het zal u een dag des geklanks zijn.”
Deze vreugde was een herinnering aan de vreugde bij de schepping en bij het geven van de wet. Ze wees ook vooruit naar het blazen van de bazuin van het evangelie, na de donkere, bedekte periode van de dood van Christus, toen het gezicht van de kerk veranderde en het jaar van de “verlosten” begon. En ten slotte beeldde ze de laatste dag uit, wanneer de bazuin van God zal klinken en de doden zullen worden opgewekt. — Alexander Pirie.
Vers 6
“Alwaar ik gehoord heb een spraak, die ik niet verstond.” De taal die Hij toen hoorde, was de godsdienstige aanbidding van afgodendienaars: geloften aan “en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten,” Rom. 1:23, en kracht en barmhartigheid gezocht bij elk voorwerp in de natuur, behalve bij Hemzelf. Het was een taal die Hem volkomen vreemd was, een taal die Hij niet kende: “Hij kende haar niet.” — William Hill Tucker.
Vers 7
“Potten,” of draagmanden. Vergelijk Ex. 6:6-7. Rosellini geeft een tekening van deze manden, naar een schildering die in een graf bij Thebe is ontdekt. “Van de arbeiders,” zegt hij, “zijn sommigen bezig de klei in vaten te vervoeren en anderen mengen haar met stro. Weer anderen halen de stenen uit de vorm en leggen ze in rijen, en nog anderen sjouwen de al gebakken of gedroogde stenen weg, met een stuk hout op hun rug en touwen aan weerszijden. Hoe ze verschillen van de Egyptenaren, zie je meteen: hun huidskleur, hun gezicht en hun baard laten geen ruimte voor twijfel dat het Hebreeën zijn.” — Frederic Fysh.
Vers 7
“Potten.” Dat waren de manden van de metselaar. Ze hingen aan de uiteinden van een juk dat over de schouders lag, aan elk uiteinde één. — William Kay.
Vers 8
“Ik antwoordde u uit de schuilplaats des donders” brengt ons bij de wolk- en vuurkolom. Daar woonde de ontzagwekkende Majesteit van God. Vanuit die kolom keek God met toornige ogen naar de Egyptenaren, vervulde Hij hen met schrik en wierp Hij hen omver. — Venema.
Vers 11
“Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.” Dit leert ons dus: hoe groter en kostbaarder de zegeningen zijn die we van Gods goedheid vragen, hoe zekerder we kunnen zijn dat we ze als antwoord op ons gebed ontvangen… Mensen zijn te laken omdat ze God op zo weinig punten erkennen, maar nog meer omdat ze bij Hem niet het hoogste goed zoeken. Toch kan het gebeuren dat mensen om mindere dingen tot God roepen en vergeefs aankloppen. Ook goede mensen kunnen vragen om tijdelijke zegeningen en ze niet krijgen. Want wat wij goed vinden, is misschien niet goed, of niet goed voor ons, of niet goed voor ons op dit moment.
Maar niemand zoekt God vergeefs om de beste zegeningen. Als we genoeg vragen, krijgen we het. De wereldse mens drinkt zijn geluk, als het die naam al verdient, op met de mond van een insect, maar de christen zuigt zijn gelukzaligheid in met de mond van een engel. Zijn genietingen zijn van dezelfde soort als het genoegen van de oneindig gelukzalige God. — John Ryland.
Vers 11
“Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.” Van een schepsel kun je gemakkelijk te veel verwachten, maar van God nooit te veel. “Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.” Maak de verlangens en verwachtingen van je ziel ruim en wijd, en God kan elke spleet tot in de uiterste ruimte vullen. Zo eren we God: door grote verwachtingen van Hem te hebben en Hem veel toe te vertrouwen. Het is een manier om God te heiligen in onze harten. — Thomas Case (1598-1682), in “Morning Exercises.”
Vers 11
“Doe uw mond wijd open.” Dit houdt in: 1. Warmte en vuur in het gebed. Je mond openen is eigenlijk je hart openen, zodat het betrokken en ruim wordt… We kunnen zeggen dat we onze mond wijd openen wanneer onze gevoelens levendig en bezield zijn en hart en lippen met elkaar overeenstemmen, of wanneer we echt bidden en niet alleen maar lijken te bidden. Dat wordt krachtig en mooi gezegd in Ps. 119:131: “Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.”
- Het houdt ook in: een heilige vlotheid en rijkdom van uitdrukking, zodat we onze zaak voor Hem ordenen en onze mond vullen met pleitgronden. Wanneer de goede mens dicht bij God komt, heeft hij veel met Hem te bespreken: veel klachten uit te spreken en veel zegeningen te vragen. Zulke momenten komen niet vaak voor, en daarom let hij des te beter op dat hij ze benut. Dan stort hij zijn hele ziel uit en zit hij niet verlegen om woorden. Want als het hart vol is, loopt de tong over. Verdriet en nood maken zelfs mensen die van nature traag van spraak zijn, welsprekend.
- Het houdt ook in: ruime hoop en verwachting. We kunnen te oneerbiedig zijn als we God naderen, en te eisend in ons verzoek. Maar als de inhoud en de manier van ons gebed goed zijn, kunnen we nooit te zeker zijn van wat we van Hem verwachten. Doe dus je mond wijd open, christen. Strek je verlangens zo ver uit als je kunt, omvat hemel en aarde in je grenzeloze wensen en geloof dat er in God genoeg is om je volkomen te bevredigen. Kom niet alleen, maar kom met vrijmoedigheid naar de troon van genade: die is opgericht voor zondaars, ja voor de voornaamste der zondaars.
Ga er dus heen en blijf er wachten, tot je barmhartigheid ontvangt en genade vindt om op tijd geholpen te worden. Wie het meest van God verwacht, ontvangt waarschijnlijk ook het meest. Wat de rechtvaardigen verlangen, hoe uitgebreid ook, zal hun worden gegeven. — Benjamin Beddome.
Vers 11
“Ik zal hem vervullen.” Denk na over wat deze belofte inhoudt: “Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.” “Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden.” Vooral dit: 1. Als we onze mond in gebed voor God openen, vult Hij hem steeds meer met passende verzoeken en pleitgronden. Wanneer wij proberen onze mond te openen, doet God hem nog wijder open. Zo ging Hij met Abraham om toen die voor Sodom pleitte: hoe langer hij bad, des te nederiger en toch des te dringender werd hij. Door te bidden worden we beter in bidden, en het gaat ons steeds gemakkelijker af. “Want een iegelijk, die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben.”
- God vult de mond met overvloedige dankzegging. Veel psalmen van David beginnen met gebed en eindigen met de meest bezielde lofzangen. Geen enkele weldaad maakt zo dankbaar als wat we ontvangen als antwoord op ons gebed. Want hoe groter het verlangen, des te zoeter is het genieten…
- We worden vervuld met de zegeningen waarom we bidden, als ze ons echt tot welzijn strekken en de eer van God dienen. Verlangen we naar nieuwe mededelingen van genade en openbaringen van goddelijke liefde? Naar een vernieuwd besef van vergevende barmhartigheid en een toepassing van het bloed van Christus? Willen we heiligheid, vrede en zekerheid? Willen we iets van God horen, Hem zien en Hem gelijk worden? Dan is dit de belofte: “Doch mijn God zal naar Zijn rijkdom vervullen al uw nooddruft, in heerlijkheid, door Christus Jezus.” Je zult hebben wat je verlangt en verzadigd worden: het zal genoeg zijn, en je zult het ook zo vinden. “De HEERE zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen.” — Benjamin Beddome.
Vers 11
Er wordt gezegd dat in Perzië nog steeds de gewoonte bestaat dat de koning, als hij een bezoeker, bijvoorbeeld een gezant, een bijzondere eer wil bewijzen, hem vraagt zijn mond wijd open te doen. De koning stopt die mond dan zo vol met zoetigheid als erin past, soms zelfs met juwelen. Hoe vreemd die gewoonte ook is, hierop wordt ongetwijfeld gedoeld in Ps. 81:11: “Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen”, en dan niet met glimmend prulwerk van juwelen, maar met een veel rijkere schat. — John Gadsby.
Vers 12
“Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord; en Israel heeft Mijner niet gewild.” Weet het, zondaar: als je uiteindelijk de hemel misloopt, wat God verhoede, dan kan de Heere Zijn handen boven je hoofd wassen en Zich vrijpleiten van je bloed. Je verdoemenis wordt dan voor je eigen deur gelegd. Dan blijkt dat er geen bedrog zat in de belofte en geen drogreden in het evangelie, maar dat jij zelf het eeuwige leven van je hebt afgestoten, wat je leugenachtige lippen ook mochten beweren: “Israel heeft Mijner niet gewild.” En wanneer de jury zich over je vermoorde ziel buigt om te onderzoeken hoe je aan je jammerlijke einde bent gekomen, word je schuldig bevonden aan je eigen verdoemenis. Niemand verliest God, behalve wie bereid is afscheid van Hem te nemen. — William Gurnall.
Vers 12
“En Israel heeft Mijner niet gewild.” Er wordt aan toegevoegd: en Israel heeft Mijner niet gewild. Preciezer gezegd: Israël werd niet door een natuurlijke drang naar Mij toe gedragen. Dat is namelijk de oorspronkelijke betekenis en kracht van het woord abha, die nog voortleeft in Job 9, waar het gebruikt wordt van schepen die door gunstige wind en stroming naar buiten worden gedragen. — Venema.
Vers 12
“Israel heeft Mijner niet gewild.” Dat wil zeggen: het was niet met Mij alleen tevreden en vond geen rustig genoegen in Mij (zoals het Hebreeuwse woord betekent). De Heere was voor hen niet goed genoeg, maar hun harten gingen van Hem weg naar andere dingen. — Thomas Sheppard, 1605-1649.
Vers 13
“Dies heb Ik het overgegeven.” Het woord “overgeven” doet denken aan een echtscheiding, waarbij een man zijn wispelturige vrouw wegstuurt en haar beveelt op zichzelf te leven… Op God overgebracht leert het ons niets anders dan dat God Zijn beschermende en leidende hand van het volk terugtrekt en het aan zichzelf overlaat. Hij houdt dan op het te tuchtigen en te beschermen, maar laat het aan de andere kant verharden en verloren gaan. — Venema.
Vers 13
“Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten,” enz. Een mens kan aan de satan worden overgegeven om zijn vlees te laten verderven, zodat zijn ziel toch behouden blijft. Maar aan de zonde zelf overgegeven worden is duizend keer erger. Dat is namelijk de vrucht van Gods toorn, en het eindigt in de verdoemenis van de ziel. Hier verwondt God als een vijand, en nog wel als een meedogenloze. We mogen gerust zeggen: God heeft nooit een man of vrouw met dit geestelijke oordeel gestraft uit goedheid en liefde. — John Shower (1657-1715), in “The Day of Grace.”
Vers 13
“Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten.” O, wat een vreselijk woord! Precies hetzelfde doet de Geest als we Zijn leiding afwijzen of ons ertegen verzetten. Hij kan lang strijden, maar Hij zal “niet in eeuwigheid twisten”, Gen. 6:3. Stel dat iemand die geleid wordt zich gaat verzetten tegen Hem Die hem leidt, en weigert Zijn aanwijzingen te volgen. Wat blijft er dan anders over dan hem aan zichzelf over te laten? Wie telkens, hardnekkig en bewust tegen de Geest ingaat, bereikt dat Hij zo iemand loslaat en niet meer leidt…
Maak er daarom jouw grote en blijvende zorg van dat de leiding van de Geest bij je blijft. Je hebt die leiding nu, bewaar haar dus goed! Kan het nog goed gaan met een christen als die leiding wordt opgeschort of van hem wordt weggenomen? Hoe dwaalt en verdwaalt hij als de Geest hem niet leidt! Hoe onwillig is hij tot het goede als de Geest hem daar niet toe buigt en neigt! Hoe krachteloos om vooruit te komen als de Geest hem niet ondersteunt! Wat voor gemene begeerten en driften krijgen de macht over hem als de Geest Zijn heilige en genadige heerschappij over hem niet uitoefent! O, het is van oneindig belang voor iedereen die bij God hoort om de leiding van de Geest te bewaren en vast te houden!
Neem een goed mens zonder die leiding. Hij is als een schip zonder stuurman, als een blinde zonder gids, als een arm kind dat niemand heeft om het te steunen, als een woeste menigte die niemand heeft om haar enigszins in toom te houden. Wat een droevig verschil is er bij dezelfde persoon tussen wat hij is als de Geest hem leidt en wat hij is als de Geest hem verlaat!
Bezwaar. “Maar doet de Geest dat ooit bij Gods volk? Trekt Hij Zijn leiding ooit terug van mensen die er eens onder leefden?”
Antwoord. Ja, helaas maar al te vaak. Het is wat Hij gewoonlijk doet als Zijn leiding niet wordt opgevolgd. Dat grieft Hem, en als Hij bedroefd is, trekt Hij Zich terug. Hij houdt Zijn eerdere genadige invloed achter of neemt die terug. Niet helemaal en niet voorgoed, maar wel voor een tijd en tot op zekere hoogte. Denk aan een gids die een reiziger moet begeleiden. Als die reiziger weigert hem te volgen of hem onvriendelijk behandelt, wat doet die gids dan? Hij trekt zich terug en laat de reiziger het zelf maar uitzoeken. Zo gaat het ook hier. Luisteren we naar de Geest als Hij ons beweegt, en gaan we zorgvuldig met Hem om, dan blijft Hij ons leiden. Doen we dat niet, dan bemoeit Hij Zich niet langer met ons.
O, let goed op hoe je met Hem omgaat. Doe dat uit edelmoedigheid, want het is laag om onvriendelijk te zijn tegen onze Gids (“Doet gij dit niet zelven, doordien gij den HEERE, uw God, verlaat, ten tijde als Hij u op den weg leidt?” Jer. 2:17). Maar doe het ook uit eigenliefde, want “gelijk wij ons jegens Hem gedragen, zo zal Hij Zich jegens ons gedragen”: “Ita nos tractat, ut a nobis tractatur.” — Thomas Jacombe (1622-1687), in “Morning Exercises.”
Vers 13
“Dies heb Ik het overgegeven … dat zij wandelden in hun raadslagen.” Dat betekende: hen overgeven aan een geest van verdeeldheid, van ontevredenheid, van nijd en jaloezie, van eerzucht, van eigenbelang en naijver. Zo ontstaat een geest van verwarring en wanorde, en daarmee ondergang en verderf. Niet beter is de uitkomst wanneer God een volk aan zijn eigen raadslagen overlaat. Zo’n volk wordt al snel een ware chaos en stort zichzelf in een puinhoop. Dan heb je net zo goed helemaal geen raad, als alleen maar de raad van mensen. — Joseph Caryl.
Vers 12
God roept Israël op om naar Hem te luisteren en Hem te gehoorzamen, maar ze willen niet: “Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord; en Israel heeft Mijner niet gewild.” Wat was het gevolg van die weigering? “Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen.” God laat Zijn toorn over hun minachting niet blijken door pest, vuur of wilde dieren onder hen te sturen. Hij zegt niet: ‘Nu ze Mijn gezag zo gering achten, zal Ik Mij flink op hen wreken. Ik lever hen over aan het zwaard, aan hongersnood, aan slopende ziekten of aan gulzige, verslindende leeuwen.’ Dat alles zou al droevig en pijnlijk genoeg zijn geweest.
Maar Hij voltrekt een veel droeviger en pijnlijker oordeel als Hij zegt: “Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen.”
Als God een ziel aan één enkele begeerte overlaat, is dat erger dan haar aan alle leeuwen ter wereld over te laten. Helaas! Die begeerte verscheurt de ziel erger dan een leeuw het lichaam kan verscheuren, en rijt haar aan stukken zonder dat iemand haar redt. Dat God hen aan hun eigen wil overgeeft, zodat ze in hun eigen raadslagen wandelen, is in feite hen overgeven aan eeuwige toorn en eeuwig wee. — George Swinnock.
Vers 13
God beweegt alles in Zijn gewone voorzienigheid volgens de eigen aard van elk schepsel. Meestal beweegt Hij alles naar de aard die Hij er al in aantreft. Waren wij onschuldig gebleven, dan waren we bewogen volgens die oorspronkelijke, rechtvaardige aard. Maar sinds de zondeval worden we bewogen volgens de aard die in ons is gekomen toen de eerste werd verdreven. Onze eerste verdorvenheid was onze eigen daad en niet Gods werk. Onze schepping danken we aan God, onze verdorvenheid aan onszelf. Nu God Zijn schepsel wil regeren, zie ik niet hoe dat anders kan dan volgens de aard die het schepsel nu heeft, tenzij God die aard wil veranderen.
God dwingt niemand tegen zijn aard in. Bij de bekering dwingt Hij de wil niet, maar Hij neigt hem genadig en krachtig. Nooit dwingt of neigt Hij de wil tot zonde. Hij laat hem over aan de verdorven gewoonten die hij zelf heeft aangenomen: “Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen” — raadslagen van hun eigen makelij, niet van God. Hij beweegt de wil, die uit zichzelf slecht is (sponte mala), naar zijn eigen aard en raadslagen.
Denk aan iemand die allerlei voorwerpen uit zijn hand werpt, elk met een eigen vorm: sommige bolvormig, andere vierkant, cilindervormig of kegelvormig. De beweging komt van de werper, maar het verschil tussen die bewegingen komt van de vorm en bouw van elk voorwerp zelf. Houd je een hand op een bal terwijl die rolt, dan beweegt hij regelmatig volgens zijn aard en vorm. Wie een kegelbal uit zijn hand werpt, veroorzaakt de beweging, maar de scheve zwaarte van de bal veroorzaakt het onregelmatige verloop. De kracht om te handelen komt van God, maar het verkeerde van die handeling komt uit onze eigen aard.
Zo is het ook met een klok of horloge met een fout in een van de raderen. Wie het opwindt of zijn hand op de raderen legt, veroorzaakt de beweging, maar het gebrek, iets wat ontbreekt, veroorzaakt de verkeerde loop. Die fout komt niet van de maker, en ook niet van degene die het opwindt en aan de gang zet, maar van een andere oorzaak. Toch loopt het niet anders zolang het in beweging is gezet, totdat het hersteld is. Onze beweging komt van God (Hand. 17:28, “In Hem leven wij, en bewegen ons”), maar de wanorde in die beweging niet. Iemands zeeziekte komt door een volle maag en niet doordat de loods het schip stuurt. God stort de begeerte niet in om haar op te wekken, ook al stelt Hij het voorwerp voor waar die begeerte zich op richt.
God leverde Christus aan de Joden over. Hij stelde Hem hun voor, maar Hij beval hun nooit Hem te kruisigen. Hij goot die boosheid niet in hen en wekte haar ook niet op. Toen Hij zag in welke gesteldheid ze verkeerden, trok Hij Zijn weerhoudende genade terug en liet Hij hen over aan het beleid van hun eigen verdorven wil. Alle verdorvenheid in de wereld komt voort uit de begeerte in ons, en niet uit de dingen die God ons in Zijn voorzienigheid voorhoudt: 2 Petr. 1:4, “Het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.” — Stephen Charnock.
Vers 14
“Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had,” enz. Soms let God niet op Zijn kinderen wanneer zij roepen. Dan komen ze vanzelf op de gedachte hoe vaak Hij Zelf heeft geroepen zonder dat zij Hem hoorden. Roept de Heere Zijn volk niet op tot hun plicht, en luisteren ze dan naar Hem? Klaagt Hij hier niet over die nalatigheid, niet alleen als over oneer maar ook als over verdriet voor Hem? Geen wonder dus dat God Zijn volk laat roepen om hun ellende en hen niet verhoort. De Heere sluit Zijn oor opdat wij zouden bedenken hoe wij onze oren hebben gesloten.
Ja, Hij sluit Zijn oren om de onze te openen. We worden bewogen om Gods roep en gebod te horen en te beantwoorden, ook al merken we dat Hij onze roep en ons geschrei niet hoort of beantwoordt. Was de Heere altijd meteen klaar om ons te horen, hoe traag zouden wij dan zijn in het luisteren naar Hem! Dan houden we vast aan onze wensen en vergeten we de meeste van onze plichten. — Abraham Wright.
Vers 14
“Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had,” enz. God spreekt alsof Hij getroost wordt als Hij maar gehoord wordt, of alsof wij Hem troosten wanneer wij naar Hem luisteren. God smeekt ons en spreekt ons indringend toe, opdat Zijn raad en Zijn geboden gehoord zouden worden: “Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had.” De Heere zegt hun zeker dat het hun tot troost zou zijn geweest (Ps. 81:15): “In kort zou Ik hun vijanden gedempt hebben, en Mijn hand gewend hebben tegen hun wederpartijders.” Toch lijkt Hij, terwijl Hij zo ontroerend spreekt, Zijn eigen vertroosting erbij te betrekken, net zo goed als de hunne. “Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had”: het zou goed voor hen zijn geweest, en het zou Mijzelf grote voldoening hebben gegeven. — Joseph Caryl.
Vers 14
“Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had,” enz. Dit alles is voor ons een diepe verborgenheid. Maar Gods verlangen naar onze redding en naar een recht zedelijk leven bij ons wordt hier heel duidelijk getoond. Laten we dus doorgaan op wat duidelijk is, en niet op wat duister is. — Thomas Chalmers.
Vers 14
“In Mijn wegen gewandeld had.” Niemand wordt gevonden op de wegen van God, behalve wie naar Zijn woorden heeft geluisterd. — W. Wilson.
Vers 15
“Mijn hand gewend.” God drukt de totale ondergang van de vijanden van Zijn volk uit met niets meer dan het keren van een hand. Hoeft God Zijn hand maar te wenden, dan zijn ze allemaal meteen verdwenen, in een oogwenk bedwongen. Raakt Hij maar even de macht, de pracht, de grootheid, de rijkdom en de kracht aan van alle tegenstanders van Zijn kerk in de wereld, dan storten ze meteen ter aarde. Eén aanraking van Gods hand maakt een einde aan onze oorlogen. — Joseph Caryl.
Vers 17
“Honig uit de rotsstenen.” De rots staat in geestelijke, verborgen zin voor Christus, de Rots van ons heil (1 Kor. 10:4). De honing uit de rots is de volheid van genade in Hem en alle zegeningen daarvan: de zekere barmhartigheden van David, de kostbare beloften van het eeuwige verbond, en het evangelie, dat zoeter is dan honing of honingraat. Daarmee worden allen vervuld en verzadigd die naar Christus luisteren en op Zijn wegen wandelen. Want alles wat hier gezegd wordt laat zien wat Israël door ongehoorzaamheid verloor, en geeft daarmee duidelijk te kennen wat zij genieten die horen en gehoorzamen. — John Gill.
Vers 17
“Honig uit de rotsstenen.” God haalt honing uit de rots: de zoetste bronnen en genietingen uit de hardheid van verdrukking. Uit de berg Golgota en het kruis komen de zegeningen die het grootste genot geven. De wereld doet het omgekeerd: uit de bronnen van vermaak maakt zij stenen en rotsen van foltering. — Thomas Le Blanc.
Vers 17
“Honig uit de rotsstenen.” De meeste reizigers die Palestina in de zomer bezochten, zagen hoeveel honing de bijen van dat land in holle bomen en rotsspleten hebben opgeslagen. In streken waar alleen de kale woestijnrotsen de eentonigheid van het landschap doorbreken, en alles rondom wijst op verlatenheid en dood, wordt de reiziger levendig herinnerd aan Gods zorg voor Zijn uitverkoren volk. Hij ziet dan de honing die de bijen buiten zijn bereik hadden verzameld, in glinsterende druppels langs de rotswand naar beneden druipen. — John Duns.
Vers 17
Zodra een volk of een persoon door God is aangenomen, spaart Hij geen kosten en vindt Hij niets te kostbaar voor hen. “En Hij zou het gespijsd hebben met het vette der tarwe; ja, Ik zou u verzadigd hebben met honig uit de rotsstenen.” Ik zou je niet alleen met tarwe gevoed hebben, dat is goed, maar met het vette der tarwe, dat is het beste. In onze kanttekening staat: “met het vet der tarwe”. Ze zouden geen zemelen hebben gehad maar meel, en wel het fijnste meel. Ze zouden niet slechts honing hebben gehad, maar honing uit de rots, die volgens natuurkundigen de beste en zuiverste honing is.
Zeker kan God niets van deze wereld te goed vinden voor Zijn volk, Hij Die de komende wereld niet te goed voor hen heeft gevonden. Zeker kan God niets van deze uiterlijke genietingen te goed vinden voor Zijn volk, Hij Die Zijn Zoon niet te goed voor Zijn volk heeft gevonden. Dat is het argument van de apostel in Rom. 8:32: “Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?” Ja, zelfs het beste van de uiterlijke goede dingen, wanneer Hij ziet dat het goed voor ons is. — Joseph Caryl.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 2
De samenzang van de gemeente moet door iedereen gedragen worden, hartelijk en blijmoedig zijn. Waarom dat zo is, en wat het oplevert.
Verzen 2-4
- De lofzang moet oprecht zijn. Hij kan alleen van Gods volk komen.
- Hij moet voortdurend zijn: zij moeten God te allen tijde loven.
- Hij moet bijzonder zijn. Er moeten tijden van bijzondere lof zijn.
(a) Door God bepaald, zoals sabbatten en plechtige feesten.
(b) Gevraagd door Gods leiding bij bijzondere verlossingen en bijzondere barmhartigheden.
- Hij moet openbaar zijn: “zingt vrolijk” (Engels: zingt luid), “geeft de trommel”, enz. — G. R.
Vers 5
De regel voor de inzettingen en de eredienst; de redenen die mensen aanvoeren om er toch buiten te gaan; voorbeelden uit verschillende kerken; de zonde en het gevaar van zulke zelfbedachte eredienst.
Vers 6
Wat er in de taal van de wereld is dat de kinderen van God niet kunnen verstaan.
Vers 7
De bevrijding van de gelovigen. Werken van de wet zijn zwaar, slaafs, nooit af, onbeloond en worden steeds drukkender. Alleen de Heere kan ons van dit slavenwerk verlossen, en Hij doet dat door genade en door Zijn kracht. We doen er goed aan de tijd van onze bevrijding te herdenken, er dankbaar voor te zijn en er naar te leven.
Vers 8
- Verhoorde gebeden: banden van dankbaarheid.
- Vroegere beproevingstijden: waarschuwende herinneringen.
- De tijd van nu is een tijd voor nieuwe verhoringen, zoals hij ook een tijd is voor nieuwe beproevingen.
Vers 8
“Wateren van Meriba.” De verschillende toetspunten in het leven van de gelovige.
Verzen 9-11
- Een barmhartige Vader die Zijn kind roept: “Mijn volk, zeide Ik hoor toe, en Ik zal onder u betuigen, Israel, of gij naar Mij hoordet!”
- Een jaloerse Vorst die Zijn wet vastlegt: “Er zal onder u geen uitlands god wezen.”
- Een alvoldoende Vriend die om vertrouwen vraagt: “Ik ben de Heere, uw God, … doe uw mond wijd open.” — Richard Cecil, 1748-1810.
Verzen 9, 12, 14
Het gebod, de ongehoorzaamheid, het leedwezen.
Verzen 12, 13
- De zonde van Israël. Zij wilden niet horen. De mond gaat open door aandachtig te luisteren: “doe uw mond wijd open”; “maar Mijn volk”, enz. Hun zonde werd zwaarder gemaakt:
- Door wat God voor hen had gedaan.
- Door de goden die zij boven Hem hadden verkozen.
- De straf.
- Hoe groot ze is: “Dies heb Ik het overgegeven”, enz.
- Hoe rechtvaardig ze is: “Israel heeft Mijner niet gewild.” — G. R.
Verzen 9, 12, 14
Het gebod, de ongehoorzaamheid, het leedwezen.
Vers 14
De uitnemende staat van een gehoorzame gelovige.
- Vijanden bedwongen.
- Genietingen die blijven.
- Overvloed in bezit.
Verzen 14-15
De zonde en het verlies van de afvallige.
Vers 15
Geestelijke vijanden bestrijd je het best met een gehoorzaam leven.
Vers 17
- Geestelijke lekkernijen.
- Door wie bereid.
- Aan wie gegeven.
- Met welke uitkomst: “verzadigd.”
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas