Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 76 — Treasury of David

Titel
“Voor den opperzangmeester, op de Neginoth.” De voorzanger krijgt hier de opdracht om dit lied uit te voeren met begeleiding van snaarinstrumenten. De leider van de harpspelers werd erbij gehaald voor zijn allerbeste spel. En dit lied is de mooiste klanken ook zeker waard, de zoetste die snaren maar kunnen voortbrengen. “Een psalm, een lied van Asaf.” Stijl en inhoud wijzen op dezelfde schrijver als bij de vorige psalm. Het is een prachtige keuze dat deze twee liederen naast elkaar staan. In psalm 75 zong het geloof over overwinningen die nog moesten komen.
Hier zingt het over zegepralen die al behaald zijn. Deze psalm is een bijzonder jubelend krijgslied, een lofzang op de Koning der koningen, het lied van een volk dat door God Zelf wordt geregeerd, voor zijn goddelijke Heerser. We hoeven in dit lied geen indeling aan te brengen, want de eenheid is er van begin tot eind zo sterk.
Uitleg
Vers 2
“God is bekend in Juda.” Is Hij in de rest van de wereld onbekend? Voor Zijn volk is Hij dat niet. Door Zijn daden van genade heeft Hij Zich zo aan hen laten kennen dat Hij voor hen geen onbekende God is. “Zijn Naam is groot in Israel.” Wanneer de Heere bekend is, wordt Hij ook geëerd. Wie Zijn Naam kennen, bewonderen hoe groot die is. Juda en Israël waren staatkundig helaas verdeeld. Toch waren de gelovigen in beide volken het eens over Jehova, hun God. En zo is het nog steeds. Welke scheuren er ook in de zichtbare kerk zitten, de heiligen “verschijnen altijd als één” wanneer ze de Heere hun God groot maken.
Buiten Zijn volk is het donker, maar binnen de kring van Zijn uitverkorenen is Jehova geopenbaard. Iedereen die Hem daar ziet, aanbidt Hem. De wereld kent Hem niet en lastert Hem daarom. Zijn kerk daarentegen brandt van verlangen om Zijn roem te verkondigen tot aan de einden van de aarde.
Vers 3
“En in Salem is Zijn hut.” In de vredige stad woont Hij. En de vrede blijft bestaan, omdat Zijn heilige tent daar staat. De kerk van God is de plaats waar de Heere woont. Hij is voor haar de Heere en de Gever van de vrede. “En Zijn woning in Sion.” Op de uitverkoren berg stond het paleis van Israëls Heere. Dat is de grote eer van de kerk: de Verlosser woont in haar door Zijn Heilige Geest. De aanvallen van de vijand zijn dan ook vergeefs. Ze richten zich immers niet alleen tegen ons, maar tegen de Heere Zelf. Immanuël, God met ons, heeft een thuis gevonden onder Zijn volk. Wie kan ons dan kwaad doen?
Vers 4
“Aldaar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van den boog.” Hij hoefde Zijn rustige woonplaats niet eens te verlaten. Hij stuurde Zijn woord uit en brak de pijlen van Zijn vijanden in tweeën, nog vóór ze konden worden afgeschoten. Wat een verheven gedachte! We zien er hoe gemakkelijk, hoe volkomen en hoe snel God ingrijpt. “Het schild, en het zwaard, en den krijg.” Elk wapen, om aan te vallen en om zich te beschermen, sloeg de Heere in stukken. Pijlen die de dood brengen en harnassen die het leven moesten redden: ze waren allemaal nutteloos toen de Verbreker Zijn machtige woord uitsprak.
Hetzelfde zien we in de geestelijke strijd van deze tijd, en van elke tijd. Geen wapen dat tegen de kerk wordt gesmeed, zal slagen, en elke tong die haar in een rechtszaak aanklaagt, zal zij veroordelen. “Sela.” Bij zo’n indrukwekkend onderwerp horen we even stil te staan. We brengen de Heere onze dankbare aanbidding. Daarom is hier een pauze ingelast.
Vers 5
“Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen.” De Heere is veel groter dan alle binnenvallende machten die Zijn volk wilden onderdrukken, ook al waren die zo machtig en groot als bergen. Assyrië had de volken geplunderd, tot het zelf rijk was geworden met bergen vol buit. Onder de mensen sprak men daar vol bewondering over. Maar de psalmdichter verafschuwt zo’n roem. Hij zegt dat de Heere veel schitterender is. Wat zijn de eerbewijzen van de oorlog anders dan opschepperij over moord? Wat is de faam van veroveraars anders dan de walm van bloedvergieten?
De Heere is anders: Hij is heerlijk in heiligheid. Zijn ontzagwekkende daden doet Hij in gerechtigheid, om de zwakke te verdedigen en de slaaf te bevrijden. Pure macht kan indrukwekkend zijn, maar daarmee is ze nog niet voortreffelijk. Als we de machtige daden van de Heere zien, zien we beide eigenschappen volmaakt samengaan.
Vers 6
“De stouthartigen zijn beroofd geworden.” Ze kwamen om te roven, en kijk! Nu zijn ze zelf beroofd. Hun stoute harten zijn koud in de dood. De pestengel heeft hun levensbloed opgedroogd. Hun hart is hun zelfs ontnomen. “Zij hebben hun slaap gesluimerd.” Dat was hun laatste slaap, de slaap van de dood. “En geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden.” Hun armen zijn verlamd. Ze kunnen geen vinger meer optillen, want de starheid van de dood heeft hen stijf gemaakt.
Wat een tafereel was het, toen het leger van Sanherib in één nacht helemaal werd vernietigd! Die handen, die woedend waren om Jeruzalem te verwoesten, konden niet eens meer van de grond komen. De dapperste krijgers waren zo hulpeloos als de verlamde bedelaars bij de tempelpoort. Zelfs hun ogen konden ze niet meer openen. Een diepe slaap verzegelde hun blik in eeuwige duisternis.
O God, wat bent U ontzagwekkend! Zo zult U ook voor ons strijden. In het uur van gevaar zult U de vijanden van Uw evangelie neerwerpen. Daarom vertrouwen wij op U en zijn we niet bang.
Vers 7
“Van Uw schelden.” Eén woord was genoeg. Er was geen enkele slag voor nodig. “O God van Jakob.” U bent de God van Uw worstelende volk, dat net als hun vader Jakob telkens weer zijn vijand overwint. U bent de God van het verbond en van de belofte. In dat genadige karakter hebt U voor Uw uitverkoren volk gestreden. “Is samen wagen en paard in slaap gezonken.” Ze zullen niet meer hinniken en niet meer ratelen. Het stampen van de paarden is verstomd en het gekletter van de wagens ook. De ruiterij maakt geen lawaai meer.
De Israëlieten hadden altijd een bijzondere angst voor paarden en voor wagens met zeisen aan de wielen. Daarom wordt de plotselinge stilte van deze hele vijandelijke macht juist hier extra bezongen als reden tot vreugde. De paarden lagen languit op de grond en de wagens stonden stil, alsof het hele leger in slaap was gevallen.
Zo kan de Heere ook over de vijanden van de kerk een slaap van het oordeel brengen, een voorbode van de tweede dood. Dat kan Hij doen als ze op het toppunt van hun macht zijn. Op het moment dat zij denken de herinnering aan Zijn volk uit te wissen. De Rabsaké’s van deze wereld kunnen angstaanjagende brieven schrijven. Maar de Heere antwoordt niet met pen en inkt. Hij antwoordt met een schelden dat in elke lettergreep de dood draagt.
Vers 8
“Gij, vreselijk zijt Gij.” Niet Sanherib, en ook niet Nisrok, zijn god. Jehova alleen is te vrezen. Met een stil schelden liet Hij het hele leger van de koning verdorren.
“Vrees Hem, heiligen, dan blijft er
niets anders meer te vrezen.”
Angst voor mensen is een valstrik. Maar het ontzag voor God is een grote deugd, met een sterke goede invloed op de menselijke geest. We moeten God diep, voortdurend en alleen vrezen. Laat alle aanbidding voor Hem alleen zijn.
“En wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van den tijd Uws toorns af?” Ja, wie? De engelen vielen toen hun opstand Zijn gerechtigheid tartte. Zo verloor ook Adam zijn plaats in het Paradijs. Farao en andere hoogmoedige vorsten verdwenen bij Zijn frons. Er is niemand op aarde, of in de hel, die de schrik van Zijn toorn kan doorstaan. Wat zijn ze gezegend die schuilen in de verzoening van Jezus! Zij hoeven de rechtvaardige toorn van de Rechter van de hele aarde niet te vrezen.
Vers 9
“Gij deedt een oordeel horen uit den hemel.” Zo’n volledige nederlaag was duidelijk een oordeel uit de hemel. Wie het niet met eigen ogen zagen, hoorden er toch over. Ze zeiden: “Dit is Gods vinger.” De mens wil Gods stem liever niet horen, als hij eraan kan ontkomen. Maar God zorgt ervoor dat ze toch gehoord wordt. De echo’s van dat oordeel over de hoogmoedige Assyriër klinken nog steeds. Ze zullen door alle eeuwen heen blijven klinken, tot lof van Gods rechtvaardigheid.
“De aarde vreesde en werd stil.” Alle volken beefden bij het nieuws en zaten er nederig en ontzet bij. Na alle onrust van de oorlog kwam er rust. De macht van de onderdrukker was gebroken, en God werd met ontzag geëerd, omdat Hij de volken stilte had geschonken. Wat kan Jehova gemakkelijk gehoor afdwingen! Misschien zal Hij in de laatste dagen, met zulke wonderen van macht in het rijk van de genade, alle bewoners van de aarde dwingen om naar het evangelie te luisteren. Dan buigen ze zich voor het gezag van Zijn alheerlijke Zoon. Zo zij het, goede Heere.
Vers 10
“Als God opstond ten oordeel.” De mensen werden stil toen Hij de rechterstoel besteeg en de bevelen van de gerechtigheid krachtig uitvoerde. Als God zwijgt, is het volk in rep en roer. Maar als Hij opstaat, zijn ze doodstil, als een steen. “Om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen.” De Bestuurder van de mensen heeft een bijzonder oog voor de armen en de verachten. Het is Zijn eerste zorg om al hun onrecht recht te zetten. “Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beerven.” Nu bezitten ze er maar weinig van. Maar hun Wreker is sterk, en Hij zal hen zeker redden.
Hij Die Zijn volk redt, is dezelfde God Die hun vijanden neerwerpt. Hij is net zo almachtig om te redden als om te vernietigen. “Eer zij Zijn Naam.” “Sela.” Sta hier even stil, en laat vrome overpeinzing de God van Jakob aanbidden.
Vers 11
“Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken.” Die grimmigheid wordt niet alleen overwonnen, ze wordt ook dienstbaar gemaakt aan Uw heerlijkheid. De mens, met zijn dreigende adem, blaast alleen maar op de bazuin van de eeuwige roem van de Heere. Woeste winden jagen schepen vaak juist sneller de haven in. De duivel blaast het vuur aan en smelt het ijzer. Daarna vormt de Heere het voor Zijn eigen doelen. Laat mensen en duivels maar razen zo veel ze willen. Ze kunnen niet anders dan Gods plannen dienen.
“Het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.” Boosaardigheid wordt aan de ketting gehouden en kan haar grenzen niet overschrijden. Het vuur dat God niet kan gebruiken, zal Hij doven. Sommigen lezen: “U zult omgorden.” Dan lijkt het alsof de Heere de woede van de mens omgordt als een zwaard, om het voor Zijn eigen plannen te gebruiken. En inderdaad zijn mensen van de wereld vaak een zwaard in Gods hand om anderen te tuchtigen. Het vers leert ons duidelijk: zelfs het wildste kwaad staat onder het gezag van de Heere. Uiteindelijk wordt het door Hem overheerst en dient het tot Zijn lof.
Vers 12
“Doet geloften en betaalt ze den HEERE, uw God.” Dat mogen we zeker doen, ter herinnering aan zulke barmhartigheid en zulke oordelen. Of we een gelofte doen, is een kwestie van keuze. Maar onze geloften nakomen is onze plicht, daar kunnen we niet onderuit. Wie God, zijn eigen God, zou bedriegen, is werkelijk een ellendeling. De Heere houdt Zijn beloften. Laat Zijn volk dan ook niet tekortschieten in de hunne. Hij is hun trouwe God en verdient een trouw volk.
“Gij allen, die rondom Hem zijt! Laat hen Dien, Die te vrezen is, geschenken brengen.” Laat de volken in de omtrek zich onderwerpen aan de enige levende God. Laat Zijn eigen volk met blijdschap zijn offers brengen. Laat Zijn priesters en Levieten voorop gaan in het heilige offer. Wie zo geprezen moet worden als onze God, verdient meer dan alleen woorden van eerbetoon. Hij verdient werkelijke tribuut. Ontzagwekkende Vorst, kijk, ik geef mijzelf aan U.
Vers 13
“Die den geest der vorsten als druiven afsnijdt.” Hun moed, hun vaardigheid en hun leven liggen in Zijn hand. Hij kan ze wegnemen, zoals een tuinman een loot van een plant afsnijdt. “Niemand is groot in Zijn hand.” Caesars en Napoleons vallen onder Zijn macht, zoals de takken van een boom onder de bijl van de houthakker. “Die den koningen der aarde vreselijk is.” Zij zijn voor anderen vreselijk, maar Hij is vreselijk voor hén. Als ze zich tegen Zijn volk keren, maakt Hij korte metten met hen. Ze vergaan voor de schrik van Zijn arm. “De HEERE is een krijgsman; HEERE is Zijn Naam!” Juich voor Hem, jullie allen die de God van Jakob aanbidden.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Geen enkele psalm heeft meer recht om op psalm 75 te volgen dan deze. Hij is opgedragen aan de voorzanger, met begeleiding van snaarinstrumenten (vergelijk Ps. 4:1): een psalm van Asaf, een lied. Soortgelijke uitdrukkingen komen in beide psalmen voor: God van Jakob (Ps. 75:10 en 76:7), en heiligen en goddelozen der aarde (Ps. 75:9 en 76:10). Ook het hele lied draagt hetzelfde stempel. Dat pleit voor één schrijver. Ook in andere opzichten vormen ze een paar. Psalm 75 bereidt de weg voor een goddelijke daad van oordeel, die nabij is. Psalm 76 bezingt dat oordeel als voltrokken. — Franz Delitzsch.
Vers 2
“God is bekend in Juda.” God wordt alleen echt en tot zaligheid gekend in en door Zijn Zoon. In Zijn werken wordt Hij wel gekend, maar vaag en gedeeltelijk, als een God van macht. In Zijn voorzienigheid kennen we Hem als een God van gezag, wijsheid en orde. In Zijn algemene barmhartigheid kennen we Hem als een God van mildheid, en in Zijn straffen en oordelen als een God van gerechtigheid. Maar in Christus, Die in het evangelie wordt uitgelegd en gepredikt, wordt God gekend met een heldere, vertroostende en zaligmakende kennis: als een Vader vol genade, bijzondere barmhartigheid en goedertierenheid.
Wat zegt de psalmdichter? In Juda is God bekend. “Zijn Naam is groot in Israel.” In Juda, dat is in Zijn kerk, waar Zijn woord en Zijn verordeningen zijn, waar Christus wordt gepredikt en het geheim van de zaligheid van de mens wordt geopend, daar wordt God gekend. Echt, zonder dwaling. Helder, zonder duisternis. En zaligmakend, zonder onzekerheden. Hij wordt er gekend als een Koning in Zijn hoven, vanwege de heerlijkheid en schoonheid die Hij daar laat zien. Als een leraar in Zijn school, vanwege de wijsheid en kennis die Hij daar uitdeelt. Als de bewoner van Zijn huis, vanwege de heilige ordeningen die Hij daar voorschrijft, en vanwege het genadige bestuur dat Hij daar vestigt en voert in de zielen van Zijn knechten.
Hij wordt gekend als een bruidegom in het bruiloftshuis, vanwege de geestelijke lekkernijen die Hij daar klaarmaakt, vanwege de heldere en openlijke openbaring van Zichzelf, en vanwege de liefde en de troost die Hij daar aan Zijn geestelijke vrienden en gasten schenkt. En Zijn Naam is groot in Israël. Zijn macht, wijsheid, waarheid, liefde en goedheid worden zeer verheerlijkt, en ze zijn zeer glorierijk in het begrip van wie Hem kennen in Christus Jezus. — Alexander Grosse.
Vers 2
Zijn Naam. Met de Naam van God wordt hier God Zelf bedoeld. God laat Zich aan Zijn kerk op zoveel goede manieren zien, dat Hij ook zoveel namen krijgt waarmee de kerk Hem kan prijzen. Neem bijvoorbeeld de belofte van genade en barmhartigheid die Hij Zijn kerk uit vrije wil geeft: dan geeft de kerk Hem een naam en noemt Hem barmhartig. Houdt Hij Zijn belofte en toont Hij Zich trouw aan Zijn kerk, dan noemt de kerk Hem een waarachtig God. Redt Hij Zijn kerk uit gevaar en toont Hij Zich machtig en geducht voor Zijn vijanden, dan noemt de kerk Hem een machtig God.
En zo gaat het door bij al Zijn andere daden: elke daad geeft de kerk een nieuwe reden om Hem een naam te geven. Met de Naam van God wordt hier dus God Zelf bedoeld, zoals Hij Zich in Zijn wonderlijke werken laat kennen. — Robert Bruce.
Vers 2
Zijn Naam is groot in Israel. Wat in Israël – dat is de kerk – eigenlijk groot is, dat is de naam van Jezus. Die naam is groot door zijn kracht, want hij betekent Zaligmaker. Onder de hemel is geen andere naam waardoor wij gered moeten worden. Die naam is ook groot in waardigheid, want het is de naam boven alle naam… En hij is groot in bereik, zoals Psalm 8:2 zegt: “Hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde.” — Thomas Le Blanc.
Vers 3
En in Salem is Zijn hut. Jeruzalem heet niet zonder reden Salem. Daarmee wordt gezegd dat Gods tabernakel, ondanks de aanval van de vijanden, midden in de onrust van de oorlog in vrede bleef. En als dat zelfs toen zo was, hoeveel meer zal er dan welvaart zijn nu de indringers zijn neergeslagen? — Hermann Venema.
Vers 3
En in Salem is Zijn hut. God de Heilige Geest is een Geest van vrede. Hij is de Trooster en Hij verzegelt de vrede (2 Kor. 1:22). Deze gezegende duif brengt de olijftak van de vrede in Zijn snavel. Een vredelievende gezindheid in een mens laat zien dat er iets van God in hem is, en daarom woont God er graag. “In Salem is Zijn hut”: Salem betekent vrede, en God woont in een vredelievende geest. — Thomas Watson.
Vers 3
En in Salem is Zijn hut, enz. Alle oude vertalingen, en ook de beide Engelse, hebben iets belangrijks in deze plaats gemist, namelijk één bijzondere kracht van deze woorden. De woorden wijzen niet rechtstreeks naar een menselijke woning, maar naar het leger van de Leeuw van Juda. Het woord sukko betekent niet alleen ‘Zijn hut’, maar ook ‘Zijn schuilplaats’, en zo wordt het op een andere plaats vertaald (Jer. 25:38): “Hij heeft, als een jonge leeuw, Zijn hutte verlaten.” Het vagere woord me’onato dat daarna volgt, kan goed worden weergegeven met ‘hol’ of een soortgelijke uitdrukking. Ps. 10:9. — Simon De Muis.
Verzen 3–4
Onder alles wat God krachtig doet en werkt onder de mensenkinderen ligt Zijn zorg voor Salem, of Sion. Elk machtig werk van God, overal ter wereld, kun je met deze twee verzen inleiden. Ze vertellen waarom Hij doet wat Hij doet. De hele loop van de wereld wordt door Gods voorzienigheid gestuurd met het oog op het welzijn van Salem. — John Owen.
Vers 4
Aldaar. Let op hoe er staat: ‘Aldaar heeft Hij verbroken’, dat wil zeggen in Zijn tempel, Zijn woning daar. Het vers ervoor voert ons namelijk daarheen, want dat werd het laatst genoemd, en met de grootste nadruk. In het verhaal lezen we dat de nederlaag van Sanherib voortkwam uit het gebed van Hizkia in de tempel. Toen Hizkia Sanheribs brief kreeg en hoorde van de lastering, ging hij meteen naar de tempel en begon zijn gebed met de woorden: “O HEERE, God Israels, Die tussen de cherubim woont!” Hij roept God aan als Degene Die in het heilige der heiligen woont en daar gebeden hoort. Zo staat het opgetekend, zowel in Jesaja als in 2 Kon. 19:15.
En wat past het mooi dat God in deze psalm daarop antwoordt! Hij sprak het vonnis meteen uit vanuit Zijn tabernakel, en zó plotseling dat de uitvoering zelf daar heet te zijn gebeurd, dat wil zeggen: vanuit die plaats. Toch heet het in het negende vers van de psalm weer een vonnis uit de hemel: Gij deedt een oordeel horen uit den hemel (het heet een oordeel, omdat het het vonnis was van God als Rechter). Zo bad Hizkia en zo hoorde God, en beide keren in de tempel. Gebed en antwoord kwamen dus uit dezelfde plaats. — Thomas Goodwin.
Vers 4
Aldaar. Deze mannen, de koning van Assur en zijn medeplichtigen, kwamen om God uit Zijn woonplaats te verjagen. Maar Hij stond op om Zijn eigen huis te verdedigen en liet hun zien dat Hij niet zou wijken omdat zij dat wilden. — Robert Bruce.
Vers 5
God was niet bekend in Babel, in Egypte of bij andere volken. Zijn tabernakel en woonplaats waren niet bij hen, en daarom waren zij niet glorierijk. Maar kijk wat er in het vijfde vers staat: “Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen.” Dat geldt voor jou, Juda, voor jou, Israël, voor jou, Salem, en voor jou, Sion. Jullie hebben geestelijke barmhartigheid en zegeningen, en daarom ben je heerlijker dan zij, hoe groot hun glans ook is.
Hebben de volken om je heen mooie torens? Jij hebt de tempel. Hebben zij statige steden? Jij hebt Jeruzalem, de stad van God. Hebben zij wijze mannen? Jij hebt de profeten. Hebben zij goden van goud, zilver en steen? Jij hebt de ware, levende God, Jehova, als jouw God. Hebben zij menselijke wetten die goed zijn? Jij hebt goddelijke wetten die daar ver bovenuit steken. Hebben zij aardse voortreffelijkheden? Jij hebt geestelijke. Hebben zij de pracht van de wereld? Jij hebt de pracht van de hemel. — William Greenhill.
Vers 5
De roofbergen. Waarom heten ze roofbergen? Het verwijst naar de schuilplaatsen van de leeuwen in de bergen, waaruit zij uitvallen op wie daar langskomt, om die in stukken te scheuren. Zo werd hierboven ook Gods woonplaats voorgesteld als een tabernakel of leger. Bovendien is dit een verborgen bijnaam voor de bergen van Juda. Daarmee wordt te kennen gegeven dat vijanden die dat leger durven te naderen meestal worden verscheurd. Een afschrikwekkend voorbeeld daarvan was zojuist getoond bij de Assyriër, die daar werd neergeworpen, verscheurd en beroofd. Vergelijk Jes. 31:4. — Hermann Venema.
Vers 6
De stouthartigen zijn beroofd geworden. Deze woorden wijzen op een ontzetting van de geest die iemand zijn oordeel en zijn kracht ontneemt. De dapperen zijn van hun hart beroofd. Mensen die anders wijs en moedig waren, hebben nu hun hart verloren en zijn vervallen tot dwaasheid en stompzinnigheid. — Hermann Venema.
Vers 6
De stouthartigen zijn beroofd geworden. Nadat hun wapens zijn gebroken, wordt gezegd dat zij beroofd zijn, want dat volgt op de slachting van de vijanden. Dat wordt ook niet zonder reden vermeld, want het laat zien dat het rechtvaardig is. Zij kwamen om te beroven, en daarom zijn zij terecht zelf beroofd. — Musculus.
Vers 6
De stouthartigen zijn beroofd geworden. Sommigen vertalen: Zij zijn van hun stoute hart beroofd. Of: de stouthartigen, de sterken, zijn beroofd. Een sterke man kan door een sterkere worden beroofd, en dat is een goede gedachte. Maar mooier is de vertaling: zij zijn van hun stoute hart beroofd. Dat wil zeggen: de Heere haalt hun hart uit hun borst. Stoutmoedige mannen die nergens bang voor zijn, veranderen in Magor-missabibs, ‘schrik van rondom’. Hun stoute harten worden hun ontnomen. Ze jagen anderen dan ook geen schrik meer aan, integendeel: ze vluchten voor de schaduw van een mens. Hun moed is weg, helemaal weg. Ze kunnen een kind geen vastberaden blik meer geven, laat staan gevaren of vijanden recht in de ogen zien. — Joseph Caryl.
Vers 6 (laatste zinsdeel)
De kracht en macht van een mens zit in zijn handen. Als die weg zijn, is al zijn hoop weg. Neem je een man zijn zwaard af, dan doet hij met zijn handen wat hij kan. Maar zijn zijn handen weg, dan kan hij net zo goed gaan slapen, want dan zal hij niemand meer last bezorgen. Dat mensen hun handen niet kunnen vinden, wil zeggen dat zij de macht om hun plannen uit te voeren, die zij eerst hadden, niet meer hebben. — John Owen.
Vers 6 (laatste zinsdeel)
Van iemand die mank of lui loopt, zeggen we: ‘Hij kan zijn voeten niet vinden.’ Zo zeggen we ook van iemand die mank of lui te werk gaat, of van een soldaat die slap en laf vecht, dat hij zijn handen niet kan vinden. — Joseph Caryl.
Verzen 6–7
Want de Engel des Doods spreidde zijn vleugels op de storm
en blies de vijand in het gelaat toen hij voorbijtrok;
de ogen van de slapers werden doods en kil,
hun harten zwollen één keer nog, en lagen voorgoed stil!
Daar lag het strijdros, de neusgaten wijd,
maar de adem van zijn trots stroomde er niet meer door;
het schuim van zijn hijgen lag wit op het gras,
zo koud als het schuim van de branding op de rots.
Daar lag de ruiter, verwrongen en bleek,
met dauw op zijn voorhoofd en roest op zijn maliën;
de tenten stonden stil, de banieren alleen,
geen lans werd geheven, geen bazuin klonk meer.
— George Gordon, Lord Byron.
Vers 7
In slaap gezonken. Opmerkelijk is dat het werkwoord hier hetzelfde is als in het verhaal over de daad van Jaël en over de dood van Sisera, Israëls trotse vijand. Ook hij werd door Gods macht in diepe slaap gebracht, via de hand van een vrouw. — Christopher Wordsworth.
Vers 8
Gij, vreselijk zijt Gij. De nadruk ligt op het woord U, dat zelfs verdubbeld is. Het is alsof er staat: niet overheden, niet machten, niet de hel, niet de dood, niets voor zichzelf, maar U, o Heere, alleen bent te vrezen. Er worden in de tekst twee argumenten genoemd om dit te bevestigen. Het eerste komt voort uit Gods toorn: Hij heeft besloten wraak te nemen over alle hoogmoedigen en voert dat ook uit. Het tweede komt voort uit Zijn macht: geen vorsten, legers, mensen of engelen kunnen de adem van Zijn woede verdragen. Want: “Wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van den tijd Uws toorns af?”… De toorn van God is een vreselijke, onuitsprekelijke, onhoudbare, onverdraaglijke last. Elk woord in de tekst heeft een eigen nadruk om dat te bewijzen. Let maar op.
Wie zal bestaan? Wie? Zullen engelen het kunnen? Zij zijn maar als gebroken lichtstralen: als God Zijn aangezicht verborg, zouden zij ophouden te schijnen. Zal de mens het kunnen? Zijn glans en praal verdwijnen als de kleuren van de regenboog wanneer God in toorn de schittering van Zijn aangezicht laat uitgaan. Zullen duivels het kunnen? Spreekt Hij het woord, dan storten zij als een bliksem uit de hemel.
Voor Uw aangezicht bestaan. Bestaan! Wat? Een riet tegenover een ceder? Een distel op de Libanon tegenover een ceder op de Libanon? Een veertje tegenover een vlam? Een sprinkhaan tegenover de Almachtige? Een glazen kop tegenover een koperen roede? Van den tijd Uws toorns af. Toorn! Toornig doordat Hij Zijn gramschap uitzendt, zodat zij verwondt als pijlen. Toornig doordat Hij haar uitgiet, zodat zij verdrinkt als water. Toornig doordat Hij haar aansteekt, zodat zij brandt als vuur: een verterend vuur. Maar je zegt me dat zo’n vuur gedoofd kan worden. Dan een onblusbaar vuur! Maar ook dat kan ophouden te branden als er geen brandstof meer is.
Het is dus, in één woord, een eeuwig vuur dat nooit uitgaat. Dát is het! Zo’n toorn wordt alleen volledig zichtbaar in de straf van de verworpenen: in geen andere straf dan die in de hel, en in de hel in geen andere dan de eeuwige. — John Cragge, in “Cabinet of Spiritual Jewells,” 1657.
Vers 10
Als God opstond ten oordeel. Dit grote oordeel werd over de vijanden voltrokken toen God opstond. Het gebeurde niet toen God zat. Zolang Hij zat, bleven Zijn vijanden bovenaan. Ze roerden zich volop en woedden, zonder dat iemand hen tegenhield, in moord, onderdrukking en bloedvergieten… Hier laat de profeet God optreden zoals onze aardse rechters dat doen. Eerst gaan zij zitten, onderzoeken, zoeken uit en overleggen. Na rijp beraad nemen zij een besluit, en daarna staan zij op, spreken het oordeel uit en kondigen het vonnis af. Zo laat de profeet ook God optreden: zittend, en na het zitten opstaand om het vonnis af te kondigen. — Robert Bruce.
Vers 10
Om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Hier zien we hoe God zorgt voor wie het zwaar hebben. Als Hij boos is op de goddelozen, is dat vooral omdat zij de armen en onschuldigen hebben onderdrukt. Hij verafschuwt alle onrecht, maar het meest verontwaardigd is Hij over het onrecht tegen de behoeftigen en onschuldigen. Zo ook in Psalm 12: “Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE.” Zo ook in dit vers, toen God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. — Musculus.
Vers 10
Is dit niet de dag waarop de Zaligmaker komt om te regeren? De dag waarop we het best zullen zien hoe alles is uitgepakt? De dag waarop elke heilige met gezalfd oog zal zien dat alle gebeurtenissen strekten tot Gods heerlijkheid? De dag waarop zij veel mooier zullen zingen dan nu?
“Voorzeker, de grimmigheid des mensen prijst U;
Gij omgordt U met het overblijfsel der grimmigheid.”
— Andrew A. Bonar.
Vers 11
Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken. Vervolgingen helpen om de gebreken van goede mensen te verbeteren, en ze laten hun verschillende genaden en deugden oefenen en zien. Daardoor worden goede mensen meestal veel beter en beproefder. Vervolging oefent onze lijdzaamheid, brengt onze godsvrucht tot leven, bewijst onze ijver en christelijke standvastigheid, en laat de hele wereld zien hoeveel liefde we voor de waarheid hebben en hoeveel we willen verdragen tot eer van God.
Zolang we er niets voor hebben geleden, wordt de waarheid maar al te gemakkelijk goedkoop en minder waard gevonden, vaak zelfs door mensen die in de grond goed zijn. Aan de andere kant waarderen we haar nooit hoger, zijn we er nooit ijveriger voor en maken we er nooit beter gebruik van dan wanneer zij wordt tegengestaan en vervolgd.
Wat is dan werkelijk nuttiger, of meer tot eer van God, dan dat God, Die gewend is goed uit kwaad voort te brengen, ook de bestrijders van Zijn waarheid gebruikt? Daarmee schudt Hij Zijn dienaren wakker die Hij slapper en nalatiger ziet worden dan het hoort. Hij laat zulke verzoekingen over hen komen en laat hen aanvallen, zodat hun slaperige geest wordt aangespoord tot meer liefde en ijver voor de waarheid en tot een dieper besef van Gods weldaad daarin, en zo in het algemeen wordt opgewekt om hun plicht ijveriger te doen. — Richard Pearson, 1684.
Vers 11
“De grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken.” In de Septuaginta, de oude Griekse vertaling, staat: “De grimmigheid van de mens zal voor U feest vieren, zal een feest voor U groter maken.” Heel vaak klimt God omhoog op de schouders van de satan. Zitten de zaken in de knoop en is alles een warboel, dan vindt Hij precies het goede einde van de draad en weet Hij hoe Hij ons weer kan ontwarren. Hebben wij een zaak verprutst, dan buigt Hij haar toch ten goede en haalt Hij voordeel uit dingen die de eer van Zijn Naam lijken te verduisteren. — Thomas Manton.
Vers 11
“De grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken.” De woede van goddeloze mensen tegen Gods volk draagt sterk bij aan Zijn lof. Dat gebeurt op meerdere manieren.
- Die woede zet hen aan tot allerlei listige plannen en sluwe streken. Als Hij die plannen verijdelt, wordt Gods wijsheid en Zijn zorg voor Zijn kerk volop zichtbaar en geëerd.
- De woede van goddeloze mensen drijft hen tot talloze gewelddadige aanvallen op Gods volk, om het uit te roeien. Zo geeft ze God de gelegenheid om te laten zien hoe krachtig Hij Zijn volk beschermt.
- Soms maakt die woede hen geschikt om Gods werktuig te zijn bij het tuchtigen van Zijn volk. Zo reinigt Hij Zichzelf van de verdenking dat Hij de zonde beschermt bij hen die Hem het nauwst verwant zijn. Mensen die heiligheid haten, bevorderen haar dan juist bij Zijn volk. En wie Gods kinderen het ergste kwaad wil doen, bezorgt hun het grootste goed.
- De woede geeft Hem gelegenheid de kracht van Zijn genade te tonen. Hij ondersteunt de geest van Zijn volk en houdt Zijn kerk in stand, wat vijanden ook tegen hen ondernemen.
- Ze maakt Gods meest indrukwekkende daden voor Zijn volk in de wereld nog mooier.
- Ze laat de heerlijkheid van Gods gerechtigheid zien over de vijanden van Zijn volk, op de dag dat Hij opstaat om Zich op hen te wreken. Dan staat Hij boven hen en geselt hen met schorpioenen. Bij elke slag herinnert Hij hen aan hun vroegere wreedheid. “Hier, dit is voor je mensonterende woede tegen Mijn volk, op die plaats. En dit voor je barbaarse behandeling ervan, toen en toen. Zie nu eens hoe goed het is om gevangen gezet, geslagen, gemarteld, verbrand en doorgezaagd te worden.” Zo moeten de vijanden zelf vaak met Adoni-Bezek erkennen dat Gods rechtvaardige hand op hen rust, op de dag van het onderzoek. — Samengevat uit de preek van John Warren voor het Parlement, 1656.
Vers 11
“De grimmigheid des mensen.” Grimmigheid is toorn tot het hoogste niveau opgevoerd, of opgeblazen tot een vlam. Staat er “de grimmigheid des mensen”? In het oorspronkelijke Hebreeuws staat: de grimmigheid van Adam, ofwel de grimmigheid van klei, van de zwakke, machteloze mens. “Zal U loffelijk maken” betekent: ze loopt door Gods overheersende voorzienigheid uit op Zijn lof en eer, hoewel de mens dat helemaal niet bedoelde. God zal er eer voor Zichzelf uit halen en Zijn eigen heilige en wijze plannen mee dienen…
De uitdrukking “de grimmigheid des mensen” wijst al op de zwakte en onmacht ervan. Het is maar de grimmigheid van Adam, van rode klei. Hoe geringschattend spreekt de Geest van God in de Schrift over de mens en zijn macht! “Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?” Zelfs als de grimmigheid van de mens tot het uiterste wordt opgevoerd, kan ze niet verder gaan dan het lichaam doden. Ze kan alleen de huls van klei breken waarin de ziel woont. Meer kan ze niet. — Ebenezer Erskine.
Vers 11
“Zal U loffelijk maken.” God laat de grimmigheid van de mens uitdraaien op lof voor Zijn aanbiddelijke soevereiniteit. Nooit hebben de kinderen van de Heere zo’n diep ontzag voor Gods soevereiniteit gehad als wanneer zij in de smeltoven van de woede van mensen zaten. Dan zwijgen ze van verbazing. Toen de Chaldeeuwse en Sabeese rovers op Jobs bezit werden losgelaten om te plunderen en te roven, kon hij daarin Gods aanbiddelijke soevereiniteit zien. Hij zei: “De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!” In zo’n geval zegt God tot Zijn eigen volk: “Laat af, en weet, dat Ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de heidenen.” Welk werk van God aan de kerk wordt door de woede van mensen bevorderd?
- Zijn werk van scheiden. Met de wind van de woede van mensen scheidt Hij het kostbare van het waardeloze, het kaf van het koren. Als het goed gaat met de kerk en het rustig is, lopen huichelaars en echte gelovigen door elkaar, zoals kaf en koren op de dorsvloer. Maar de Heere doet als de boer de deur van Zijn schuur open en laat de wind van de woede van mensen erdoor waaien. Zo ziet de wereld wat wat is. Vrienden, er is al veel kaf opgewaaid, zowel onder predikers als onder belijders. Toch moeten we vrezen dat wind en wan er nog veel meer zullen opwerpen voordat alles voorbij is.
- Gods werk van zuivering onder Zijn eigen kinderen. In de woestijn blijft er veel schuim van het bederf aan Gods volk kleven. Nu maakt de Heere de oven van de woede van mensen heet en werpt Zijn volk erin. Zo zal Hij hen, nadat Hij hen beproefd heeft, als goud tevoorschijn halen.
- Gods werk van verenigen. In tijden van vrede en uiterlijke rust gaan Christus’ schapen uit elkaar en raken ze verdeeld. Dan laat God de honden op hen los, en de kudde rent weer bij elkaar. Of ze smelten, als stukken metaal in het vuur, samen tot één klomp.
- Gods werk van uitbreiden, het verspreiden van het evangelie. Ook dat wordt soms bevorderd door de woede van mensen. Handelingen 8:1–5. Het evangelie is als kamille: hoe harder je erop trapt, hoe meer het zich uitbreidt. — Ebenezer Erskine.
Vers 11
“Het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.” Het overblijfsel van de grimmigheid is wat er van de woede van de mensen overblijft nadat God Zichzelf daardoor heeft verheerlijkt. Ook als God de plannen van goddeloze mensen heeft verijdeld en hen heeft laten bijdragen aan Zijn eer, blijft er nog een overvloed aan woede over. Maar wat gebeurt er met de woede die overblijft? God houdt haar in toom. Het woord betekent: opbinden. God vindt het goed de teugel van Zijn voorzienigheid soms te laten vieren. Dan laat Hij goddeloze mensen hun woede en vijandschap uiten, zolang dat tot Zijn eer strekt. Maar wat daarboven uitgaat en niet dient tot Zijn eer en het voordeel van Zijn volk, bindt Hij op, zodat ze het niet kunnen uiten…
Blijft er enige grimmigheid van de mens over die meer is dan wat God lof oplevert? Dan houdt Hij haar in bedwang en bindt haar op, zoals het water van een molen. Hij laat net zoveel water op het rad stromen als nodig is om het rond te draaien en Zijn koren te malen. Maar de rest van het water stuurt Hij een andere kant op. Zo laat God net zoveel van de stroom van de woede van mensen uitlopen als dient voor Zijn heerlijkheid en ons goed. Wat overblijft van die stroom houdt Hij tegen en stuurt Hij een andere kant op.
In Jesaja 28 staat dat God niet eeuwig dorst: “hij dorst het niet geduriglijk dorsende; noch hij breekt het met het wiel zijn wagens, noch hij verbrijzelt het met zijn paarden. Zulks komt ook voort van den HEERE der heirscharen; Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad.”
Al deze troost is zeker en vast. Er is geen enkele twijfel mogelijk: de vlam van de woede van mensen zal de Heere loven, en het overtollige vuur wordt gedoofd of ingedamd. Want hier hebben we Gods erewoord erop: “Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.” — Ebenezer Erskine.
Vers 11
“Het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.” Het Hebreeuwse woord chemoth, “grimmigheden”, staat hier in het meervoud. Het lijkt bewust tegenover chamoth te staan, de enkelvoudige grimmigheid van de mens in het eerste deel van het vers. Zo laat de dichter zien dat er meer grimmigheid is die God in toom zal houden dan alleen die van mensen.
Er is ook meer hoogmoed die zo’n beteugeling nodig heeft. Denk aan die van de eerste Lucifer, die zondigde en, zo denkt men, viel doordat hij naar boven wilde klimmen en de Allerhoogste gelijk wilde zijn. Er zijn tot slot ook andere plannen, andere grimmigheid en andere hoogmoed dan de menselijke, die God in de war stuurt. Er bestaat een wijsheid die niet van boven afkomt (nee, ze groeit ook niet op aarde), maar duivels is, Jakobus 3:15. Grimmigheid, hoogmoed en wijsheid, van duivels én van mensen, zal God allemaal beteugelen wanneer Hij ze niet tot Zijn lof wil laten uitdraaien. Laat er maar helse samenzweringen zijn: onze God brengt ze in verwarring. — Uit “A Sermon preached”… voor de Koningin… door Edward Wetenhall, bisschop van Cork en Ross, 1691.
Vers 11
“Het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.” In het Hebreeuws staat hier één woord: tachgor. Het betekent dat de woede aan alle kanten omgord en vastgebonden wordt. Ze kan dus op geen enkele manier meer uitbreken. Ze wordt vastgehouden, als een hond aan een ketting of een leeuw in zijn hol, hoe woest hij ook is. — Cornelius Burges, in “Another Sermon preached to the Honourable House of Commons… November the fifth, 1641.”
Vers 12
“Rondom Hem.” Dit beschrijft Gods volk, zoals de twaalf stammen rondom de tabernakel hun kamp hadden, Numeri 2:2. En zoals de vierentwintig oudsten rondom Gods troon zaten, Openbaring 4:4. Zo verklaart ook de Chaldeeuwse vertaling het: u die rondom Zijn heiligdom woont. — Henry Ainsworth.
Vers 13
“Afsnijden.” God behandelt vorsten zoals mensen een wijnstok behandelen. Een bijl is veel te zwaar voor een druiventros of een rank. Je snijdt ze zo af. Zo snijdt God met één oordeel de geest van vorsten moeiteloos af. Tegen de geringste oordelen van God houden ze geen stand. Geeft Hij wormen of een ander schepsel kracht, dan vallen ze. — William Greenhill, in een preek met de titel “The Axe at the Root.”
Vers 13
“Die den geest der vorsten als druiven afsnijdt.” Het woord betekent: Hij knipt af, zoals je een bloem tussen je vingers afknipt of een tros druiven van de wijnstok. Zo snel is het gebeurd. Hoe wankel bleek de uiterlijke glans en wereldse gelukzaligheid van veel groten, tot hun eigen ellende! Wat heeft een korte tijd veel veranderd aan al hun eer, rijkdom en vermaak! Keizer Hendrik de Vierde was een zegevierend leider die tweeënvijftig veldslagen had geleverd. Toch raakte hij voor zijn dood zo verarmd dat hij moest smeken om een prebende in de kerk van Spiers, een inkomen om hem op zijn oude dag te onderhouden.
Procopius vertelt over koning Gelimer, een machtig koning van de Vandalen. Hij was zo diep gevallen dat hij zijn vrienden vroeg hem een spons, een brood en een harp te sturen: een spons om zijn tranen te drogen, een brood om in leven te blijven en een harp om zichzelf in zijn ellende te troosten. Philippe de Commines vertelt over een hertog van Exeter. Hoewel hij getrouwd was met een zus van Eduard de Vierde, zag Commines hem in de Nederlanden blootsvoets bedelen. En Belisarius, de belangrijkste man van zijn tijd, werd uiteindelijk met uitgestoken ogen aan een touw rondgeleid. Hij riep: “Geef een halve stuiver aan Belisarius.” — Jeremiah Burroughs.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 2
Eerbied voor Gods Naam, in verhouding tot de mate waarin we Hem werkelijk kennen.
Vers 3
Gods bijzondere band met Zijn kerk.
Vers 3 (eerste zinsdeel)
Een vredige kerk is de tabernakel van God. Wat vrede ons oplevert, wat ruzie kapotmaakt, waar verdeeldheid vandaan komt en hoe we eenheid kunnen bevorderen.
Vers 4
De glorie van christenen, of de overwinningen die de kerk heeft gekregen op heidendom, ketterij, vervolging enzovoort.
Vers 4
- Waar vijanden worden overwonnen: “Aldaar.” Niet zozeer op het slagveld als in het huis van God. Zo werd Amalek verslagen door Mozes op de berg, en Sanherib door Hizkia in het heiligdom.
- Hoe gebeurt dat daar?
(a) Door geloof.
(b) Door gebed. “De wapenen van onzen krijg”, enzovoort.
Vers 5
De Heere als ons erfdeel, vergeleken met de schatten van de rijken.
Vers 5
- Wat de wereld is, vergeleken met de kerk: roofbergen.
(a) Wreedheid in plaats van liefde.
(b) Geweld in plaats van vrede.
- Wat de kerk is, vergeleken met de wereld.
(a) Heerlijker, omdat ze voortreffelijker is.
(b) Voortreffelijker, omdat ze heerlijker is. Beide zijn echter en duurzamer. — G. R.
Vers 6
“Zij hebben hun slaap gesluimerd.” Verschillende soorten dood of slaap voor de verschillende groepen mensen.
Vers 8
De toorn van God. Een onderwerp dat veel te zeggen geeft.
Verzen 9–10
- De mensen die hier beschreven worden: de zachtmoedigen van de aarde.
- De behoefte die hierin besloten ligt.
(a) Gerechtvaardigd te worden.
(b) Verlost te worden.
- God komt voor hen tussenbeide: “Gij deedt”, enzovoort. Toen God opstond, enzovoort.
- Het gevolg van hun verlossing: “De aarde vreesde”, enzovoort. — G. R.
Vers 11
- Het kwaad wordt toegelaten ten goede: de grimmigheid, enzovoort.
- Het kwaad wordt ten goede beteugeld: “Het overblijfsel”, enzovoort.
Of: 1. Bestuurd.
- Overheerst. — G. R.
Vers 12
- Aan wie geloften gedaan mogen worden. Niet aan mensen, maar aan God.
- Welke geloften we zo moeten doen.
(a) Geloften van toewijding aan God.
(b) Geloften van dienst aan Hem.
(c) Geloften van zelfopoffering.
- Hoe we ze houden: “Doet geloften en betaalt ze.”
(a) Uit plicht.
(b) Uit vrees voor Zijn mishagen. — G. R.
Vers 12
Hoe passend het is om geschenken aan de Heere te brengen, hoe verplichtend, hoe fijn en hoe nuttig.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas