Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 74 — Treasury of David

66 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

Een onderwijzing van Asaf. Het is een leerzame psalm. Het verhaal van de lijdende kerk bouwt ons altijd op. We zien hoe gelovigen in tijden van diepe nood op hun God bleven vertrouwen en met Hem worstelden. Zo leren we hoe wij ons in dezelfde omstandigheden kunnen gedragen. En nog iets: als er een vuurproef over ons komt, overkomt ons niets vreemds. We lopen in het spoor van het leger van God.

Indeling

In Psalm 74:1-11 legt de dichter de pijn van het volk voor aan God, en ook de smaad die de samenkomsten van de Heere is aangedaan. Daarna wijst hij op eerdere bewijzen van Gods kracht. Dat is voor hem de reden waarom God nu moet redden (Psalm 74:12-23).

Is dit een profetische psalm, bedoeld voor tijden van nood die van tevoren werden gezien? Of schreef een latere Asaf hem na de inval van Sanherib, of in de tijd van de Makkabeeënoorlogen? Dat is erg moeilijk te beslissen. Wij zien echter geen bezwaar tegen de eerste gedachte.

Uitleg

Vers 1

“O God! waarom verstoot Gij in eeuwigheid?” Verstoten worden is al hard. Maar als U Uw volk zó lang alleen laat, is dat een kwaad dat niemand kan dragen. Het is het toppunt van alle rampen, een afgrond van ellende.

Het is wijs om, zolang we onder Gods tuchtiging zijn, te vragen: “Doe mij weten, waarover Gij met mij twist.” En duurt de beproeving lang? Dan moeten we nog ernstiger vragen wat ze bedoelt. Zonde ligt meestal ten grondslag aan elke keer dat de Heere Zijn gezicht verbergt. Laten we de Heere bidden ons de bijzondere vorm ervan te laten zien. Dan kunnen we ons ervan bekeren, haar overwinnen en haar voortaan achter ons laten. Een kerk die door God is verlaten, mag niet onverschillig blijven zitten. Ze moet zich omkeren naar de hand die haar slaat en nederig vragen waarom.

Toch is de vraag uit onze tekst niet helemaal juist, want ze bevat twee misvattingen. Er zijn twee vragen die maar één antwoord toelaten: nee. “Heeft God Zijn volk verstoten?” (Romeinen 11:1). En de andere: “Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten?” (Psalm 77:8). God wordt Zijn volk nooit moe, zodat Hij een afkeer van hen zou krijgen. En zelfs als Zijn toorn tegen hen brandt, duurt dat maar een klein ogenblik, en het dient hun eeuwige goed. Verdriet stelt in zijn verwarring vreemde vragen en vreest dingen die helemaal niet kunnen gebeuren.

Het is een wonder van genade dat de Heere ons niet allang heeft weggelegd, zoals mensen versleten kleren wegleggen. Maar Hij haat het om weg te leggen en blijft geduld hebben met Zijn uitverkorenen.

“Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen Uwer weide?” Ze zijn van U. U zorgt voor hen. Het zijn arme, onnozele, weerloze schepsels. Heb medelijden met hen, vergeef hun en kom hun te hulp. Het zijn maar schapen. Blijf niet boos op hen. Het is vreselijk als Gods toorn rookt. Maar het is oneindige barmhartigheid dat die toorn niet losbarst in een verterend vuur.

Het past ons om de Heere te bidden elk teken van Zijn woede weg te nemen. Want voor wie echt Zijn schapen zijn, is het heel pijnlijk om het voorwerp van Zijn afkeuring te zijn. De Heilige Geest bedroeven is geen kleine zonde, en hoe vaak zijn we er toch schuldig aan! Geen wonder dat we zo vaak onder een wolk leven.

Vers 2

“Gedenk aan Uw vergadering, die Gij van ouds verworven hebt.” Wat een krachtig argument is de verlossing! O God, ziet U het bloedteken op Uw eigen schapen en laat U toch toe dat woeste wolven hen verscheuren? De kerk is voor de Heere geen nieuwe aankoop. Al vóór de grondlegging van de wereld werden de uitverkorenen gezien als verlost door het geslachte Lam. Zou die oude liefde doven? Zou het eeuwige raadsbesluit mislukken?

De Heere wil dat Zijn volk denkt aan het paaslam, aan de met bloed bestreken deurpost en aan de ondergang van Egypte. En zou Hij dat zelf allemaal vergeten? Laten we Hem eraan herinneren. Laten we samen pleiten. Kan Hij Zijn met bloed gekochte volk in de steek laten? Kan Hij Zijn verlosten verlaten? Kan de verkiezing mislukken en de eeuwige liefde ophouden te gloeien? Onmogelijk! De smarten van Golgotha en het verbond waarvan die smarten het zegel zijn: daarop kunnen de heiligen rekenen.

“De roede Uwer erfenis, die Gij verlost hebt.” Zo’n zoet argument verdient het om herhaald en uitgewerkt te worden. Het deel van de Heere is Zijn volk. Zou Hij Zijn erfenis kwijtraken? Zijn kerk is Zijn koninkrijk, en over haar strekt Hij de scepter van Zijn heerschappij uit. Zou Hij toestaan dat Zijn bezit Hem wordt ontrukt?

Dat God ons bezit, is een feit vol troost. Hoe Hij ons waardeert, hoe Hij over ons regeert en hoe Hij met ons verbonden is: het zijn allemaal lichten die ons donker verhelderen. Niemand geeft zijn erfdeel graag op. Geen vorst geeft zijn rijk zomaar prijs. Daarom geloven we dat de Koning der koningen vasthoudt aan wat van Hem is. Hij zal Zijn rechten verdedigen tegen iedereen die zich tegen Hem verheft.

“Den berg Sion, waarop Gij gewoond hebt.” De Heere heeft Sion gekozen als het middelpunt van Zijn aanbidding en als de plek waar Hij Zich liet zien. Ook dat is een reden om Jeruzalem te behouden. Zou de heilige tempel van Jehova door heidenen worden ontwijd? Zou de troon van de grote Koning door Zijn vijanden worden bezoedeld? Heeft Gods Geest in onze harten gewoond, en zou Hij ze dan overlaten als verblijfplaats voor de duivel? Heeft Hij ons geheiligd door in ons te wonen, en zou Hij uiteindelijk toch Zijn troon verlaten? God verhoede het!

Het is goed om op te merken dat deze psalm duidelijk is geschreven met de tempel op Sion voor ogen. Niet met de tabernakel die er in de tijd van David stond, want dat was maar een tent. De verwoesting waarover hier wordt gerouwd, trof het snijwerk van een stevig gebouw. Wie Gods heerlijkheid in Salomo’s ongeëvenaarde tempel hadden gezien, konden bitter treuren toen de Heere Zijn vijanden dat onvergelijkelijke gebouw helemaal liet verwoesten.

Vers 3

“Hef Uw voeten op tot de eeuwige verwoestingen.” De ravage die was aangericht, was de smekeling al lang een doorn in het oog. Er leek geen hoop meer op herstel. De verwoesting heerste niet maar één dag of één jaar, ze heerste onafgebroken. Ook dit is een argument bij God. Zou Jehova blijven zitten terwijl Zijn eigen land een woestijn wordt en Zijn eigen paleis een puinhoop? Tot Hij opstaat en dichterbij komt, blijft de verwoesting. Alleen Zijn aanwezigheid kan het kwaad genezen. Daarom wordt Hij gesmeekt Zich met opgeheven voeten te haasten om Zijn volk te verlossen.

“De vijand heeft alles in het heiligdom verdorven.” Elke steen van de verwoeste tempel riep tot de Heere. Overal waren de sporen van goddeloze plunderaars te zien. De heiligste plaatsen getuigden van hun boosaardige snoodheid. Zou de Heere dit voor altijd toelaten? Zou Hij niet snel de vijand neerwerpen, die Hem recht in het gezicht tartte en de troon van Zijn heerlijkheid ontwijdde?

Het geloof vindt argumenten in de slechtste omstandigheden. Het gebruikt zelfs de gevallen stenen van zijn verwoeste paleizen: met het grote werptuig van het gebed slingert het ze tegen de poorten van de hemel en bestormt die.

Vers 4

“Uw wederpartijders hebben in het midden van Uw vergaderplaatsen gebruld.” Waar Uw volk zong als engelen, brullen deze barbaren als wilde dieren. Als Uw heiligen samenkomen om U te aanbidden, vallen deze wrede mensen hen aan met de woede van leeuwen. Ze hebben geen enkel ontzag voor de plechtigste samenkomsten. Ze dringen met hun lasteringen binnen in onze meest gewijde bijeenkomsten.

Hoe vaak heeft de kerk in tijden van vervolging of van heersende ketterij gemerkt wat zulke woorden betekenen! Moge de Heere ons zulke ellende besparen. Wanneer er veel schijnheiligen in de kerk zijn die haar aanbidding bezoedelen, is het net als hier. Heere, bewaar ons voor zo’n zware beproeving.

“Zij hebben hun tekenen tot tekenen gesteld.” Afgodische symbolen, in de oorlog gebruikt, werden boven Gods altaar opgesteld. Ze waren een beledigend teken van overwinning en van minachting voor de overwonnenen en hun God. Aanhangers van de paus, volgelingen van Arius en de moderne school van de Neologen hebben in hun tijd hun tekenen tot tekenen gesteld. Bijgeloof, ongeloof en vleselijke wijsheid hebben geprobeerd de plaats in te nemen van de gekruisigde Christus. Dat deed de kerk van God veel verdriet.

De vijanden buiten de kerk doen ons weinig schade. Maar de vijanden binnen de kerk richten ernstig kwaad aan. Ze verdringen de waarheid en zetten de dwaling in haar plaats. Zo bedriegen ze het volk en leiden ze mensenmassa’s naar het verderf. Een Jood voelde een heilige huivering als hij een afgodisch symbool in het heiligdom zag staan. Zo voelen wij het ook wanneer we in een protestantse kerk de dwaasheden van Rome zien, en wanneer we vanaf kansels waarop vroeger mannen van God stonden, nu filosofie en ijdele verleiding horen.

Vers 5

“Een ieder werd er bekend als een, die de bijlen omhoog aanbrengt in de dichtigheid van een geboomte.” Vroeger werden mensen beroemd omdat ze de cederbomen velden en klaarmaakten voor de bouw van de tempel. Nu vindt de bijl ander werk. Mensen zijn trots op verwoesten, zoals hun vaders trots waren op bouwen.

Zo sloegen onze vaders in vroegere tijden krachtige slagen tegen de wouden van de dwaling. Ze werkten hard om de bijl aan de wortel van de bomen te leggen. Maar helaas, hun zonen lijken net zo ijverig om de waarheid te vernielen en alles omver te halen wat hun vaders hebben opgebouwd. O, kwamen die goede oude tijden maar terug! O, had ik maar één uur de bijl van Luther of de machtige houwer van Calvijn!

Vers 6

“Alzo hebben zij nu derzelver graveerselen samen met houwelen en beukhamers in stukken geslagen.” De indringers waren net zo ijverig in het verwoesten als de oude bouwers in het bouwen waren geweest. Zulk mooi snijwerk aan stukken hakken was barbaars. Maar de Vandalen kenden geen genade. Ze sloegen alles kapot met elk gereedschap dat ze maar te pakken kregen.

In onze tijd gebruiken mensen bijlen en voorhamers tegen het evangelie en tegen de kerk. Heerlijke waarheden, veel kostbaarder dan het mooiste snijwerk, worden bekritiseerd en versplinterd door de slagen van de moderne kritiek. Waarheden die bedrukten hebben gesteund en stervenden hebben getroost, worden vernield door aanmatigende Goten. Zij willen als geleerden doorgaan, maar kennen zelfs de eerste beginselen van de waarheid niet.

Met bijtende spot en zware slagen van drogredenen breken ze het geloof van sommigen af. En als het mogelijk was, zouden ze zelfs het vertrouwen van de uitverkorenen vernietigen. Assyriërs, Babyloniërs en Romeinen zijn slechts voorbeelden van de geestelijke vijanden die werken om de waarheid en het volk van God te vermorzelen.

Vers 7

“Zij hebben Uw heiligdommen in het vuur gezet.” Bijlen en hamers waren voor de verwoesters niet genoeg. Ze moesten het ook met vuur proberen. Boosaardigheid kent geen grenzen. Wie God haten, sparen nooit de wreedste wapens. Tot op de dag van vandaag, tot in onze eigen tijd, is de vijandschap van het menselijk hart net zo groot als altijd. Als Gods voorzienigheid haar niet in toom hield, zouden de heiligen nog steeds brandstof voor de vlammen zijn.

“Ter aarde toe hebben zij de woning Uws Naams ontheiligd.” Ze maakten van de tempel een puinhoop en lieten geen steen op de andere. De Heere had de berg Sion verlaten en de Romein was binnengedrongen. Toen dreef de oorlogswoede de soldaten ertoe om het gedenkteken van het beroemde Huis van de Heere uit te branden en weg te vagen. Als de machten van de duisternis hun zin konden krijgen, zou de kerk van Christus hetzelfde lot treffen. “Ontbloot ze,” zeggen ze, “ontbloot ze, tot haar fondament toe!”

De kerk ontheiligen is haar verwoesten. Haar vijanden zouden haar ontheiligen tot er niets meer overbleef van haar reinheid, en daarmee van haar wezen. Maar zelfs al konden ze hun woede op de zaak van Christus botvieren, ze kunnen haar niet vernietigen. Ze zal hun slagen en hun branden overleven. De Heere houdt hen nog steeds als honden aan de lijn. Uiteindelijk laat Hij al hun plannen mislukken.

Vers 8

“Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ze ons te zamen uitplunderen.” Dit was geen ijdele wens, geen loze kreet. Hun wreedheid was oprecht, diep geworteld, een zaak van hun diepste binnenste. Uitroeiing was de wens van Haman en het doel van menig andere tiran. Er zou niets van Gods volk zijn overgebleven als de onderdrukkers hun zin hadden gekregen. De plannen van Farao om het volk uit te roeien zijn voor anderen een voorbeeld geweest. Toch bestaan de Joden nog en ze zullen blijven bestaan: de braamstruik heeft gebrand, maar is niet verteerd. Zo is ook de kerk van Christus door een doop van bloed en vuur gegaan. Ze is er alleen maar helderder door geworden.

“Zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand.” Hier wordt niet gedoeld op gebouwen die synagogen heetten, maar op samenkomsten. Er werd maar op één plaats samengekomen om God te aanbidden. De verwoesting van de tempel betekende dus het einde van alle heilige bijeenkomsten. Zo werden in feite alle vergaderplaatsen vernield.

Vervolgers hebben er altijd naar gestreefd een einde te maken aan alle conventikels, zoals zij die noemden. “Belet hen samen te komen en je verstrooit hen,” zeiden de vijanden. Maar God zij dank, de heiligen zijn niet afhankelijk van muren. Ze kwamen samen op de berghelling, in het veen, in de catacomben, of in een boot op zee. Toch lukte de poging bijna. De jacht was zo fel dat de gelovigen eenzaam rondzwierven en hun plechtige samenkomsten onder die omstandigheden schaars waren. Wat voor zuchten en kreten zijn in zulke tijden opgegaan naar de oren van de HEERE der heirscharen! Wat zijn wij gelukkig dat we kunnen samenkomen om God te dienen op elke plaats die we kiezen, en dat niemand ons durft lastig te vallen.

Vers 9

“Wij zien onze tekenen niet.” Och, arm Israël! Op de borst van de hogepriester schitterden geen Urim en Thummim meer. Tussen de cherubs scheen geen Sjechina. De rook van het offer en de wolk van het reukwerk stegen niet meer op van de heilige berg. De plechtige feesten waren stopgezet. Zelfs de besnijdenis, het teken van het verbond, werd door de tiran verboden.

Ook wij als gelovigen weten wat het is om onze zekerheden kwijt te raken en in het donker te tasten. Te vaak missen ook onze kerken de tekenen van de aanwezigheid van de Verlosser, en blijven hun lampen ongesnoeid. Wat een droevige klacht van een volk onder een wolk!

“Er is geen profeet meer.” De profetie lag stil. Er kwam geen bezielend lied en geen troostende belofte meer van dichter of ziener. Het gaat slecht met Gods volk als de stem van de prediker van het evangelie verstomt en er een hongersnood naar het woord des levens over het volk komt. Door God gezonden dienaren zijn voor de heiligen even nodig als hun dagelijks brood. Het is een groot verdriet als een gemeente geen trouwe herder heeft. We moeten vrezen dat er, bij alle predikers die er nu zijn, toch een tekort is aan mannen van wie hart en tong zijn aangeraakt door hemels vuur.

“Noch iemand bij ons, die weet, hoe lang.” Als iemand een einde kon voorspellen, zou je het kwaad met enig geduld kunnen dragen. Maar als niemand een einde ziet of een uitkomst kan voorzeggen, ziet de ellende er hopeloos uit en overweldigt ze ons.

God zij dank: in onze dagen heeft Hij Zijn kerk niet zó jammerlijk zonder bemoedigende woorden gelaten. Laten we bidden dat Hij dat nooit zal doen. Minachting van het Woord komt heel veel voor. Dat kan de Heere maar al te goed aanzetten om het ons te ontnemen. Moge Zijn lankmoedigheid die tarting verdragen en Zijn barmhartigheid ons nog altijd het woord des levens geven.

Vers 10

“Hoe lang, o God! zal de wederpartijder smaden?” Wij weten niet hoe lang, maar U weet het wel. De tijden en gelegenheden zijn bij U. Als God wordt gesmaad, is er hoop voor ons. Dan zal Hij misschien luisteren en Zijn onteerde Naam wreken. Aan de goddeloosheid wordt veel vrijheid gelaten, en de gerechtigheid draalt onderweg. God heeft Zijn redenen voor uitstel en Zijn tijden om te handelen. Uiteindelijk zal blijken dat Hij niet traag is met Zijn belofte, zoals sommige mensen traagheid beschouwen.

“Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren?” Dat zal hij eeuwig doen, tenzij U hem de genadeslag geeft. Zult U Uzelf nooit verdedigen en lasterende tongen nooit de mond snoeren? Zult U altijd de spot van de goddelozen blijven dulden? Komt er geen einde aan al dat heiligschennen en vloeken? Jawel, het komt allemaal tot een einde, maar niet meteen. Er is een tijd waarin de zondaar mag razen, en een tijd waarin het geduld hem draagt. Maar het is slechts een tijd. En dan, ach, dan!

Vers 11

“Waarom trekt Gij Uw hand, ja, Uw rechterhand af?” Waarom zit U zo werkloos toe te kijken? Waarom bent U zo onverschillig voor Uw eigen eer en voor de veiligheid van Uw volk? Wat is de smekeling vrijmoedig! Dwaalt hij? Nee, zeker niet. Wij zijn de dwalenden, wij die zo koel, zo ver weg en zo lusteloos zijn in het gebed. Het koninkrijk der hemelen lijdt geweld. Wie de kunst van het bidden verstaat, zal daarmee bij God stellig overwinnen.

Het is goed om te vragen waarom het werk van de genade zo langzaam voortgaat en waarom de vijand zoveel macht over de mensen heeft. Die vraag kan ons praktische overwegingen aanreiken die van onmetelijke waarde zijn.

“Waarom blijft U weg uit de strijd?
Waarom dralen de wielen van Uw wagen?
Sta op, en laat het rijk der hel beven,
Arm des HEEREN, ontwaak, ontwaak!”

“Trek haar uit het midden van Uw boezem.” Wat een gedurfd beeld! Maar mensen die vechten voor hun leven, moeten alles durven. Lijkt het alsof God Zijn armen over elkaar slaat? Dan mogen wij de onze niet over elkaar slaan. Laten we juist onze smeekbeden vernieuwen, zodat Hij Zijn hand weer aan het werk zet. O, als er onder belijdende christenen méér strijd in het gebed was, wat zouden we dan wonderen van genade zien!

Hier hebben we een voorbeeld van echt pleiten, een gebed vol vervoering. Het is nederig, maar ook vrijmoedig, vurig, innig en krachtig. Zulke smeekbeden raken altijd het hart van God. Als wij onze sterkste redenen aanvoeren, brengt Hij Zijn uitgelezen barmhartigheden naar voren.

Verzen 12–23

Nadat de bidder de treurige toestand aan de Heere heeft voorgelegd, brengt hij nu een nieuwe reeks redenen naar voren waarom God moet helpen. Hij kijkt terug op de wonderen van genade en de krachtige daden van de Heere uit het verleden, en smeekt of Hij die werken opnieuw wil doen.

Vers 12

“Evenwel is God mijn Koning van ouds af.” Wat een troost zit er in deze belijdenis! Israël erkent trouw en met heilig ontzag zijn Koning. Het beroept zich erop dat het van oudsher Zijn eigendom is, en put daar een reden uit om te vragen om bescherming en redding. Is de Heere echt de enige heerser over ons hart? Dan zet Hij in Zijn liefde Zijn kracht voor ons in. Heeft Hij ons van eeuwigheid af als de Zijnen opgeëist? Dan beschermt Hij ons tegen de vijand die ons bespot.

“Die verlossingen werkt in het midden der aarde.” Vanaf de vroegste tijden van Israëls geschiedenis had de Heere Zijn volk telkens gered. Vooral bij de Rode Zee stond het hart van de wereld zelf versteld van Zijn reddende wonderen. Elke gelovige mag zich vandaag op die oude daden van de Heere beroepen: het werk van Golgotha, de overwinning op zonde, dood en hel. Wie onze redding al zo lang geleden heeft bewerkt, laat ons nu niet in de steek. Dat kan Hij niet eens! Elk wonder van genade uit het verleden verzekert ons: Hij Die begonnen is met verlossen, blijft ons van alle kwaad verlossen.

Zijn daden van toen waren openbaar en gebeurden onder de ogen van Zijn vijanden. Het was geen goocheltruc en geen schijn. Daarom verwachten we in al onze gevaren echte, zichtbare hulp. En die zullen we zeker krijgen.

Vers 21

“Laat den verdrukte niet beschaamd wederkeren.” Ze zijn gebroken en verpletterd, maar ze komen toch vol vertrouwen naar U toe. Laat hen niet teleurgesteld worden! Dan zouden ze zich schamen voor hun hoop. “Laat den ellendige en nooddruftige Uw Naam prijzen.” Maak hun hart blij door snel te antwoorden wanneer ze roepen. Dan brengen ze U hun mooiste lofzangen.

De Heere laat niemand beschaamd uitkomen die op Hem vertrouwt. Dat is Zijn manier niet. Want Zijn woord is: “Roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.”

Vers 22

“Sta op, o God! twist Uw twistzaak.” Antwoord op de hoon van de goddelozen met bewijzen die zowel de lastering als de lasteraar vernietigen. Gods oordelen zijn ontzagwekkende antwoorden op de tarting van Zijn vijanden. Als Hij machtige rijken laat instorten en vervolgers recht in het hart treft, verdedigt Hij Zijn zaak Zelf, zoals niemand anders dat had gekund. O, dat de Heere Zelf het slagveld opkwam! Al lang trilt de strijd in de weegschaal. Eén blik van Zijn ogen, één woord van Zijn lippen, en de vaandels van de overwinning wapperen in de wind.

“Gedenk der smaadheid, die U van den dwaze wedervaart den gansen dag.” De Heere wordt gevraagd te bedenken dat Hij Zelf wordt bespot. En dan nog door een gewoon mens, en nog wel door een dwaas! Ook wordt Hij eraan herinnerd dat deze vuile woorden nooit ophouden en met elke nieuwe dag opnieuw klinken. Het is dapper gedaan als het geloof redenen uit de muil van de draak kan rukken, en in de lasteringen van dwazen nog argumenten kan vinden om bij God mee te pleiten.

Vers 23

“Vergeet niet het geroep Uwer wederpartijders.” Grote krijgsman, laat de hoon van de vijand U aanzetten tot de strijd! Ze dagen U uit. Neem de handschoen op en sla hen met Uw geduchte hand. Zijn de kreten van Uw kinderen te zwak om gehoord te worden? Let dan op de luide stemmen van Uw vijanden, en breng hun godslasteringen voor altijd tot zwijgen.

“Het getier dergenen, die tegen U opstaan, klimt geduriglijk op.” De goddelozen schreeuwen tegen U en tegen Uw volk. Hun lasteringen zijn luid en houden nooit op. Ze tarten U, ja U! En omdat U niet antwoordt, lachen ze U uit. Het gaat van kwaad tot erger, en van erger tot het ergste. Hun woede zwelt aan als het gerommel van een onweer dat dichterbij komt. Waar moet dit op uitlopen? Welke schande wordt er nu weer over U en de Uwen uitgestort? O God, blijft U dit eeuwig verdragen? Hebt U dan geen oog voor Uw eer, geen achting voor Uw heerlijkheid?

Veel van deze psalm is door onze gedachten gegaan toen we de afgoderij van Rome zagen. (De schrijver bezocht Rome in november en december 1871, terwijl dit deel van de Schatkamer in bewerking was.) Ook dachten we aan haar bloedige vervolging van de heiligen. O Heere, hoe lang duurt het nog voordat U Zich ontdoet van die goddeloze ellendelingen, de priesters, en de hoer van Babel in de poel van het verderf werpt? Moge de kerk nooit ophouden bij U te pleiten, totdat het oordeel is voltrokken en de Heere Zich heeft gewroken op de Antichrist.

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Gehele psalm

Deze psalm heeft één opvallende eigenschap, en die doet sterk denken aan Psalm 44. Nergens wordt nationale of persoonlijke zonde genoemd. Er is geen zinspeling op de rechtvaardige manier waarop de Heere hen straft, en er wordt niet gesmeekt om vergeving en vergiffenis. En toch lijdt het nauwelijks twijfel dat de schrijver van de psalm, wie hij ook was, de zonden en ongerechtigheden die al dit bittere kwaad over hen hadden gebracht even diep moet hebben gevoeld als Jeremia, Ezechiël, Daniël of enige andere profeet uit de ballingschap.

Er zijn wel verwijten, maar geen aanklacht. Er is rouw, maar geen gemor. Het is veel meer de kreet van een kind dat geslagen wordt. Het vraagt zich af waarom, en het treurt dat het gezicht van zijn Vader zich in ongenoegen van hem heeft afgekeerd en dat de hand van een Vader zo zwaar rust op het kind van Zijn liefde.

Of je zou bijna zeggen: het is de kreet van een van de gedode getuigen onder het altaar. Die staat verbaasd over de rover en onderdrukker en roept: “Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser …?” En toch is het de roep van iemand die nog steeds lijdt en nog steeds kermt onder de druk van zijn rampen: “Waarom verstoot Gij in eeuwigheid? … Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer.” — Barton Bouchier.

Gehele psalm

Een bijzonder kenmerk van deze psalm is dat het woord netsach, “voor eeuwig”, er zo vaak in voorkomt: Ps. 74:1,3,10. — E. W. Hengstenberg.

Vers 1

Deze psalm, en vooral deze woorden, bevatten de droevige klacht van de kerk over haar diepe ellende. Ook legt de kerk God ernstig de vraag voor wat hiervan de oorzaak is. Twee dingen brengt de kerk in deze woorden bij God naar voren. Ten eerste: hoe groot haar ellende is. Ten tweede: hoe nauw zij met Hem verbonden is.

  1. De grootte van haar ellende. Drie dingen maakten haar ellende zo zwaar. Ten eerste de wortel ervan, en dat was Gods toorn: “Waarom zou Uw toorn roken?” enz. Ten tweede de hoogte ervan: God was niet alleen toornig, Hij rookte in Zijn toorn. Ten derde de duur ervan: ze was zo lang dat God hen voor eeuwig scheen te verstoten.
  2. De nauwe band tussen God en Zijn volk: “Tegen de schapen Uwer weide.” Het is alsof ze zeggen: Heere, als U dit tegen Uw vijanden had gedaan, was het geen wonder geweest. Als U Uw grimmigheid had uitgegoten over de vaten van de toorn, was het niet zo erg geweest. Maar wat nu! Trekt U Uw zwaard tegen de schapen van Uw weide? Het zou geen wonder zijn geweest als U de vetten en de sterken had genomen en Uw oordelen over hen had uitgegoten. Maar doet U dat nu ook aan Uw schapen?

Uit deze woorden kan ik verschillende leerstukken afleiden. Eerste leerstuk: Gods volk zijn Zijn schapen.

Tweede leerstuk: God kan heel toornig zijn op Zijn eigen volk, op Zijn eigen schapen.

Derde leerstuk: Als God toornt op Zijn volk, past het Zijn volk om zorgvuldig te vragen waar dat door komt.

Vierde leerstuk: Als Gods volk onder druk staat, moet het letten op Gods toorn waar die druk uit voortkomt, en daar diep door geraakt zijn.

Vijfde leerstuk: Gods volk wordt in tijden van verdrukking meer geraakt door Gods toorn dan door zijn eigen pijn, of behoort dat althans te worden. Hierover klaagt de kerk. Niet dat zij zoveel leed, maar dat God ontstemd was en toornig. Dat raakte haar het diepst.

Zesde leerstuk: Gods volk is geneigd om in zware verdrukking kwade gedachten over God te hebben. God was toornig op Zijn volk, en hun hart zag het donker in, alsof God Zijn volk verstootte.

Zevende leerstuk: God kan zo zwaar en zo lang toornig zijn op Zijn volk dat het, naar het oordeel van de zintuigen, lijkt alsof ze voor altijd zijn verstoten.

Achtste leerstuk: Gods volk mag niet morren tegen Zijn handelen, maar mag Hem wel in alle nederigheid ter verantwoording roepen over de oorzaak. — Joseph Alleine, 1633–1668.

Vers 1

“Waarom zou Uw toorn roken?” enz. Toorn is een vuur. Bij woedende mensen en andere schepselen lijkt er rook uit de neusgaten te komen. Xenophon zegt van de Thebanen dat ze vuur ademen wanneer ze toornig zijn. Dit wordt dus van God gezegd zoals we dat over mensen zeggen. — John Trapp.

Vers 1

“De schapen Uwer weide.” Niets is hulpelozer dan een schaap: eenvoudig, genoegzaam, zachtaardig, tam, lijdzaam, vruchtbaar, schuw, aan de mens gewend, dom, nuttig. Met het woord schapen wordt hier dus aangegeven hoe dringend de nood aan goddelijke hulp is, en hoe goed het de Allerhoogste zou passen om hun zaak tot de Zijne te maken. — Lorinus.

Vers 2

“Gedenk aan Uw vergadering.” Niet zonder reden zeggen ze niet: “Denk aan ons”, maar: “Gedenk aan Uw vergadering.” Niet de onze, maar de Uwe. En niet omdat ze nu pas de Uwe is gaan worden, maar omdat U haar al van ouds hebt verworven, “de roede Uwer erfenis”, die U hebt verlost. Zo ook deze berg Sion, waar niet wij hebben gewoond, maar U. Er was niets wat ze met meer vrijmoedigheid aan een vertoornde God konden voorhouden dan de oude goedertierenheid die Hij hun vaderen in vroegere dagen had bewezen. — Musculus.

Vers 2

“De roede Uwer erfenis.” Shebet nachalah, de erfenisroede, is de staf waarmee een erfdeel wordt opgemeten. Qeneh hammiddah is de meetriet van de landmeter (Ezech. 40:3). Het woord wordt gebruikt zoals goral, het lot, voor het deel, dus voor de erfenis zelf. — E. W. Hengstenberg.

Vers 2

“De roede Uwer erfenis.” Dit betekent een volk waarop God in alle generaties een bijzonder recht en een bijzondere aanspraak had. — Henry Hammond.

Vers 2

“Die Gij verlost hebt”, dat wil zeggen: het gekochte volk, doordat Hij het terugbracht toen het vervreemd was en in andere handen was gevallen. Zo doet een goël, een naaste bloedverwant, die een broer loskoopt die in gevangenschap is weggevoerd, en die een verkochte erfenis terugwint. — Hermann Venema.

Vers 3

“Hef Uw voeten op.” Of: “Uw hamers”, dat wil zeggen: “Uw slagen”, om de vijand “te vertrappen” of “neer te slaan” “tot de eeuwige verwoestingen”. Zo worden “voeten” gebruikt om mee “te vertrappen”, Jes. 26:6. Ook het Grieks vat het hier zo op, maar dan verandert het beeld: daar staat “Uw handen”, en die zijn ook werktuigen om mee neer te slaan. Of: hef Uw voeten op, dat betekent: kom snel kijken naar de eeuwige verwoestingen die de vijand heeft aangericht. — Henry Ainsworth.

Vers 3

“Hef Uw voeten op.” Abu Walid vertaalt: Treed hard op Uw vijanden. De Joodse Arabier: Toon Uw straf. Daarbij merkt hij op dat het opheffen van de voeten straf betekent, omdat iets met geweld onderwerpen meestal wordt uitgedrukt als het onder de voeten treden. — Henry Hammond.

Vers 3

“Hef Uw voeten op”, enz. Ze smeken dat God bij deze verwoestingen Zijn voetstappen opheft, dat wil zeggen: dat Hij dichterbij komt. In Gen. 29:1 staat de uitdrukking “de voeten opheffen”. Hier is de uitdrukking veel sterker: de voetstappen opheffen. Ze moet worden opgevat als een snelle, stormachtige, majestueuze en krachtige nadering. Denk aan een held die met zware tred de grond raakt en snel doorloopt, met voetstappen die ver klinken. — Hermann Venema.

Vers 3

“In het heiligdom.” Hun steden waren verwoest, hun streken, hun landerijen, hun wijngaarden, hun olijfgaarden. Zijzelf waren overal neergehouwen zonder dat ze één slag hadden kunnen leveren om zich te verdedigen, en hun levensonderhoud was hun ontnomen zonder tegenstand. Toch spreken ze daar niet over. Niet omdat zulke dingen geen verdriet mogen doen, en ook niet omdat de heiligen hun verlies niet voelen. Maar wat de godsdienst en de dienst aan God dreigde uit te doven, woog met een ondraaglijk verdriet zwaarder dan het gevoel van al die andere rampen. — Musculus.

Vers 4

“Uw wederpartijders hebben in het midden van Uw vergaderplaatsen gebruld”, enz. Het woord sha’ag wordt vooral gebruikt voor het brullen van de leeuw… Op deze plaats mogen we het werkwoord met recht ruimer opvatten: voor al het lawaai dat de vijand maakt, of het nu uitgelaten is of opschepperig, godslasterlijk tegen God en rampzalig voor Zijn volk (Ps. 74:10). Het gaat om woorden die schrik en bedreigingen uitademen in bevelschriften. Of om ruwe, zinloze geluiden, zoals in hun afgodische dienst, in hun gebeden en in hun onbezonnen liederen. Zoals in Jes. 52:5 is de betekenis: huilen. — Hermann Venema.

Vers 4

“Zij hebben hun tekenen tot tekenen gesteld.” Bedoeld wordt dit: de vijand schafte de tekenen van de ware God, van Zijn volk en van Zijn godsdienst af, zoals de besnijdenis, de feesten, de offers, de andere verordeningen van de godsdienst en andere tekenen van vrijheid. In plaats daarvan zette hij zijn eigen afgodische tekenen neer, als tekenen van zijn gezag en zijn godsdienst. — Hermann Venema.

Verzen 4–7

(De vervolging onder Antiochus, 168 v. Chr.) Athenaeus trok naar Jeruzalem. Met hulp van het garnizoen verbood en onderdrukte hij daar elke beoefening van de Joodse godsdienst. Hij dwong het volk de sabbat te ontheiligen en varkensvlees en ander onrein voedsel te eten, en hij verbood uitdrukkelijk de besnijdenis, het nationale teken van het volk. De tempel werd gewijd aan Jupiter Olympius. Het beeld van die god werd opgericht op een deel van het brandofferaltaar, en het offer werd volgens de regels gebracht…

Als laatste hoon kwamen de Bacchanaliën in de plaats van het nationale Loofhuttenfeest. Hun losbandigheid, zoals die in de latere eeuwen van Griekenland werd gevierd, schokte de strenge deugd van de oudere Romeinen. De onwillige Joden werden gedwongen mee te doen aan deze luidruchtige orgieën en de klimop te dragen, het teken van de god. Zo dicht was het Joodse volk, en de dienst aan Jehova, bij totale uitroeiing. — Henry Hart Milman (1791–1868), in “A History of the Jews.”

(Onder Titus.) De oproerlingen waren de stad in gevlucht, en het heilige huis zelf en alle gebouwen eromheen waren verbrand. Nu brachten de Romeinen hun veldtekenen naar de tempel en zetten die op tegenover de oostelijke poort. Daar brachten ze er offers aan, en daar riepen ze Titus onder luid gejuich van vreugde uit tot imperator. — Josephus.

Vers 8

“Gods vergaderplaatsen.” Spencer, Vitringa en de geleerden in het algemeen zijn van mening dat de synagogen voor de eredienst zijn ontstaan uit de openbare lezing van de wet, nadat Ezra de boeken ervan had verzameld. Dan zou er vóór de Babylonische ballingschap dus geen van zulke plaatsen voor plechtige samenkomsten zijn geweest. Sommige Joden zelf zijn daar ook van overtuigd, en de Schrift geeft geen enkele aanwijzing dat die plaatsen vóór die tijd bestonden. Toch weten we dat een van de eerste Hebraïsten van deze tijd, de eerwaarde dr. Macaul, neigt naar een vroegere oorsprong dan algemeen wordt aangenomen. We citeren zijn woorden: “Het bestaan van zulke plaatsen vóór de Babylonische ballingschap is veel betwist.”

De meeste schrijvers redeneren vanuit het zwijgen van het Oude Testament. Zij neigen naar de mening dat de synagogen in Babel zijn ontstaan en dat er na de terugkeer soortgelijke gebedsruimten in het land Israël zijn geopend. Sommigen leiden daaruit af dat de vierenzeventigste psalm in de tijd na Babel is geschreven, want in het achtste vers staat: “Zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand.” Maar het argument uit het zwijgen is verre van afdoende.

De vertaling van mo’ade als synagogen in het zojuist aangehaalde vers zou redelijkerwijs ook tot dezelfde vertaling kunnen leiden in enkele andere plaatsen die zonder twijfel vóór de ballingschap zijn geschreven. Bovendien bewijzen de omstandigheden, het karakter en de behoeften van de Israëlieten onweerlegbaar dat ze in hun steden en dorpen een of andere plaats moeten hebben gehad, want het grootste deel van hen woonde ver van de tempel. Op die plaats kwamen ze op hun sabbatten, nieuwe manen en andere plechtige dagen samen om onderricht in de wet te ontvangen en om openbaar te bidden. Die plaats, hoe anders ook dan latere regelingen, was de oorsprong van de synagoge. Hoe zulke bijeenkomsten vóór de ballingschap verliepen, is nu onmogelijk te zeggen. — F. A. Cox.

Vers 8

Synagogen. Dr. Prideaux houdt vol dat er vóór de Babylonische ballingschap helemaal geen synagogen waren. Zijn redenering gaat als volgt: het belangrijkste in een synagogedienst was dat de wet aan het volk werd voorgelezen. Waar geen wetboek was om uit voor te lezen, kon dus ook geen synagoge zijn. Hoe zeldzaam zo’n wetboek in heel Juda vóór de ballingschap was, laten veel Bijbelplaatsen ons zien. Toen Josafat leraren door heel Juda stuurde om het volk te onderwijzen in de wet van God, namen zij een wetboek mee (2 Kron. 17:9). Dat hadden zij niet hoeven te doen als er in de steden waar zij heen gingen al afschriften van de wet hadden gelegen. En die zouden er zeker hebben gelegen als die steden synagogen hadden gehad, want daar draaide de dienst om het voorlezen van de wet.

En toen Hilkia de wet in de tempel vond (2 Kon. 22:8), hoefden hij en koning Josia zich daar niet zo over te verbazen als wetboeken in die tijd gewoon waren geweest. Hoe zij op dat moment reageerden, bewijst genoeg dat zij de wet nooit eerder hadden gezien. Dat zou onmogelijk zijn als er toen nog andere afschriften onder het volk rondgingen. En als het volk toen geen afschriften van de wet had, bestond er zeker ook geen synagoge waar zij die wet konden horen voorlezen. Daaruit trekt Prideaux de conclusie dat er onder de Joden pas na de Babylonische ballingschap synagogen kunnen zijn ontstaan. — Cruden’s Concordance.

Vers 8

Synagogen. Er zijn mensen die vinden dat deze psalm uit de tijd van de Makkabeeën komt. Zij beweren dan dat deze woorden de verwoesting van de synagogen beschrijven. Die bewering wordt weerlegd door een eenvoudige opmerking: in alle uitvoerige verslagen die we over die tijd hebben, staat niets over zo’n verwoestingswerk. — E. W. Hengstenberg.

Vers 8

Synagogen. In het Oude Testament vinden we geen enkel spoor van samenkomsten voor de eredienst in synagogen. Tijdelijke altaren, bosjes en hoogten werden door vrome Joden en door zondaars allebei gebruikt, de ene groep om God te dienen, de andere om afgoden te dienen. Er is maar één voorbeeld uit de tijd vóór de ballingschap dat erop lijkt te wijzen dat vromen in Israël de gewoonte hadden om op vaste tijden naar godvrezende leiders te gaan voor zegen en onderwijs. Dat staat in 2 Kon. 4:23, waar de man van de Sunamitische vrouw vraagt: “Waarom gaat gij heden tot hem? Het is geen nieuwe maan, noch sabbat.” Toch getuigen 2 Kon. 22:8 en volgende en 2 Kron. 34:14 en volgende ondubbelzinnig tegen het bestaan van plaatsen voor de eredienst in de tijd van het koningschap.

Pas tijdens de ballingschap, toen de tempeldienst stillag, vinden we onmiskenbaar bewijs van vaste samenkomsten op vastendagen voor gebed en onderwijs (Zach. 7:3–5; 8:19). Er waren ook bijeenkomsten op sabbatten en vastendagen om de ballingen te onderwijzen in de wet van God en hen aan te sporen de voorschriften van God te gehoorzamen (Ezra 10:1–9; Neh. 8:1–3; 9:1–3; 13:1–3). Deze bijeenkomsten, gehouden bij de tempel en op andere plaatsen, vormden het begin van de synagoge. De plaats waar het volk samenkwam, kreeg de naam huis der vergadering. Zo kwam er uiteindelijk ook een synagoge in de tempel zelf…

Deze synagogen werden al snel heel populair onder het volk. Daarom zegt de psalmist, die de eredienst in de tijd van de Makkabeeën beschrijft, dat de vele ontmoetingsplaatsen van God verwoest zijn, of de “Synagogen Gods”, zoals de Engelse vertaling terecht zegt. — Christian D. Ginsburg, in “Cyclopaedia of Biblical Literature.”

Vers 8 (tweede zinsdeel)

De bedoeling lijkt te zijn dat de Chaldeeuwse indringers alle plechtigheden in het land hebben afgeschaft. Ze hebben het dagelijkse offer weggenomen. Ze hebben een einde gemaakt aan de feesten en hoogtijden van onze heilige eredienst. Vergelijk Klaagl. 2:6: “Hij heeft Zijn hut met geweld afgerukt, als een hof, Hij heeft Zijn vergaderplaats verdorven” (of liever: Zijn samenkomst, Zijn mo’ed). “De HEERE heeft in Sion doen vergeten den hoogtijd en den sabbat.” — Christopher Wordsworth.

Vers 9

Wij zien onze tekenen niet. Het is alsof ze willen zeggen: vroeger gaf God ons altijd tekenen en wonderen. Hij deed zelfs wonderen voor ons, of Hij stuurde een profeet om ons te leren en te raden wat we moesten doen. We hadden mensen die ons konden vertellen hoe lang onze benauwdheid zou duren en wanneer we het einde ervan mochten verwachten. Maar nu zitten we in nood en niemand kan ons zeggen hoe lang. Nu zijn we aan de wijde wereld overgelaten, helemaal op onszelf aangewezen, en moeten we onszelf zien te redden zo goed als we kunnen.

De Heere zal ons niet meer raden wat we moeten doen. Hij laat ons ook niet weten wat Hij het beste vindt of hoe we verder moeten. Zo jammerlijk, zo troosteloos was hun toestand toen God Zijn aangezicht voor hen verborg. — Joseph Caryl.

Vers 9

Wij zien onze tekenen niet. De tekenen die de psalmist niet kon zien en waarover hij treurde, waren bepaalde zichtbare kentekenen van Gods bijzondere gunst. Het waren getuigenissen van Zijn aanwezigheid en gedenktekenen dat Hij bij hen was om hen te zegenen. Er wordt gezegd dat er vijf dingen waren in de tempel van Salomo, die Nebukadnezar verwoestte, en die in de tweede tempel, na de Babylonische ballingschap gebouwd, niet meer terugkwamen. Vijf gedenktekenen van Gods bijzondere aanwezigheid ontbraken toen. Het eerste was de ark van het verbond. Het tweede was het vuur uit de hemel op het koperen altaar. Het derde was de Sechina, de zichtbare wolk die op het verzoendeksel rustte. Het vierde waren de Urim en Thummim op het borstschild van de hogepriester. Het vijfde was de geest van de profetie.

Het is waar dat er wel profeten waren – Haggaï, Zacharia en Maleachi – ten tijde van de terugkeer en kort daarna. Maar de geest van de profetie hield op met Maleachi en verscheen pas weer bij Johannes de Doper, de voorloper van de Heere Jezus… De klacht van de kerk was hier dus dat zij haar tekenen niet zag. Zo heeft ook nu de kerk van de levende God, het wedergeboren gezin van Sion, vaak reden om dezelfde droevige klacht aan te heffen. Tekenen van Gods gunst, kentekenen en getuigenissen van Zijn genadewerk in hun ziel, zijn vaak zo uit het zicht, zo begraven in duisternis en gehuld in donkere wolken, dat het levende gezin vanuit zijn eigen zielservaring de klagende woorden wel móét overnemen en zeggen: Wij zien onze tekenen niet. — J. C. Philpot, 1802–1869.

Vers 9

Onze tekenen. De gewone tekenen van Israël als Gods eigen volk zijn het pascha (Ex. 12:13), de sabbat (Ex. 31:13), de tempel, het altaar en de offers. De buitengewone tekenen zijn de wonderen die God voor Zijn volk heeft gedaan (Ps. 78:43). — A. R. Fausset.

Vers 9

Er is geen profeet meer. Let eens op wat ze níet zeggen. Ze zeggen niet: er is geen reus of krijgsoverste meer die ons van de tegenstander kan redden. Ze zeggen: er is geen profeet meer. En toch waren de profeten, toen ze nog bij hen waren, in ieders ogen verachtelijk. De goddelozen mishandelden hen en doodden hen. — Musculus.

Vers 10

Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren? De zondaar laat zijn zonde nooit los voordat de zonde hém loslaat. Als de dood geen einde maakte aan zijn zonde, zou hij nooit ophouden met zondigen. Een vergelijking maakt dat duidelijk, en die is bijna als een kleine gelijkenis. Een gezelschap speelzieke mensen besluit de hele nacht door te spelen. Ze gaan zitten bij schaakborden of een ander spel. Dan gaat hun kaars per ongeluk of onverwacht uit, of iemand blaast hem uit, of hij brandt op. Nu hun kaars uit is, moeten ze hun spel opgeven en in het donker naar bed gaan. Maar als de kaars de hele nacht had gebrand, hadden ze de hele nacht gespeeld.

Zo gaat het met elke zondaar als het om de zonde gaat. Als de dood de kaars van het leven niet uitblies, zou de zondaar blijven zondigen. Zou hij eeuwig leven, dan zou hij eeuwig zondigen. Daarom is het rechtvaardig van God, en niet onredelijk, om hem eeuwig te straffen in helse kwellingen. Elke onboetvaardige zondaar zou tot in de dagen van de eeuwigheid zondigen, als hij tot in de dagen van de eeuwigheid mocht leven. “Hoe lang, o God! zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren?”

Voor eeuwig en altoos, of: voor eeuwig en nóg langer – want zo overdrijft het Hebreeuws graag. Het is alsof de zondaar en lasteraar een tijdsduur wil vaststellen die langer is dan de eeuwigheid om in te zondigen. De psalmist zegt hiermee tussen de regels door: Heere, als U hen maar voor altijd hun gang laat gaan, zullen zij Uw Naam zeker voor eeuwig en altoos lasteren. Ik heb over de krokodil gelezen, en dat vind ik een treffend beeld, dat hij geen maximum quod sic kent: hij blijft groeien, wordt steeds groter en bereikt nooit een bepaalde graad van monsterlijkheid zolang hij leeft. Quamdiu vivit crescit. Elke verharde zondaar zou, als hij met rust gelaten werd, zo’n monster zijn, voortdurend slechter en slechter wordend. — Thomas Brooks.

Vers 12

God is mijn Koning van ouds af, enz. Uit dit vers kunnen we leren hoe we over onze God moeten denken. Ten eerste: Hij is onze Koning. Daarom mogen we moed vatten en gerust om Zijn hulp te vragen tegen de goddelozen, en ons helemaal onderwerpen aan Zijn wil en Zijn bestuur. Ten tweede: Hij is geen nieuwe God, maar de Oude van dagen, de God van altijd. Al het heil dat ooit is gewerkt, niet alleen te midden van Zijn eigen volk maar op de hele aarde, zelfs bij mensen die Hem niet erkennen, is door Hem gewerkt. Laat deze gedachte de wortel raken van elk vertrouwen op andere goden of op welk schepsel dan ook. — Musculus.

Vers 13

“Gij hebt door Uw sterkte de zee gespleten.” U, Heere, hebt de stromende zee vast gemaakt, zodat onze vaders er een weg doorheen hadden. En in dezelfde wateren waar U Uw verloste volk doorheen leidde, hebt U de legers van Egypte volkomen vernietigd. Zij waren zo woest als draken toen zij Uw volk wilden verslinden. — Jansenius.

Vers 14

“Gij hebt de koppen des Leviathans verpletterd,” enz. Dit wordt gezegd van het leger van Farao, dat God in de Rode Zee vernietigde. De ondergang van de Egyptenaren was een onderpand ervan dat God Zijn belofte zou waarmaken: de Kanaänieten uit het beloofde land verdrijven en dat land aan Israël geven. In de woestijn wachtten hen nog veel moeilijkheden. Maar God gaf hun deze barmhartigheid als voedsel, niet voor hun lichaam maar voor hun geloof, zolang zij in de woestijn waren. Zo werden die eerdere grote en heerlijke beloften vervuld. Eerdere barmhartigheden zijn dus voedsel dat God aan het geloof van Zijn volk geeft om van te leven, totdat Hij volledig heeft waargemaakt wat Hij aan Zijn kerk heeft beloofd. — William Strong.

Vers 14

Leviathan. Arabische woordenboekschrijvers (aangehaald door Bochart) verzekeren dat Farao in de Egyptische taal “krokodil” betekende. Parkhurst merkt op dat je in Scheuchzers Physica Sacra een penning kunt zien met aan de ene kant het hoofd van Julius Caesar en op de keerzijde een krokodil met het opschrift: AGYPTO CAPTA, Egypte genomen. De heer Mariette heeft in Karnak een gedenkzuil van Thoetmosis ontdekt, waarop de koning van zichzelf zegt: “Woest als de geweldige krokodil liet ik hen de heerlijkheid van mijn God zien; Verschrikkelijke Heere der wateren, niemand durft hem zelfs te naderen.”

Vers 14

Leviathan is een naam die niet alleen aan de krokodil wordt gegeven, maar ook aan de walvis en andere grote vissen. Veel verstandige schrijvers nemen aan dat de Zum, de bewoners van de woestijn, de Ichthyophagen of visseneters zijn. Volgens oude schrijvers woonden zij aan een deel van de kust van de Rode Zee. De psalmist spreekt hier over Israëls doortocht door die wateren. Opmerkelijk, en zeker de moeite waard om te weten, is dat Diodorus, die zo’n tweeduizend jaar geleden leefde, een overlevering vermeldt die juist onder deze mensen leefde. In de tijd van hun verre voorvaderen zou er een buitengewone eb zijn geweest.

De bedding van de golf droogde op en de groene bodem kwam tevoorschijn, terwijl al het water de andere kant op rolde. Er is weinig twijfel dat dit vreemde volk, dat daar langs de kust leefde, de grote vissen die na afloop van het wonder aan land lagen, als voedsel en voor allerlei andere doeleinden zou hebben gebruikt.

De meeste schrijvers geven deze tekst een beeldende betekenis. Dat is echter geen reden waarom ze niet ook letterlijk verstaan zou kunnen worden, want zo’n manier van spreken is in de Bijbel heel gewoon. Maar of we haar nu zo of zo opvatten: we hebben het getuigenis van heidenen voor de juistheid en de kracht ervan. Als we met de term Leviathan Egypte bedoeld zien, en met zijn koppen de kleine staten waarin dat land was verdeeld, dan leren de overleveringen van India en het Oosten ons dat zulke benamingen daar goed werden begrepen. Ze passen dus prachtig bij elkaar en zeggen iets treffends. — Anoniem, in “Biblical and Theological Gleanings”; door William O’Neill, 1854.

Vers 14

Tot spijs gegeven aan het volk in dorre plaatsen. Hier kan een mooie gedachte in zitten. Zou de juiste betekenis niet kunnen zijn dat het zo ging: zoals de zeemonsters die op het strand spoelden voedsel gaven aan de bewoners van de Rode Zee, zo werd ook de symbolische drakenmacht van Egypte, toen zij bij de Rode Zee werd vernietigd, voedsel voor Israëls geloof? Zij zorgde zelfs voor hun woestijnreis, door de buit die het getij uitwierp. — C. H. S.

Vers 15

Beek. Toen God de Jordaan splijtte, verdeelde Hij niet alleen het water dat gewoonlijk bij de rivier hoorde of uit haar bronnen kwam. Hij verdeelde ook het buitengewone extra water van de zware regens kort vóór de oogst. Zo kliefde God zowel de fontein, dat wil zeggen het bronwater, als de beek. — Jonathan Edwards.

Vers 16

“De dag is Uwe, ook is de nacht Uwe.”

Ach, wees toch niet bedroefd, mijn liefste,
wees toch niet bedroefd, ik bid je;
neem je het jaar als geheel, mijn lieve,
dan is er niet meer nacht dan dag.

En God is God, mijn liefste,
van de nacht zowel als van de dag;
wij voelen en weten: wij mogen gaan
waarheen Hij ons ook de weg wijst.

Een God van de nacht, mijn liefste,
ook van de grimmige nacht van de dood;
de poort die uit het leven leidt, mijn vrouw,
is de poort die tot Hem leidt.

— Uit “In the Sere and Yellow Leaf,” in “The Circling Year.”

Vers 16

Dag. Nacht. Deze wisselingen volgen een vaste wet. Dag en nacht zijn de ordeningen van de hemel op aarde voor de groei van het leven op aarde. Als we de zonneschijn en het duister in het leven van elke volgeling van God konden nagaan, zouden we zien dat ook die met evenveel wijsheid zijn geordend. Het is ingewikkelder werk, want ieder mensenleven is anders. Maar wees er zeker van dat er orde is in alles. De hand die de wereld in haar baan houdt en haar haar loop laat voltooien door licht en schaduw, leidt ook ons leven naar een hoger doel dan alleen dit aardse.

Eén trek van die wet wordt ons tot nu toe als richtsnoer voorgehouden. Het is een wet van afwisseling. Het is dag en nacht, en laten we God danken dat het op zijn tijd ook nacht en dag is. Elk heeft zijn tijd en zijn nut. — John Ker, 1869.

Vers 16

“Gij hebt het licht en de zon bereid.” Pas kort geleden hebben we enig idee gekregen van de kracht van het licht als werkende kracht in de huishouding van de aardbol. De ontdekkingen over het actinisme behoren tot het interessantste en wonderbaarlijkste dat de natuurwetenschap te bieden heeft. De ontdekking dat “geen stof aan de stralen der zon kan worden blootgesteld zonder een scheikundige verandering te ondergaan”, is beschreven als in haar gevolgen bijna net zo belangrijk als de ontdekking van de wet van de zwaartekracht. Een zonnestraal is een van de krachtigste werkingen in de natuur. Hoe betoverend hij ook is, toch breekt hij de sterkste scheikundige verwantschappen. Hij is de maker van de kleur en schept talloze verbindingen, die er allemaal toe bijdragen dat de wereld een harmonie is.

Ook de zedelijke invloed van het licht mogen we niet vergeten. Dat voelen we allemaal aan: we merken het verschil dat een heldere of een donkere dag in ons innerlijk teweegbrengt. Licht geeft de geest pit en klank. Licht geeft de ziel veerkracht en vreugde. Licht vult de kamers van de geest met gedachten. Licht is Leven: het kleinste insect zou zonder licht niet kunnen leven, en zelfs blinde schepsels merken met andere organen dan hun ogen dat het weldadig werkt. Licht is Orde: op zijn wenk en bevel scheiden donker en licht zich en zetten zij zich in hun eigen gelederen.

Licht is Schoonheid: in de glans van de maan, het koele fonkelen van de sterren, het ongeëvenaarde kleurenspel in het dunne vlies van een zeepbel (tegelijk speelgoed voor kinderen en gereedschap voor de wijze), het rijke spel van tinten in parelmoer, of de prachtige stralende kleuren in het verenkleed van vogels.

Licht is Reinheid: wat wegkwijnt buiten het bereik van zijn heldere, vaste straal, wekt walging en afkeer en wordt een broeinest van viezigheid en schande. Licht is Groei: waar licht is, weten we dat de natuur haar werk met leven en kracht voortzet. Licht geeft levenskracht aan het sap en haalt hindernissen weg uit het pad van de groeikrachten. Waar het ontbreekt, worden vormen kreupel, knoestig en zwak. Licht is Gezondheid: terwijl het zijn heldere, schitterende punten heen en weer schiet, brengt het veerkracht en energie mee. Die geven de volheid van het bestaan, en dat is voor alles wat zich ontwikkelt volmaakte gezondheid.

Het is prachtig, en geen toeval, dat de Schrift het licht als het ware de zaden van alle dingen laat bevatten, en dat het voorspel van heel de schepping bestaat uit de woorden: “God zeide: Daar zij licht.” Dit is dus, in het kort, de rol die het licht in de geschiedenis van de wereld mag spelen: zedelijke macht gebruikt het om de maker van zedelijke invloed te worden. Wat een lange reeks van scheppingsdaden ging er voorbij voordat zedelijke oorzaken in de aardse gebeurtenissen leken te werken! Maar Hij Wiens natuur en Wiens namen Licht zijn, had het licht een eigen bestaan en een eigen werk gegeven. Dat scheppende woord van God, “Daar zij licht,” sprak rechtstreeks tot de zedelijke krachten die door het ontstaan van het licht zouden worden ingeleid.

Zo ging het licht dus, dat is waar, vóór alle dingen uit en werd het de oorzaak van zedelijke gevolgen. Maar dat kwam voort uit de hand van God, vanwaar zijn weldadige stralen schoten. God gaf het een goddelijke opdracht: licht en duisternis scheiden. God maakte het tot de bron van kennis en van de dag. God schonk het de gave om op zijn beurt een schepper te worden en talloze zaden en vormen van lieflijkheid tot leven en schoonheid te verwarmen. — E. Paxton Hood.

Vers 16

Het licht en de zon. Toen ik jonger was, hield een oud bezwaar mij flink bezig: Mozes laat het licht al bestaan vóór de zon is geschapen. In de boeken van die tijd stond meestal – en sommigen denken dat nog steeds – dat er zonder dit hemellichaam helemaal geen licht kan zijn. Maar bij zo’n gewichtige zaak wilde ik mijn geloof niet laten steunen op een algemene bewering. Dus ging ik op zoek naar een onderzoeker van het licht die had opgemerkt dat licht zich in zijn eigenschappen of werking anders gedraagt dan verwacht, zodat het een vloeistof of stof zou zijn die los van de zon bestaat.

Dat was niet eenvoudig, want vóór het jaar 1791 vond je nauwelijks werk van natuuronderzoekers over dit onderwerp: er werd weinig aandacht aan besteed. Uiteindelijk ontdekte ik dat Henckel het beweerde, een Duitser van de oude school die in zijn tijd best gezag had. Kort daarna werden in Engeland proeven bekendgemaakt die deze veronderstelling bevestigden. Sindsdien ben ik er altijd in geïnteresseerd gebleven. En geen enkele waarheid in de wijsbegeerte lijkt me nu duidelijker vast te staan dan deze: licht bestaat op zichzelf, los van de zon en onafhankelijk van haar.

Dit is een opvallende bevestiging van het verslag van Mozes. Dat maakt namelijk een uitdrukkelijk onderscheid tussen het bestaan en de werking van het licht en wat de zon daarmee doet, en ook tussen het licht en de straling die bij de zonnestralen en de aanwezigheid van de zon hoort. Volgens Mozes liggen er drie dagen tussen de schepping van het licht en het verschijnen en de plaatsing van zon en maan, en dat is geen toeval. Van de eerste tot de vierde dag van het ontstaan van onze aarde werkte het licht dus volgens zijn eigen wetten en krachten, zonder de zon en zonder haar bijzondere invloed.

Maar vanaf het moment dat de zon haar plaats in het midden kreeg en haar stralen op onze aarde mochten werken, hebben die altijd de meest weldadige dingen gedaan, onmisbaar voor de gang van zaken in het geheel. — Sharon Turner (1768–1847), in “The Sacred History of the World.”

Vers 17

“Gij hebt al de palen der aarde gesteld.” Ook de manier waarop zee en land over de aardbol verdeeld zijn, is van het grootste belang voor het leven zoals het nu is. Stel dat de oceaan een flink stuk kleiner was, of dat Azië en Amerika samen binnen de keerkringen lagen. Dan zouden de getijden, de zeestromingen en de weersverschijnselen waar planten en dieren van afhangen zo ingrijpend veranderen dat het hoogst twijfelachtig is of de mens dan zou kunnen bestaan. En het is zeker dat hij nooit een hoog beschavingsniveau zou hebben bereikt.

Onze vooruitgang hangt dus af van de vorm van de aardbol zoals die nu is. Daaruit moeten we wel concluderen dat beide het harmonieuze werk zijn van dezelfde almachtige kracht, en dat een goddelijk, onveranderlijk plan van eeuwigheid af over het lot van onze planeet heeft gewaakt. Eigenlijk hoef ik er nauwelijks op te wijzen hoeveel de grillige kustlijnen hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van het menselijk geslacht: de talloze eilanden verspreid over het water, de landtongen die ver de zee in steken en de baaien die diep het land in dringen. Ze maakten het aantal plekken waar mensen de oceaan kunnen bereiken veel groter, en die oceaan is de grote snelweg van de volken. — G. Hartwig, in “The Harmonies of Nature,” 1866.

Vers 17

“Gij hebt al de palen der aarde gesteld.” Denk eens na over de vorm van de aarde. Zoals bekend is zij bolvormig, ongeveer als een sinaasappel. Waarom heeft God juist die vorm gekozen? Zodat levende wezens haar hele oppervlak kunnen bewonen. Daarvoor moet elk deel van de aardbol genoeg licht en warmte krijgen, moet de wind vrij kunnen waaien en moet het water overal te vinden zijn. Door haar ronde vorm gebeurt dat het best. Die vorm laat licht en warmte binnen, en zonder die twee zou er nergens op aarde leven kunnen zijn. Ook de wisseling van dag en nacht en alle verschillen in temperatuur, hitte, kou, droogte en vochtigheid zouden zonder deze vorm niet kunnen bestaan.

Stel dat de aarde vierkant was geweest, of kegelvormig, of zeshoekig, of een andere hoekige vorm. Wat was er dan gebeurd? Het grootste deel zou verdronken zijn en de rest zou van de droogte verschroeien. Sommige landen zouden door stormen aan stukken zijn gescheurd, en andere zouden de heilzame luchtstroom moeten missen. Ik heb opnieuw een reden om de hoogste wijsheid te bewonderen als ik nadenk over de enorme massa waaruit onze wereld bestaat. Was de aarde zachter of sponsachtiger dan nu, dan zouden mensen en dieren erin wegzakken. Was zij harder en minder doordringbaar, dan zou zij zich verzetten tegen het werk van de boer. En dan zou zij de menigte planten, kruiden, wortels en bloemen niet meer kunnen voortbrengen en voeden, die nu uit haar schoot opkomen.

In de aarde vinden we ook regelmatige, aparte lagen: sommige van steen, andere van metaal en mineralen. Daar heeft de mensheid duidelijk veel voordeel van, en dat is voor iedereen zichtbaar. Zuiveren de grindlagen, diep in de grond, het water niet? Ze filteren het als het ware, en maken het zoet en geschikt om te gebruiken. En kijk naar het oppervlak van de aarde: wat een afwisselend uitzicht! Vlakten en dalen, heuvels en bergen wisselen elkaar prachtig af. Wie dan het wijze doel van de grote Maker van de natuur niet ziet in dit afwisselende landschap, moet wel blind zijn.

Als de aarde één effen vlakte was, hoeveel schoonheid zou zij dan verliezen! En die afwisseling van dal en berg is ook goed voor de gezondheid van levende wezens. Zonder heuvels zouden er minder mensen en dieren op aarde wonen. Er zouden minder planten zijn, minder geneeskruiden en minder bomen. We zouden geen metalen en mineralen hebben. De dampen zouden niet condenseren, en dan zouden we geen bronnen en rivieren hebben.

Moeten we dan niet erkennen dat het hele plan van de aarde, haar vorm en haar innerlijke en uiterlijke bouw, geordend is volgens wijze wetten, die allemaal samenwerken voor het genoegen en het geluk van het menselijk geslacht? O U, opperste Maker van de natuur, U hebt alles goed gemaakt! Waar ik mijn ogen ook op richt, of ik nu doordring tot de innerlijke bouw van de aardbol, die U mij als woonplaats hebt aangewezen, of dat ik haar oppervlak onderzoek: overal ontdek ik sporen van diepe wijsheid en oneindige goedheid. — Christopher Christian Sturm.

Vers 17

“Zomer en winter, die hebt Gij geformeerd.” Plasmasti ea. Nu hebt U dit alles en nog veel meer gedaan voor de mensheid in het algemeen. Zou U dan tekortschieten voor Uw kerk? — John Trapp.

Vers 17

Winter. Alsof ze moe is van zoveel zorgen, rust de natuur nu uit. Maar dat is alleen om nieuwe kracht te verzamelen, zodat ze straks weer ten dienste van de wereld kan staan. Toch is zelfs deze winterrust van de natuur een verborgen bezigheid. Er wordt in stilte een nieuwe schepping voorbereid. De nodige maatregelen worden al genomen, zodat de verlaten aarde de kinderen die zij verloren heeft weer kan ontvangen. Het koren dat ons straks tot voedsel dient, schiet al op. De vezels van de planten die onze akkers en tuinen moeten sieren, beginnen ongemerkt open te gaan.

O mijn weldadige Schepper! Hier vind ik opnieuw een reden om Uw wijsheid en macht te aanbidden. De rust die de natuur neemt, hoort volgens mij net zo goed bij het plan van Uw wijze voorzienigheid als de bedrijvigheid die zij in lente en zomer laat zien. U hebt de verschillende omwentelingen van de aarde wijs samengevoegd. U hebt haar rust en werk gelijk verdeeld. Het is Uw wil dat het toneel van de natuur elke dag verandert op de manier die het best past bij de volmaaktheid van het geheel. Vergeef mij, o God, mijn vermetelheid, als ik zo dom ben geweest om iets af te keuren in het bestuur van de wereld.

Ik ben meer dan ooit overtuigd dat alle plannen van Uw voorzienigheid vol zijn van wijsheid en goedheid, ook al komen ze mijn zwakke verstand vreemd voor. — Christopher Christian Sturm, 1750–1786.

Vers 19

“Geef aan het wild gedierte de ziel Uwer tortelduif niet over,” enz. Hoe zwak de kerk ook mag zijn, en hoe talrijk en sterk de vijand ook, toch kunnen ze haar samen niet verslinden, tenzij de Heere Zijn kerk in hun handen overlevert. Juist tegen dat kwaad heeft de kerk een vaste grond om te bidden: “Geef aan het wild gedierte de ziel Uwer tortelduif niet over” (Engels: aan de menigte van de goddelozen). Want Hij heeft Zijn kerk vleugels gegeven, en ook een schuilplaats, zoals het beeld aangeeft, als het Hem behaagt haar ook het gebruik daarvan te geven. — David Dickson.

Vers 19

In deze vorm van smeking leert Gods volk hoe het zijn gebeden scherp en krachtig kan maken: door elk eigen vermogen en elke eigen kracht te loochenen, en door zichzelf een kudde arme, onnozele, zwakke duiven te noemen, volkomen machteloos tegenover een leger van woeste, sluwe, listige, bloeddorstige en ruwe vijanden. Op dit argument beroept zich het volk van God: “Immers zal een wees bij U ontfermd worden,” Hos. 14:4. — John Langley.

Vers 19

“De ziel Uwer tortelduif.” Ze vergelijken zichzelf met een tortelduif. Hoe die ook wordt gekweld, haar aard brengt haar er niet toe luidruchtig ongeduldig te worden, maar liever in het verborgen te treuren. Zo konden de gekwelde mensen van Israël niets anders doen dan hun zuchten en kermen tot God uitspreken. — Musculus.

Vers 19

“De ziel Uwer tortelduif.” Gods volk is een onschadelijk, onschuldig volk. Het staat volkomen machteloos en kan zichzelf helemaal niet helpen tegen zijn vijanden, die talrijk, wreed en barbaars zijn. Daarom worden de gelovigen vergeleken met schapen en duiven. In het Woord heten zij wezen, onnozelen, kleinen, kinderen, armen, eenvoudigen en noodlijdenden. Het zijn mensen die zich netjes moeten gedragen en die zelfs geen enkele kwade gedachte over iemand mogen koesteren. Ze zijn geroepen om te lijden, niet om onrecht te doen. Julianus bespotte hen daarom. Hij sloeg hen op de ene wang en zei dat hun Meester hen leerde de andere toe te keren. Zijn soldaten namen hun mantels af en zeiden dat ze ook hun onderkleed moesten missen.

Vanuit hun eigen gezindheid oordelen ze over anderen, en daarom zijn ze gemakkelijk te misleiden en in de val te lokken. Zo wilde Gedalja, die lieve man, de waarschuwing van Johanan niet geloven over de samenzwering van de verraderlijke Ismaël tegen hem. Hij was zelfs boos op Johanan om zijn trouwe waarschuwing, en het kostte hem het leven. Jer. 40:16; 41:2. Of neem die beroemde admiraal van Frankrijk, Jasper Coligny. Uit verschillende landen overzee had hij berichten gekregen dat het hof van plan was hem kwaad te doen, en dat de beloften en afspraken van de koning onbetrouwbaar waren, ook al werden ze met eden bekrachtigd.

Toch liep hij zo de leeuw in de bek. Met de ene poot werd hij gestreeld, en met de andere verscheurd. Zo zijn zulke mensen nu eenmaal: ze liggen open voor de woede van veel tegenstanders…

Je zou toch denken dat deze tortelduiven eerder de liefde van iedereen in hun buurt zouden winnen dan de haat van wie dan ook op zich laden, want het zijn rustige, vredelievende mensen. Op de berg van de Heere wordt geen kwaad gedaan (Jes. 11:9), en toch worden ze door een wereld vol mensen belasterd. Waarom? Omdat ze niet zijn zoals die anderen (1 Petr. 4:4). Omdat ze er niet bij horen (Joh. 15:19). Omdat zij zelf en hun offers aangenamer zijn voor God dan die van anderen (Gen. 4:4). Omdat ze hen terechtwijzen om hun slechte wegen (Joh. 3:20).

Omdat ze meestal arm en gering zijn, niet vooruitkijken in wereldse zaken en geen sluwe politici zijn. Ze lijken op die pauperes Lugdunenses, de armen van Lyon in Frankrijk, en zijn daarom blootgesteld aan wilde dieren en leeuwen (Matth. 10:16). En omdat ze treuren over zonde, bij zichzelf en bij anderen: ze maken zelfs ruzie met de duif om haar treurende toon.

Ze spotten met zuchtende zusters en met mannen die het hoofd laten hangen als een bies. Maar deze bies kan niet groeien zonder slijk en modder, dus waarom zou hij het hoofd dan niet laten hangen? — John Langley.

Vers 19

“De ziel Uwer tortelduif.” Deze uitdrukking kan misschien nog verder worden toegelicht aan de hand van een gebruik van vroeger en nu: duiven houden als lievelingsvogels (zie Theocritus v. 96 en Vergilius, Ecl. 3, v. 68, 69). En aan de zorg om ze te beschermen tegen dieren die hun gevaarlijk zijn. — James Merrick.

Vers 19

Tortelduiven, van welke soort ook, trekvogels of tamme, worden door de inwoners van Egypte allemaal gespaard. Ze doden ze niet en eten ze nooit. Ik wilde graag de reden weten van deze terughoudendheid bij een volk dat in het grootste deel van zijn doen en laten zo weinig bezit, en ik kreeg te horen dat het ter ere van de menselijkheid gebeurt. Het komt voort uit de eerbied voor gastvrijheid, die de Arabieren zo hoog achten en waarvan zij iets hebben doorgegeven aan de volken die onder hen wonen.

Ze zouden het een schending van die gastvrijheid vinden om vogels niet te sparen die in volledig vertrouwen bij hen komen wonen en daar bekwame maar nutteloze ontvangers van liefde en tederheid worden. Zelfs de boer die zijn oogst ziet prijsgeven aan de zwermen tortelduiven die op zijn velden neerstrijken, vernietigt of kwelt ze niet. Hij laat ze rustig talrijker worden. — C. N. S. de M. Sonnini, 1775–1811.

Vers 19

“Vergeet den hoop Uwer ellendigen niet.” Let op het woordje Uwer: het maakt een onderscheid. Tussen de ene arme en de andere arme kan een grotere afstand liggen dan tussen arm en rijk. Er zijn heel wat “haveloze regimenten” en “scharen van armen” die de Heere voor altijd zal vergeten. Maar Zijn armen worden gered. En die armen zijn er in twee soorten: mensen die arm zijn aan geld en bezit, en mensen die arm zijn aan vrienden en hulp van buiten. Een rijk man, zeker een godvrezende rijke, kan er ook ellendig aan toe zijn: verlaten, aan zijn lot overgelaten, zonder iemand die hem beschermt of voor hem opkomt. God redt de armen in beide betekenissen: wie geen vrienden heeft en wie geen bezit heeft. — Joseph Caryl.

Vers 20

“Aanschouw.” Oorspronkelijk betekent dit woord: je ogen strak richten op iets wat je wilt doorgronden. Daarna gaat het over op de ogen van de geest, en dan betekent het: een zaak ernstig wegen en overdenken. Van God wordt gezegd dat Hij “de tijden der onwetendheid overzien” heeft, dat wil zeggen: er geen aandacht aan schenkt (Hand. 17:30). Gods volk kijkt hier naar God op, alsof Hij Zijn verbond over het hoofd ziet en Zich niet meer bekommert om dat verbond, en ook niet om hen in hun ellende. De psalmist vraagt Hem daarom aan het verbond te denken en Zijn volk te redden. — Francis Taylor, in “A Sermon preached before the House of Commons”, getiteld “God’s Covenant the Churches Plea”, 1645.

Vers 20

“Aanschouw het verbond.” Dit pleidooi dringt bij de Heere sterker aan dan het vorige. Je grijpt Hem hier als het ware stevig vast, met de woorden van Jakob: “Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.” Het is het zwaarste noodanker dat je tijdens de storm kunt uitwerpen, want het houdt zich vast aan Gods trouw, Zijn waarheid en Zijn vaderlijke goedheid. Wie niet in het verbond met God staat, kan te horen krijgen: “Gij hebt Mijn heilige wet overtreden, gij hebt Mijn toorn tegen u ontstoken door uw verkeerde wegen, daarom zal Ik u niet helpen, maar u overgeven.” Maar zielen die wél in het verbond met God zijn, laten zich zo niet wegsturen (met heilige eerbied gezegd). Zij roepen: “O Heere, onze ongerechtigheden getuigen weliswaar tegen ons, maar aanschouw toch Uw verbond!”

Zorg er echter voor dat je oprecht leeft voor het aangezicht van de Heere. Met welk recht kan iemand zeggen: “Heere, aanschouw Uw verbond”, als hij zelf zijn eigen verbond achter zijn rug gooit en niet met David kan merken “op al Uw geboden”? Hoe kun je bidden: “Geef mij niet over aan de vele beesten buiten”, terwijl je er niet voor terugschrikt om jezelf over te geven aan de gemene, beestachtige lusten en neigingen die in jou huizen? Huichelaar! Werk eerst aan het bedwingen van de monsters in je eigen hart. Dan ligt er daarna een mooie weg open om ook je vijanden om je heen te overwinnen. — John Langley.

Vers 20

“Aanschouw het verbond.” Er zijn mensen en predikers die er niet over willen denken of spreken dat genade uit het evangelie en vrije zaligheid door een verbond zijn verzekerd. Zij beroven zichzelf en anderen van een groot deel van de gezegende troost uit Gods woord. Zo ging de door God geïnspireerde psalmist niet te werk. — William S. Plumer.

Vers 20

Soms lijkt het alsof God Zijn verbond met Zijn volk verwaarloost, namelijk wanneer goddeloze mensen hen onderdrukken. Zo klaagt Asaf. Eerst erkent hij dat God de Herder van Israël is en dus in verbond staat met Zijn volk. Hij herinnert eraan dat God hen op wonderbaarlijke wijze uit Egypte had geleid en hen in het land Kanaän machtig had laten opbloeien. Toch schrijft hij hun ellende toe aan Gods nalatigheid.

Voor die onvriendelijke houding van Gods volk tegenover Hem zijn veel redenen te geven. Ten eerste maakt onze ellende ons blind, en wie blind is en geslagen wordt, wantrouwt iedereen die in zijn buurt komt. Ten tweede zorgt eigenliefde ervoor dat we iedereen eerder verdenken dan onszelf, zelfs God Zelf. Het volk had naar zichzelf moeten kijken, want daar zat de schuld, maar in hun verdriet keken zij naar God, Die onschuldig was. We zijn allemaal kinderen van Adam en Eva. Toen Eva van de verboden vrucht had gegeten, schoof ze de schuld stilzwijgend op God af: “De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten” (Gen. 3:13).

Alsof ze zei: Had U geen sluwe slang gemaakt, dan had ik Uw gebod niet overtreden. Adam schoof het openlijk op God: “De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten” (Gen. 3:12). Alsof hij zei: Had U mij niet zo’n levensgezellin gegeven om mij te verraden, dan was ik onschuldig gebleven. Zo zijn wij, hun nageslacht, nog steeds. Als de nood ons overvalt, verdenken we God liever van verbondsbreuk dan onszelf. Het lijkt op een kindermeid die tegen de steen schopt als een kind uit eigen onoplettendheid struikelt.

Ten derde verdenken we in tijden van nood meestal juist degenen die ons het best kunnen helpen. Een zieke die in levensgevaar verkeert, verdenkt niet zijn onwetende buren maar zijn deskundige arts. Wie zijn bezit dreigt kwijt te raken, verdenkt na een ongunstig vonnis niemand zo sterk als zijn advocaat of de rechter. We weten dat God ons het best kan helpen. Daarom maakt ons bedorven hart ons het meest achterdochtig tegenover Hem, zodra onze nood aanhoudt. Ten vierde verdenken we het sterkst degenen van wie we denken dat zij de meeste reden hebben om ons in onze ellende te helpen, maar het niet doen.

Heeft een knecht gebrek aan meel of kleren, dan klaagt hij niet over zijn collega’s maar over zijn baas, die door afspraak verplicht is voor hem te zorgen. Doen de knechten een kind onrecht aan, dan geeft het niet zijn broers de schuld maar zijn vader, die door natuurlijke banden verplicht is voor hem te zorgen. Zo is het ook met ons, die in verbond staan met God. Als anderen ons in de steek laten, verbaast ons dat niet zo erg. Maar we klagen luid wanneer God ons lijkt te verwaarlozen. — Francis Taylor.

Vers 20

De psalmist vraagt God in zijn gebed om naar Zijn verbond om te zien, en hij geeft daarvoor deze reden: “Want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld.” Dat wil zeggen: vol wrede mensen. Of liever: vol mensen die zo doortrokken zijn van wreedheid dat je ze beter “wreedheid zelf” kunt noemen dan “wreed”. Mensen van dit slag wonen op alle plaatsen waar het licht van de heilige waarheid niet schijnt, en ze vullen die plaatsen.

Als nu mensen die het licht missen, en geen echte kennis van God hebben, daardoor al klaarstaan om allerlei kwaad te doen, hoeveel te meer staan dan zij klaar voor kwaad die het licht van zich af hebben gestoten en in duistere plaatsen van eigen maaksel leven? De profeet Hosea laat zien (Hos. 4:1) dat in een land waar geen kennis van God is, omdat de middelen ontbreken, geen trouw of liefde te vinden is (dat wil zeggen: ze wordt er niet beoefend). Onderdrukking, bedrog en leugen halen daar alles neer. Hoeveel erger moet het dan zijn wanneer er geen kennis van God in een land is omdat men de middelen veracht en in opstand komt tegen het licht!

Welk kwaad doen mensen niet in het donker, als ze de kaars uitblazen om maar niet te hoeven zien wat ze doen? — Joseph Caryl.

Vers 20 (tweede zinsdeel)

Dit kan een letterlijke betekenis hebben. Sommigen denken dat de duistere plaatsen des lands in de eerste plaats de grotten, holen en bossen van het land beschrijven. Daarvan zijn er veel in Judea, zeggen reizigers. In onrustige tijden waren het vaak schuilplaatsen van rovers en moordenaars. Van daaruit vielen zij reizigers lastig en vermoordden hen, overvielen ze vredige dorpen, ze loerden op kooplieden om hen te beroven en pleegden allerlei misdaden. Daarna trokken ze ongestraft terug naar hun donkere schuilhoeken, waar ze lachten om elke wet, van mensen of van God. Met afschuwelijk genoegen dronken ze op de herinnering aan de tranen van de weduwe, en met onmenselijke vreugde luisterden ze naar de nagalm van het gejammer van de wees en de doodskreet van de stervende vader.

Maar zo’n geteisterd land is slechts een flauwe afspiegeling van de heidense wereld. Overal waar het heidendom zich verspreidt, liggen de duistere plaatsen der aarde. De Schrift zegt dat ons vaak. — John Hambleton, 1839.

Vers 20

De duistere plaatsen. Uitleggers denken soms dat dit zinspeelt op de holen van wilde dieren, waarin ze zich verbergen om hun prooi te pakken (Ps. 104:21–22). Wrede mensen worden met die dieren vergeleken. Ps. 10:8–9: “Hij zit in de achterlage der hoeven, in verborgene plaatsen doodt hij den onschuldige… Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om den ellendige te roven.” Zulke plaatsen kiezen onderdrukkers en rovers uit.

Anderen denken aan gevangenissen en donkere kerkers zonder licht. Zo beschrijft de profeet in Jes. 42:7 een gevangenis: “Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten.” In de Schrift wordt benauwdheid met duisternis vergeleken en voorspoed met licht, omdat duisternis onaangenaam is en licht troost geeft: “Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien.” Dan zijn de armzalige schuilplaatsen bedoeld waar Gods volk heen vluchtte om zich te verbergen. Maar ook daar kwamen ze niet tot rust: hun tegenstanders joegen hen na, spoorden hen op en beroofden hen.

Weer anderen zien in duistere plaatsen onbekende en geringe plaatsen. Zo heten de mensen die de grondtekst ‘duister’ noemt, in onze vertaling “ongeachte lieden” (Spr. 22:29). Dan kan het betekenen dat de allergeringste mensen Gods volk onderdrukten, of dat zelfs de armsten en geringsten van Gods volk niet werden gespaard. Zo’n behandeling hebben wij in onze tijd zelf meegemaakt. De armzalige hutten van onze vijanden stuurden plunderaars op ons af, en op verschillende plaatsen is geen hutbewoner van ons aan beroving ontkomen. — Francis Taylor.

Vers 20

Wreedheid. Het heidendom is wreed. Het is niet van karakter veranderd sinds de tijd dat ouders hun kinderen door het vuur lieten gaan voor Molech. In China komt tot op de dag van vandaag kindermoord voor. Een gezaghebbend boek zegt: “De wet, anders zo streng, neemt geen enkele notitie van dat misdrijf en straft de daders nooit. Elke ochtend, vóór het licht wordt, rijden er wagens door de wijken van de stad Peking om de dode kinderen op te halen.” Ze mogen wel gaan “vóór het licht wordt”: “de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld.” “De zendelingen van die stad kregen gegevens waaruit blijkt dat daar elk jaar ruim drieduizend kinderen worden omgebracht, vooral meisjes.” Stel je voor dat hetzelfde in dat dichtbevolkte rijk overal gebeurt.

Ook zelfmoord komt bij datzelfde volk veel voor. Wat een tegenstelling met de godsdienst die de overmoedige hand tegenhoudt en roept: “Doe uzelven geen kwaad!”

We zouden ook naar India kunnen kijken. De vlammen van de brandstapels waarop elk jaar zoveel weduwen werden verbrand, waren nog maar nauwelijks gedoofd toen we enkele jaren geleden werden opgeschrikt door nieuwe bewijzen van de wreedheid van het heidendom. Wat een pijnlijke feiten bracht onze regering aan het licht over de geheime moordenaars van India! Wat denk je van een uitgebreide broederschap van moordenaars, vele duizenden personen sterk, dat van generatie op generatie heeft bestaan? Het was vertakt over het hele land, van Kaap Comorin tot het Himalayagebergte. Het bloeide onder hindoeïstische, islamitische en Britse heersers, en doodde elk jaar scharen slachtoffers, en dat alles met de goedkeuring van de godsdienst!

Dit moordzuchtige stelsel is hun opgelegd door de godin Kali, zeggen ze. Zij zou de helft van het menselijk geslacht aan haar vereerders hebben geschonken, om volgens bepaalde voorgeschreven rituelen vermoord te worden. — John Hambleton.

Vers 23

Soms moeten we onze plechtigste, dringendste gebeden en onze vurigste smekingen afsluiten zonder dat er ook maar één lichtstraal op ons pad valt. Dan kan het ons troosten dat de vrome psalmist zijn klacht ook zo besloot. Hopen tegen alle hoop in is de gezegendste hoop die er is. — William S. Plumer.

Wenken voor de dorpsprediker

Vers 1

  1. Dat God ons Zijn ongenade laat voelen, is een feit.
  2. Ze is er maar in beperkte mate, en wij zijn erg geneigd haar groter te maken dan ze is.
  3. Zelfs zolang ze duurt, blijft onze band met Hem heel: “schapen Uwer weide”.
  4. Onze taak is te vragen waarom ze er is, en daar vervolgens naar te handelen.

Vers 1 (tweede zinsdeel)

De toorn van de Heere tegen Zijn volk wordt vergeleken met rook.

  1. Rook is geen vuur dat alles verteert.
  2. Ze maakt ons bang voor het vuur.
  3. Ze verduistert het licht van onze vreugde.
  4. Ze maakt de ogen van het geloof blind.
  5. Ze snijdt de adem van het leven af.
  6. Ze maakt de schoonheid van onze aardse gemakken zwart.

Vers 2

  1. Hoe de Heere Zich met Zijn volk verbonden heeft.

(a) Door verkiezing.

(b) Door verlossing.

(c) Door in hen te wonen.

  1. Het gebed dat daaruit volgt: “Gedenk.”

Vers 3

Onheil in de kerk.

  1. De kerk heeft vijanden.
  2. Goddeloosheid binnen de kerk is hun grootste wapen.
  3. Dat richt veel verwoesting aan bij zwakke heiligen, bij zoekers, in de vrede, in het gebed en in het nuttig zijn voor anderen.
  4. Het middel daartegen is dat God ingrijpt.

Verzen 3–4

De kracht van het gebed.

  1. Aan de ene kant stonden: (a) Verwoesting: voor altijd, enzovoort.

(b) Ontheiliging.

(c) Gebrul: de vijanden brullen.

(d) Vertoon: zij zetten hun tekenen op.

  1. Aan de andere kant staat: (a) Smeking.

(b) Die brengt God snel en krachtig tot redding.

Vers 4

“Tekenen tot tekenen.” De list van de satan is om de waarheid te verdringen met bedrieglijke namaak.

Vers 5

Echte roem. Voor God bouwen met inzet, moed, ijver, vakmanschap, enzovoort.

Vers 6

Vandalisme tegen de waarheid van God.

Verzen 6–7

Waar een kerk bang voor is.

  1. Schade aan haar leer of haar verordeningen: het snijwerk.
  2. Het vuur van ruzie, verdeeldheid en dergelijke.
  3. De bezoedeling door zonde. Elk van deze drie kan een kerk ten val brengen. Laat ze zich daartegen wapenen en erom bidden.

Vers 8

De vernieling van plattelandskerken is wat onze vijanden willen bereiken. Het kwaad dat ze daarmee zouden aanrichten, en onze plicht om dat te voorkomen. De middelen die de verwoesters gebruiken: omkoping, onderdrukking en dergelijke. Hoe we zulke kerken op de juiste manier kunnen steunen.

Vers 9 (eerste zinsdeel)

  1. Er bestaan tekenen, dat wil zeggen: kentekenen en merktekenen van Gods bijzondere gunst voor de ziel.
  2. Je kunt die tekenen ook zien, wanneer God de Heilige Geest er Zijn licht op wil laten vallen.
  3. Er is nog een derde toestand: dan zie je de tekenen niet, omdat ze in duisternis, donkerte en onduidelijkheid gehuld zijn. — J. C. Philpot.

Vers 10

Een gebed om opwekking.

  1. Hoe God wordt gesmaad.
  2. Welke kwade gevolgen dat heeft.
  3. Wanneer we mogen verwachten dat Hij opstaat.

Vers 11

  1. Hoe lankmoedig God is met de mens: “Waarom trekt Gij Uw hand, ja,” enzovoort. Hij aarzelt om te slaan.
  2. Hoe ongeduldig de mens is met God: “Trek haar”, enzovoort. — G. R.

Vers 12

  1. Gods soevereiniteit.
  2. Hoe oud ze is.
  3. Onze trouw eraan.
  4. Het praktische karakter van Zijn heerschappij: ze werkt.
  5. De genade ervan: ze werkt heil.
  6. Waar ze werkt: in het midden der aarde.

Vers 14

Gods overwinning op onze vijanden en het voordeel dat wij daarvan hebben.

Vers 15

Het wonderlijke karakter van Gods genadige zorg, toegelicht aan de hand van de geslagen rots.

Vers 16

God is even nabij in alle wegen van Zijn voorzienigheid.

Verzen 16–17

  1. De God van de genade is de God van de natuur: “De dag is Uwe”, enzovoort. 2. De God van de natuur is de God van de genade: dezelfde wijsheid, dezelfde macht, dezelfde trouw. Zie Psalm 19. — G. R.

Vers 19

De ziel van de gelovige, vergeleken met een tortelduif.

Vers 20

  1. De naam die aan de heidense volken wordt gegeven: duistere plaatsen der aarde. Ze hebben wel het licht van de natuur, van de rede, van het natuurlijk geweten, of van de wijsbegeerte, zoals in Griekenland en Rome. Maar ze missen het licht van de openbaring.
  2. Hun toestand: vol van, enzovoort: wreedheid in hun openbare, maatschappelijke en persoonlijke relaties. Zie Rom. 1: “zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen.”
  3. Hun aandeel in het verbond. Dat blijkt uit hun deel in de beloften en in de profetieën: “Ik zal de heidenen geven”, enzovoort.
  4. Het gebed van anderen voor hen: “Aanschouw”, enzovoort; “Zend Uw licht”, enzovoort.

De bekering van de wereld zal het antwoord zijn op de gebeden van de kerk.

Vers 22

God bepleit Zijn eigen zaak wanneer Hij volken en mensen met Zijn voorzienigheid bezoekt, en ook in opmerkelijke bekeringen en opwekkingen.

Vers 22

  1. De heerlijkheid van onze zaak: ze is van de Heere Zelf.
  2. De hoop voor onze zaak: Hij zal haar Zelf bepleiten.
  3. De hoop die we daaruit kunnen putten ondanks het geweld van de mensen: het zal de Heere bewegen op te staan.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas