Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 77 — Treasury of David

Titel
“Voor den opperzangmeester, over Jeduthun.” Het was passend dat er weer een andere voorzanger aan de beurt kwam. In de hof van het huis van de Heere mag geen enkele harp zwijgen. “Een psalm van Asaf.” Asaf was een man die veel had doorstaan, en hij sloeg vaak de mineurtoon aan. Hij was een denker, een mijmeraar en een gelovige, maar er zat ook een zweem van weemoed in hem. Juist dat geeft zijn liederen hun kracht en hun eigen smaak. Wie hem echt wil begrijpen, moet zelf het harde werk op de woeste wateren hebben meegemaakt en menige Atlantische storm hebben doorstaan.
Indeling
Volgen we de opbouw van het gedicht en splitsen we het bij de Sela’s, dan zien we eerst de ontstelde man van God smeken (vers 2-4). Daarna horen we hem klagen en met zichzelf in discussie gaan (vers 5-10). In vers 11-16 gaan zijn gedachten naar God toe. Aan het eind lijkt hij als in een visioen de wonderen bij de Rode Zee en in de woestijn voor zich te zien.
Op dat moment, alsof hij helemaal opgaat in verrukking, breekt hij de psalm plotseling af. Het effect daarvan is verrassend sterk, bijna een schok voor de lezer. De Geest van God weet wanneer Hij moet ophouden met spreken. Dat weten lang niet alle sprekers: velen rekken hun woorden tot vermoeidheid toe uit, alleen om een nette afsluiting te krijgen. Misschien was deze psalm bedoeld als inleiding op de volgende. Dan is dat abrupte einde meteen verklaard.
Dit lied is alleen bedoeld voor ervaren gelovigen. Maar voor hen is het zeldzaam kostbaar, omdat zij hun eigen strijd van binnen er als in een afschrift in terugvinden.
Uitleg
Vers 2
“Mijn stem is tot God, en ik roep.” Deze psalm is vol verdriet, maar we mogen er zeker van zijn dat hij goed afloopt. Hij begint immers met gebed, en een gebed loopt nooit slecht af. Asaf haastte zich niet naar mensen, maar naar de Heere. En hij ging niet met verzorgde, plechtige, opgeblazen woorden, maar met een kreet: de natuurlijke, onopgesmukte, oprechte uiting van pijn.
Hij gebruikte ook zijn stem. Hardop bidden is voor het gebed niet nodig, maar onze verlangens dringen het ons vaak op. Soms moet de ziel haar stem gebruiken, want zo kan haar angst gemakkelijker weg. Het is een geruststelling om de alarmbel te horen als er dieven in huis zijn.
“Mijn stem is tot God.” Hij keerde terug naar zijn smeekbede. Was één keer niet genoeg, dan riep hij opnieuw. Hij had een antwoord nodig, hij verwachtte er een en hij wilde het graag snel hebben. Daarom riep hij steeds weer, en ook nog hardop, want het geluid gaf zijn ernst kracht.
“En Hij zal het oor tot mij neigen” (Engels: en Hij neigde het oor tot mij). Volharding won het. De poort ging open voor het aanhoudende kloppen. Zo zal het ook bij ons gaan in onze tijd van beproeving: de God van alle genade zal ons horen, op Zijn tijd.
Vers 3
“Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den HEERE.” De hele dag dreef zijn nood hem naar zijn God. Toen de nacht viel, zocht hij nog steeds verder. God had Zijn gezicht voor Zijn knecht verborgen. Daarom was het eerste wat deze bedroefde gelovige wilde: de Heere opnieuw vinden. Dat was recht op de kern van de zaak afgaan en eerst de grootste hindernis wegnemen. Ziekte en verdriet zijn goed te dragen als we God hebben gevonden. Zonder Hem drukken ze ons tegen de grond.
“Mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af” (Engels: mijn wond liep des nachts en hield niet op). Zoals overdag, zo drukte ook ’s nachts zijn nood op hem en ging zijn gebed door. Sommigen van ons weten wat dit betekent, lichamelijk én geestelijk. De stilte van de nacht bracht ons geen rust. Ons bed was een folterbank, ons lichaam een en al kwelling en onze geest een en al angst.
Het lijkt erop dat deze zin verkeerd vertaald is en dat er eigenlijk staat: “mijn hand was de hele nacht uitgestrekt.” Dan blijkt dat zijn gebed nooit ophield. Met opgeheven hand bleef hij bij zijn God om hulp vragen.
“Mijn ziel weigerde getroost te worden.” Sommige troost wees hij af omdat die te zwak was voor zijn nood, andere omdat ze onwaar was, weer andere omdat ze onheilig was. Vooral door zijn verwarring sloeg hij zelfs de troost af die voor hem juist had moeten werken. Hij deed als een zieke die zelfs het voedzaamste eten weigert.
Het is onmogelijk om mensen te troosten die niet getroost willen worden. Je kunt iemand naar het water van de belofte brengen, maar wie laat hem drinken als hij niet wil? Menige dochter van de moedeloosheid heeft de beker van de vreugde van zich afgeduwd. Menige zoon van het verdriet heeft zijn eigen ketenen omarmd. Soms vertrouwen we goed nieuws niet en laten we ons niet tot vrede overhalen, terwijl de goede waarheid zo duidelijk voor ons ligt als de koninklijke weg.
Vers 4
“Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar.” Hij Die voor het geloof een bron van vreugde is, wordt voor het verwarde hart van de psalmdichter een reden tot schrik. Gods gerechtigheid, heiligheid, macht en waarheid hebben allemaal een donkere kant. Ja, elke eigenschap van God kan ons zwart toeschijnen als ons oog kwaad is. Zelfs de glans van Gods liefde kan ons verblinden. Dan vult hij ons met de vreselijke gedachte dat wij er part noch deel aan hebben.
Wat een ellende voor wie door de herinnering aan de eeuwig Gezegende alleen maar verdrietig wordt! Toch kennen ook de beste mensen de diepte van deze afgrond.
“Peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt.” Hij piekerde en piekerde, maar zonk alleen maar dieper. Zijn onrust viel niet in slaap zodra hij die had uitgesproken. Ze kwam juist terug en sloeg over hem heen als de woeste golven van een zee in woede. Niet alleen zijn lichaam leed pijn, ook zijn edelste wezen kronkelde van smart. Zijn leven zelf leek in de grond gedrukt. In zo’n toestand verlangt iemand naar de dood als verlichting, want het leven is dan een onverdraaglijke last.
Als er geen geest meer in ons is om onze zwakheid te dragen, is onze situatie hopeloos. We zijn dan als een man die zijn kleren kwijt is en in een doornstruik zit. Elke haak van de doornen wordt een mes en we bloeden uit duizenden wonden.
Helaas, mijn God, wie dit schrijft weet heel goed wat Uw knecht Asaf bedoelde, want zijn ziel kent de weg van het verdriet. Diepe dalen en eenzame grotten van zielsmoedeloosheid, mijn geest kent jullie vreselijke duisternis maar al te goed!
“Sela.” Laat het lied zacht klinken. Dit is geen vrolijke dans voor de snelle voeten van de dochters van de muziek. Houd even stil en geef het verdriet de ruimte om adem te halen tussen zijn zuchten.
Vers 5
“Gij hieldt mijn ogen wakende.” De angst die Uw slagen in mij oproepen, laat mijn oogleden niet dichtvallen. Mijn ogen blijven wakker als schildwachten die niet mogen rusten. Slaap is een grote trooster, maar hij verlaat bedroefde mensen. Dan wordt hun verdriet alleen maar dieper en vreet het zich in de ziel vast. Als God onze ogen wakker houdt, welk slaapmiddel kan ons dan nog rust geven? Wat hebben we veel te danken aan Hem Die Zijn geliefden slaap geeft!
“Ik was verslagen, en sprak niet.” Groot verdriet is stom. Diepe rivieren razen niet tussen de keien, zoals ondiepe beekjes die van een regenbui leven. Wie met zijn hart in de put zit, vindt geen woorden meer.
Asaf had tot God geroepen, maar tot mensen kon hij niet spreken. Wat een genade is het dat we niet hoeven te wanhopen als we het eerste kunnen, ook al lukt het tweede helemaal niet. Slapeloos en sprakeloos was Asaf tot het uiterste gekomen. Toch kwam hij weer overeind, en zo zal het ook ons gaan.
Vers 6
“Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen.” Was er in zijn eigen tijd niets goeds, dan doorzocht zijn geheugen het verleden op zoek naar troost. Het wilde graag licht lenen van de altaren van gisteren om de duisternis van vandaag te verlichten. Het is onze plicht om troost te zoeken. We mogen niet in norse luiheid toegeven aan wanhoop. Als we in alle rust nadenken, schiet ons soms iets te binnen waardoor onze geest weer overeind komt.
Bijna geen onderwerp geeft zo waarschijnlijk troost als de dagen van weleer, de jaren van lang geleden. Toen werd de trouw van de Heere door scharen van Zijn volk beproefd en bewezen.
Toch werd de goede man hier eerder neerslachtig van dan blij. Hij zette zijn eigen trieste toestand af tegen alles wat stralend was in de eerbiedwaardige ervaringen van de heiligen van vroeger. Zo klaagde hij nog méér. Wat een droevige ramp is een geest met geelzucht: hij ziet niets zoals het gezien moet worden, maar alles als door een sluier van mist.
Vers 7
“Ik dacht aan mijn snarenspel; in den nacht overlegde ik in mijn hart.” Vroeger had zijn geest zelfs voor het donkerste uur een lied. Nu kon hij aan dat snarenspel alleen nog terugdenken als aan iets wat voorbij was. Waar is de harp die eens meetrilde bij de aanraking van die blije vingers?
“Mijn tong, ben je vergeten te loven? Kun je alleen nog treurige liedjes zingen? Ach, wat ben ik diep gevallen! Wat jammerlijk dat ik, die als de nachtegaal de nacht kon betoveren, nu een passende makker ben voor de krassende uil.”
“Overlegde ik in mijn hart.” Hij hield niet op zichzelf te onderzoeken. Hij was vastbesloten de bodem van zijn verdriet te vinden en het tot de bron na te sporen. Hij ging er serieus voor aan het werk: hij sprak niet alleen met zijn verstand, maar met zijn diepste hart. Het was hartenwerk.
Hij was geen leegloper en geen treurende speler. Hij zat er bovenop, was actief bezig en was vastbesloten niet lamlendig aan wanhoop te sterven. Hij wilde voor zijn hoop vechten tot het laatste ogenblik van zijn leven.
“En mijn geest onderzocht.” Hij doorzocht zijn ervaring, zijn geheugen, zijn verstand, zijn hele wezen, zijn hele zelf. Hij wilde troost vinden, of ontdekken waarom die hem werd onthouden. Wie nog genoeg zielskracht over heeft om zo te worstelen, zal niet sterven door de hand van de vijand.
Vers 8
“Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten?” Dit was een van de dingen die hij onderzocht. Hij wist uit pijnlijke ervaring dat de Heere Zijn volk een tijdlang kan verlaten. Maar hij vreesde dat die tijd verlengd zou worden en nooit meer zou eindigen. Daarom vroeg hij gretig: zal de Heere hen die van Hem zijn helemaal en voorgoed verwerpen? Zal Hij toelaten dat zij Zijn verachte, eeuwige weggeworpenen worden?
Dit kon niet waar zijn, daarvan was hij diep overtuigd. Geen enkel voorbeeld uit de jaren van lang geleden gaf hem reden om dat te vrezen.
“En voortaan niet meer goedgunstig zijn?” Goedgunstig was Hij geweest. Zou die goede wil zich nooit meer laten zien? Was de zon ondergegaan om nooit meer op te komen? Zou de lente nooit meer volgen op de lange, sombere winter? Angst bracht deze vragen op, maar ze zijn ook het medicijn tegen angst. Het is een zalige zaak, een groot voorrecht, om genoeg genade te hebben om zulke vragen recht in de ogen te kijken. Het antwoord is immers vanzelfsprekend, en het is bij uitstek geschikt om het hart te verblijden.
Vers 9
“Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op?” Als Hij geen liefde meer heeft voor Zijn uitverkorenen, heeft Hij dan niet nog Zijn barmhartigheid? Is die opgedroogd? Heeft Hij geen medelijden met bedroefde mensen? Is de belofte van geslacht op geslacht afgelopen? Zijn woord is verpand aan wie met Hem pleiten. Is dat krachteloos geworden?
Zal men kunnen zeggen dat het woord van de Heere van het ene geslacht op het andere op de grond is gevallen? Terwijl Hij vroeger Zijn verbond hield aan alle geslachten van wie Hem vrezen?
Het is verstandig om het ongeloof zo door de catechismus te halen. Elke vraag is een pijl die recht op het hart van de wanhoop is gericht. Zo hebben ook wij in onze donkere dagen gevochten voor ons leven zelf.
Vers 10
“Heeft God vergeten genadig te zijn?” Is El, de Sterke, groot geworden in alles behalve in genade? Weet Hij wel hoe Hij moet bedroeven, maar niet hoe Hij moet ondersteunen? Kan Hij iets vergeten? En kan Hij vooral vergeten die eigenschap uit te oefenen die het dichtst bij Zijn wezen ligt? Want Hij is liefde!
“Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten?” Zijn de leidingen van Zijn goedheid verstopt, zodat de liefde er niet meer doorheen kan stromen? Verlangt het hart van Jehova niet meer naar Zijn eigen geliefde kinderen?
Zo wordt het ongeloof met slag na slag geraakt en uit de ziel verjaagd. Het werpt vragen op en wij gaan het met vragen te lijf. Het laat ons belachelijk denken en doen, en wij overladen het met hoon. Het betoog in dit gedeelte lijkt sterk op een bewijs door ongerijmdheid: je laat zien dat iets tot onzin leidt. Haal de schijn eraf, en wantrouwen is een monsterlijk stuk dwaasheid.
“Sela.” Rust hier een poosje, want de strijd van de vragen heeft een windstilte nodig.
Vers 11
“Daarna zeide ik: Dit krenkt mij.” Hij heeft de strijd gewonnen. Hij spreekt nu redelijk en overziet het slagveld met een koeler hoofd. Hij belijdt dat dit hem krenkt: ongeloof is een zwakte, een tekort, een dwaasheid, een zonde.
Je kunt de woorden ook zo opvatten: “dit is het leed dat voor mij bestemd is,” en ik zal het zonder klagen dragen. Als we merken dat onze nood ons door de Heere is toegemeten en dat het ons aangewezen deel uit de beker is, berusten we erin. Dan verzetten we ons niet langer tegen het onvermijdelijke. Waarom zouden we niet tevreden zijn als het de wil van de Heere is? Wat Hij beschikt, is niet aan ons om te bekritiseren.
“Maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert” (Engels: maar ik zal de jaren der rechterhand des Allerhoogsten gedenken). Onze vertalers vullen hier veel aan. Volgens hen wil de psalmist zich troosten door te denken aan Gods goedheid voor hemzelf en voor anderen van Zijn volk in vroegere tijden. Maar de grondtekst lijkt alleen te bestaan uit de woorden “de jaren van de rechterhand van de Allerhoogste.” Dan is de gedachte dat zijn lange verdrukking, die zich over verscheidene jaren uitstrekte, hem was toebedeeld door de Soevereine Heere van alles.
Het is goed als het nadenken over Gods goedheid en grootheid alle klagen stil maakt en een kinderlijke berusting geeft.
Vers 12
“Ik zal de daden des HEEREN gedenken.” Vlieg terug, mijn ziel, weg van de onrust van nu, naar de grootse gebeurtenissen van de geschiedenis. Denk aan de verheven daden van Jehova, de HEERE der heirscharen. Hij is dezelfde en staat ook nu klaar om Zijn knechten te verdedigen, net als in de dagen van ouds.
“Ja, ik zal gedenken Uw wonderen van ouds her.” Wat er ook in de vergetelheid mag wegglijden, de wonderbare werken van de Heere uit de oude dagen mogen niet vergeten worden. Het geheugen is een passende dienstmaagd voor het geloof. Als het geloof zijn zeven jaren van hongersnood krijgt, opent het geheugen zijn graanschuren, zoals Jozef deed in Egypte.
Vers 13
“En zal al Uw werken betrachten.” Wat een zoet werk, en wat een rijke bezigheid voor de ziel: in Jehova’s genadewerk binnengaan, daar neerliggen en het herkauwen, met elke gedachte opgenomen in dat ene kostbare onderwerp.
“En van Uw daden spreken.” Het is goed dat de overvloed van de mond laat zien welke goede stof het hart vult. Overdenking maakt het spreken rijk. Het is jammer dat zoveel gesprekken van belijders volkomen onvruchtbaar zijn, omdat zij geen tijd nemen om na te denken.
Wie veel nadenkt, moet ook een prater zijn. Anders is hij een geestelijke vrek, een molen die koren maalt alleen voor de molenaar. Het onderwerp van ons nadenken moet uitgelezen zijn, dan zal ons werk ook opbouwend zijn. Denken we na over dwaasheid en doen we alsof we wijs spreken, dan weet iedereen al gauw hoe tweeslachtig we zijn.
Heilig spreken dat op overdenking volgt, heeft een troostende kracht in zich, voor onszelf en voor wie luisteren. Daarom is het zo waardevol in het verband waarin we het hier vinden.
Vers 14
“O God! Uw weg is in het heiligdom,” of: in heiligheid. In de heilige plaats begrijpen we onze God. Daar zijn we er zeker van dat al Zijn wegen rechtvaardig en recht zijn. Soms kunnen we Zijn weg niet nagaan, omdat hij “in de zee” is. Dan is het een rijke troost dat we hem toch kunnen vertrouwen, want hij is in heiligheid.
We moeten gemeenschap hebben met heiligheid als we “de wegen van God met de mens” willen begrijpen. Wie wijs wil zijn, moet aanbidden. De reinen van hart zullen God zien, en zuivere aanbidding is de weg naar het begrip van Gods voorzienigheid.
“Wie is een groot God, gelijk God?” In Hem zijn het goede en het grote met elkaar verweven. Hij overtreft ons in beide. Niemand kan ook maar een ogenblik met de Machtige van Israël vergeleken worden.
Vers 15
“Gij zijt die God, Die wonder doet.” U alleen bent almachtig. Rond de valse goden hangt de schijn van wonderen, maar U doet ze echt. Wonderen doen is Uw eigen voorrecht. Het is voor U niets nieuws of vreemds, het hoort bij Uw gewoonte. Hierin ligt een nieuwe reden voor heilig vertrouwen. Het zou pas een groot wonder zijn als we de wonderdoende God niet vertrouwden.
“Gij hebt Uw sterkte bekend gemaakt onder de volken.” Niet alleen Israël, maar ook Egypte, Basan, Edom, Filistea en alle volken hebben de macht van Jehova gezien. In de oude tijd was dat geen geheim, en tot op de dag van vandaag wordt het wijd en zijd verkondigd.
Gods voorzienigheid en Zijn genade staan beide vol met bewijzen van Zijn macht. In Zijn genade valt Hij vooral op als “machtig … te verlossen.” Wie zal niet sterk zijn in het geloof als er zo’n sterke arm is om op te leunen? Zal ons vertrouwen wankelen terwijl Zijn macht boven elke twijfel verheven is? Mijn ziel, zorg ervoor dat deze gedachten je wantrouwen verjagen.
Vers 16
“Gij hebt Uw volk door Uw arm verlost, de kinderen van Jakob en van Jozef.” Heel Israël werd uit Egypte geleid: de twee stammen die van Jozef afkomstig waren, en ook alle stammen van Jakobs andere zonen. Dat gebeurde door een openbaring van Gods kracht. Let wel: die wordt hier niet aan Zijn hand toegeschreven, maar aan Zijn arm, want Zijn arm laat zien wat Hij allemaal aan macht in huis heeft. De gelovigen van vroeger wezen steeds opnieuw terug op de wonderen bij de Rode Zee. Dat kunnen ook wij met hen doen, en laten we dan niet vergeten om het lied van het Lam toe te voegen aan het lied van Mozes, de knecht van God.
Zulk nadenken geeft ons rijkelijk troost, dat ligt voor de hand. Want Hij Die Zijn volk uit het slavenhuis heeft geleid, zal blijven redden en bevrijden, totdat wij de beloofde rust bereiken.
Sela. Hier volgt weer een korte pauze, om ons voor te bereiden op een laatste uitbarsting van zang.
Vers 17
“De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden.” Het lijkt wel alsof het water voelde dat zijn Maker er was: de zeeën stonden klaar om weg te vluchten voor Zijn gezicht. Wat een dichterlijk beeld! De psalmist ziet het tafereel voor zich en schildert het prachtig. Het water zag zijn God, terwijl de mens weigert Hem te zien. Het water was bang, terwijl trotse zondaren in opstand komen en de Heere niet vrezen.
“Ook waren de afgronden beroerd.” Tot in hun diepste kern werden de watermassa’s met schrik vervuld. De stille grotten van de zee, diep onder het oppervlak, trilden van angst. En de allerlaagste geulen kwamen droog te liggen, toen het water van zijn plaats wegstoof, in paniek voor de God van Israël.
Vers 18
“De dikke wolken goten water uit.” De Heere hoefde maar te spreken, en de onderste luchtlagen stelden zich gehoorzaam in dienst om het Egyptische leger neer te halen. De wolkenwagens van de hemel joegen voorwaarts om hun stortvloed los te laten. “De bovenste wolken gaven geluid.” Hoog uit de lucht dreunde het vreselijke geschut van de HEERE der heirscharen. Donderslag na donderslag rolde over de hoofden van de vluchtende vijanden. Het bracht hun verstand in de war en maakte hun schrik nog groter.
“Ook gingen Uw pijlen daarhenen.” Bliksems schoten weg als pijlen van Gods boog. Snel, heen en weer, flitsten de rode vlamtongen en glansden op helm en schild. Dan weer onthulden ze, met blauw waarschuwingsvuur, de binnenste grotten van de hongerige zee, die wachtte om de hoogmoed van Misraïm te verslinden. Zie hoe alle schepselen op hun God wachten en hun kracht tonen om Zijn vijanden neer te werpen.
Vers 19
“Het geluid Uws donders was in het ronde,” of: in de wervelwind. De storm raasde met vreselijke snelheid voort en nam alles mee wat hij tegenkwam. Hij leek wel een wagen die op hol is geslagen. Uit die vurige wagen klonk een stem (ja, Uw stem, o Heere!), zoals een machtige man in de strijd zijn strijdros voortdrijft en het luid toeroept. De hele hemel galmde van de stem van de Heere.
“De bliksemen verlichtten de wereld.” De hele aardbol baadde in het licht van Jehova’s bliksems. Geen ander licht was nodig in de strijd van die vreselijke nacht. Elke golf glansde in de vuurschichten en de oever lag verlicht in de gloed. Wat zagen de mensen bleek in dat uur! Rondom hen sprong het vuur van zee naar oever, van rots naar heuvel, van berg tot ster, totdat het hele heelal baadde in licht, ter ere van Jehova’s zegepraal.
“De aarde werd beroerd en daverde.” Ze beefde, en ze beefde opnieuw. Uit meeleven met de zee vergat het vaste land zijn rust en schudde van ontzetting. Hoe vreselijk bent U, o God, wanneer U in Uw majesteit uitgaat om Uw overmoedige tegenstanders te vernederen!
Vers 20
“Uw weg was in de zee.” Diep in de verborgen kanalen van de oceaan ligt Uw heerbaan. Wanneer U het wilt, maakt U van een zee een hoofdweg voor Uw glorierijke tocht. “En Uw pad in grote wateren.” Daar waar de golven bruisen en zwellen, wandelt U nog steeds, Heere van elke golf met zijn schuimkop. “En Uw voetstappen werden niet bekend.” Niemand kan Uw sporen volgen, noch met zijn voet, noch met zijn oog. U staat alleen in Uw heerlijkheid, en Uw wegen blijven verborgen voor sterfelijke ogen.
Wat U van plan bent, brengt U tot stand. Maar de middelen blijven vaak verborgen. Eigenlijk hoeven ze niet eens verborgen te worden: ze zijn op zichzelf te groot en te geheimzinnig voor ons verstand. Eer zij U, o Jehova!
Vers 21
“Gij leiddet Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aaron.” Wat een overgang: van storm naar vrede, van toorn naar liefde! Rustig als een kudde werd Israël voortgeleid, door mensen die de overweldigende glans van Gods aanwezigheid verhulden. De slager van Egypte was de herder van Israël. Zijn vijanden dreef Hij voor Zich uit, maar Zijn volk ging Hij voor. Hemel en aarde streden aan Zijn kant tegen de zonen van Cham, en dienden evengoed het welzijn van de zonen van Jakob.
Daarom sluiten we deze psalm af met vrome blijdschap en vol troost. Het is het lied van iemand die vergeten was hoe hij moest spreken, en toch veel liefelijker leerde zingen dan zijn tijdgenoten.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Wanneer en door wie deze psalm ook geschreven is: hij is duidelijk persoonlijk, niet nationaal. Als we ons voorstellen dat het volk hier in de ik-vorm aan het woord komt, gaat alle schoonheid, tederheid en diepte van gevoel in het eerste deel verloren. De toespelingen op de geschiedenis van het volk laten zeker zien dat het een tijd van nationale nood was. Ze laten ook zien dat de lieflijke zanger zelf gebukt ging onder de last van die tijd en gedrukt werd door rampen die hij niet kon verlichten. Maar het is zijn eigen verdriet, niet dat van anderen, waaronder hij zucht en waarvan hij dit aangrijpende verslag heeft nagelaten. — J. J. Stewart Perowne.
Vers 2
Aan het begin van de psalm haast de dichter zich om, nog voordat hij over zijn pijn spreekt, het noodzakelijke en meest werkzame middel tegen verdriet te laten zien. Hij zegt dat hij niet deed wat velen doen uit ongeduld of morren. Hij beschuldigde God niet van wreedheid of tirannie. Hij sprak geen godslasterlijke woorden waardoor er oneer op God zou kunnen vallen. Hij bespoedigde zijn eigen ondergang niet door zich over te geven aan droefheid en wantrouwen, en hij vulde de lucht niet met nutteloos geklaag. Hij vluchtte rechtstreeks naar God, stortte bij Hem zijn verdriet uit en bad dat Hij hem niet zou uitsluiten van die genade die Hij ruimhartig aan allen aanbiedt. Dit is het enige, zekere en machtige geneesmiddel dat zijn pijn het krachtigst heelt. — Mollerus.
Vers 2
“Ik roep.” Voor de mensen in het Oosten riep het woord za’aq het beeld op van een dreun, zoals wanneer de hemel donder en bliksem uitzendt. Daarom zegt de dichter, in beeldspraak, dat hij vóór alles riep van smart. … Door een storm van gedachten geschud barstte hij los in een openlijke, luid klinkende klacht. — Hermann Venema.
Vers 2
“Mijn stem is tot God.” De herhaling is hier nadrukkelijk bedoeld. Het wil zeggen dat het een ernstige, vurige kreet was. — Albert Barnes.
Vers 2 (laatste zinsdeel)
Bij het tweede kloppen sprong de deur van de genade open: de Heere verhoorde mij. — John Collings.
Vers 3
“Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den HEERE.” Dagen van nood moeten dagen van gebed zijn. Als we innerlijk in nood zijn, vooral wanneer God Zich van ons lijkt te hebben teruggetrokken, moeten we Hem zoeken, en blijven zoeken totdat we Hem vinden. Op de dag van zijn nood zocht de dichter geen afleiding in drukte of ontspanning om zijn zorgen van zich af te schudden. Hij zocht God, Zijn gunst en Zijn genade. Wie innerlijk benauwd is, moet niet denken dat hij dat kan wegdrinken of weglachen. Hij moet het wegbidden. — Matthew Henry.
Vers 3
“Mijn hand was des nachts uitgestrekt.” Hebreeuws: Mijn hand werd uitgegoten; dat wil zeggen: uitgestrekt in gebed, of nat van aanhoudend wenen. Non fuit remissa, nec retracta in lectum. — John Trapp.
Vers 3
“Mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af”, enzovoort. Die hand bleef uitgestrekt, want de wond geneest niet, de zweer wordt niet verlicht, het geweten niet gereinigd en de geest van een mens niet tot rust gebracht, totdat God, naar Wie de ziel zoekt, Zich als de Heelmeester laat zien. Zolang dat niet gebeurt, gaat het kwaad door en wordt het groter. — David Dickson.
Vers 3
“Mijn ziel weigerde getroost te worden.” God heeft passende en toereikende troost voor Zijn volk klaargelegd. Hij stuurt hun troosters precies zoals hun omstandigheden dat vragen. Toch weigeren Zijn kinderen soms om de stem van de bezweerder te horen.
Misschien heeft de Heere een afgod weggenomen. Of Hij onthoudt hun Zijn voelbare nabijheid, zodat ze leren te leven door geloof. Of Hij heeft hun aardse vooruitzichten laten verdorren. Of Hij heeft ijdelheid en leegte geschreven op al hun kalebassen, bakken en vermaken. En dan geven ze toe aan hun hartstocht, zoals Jona, of ze zakken weg in norse somberheid, of ze laten onvernederde trots hun geest beheersen. Of ze geven zich over aan uiterste droefheid, zoals Rachel, of bezwijken voor de verzoeking, of nemen de gedachte in zich op dat ze geen recht hebben op troost.
Dit is verkeerd, helemaal verkeerd, zonder twijfel verkeerd. Kijk naar wat je nog overhoudt, naar wat het evangelie je voorhoudt, naar wat de hemel voor je zal zijn. Maar de psalmist werd van deze toestand hersteld. Hij zag in dat het verkeerd was en had berouw over zijn zonde. Zijn geest en zijn gedrag werden vernieuwd. Hij schreef deze psalm om ons te onderrichten, te waarschuwen en aan te sporen. Let erop: juist wie recht heeft op alle troost, geniet er door eigen dwaasheid vaak het minst van. Gods volk is vaak zijn eigen kweller. Het schuift de beker van de troost van zich af en zegt dat het die niet waard is.
O U, de Bron van alle zegen,
verdrijf mijn smart, verlicht mijn hart,
en geef, tot ik Uw glimlach in de hemel zie,
mij leven, vreugde en vrede.
— James Smith.
Vers 3
“Mijn ziel weigerde getroost te worden.” Ik, arme, die maar van gisteren ben, heb mensen gekend die zo diep in de put van wanhoop waren weggezonken dat ze alle geestelijke bemoediging die hun werd aangeboden, tegen de muren gooiden. Ze redeneerden sterk tegen hun eigen ziel en stelden zich hard op tegen alles wat hun tot troost en steun kon zijn. Ze keerden zich tegen alle door God ingestelde ordeningen en alle godsdienstige diensten. Heilige plichten wierpen ze zelf van zich af, en ze weigerden beslist om samen met anderen daaraan mee te doen. Ja, onder het gewicht van hun besef van zonde en toorn weigerden ze zelfs de noodzakelijke vertroostingen van dit leven, tot schade van hun lichamelijk leven.
En toch heeft God hun ziel gered uit deze vreselijke kuil, deze hel op aarde. Hij heeft hun zulke bewijzen van Zijn genade en gunst gegeven dat ze die voor geen duizend werelden zouden ruilen.
O wanhopige zielen, je ziet dat anderen, die er even slecht of zelfs slechter aan toe waren dan jij, barmhartigheid hebben gevonden. God heeft hun hel in een hemel veranderd. Hij heeft aan hen gedacht in hun diepe ellende, hun razende geweten tot rust gebracht en hun verwarde ziel gestild. Hij heeft alle tranen van hun ogen afgewist en is een springbron van leven voor hun hart geweest. Wees daarom niet ontmoedigd, o wanhopige zielen, maar kijk omhoog naar de genadetroon. — Thomas Brooks.
Vers 4
“Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar.” Als ons hart of geweten ons veroordeelt, kunnen we niet aan Hem denken zonder te schrikken. Dan is het pijnlijk om te bedenken dat Hij onze Schepper en Verlosser is, want die gedachte brengt het besef mee van laaghartige ondankbaarheid. Het is pijnlijk om aan Hem te denken als Wetgever, want dan herinneren we ons dat we Zijn wet hebben overtreden. Het is pijnlijk om aan Zijn heiligheid te denken: als Hij heilig is, moet Hij onze zonden haten en toornig op ons zijn als zondaren. Zo is het ook met Zijn gerechtigheid en waarheid: omdat Hij rechtvaardig en waarachtig is, moet Hij Zijn dreigingen waarmaken en ons voor onze zonden straffen.
Het is pijnlijk om aan Zijn alwetendheid te denken, want daardoor kent Hij onze meest verborgen overtredingen en kunnen we ze onmogelijk voor Zijn blik verbergen. Het is pijnlijk om aan Zijn alomtegenwoordigheid te denken, want een onzichtbare getuige die altijd aanwezig is, is onaangenaam voor wie zijn zondige neigingen wil botvieren. Het is pijnlijk om aan Zijn macht te denken, want daardoor kan Hij ons tegenhouden of vernietigen zoals Hij wil. Zo is het ook met Zijn soevereiniteit, want zondaren haten het altijd om in de handen van een soevereine God te zijn. En zo is het met Zijn eeuwigheid en onveranderlijkheid: omdat Hij die bezit, zal Hij de dreiging die Hij tegen zondaren heeft uitgesproken nooit veranderen, en zal Hij altijd leven om haar uit te voeren.
Het is pijnlijk om aan Hem als Rechter te denken, want we voelen dat we als zondaren geen reden hebben om een gunstig vonnis uit Zijn mond te verwachten. Zelfs de volmaakte goedheid en voortreffelijkheid van Zijn karakter is pijnlijk om aan te denken. Zijn goedheid laat ons zonder verontschuldiging in onze opstand tegen Hem en laat onze zonden buitengewoon zondig lijken. — Edward Payson.
Vers 4
“Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar.” Niet alles was goed geweest tussen God en hem. Vroeger dacht hij bij het gedenken aan God vooral aan Zijn liefde en goedheid, maar nu werden zijn gedachten volledig in beslag genomen door zijn eigen zonde en onvriendelijkheid. Daarom maakt hij misbaar. Hierin zit een deel van de verwarring die zonde veroorzaakt. Zo’n ziel zegt bij zichzelf: “Dwaas schepsel, heb je de Heere zo vergolden?”
Is dit het antwoord dat je Hem hebt gegeven voor al Zijn liefde, Zijn goedheid, Zijn troost, Zijn barmhartigheid? Is dit jouw vriendelijkheid voor Hem, jouw liefde tot Hem? Is dit jouw vriendelijkheid voor je vriend? Is dit jouw roem op Hem: dat je zoveel goedheid en voortreffelijkheid in Hem en in Zijn liefde had gevonden, dat je Hem nooit zou verlaten, ook al zouden alle mensen Hem verlaten? Zijn al je beloften en toezeggingen aan God, in tijden van nood, onder overweldigende verplichtingen en machtige indrukken van Zijn goede Geest op je ziel, hierop uitgelopen? Dat je Hem zo dwaas vergeet, verwaarloost, veracht en wegwerpt? Welnu! Nu is Hij weggegaan. Hij heeft Zich van je teruggetrokken. En wat ga je doen? Schaam je je niet eens om Hem te vragen terug te komen?
Zulke gedachten sneden Petrus door het hart bij zijn val. De ziel vindt ze wreed als de dood en sterk als het graf. Ze ligt in hun ketenen gebonden en kan niet getroost worden, Ps. 38:4–7. — John Owen.
Vers 4
Er zijn momenten in het leven van alle gelovigen waarop God en Zijn wegen voor hen onbegrijpelijk worden. Ze raken verloren in diepe overpeinzing en er blijft hun niets over dan een moedeloze zucht. Maar we weten van de apostel Paulus dat de Heilige Geest voor de gelovigen bij God bidt wanneer zij hun zuchten niet kunnen uiten. Rom. 8:26. — Augustus F. Tholuck.
Vers 4
Sela. Aan het einde van dit vers staat het woord Sela. Het laat de lezer of hoorder zien hoe ellendig en troosteloos een mens in nood is als God niet bij hem is om hem te helpen. Het staat er ook als een prikkel voor elke christen, man of vrouw, om God te gedenken en aan te roepen in de dagen van nood. Want zoals de Joden zeggen: waar dit woord Sela ook staat, het waarschuwt en wekt de lezer of hoorder op om te letten op wat eraan voorafging. Het is namelijk een woord dat altijd na zeer opmerkelijke zinnen wordt geplaatst. — John Hooper.
Vers 5
“Gij hieldt mijn ogen wakende.” Je wordt gekweld door gebrek aan slaap, een klacht die bij zieke lichamen en bezorgde gemoederen hoort. Wat is het vermoeiend om de lange nacht door te brengen met woelen en draaien in een rusteloos bed, op jacht naar slaap! Hoe vuriger je hem najaagt, hoe verder hij van je wegvliegt. Als je het kon opbrengen om het verlangen ernaar los te laten, zou hij misschien vanzelf komen. Nu je hem achternazit, is hij als een eigenzinnig meisje: schuw en afstandelijk, en hij straft je met je eigen verlangen.
Kijk, hij die over honderdzevenentwintig landschappen kon heersen, kon toch geen rust bevelen. “In denzelfden nacht was de slaap van den koning geweken,” Esth. 6:1, en de slaap was niet naar zijn bed te dwingen of te smeken. En de grote Babylonische monarch had de slaap weliswaar enigszins in zijn macht, maar kon hem toch niet vasthouden, want “zijn slaap werd in hem gebroken,” Dan. 2:1. En voor de grote en wijze Salomo kwam hij nooit eens in zicht. “Dat men ook, des daags of des nachts, den slaap niet ziet met zijne ogen.” Pred. 8:16. Zeker, zoals er niets op aarde is wat de natuur aangenamer vindt dan lichamelijke rust (Jer. 31:26), zo is er niets pijnlijkers en ontmoedigenders…
In plaats van je oogleden te sluiten om op slaap te wachten, sla je stijve ogen op naar Hem Die “het Zijn beminden als in den slaap geeft” (Engels: Die Zijn beminden den slaap geeft), Ps. 127:2. Wat het middel ook is: Hij is het Die mijn ogen wakend houdt. Hij Die je ogen maakte, houdt de slaap van je lichaam weg ten goede van je ziel. Laat je ogen niet waken zonder je hart. De bruid van Christus kan zeggen: “Ik sliep, maar mijn hart waakte,” Hoogl. 5:2. Hoeveel te meer moet zij zeggen: “Mijn ogen waken, en mijn hart waakt ook!” Als je niet met je ogen kunt slapen, probeer dan Hem te zien Die onzichtbaar is.
Eén glimp van dat gezicht is meer waard dan alle slaap waarvoor je ogen vatbaar zijn. Geef jezelf in Zijn handen, om over je te beschikken naar Zijn wil. Wat is deze zoete overgave anders dan de rust van de ziel? Als je die in jezelf kunt vinden, zul je het gemis van je lichamelijke slaap rustig verwerken. — Joseph Hall, in zijn “Balm of Gilead.”
Vers 5
Ik was verslagen, en sprak niet. Hij voegt eraan toe dat hij zo neergeslagen en levenloos was dat er geen woord meer over zijn lippen kwam. Een klein verdriet, zegt men vaak, kun je uitspreken, maar groot verdriet maakt ons stom. Bij zware nood en angst laat de geest de ledematen in de steek en trekt zich terug naar zijn bron. Dan staan armen en benen stil, het hele lichaam beeft, de ogen staren en de tong vergeet waar ze voor dient. Daarom beeldden de dichters Niobe uit als een versteend mens. Bekend is ook het verhaal van Psammenitus bij Herodotus. Over de rampen van zijn kinderen zat hij zwijgend, als verlamd, maar toen hij de ellende van zijn vriend zag, huilde hij bittere tranen. — Mollerus.
Vers 5
Ik was verslagen, en sprak niet. Soms is ons verdriet zo hevig dat het nergens heen kan. Het snoert ons de keel dicht en we worden overmand. Het gaat ons in tijden van verlatenheid als een man met een lichte verwonding. Eerst loopt hij nog rond. Maar omdat hij niet op tijd ingrijpt, gaat de verwaarloosde wond ontsteken en zweren, en dat bezorgt hem uiteindelijk meer pijn en schade. Zo gaat het ons vaak in onze geestelijke droefheid. Als we voor het eerst bedroefd zijn, bidden we en storten we ons hart uit voor de Heere.
Maar later verdrinken de wateren van ons verdriet onze kreten. We zijn zo overstelpt dat we, al kregen we de hele wereld, niet kunnen bidden. Of we vinden in ons gebed in elk geval geen ruimte, geen leven en geen vreugde. Zelfs God Zelf lijkt er geen plezier in te hebben, en dat maakt ons nog droeviger. Zie Psalm 22:3. — Timothy Rogers (1660–1729), in “A Discourse on Trouble of Mind, and the Disease of Melancholy.”
Vers 5
Verslagen. Of: gekneusd. Het Hebreeuwse woord betekent waarschijnlijk dat iemand geschokt is door een zware slag. — John Diodati.
Vers 5
En sprak niet. Woorden zijn maar het lichaam van het gebed, het kleed, de buitenkant. Zuchten liggen dichter bij het hart. Een stomme bedelaar krijgt bij de poort van Christus toch een aalmoes, doordat hij gebaren maakt als zijn tong niet voor hem kan pleiten. En juist omdat hij stom is, wordt hij eerder geholpen.
Tegenwerping: ‘Ik heb niet eens een stem om tot God te spreken. En Christus zegt: “Doe Mij uw stem horen” (Hoogl. 2:14).’ Antwoord: ja, maar er is nog iets anders dat een stem heeft, behalve de tong. “De HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord” (Ps. 6:9). Tranen hebben een tong, een grammatica en een taal die onze Vader verstaat. Zuigelingen kennen aan de borst geen ander gebed dan huilen, en een moeder hoort in dat huilen de honger. — Samuel Rutherford.
Vers 5
Word je toestand, ondanks al je moedeloosheid, steeds slechter? Kun je niet meer bidden en sta je stomgeslagen als je voor Zijn aangezicht komt, zoals David? Maak dan gebaren als je niet kunt spreken. Kreun, zucht, snik en piep, zoals Hizkia deed: “alzo piepte ik.” Beklaag jezelf om je onwaardigheid. Vraag Christus om jouw verzoeken voor je uit te spreken, en vraag God om Hem voor jou te horen. — Thomas Goodwin.
Vers 6
De dagen van ouds. Voor onze eerste ouders was het donker van de eerste nacht vast vreemd en een beetje beangstigend. Ze hadden immers nooit iets anders gekend dan het daglicht. Maar toen ze na een aantal nachten telkens weer de ochtend zagen opkomen, brachten ze ook de zwartste nachten zonder angst door, even rustig als de mooiste dagen. Zo is het ook met mensen die altijd op het land hebben gewoond. De eerste keer op zee zijn wind, golven en stormen vreselijk voor hen. Maar als ze door de ervaring wat gehard zijn, verandert hun angst in vastberadenheid en moed.
Het is heel nuttig om te bedenken dat de dingen die ons het meest kwellen niet nieuw zijn. Ze zijn al eerder voorgekomen, in de tijd vóór ons. — Robert Baylie, in een preek voor het Lagerhuis, 1643.
Vers 7
Ik dacht aan mijn snarenspel (Engels: ik breng mijn lied in den nacht in gedachtenis). Dit kan op twee manieren worden opgevat. De eerste is: “Nu, in de nacht van mijn verdrukking, denk ik terug aan mijn vroegere liederen.” Het is een tijd van nood en mijn omstandigheden zijn somber, maar ik heb ook helderder dagen gekend. Hij Die mij verhoogd heeft, heeft mij neergeworpen, en Hij kan mij weer opheffen. Soms maakt deze gedachte onze benauwdheid juist scherper, zoals bij David in Psalm 42:5. Toch kan ze een beter gebruik krijgen, zoals hij er zelf in Psalm 77:12 gebruik van lijkt te maken.
Zo deed ook Job (Job 2:10): “Zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen?” Zijn geval laat zien dat de Heere ook na de meest verwoestende rampen alles weer ten goede kan keren voor wie op Hem hopen. Onze huidige moeiten mogen ons dus onze vroegere vertroostingen niet doen vergeten. Die vertroostingen waren veel groter dan wij verdienden, en onze huidige verdrukkingen zijn nog altijd veel lichter dan onze zonden verdienen.
De tweede opvatting is: “Ik zal eraan denken hoe ik in de vroegere nachten van verdrukking kon zingen.” En het past zeker om te denken aan de steun en troost uit eerdere benauwdheden. Elihu klaagde (Job 35:10): “Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, Die de psalmen geeft in den nacht?” David troostte zich met de gedachte: “De HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn.” (Ps. 42:9). En de Heere beloofde door Jesaja (Jes. 30:29): “Er zal een lofzang bij ulieden zijn, gelijk in den nacht, wanneer het feest geheiligd wordt.” Paulus en Silas dachten ongetwijfeld aan hun lied in de nacht toen ze in Filippi gevangen zaten. Het gaf hun moed in latere beproevingen.
En kunnen jullie, broeders, niet ook denken aan de steun en troost uit eerdere moeilijkheden? En aan hoe de Heere de schaduw des doods in de morgen veranderde? Moeten we dan niet vertrouwen dat Hij Die heeft verlost, ook nu zal verlossen? Hij Die ons uit zes benauwdheden heeft gered, zal ons in de zevende niet verlaten. De wolken mogen “wederkomen na den regen”, maar geen druppel valt zonder toestemming van Hem, Die op de hemelen vaart om jullie te helpen en in Zijn hoogheid op de wolken. Verwachtten jullie niet eerst een heel ander einde van die vroegere moeilijkheden?
Toch maakte de Heere jullie vrees te schande en legde Hij een nieuw lied in jullie mond. Willen jullie Hem dan nu niet beginnen te vertrouwen en in Hem te juichen? Jullie hebben zeker ervaren dat de Heere de donkerste luchten kan opklaren. “Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid”, en over niet al te lange tijd zullen jullie een eeuwige dag zien. Als er al zulke liederen worden gegeven aan de pelgrims van de nacht, hoe zullen zij dan zingen in die wereld waar de zon nooit meer ondergaat! Daar zal geen nacht zijn. — John Ryland, 1753–1825.
Vers 7
Ik dacht aan mijn snarenspel. Hij leeft blij van de oude voorraad, nu er zo weinig troost is, zoals bijen in de winter. — John Trapp.
Vers 7
Mijn snarenspel; in den nacht (Engels: mijn lied in den nacht). “Liederen in de nacht” is een uitdrukking die het Oude Testament even dierbaar is als “roemen in de verdrukking” het Nieuwe. Het is een van de dingen die bewijzen dat beide Testamenten dezelfde wortel en dezelfde geest hebben. — John Kerr.
Vers 7
En mijn geest onderzocht. Hij begint aan zelfonderzoek en doorzoekt zijn geest. Hij wil begrijpen waarom Gods hand zo zwaar op hem rust en waarom Gods aangezicht voor hem verborgen is. Sommigen vertalen: “Ik groef in mijn geest.” Ezechiël groef ook in de muur om de gruwel te zoeken en te vinden. Om die gruwel had de Heere hem zo in het donker laten zitten en Zijn aangezicht voor hem verborgen. Hij onderzoekt de wond van zijn geest, en dat is een andere manier om haar te genezen. Het is een uitstekende manier om de wonden van de ziel te helen: dat de ziel ze zelf onderzoekt. — John Collings.
Vers 7
En mijn geest onderzocht. Het werkwoord chaphas beschrijft zo’n onderzoek als iemand doet die zich daarvoor moet uitkleden. Of iemand die dekens optilt om plooi voor plooi te doorzoeken. Of, in onze eigen woorden: geen steen onomgekeerd laten. — Adam Clarke.
Vers 7
En mijn geest onderzocht. Ahasveros kon eens niet slapen en liet de gedenkschriften en kronieken van zijn rijk halen. Zo gaat ook de twijfelende ziel naar de gedenkschriften van de hemel, naar het Woord van God in de Schriften. Soms leest ze daar, soms kijkt ze in haar eigen hart of ze daar iets vindt dat overeenkomt met de kenmerken van het geloof uit de Schrift, zoals je gezicht in de spiegel overeenkomt met je gezicht zelf.
David wist niet wat hij van zichzelf moest denken. Veel twijfels belemmerden zijn geloof, zodat het denken aan God zijn benauwdheid alleen maar groter maakte. Toch ging hij niet bij de pakken neerzitten en liet hij het schip niet maar drijven, zoals we zeggen, alsof het hem niets kon schelen of God van hem hield. Nee, hij sprak met zijn eigen hart en zijn geest onderzocht nauwkeurig. Zo is het met elke oprechte ziel in twijfel. Ze durft niet tevreden te blijven zitten in die onopgeloste toestand. Je kunt het vergelijken met iemand die denkt dat hij brand ruikt in zijn huis.
Hij durft niet te gaan slapen voordat hij in elke kamer en elke hoek heeft gekeken en zeker weet dat alles veilig is. Anders wordt hij ’s nachts met het vuur om zijn oren wakker. En de arme twijfelende ziel is nog veel banger om wakker te worden met het vuur van de hel om zich heen. Een ziel die onder de macht van het ongeloof leeft, is daarentegen zorgeloos en onbekommerd. — William Gurnall.
Vers 7
Nauwkeurig onderzoek. Zo vraagt de plicht om ijver. Uiterlijke godsdienstige handelingen zijn makkelijk. Je ogen naar de hemel opslaan, je knie buigen, een gebed voorlezen: dat kost niet meer moeite dan een papist nodig heeft om zijn rozenkrans af te tellen. Maar jezelf onderzoeken, je hart als een horloge helemaal uit elkaar halen en zien wat er stuk is, dat is niet makkelijk. Het moeilijkst zijn de handelingen die op onszelf terugkaatsen. Het oog ziet alles, behalve zichzelf. Het is makkelijk om de fouten van anderen op te sporen, maar moeilijk om onze eigen fouten te vinden. — Thomas Watson.
Vers 9
Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht? Laat geen schijnbare onmogelijkheden je eraan doen twijfelen of God één van Zijn genadige woorden zal waarmaken. Je kunt misschien niet zien hoe het kan gebeuren. Maar als God heeft gezegd dat Hij het zal doen, is dat genoeg. We hoeven geen enkele hindernis te vrezen voor de beloofde redding. Hij Die de God van deze redding is en de Schrijver van de belofte, baant Zijn eigen weg voor Zijn eigen werk. Zo staat er: “Alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden.” (Luk. 3:5).
De dalen kunnen zo diep zijn dat we de bodem niet zien en de bergen zo hoog dat we de toppen niet zien. God weet de ene op te hogen en de andere gelijk te maken. Zie Jes. 63:1: “Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen.”
Als er íets het koninkrijk van Christus zou kunnen tegenhouden, dan zou het ons ongeloof zijn. Maar Hij zal komen, ook al vindt Hij geen geloof op aarde. Zie Rom. 3:3. Gooi je vertrouwen niet weg omdat God Zijn uitvoering uitstelt. De voorzienigheid lijkt misschien tegen te werken en alles lijkt heen en weer te gaan. Toch heb je een zeker en betrouwbaar woord om op te steunen. Beloften lijken soms een tijd lang uitgesteld, maar ze kunnen uiteindelijk nooit worden verijdeld. Waag het niet zo’n gedachte in je hart te koesteren. Het bestaan van God kan net zo goed falen als de belofte van God. Wat niet op jouw tijd komt, wordt versneld op Zijn tijd, en dat is altijd het beste moment. — Timothy Cruso.
Vers 10
Heeft God vergeten genadig te zijn? In wat voor angsten verkeerde je, Asaf, dat je zo’n jammerlijk woord liet vallen: Heeft God vergeten genadig te zijn? De verzoeking ging zeker zo hoog dat de volgende stap godslastering zou zijn geweest. Die goede God, Die jij in je stoute zwakheid van vergeetachtigheid beschuldigt, had in grote barmhartigheid aan je gedacht. Hij liet je snel weer aan jezelf en aan Hem denken. Wat je zelf een zwakheid noemt, was anders zondige wanhoop geworden. Ik durf van je te zeggen dat dat woord je wangen met menige traan nat maakte, en dat het méér waard was.
Want, o God, wat is voor U zo kostbaar als de heerlijkheid van Uw barmhartigheid? Geen van Uw gezegende eigenschappen wilt U zo graag laten zien aan de mensenkinderen. En geen enkele verafschuwt U zo, als ze door onze lasterlijke woorden wordt aangetast, als Uw barmhartigheid.
U kunt, o Heere, Uw ongenoegen tegen Uw volk vergeten. U kunt onze ongerechtigheden vergeten en onze zonden uit Uw gedachtenis werpen (Micha 7:18–19). Maar U kunt net zomin vergeten genadig te zijn als U kunt ophouden Uzelf te zijn. O mijn God, ik zondig elk uur tegen Uw gerechtigheid, en Uw barmhartigheid treedt tussenbeide om mij te vergeven. Maar o, bewaar mij ervoor om te zondigen tegen Uw barmhartigheid. Welk pleidooi kan ik dan nog hopen, als ik mijn pleitbezorger tot mijn vijand heb gemaakt? — Joseph Hall.
Vers 10
Heeft God vergeten genadig te zijn? Het arme kind roept om zijn moeder. Wat moet ik doen zonder mijn moeder! O, mijn moeder, mijn moeder, wat moet ik doen zonder mijn moeder! Misschien staat de moeder wel vlak achter het kind. Ze verbergt zich alleen om de liefde van het kind op de proef te stellen. Zo roept ook de arme ziel naar God en klaagt: O mijn Vader! Mijn Vader! Waar is mijn hemelse Vader? Is Hij vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn goedertierenheid in toorn opgesloten? Terwijl God al die tijd dichterbij is dan ze denken. Hij schijnt op hen in “den Geest der genade en der gebeden”, met “onuitsprekelijke zuchtingen.”
Zo huilt de genadige vrouw: Mijn lieve Zaligmaker, mijn lieve Heere en Meester! “Zij hebben mijn Heere weggenomen, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben.” Zo klaagt ze tegen de discipelen en zo klaagt ze tegen de engelen, terwijl Christus vlak achter haar staat en alles afluistert. Zelfs toen ze zich omdraaide en Hem zag, herkende ze Hem eerst niet. Zelfs toen Hij tot haar sprak en zij tot Hem, kende ze Hem nog niet, maar dacht ze dat Hij de hovenier was (Joh. 20:15). Zo gaat het met menige genadige ziel.
God spreekt tot hun hart in Zijn Woord en zij spreken tot Hem in gebed. Ze kunnen niet ontkennen dat de Geest hun zwakheden te hulp komt. Toch klagen ze dat Zijn tegenwoordigheid ontbreekt, alsof er niets van God in hen zou zijn. — Matthew Lawrence.
Vers 10
Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Dit beeld komt van een bron waarvan de opening is dichtgestopt. Het water kan dan niet meer in dezelfde bedding stromen. Het blijft opgesloten, breekt ergens door en zoekt zich een andere weg. Wilt U Uw barmhartigheid bij de Israëlieten wegnemen en aan een ander volk geven? — Adam Clarke.
Vers 10
Sela. Zo ging hij maar door met zijn donkere, bedroefde gedachten, zonder uitweg. Maar plotseling hield hij zichzelf tegen met dat ene woord: Sela! Stop hier. Ga niet verder, houd op. Laten we niets meer horen van die ongelovige vermoedens. En toen hield hij zichzelf een standje, in vers 11: Dit krenkt mij. — Matthew Henry.
Vers 11
Dit krenkt mij (Engels: dit is mijn zwakheid). Letterlijk staat er: dit is mijn ziekte. Dat lijkt te betekenen: dit is mijn lot en ik moet het dragen. Het is maar een deel van het kwaad, een beperkt leed, en daarom mag ik Gods bestuur niet van onrecht beschuldigen. De Engelse vertaling, This is my infirmity (dit is mijn zwakheid), wijst misschien met opzet een andere kant op: deze gedachten zijn niet meer dan waanbeelden van mijn angst. Maar ik aarzel om voor die uitleg te kiezen en wil er mijn naam niet aan verbinden. — C. B. Cayley.
Vers 11
Het is de zwakheid van een gelovige dat hij steeds met zichzelf bezig is. Hij trekt verkeerde conclusies uit wat hij ziet of voelt, over hoe God hem ziet en beoordeelt. En alle zulke conclusies zijn onvermijdelijk fout. Zijn kracht is juist dit: stilstaan bij en denken aan de rechterhand van de Allerhoogste. Hij mag nadenken over de onveranderlijke waarheid en barmhartigheid van die God, Die Zichzelf in heiligheid heeft vastgelegd op de zekere redding van de gelovige zondaar. Want Hij liet de Zoon van Zijn liefde in onze plaats de verschrikkelijke werkelijkheid van de strafdood ondergaan. — Arthur Pridham.
Vers 11
Dit krenkt mij (Engels: zwakheid). Wat bedoelen we eigenlijk met een zwakheid? Het is een ziekte of ongesteldheid van de ziel, die voortkomt uit zwakke genade.
Of het is dit: je wilt van harte het goede, maar je mist de kracht om het te doen. “De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak” (Matth. 26:41). Dan kun je met de apostel zeggen: “Het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet,” Rom. 7:18. Je hart wijst de goede kant op, maar een sterke neiging tot het kwade of de kracht van een verzoeking sleurt je weg en brengt je van de weg af.
Denk aan de naald in het kompas van een zeeman. Je weet: als hij goed is, wijst hij altijd naar het noorden. Maar als hij een schok krijgt of wordt opgeschud, kan hij een tijdlang van zijn plek raken. Toch blijft zijn richting het noorden. Dat is een zwakheid. — James Nalton, 1664.
Vers 11
Het is niet nodig alle vertalingen op te sommen die geleerden van dit vers hebben gegeven. Het is zonder twijfel dubbelzinnig, en daar kun je niet omheen. Dat zie je meteen, want het woord challothi kan van verschillende wortels komen, met elk een eigen betekenis. Ik leid het af van chul of chalal. Dat betekent pijn hebben als een vrouw die moet bevallen. Omdat het in de onbepaalde wijs staat, vertaal ik: “de tijd van mijn smart of pijn.”
Het volgende woord, shenoth, leid ik af van shanah, veranderen. Zo doet ook de Chaldeeuwse vertaling, en Ainsworth, Hammond en anderen. Ik vertaal het in de mogelijkheidsvorm. Ik zie het geheel als een mooi beeld. De dichter ziet zichzelf in nood, als een vrouw in barensnood. En net als zij hoopt hij dat zijn smart snel in vreugde verandert. Hij vertrouwt erop dat God zo’n verandering kan brengen, want Gods macht staat hem voor ogen, en dat geeft hem moed. Daarom denkt hij vanzelf terug aan de eerdere bewijzen van Gods goedheid voor Zijn volk. — Benjamin Boothroyd.
Vers 11
De rechterhand des Allerhoogsten verandert (Engels: ik zal de jaren van de rechterhand van de Allerhoogste gedenken). Dus niet de ogenblikken, de uren of de dagen van een paar korte tegenslagen die Zijn linkerhand mij heeft toegemeten. Nee, de jaren van Zijn rechterhand: al die lange, ruime en grenzeloze barmhartigheden waarmee Hij mij heeft getroost. — Thomas Adams.
Vers 11
De rechterhand des Allerhoogsten verandert (Engels: ik zal de jaren gedenken), enzovoort. In de Hebreeuwse tekst staat shenoth jemin eljon. Uitleggers geven dat op verschillende manieren weer. Ik wil je niet vermoeien met alles wat er gezegd is en noem er daarom maar twee, die ik voor de belangrijkste en meest omvattende houd. De ene is onze oudste Engelse vertaling, de andere onze nieuwste. De eerste leest: De rechterhand van de Allerhoogste kan dit alles veranderen. De tweede leest het zoals wij het nu voor ons hebben: Ik zal de jaren gedenken, enzovoort.
Hoe dat komt? Het verschil komt vooral doordat het Hebreeuwse woord shenoth op twee manieren kan worden opgevat. Het kan een werkwoord zijn in de onbepaalde wijs, veranderen, of een zelfstandig naamwoord in het meervoud, jaren. Dat heeft dit verschil in vertaling veroorzaakt. Maar de zin is in beide gevallen goed en passend.
Neem eerst de eerste vertaling. Die houdt ons Gods macht voor. De rechterhand van de Heere kan dit alles veranderen. Daarmee hield David zichzelf overeind in zijn benauwdheid: de Heere kon zijn toestand veranderen, en wel ten goede…
Dan de tweede lezing, de woorden zoals wij ze voor ons hebben: Ik zal de jaren van de rechterhand van de Allerhoogste gedenken. Het woord gedenken is overgenomen uit het volgende vers om de zin aan te vullen, want in deze tekst staat het zelf niet. Hier put de profeet David troost uit wat God gewoon is te doen, zoals hij eerder troost putte uit Zijn macht. Daar ging het om wat God kón doen, hier om wat Hij al gedaan heeft, in vroegere tijden, eeuwen en generaties. — Thomas Horton.
Vers 12
Ik zal gedenken, enzovoort. Gedenken en gedachtenis vieren, zoals het Hebreeuws door de dubbele lezing aangeeft. — John Trapp.
Vers 12
Ik zal gedenken. Geloof is een kracht die zich laat overdenken. Wie gelooft, jaagt niet. Hij haast zich niet om aan God te denken of over Hem te spreken. Het geloof heeft een goed geheugen, ook voor kleine dingen. Het kan een christen veel vertellen over barmhartigheden van vroeger. En als de maaltijd van vandaag te schraal is, kan het de ziel een koud gerecht voorzetten, zonder te klagen dat God een slecht huishouden voert. Zo kwam David weer overeind toen hij al van de heuvel der verzoeking aan het afglijden was. Hij zei: Dit krenkt mij; maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert. Ik zal de daden des HEEREN gedenken; ja, ik zal gedenken Uw wonderen van ouds her.
Daarom, christen, luister: als je diep in de benauwdheid zit en Satan je wil laten klagen over God, alsof Hij je vergeten is, stop hem dan de mond hiermee: Nee, Satan, God is niet vergeten iets voor mij te doen. Ík ben vergeten wat Hij voor mij heeft gedaan. Anders zou ik Zijn vaderlijke zorg nu niet kunnen betwijfelen. Ga je gang, christen, speel je eigen lessen nog eens af. Prijs God voor eerdere barmhartigheden, en het duurt niet lang of je hebt een nieuw lied in je mond voor een barmhartigheid van vandaag. . . .
Soms wordt in iemands studeerkamer een klein geschrift gevonden dat zijn bezit helpt redden. Zonder dat papiertje was hij in de gevangenis beland. Zo houdt ook één enkele ervaring die iemand zich herinnert de ziel uit de wanhoop, een gevangenis waar de duivel de christen maar al te graag in zou hebben. “Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen,” Klaagl. 3:21.
David was beroemd om zijn hoop. Even bijzonder was hij in de zorg waarmee hij de ervaringen van Gods goedheid opmerkte en bewaarde. Hij kon precies vertellen hoe God met hem was omgegaan. Het was zo vaak het onderwerp van zijn overpeinzing en de stof van zijn gesprekken dat hij het helemaal van zichzelf had gemaakt. Als zijn hoop het spoor bijster is, hoeft hij alleen maar even zijn geheugen te oefenen. Dan komt hij meteen weer bij zinnen en berispt hij zichzelf om zijn zwakheid. Daarna zeide ik: Dit krenkt mij (Engels: dit is mijn zwakheid); maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert (Engels: ik zal de jaren van de rechterhand van de Allerhoogste gedenken).
Een hond die het spoor kwijt is, zoekt terug, vindt het weer en zet de jacht voort met luider geblaf dan ooit. Zo ook jij, christen: als je hoop het spoor kwijt is en je aan je behoud in de andere wereld twijfelt, kijk dan terug en zie wat God al voor je gedaan heeft. Sommige beloften hebben hier hun betaaldag. Op andere moeten we wachten tot we in de hemel zijn. Wat God nu al van sommige beloften uitbetaalt, is een onderpand voor ons geloof, een zekerheid dat ook de andere trouw worden voldaan als hun tijd gekomen is. Zo is ook elk oordeel dat hier over de goddelozen komt, een onderpand van die toorn waarvan God de volle som in de hel zal betalen. — William Gurnall.
Vers 12
De daden des HEEREN… Uw wonderen. De psalmist wil geen verschil maken tussen Gods werken en Gods wonderen. Hij bedoelt eerder: alle werken van God zijn wonderen… Alles, in Gods voorzienigheid of in Zijn genade, alles wat God doet is wonderbaarlijk. Neem de persoonlijke ervaring van een christen. Waaruit bestaat die? Uit wonderen.
Zijn bekering: wonderbaarlijk! Hij werd, zo lang hij kon, vastgehouden in een leven van onbezonnenheid en goddeloosheid, en toch genadig opgezocht en zachtjes gedwongen vrede te sluiten met God, Wiens toorn hij zelf had opgewekt. Het leren kennen van God: wonderbaarlijk! Godheid en eeuwigheid worden stukje bij beetje opgestapeld. De Bijbel wordt bladzijde voor bladzijde gelezen, en elke bladzijde groeit uit tot een boekdeel dat geen onderzoek kan uitputten. De hulp in de strijd: wonderbaarlijk! Hij is zelf een kind van het bederf, en toch kan hij worstelen met wereld, vlees en duivel en ze vaak onder de voet lopen.
De troost in verdrukking: wonderbaarlijk! Verdriet wordt zo geheiligd dat het tot vreugde leidt, en op een akker die met tranen is bevochtigd groeit een oogst van blijdschap. De voorsmaak van de hemel: wonderbaarlijk! Engelen brengen de druiventrossen uit het beloofde land, en de ziel wandelt met lichte stap langs de kristallen rivier en de straten van goud.
Alles is wonderbaarlijk, van het begin tot het einde! Wonderbaarlijk dat de Geest zo lang met een mens wil twisten. Wonderbaarlijk dat God zijn afvalligheid wil dragen. Wonderbaarlijk dat God hem liefheeft ondanks zijn bezoedeling. Wonderbaarlijk dat God blijft volharden om hem te redden, als het ware tegen zijn eigen wil in. O, wie van jullie iets van redding door Christus uit eigen ervaring kent, weet dat dit werk wonderbaarlijk is in zijn begin en wonderbaarlijk in zijn voortgang. Je hebt geen betoog nodig om de overgang van werken naar wonderen uit te leggen. Die overgang gaat vanzelf, vanuit je eigen gedachten en gevoelens.
Je zult nooit vertellen hoe God met je is omgegaan zonder over te gaan, zoals de psalmist overging, van vermelden naar loven. Je kunt je voornemen Gods werken te gedenken, maar je zult merken dat je Gods wonderen verheft. Je kunt beginnen met te zeggen: Ik zal de daden des HEEREN gedenken, maar je zult eindigen met uit te roepen: Ja, ik zal gedenken Uw wonderen van ouds her. — Henry Melvill.
Vers 12
Uw wonderen. Het woord staat hier in het enkelvoud, net als in vers 15. Zo ook in het volgende vers: Uw werk, ook in het enkelvoud. Hij denkt aan het ene grote wonder, het ene grote werk waarin alle andere besloten liggen. Dat staat hem helder voor ogen. — J. J. Stewart Perowne.
Vers 12
Uw wonderen. Eerst had hij tot anderen gesproken, maar hier richt hij zich tot God. Voor een ziel in zware strijd is het goed om op te klimmen van denken aan God en Zijn werken naar rechtstreeks tot God spreken. We vinden pas verlichting en ruimte als we ons tot Hemzelf wenden, ons gezicht naar Hem toekeren en met onze woorden bij Hem aankomen. Zo doet de psalmist het hier, vanaf het midden van vers 12 tot het einde van de psalm. — David Dickson.
Vers 14
O God! Uw weg is in het heiligdom. Met het heiligdom kan de hemel bedoeld zijn of de tempel. Zelf denk ik liever aan de hemel. Dan is de gedachte dat Gods wegen hoog boven de wereld uitgaan. Als we ze echt willen kennen, moeten we dus boven alle hemelen uitstijgen. Gods werken zijn voor ons maar gedeeltelijk zichtbaar. Een stukje daarvan mogen we zien. Al onze kennis erover blijft ver onder hun onmetelijke hoogte.
Let ook op dit: niemand krijgt de minste smaak van Gods werken, behalve wie door het geloof naar de hemel opstijgt. Toch is het uiterste dat wij ooit kunnen bereiken, dat we vol bewondering en eerbied naar Gods verborgen wijsheid en macht kijken. Die stralen in Zijn werken, maar ze gaan ver boven wat ons beperkte verstand aankan. — Johannes Calvijn.
Vers 14
Uw weg is in het heiligdom. Dat wil zeggen: elke uitverkorene kan en moet in Uw kerk leren kennen hoe Uw voorzienigheid te werk gaat met hen die de Uwen waren. — John Diodati.
Verzen 14, 20
In het heiligdom en in de zee. Zijn weg is in het heiligdom, en Zijn weg is in de zee. Tussen die twee zit een groot verschil.
Allereerst is Gods weg in het heiligdom. Daar is alles licht en helder. Daar is geen dwaling. Daar is niets wat de geest ook maar in het minst kwelt of benauwt. Als de arme, bedroefde mens het heiligdom binnengaat en de dingen daar ziet in het licht van God, ziet hij het einde van al het andere. Alles wat verward is en waarvan hij op aarde het einde niet kan vinden, wordt daar duidelijk.
Maar Gods weg is niet alleen in het heiligdom, waar alles helder en gelukkig is. Gods weg is ook in de “zee”. Hij gaat waar wij Zijn voetstappen niet altijd kunnen volgen. God beweegt Zich soms geheimzinnig, zoals we allemaal weten. Er zijn wegen van God die er met opzet zijn om ons op de proef te stellen. Ik hoef niet te zeggen dat God geen plezier heeft in onze verlegenheid. En het is ook niet zo dat we geen heiligdom hebben om naartoe te gaan, waar we boven de moeite kunnen uitstijgen. Toch is er in Gods wegen veel dat we helemaal in Zijn handen moeten laten. Gods weg is dus niet alleen in het heiligdom, maar ook in de zee.
En toch lezen we zelfs bij Zijn voetstappen in de zee: “Gij leiddet Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aaron.” Dat was door de zee. Daarna was het door de woestijn. Maar het begon met de zee. Daar lagen de eerste beginselen van Gods wegen met Zijn volk, en die blijven gelden. Want God moet van begin tot einde het vertrouwen van Zijn heilige zijn. Het is misschien een eerste les voor zijn ziel, maar het is een les die je nooit uitgeleerd hebt.
Wat een geluk is het om te weten dat het heiligdom voor ons openstaat, en dat God Zelf nóg dichterbij is. Tot Hem zijn we nu gebracht. Zoals in 1 Petr. 3 staat: “Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen.” Dit is het allerkostbaarste wat er is. Want zo zijn we meteen in het heiligdom en bij God Zelf gebracht. Ik durf te zeggen dat zelfs de hemel maar een kleinigheid zou zijn als we daar niet tot God werden gebracht.
Het is beter dan elke vrijstelling van beproeving, en beter dan welke zegen ook om te zijn in de tegenwoordigheid van Hem aan Wie wij toebehoren, Die Zelf de bron is van alle zegen en vreugde. Dat we nu tot Hem gebracht zijn, is oneindig kostbaar. Daar zijn we in het heiligdom tot God gebracht.
Maar er zijn ook wegen van God buiten het heiligdom, in de zee. Daar staan we vaak met de mond vol tanden. Als we bezig zijn met de zee zelf en proberen Gods voetstappen daar te onderzoeken, dan blijven ze onbekend. Maar vertrouwen op God Zelf is altijd de kracht van het geloof. Moge de Heere ons meer eenvoud en stilte geven midden in alles waar we doorheen gaan, om Zijns Naams wil. — Uit “Things New and Old,” 1865.
Vers 15
Gij zijt die God, Die wonder doet. Had hij gezegd: U bent de God Die wonderen hebt gedaan, dan was duidelijk dat hij alleen sprak over de oude wonderen van vroeger. Maar hij zegt: Gij zijt die God, Die wonder doet. Hij wijst dus kennelijk op de wonderbare werken die God nú doet, en die Hij tot het einde van de wereld zal blijven doen. — Gerhohus.
Vers 16
De kinderen van Jakob en van Jozef. Het onderscheid tussen de zonen van Jakob en van Jozef is niet zonder betekenis. Met de zonen van Jakob of Israël worden eigenlijk de gelovige Joden bedoeld. Zij stammen van hem af, niet alleen naar het vlees maar ook naar het geloof.
Jozef was ook een van hen. Maar hij werd door zijn broers verkocht en kwam na veel lijden onder vreemde stammen tot hoge rang. Daarom is het heel passend hem van de zonen van Jakob te onderscheiden, en dat doet de psalm dan ook. Terecht wordt hij gezien als een vorst van de heidenen, apart gezet van de zonen van Jakob die hem verkochten. — Gerhohus.
Vers 16
De kinderen van Jakob en van Jozef. Wie bracht de kinderen van Israël voort: Jozef of Jakob? Natuurlijk Jakob. Maar Jozef zorgde voor hun voedsel, en daarom dragen ook zij zijn naam. — De Talmud.
Vers 17
De wateren zagen U, o God! enz. “De wateren van de Rode Zee,” zegt bisschop Horne, “worden hier prachtig voorgesteld als wezens met gevoel. Ze zien, ze voelen, ze raken in verwarring, tot in de diepste diepten, voor de aanwezigheid en de macht van hun grote Schepper. Hij gebood hun een weg te openen en aan elke kant een muur te vormen, totdat Zijn volk was overgetrokken.” Dit is echte poëzie! Als het erom gaat leven, geest, gevoel, daden en lijden toe te schrijven aan dingen zonder leven, kan geen dichter wedijveren met de dichters van het Hebreeuwse volk. — Richard Mant.
Vers 17
Ook waren de afgronden beroerd. Naast de wateren worden ook de afgronden genoemd. Zo laat de psalmist zien dat Gods heerschappij en macht niet alleen reiken tot het wateroppervlak. Ze dringen door tot in de diepste afgronden, en vanaf de allerlaagste bodem brengen ze de wateren in beweging en houden ze in bedwang. — Mollerus.
Verzen 17–19
De wateren zagen U, maar mensen zien U niet. De afgronden werden beroerd, maar mensen zeggen in hun hart: Er is geen God. De wolken goten water uit, maar mensen storten geen kreten en tranen uit tot God. De hemelen lieten hun geluid horen, maar mensen vragen niet: Waar is God, mijn Maker? Uw pijlen vlogen alle kanten op, maar geen pijlen van berouw en smeking sturen mensen als antwoord terug. Het geluid van Uw donder galmde rondom, maar mensen horen de nog luidere donderslagen van de wet niet. De bliksems verlichtten de wereld, maar het licht van de waarheid schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen.
De aarde werd beroerd en daverde, maar het hart van de mens blijft onbewogen.
“Mijn hart beeft niet voor Gods toorn,
voor al Zijn verschrikkingen niet.”
— George Rogers.
Verzen 17–20
Zodra het hele Egyptische leger in de zee was, stroomde de zee terug naar haar plaats. Ze kwam neer als een stortvloed, opgezweept door stormwinden, en sloot de Egyptenaren in. Er kwamen ook regenbuien uit de lucht, met vreselijke donderslagen en bliksem vol vuurschichten. Bliksemstralen sloegen in op de mannen. Alles wat God de mensen gewoonlijk stuurt als teken van Zijn toorn, gebeurde in die tijd. Een donkere, droeve nacht drukte zwaar op hen. Zo kwamen al deze mannen om. Er bleef niet één man over die de andere Egyptenaren het nieuws van deze ramp kon brengen. — Josephus.
Vers 20
Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, enz. Tot voor kort wist men weinig van zeestromingen. Men kende hun invloed niet op de gesteldheid van bepaalde streken en op het verkeer tussen mensen. Nu worden ze gezien als de weg of het pad van de Schepper door de grote wateren. Veel krachten werken mee aan het ontstaan van deze stromingen. We kunnen onder andere rekenen: de golf van het getij die over de aardbol trekt, de duur en kracht van bepaalde winden, de verschillen in dichtheid die zeewater heeft op verschillende breedten en diepten door temperatuurverandering en zoutgehalte, en de wisselingen van luchtdruk per uur binnen de keerkringen.
De zeestromingen behouden bijna dezelfde breedte en doorkruisen de zee in veel richtingen. Lange banden zeewier, door de stromingen meegevoerd, laten meteen hun snelheid zien, en ook de scheidslijn tussen stilstaand en bewegend water. Tussen de keerkringen beweegt de zee over het algemeen van oost naar west. Dat noemt men de equatoriale stroming. Men neemt aan dat die voortkomt uit de passaatwinden en de voortgang van de getijdegolf. Er zijn ook smallere stromingen. Die voeren warm water naar hogere breedten en koud water naar lagere. — Edwin Sidney, in “Conversations on the Bible and Science,” 1860.
Vers 20
Uw weg was in de zee. Daar kan geen mens doorheen waden, tenzij God voor hem uit gaat. Maar iedereen kan er wandelen, als God hem bij de hand neemt en hem erdoor leidt. — David Dickson.
Vers 20
Uw voetstappen werden niet bekend. Vaak gaat Hij zo ver buiten ons zicht dat we geen verslag kunnen doen van wat Hij doet of van wat Hij gaat doen. Vaak is de wolkkolom van Gods voorzienigheid helemaal donker, voor Israëlieten én voor Egyptenaren. Zijn eigen volk begrijpt de raadsels dan niet, totdat het Hem behaagt Zelf Zijn uitlegger te zijn en hen in Zijn geheimen te leiden. — Samuel Slater (†1704), in “The Morning Exercises.”
Vers 20
Uw voetstappen werden niet bekend. Met andere woorden: ze zijn niet altijd bekend. Of: ze zijn niet in alle dingen bekend. Ja, in niets zijn ze volkomen bekend. — Joseph Caryl.
Vers 20
Uw voetstappen werden niet bekend. Er was iets van groot gewicht gebeurd in Gods leiding. Luther vroeg daar vol aandrang aan de genadetroon naar wat God ermee bedoelde. Het leek hem alsof hij God zo tot zijn hart hoorde spreken: “Ik ben niet na te sporen.” Iemand die naar dit voorval verwijst, voegt eraan toe: “Als Hij niet is na te sporen, kan Hij worden vertrouwd.” Een geloof dat een mens niet helpt God te vertrouwen waar hij Hem niet kan naspeuren of zien, is weinig waard.
Maar alles heeft zijn tijd onder de zon, en de Almachtige heeft Zijn “tijden of gelegenheden.” Met mijn hoop en verlangens ten aanzien van de voorzienigheid ging het vaak zoals met mijn horloge en de zon: het liep dikwijls voor op de ware tijd. Ik ging sneller dan de voorzienigheid. Dan moest ik stilstaan en wachten, of ik werd pijnlijk teruggezet. Mooi was die uitspraak van Flavel: “Sommige voorzienigheden moeten, net als Hebreeuwse letters, achterstevoren worden gelezen.” Aangehaald in “Christian Treasury,” 1849. Schrijver niet genoemd.
Vers 21
Gij leiddet Uw volk, als een kudde, enz. Uit dit vers kunnen mensen in nood veel troost putten. Ten eerste: de allerbeste mensen kunnen de verzoeking niet beter weerstaan dan een eenvoudig schaap de doornstruik kan weerstaan die het vasthoudt. Ten tweede: een mens heeft niet meer kracht om zich voor verzoekingen te hoeden dan het arme schaap om de doornstruik te ontlopen. Alleen de zorg van de herder bewaart het. Ten derde: zoals de herder zorgvuldig is voor zijn verstrikte schapen vol doornen, zo is God dat voor Zijn bedrukte gelovigen. En ten vierde: het volk van Israël kon van het water geen kwaad oplopen, omdat het de zee in ging op Gods bevel.
Daaruit leren we dat geen gevaar ons kan schaden wanneer God ons opdraagt erin te gaan. Maar alle gevaren overwinnen ons wanneer we ze zelf kiezen, buiten Gods bevel om. Zo liep Petrus geen kwaad op toen hij op Gods bevel over het water ging. Maar toen hij uit eigen vermetelheid het huis van de bisschop binnenging, werd hij overwonnen en verloochende hij Christus. Toen de Israëlieten streden op Gods bevel, was het gevaar niets. Maar toen ze het op eigen gezag wilden doen, kwamen ze om. We moeten dus letten op Gods bevel. Dan zal geen gevaar ons verderven, ook al kan het ons pijn doen.
De andere les is dat God het dienstwerk van Mozes en Aaron gebruikte bij de bevrijding van Zijn volk. Zij droegen het volk niets op dan wat de Heere eerst had opgedragen. Daaruit leren we dat dienaren die door God zijn aangesteld en niets doen dan wat God gebiedt, te volgen zijn. Paulus zegt immers: “Weest mijn navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus.” — John Hooper.
Vers 21
Gij leiddet Uw volk, als een kudde. Merk op dat de goede herder zijn volgelingen leidt zoals schapen worden geleid. Ten eerste met grote bezorgdheid en zorg, om hen tegen wolven te beschermen. Ten tweede met bedachtzaamheid en vriendelijkheid, want een schaap is een onschadelijk dier. Ten derde met wijze strengheid, want schapen dwalen gemakkelijk af en zijn van alle dieren de domste. — Thomas Le Blanc.
Vers 21
Gij leiddet. Onze leiding moet zacht en vriendelijk zijn. Anders is het geen duxisti (‘ik heb geleid’) maar traxisti (‘ik heb getrokken’): trekken en drijven, en geen leiden. Leni spiritu non dure manu: liever geleid worden door een innerlijke, zoete invloed dan voortgedwongen door uiterlijk, hard geweld. Zo leidde God hier Zijn volk. Niet in het snelste tempo, zoveel weet ik: ze waren een jaar onderweg, terwijl ze er in elf dagen hadden kunnen zijn, zoals Mozes zegt (Deut. 1:2). Ook niet langs de kortste weg, zoals Mozes ons vertelt (Ex. 13:18). Want Hij nam meer dan eens een omweg.
Zo moeten alle wijze bestuurders naar Zijn voorbeeld doen, die liever veilig willen leiden dan haastig voortjagen. “Gelijk een beest, dat afgaat in de valleien, heeft hun de Geest des HEEREN rust gegeven,” zegt Jesaja (Jes. 63:14): als een paard dat van den heuvel in een dal wordt bereden. Dat gaat niet in galop, anders storten paard en ruiter samen neer. Het gaat behoedzaam en rustig. — Lancelot Andrewes.
Vers 21
Door de hand van Mozes en Aaron. Er staat niet: Mozes en Aaron leidden het volk van Israël. Er staat: U leidde het volk, en wel Uw volk, door de hand van Mozes en Aaron. Groot was de macht van deze twee mannen. Toch was geen van beiden de herder van de schapen. Elk van hen was dienaar van de enige, ware Herder, aan Wie de schapen alleen toebehoorden. Ook was geen van beiden de leider van de schapen. De Herder Zelf was aanwezig en leidde Zijn eigen kudde, en deze twee dienden Hem. Uit deze plaats zijn dus drie dingen te leren.
Ten eerste: de schapen behoren niet aan de dienaren toe, maar aan de ware Herder. Ten tweede: de ware Herder leidt Zijn eigen schapen. Ten derde: de taak van Mozes en Aaron was erop toe te zien dat de schapen van de Heere goed werden geleid en geweid. Zo leidt Christus Zelf de schapen, Zijn eigen schapen, en voor dit werk gebruikt Hij het dienstwerk van Zijn knechten. — Musculus.
Vers 21
De psalmist is aan het hoogtepunt van zijn lied gekomen. Zijn smart is verlicht doordat hij zijn gedachten een andere kant op dwong en lang stilstond bij alle machtige wonderen die God van oudsher heeft gedaan. Maar hier moet hij ophouden. In de hevigheid van zijn gevoel durft hij zichzelf niet toe te vertrouwen om in bijzonderheden enkele lessen van troost uit te werken. Er zijn tijden dat zelfs het heiligste geloof niet kan luisteren naar redeneringen. Toch kan het nog een steun vinden om op te rusten: de eenvoudige beschouwing, in al hun oorspronkelijke grootheid, van de daden die God heeft gedaan. — Joseph Francis Thrupp.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 2
Het voordeel van het gebruik van de stem in het persoonlijke gebed.
Verzen 2, 4, 6, 11
Let op de weg die de wijze man aflegt uit zijn zielsangst.
- Ik riep.
- Ik herinnerde me.
- Ik overdacht.
- Ik zei.
Vers 3
Zie “Spurgeon’s Sermons,” nr. 853: “A Sermon for the Most Miserable of Men.”
Vers 3
- Bijzonder gebed: “Ten dage mijner benauwdheid,” enz.
- Volhardend gebed: de handen worden bij nacht én bij dag naar God opgeheven.
- Worstelend gebed: mijn ziel weigerde getroost te worden, totdat het antwoord kwam. “In zwaren strijd zijnde, bad Hij,” enz.
Vers 3 (laatste zinsdeel)
Wanneer dit verstandig is en wanneer het af te keuren is.
Vers 5
- Een goed mens kan niet rusten op zijn bed zolang zijn ziel niet rust in God.
- Zo iemand kan niet vrij met anderen spreken zolang God geen vrede tot zijn ziel spreekt. — G. R.
Vers 5
Werk voor wie niet kan slapen, en troost voor wie geen woord kan uitbrengen.
Verzen 6–7
Er zijn vier regels om troost te vinden in verdrukking.
- Denk na over Gods goedheid voor Zijn volk van vroeger.
- Denk terug aan onze eigen ervaringen van vroeger.
- Onderzoek jezelf.
- Bestudeer nauwgezet het Woord. — G. R.
Vers 7
Gedachtenis. Een goed geheugen is een grote hulp en van groot nut.
- Het is een belangrijk middel tot kennis. Wat heb je immers aan lezen of horen als je niets onthoudt?
- Het is een middel tot geloof: 1 Kor. 15:2.
- Het is een middel tot troost. Als een arme christen in nood Gods beloften kon onthouden, zouden die hem nieuw leven geven. Maar als hij ze vergeten is, zakt de moed hem in de schoenen.
- Het is een middel tot dankbaarheid.
- Het is een middel tot hoop. Want “de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop” (Rom. 5:4), en het geheugen is de schatkamer van de ervaring.
- Het is een middel tot berouw. Hoe kunnen we berouw hebben of treuren over wat we vergeten zijn?
- Het is een middel om nuttig te zijn. Wanneer één vonk van genade echt in het hart is aangestoken, probeert die al snel ook anderen warm te maken. — R. Steele.
Vers 8 (eerste zinsdeel)
Om de vraag in een helder licht te zetten, kijken we naar het volgende.
- Aan wie wordt de vraag gesteld? Aan de Heere.
- Welke handelwijze staat ter sprake? Voor eeuwig verstoten.
- Tegenover wie zou dat gebeuren?
Vers 9
Deze vragen:
- Gaan ervan uit dat de onveranderlijke Jehova verandert, en wel in twee heerlijke eigenschappen.
- Staan haaks op alles wat het verleden ons laat zien.
- Kunnen alleen voortkomen uit het vlees en uit de satan. Daarom:
- Moeten we ze tegemoet treden in de kracht van de Geest, met sterk geloof in de eeuwige God.
Vers 11
Een belijdenis die op veel andere zaken van toepassing is. Denk aan: angst voor de dood, angst voor verlating, vrees voor openbare dienst, gevoeligheid voor verwaarlozing, enz.
Vers 11
Mijn zwakheid. Dit woord heeft verschillende betekenissen. Dat zou een goed onderwerp opleveren. Sommige zwakheden moeten we geduldig dragen, op andere mogen we ons beroemen. Weer andere leggen we in gebed voor aan Gods Geest om hulp, en nog andere betreuren we en bekeren we ons ervan.
Verzen 11–13
Denk terug, overpeins, spreek.
Verzen 12–13
- Troost uit de herinnering aan het verleden.
- Troost die groeit door overpeinzing.
- Troost die sterker wordt door ze te delen: “en van Uw daden spreken,” enz. — G. R.
Verzen 12–13
- Troost uit de herinnering aan het verleden.
- Troost die groeit door overpeinzing.
- Troost die sterker wordt door ze te delen: “en van Uw daden spreken,” enz. — G. R.
Vers 13
Onderwerpen om over na te denken en stof voor gesprek: schepping, voorzienigheid, verlossing, enz.
Verzen 14, 20
In de zee, in het heiligdom. Gods weg is onbegrijpelijk, maar zonder twijfel juist. In Zijn heiligheid ligt het antwoord op de raadsels van die weg.
Vers 15
Thaumaturgeis, oftewel de Grote Wonderdoener.
Vers 16
En Jozef. De eer om hen te voeden die door het werk van anderen uit God geboren zijn.
Vers 16
Uw macht tot verlossing: dat is het gevolg, het bewijs en de noodzakelijke begeleiding van verlossing door een losprijs.
Vers 16
- De verlosten: Uw volk; de kinderen van, enz.
(a) Ze zijn in gevangenschap, hoewel ze Zijn volk zijn.
(b) Ze zijn Zijn volk, hoewel ze in gevangenschap zijn.
- De verlossing: uit de Egyptische slavernij.
- De Verlosser: U, met Uw arm, enz. God door Christus, Zijn arm. “Daarom heeft Mijn arm Mij heil beschikt,” enz. Aan wien is de arm des HEEREN geopenbaard? — G. R.
Verzen 17–19
- De hulde van de natuur aan de God van de genade.
- Haar dienstbaarheid aan Zijn plannen. — G. R.
Vers 20
- Gods wegen met mensen zijn bijzonder: in de zee, Uw pad, enz.
- Ze zijn gelijkmatig: ze liggen in regelmatige voetstappen.
- Ze zijn ondoorgrondelijk: als het spoor van een schip op het water, en niet als dat van de ploegschaar op het land.
Vers 20
Gods weg is in de zee. Over alles wat wisselvallig, onbestuurbaar, uitgestrekt, ondoorgrondelijk, verschrikkelijk en overweldigend is, heeft de Heere de heersende macht.
Vers 21
- Wie God leidt: Uw volk.
- Hoe zij worden geleid: als een kudde, afgezonderd, verenigd en afhankelijk.
- De middelen die Hij gebruikt: door de hand. De Grote Herder leidt door de hand van onderherders. “Moge elke onderherder zijn oog gespannen op U gericht houden.”
Vers 21
Kerkgeschiedenis.
- De kerk is een kudde.
- We zien God als Degene Die haar voorgaat.
- Hij werkt altijd door middel van werktuigen.
Werk over de zevenenzeventigste psalm
“An Exposition upon the Seventy-seventh Psalm, made by the constant Martyr of Christ, Master John Hooper, Bishop of Gloucester and Worcester.” In de “Later Writings of Bishop Hooper.” (In de uitgaven van de Parker Society, en ook in de reeks “British Reformers” van de Religious Tract Society.)
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas