Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 75 — Treasury of David

22 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

“Voor den opperzangmeester.” Wat een prachtige opdracht voor hem! Want de noodkreet uit de vorige psalm wordt bijna verhoord, en de uitdaging van Israëls vijanden neemt God Zelf op. Hier ziet de maagdelijke dochter van Sion neer op haar vijand, en ze lacht hem uit. De verwoesting van het leger van Sanherib is een treffende illustratie bij dit heilige lied. “Altascheth.” Dit is weer een van de “Verderf niet”-psalmen. Die woorden kunnen een rem zijn op de natuurlijke woede van onderdrukten. Of ze klinken als bittere spot tegen de woeste vijand: ga je gang, verderf maar niet, want het volk weet heel goed dat hij het niet kán.

Hier speelt in heilig geloof het zuigelingetje bij het hol van de adder, en steekt het gespeende kind zijn hand uit naar het nest van de basilisk. “Een psalm, een lied, voor Asaf.” Om te lezen of te zingen: een lofzang voor God en een lied voor Zijn heiligen. Wat was dat volk gelukkig! Het had in David een Milton gevonden, en in Asaf een bijna even groot dichter. Het gelukkigst van al was het omdat deze dichters niet werden gedreven door de Castalische bron van de aarde, maar dronken uit “de bron van alle zegen.”

Indeling

Het danklied en de aanbidding van het volk openen de lofzang (Ps. 75:2). In de vier verzen daarna (Ps. 75:3–6) laat de Heere Zich zien als Bestuurder van de wereld, in alles rechtvaardig. Dan klinkt er een waarschuwende stem van de kerk tot haar vijanden (Ps. 75:7–9). Het slot is een lied dat alvast de heerlijkheid bezingt die aan God toekomt, en de volledige nederlaag van de vijand.

Uitleg

Vers 2

“Wij loven U, o God.” Niet onszelf, want we waren hulpeloos. We loven Elohim, Die onze noodkreet hoorde en antwoord gaf op de hoon van onze vijanden. Laten we het danken nooit overslaan. Anders moeten we vrezen dat onze gebeden een volgende keer onbeantwoord blijven.

Bloemen glimlachen ons toe in hun prachtige kleuren. Zo kaatsen ze, dankbaar als het ware, de verschillende kleuren van de zonnestraal terug. Zo hoort ook dankbaarheid in ons hart open te bloeien als God ons met Zijn voorzienigheid heeft toegelachen.

“Wij loven U.” Dat moeten we God steeds weer zeggen, telkens opnieuw. Zuinig danken is niet danken. Bij oneindige goedheid hoort dank zonder maat. Het geloof belooft dubbele lof voor verlossingen die we hard nodig hadden en die ons echt opvielen.

“Dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen.” God is dichtbij om te antwoorden en wonderen te doen. Laten we dus de God aanbidden Die er nú is! We zingen niet over een verborgen God Die slaapt en Zijn kerk aan haar lot overlaat. Nee, Hij is juist in onze donkerste dagen het dichtst bij ons, een hulp die in nood altijd klaarstaat. “Uw Naam nabij is.” Baäl is op reis, maar Jehova woont in Zijn kerk. Eer aan de Heere! Wat Hij voortdurend doet in genade en majesteit is het zekere bewijs dat Hij bij ons is, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld.

Vers 3

“Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik gans recht richten.” Meestal gelooft men dat hier God spreekt. Als Hij het bestemde ambt aanvaardt, zal Hij plaatsnemen op Zijn rechterstoel en in alle rechtvaardigheid voor Zijn volk opkomen. Sommigen vertalen: “Ik zal een vaste tijd bepalen.” Anderen: “Ik zal het juiste ogenblik aangrijpen.”

“God is nooit vóór Zijn tijd,
Hij is nooit te laat.”

Hij bepaalt Zelf het moment waarop Hij ingrijpt. Als dat moment komt, zijn Zijn slagen snel en Zijn verlossingen zeker. God stuurt geen plaatsvervangend rechter. Hij zit Zelf op de troon. O Heere, laat Uw vastgestelde tijd van genade aanbreken! Draal niet langer, maar ga snel aan het werk voor de waarheid en voor de troon van Jezus. Laat de afgesproken rechtszitting komen, o Jezus, en neem plaats op Uw troon om de wereld met rechtvaardigheid te oordelen.

Vers 4

“Het land en al zijn inwoners waren versmolten.” Zodra de anarchie rondwaart en tirannen de macht grijpen, raakt alles los. Dan dreigt alles uiteen te vallen en smelten de vaste bergen van het gezag weg als was. Maar zelfs dán houdt de Heere het recht overeind en ondersteunt Hij het.

“Ik heb zijn pilaren vastgemaakt.” Daarom is er geen reden om echt bang te zijn. Zolang de pilaren blijven staan – en ze moéten blijven staan, want God houdt ze overeind – blijft het huis de storm trotseren. Op de dag dat de Heere verschijnt, zal alles smelten. Maar op die dag is onze verbondsgod de zekere steun van ons vertrouwen.

“Hoe zou ik zinken, met zo’n steun
als mijn eeuwige God,
Die de machtige pilaren van de aarde draagt
en de hemel wijd uitspant?”

Sela. Hier mag de muziek even stilvallen, terwijl dit verheven visioen aan ons voorbijtrekt: een wereld die uiteenvalt, en een God Die niet verandert en al Zijn volk boven de vreselijke chaos uittilt.

Vers 5

“Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig.” De Heere zegt tegen de opscheppers: schep niet op! Hij beveelt de dolle onderdrukkers om met hun dwaasheid op te houden. Wat is Hij kalm, wat zijn Zijn woorden zacht, en toch, wat een goddelijke bestraffing! Als de goddelozen niet zo krankzinnig waren, zouden ze nu al in hun geweten die stille, zachte stem horen. Die zegt dat ze met het kwaad moeten stoppen en hun trots moeten inslikken.

“En tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.” Hij gebiedt de goddelozen om op te houden met hun hoogmoed. De hoorn was het teken van opschepperige macht. Alleen dwazen steken hem hoog op, net als wilde, woeste dieren. Maar daarmee bestormen ze de hemel zelf, alsof ze de Almachtige Zelf zouden doorboren. In waardige majesteit wijst Hij de lege grootspraak van de goddelozen terecht. Ze verheffen zich buitensporig op de dag van hun ingebeelde macht.

Vers 6

“Verhoogt uw hoorn niet omhoog.” Voor hun overdadige hoogmoed is er een dubbele waarschuwing. Eén woord van God maakt de trotse al snel klein. Och, dat alle hoogmoedige mensen toch zouden luisteren naar wat hun hier wordt gezegd! Doen ze dat niet, dan zet God krachtige middelen in om gehoorzaamheid af te dwingen. Dan komt er ellende over hen, want hun hoorns zullen breken en hun glorie rolt voorgoed door het slijk.

“Spreekt niet met stijven hals.” Brutaal zijn tegenover God is waanzin. Wie zijn nek uitsteekt in hoogmoedige brutaliteit, lokt Zijn bijl vanzelf uit. Wie zijn hoofd hoog draagt, zal ontdekken dat hij nog hoger wordt opgetild, net zoals Haman, aan de galg die hij voor de rechtvaardige had klaargezet.

Zwijg, dwaze pocher! Zwijg, anders geeft God je antwoord! Wie ben je, worm, dat je zo overmoedig durft in te gaan tegen de wetten van je Maker en kritiek hebt op Zijn waarheid? Houd je stil, ijdele praatjesmaker, anders brengt de wraak je tot zwijgen, tot je eeuwige schaamte.

Vers 7

“Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn.” Er is een God en er is een voorzienigheid. Dingen gebeuren niet zomaar bij toeval. Misschien is er uit alle windrichtingen geen redding te verwachten. Toch kan God die redding voor Zijn volk bewerken. En ook al komt het oordeel niet uit de opgang of de ondergang van de zon, en ook niet uit de bergwildernis, het komt wel degelijk, want de Heere regeert.

Mensen vergeten dat alles in de hemel is vastgesteld. Ze zien alleen menselijke kracht en vleselijke hartstocht. Maar de onzichtbare Heere is veel echter dan die twee. Hij is aan het werk achter en in de wolk. Dwazen dromen dat Hij dat niet is. Maar Hij is zelfs nú dichtbij en onderweg, met in Zijn hand die beker met gekruide wijn van de wraak. Eén slok daarvan laat al Zijn vijanden waggelen.

Vers 8

“Maar God is Rechter.” Ook nu oordeelt Hij echt. Zijn zetel is niet leeg en Zijn gezag is niet neergelegd. De Heere regeert in eeuwigheid. “Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.” Op Zijn wenk komen rijken op en vallen ze. Een kerker hier en een troon daar: Zijn wil wijst het toe. Assyrië moet wijken voor Babel, en Babel voor de Meden. Koningen zijn niet meer dan marionetten in Zijn hand. Of ze nu opkomen of ten onder gaan, ze dienen Zijn plan.

Een zekere schrijver bracht een boek uit met de titel “Historic Ninepins” (Timbs), oftewel “Historische kegeltjes”. Wat een toepasselijke spotnaam voor alle groten van de aarde! God alleen ís. Alle macht is van Hem. Al het andere is schaduw: het komt en gaat, het is onwezenlijk, nevelig, bijna een droom.

Vers 9

“Want in des HEEREN hand is een beker.” De straf voor de goddelozen ligt klaar. God Zelf houdt die gereed. Hij heeft de vreselijkste rampen bijeengebracht en gemengd, en in de kelk van Zijn gramschap houdt Hij ze vast. Ze hebben Zijn liefdemaal bespot. Daarom worden ze nu naar Zijn tafel van gerechtigheid gesleurd, en gedwongen te drinken wat ze verdiend hebben.

“En de wijn is beroerd.” De vergelding is verschrikkelijk: bloed voor bloed, schuimende wraak voor schuimende boosheid. Zelfs de kleur van Gods toorn is angstaanjagend. Hoe zal de smaak dan zijn? “Vol van mengeling.” Er zitten kruiden in van toorn, van gerechtigheid en van getergde barmhartigheid. Hun wandaden, hun godslasteringen, hun vervolgingen hebben de drank sterker gemaakt, alsof er krachtige kruiden doorheen waren geroerd.

“Gemengd en sterk, hoog schuimend op:
zo is de toorn van God.”

Tienduizend rampen branden in de diepte van die vurige beker, die tot de rand toe gevuld is met verontwaardiging. “En Hij schenkt daaruit.” De volle beker móét worden leeggedronken. De goddelozen kunnen die vreselijke teug niet weigeren, want God Zelf schenkt hem voor hen in, en in hen. Hun kreten en smeekbeden zijn tevergeefs. Eens konden ze Hem trotseren, maar dat uur is voorbij. Nu is het tijd om hun te vergelden, en die tijd is helemaal aangebroken.

“Doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken.” De toorn gaat door tot het bittere einde. Ze moeten blijven drinken, en blijven drinken, voor eeuwig. Ze moeten drinken tot op de bodem, waar de droesem van de diepe verdoemenis ligt. Die moeten ze opzuigen, en nog moeten ze de beker leegdrinken. O, de angst en het hartverscheurende leed van de dag van de toorn!

Let goed op: dit geldt voor álle goddelozen. De hele hel is voor alle mensen die God niet vrezen. De droesem is voor het uitvaagsel, bitterheid voor wie bitter is, toorn voor de erfgenamen van de toorn. De gerechtigheid is overduidelijk. Maar over alles spreidt de verschrikking een tienvoudige nacht, troosteloos, zonder één ster.

O, gelukkig zijn zij die de beker van godzalig verdriet drinken, en de beker van het heil! Nu worden ze misschien nog veracht. Maar dan zullen ze benijd worden door juist de mensen die hen met voeten traden.

Vers 10

“En ik zal het in eeuwigheid verkondigen.” Zo zullen de heiligen bezig zijn met het opzeggen van Jehova’s lof, terwijl hun vijanden dronken zijn van de wijn van Zijn toorn. Zij zullen lofzingen terwijl de anderen brullen van angst. Dat is terecht, want de vorige psalm vertelde ons dat het op aarde al zo was geweest: “Uw wederpartijders hebben in het midden van Uw vergaderplaatsen gebruld.” Dat was de plaats waar de uitverkorenen de Heere prezen.

“Ik zal den God Jakobs psalmzingen.” De verbondsgod, Die Jakob uit duizend benauwdheden heeft bevrijd, zal onze ziel groot maken. Hij heeft Zijn verbond gehouden, dat Hij met de aartsvader sloot, en Hij heeft Zijn nageslacht verlost. Daarom zullen we Zijn roem verspreiden, eeuwig en altijd.

Vers 11

“En ik zal alle hoornen der goddelozen afhouwen.” Israël heeft nu macht en vrijheid terug en begint opnieuw recht te spreken. Het vernedert de goddelozen die schitterden in het rijk van de onderdrukking. Hun macht en pracht moeten worden neergeslagen. In die tijd droegen mensen hoorns als onderdeel van hun statie. Die moesten zowel letterlijk als figuurlijk worden afgehouwen. Want God verfoeit de hoogmoedigen, en daarom duldt Zijn kerk hen niet langer.

“De hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden.” In een goed geordende samenleving telt een goed mens als groot. Deugd geeft dan echte rang, en genade is meer waard dan goud. De leider van het uitverkoren volk is gered van onrechtvaardige overheersing. Hij belooft hier om de misstanden recht te zetten die in het gemenebest waren binnengeslopen. Net als de Heere Zelf wil hij de hoogmoedigen laag maken en de nederigen verheffen.

Deze gedenkwaardige lofzang kun je zingen in tijden van diepe somberheid, wanneer het gebed zijn boodschap bij de genadetroon heeft afgegeven en het geloof uitkijkt naar snelle verlossing. Het is een lied over de wederkomst, over de nabijheid van de Rechter met de beker van de toorn.

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Titel

Altascheth. Verderf niet. David lijkt dit als motto te hebben gebruikt tijdens Sauls felle vervolgingen. Het was alsof hij zichzelf eraan wilde herinneren dat hij geen wraak mocht nemen. En dat terwijl hij er vaak zelf toe in staat was geweest om die wraak op zijn onnatuurlijke vijand uit te voeren. — F. G. Hubbard, in “The Psalms Chronologically arranged, with Historical Introductions.” New York, 1856.

Gehele psalm

Deze woorden zijn in feite een gebed. Toch heeft de psalm niet de vorm van smeekbeden, maar van een dankzegging. Daarom moeten we hem zien als een dankgebed dat vooraf wordt uitgesproken en toch smeekbeden bevat. — Berleburger Bijbel.

Vers 2

Dat Uw Naam nabij is. Gods Naam heet nabij omdat die openlijk bekend was geworden en in ieders gedachten en op ieders tong leefde. Dat is het tegenovergestelde van wat onbekend en duister is, en wat we “ver weg” noemen. Vergelijk Deut. 30:11. — Hermann Venema.

Vers 2

De psalmist maakt van deze plicht een dubbele plicht voor de heiligen: “Wij loven U, o God; wij loven”, wij doen het. Het lijkt alsof niemand anders het deed dan zij, of alsof zij nooit iets anders hadden gedaan. — Joseph Caryl, in “A Sermon before the House of Commons,” getiteld “The Saints’ Thankful Acclamation.”

Vers 4

Ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Ik voorkom dat alles instort. Zo gaat het met een huis dat op te zwakke zuilen staat om zijn gewicht te dragen: dat valt in stukken uit elkaar. — Daniel Cresswell.

Vers 4

Ik heb zijn pilaren vastgemaakt (Engels: ik draag zijn pilaren). Leer wie de eer toekomt voor het dragen van de wereld. Gods voorzienigheid is de echte Atlas die de wereld steunt. Hij draagt haar op Zijn schouders en trapt ondertussen op zonde en zondaars. Als we de voorzienigheid zo bekijken, mogen we zeggen wat ze vanouds zeiden: “De HEERE is God, de HEERE is God!” 1 Kon. 18:39. — Thomas Crane.

Vers 4

Stel je een koning voor, vooral een oosterse vorst, op het hoogtepunt van zijn macht en vol hoogmoed. Trots kijkt hij uit over de tekenen van zijn kracht en zegt bij zichzelf: “Ik draag de pilaren der aarde.” Maar zo’n gedachte kun je je bij David of Hizkia nooit voorstellen. Die kwam nooit op in hun hart en nooit over hun lippen. Ik weet niet welke zoon van Adam, zwak en broos op zijn best, ooit had durven zeggen: Het land en al zijn bewoners smelten weg, maar ík houd de pilaren overeind.

Ik ken er maar Eén die dat kan: Hij Die zei: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.” Nadat Hij die woorden had gesproken, voer Hij op naar de hemel. Daar oefent Hij Zijn heerschappij uit en herstelt Hij de enorme ravage die op aarde was aangericht toen de satan in het paradijs triomfeerde. — Barton Bouchier.

Vers 5

Onzinnigen. Goddelozen zijn geestelijke dwazen. Stel dat je een prachtig kind hebt, maar het blijkt een dwaas te zijn. Dan beleef je weinig vreugde aan dat kind. De Schrift heeft de zondaar een dwazenpak aangetrokken. En laat me je dit zeggen: beter een dwaas zonder verstand dan een dwaas zonder genade. Dát is de dwaas van de duivel. Spr. 14:9. Is hij geen dwaas, die een rijk erfdeel afslaat? God biedt Christus en zaligheid aan, maar de zondaar wijst dat deel af: “Israel heeft Mijner niet gewild.” Ps. 81:12. Is hij geen dwaas, die liever een lijfrente kiest dan een erfenis?

Is hij geen dwaas, die zijn sterfelijke deel verzorgt en zijn engelachtige deel verwaarloost? Het is alsof iemand de muur van zijn huis verft en het houtwerk laat wegrotten. Is hij geen dwaas, die de duivel voedt met zijn ziel? Net als die keizer die zijn leeuw een fazant te eten gaf. Is hij geen dwaas, die zichzelf een strik spant? Spr. 1:18. Die zijn eigen schande beraamt? Hab. 2:10. Die de dood liefheeft? Spr. 8:36. — Thomas Watson.

Vers 6

Hoorn. In het Hebreeuws gebruikte men het woord hoorn als beeld. Het stond voor eer, bijvoorbeeld in Ps. 112:9 en 132:17, enzovoort. Of het stond voor kracht, zoals in Micha 4:13: “Ik zal uw hoorn ijzer maken.” Zie ook Deut. 33:17, enzovoort. Iemand vernederen en neerwerpen beeldde men vaak uit door de hoorn te breken of af te hakken, zoals hier (Ps. 75:11). Klaagl. 2:3: “Hij heeft … den gehelen hoorn Israels afgehouwen.” Iemands hoorn verhogen betekende hem eer en waardigheid geven. Hetzelfde geldt voor: hem laten uitspruiten. Ps. 132:17; 89:18; Ezech. 29:21. Hier betekent het opsteken van de hoorn: aanmatiging. Wat later werd de hoorn ook een zinnebeeld voor een koninkrijk, Zach. 1:18 en Daniël. — “Vier Vrienden.”

Vers 6

Spreekt niet met stijven hals. De heer Bruce merkte op dat de Abessijnse koningen een hoorn op hun diadeem dragen. Houden zij die rechtop of naar voren, dan lijkt het alsof zij een stijve hals hebben. Hij verwijst naar deze bijbelplaats voor de ouderdom van dit gebruik én voor de aanblik ervan. — Adam Clarke.

Vers 7

Want het verhogen komt niet uit het oosten, enz. Het woord verhoging is hier heel veelzeggend gekozen. Het draait om het verlangen naar vooruitgang voor onszelf, herim. Het leert ons dat al onze innerlijke plannen en uiterlijke voornemens ons niet verder brengen, tenzij ze steunen op ontzag en liefde voor God. We hopen op een beter bestaan, alsof we een berg beklimmen. We zetten alles op alles voor de klim en denken dwaas dat geen oog onze inspanning ziet. Maar zoals “elkeen der zotten neemt schande op zich” (Engels: schande is de verhoging der dwazen), zo loopt onbezonnenheid vaak uit op teleurstelling…

Uit het oosten komt geen verhoging. Het woord ‘oosten’ is hier heel veelzeggend: mimmotza, de opkomst van de zon, het uitgaan van het licht, het aanbreken van de dag en de openbaring van God. We kijken om ons heen. In de vroege ochtend van de jeugd rekenen we, met hoge verwachtingen, veel energie en misschien bijzonder talent, op de overwinning op onze leeftijdgenoten en op een leven vol succes en voorspoed. Maar helaas! Hoe vaak worden al die verwachtingen de bodem ingeslagen, en drukt een reeks tegenslagen onze moed omlaag.

Uit het westen komt geen verhoging. In de grondtekst staat umimma’arab. Dat betekent donkerheid, duisternis en de ondergaande zon, en dus: het westen. De wolken van de jaren drukken op ons en donkere schaduwen halen ons op allerlei manieren in. We verliezen dierbare vrienden uit onze jonge jaren, de veerkracht van de jeugd is voorbij, onze verwachtingen zijn teruggebracht tot een beetje persoonlijk gemak en onze lichamelijke kracht neemt af. Dan wil God vaak dat de verhoging uitblijft.

We komen nu bij het laatste punt waar geen verhoging vandaan komt: het zuiden, midbar, een woeste plek, de Arabische woestijn. Op droge, eenzame plaatsen zoals de zandwoestijn is weinig vooruitgang te verwachten. Zo is ook ons menselijk verstand: als zorg en opvoeding het niet bewerken en verbeteren, is het voor alle heilige gevoelens en elke vooruitgang net zo onvruchtbaar als de woestijn. De natuurlijke hartstochten smoren als zand elk plekje dat bebouwd kon worden, en sluiten alle wegen naar nadenken en godsvrucht af. Een goddeloos mens lijkt op de Arabische woestijn. Hij is nutteloos voor zichzelf en voor zijn naasten.

Als eindeloos verschuivend zand wordt hij heen en weer geslingerd door zijn eigen koppige hartstochten. Verhit door de zonnen van onrust, eigenwil en roekeloosheid is hij een woestijn, een wildernis waar God het licht van Zijn aangezicht niet wil laten schijnen om hem te verhogen. Over zo’n mens kunnen we zeggen wat er in Ps. 78:40 staat over de ongehoorzame Joden van vroeger: “Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!”

Laten we daarom ook het hogere deel van ons wezen bebouwen. Dan kunnen we vrucht dragen tot heiligheid. Laten we een zo edel schip als de ziel niet laten vergaan door slordig sturen en verwaarlozing, maar haar zeilen goed afstellen met vroeg, goed onderwijs. Dan komen we aan in de haven waar we wezen willen. Nu we de drie punten uit onze tekst hebben toegelicht, kijken we naar het punt (het noorden) waar we wél verhoging of vooruitgang van mogen verwachten. Koude is een beeld van reinheid, en koude hoort bij het noorden. De reinen van hart zullen God zien.

God is het noorderlicht dat schittert boven de stilte van de nacht van ons leven. “Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit den rijm als as. Hij werpt Zijn ijs heen als stukken.” Laten we ervoor zorgen dat we nederig van God afhankelijk zijn. Op welke plaats Hij ons ook wil houden: alleen godzaligheid zal onze verhoging en onze ware rijkdom blijken. Als we ons erop richten Hem te behagen, zullen we voorspoedig zijn. Dan zal Hij ons laten zien “een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods, en des Lams.” (Openb. 22:1.) — Samengevat uit een preek van Gregory Bateman, gehouden op 16 maart 1862 bij zijn intrede als predikant van Ulrome.

Vers 7

Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn. Hier worden drie van de vier windstreken genoemd, en uit geen van die drie komt volgens de tekst “verhoging”. Maar waarom staat er niet bij dat verhoging ook niet uit het noorden komt? Dat is de vraag. Mijn antwoord: het zou genoeg zijn te zeggen dat we over zulke dingen niet nieuwsgierig moeten vragen. Het moet ons genoeg zijn dat de Geest van God het goed vindt dit zo te zeggen, en niet meer.

Toch zeggen sommigen dat het noorden niet wordt genoemd, omdat de verhoging wél uit het noorden komt. Dat zou blijken uit het Hebreeuwse woord voor noorden, dat ‘verborgen’ of ‘geheim’ betekent. Verhoging komt dus niet uit het oosten, westen of zuiden, maar uit het noorden, als in een beeld of verborgenheid. Dat wil zeggen: ze komt uit een verborgen beschikking of een geheime hand, waar velen net zo weinig op letten als wij op het uiterste noorden. God verheft in deze wereld velen tot macht en zendt hun grote voorspoed, zonder dat wij zien hoe of op welke manier.

De oorzaken en de beschikkingen daarvan liggen diep verborgen in de boezem van God. Ook dit is waar, en in die zin mogen we zeggen: “Als van het noorden het goud komt” (Engels: uit het noorden komt schoon weer). De verhoging is zichtbaar, maar hoe ze komt, is een geheim. We zien de oorzaken niet, en ook niet de wegen waarlangs ze komt. Het is genoeg om deze fijne punten even aan te stippen. Dat kan geen kwaad, want wat eruit volgt, stemt duidelijk overeen met andere heldere plaatsen in de Schrift. — Joseph Caryl.

Vers 7

Verhoging, of: opheffing. Het is duidelijk een nadrukkelijk woord in deze psalm. Het komt ook voor in vers vijf en zes, en opnieuw in vers acht en elf. Daarom heb ik het overal op dezelfde manier weergegeven. De Engelse vertaling “promotion” (bevordering) verliest niet alleen deze bedoelde herhaling van hetzelfde woord uit het oog. Ze is ook bijzonder ongelukkig, omdat ze een verkeerd idee overbrengt. Opheffing betekent in het Hebreeuws niet bevordering zoals wij dat meestal begrijpen. Het gaat om bevrijding uit nood, veiligheid en overwinning. Vooral het beeld van het opheffen van het hoofd of van de hoorn (dat laatste is ontleend aan wilde dieren zoals buffels, bij wie de hoorn een teken van kracht is) wijst op moed, kracht en overwinning op vijanden. — J. J. Stewart Perowne.

Vers 7

Noch uit het zuiden. “Uit de woestijn”: de grote woestijn die in die richting ligt. Drie windstreken worden genoemd; alleen het noorden ontbreekt. Dat is te verklaren als we aannemen dat de psalm over Sanherib gaat. Het Assyrische leger naderde namelijk uit het noorden. Het lag dus voor de hand om in alle richtingen hulp te zoeken om de indringer af te slaan, behalve in die ene. — J. J. Stewart Perowne.

Verzen 7–8

“Ik had gezegd, dat ik u hoog vereren zou,” (Engels: ik dacht u tot grote eer te verheffen) zei de koning van Moab tegen Bileam. Toch eindigde die verheffing in een smadelijke, bloedige dood. Ik heb vaak gedacht aan al die dienaren van de Heere hier op aarde, die met zoveel minachting werden voorbijgelopen en overgeslagen in het rijtje van mensen die ertoe doen. Wat zullen zij vol blijde en dankbare verrassing eindelijk de verhoging ontvangen die hun op aarde werd geweigerd! Hun eigen Meester zegt dan tot hen: “Vriend, ga hoger op.” En zittend aan tafel met Abraham, Izak en Jakob in het koninkrijk der hemelen ontvangen zij eer van allen die met hen aanzitten. — Barton Bouchier.

Verzen 7–11

In deze psalm wordt de opkomst en ondergang van volken en rijken aan God toegeschreven. Hij verhoogt de een en vernedert de ander, zoals het Hem behaagt, en dat doet Hij steeds opnieuw. Meestal gebruikt Hij daarvoor middelen, maar die middelen worden altijd pas doeltreffend door Zijn eigen werking. Als volken of mensen voorspoedig, roemrijk en machtig zijn, schrijven ze dat meestal toe aan zichzelf of aan het toeval. Maar het is God Die hen tot die hoogte heeft gebracht. Als ze pochen, kan Hij hen vernederen. In deze verzen zien we God als de Bestuurder van de wereld. Hij straft de goddelozen en stort Zijn oordeel uit over Zijn vijanden. De rampen van oorlog, pest en hongersnood zijn allemaal dienaren van Zijn voorzienigheid om Zijn toorn uit te voeren. — Alexander Carson.

Vers 8

“Hier tilt Hij wormen, door ieder veracht,
omhoog tot scepter en kroon;
dan slaat Hij de volgende bladzijde om
en werpt de vorst van zijn troon.”

— Isaac Watts.

Wenken voor de dorpsprediker

Vers 2

De kerk dankt onophoudelijk, en dat is haar roeping. Ze heeft alle reden om te aanbidden: haar God is dichtbij, en dat blijkt duidelijk uit de bewijzen van Zijn macht.

Vers 2

  1. Danken wij wel?
  2. Ja, wij danken.
  3. Wat voor dank brengen wij?
  4. Wanneer danken wij?
  5. Laten we nog eens danken.

Goede voornemens verdienen lof. Maar hoe moeten we ze maken, hoe kunnen we ze versterken en hoe voeren we ze werkelijk uit?

Vers 4

De Heere is de steun van Zijn volk, ook in de ergste omstandigheden.

Vers 4

Dit leert ons dat geen wanorde of verwarring ons mag tegenhouden te doen wat God van ons vraagt. Integendeel: hoe meer er in wanorde is, hoe bereidwilliger we moeten werken om het te herstellen. — Thomas Wilcocks.

Vers 5

  1. Wie sprak er tegen hen? Ik.
  2. Wie waren dat? Dwazen en goddelozen.
  3. Wat werd er gezegd?
  4. Wat had het voor zin? Of: Zonde bestraffen is een plicht.

Vers 5

Het ongewijde drietal: goddeloosheid, dwaasheid en hoogmoed.

Vers 6

Argumenten tegen hoogmoed: in het hart, in het uiterlijk voorkomen en in de woorden die we spreken.

Verzen 7–8

De wisselingen van de voorzienigheid zijn geen grillen van het lot.

Vers 8

God handelt als rechter en niet willekeurig in wat Hij in Zijn voorzienigheid beschikt.

Vers 9

In des HEEREN hand is een beker, enz.

  1. Denk aan de bereiding: zo bekeken is de beker in de hand van de Heere.
  2. Denk aan de samenstelling: Hij is het Die hem mengt; hij was vol van mengeling.
  3. Denk aan de uitdeling: Hij geeft ieder zijn aandeel en zijn deel daarin. — Thomas Horton.

Vers 9

De beker van de toorn. Waar staat hij, wat is hij, hoe vol is hij, wie brengt hem, wie moet hem drinken?

Vers 9

Vol van mengeling. Gods toorn, wroeging, herinnering aan verloren vreugde, angst voor de toekomst, beschuldigingen over en weer, wanhoop, schaamte en meer: dit alles zijn ingrediënten van de gemengde beker.

Vers 9 (laatste zinsdeel)

  1. “Zijn droesemen” van de beker: de toorn van de toorn, de gal der bitterheid.
  2. De droesem van het volk: “alle goddelozen.”

Vers 10

Ons levenswerk: verkondigen en zingen.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas