Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 73 — Treasury of David

79 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

Een psalm van Asaf. Dit is de tweede psalm die aan Asaf wordt toegeschreven, en de eerste van elf psalmen achter elkaar die de naam van deze beroemde zanger dragen. Sommige schrijvers weten niet zeker of Asaf ze zelf heeft gedicht. Ze denken eerder dat David ze schreef en ze aan Asaf gaf, zodat hij ze kon zingen zodra hij op zijn beurt de hoofdzanger werd.

Ons eigen hart gaat dezelfde kant op. Toch moeten we naar de feiten luisteren. In 2 Kronieken 29:30 lezen we dat Hizkia de Levieten opdroeg te zingen “de woorden van David en van Asaf, den ziener”. En in Nehemia 12:46 worden David en Asaf samen genoemd, los van de “hoofden der zangers”. Het lijkt erop dat ze samen psalmen hebben gemaakt. We mogen dus aannemen dat Asaf de dichter is van een aantal van de twaalf psalmen die zijn naam dragen, misschien zelfs van alle.

Soms lijkt een grote ster voor het blote oog maar één ster te zijn. Kijk je beter, dan blijkt het een dubbelster. Zo zijn de psalmen van David hier ook de psalmen van Asaf. De grote zon van David heeft een metgezel in de maan van Asaf. Wie onze aantekeningen bij Psalm 50 in deel 2 leest, hoort wat meer over deze man van God.

Onderwerp

Het is opvallend dat deze drieënzeventigste psalm over hetzelfde gaat als de zevenendertigste. Wie de cijfers omdraait, onthoudt het gemakkelijker; jongeren kunnen dat gebruiken. Het onderwerp is een oude valkuil voor vrome mensen, waar zelfs de vrienden van Job niet uit kwamen: de goddelozen hebben het goed, en wie God vreest heeft het zwaar. Heidense wijzen hebben er hun hoofd over gebroken. Voor gelovigen is het maar al te vaak een bron van verleiding geweest.

Indeling

In vers 1 spreekt de dichter zijn vertrouwen op God uit. Hij zet als het ware zijn voeten op een rots, en vertelt dan van zijn innerlijke strijd. In vers 2 tot en met 14 beschrijft hij hoe hij in verzoeking kwam. In vers 15 tot en met 17 staat hij met zijn handen in het haar, maar hij vindt uiteindelijk een uitweg. In vers 18 tot en met 20 beschrijft hij met ontzag het einde van de goddelozen. In vers 21 tot en met 24 veroordeelt hij zijn eigen dwaasheid en looft hij Gods genade. Hij sluit af door zich opnieuw aan zijn God toe te wijden: Hem kiest hij weer als zijn deel en zijn vreugde.

Uitleg

Vers 1

“Immers is God Israel goed.” Of, nog juister vertaald: God is “slechts” goed. Hij is niets anders dan goed voor Zijn verbondsvolk. Hij kan onmogelijk onrechtvaardig of onvriendelijk met hen omgaan. Zijn goedheid voor hen staat buiten kijf en is door niets vertroebeld.

“Dengenen, die rein van harte zijn.” Dat is het ware Israël, het Israël dat God Zelf als het Zijne erkent. Niet zij die alleen volgens de ceremoniële regels rein zijn, maar zij die écht rein zijn: zuiver van binnen, zuiver in de drijfveer van hun daden. Voor hen is Hij de goedheid zelf, en Hij kan niet anders zijn.

De dichter twijfelt hier niet. Hij zet het neer als zijn vaste overtuiging. En dat is verstandig van hem. Het is goed om vast te houden wat we wél zeker weten, want dat is ons anker wanneer we worden geteisterd door die geheimzinnige stormen die opsteken uit dingen die we niet begrijpen. Wat de waarheid ook is over raadselachtige en onbegrijpelijke zaken: er zijn zekerheden. Onze ervaring heeft ons een paar tastbare feiten in handen gegeven. Laten we ons daaraan vastklampen. Dan blazen de orkanen van het ongeloof ons niet weg, die nog steeds uit de woestijn komen en als wervelwinden alle vier de hoeken van ons huis raken, klaar om het om te gooien.

O mijn God, hoe verward ik ook ben, laat mij nooit slecht over U denken. Als ik U niet kan begrijpen, laat mij dan nooit ophouden in U te geloven. Zo is het, en het kan niet anders: U bent goed voor wie U goed hebt gemaakt. En een hart dat U vernieuwd hebt, laat U niet aan zijn vijanden over.

Vers 2

Hier begint het verhaal van een grote strijd in een mensenziel, een geestelijke marathon, een harde en goed uitgevochten slag. Wie halfweg bijna verslagen was, wordt uiteindelijk de overwinnaar.

“Maar mij aangaande.” Asaf zet zichzelf tegenover zijn God, Die altijd goed is. Hij erkent dat hij zelf tekortschiet in het goede. Dan vergelijkt hij zich met de reinen van hart en begint hij te belijden hoe bevlekt hij is. De Heere is goed voor Zijn heiligen, maar ik? Hoor ík daar wel bij? Mag ik rekenen op Zijn genade? Ja, die genade is ook voor mij. Maar ik heb me onwaardig gedragen, heel anders dan iemand die werkelijk rein van hart is.

“Mijn voeten waren bijna uitgeweken.” Dwalingen in hart en hoofd werken al snel door in hoe we leven. Er is een nauwe band tussen het hart en de voeten. Asaf kon nauwelijks nog staan. Zijn oprechtheid brokkelde af, zijn knieën zakten weg als een instortende muur. Wie aan Gods gerechtigheid begint te twijfelen, ziet zijn eigen rechtschapenheid wankelen.

“Mijn treden waren bijkans uitgeschoten.” Asaf kwam niet meer vooruit op de goede weg. Zijn voeten gleden onder hem weg als bij iemand op een ijsvlakte. Hij was te zwak om nog iets goeds te doen, en liep groot gevaar echt te zondigen, en dus smadelijk te vallen. Wat moeten we waakzaam zijn over onze binnenwereld! Ze drukt zo sterk haar stempel op ons gedrag naar buiten. Deze belijdenis is, zoals het hoort, heel duidelijk en eerlijk.

Vers 3

“Want ik was nijdig op de dwazen.” “De dwazen” is de algemene naam voor alle goddelozen. Ze zijn dwazen bij uitstek, en wie dwazen benijdt, is zelf een dwaas. Sommige vertalers lezen hier “de hoogmoedigen”. Dat past ook goed. Wie zo met zijn bezit te koop loopt, wekt jaloezie, en menig gelovige die geestelijk uit balans is, raakt besmet met die slopende ziekte.

Het is al zo bedroevend dat een erfgenaam van de hemel moet bekennen: “Ik was nijdig.” Maar het is nog erger dat hij moet zeggen: “Ik was nijdig op de dwazen.” Toch moeten de meesten van ons dit, vrezen we, ook van zichzelf zeggen.

“Ziende der goddelozen vrede.” Zijn blik bleef te veel aan één ding hangen. Hij zag hun heden en vergat hun toekomst. Hij zag hun uiterlijke praal en zag over het hoofd hoe onrustig het van binnen was. Wie benijdt de os zijn vet, als hij aan het slachthuis denkt? Toch is menig arme, beproefde gelovige hevig in verzoeking geweest om de goddeloze zijn tijdelijke overvloed te misgunnen. Alles bij elkaar had de rijke man meer reden om Lazarus te benijden dan Lazarus de rijke man.

Vers 4

“Want er zijn geen banden tot hun dood toe.” Dit noemt Asaf als het grootste wonder. We verwachten immers dat er bij het ernstige moment van sterven verschil zichtbaar wordt, en dat de goddeloze dan duidelijk in nood komt. Veel mensen denken nog steeds dat een rustig sterfbed wijst op een gelukkig hiernamaals. De dichter had gezien dat het precies andersom kan zijn. Onbezorgde mensen worden hard als steen en blijven tot het eind overmoedig zeker van zichzelf. Sommigen schrikken wakker als het oordeel nadert en worden bang, maar nog veel meer mensen hebben een krachtige dwaling gekregen om de leugen te geloven. Door de middeltjes van de dokter en hun eigen ongeloof, of een valse rust, glijden ze zonder strijd de eeuwigheid in.

We hebben godvruchtige mensen gezien die vastzaten in twijfels en geketend waren aan zorgen, die voortkwamen uit hun heilige bezorgdheid. Maar de goddelozen kennen zulke banden niet. Ze trekken zich niets aan van God, en evenmin van de duivel. “Hun kracht is fris.” Wat kan de dood hen schelen? Vaak zijn ze brutaal en vol overmoed, en uiten ze zelfs op hun sterfbed nog tartende godslasteringen. Dat kan gelovigen veel verdriet doen en met stomheid slaan, maar het hoort geen nijd te wekken. Want de zwaarste innerlijke strijd is oneindig veel beter dan de diepste kalmte die brutale overmoed kan geven. Laat de rechtvaardigen sterven hoe ze willen: laat mijn einde zijn als het hunne.

Vers 5

“Zij zijn niet in de moeite als andere mensen.” De goddelozen die het goed hebben, ontlopen de slopende zwoegerij waaronder de meeste mensen gebukt gaan. Hun brood komt vanzelf, hun wijn in overvloed. Ze hoeven zich nooit af te vragen: “Waar halen we brood vandaan voor onze kinderen, of kleren voor onze kleintjes?” De gewone zorgen van een huishouden en van het persoonlijke leven lijken hen niet te raken.

“En worden met andere mensen niet geplaagd.” Zware beproevingen komen hen niet te na. Ze voelen niets van Gods tuchtroede. Terwijl veel heiligen arm én onderdrukt zijn, is de voorspoedige zondaar geen van beide. Hij is slechter dan andere mensen en toch beter af. Hij ploegt het minst en toch heeft hij het meeste voer. Hij verdient de heetste hel en heeft het warmste nest.

Voor de ogen van het geloof is dit helder, want het geloof ontrafelt het raadsel. Maar voor het troebele oog van de zintuigen is het werkelijk een raadsel. Ze krijgen straks niets, dus laat hen nu maar hebben wat ze kunnen. Wat ze bezitten is uiteindelijk van ondergeschikte waarde, en dat ze het bezitten moet ons leren weinig waarde te hechten aan wat voorbijgaat. Als aards bezit veel waard was, zou de Heere er niet zo ruim van geven aan wie het minst van Zijn liefde weten.

Vers 6

“Daarom omringt hen de hovaardij als een keten.” Ze denken zo groot over zichzelf alsof ze wethouders van het Nieuwe Jeruzalem waren. Ze hebben geen andere versiering nodig dan hun eigen opgeblazenheid. Geen juwelier kan hen genoeg opsieraden. Hun eigen hoogmoed staat hun beter dan een gouden ketting.

“Het geweld bedekt hen als een gewaad.” In hun opschepperige aanmatiging tooien ze zich ermee. Ze dragen de livrei van de duivel, en ze dragen die met trots. Ze zijn er dol op. Je ziet het meteen: er moet ruim baan voor hen worden gemaakt. Ze trekken zich niets aan van de gevoelens en de rechten van anderen en zetten door wat zij willen. Ze pochen en razen, schreeuwen en intimideren, alsof ze een vergunning hebben om over alle mensen heen te lopen.

Vers 7

“Hun ogen puilen uit van vet.” Bij zwaarlijvige mensen liggen de ogen meestal diep in het vet, maar soms puilen ze juist uit. In beide gevallen verandert het gezicht. Het verliest zijn menselijke vorm en lijkt op dat van een vetgemest varken. Het gezicht verraadt hier de man, en wat het verraadt is geen fraai gezicht. Hij heeft meer dan genoeg, hij zwelgt in rijkdom en kan er toch geen genoeg van krijgen. En toch is hij een van de goddelozen die God verafschuwt.

“Zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.” Hun wensen worden vervuld, en meer dan dat. Ze krijgen zelfs meer dan ze durfden te hopen. Ze vragen om water en de wereld geeft hun melk. Ze vragen om honderden en er worden duizenden voor hun voeten gegoten. Het menselijk hart is mateloos vraatzuchtig. En toch lijkt het bij sommige goddeloze miljonairs, die Sardanapalus hebben geëvenaard in lust en weelde, alsof hun wensen werden overtroffen en hun eten groter was dan hun eetlust.

Vers 8

“Zij mergelen de lieden uit.” Zij persen de mensen uit tot op het merg. Hun hart en hun leven zijn verdorven. “En spreken boselijk van verdrukking.” De stank van het graf stijgt op uit hun mond. Je hoort aan iemands woorden wat voor ziel hij heeft. Verdrukking is hun favoriete onderwerp. Ze verdedigen het niet alleen, ze pleiten ervoor, ze roemen erin en zouden het het liefst tot algemene regel maken voor alle volken.

“Wie zijn de armen? Waar zijn die voor gemaakt? Waarvoor anders dan om te zwoegen en te sloven, zodat mensen met opleiding en een goede familie zich kunnen vermaken? Weg met die schurken die zeuren over hun rechten! Een stel sluwe volksmenners hitst hen op, want die verdienen hun brood met opruiing. Laat ze maar werken als paarden en geef ze te eten als honden. En durven ze te klagen, stuur ze dan naar de gevangenis of laat ze sterven in het werkhuis.”

Er wordt nog steeds te veel van dit goddeloze gepraat rondgestrooid. De arbeiders hebben hun fouten, en velen van hen zelfs zeer ernstige. Toch bestaat er een soort mensen dat altijd over hen praat alsof het een lagere diersoort is. God vergeve die ellendelingen die zo spreken.

“Zij spreken uit de hoogte.” Hun hoge hoofden braken zwarte rook uit, als hoge schoorstenen. Er stroomt grootspraak uit hen. Hun taal is kolossaal en hun gewichtigdoenerij is gewoonweg belachelijk. Ze spelen altijd Sir Oracle. Ze praten alsof ze vanaf de rechterstoel spreken en verwachten dat de hele wereld ontzag voor hen heeft.

Vers 9

“Zij zetten hun mond tegen den hemel.” Hun lasteringen richten zich tegen God Zelf. Als je hen hoort, zou je denken dat ze halfgoden zijn die hun hoofd boven de wolken houden. Ze praten op andere mensen neer vanaf een verheven hoogte die alleen van hen is. Toch zouden ze God met rust kunnen laten. Hun trots bezorgt hen al vijanden genoeg, ook zonder dat ze Hem uitdagen.

“En hun tong wandelt op de aarde.” Op hun gemak en uit gewoonte trekken ze de hele wereld door op zoek naar slachtoffers voor hun laster en hoon. Hun tong sluipt in elke hoek, ver weg en dichtbij, en spaart niemand. Ze doen alsof ze de rechters van iedereen zijn, maar in werkelijkheid zijn ze eeuwige landlopers. Als de slang laten ze overal hun slijm achter. Als er nog een tweede Eden te vinden was, zouden onschuld en schoonheid het niet beschermen tegen hun vuile spoor.

Zijzelf verdienen alle eer, mateloos veel. De rest van de mensheid, op een paar van hun klaplopers na, zijn schurken, dwazen, huichelaars of nog erger. Als de tongen van zulke mensen uit wandelen zijn, wee wie hen tegenkomt! Ze duwen alle reizigers de goot in. Ze helemaal ontlopen is onmogelijk, want ze maken hun rondgangen op beide halfronden, te land en ter zee. De stad is niet vrij van hen en het dorp zwermt ervan. Ze liggen mensen op de openbare weg op te wachten, maar ze kunnen ook dwars door het land jagen. Hun zweep heeft een lange slag en reikt zowel hoog als laag.

Vers 10

“Daarom keert zich Zijn volk hiertoe.” Gods volk wordt gedreven om naar Zijn troon te vluchten voor bescherming. De blaffende tongen drijven de schapen terug naar de Herder. Telkens weer komen de heiligen naar hun Heere, beladen met klachten over de vervolging die ze moeten verdragen van deze trotse, genadeloze mensen.

“Als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt.” Ook al houdt God van hen, ze moeten de bittere beker leegdrinken. Hun verdriet is even vol als de voorspoed van de goddeloze. Het doet hen veel pijn dat de vijanden van God zo hoog zitten en zijzelf zo laag. Toch verandert de Heere Zijn beleid niet. Hij blijft Zijn kinderen tuchtigen en Zijn vijanden hun gang laten gaan. De beker met medicijn is niet voor opstandelingen, maar voor wie Jehova Rofi liefheeft.

Vers 11

“Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten?” Zo durven de goddelozen te praten. Ze houden zichzelf voor dat de hemel hun onderdrukking en vervolging niet opmerkt. Als er al een God is, is Hij dan niet veel te druk met andere zaken om te weten wat er op deze wereld gebeurt? Zo troosten ze zichzelf als er oordelen worden aangekondigd.

Ze pochen op hun eigen kennis en toch durven ze te vragen: “Zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?” Terecht werden ze dwazen genoemd. Een God, en dan niet weten? Dat is een taalfout, een waanzin van het denken. Toch is dat precies de gespeelde krankzinnigheid van de goddeloze theïsten van onze tijd. Theïsten in naam, omdat openlijk ongeloof een slechte naam heeft, maar zonder enige twijfel atheïsten in de praktijk.

Ik kon me er niet toe brengen de vertaling van veel uitleggers over te nemen, die dit vers toepassen op beproefde en radeloze gelovigen. Ik kan me niet voorstellen dat zulke woorden over hun lippen zouden komen, zelfs niet in de zwaarste benauwdheid.

Vers 12

“Ziet, dezen zijn goddeloos.” Kijk! Zie! Bedenk het! Hier is het raadsel dat maar blijft terugkomen! De crux van de Voorzienigheid! De struikelsteen van het geloof! Hier worden onrechtvaardigen beloond en verwend, en niet voor een dag of een uur, maar voortdurend. Vanaf hun jeugd baden deze mensen, die de ondergang verdienen, in voorspoed.

Ze verdienen het om in ketenen te worden opgehangen, en er worden ketenen om hun hals gehangen. Ze verdienen het om uit de wereld te worden verjaagd, en toch wordt de hele wereld van hen. Ons arme, kortzichtige verstand roept: kijk dat nou toch eens! Sta er verbaasd bij, en probeer dit maar eens te rijmen met Gods rechtvaardig bestuur, als je kunt.

“Zij vermenigvuldigen het vermogen”, of: de kracht. Rijkdom én gezondheid zijn hun bruidsschat. Geen slechte schulden en faillissementen drukken hen neer. Roof en woeker stapelen hun bezit juist op. Geld trekt geld aan, gouden munten vliegen in zwermen, de rijken worden rijker en de trotsen trotser. Heere, hoe kan dat? Uw arme knechten, die nog armer worden en kreunen onder hun lasten, moeten zich verwonderen over Uw geheimzinnige wegen.

Vers 13

“Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd.” Arme Asaf! Hij vraagt zich af of heiligheid wel iets waard is, nu ze met ellende wordt uitbetaald. Zijn oprechtheid heeft helemaal niets opgeleverd, zo denkt hij. Zijn reinheid heeft hem geen enkel voordeel gebracht, terwijl mensen met een onrein hart worden verheven en het beste van het land mogen eten. Zo dwaas kan zelfs de wijste mens redeneren, als zijn geloof in slaap is gevallen. Asaf was een ziener, maar als de rede hem in het donker laat zitten, ziet hij niets meer. Ook zieners hebben het zonlicht van de geopenbaarde waarheid nodig.

Zonder dat licht tasten ze rond als blinden, ook al zijn ze nog zo wijs. Kijken we alleen naar wat nu voor ons ligt, dan lijkt het soms alsof de reinen van hart hun hart helemaal voor niets hebben gezuiverd. Maar we mogen niet oordelen naar wat onze ogen zien.

“En mijn handen in onschuld gewassen.” Asaf was met zijn handen even zorgvuldig geweest als met zijn hart. Hij had zijn leven naar buiten én naar binnen bewaakt. Het was een bittere gedachte dat dit alles nutteloos was geweest. Het liet hem er zelfs slechter aan toe dan die mensen van de wereld met hun vuile handen en zwarte harten. Toch moet juist het afschuwelijke van deze conclusie hem hebben geholpen om haar los te laten. Zo kon het niet zijn, zolang God God was. Ze rook veel te sterk naar een leugen om lang in de ziel van een goed mens te blijven. Daarom zien we zijn gedachten een vers of twee later al een andere kant op gaan.

Vers 14

“Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben.” Van het moment dat hij wakker werd tot het moment dat hij naar bed ging, kreeg hij slagen. Zijn pijn hield niet alleen aan, ze begon ook elke dag opnieuw. “En mijn straffing is er alle morgens.” Wat een schrijnend contrast met het lot van de goddelozen! Zo leek het althans. Voor de verworpenen lagen er kronen klaar, voor de uitverkorenen kruisen. Wat vreemd dat de heiligen zuchten en de zondaars zingen! De onruststokers kregen rust, en de vredestichters werd vrede geweigerd.

De neergeslagen ziener was ten einde raad en in de war. Het leven van de mensen leek hem één grote warboel. Hoe kon een rechtvaardige Heerser toelaten dat alles zo op zijn kop kwam te staan en dat het recht zo volledig uit zijn voegen raakte? Daar kwam hij niet uit.

Vers 15

“Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken.” Het is niet altijd verstandig om te zeggen wat je denkt. Zolang gedachten binnen blijven, schaden ze alleen onszelf. Maar eenmaal uitgesproken kunnen ze enorm veel kwaad doen, en dan krijg je ze niet meer terug. Als een man als de psalmist zijn ontevredenheid had uitgesproken, had dat de hele gemeenschap van gelovigen een zware klap gegeven en diep ontmoedigd. Daarom durfde hij die stap niet te zetten. Hij hield zich in en wilde zijn gevoelens niet bekendmaken. Dat was goed, want in zijn geval waren de tweede gedachten verreweg de beste.

“Zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.” Hij zou hen ergeren en bedroeven, en misschien zelfs aanzetten tot zonde. We moeten bij alles wat we zeggen denken aan de gevolgen voor anderen, en vooral voor de kerk van God. “Wee dien mens, door welken de ergernis komt!” Overhaaste, onverteerde en onbezonnen woorden zijn de oorzaak van veel verdriet en moeite in de kerken. Wilde God dat mensen, net als Asaf, hun tong in bedwang hielden! Dan bleef de kerk veel verdriet bespaard. Als we ook maar vermoeden dat we ongelijk hebben, is het beter om te zwijgen. Stil zijn kan geen kwaad. Maar onze snel gevormde meningen rondstrooien kan ernstige schade aanrichten.

Kinderen van God verdriet doen door ogenschijnlijk trouweloos te zijn en de waarheid te verraden, is zo’n gruwelijke zonde, dat ketterijmakers hun nieuwigheden nooit zo vlot zouden rondbazuinen als hun geweten niet als met een gloeiend ijzer was dichtgeschroeid. Uitspraken die de indruk wekken dat de Heere onrechtvaardig of onvriendelijk handelt, zijn vooral gevaarlijk als ze van mensen komen die bekendstaan om hun karakter en ervaring. Ze zijn als vuurbrandjes in een stoppelveld. Kwaadwilligen gebruiken ze om te lasteren, en bange en bevende mensen worden er zeker door neergeslagen. Zij vinden er alleen maar reden in voor nog diepere zielenpijn.

Vers 16

“Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen.” Het idee dat hij Gods gezin tot ergernis kon zijn, kon hij niet verdragen. Toch kookte en gistte het binnen in hem, en dat veroorzaakte een ondraaglijke pijn. Spreken had één pijn kunnen verlichten, maar omdat het een andere pijn zou hebben veroorzaakt, hield hij zich van dit gevaarlijke geneesmiddel af. Maar daarmee verdween de eerste pijn niet. Die werd erger en erger en dreigde hem helemaal te overweldigen.

Gesmoord verdriet is zwaar om te dragen. Door de overwinning van ons geweten houden we de wolf verborgen onder onze eigen kleren, maar dat belet hem niet om aan onze ingewanden te knagen. Een onderdrukt vuur in onze beenderen woedt heviger dan wanneer het zich door de mond lucht had kunnen geven. Wie Asafs dilemma kent, zal met niemand zoveel medeleven hebben als met hem.

Vers 17

“Totdat ik in Gods heiligdommen inging.” Zijn geest ging de eeuwigheid binnen, waar God woont als in een heilige plaats. Hij liet alles achter zich wat de zinnen kunnen waarnemen, voor het onzienlijke. Zijn hart staarde naar binnen, achter het voorhangsel. Hij stond waar de driemaal heilige God staat. Zo veranderde zijn kijk op alles om hem heen, en de schijnbare wanorde loste zich op in harmonie. De banen van de planeten lijken het meest in de war vanaf onze wereld, die zelf een planeet is. Ze lijken “voortgaand, teruggaand en stilstaand”. Maar konden we onze sterrenwacht in de zon bouwen, het middelpunt van het stelsel, dan zouden we alle planeten in een volmaakte cirkel zien bewegen rond het hoofd van het grote zonnegezin.

“En op hun einde merkte.” Hij had te weinig gezien om te kunnen oordelen. Een ruimer overzicht veranderde zijn oordeel. Met het verlichte oog van zijn verstand zag hij wat de goddelozen te wachten staat, en zijn ziel maakte geen ruzie meer over het geluk van hun leven. Er knaagde geen afgunst meer aan zijn hart. In plaats daarvan vervulde een heilige afschuw zijn ziel, zowel over wat hun te wachten staat als over hun schuld van nu. Hij deinst ervoor terug om net zo behandeld te worden als die trotse zondaars, die hij zojuist nog met bewondering bekeek.

Vers 18

De smart van de psalmist had haar hoogtepunt niet bereikt omdat de goddelozen voorspoed hadden, maar omdat God het zo had beschikt. Was het louter toeval geweest, dan had hij zich verbaasd, maar niet kunnen klagen. De kwellende vraag was juist hoe de Bestuurder van alle dingen Zijn tijdelijke gunsten op zo’n manier kon uitdelen. Om dit probleem op te lossen, ziet hij nu in dat Gods hand deze mensen met opzet op een voorspoedige en hoge plaats had gezet. Dat deed Hij niet om hen te zegenen, maar juist om het tegendeel te bereiken.

“Immers zet Gij hen op gladde plaatsen.” Hun positie was gevaarlijk. Daarom plaatste God Zijn vrienden daar niet, maar alleen Zijn vijanden. In Zijn oneindige liefde koos Hij voor Zijn eigen geliefden een ruwere maar veiligere standplaats. “Gij doet hen vallen in verwoestingen.” Dezelfde hand die hen naar hun Tarpeïsche rots bracht, slingerde hen er ook vanaf. Ze werden alleen verhoogd door een rechterlijke beschikking, zodat hun vonnis volledig kon worden uitgevoerd. De eeuwige straf is des te verschrikkelijker door het contrast met de voorspoed van vroeger bij hen die ervoor rijpen.

Het lot van de goddelozen is van begin tot eind gruwelijk. Hun wereldse vreugde maakt die gruwel niet kleiner, maar het effect juist ontzettender. Zo verlicht de felle bliksem in een storm de dikke duisternis eromheen niet, maar maakt hem alleen zwaarder. Haman moest eerst naar de galg omhoog klimmen, en dat hoorde bij de schrik van zijn vonnis: “Hang hem daaraan.” Waren de goddelozen niet zo hoog verheven, dan hadden ze niet zo diep kunnen vallen.

Vers 19

“Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting!” Dit is een uitroep van vrome verbazing over hoe plotseling en hoe volledig de zondaars ten val komen. Halsoverkop storten ze neer. Zonder waarschuwing, zonder ontkomen, zonder hoop op herstel! Ondanks hun gouden kettingen en prachtige kleren wacht de dood niet op goede manieren, maar voert hen haastig weg. De strenge gerechtigheid laat zich niet omkopen door hun rijkdom en slingert hen in het verderf.

“Nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!” Ze hebben geen wortel en geen tak meer. Ze houden op te bestaan onder de mensenkinderen, en in de andere wereld is niets meer over van hun vroegere glorie. Als bomen die door de bliksem zijn verteerd en verschroeid, staan ze daar als gedenktekens van Gods wraak. Zoals de puinhopen van Babel laten ze in de omvang van hun verwoesting de oordelen van de Heere zien over iedereen die zich op het verkeerde moment verheft. De glorie van de genadelozen duurt maar een oogwenk en wordt in een oogwenk uitgewist. Hun hoogheid is in één ogenblik verteerd.

Vers 20

“Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten.” Dat ze nog bestaan en voorspoed hebben, danken ze aan Gods lankmoedigheid. De psalmist vergelijkt die met een slaap. Maar zoals een droom verdwijnt zodra iemand wakker wordt, zo zal de praal en voorspoed van die trotse overtreders wegsmelten op het ogenblik dat de Heere Zijn gerechtigheid begint te oefenen en de mensen voor Zich dagvaardt.

Wanneer God ontwaakt om te oordelen, zullen zij die Hem verachten zelf veracht worden. Ze zijn nu al “van het maaksel waaruit dromen zijn gemaakt”, maar dan zal het grondeloze weefsel geen wrak achterlaten. Laat ze maar pronken, dat korte uurtje, arme onstoffelijke zonen van de dromen. Ze zijn zo weg. Zodra de dag aanbreekt en de Heere wakker wordt als een sterke man uit Zijn slaap, verdwijnen ze. Wie geeft nu iets om de rijkdom van droomland? Wie anders dan dwazen? En wie is dan eigenlijk de dwaas? Heere, laat ons niet over aan de waanzin die naar onstoffelijke rijkdom verlangt, en leer ons steeds Uw eigen ware wijsheid.

Vers 21

“Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd.” De heilige dichter kijkt terug op zijn innerlijke strijd en berispt zichzelf om zijn dwaasheid. Zijn pijn was hevig geweest. Hij zegt: “Als mijn hart opgezwollen was” (Engels: “Zo was mijn hart bedroefd”). Zo erg was het met hem gesteld. Het was een diepe smart die tot in zijn binnenste doordrong. Alexander vertaalt: “Mijn hart is verzuurd.” Zijn geest was bitter geworden. Hij had hard, kribbig en nors geoordeeld. Hij was zwartgallig geworden, vol zwarte gal, zwaarmoedig en driftig. Hij had zijn eigen leven bij de bron vergiftigd en al zijn stromen zo bitter als gal gemaakt.

“En ik in mijn nieren geprikkeld werd.” Hij had net zoveel pijn als een man met een nierziekte. Hij had zichzelf met veel smarten doorboord. Zijn harde gedachten waren als nierstenen in zijn lichaam. Hij was door en door ellendig en treurig, en dat alles door zijn eigen overpeinzingen. O, ellendige wijsbegeerte, die de geest op de pijnbank spant en op het rad breekt! O, gezegend geloof, dat de beulen wegjaagt en de gevangenen vrijlaat!

Vers 22

“Toen was ik onvernuftig.” Hoewel hij een heilige van God was, had hij gehandeld alsof hij een van die dwazen was die God verafschuwt. Had hij hen niet zelfs benijd? En wat is dat anders dan ernaar streven om zoals zij te worden? De wijste mensen hebben genoeg dwaasheid in zich om zichzelf te gronde te richten, tenzij de genade het verhindert. “En wist niets.” Hij had gehandeld alsof hij van niets wist. Hij had gebrabbeld als een idioot en het gezwam van een dwaze domoor uitgekraamd. Hij wist niet hoe hij sterk genoeg kon uitdrukken hoe goed hij zijn eigen dwaasheid inzag.

“Ik was een groot beest bij U.” Zelfs in Gods tegenwoordigheid had hij onredelijk gedacht, erger dan een beest. Een os die gras eet, kent alleen dit tegenwoordige leven. Hij kan de dingen alleen daarnaar beoordelen, naar het genot dat ze zijn zinnen geven. Zo had ook de psalmist geluk beoordeeld naar dit sterfelijke leven, naar de buitenkant en naar vleselijk genot. Even had hij de waardigheid van een onsterfelijke geest losgelaten en als een gewoon dier geoordeeld naar wat zijn ogen zagen.

We noemen een door God geïnspireerde man maar ongaarne een beest, en toch liet zijn berouw hem zichzelf zo noemen. Hij gebruikt zelfs het meervoud, als nadruk, alsof hij erger was dan één enkel beest. Dat hij zich zijn eigen dwaasheid zo diep bewust was, bewijst juist zijn ware wijsheid. We zien hoe bitter goede mensen rouwen over hun geestelijke dwalingen. Ze zoeken geen excuses voor zichzelf, maar zetten hun zonden aan de schandpaal en werpen de zwaarste verwijten op hun eigen hoofd. O, genade om zelfs de schijn van kwaad te verafschuwen!

Vers 23

“Ik zal dan geduriglijk bij U zijn.” Hij geeft zijn geloof niet op, ook al belijdt hij zijn dwaasheid. Zonde kan ons bedroeven, en toch kunnen we in gemeenschap met God blijven. Het is de zonde die we liefhebben en waar we plezier in hebben die ons van de Heere scheidt. Maar als we haar van harte betreuren, trekt de Heere Zich niet van ons terug. Wat een tegenstelling met het vorige vers! Hij is als een beest, en toch voortdurend bij God. Onze dubbele natuur veroorzaakt altijd strijd en is een voortdurende tegenstrijdigheid. Het vlees verbindt ons met de dieren, en de geest verbindt ons met God.

“Gij hebt mijn rechterhand gevat.” U omhelst mij met liefde, U maakt mij edel met eer, U ondersteunt mij met kracht. Hij was bijna gevallen en toch steeds ondersteund. Hij was een raadsel voor zichzelf, zoals hij voor velen een wonder was geweest. Dit vers bevat twee kostbare gaven van barmhartigheid: gemeenschap en ondersteuning. Omdat God ze gaf aan iemand die zichzelf een dwaas noemde, mogen ook wij hopen ze te ontvangen.

Vers 24

“Gij zult mij leiden door Uw raad.” Ik ben klaar met het kiezen van mijn eigen weg en met het zoeken naar een pad in de wildernis van de rede. Hij gaf niet alleen het punt van de discussie op, maar elk voornemen om te discussiëren. Hij legt zijn hand in die van de grote Vader. Hij vraagt om geleid te worden en belooft te volgen. Onze eerdere vergissingen zijn een zegen, als ze ons zover brengen. Het einde van onze eigen wijsheid is het begin van onze wijsheid. Bij Hem is raad, en als we naar Hem toe komen, worden we zeker goed geleid.

“En daarna.” “Daarna!” Wat een gezegend woord. Het geeft ons moed. We kunnen het heden vrolijk dragen als we de toekomst voor ons zien. Wat er nu om ons heen is, stelt weinig voor naast dat “daarna”. “Zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.” Neem mij op in de glans van Uw vreugde. Uw leiding zal mij brengen naar dit weergaloze eindpunt. Heerlijkheid zal ik hebben, en U Zelf zult mij erin toelaten. Zoals Henoch er niet meer was, want God nam hem weg, zo worden alle heiligen opgenomen. Opgenomen in heerlijkheid!

Vers 25

“Wien heb ik nevens U in den hemel?” Zo keert hij zich af van de glans die hem had verleid, en wendt hij zich tot het echte goud, zijn werkelijke schat. Hij voelde dat zijn God beter voor hem was dan alle rijkdom, gezondheid, eer en vrede die hij zo had benijd bij de mensen van de wereld. Ja, God was niet alleen beter dan alles op aarde, maar zelfs voortreffelijker dan alles in de hemel. Hij stuurde alle andere dingen weg, helemaal weg, om met zijn God vervuld te worden.

“Nevens U lust mij ook niets op de aarde!” Zijn wensen zouden niet langer ronddwalen en niets zou hen nog verleiden om af te dwalen. Voortaan zou de Eeuwig Levende alles in allen voor hem zijn.

Vers 26

“Bezwijkt mijn vlees en mijn hart.” Ze hadden hem al in de steek gelaten, en hij was bijna gevallen. Ze zouden hem in het uur van zijn dood opnieuw in de steek laten, en als hij op hen vertrouwde, zouden ze hem direct begeven. “Zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid.” Zijn God zou hem niet in de steek laten, niet als beschermer en niet als bron van vreugde. Goddelijke liefde zou zijn hart overeind houden en het eeuwig vullen met goddelijke heerlijkheid.

Nadat hij ver de zee op was gedreven, gooit Asaf het anker uit in de oude haven. We doen er goed aan zijn voorbeeld te volgen. Er is niets begeerlijks behalve God. Laten we dan alleen Hem begeren. Al het andere moet voorbijgaan. Laat onze harten blijven bij Hem, Die alleen voor eeuwig blijft.

Vers 27

“Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan.” We moeten dicht bij God zijn om te leven. Door goddeloze daden ver van Hem af te zijn, is de dood. “Gij roeit uit, al wie van U afhoereert.” Als we zeggen dat we de knechten van de Heere zijn, moeten we bedenken dat Hij een jaloerse God is. Hij eist van heel Zijn volk geestelijke trouw. Overtredingen van huwelijksbeloften zijn heel aanstootgevend, en alle zonden tegen God hebben hetzelfde in zich en worden met de zwaarste straffen bezocht. Gewone heidenen, die ver van God zijn, vergaan op hun tijd.

Maar wie als Zijn belijdend volk trouweloos is aan zijn belijdenis, wordt door een daadwerkelijk vonnis getroffen en vermorzeld onder Zijn toorn. We lezen voorbeelden hiervan in de geschiedenis van Israël. Laten we nooit zelf een nieuw voorbeeld worden, in ons eigen leven.

Vers 28

“Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen.” Had hij dit in het begin gedaan, dan was hij niet in zoveel ellende terechtgekomen. Toen hij het deed, ontkwam hij aan zijn dilemma. En als hij het bleef doen, zou hij niet opnieuw in hetzelfde kwaad vallen. Hoe dichter we bij God komen, des te minder hebben we last van de aantrekkingskracht en de afleidingen van de aarde. Toegang tot het heiligste is een groot voorrecht en een geneesmiddel tegen een heleboel kwalen. Het is goed voor alle heiligen, het is goed voor mij persoonlijk. Het is altijd goed en zal altijd goed voor mij zijn om het hoogste goed te naderen, de bron van al het goede, God Zelf.

“Ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE.” Hij blijft stilstaan bij de heerlijke naam van de Heere Jehova en belijdt die als de grondslag van zijn geloof. Geloof is wijsheid. Het is de sleutel van raadsels, de leidraad in doolhoven en de poolster op wegloze zeeën. Vertrouw, en je zult weten. Wie vertrouwt, gaat uiteindelijk ook begrijpen.

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Gehele psalm

Psalm 73 is een indringend verslag van de innerlijke strijd van een zeer vrome Jood. Hij keek naar de verschillende levens van de rechtvaardigen en de goddelozen, en raakte daar diep van in de war. Nog vers van die strijd opent hij de psalm vrij abrupt met een stellige uitspraak. Het is een waarheid waarvan hij nu, na zijn overwinning op de twijfel, met hoofd en hart zekerder is dan ooit: God is goed voor Israël, ook voor wie rein van hart is. Daarna vertelt hij wat de zwaarste klap voor zijn geloof was.

Hij zag de goddelozen voorspoed hebben. Ze verachtten God en mensen met trots, maar ze slaagden in de wereld en werden steeds rijker. Zelf had hij zijn hart gezuiverd en zijn handen in onschuld gewassen, en toch werd hij de hele dag geplaagd en elke morgen getuchtigd.

De plaats waar zijn twijfels verdwenen en zijn wankelende geloof weer overeind kwam, was het heiligdom van God. God Zelf was de leraar. Wat leerde Hij hem dan? Welke overwegingen, door God ingegeven, brachten de psalmist tot rust?

Hoe we Psalm 73:4 ook het best kunnen vertalen, of het nu is: ‘Er zijn geen smarten die tot hun dood leiden’, of: ‘Er zijn geen smarten tot aan hun dood toe’ (heel hun leven, tot het allerlaatste toe, is dan één ongestoorde gang van geluk), dit vers laat ons zien hoe verkeerd de psalmist de voorspoed van de goddelozen inschatte voordat hij het heiligdom van God binnenging. De ware inschatting, waartoe hij later kwam, vinden we in Psalm 73:18–20.

Stel nu dat het einde van deze mensen alleen en altijd hun einde in déze wereld betekent. Dat is overigens moeilijk te geloven, want je kunt niet aantonen dat álle voorspoedige mensen, of zelfs maar de allerrijksten, plotseling en vreselijk ten onder gaan. Dan komen we tot deze slotsom: wat de goddelozen betreft leert deze psalm niet duidelijk en onloochenbaar dat na de dood straf op hen wacht. Hij leert alleen dit. Wie hun toestand wil beoordelen en Gods gerechtigheid wil verdedigen, moet naar hun hele levensloop kijken. Hij moet hun grote voorspoed afwegen tegen de plotselinge, verschrikkelijke omkeringen en de ondergang die hen zo vaak treffen.

Kijken we dan naar de andere kant van de vergelijking, naar de rechtvaardige, dan komen we de omgekeerde gedachte niet tegen. De voorspoed van de goddelozen is slechts de voorbereiding op hun ondergang: de toren wordt hoger opgetrokken, zodat de val des te groter wordt. Maar de tegenspoed van de godvruchtigen is niet slechts een inleiding tot rijkdom en eer in de wereld. Zo’n gedachte is de schrijvers van het Oude Testament overigens niet vreemd. “De boosdoeners zullen uitgeroeid worden”, schrijft een van hen, “maar die den HEERE verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen. De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.” Ps. 37:9–11.

Maar hier wordt daar helemaal niet op gezinspeeld. De dagelijkse tuchtiging mag blijven doorgaan, vlees en hart mogen bezwijken, en toch is God goed voor Israël. Hij is hun deel, hun gids en hun hulp zolang ze leven, en Hij zal hen opnemen in Zijn heerlijke tegenwoordigheid wanneer ze sterven.

“Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat. Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.”

Het Nieuwe Testament heeft niets hogers of geestelijkers te bieden dan dit. Dat het laatste zinsdeel gaat over geluk na de dood, wordt volgens mij over het algemeen ook door Joodse uitleggers erkend. Zij lieten het aan de eerlijkheid van christelijke uitleggers over om dat te betwijfelen of te ontkennen. — Thomas Thompson Perowne, in “The Essential Coherence of the Old and New Testaments”, 1858.

Gehele psalm

In Psalm 73 kijkt de ziel om zich heen en denkt na over wat ze ziet: een goddeloosheid die slaagt en een rechtvaardigheid die lijdt. Wat is de slotsom? “Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd.” Dat is alles wat het rondkijken oplevert. In Psalm 77 kijkt de ziel juist naar binnen en denkt na over wat ze daar vindt. Wat is de slotsom? “Heeft God vergeten genadig te zijn?” Dat is alles wat het naar binnen kijken oplevert. Waar moeten we dan heen kijken? Kijk omhoog, recht omhoog, en geloof wat je daar ziet. Wat zal dan de slotsom zijn? Je zult het “einde” van de mens begrijpen en de “weg” van God volgen. — Uit “Things New and Old, a Monthly Magazine”, 1858.

Gehele psalm

In deze psalm vertelt de psalmist (Asaf) over de grote moeilijkheid in zijn eigen gemoed. Die kwam doordat hij naar de goddelozen keek. Hij zegt (Ps. 73:2–3): “Mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten. Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.” In het vierde vers en de verzen daarna vertelt hij waaruit de verzoeking bij de goddelozen bestond. Eerst zag hij dat ze voorspoedig waren en dat alles hun meezat. Daarna lette hij op hun gedrag in die voorspoed en op wat ze ermee deden. En hij zag dat God, ondanks dat misbruik, hun voorspoed bleef voortzetten. Vervolgens vertelt hij ons hoe hij uit deze moeilijkheid werd geholpen: door het heiligdom binnen te gaan (Ps. 73:16–17). Daarna deelt hij de overwegingen mee die hem hielpen, namelijk:—

  1. De gedachte aan het ellendige einde van goddeloze mensen. Hoe voorspoedig ze op dit moment ook zijn, uiteindelijk komen ze toch tot een jammerlijk einde (Ps. 73:18–20).
  2. De gedachte aan het zalige einde van de heiligen. Zolang ze leven, kunnen de heiligen onderdrukt worden, maar uiteindelijk komen ze toch tot een gelukkig einde (Ps. 73:21–24).
  3. De gedachte dat de godvruchtigen een veel beter deel hebben dan de goddelozen, zelfs als ze geen ander deel hebben dan God; zoals in Ps. 73:25–26.

De goddelozen mogen dan voorspoedig zijn en niet in moeite als andere mensen; de godvruchtigen zijn, ook al lijden ze, toch in een oneindig betere toestand, omdat ze God tot hun deel hebben. Ze hoeven niets anders te verlangen: wie God heeft, heeft alles. Zo belijdt de psalmist hoe hij de dingen inzag en begreep: “Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!”

In het vierentwintigste vers merkt de psalmist op hoe gelukkig de heiligen zijn in God, zowel in deze wereld als wanneer ze naar een andere worden opgenomen. In deze wereld zijn ze gezegend in God doordat Hij hen leidt met Zijn raad. En wanneer Hij hen eruit wegneemt, zijn ze nog steeds gelukkig, doordat Hij hen in heerlijkheid opneemt. Dit bracht hem waarschijnlijk tot de verklaring dat hij geen ander deel wilde hebben, niet in deze wereld en niet in de wereld die komt, niet in de hemel en niet op aarde. — Jonathan Edwards.

Vers 1

Immers: het is maar een klein woordje, maar ook de kleinste vijlsels goud worden opgeraapt. Kleine parels zijn veel waard. En dit kleine woordje is niet van klein nut, als we het goed toepassen en gebruiken. Ten eerste: neem het (zoals onze vertalers het ons gaven) als een woord van bekrachtiging. Immers. Dat is een woord van het geloof, dat ingaat tegen het gevoel van de psalmist en tegen de ingevingen van de satan. Wat het gevoel ook ziet of voelt, en wat de satan ook insinueert en zegt: het kostbare geloof beweert vol vertrouwen: Immers, God is werkelijk goed. Hij is niet alleen goed in woord, maar ook in daad. Niet alleen schijnbaar goed, maar zeker goed.

Ten tweede: zie het als een woord van tegenstelling, Toch, zoals onze oude vertaling heeft. Ainsworth geeft het weer als: toch zeker, waarbij hij beide betekenissen samenneemt. Dan luidt de zin zo: hoe slecht het ook gaat in de wereld, hoe slecht het ook gaat met Gods kerk en volk onder de mensen, toch is God goed voor Israël.

Ten derde menen sommigen dat het woord verwondering uitdrukt. O, hoe goed is God voor Israël! Waar woorden en begrippen tekortschieten, staat de psalmist vol bewondering stil bij Gods voorzienigheid. O, hoe wonderbaar, hoe alles te boven gaand goed is God voor Israël!

Dit “toch” heeft (naar ik meen) een drievoudig verband met de rest van de psalm. Want zoals de uitleggers opmerken: hoewel deze woorden vooraan staan, geven ze toch de slotsom van de strijd van de psalmist aan. En de psalmist lijkt vrij abrupt te beginnen. Toch is God goed. Maar zijn gedachten zijn nog vol van zijn vroegere dwaasheden en angsten, en nu ziet hij zichzelf veilig, voor het heden én voor de toekomst. Hij is vol vertrouwen en troost. Wat het sterkst en het belangrijkst in zijn hart was, breekt daarom het eerst naar buiten: Toch is God goed.

  1. Dit “toch” heeft te maken met zijn lijden, Ps. 73:14: “Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.” Hoe veelsoortig en hoe vaak de heilige ook lijdt, God is toch goed. Verdriet begroet hen elke morgen zodra ze wakker worden, en moeite vergezelt hen ’s avonds naar bed, maar God is toch goed. Vele verschrikkelijke verzoekingen mogen als kanonnen bressen in hun geest schieten, toch is God goed voor Israël.
  2. Dit “toch” kijkt terug op zijn zondigen: het mopperen en twisten van zijn ontstemde hart (Ps. 73:2–3, 21). In de ziel kunnen zondige opwellingen in opstand komen tegen Gods wijze bestuur. Er kunnen dwaze, hoogmoedige twisten zijn met Gods voorzienigheid, en onverontschuldigbaar wantrouwen tegenover Zijn trouwe beloften. Er kan knorrigheid zijn over andermans voorspoed en ontevredenheid over eigen tegenspoed. Toch is God goed. De zondige ontstemming van Israël brengt de Almachtige er niet toe Zijn gewone goedheid te veranderen. Zolang het verdorvene in ons niet openlijk tot ergernis losbreekt, zolang de ziel ertegen strijdt en zich ervoor vernedert (zoals de psalmist deed), moeten we deze slotsom vasthouden: toch is God goed.
  3. Dit “toch” kijkt terug op zijn twijfels. Er was wantrouwige moedeloosheid in het hart van deze goede man geweest. Uit de twee punten hiervoor (zijn lijden en zijn zondigen) had hij namelijk deze slotsom getrokken, Ps. 73:13: “Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.” Het was alsof hij zei: “Ik heb gevast, sabbatten gehouden, preken gehoord, gebeden gedaan, sacramenten ontvangen, aalmoezen gegeven, zonden gemeden, verzoekingen weerstaan, lusten bestreden, ik ben voor Christus en Zijn zaak en Zijn dienaren uitgekomen: allemaal tevergeefs.” Ja, zijn hart had zelfs een bekrachtiging (immers) aan deze ongelovige gedachte toegevoegd. Maar nu denkt hij anders: Toch is God goed.

Gods bestuur is niet zoals de droeve vermoedens van de wantrouwige harten van Zijn volk. Want hoewel zij uit kleingeloof geneigd zijn hun heilige arbeid als verloren op te geven, en al hun gewetensvolle zorg en wandel als volkomen weggegooid, toch is God goed voor Israël. — Simeon Ash, in een preek getiteld “God’s Incomparable Goodness unto Israel”, 1647.

Vers 1

David opent de psalm abrupt. Daaruit leren we iets wat bijzondere aandacht verdient: voordat hij deze woorden uitsprak, was zijn gemoed bewogen door veel twijfels en tegenstrijdige gedachten. Als een dappere, kloeke strijder was hij geoefend in zeer pijnlijke worstelingen en verzoekingen. Maar na lange, zware inspanning slaagde hij er eindelijk in alle verkeerde voorstellingen van zich af te schudden. Hij kwam tot de slotsom dat God toch genadig is voor Zijn knechten en de trouwe bewaker van hun welzijn.

Zo bevatten deze woorden een stilzwijgende tegenstelling: aan de ene kant de goddeloze voorstellingen die de satan hem had ingegeven, aan de andere kant het getuigenis ten gunste van de ware godsdienst waarmee hij zich nu sterkt. Het is alsof hij het oordeel van het vlees veroordeelt, dat ruimte gaf aan twijfelende gedachten over Gods voorzienigheid. We zien dus hoe nadrukkelijk deze uitroep van de psalmist is. Hij klimt niet op de katheder om te twisten zoals de wijsgeren, of om zijn betoog te houden in een stijl van uitgekiende redekunst. Nee, alsof hij aan de hel ontsnapt was, roept hij met luide stem en vol hartstocht dat hij de overwinning had behaald. — Johannes Calvijn.

Vers 1 (eerste zinsdeel)

“Toch zijn de goden zeker goed: dat zou ik graag geloven,
als zij mij dat maar toestonden!
Maar deugd in nood en ondeugd die zegeviert,
maken de mensen tot godloochenaars.” — Dryden.

Vers 1

God is goed. De naam die de Saksische volken aan de Godheid gaven is van een schoonheid die door niets wordt geëvenaard, behalve door Zijn meest eerbiedige Hebreeuwse naam. Zij noemden Hem “God”, en dat is letterlijk “de Goede”. Eén woord betekent dus de Godheid én Zijn meest innemende eigenschap. — Turner.

Vers 1

God is goed. Laat de duivel en zijn werktuigen van het tegendeel zeggen wat ze willen, ik zal hen nooit geloven. Ik heb het eerder gezegd en ik zie geen reden mijn oordeel te herroepen: Immers, God is goed. Soms verbergt Hij een tijd lang Zijn aangezicht, maar ook dat doet Hij in trouw en liefde. Er is goedheid in Zijn geselslagen zelf en liefde ingebonden in Zijn roeden. Hij is goed voor Israël: let er maar op, vroeg of laat: “De ware Israëliet, in wien geen bedrog is, zal door zijn Heiland verkwikt worden.”

De Israëliet die huilend met God worstelt, die Zijn liefde hoger acht dan de hele wereld en zich niet laat afschepen zonder de zegen van zijn Vader, zal die ruimschoots ontvangen: “Hij zal met vreugde maaien, hoewel hij nu met tranen zaait. Zelfs dengenen, die rein van harte zijn.”

De valse, geveinsde huichelaar daarentegen geeft God alleen zijn tong en lip, zijn muts en zijn knie, maar bewaart zijn hart en liefde voor de zonde en de wereld. Hij heeft veel beleefdheid, maar niets van echte genegenheid. Zo iemand moet nooit verwachten dat hij, zolang hij zo is, de verkwikkende vertroostingen zal proeven waarover ik heb geschreven. Zolang hij zo handelt, moet hij Gods gezelschap niet verwachten. — James Janeway, 1636–1674.

Vers 1

“Dengenen, die rein van harte zijn.” Reinheid van hart is het kenmerk van Gods volk. Hartreinheid noemt ons het Israël van God. Ze maakt ons tot Israël in waarheid, “want die zijn niet allen Israel, die uit Israel zijn.” Rom. 9:6. Reinheid van hart is het juweel dat alleen aan de uitverkorenen hangt. Zoals kuisheid een deugdzame vrouw onderscheidt van een hoer, zo onderscheidt de reinheid van zijn hart de ware heilige van de huichelaar. Het is als de ster of de kouseband van een edelman, een bijzonder eerteken dat hem van het gewone volk onderscheidt.

Wanneer de heldere ster van reinheid in het hart van een christen schijnt, onderscheidt ze hem van de belijder die alleen de vorm heeft. … God is goed voor de reinen van hart. We verlangen allemaal dat God ons goed is; het is het gebed van de zieke: “De Heere zij mij goed.” Maar hoe is God hun goed? Op twee manieren.

  1. Voor wie rein zijn, is alles geheiligd, Tit. 1:15: “Alle dingen zijn wel rein den reinen”; bezit is geheiligd, betrekkingen zijn geheiligd, zoals de tempel het goud heiligde en het altaar het offer. Voor de onreine is niets rein: hun tafel is een strik, hun tempeldienst een zonde. Op een goddeloos mens rust een vloek die als erfenis wordt doorgegeven (Deut. 28:16), maar heiligheid neemt de vloek weg en snijdt de erfopvolging af: “Alle dingen zijn wel rein den reinen.”
  2. Voor wie rein van hart is, werkt alles mee ten goede. Rom. 8:28. Zowel Gods barmhartigheid als de verdrukking zal hun tot zegen zijn. Zelfs het giftigste drankje wordt voor hen een geneesmiddel, en de meest tegenwerkende gebeurtenis in hun leven brengt Gods plan met hun redding toch weer een stap verder. Wie zou dan niet rein van hart willen zijn? — Thomas Watson.

Vers 2

Maar mij aangaande. Letterlijk staat er: “En ik.” Daar moet de nadruk op liggen. David bedoelt namelijk: zulke verzoekingen, die Gods eer in het stof trekken en het geloof overspoelen, vallen niet alleen gewone mensen aan, of mensen die maar een klein beetje ontzag voor God hebben. Nee, ook hij, die meer dan wie ook in Gods school vooruitgang had moeten boeken, kreeg zijn deel ervan. Door zichzelf zo als voorbeeld te noemen, schudt hij ons des te krachtiger wakker en spoort hij ons aan om goed op onszelf te letten. — Johannes Calvijn.

Vers 2

Ook wie God vreest en toch begint om met een schuin oog naar de dingen van deze wereld te kijken, moet weten dat het ook voor hem of haar zwaar zal worden om in tijden van beproeving het geloof en de vreze Gods vast te houden. Denk aan het voorbeeld van David. Hij was al lange tijd onderweg geweest naar de hemel. Toch raakte hij de weg bijna kwijt, alleen doordat hij een ogenblik naar de glinsterende schijn van deze wereld keek. Zijn voeten waren bijna uitgeweken, zijn stappen bijkans uitgegleden. — Edward Elton, 1620.

Vers 2

David zegt ons dat zijn voeten bijna uitgeweken waren. Het woord betekent: buigen, of onder iemand door de knieën gaan. “Mijn treden waren bijkans uitgeschoten” kan ook betekenen: uitgegoten. Ze bleven niet binnen hun grenzen, maar liepen weg zoals water dat wordt uitgegoten en nergens wordt opgevangen.

Deze uitdrukkingen zijn beeldspraak, en op het eerste gezicht duister en wolkig. Toch laten ze ons heel duidelijk één ding zien: Davids verstand was op een dwaalspoor gebracht, zijn oordeel was aangetast, en zijn gevoelens waren ontregeld, onstuimig en schuldig aan te veel opwinding. Dat bevestigen de gevolgen genoeg (Ps. 73:22), waar hij zichzelf onwetend, dwaas en redeloos noemt.

Ons verstand en ons oordeel kunnen we trouwens best met voeten vergelijken. Zoals onze voeten het lichaam dragen wanneer we ons bewegen, zo dragen verstand en oordeel de ziel in alles wat een mens doet. Ook onze gevoelens zijn als paden en stappen. Net als de voetafdrukken laten zij zien wat het oordeel en de geest in ons beweegt. — Edward Parry, in “David Restored,” 1660.

Vers 2

Bijna uitgeweken. Merk op dat de dichter zegt: “bijna” uitgeweken, en niet: helemaal. Daarin zien we op wonderlijke wijze hoe de Almachtige bij de mens aanwezig is en over hem waakt, hem kracht geeft, beschermt en bewaart. Ook al worden we verzocht en zelfs tot het uiterste gedreven om allerlei kwaad te doen, toch houdt Hij ons tegen en bewaart Hij ons, zodat de verzoeking ons niet overwint. — John Hooper, 1495–1555.

Vers 2–14

Veel goddeloze en onrechtvaardige mensen hebben voorspoed, zowel in het openbare als in het persoonlijke leven. In werkelijkheid zijn ze niet gelukkig, maar de meeste mensen denken van wel, en dichters en schrijvers prijzen hen op ongepaste wijze de hemel in. Dat kan jou ertoe brengen te geloven dat de goden zich niets aantrekken van wat mensen doen. Ik verbaas me niet dat je zo gaat denken. Deze dingen houden je bezig. Je bent door dwaze gedachten op een dwaalspoor gebracht, en toch durf je niets kwaads van de goden te denken. Daarom ben je gekomen waar je nu staat: je denkt dat de goden wel bestaan, maar dat ze op de zaken van de mensen neerkijken en er geen aandacht aan geven. — Plato.

Vers 8

Zij zijn verdorven. Voorspoed kweekt in een goddeloos hart verdorvenheid. Die komt dan met de adem naar buiten, in elk gesprek, en besmet en bederft de gedachten van anderen. — George Horne.

Vers 8

Zij spreken boselijk van verdrukking. Zo is het inderdaad. Als alles hen een tijd lang meezit, gooien goddeloze mensen alle schaamte van zich af. Ze doen geen moeite meer zich te verbergen als ze onrecht willen plegen, maar roepen hun eigen gemeenheid luid door de straten. “Wat!” zeggen ze dan. “Kan ik je niet van alles beroven wat je hebt, en je zelfs de keel afsnijden?” Ook rovers kunnen dat, maar die verstoppen zich uit angst. De reuzen, of liever de onmenselijke monsters, over wie David schrijft, denken daarentegen niet alleen dat geen enkele wet voor hen geldt. Ze vergeten ook hun eigen zwakheid en schuimbekken van woede, alsof er geen verschil bestaat tussen goed en kwaad, tussen recht en onrecht. — Johannes Calvijn.

Vers 15

Ik zou trouweloos zijn, enz. Dat wil zeggen: ik doe Gods kerk, die altijd onder druk heeft gestaan, ernstig onrecht als ik denk of zeg dat al haar toewijding zonder hoop was, of haar hoop zonder resultaat. Anderen leggen het zo uit: ik bedrieg het geslacht, ik houd hun een valse leer voor die hen kan verleiden. Weer anderen lezen: “zie het geslacht,” enz. Dat betekent dan dit: ondanks alle verdrukkingen staat vast dat U alleen een Vader voor de kerk bent. Dat is genoeg om mij gunstig over deze verdrukkingen te laten oordelen. Ik heb verkeerd gedaan, en ik beken dat ik me heb vergist in dit overhaaste oordeel van mij. — John Diodati.

Vers 17

Met “Gods heiligdommen” bedoelen sommigen, zelfs onder de Hebreeën, de hemelse woningen waar de geesten van de rechtvaardigen en de engelen wonen. Dan zou David zeggen: dit was pijnlijk in mijn ogen, totdat ik oprecht inzag dat mensen niet geschapen zijn om een korte tijd in deze wereld te bloeien en zich in genoegens te wentelen. Hun leven hier is dat van pelgrims, die op hun aardse tocht naar de hemel gericht moeten zijn. Ik geef graag toe dat alleen wie zijn geest boven de aarde verheft, juist over Gods voorzienigheid kan oordelen.

Toch ligt het meer voor de hand, en is het eenvoudiger, om het woord heiligdom te verstaan als hemelse leer. In het heiligdom lag het wetboek bewaard, waaruit de uitspraken van de hemel te halen waren, dat wil zeggen: de verklaring van Gods wil. Dat was de echte weg naar nuttig onderwijs. Daarom noemt David het binnengaan van de heiligdommen zeer terecht het komen in Gods school. Het is alsof hij zegt: zolang God niet mijn leraar werd en ik niet uit Zijn woord leerde wat mijn verstand uit zichzelf niet kan vatten wanneer het over het bestuur van de wereld nadenkt, bleef ik steken en begreep ik niets van het onderwerp.

Hier horen we dus dat mensen niet in staat zijn om over Gods besluiten na te denken, zolang ze hun wijsheid niet ergens anders vandaan halen dan uit zichzelf. Waar halen we dan wijsheid vandaan, behalve door nederig aan te nemen wat God ons leert, zowel door Zijn woord als door Zijn Heilige Geest? Met het woord heiligdom wijst David naar de uiterlijke manier van onderwijs die God Zijn oude volk had gegeven. Maar tegelijk bedoelt hij ermee de verborgen verlichting door de Heilige Geest. — Johannes Calvijn.

Vers 17

De vreugde van een goddeloos mens is op zichzelf gebrekkig, omdat ze niet is wat ze lijkt, en niet echt. Het is geen zuiver goud, maar goud dat vermengd en vervalst is met verdriet. Voor iemand met troebele ogen ziet ze er misschien goed uit, maar wie goed kijkt, neemt haar niet voor echt aan. Laat iemand haar maar overwegen en wegen op de weegschaal van het heiligdom, waar David met hetzelfde doel de weegschaal ging halen: hij zal haar vele korrels te licht bevinden.

Van binnen is ze niet wat ze van buiten lijkt. Ze is niet meer dan een lemen muur met een laagje witkalk, of een stinkend graf onder een prachtig gedenkteken. Ze is hupoulos: mooi en glad van buiten, net als echte vreugde. Ze lijkt op een wond die te vroeg is dichtgegroeid (je weet hoe God door de profeet klaagt over de wond van Zijn volk, die te lichtvaardig werd genezen, Jer. 6:14). Aan de buitenkant ziet het er net zo goed uit als de rest van het lichaam, maar eronder zit nog een zweer.

Die zweert des te heviger en is des te erger, juist omdat de buitenkant er zo goed uitziet. Waar de schijn, de mantels en de vermommingen het mooist zijn, daar zijn de schurkenstreken, het gif en het verborgen kwaad meestal het smerigst. — Zachary Bogan (1625–1659), in “Meditations of the Mirth of a Christian Life.”

Vers 17

En op hun einde merkte (Engels: Toen verstond ik). Bradwardine vertelt hierover een beroemd verhaal over de voorzienigheid. Een kluizenaar werd hevig verzocht en kon zich helemaal niet vinden in Gods voorzienigheid. Hij besloot van plaats naar plaats te reizen, tot hij iemand zou ontmoeten die hem tevreden kon stellen. Onderweg voegde een engel zich bij hem, in de gedaante van een mens. Hij zei dat God hem had gestuurd om de twijfels van de kluizenaar over de voorzienigheid weg te nemen.

De eerste nacht sliepen ze bij een zeer vroom man. Ze brachten de tijd door met gesprekken over de hemel en met lofprijs aan God, en werden met veel gulheid en blijdschap ontvangen. De volgende ochtend, bij het vertrek, nam de engel een grote gouden beker mee. De tweede nacht kwamen ze bij een andere vrome man, die hen hartelijk welkom heette en erg blij was met hun gezelschap en gesprek. Maar bij het weggaan doodde de engel het kind in de wieg. Het was zijn enige zoon, want hij was jarenlang kinderloos geweest en daarom een zeer teder vader voor dit kind.

De derde nacht kwamen ze bij een ander huis, waar ze net zo gul werden ontvangen. De heer des huizes had een rentmeester die hij hoog waardeerde, en hij vertelde hoe gelukkig hij zich prees met zo’n trouwe dienaar. De volgende morgen stuurde hij zijn rentmeester een stuk met hen mee om hun de weg te wijzen. Toen ze over de brug liepen, gooide de engel de rentmeester in de rivier, en die verdronk. De laatste nacht kwamen ze bij een zeer goddeloze man, waar ze heel onvriendelijk werden onthaald. Toch gaf de engel hem de volgende morgen de gouden beker.

Toen dit alles gebeurd was, vroeg de engel de kluizenaar of hij nu begreep wat hij had gezien. Die antwoordde dat zijn twijfels over de voorzienigheid alleen maar groter waren geworden. Hij kon namelijk niet begrijpen waarom de engel zo hard was geweest voor die vrome mannen, die hen met zoveel liefde en vreugde hadden ontvangen, en toch zo’n geschenk had gegeven aan die goddeloze man, die hen zo slecht had behandeld.

De engel zei: “Ik zal het je nu uitleggen. In het eerste huis woonde een vroom man. Maar omdat hij elke morgen uit die veel te grote beker dronk, was hij een beetje ongeschikt geworden voor heilige plichten, al merkten anderen of hijzelf dat nauwelijks. Daarom nam ik de beker weg: het is beter voor hem de gouden beker te verliezen dan zijn matigheid. De man bij wie we de tweede nacht sliepen, bad en overdacht veel, besteedde veel tijd aan heilige plichten en gaf mild aan de armen, zolang hij kinderloos was. Maar zodra hij een zoon had, raakte hij zo aan hem gehecht en speelde hij zoveel met hem, dat hij zijn vroegere toewijding sterk verwaarloosde. Hij gaf weinig aan de armen, want hij dacht dat hij nooit genoeg voor zijn kind kon sparen. Daarom heb ik het kind naar de hemel genomen, en heb ik hem achtergelaten om God beter op aarde te dienen.

“De rentmeester die ik liet verdrinken, was van plan de volgende nacht zijn heer te vermoorden. En die goddeloze man aan wie ik de gouden beker gaf, zou in de andere wereld niets krijgen. Daarom gaf ik hem iets in deze wereld. Dat wordt echter een strik voor hem, want hij zal nog onmatiger worden. ‘En die vuil is, dat hij nog vuil worde.’”

Ik zeg niet dat dit verhaal waar is, maar de les ervan is zeer goed. Ze laat zien dat God een toegeeflijke Vader is voor Zijn heiligen, juist wanneer Hij hen het zwaarst drukt. En wanneer Hij de goddelozen hoog zet, zet Hij hen ook op gladde plaatsen, en wordt hun voorspoed hun ondergang. Spr. 1:32. — Thomas White, in “A Treatise of the Power of Godliness,” 1658.

Vers 17

Hun einde. Gods voorzienigheid is vaak geheimzinnig en brengt ons in verlegenheid. Toen ik op een dag in Hyde Park wandelde, zag ik een stuk papier op het gras liggen. Ik raapte het op. Het was een deel van een brief. Het begin ontbrak en het einde was er niet bij, dus ik kon er niets van maken. Zo is het ook met Gods voorzienigheid. Je ziet geen begin en geen einde, je ziet maar een klein stukje ervan. Pas als je het geheel kunt zien, wordt het geheim onthuld. — Thomas Jones, 1871.

Vers 18

Gladde plaatsen. In de grondtekst betekent dit woord glad of effen, zoals ijs of gepolijst marmer. Daarom wordt het ook als beeld gebruikt voor vleierij. Aben Ezra vertaalt het dan ook: In locis adulationis posuisti eos, oftewel: U hebt hen op plaatsen van vleierij gezet. — Edward Parry.

Vers 18

Ze worden alleen maar hoog opgetild, zoals de arend volgens de natuuronderzoekers schelpdieren de lucht in neemt, om ze op een rots te laten vallen en dan op te eten. Hun schitterendste voorspoed is niet meer dan een regenboog, die even in al zijn felle kleuren verschijnt en dan verdwijnt. De Turken denken aan het ongelukkige einde van hun vizieren en gebruiken daarom dit spreekwoord: “Wie het hoogste ambt heeft, is maar een standbeeld van glas.” Goddeloze mensen lopen over glas of ijs. U hebt hen op gladde plaatsen gezet. Plotseling glijden hun voeten weg. Ze vallen en breken hun nek. — George Swinnock.

Vers 18, 20

Hun feestzaal is spiegelglad, en het feest zelf is niet meer dan een droom. — Thomas Adams.

Vers 19

Zij worden te niet van verschrikkingen. Hun ondergang komt niet alleen plotseling, maar is ook helemaal compleet. Het is alsof een pottenbakkersvat aan diggelen valt, zodat er geen scherf meer te vinden is die je kunt gebruiken. Of alsof een molensteen in zee wordt geworpen, die nooit meer boven komt. En het gaat gepaard met verschrikkingen. Die komen soms als vreselijke oordelen van buitenaf over hen, soms als angsten die hun gemoed en geweten van binnenuit overvallen. Dat kan gebeuren bij rampen in dit leven, bij de dood, en zeker bij het oordeel, wanneer het verschrikkelijke vonnis over hen wordt uitgesproken. Zie Job 27:20. — John Gill.

Vers 19

Stel dat je de langste tijd leefde die ooit een mens heeft geleefd, en al die tijd niets anders deed dan genieten (wat nog nooit iemand is gelukt zonder kruisen, verdrukkingen of ziekten tegen te komen). En stel dat je aan het eind van dat leven je nachtverblijf moest nemen bij een “eeuwigen gloed” en een “verterend vuur” (Jes. 33:14). Zouden die genoegens dan tegen die eeuwige branden opwegen?

Een Engelse koopman die in Danzig woonde en nu bij God is, vertelde ons dit verhaal, en het was waar. Een vriend van hem, ook een koopman, ging om redenen die ik niet ken naar een klooster en at met enkele broeders mee. Hij werd er zeer deftig onthaald, als een gast van stand. Toen hij gegeten en alles gezien had, begon de koopman hun aangename leven te prijzen. “Ja,” zei een van de broeders tegen hem, “wij leven inderdaad prachtig. Als we maar iemand hadden die voor ons naar de hel ging wanneer wij sterven.” — Giles Firmin (1617–1697), in “The Real Christian, or, A Treatise of Effectual Calling.”

Vers 20

Als een droom na het ontwaken. Deze gedachte is nogal fijn, maar Shakespeare heeft haar scherpzinnig doorgrond. Hij laat de Plantagenet-prins (misschien in de houding van een heerser die in Gods plaats staat) tegen zijn verstoten gunsteling zeggen:

“Lang heb ik van zo iemand gedroomd,
zo opgezwollen van brasserij, zo oud en zo goddeloos;
maar nu ik wakker ben, veracht ik mijn droom.”

— Hendrik IV.

Want de slaper is traag van wil en verstand, en juist daardoor krijgen de gestalten en verzinsels, de gevoelens en plannen die zijn geest bevolken, schijnbaar werkelijkheid. Op dezelfde manier lijkt het alsof de nalatigheid van de Zedelijke Heerser, Die over het hoofd ziet wat er gebeurt, het goddeloze of ijdele leven en zijn invloed laat gedijen. Zo zegt Paulus over het veelgodendom van de oude wereld: “God dan, de tijden der onwetendheid overzien hebbende.” Hand. 17:30. — C. B. Cayley, in “The Psalms in Metre,” 1860.

Vers 21

Als mijn hart opgezwollen was, enz. De psalmist gebruikt twee beelden om zijn pijn en zijn brandende verontwaardiging te beschrijven. Eerst zegt hij dat zijn hart overkookte als gist. De hartstocht die in zijn gedachten was losgebarsten, vergelijkt hij met gist: die laat het hele deeg opzwellen en over de rand kolken. … Het tweede beeld komt van de felle pijn diep van binnen die nierstenen veroorzaken: “ik in mijn nieren geprikkeld werd.” Wie dat heeft meegemaakt, kent die marteling, en veel uitleg is niet nodig. Hij bedoelt dat zijn zware pijn vermengd was met verontwaardiging, en dat die hem telkens opnieuw overviel zodra hij zag hoe voorspoedig het de goddelozen verging. — Mollerus.

Vers 21

Nieren. Van alle organen in het lichaam noemt de Schrift de nieren misschien wel het vaakst, en altijd met een diepe, innerlijke betekenis. De nieren zijn de plek waar het zachtste en innigste gevoel van velerlei aard wordt ondergebracht. Zij liggen aan weerszijden van de lendenwervels, tegen de achterwand van de buik (in het Hebreeuws kelajoth, in het Grieks nefroi). Wie van binnen het diepst lijdt, wordt in zijn nieren geprikkeld. Wanneer knagend leed hem overweldigt, worden zijn nieren doorkliefd (Job 16:13; vergelijk Klaagl. 3:13). Wanneer hij diep verheugd is, springen ze op van vreugde (Spr. 23:16).

Voelt hij zich heel scherp gewaarschuwd, dan onderwijzen ze hem (Ps. 16:7). En verlangt hij vurig, dan vergaan ze samen met zijn lichaam (Job 19:27). God weet alles en doorziet alles, ook wat het diepst verborgen ligt in een mens. Daarom wordt Hij vaak (van Ps. 7:10 tot in Openbaring) de Beproever van harten en nieren genoemd. Van de goddelozen wordt gezegd dat God ver is van hun nieren (Jer. 12:2). Dat betekent dat Hij Zich in Zichzelf terugtrekt en Zich door hen niet laat opmerken. — Franz Delitzsch.

Vers 22

Toen was ik onvernuftig, en wist niets, enz. Is mopperen en vitten op wat de Heere beschikt niet slecht, in zijn wortels én in zijn vruchten? Wat zijn die wortels dan? (1) Onwetendheid. (2) Hoogmoed, die zich verheft (Hab. 2:4). (3) Ongeduld: we willen niet op God wachten tot we zien hoe het afloopt, zoals in Jona 4:8–11. (4) We vergeten wie de Heere is en wie wij zijn, mensen die tegen onze Maker tekeergaan (Klaagl. 3:39; Rom. 9:20). En de vruchten? Die zijn allesbehalve goed, ja, ronduit slecht. Mensen worden lui in hun plicht, ze gooien die zelfs van zich af (Mal. 3:14), ja, ze komen er soms bij om God te lasteren; zie Job 2:9; Mal. 3:13; Openb. 16:9. — Thomas Crane, in “A Prospect of Divine Providence”, 1672.

Vers 22

Ik was een groot beest bij U. Ik liet mijn denken helemaal opgaan in wat je kunt zien, horen en aanraken, net als de dieren die vergaan. Ik keek niet vooruit naar een toekomst na dit leven, en ik dacht er niet over na dat ik me moest buigen voor de wijze plannen van Gods onfeilbare leiding. — Adam Clarke.

Vers 22

Ik was een groot beest bij U. In de grondtekst staat geen woord van vergelijking. Je zou beter kunnen vertalen: “Ik was een echt beest bij U.” Het Hebreeuwse woord staat bovendien in het meervoud, en dat geeft er een bijzondere nadruk aan: het wijst op een of ander monsterlijk, verbijsterend dier. Het is hetzelfde woord dat Job gebruikt en dat wordt weergegeven als “behemoth”. Dus: “Ik was een regelrecht monster bij U.” Niet zomaar een beest, maar een van de meest redeloze dieren die er bestaan, een van de koppigste en onhandelbaarste. Ik denk dat niemand in nederige belijdenis veel dieper kan zakken dan dit. Het is een beschrijving van de menselijke natuur, en van de oude mens die ook in een wedergeboren heilige nog leeft. Je kunt het niet overtreffen. — C. H. S.

Vers 22

Er zijn veel bewijzen dat de schrijvers van de Schrift door Gods Geest zijn ingegeven. Dit is niet het minste en niet het geringste: zij schrijven hun eigen fouten op, en ook de fouten van hun dierbaarste en naaste familie. Kijk maar eens hoe ruw David over zichzelf spreekt: “Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.” En denk je dat Paulus er lelijker uitziet omdat hij zichzelf met zijn eigen penseel tekent, wanneer hij zegt: “Die te voren een gods lasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker”, en: “van welke ik de voornaamste ben”, enz.? Zo gaat het niet bij gewone schrijvers.

Die prijzen zichzelf zoveel ze maar kunnen, en laten liever geen druppel lof verloren gaan dan dat ze hem met hun eigen tong oplikken. Cicero schrijft uitvoerig over de goede diensten die hij aan de Romeinse staat bewees, maar met geen woord over zijn hebzucht, zijn jacht op de gunst van het volk, zijn trots en ijdelheid, zijn lage afkomst en dergelijke. Mozes doet precies het tegenovergestelde. Hij schrijft de zonde en de straf van zijn eigen zuster op, de afgoderij en het bijgeloof van zijn broer Aäron, en zijn eigen fout, het onbezonnen slaan op de rots, waardoor hij het land Kanaän niet mocht binnengaan. — Thomas Fuller.

Vers 23

Ik zal dan geduriglijk bij U zijn, zoals een kind blijft rekenen op de tedere zorg van een ouder. En zoals een ouder zijn kind vasthoudt wanneer het dreigt uit te glijden op een gladde weg, zo “hebt Gij mijn rechterhand gevat” (de hand van Uw kind). — George Horne.

Vers 23

Ik zal dan geduriglijk bij U zijn. Hij zegt niet dat de Heere voortdurend bij “Zijn volk” is, hen vasthoudt, leidt en opneemt. Hij zegt: “Hij is voortdurend bij mij. Hij houdt mij vast. Hij zal mij leiden. Hij zal mij opnemen.” Deze man zag, voelde en verheugde zich over zijn eigen, persoonlijke deel in Gods zorg en liefde. En let op: hij deed dat midden in zijn verdrukking, terwijl “mijn vlees en mijn hart” bezweken. Hij deed het ondanks allerlei verkeerde, tegenstrijdige en zondige gevoelens die net achter hem lagen, en terwijl hij onder de indruk was van zijn eigen zondigheid en dwaasheid, ja, van wat hij zelf noemt: “onvernuftig” zijn. O, broeders, wat een zegen is het om zo’n geloof te hebben! — Charles Bradley, 1838.

Vers 23

Ik zal dan geduriglijk bij U zijn (Engels: Ik ben nog bij U). Het woord dat hier met “nog” is vertaald, betekent eigenlijk “altijd”. Het laat zien dat er in de band tussen beiden nooit iets was veranderd of onderbroken. In het Frans bestaat een volkomen vergelijkbaar gebruik van het woord toujours. — Joseph Addison Alexander.

Vers 24

“Gij zult mij leiden.” Hoe vinden we onze weg in een vreemd land, als we helemaal op onszelf zijn aangewezen? Daarom wordt er in de Bijbel zoveel over gidsen gesproken, en daarom heet de Heere de gids van Zijn volk. Zij zijn in een vreemd land, vol kuilen en strikken. Zonder goede gids vallen ze zeker in het ene of raken ze verstrikt in het andere. “Deze God is onze God eeuwiglijk en altoos”, zegt de psalmist. En dat is niet alles: “Hij zal ons geleiden tot den dood toe” (Ps. 48:15).

Kunnen we een betere gids krijgen? Als mensen die een gids hebben uitgeprobeerd hem sterk aanbevelen, is het verstandig om ons zonder voorbehoud aan hem toe te vertrouwen. Zegt hij dat onze weg naar rechts loopt, dan is het dwaas om te zeggen dat we per se naar links willen. — John Gadsby.

Vers 24

Leiden … opnemen. Ook na onze bekering blijft God met ons bezig. Hij geeft niet alleen genade, maar helpt ons ook echt in het werk van de gehoorzaamheid: “Gij hebt ons ook al onze zaken uitgericht”, Jes. 26:12. Zijn daadwerkelijke hulp hebben we nodig om ons de richting te wijzen, ons levend te houden, ons te sterken, te beschermen en te verdedigen. Op onze weg naar de hemel hebben we niet alleen een regel en een pad nodig, maar ook een gids. De regel is Gods wet. De gids is Gods Geest. — Thomas Manton.

Vers 24

Daarna. Na al ons zware werk en onze plichten, na al onze kruisen en verdrukkingen, na al onze twijfel en angst dat we het nooit zouden ontvangen, na al die keren dat Hij Zijn gezicht verborg en wolken en duisternis over ons heen trokken, en na al onze strijd en gevechten om het te bereiken: o, wat komt het ontvangen van deze beloning dan op het juiste moment! “Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.” O zalig daarna! Wanneer al je werk gedaan is, wanneer al je twijfel en angst voorbij zijn en je strijd is gestreden, dan, o dan ontvang je de beloning. — John Spalding.

Vers 24

“Zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.” Mendelssohn heeft in zijn Beor opgemerkt dat deze zinsnede waarschijnlijk zinspeelt op de wegneming van Henoch. Van Henoch staat in Gen. 5:24: laqach otho Elohim, “God nam hem weg.” Hier (Ps. 73:24) schrijft de psalmist: achar kabod tikkacheni, “zult Gij mij in heerlijkheid opnemen”, of: “heerlijk”. Elders (Ps. 49:16) lezen we: ki yikkacheni, “Want Hij zal mij opnemen.” Ik kan me nauwelijks voorstellen dat Joodse lezers die twee laatste uitdrukkingen in hun samenhang schreven en lazen zonder aan de eerste te denken. — Thomas Thompson Perowne.

Vers 26

“Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid.” In deze woorden vallen vijf dingen op.

  1. De omgekeerde volgorde. Wanneer de psalmist zijn kwaal noemt, begint hij met het bezwijken van het vlees en daarna van het hart. Maar wanneer hij vertelt wat hem hielp, begint hij met het hart. Daaruit leren we dat God, wanneer Hij uit liefde een mens geneest, bij het hart begint. Dat geneest Hij eerst. Daar kunnen deze redenen voor zijn.
  2. De zonde van het hart is vaak de oorzaak van de kwaal in lichaam en ziel.
  3. Het lichaam heeft er altijd baat bij als het met de ziel goed gaat, maar de ziel niet bij het lichaam.
  4. De genezing van de ziel is de belangrijkste genezing.
  5. Het geneesmiddel past bij de kwaal. Kracht voor het hart dat bezwijkt, en een gezegend deel voor het vlees dat bezwijkt. Let erop dat er in God voor elke kwaal en elke moeilijkheid, van binnen én van buiten, een passend geneesmiddel en een passende verlichting te vinden is. Laat je hart je in de steek, dan is God je sterkte. Laat je vlees je in de steek, of laten je troostmiddelen je los, dan is God je deel.
  6. Het belang dat de profeet heeft. Hij noemt God zijn deel. Let erop dat ware Israëlieten een onbetwistbaar belang bij God hebben: Hij is de hunne.
  7. De ervaring van de profeet in de moeilijkste tijd. Hij ontdekt dat het waar is: wanneer de kracht die ons gegeven werd bezwijkt, is er in God een kracht die nooit faalt. Let erop dat christenen Gods alvoldoende kracht het volst en het diepst ervaren wanneer al het geschapen troostende hen in de steek laat.
  8. Hoe de profeet zijn ervaring gebruikt als steun en troost tegen komende beproevingen en verzoekingen. Let erop dat een heilige aan zijn ervaring van Gods alvoldoende kracht in tijden van nood genoeg heeft om zijn geest te dragen en te versterken tegen alle beproevingen en verzoekingen die nog komen.

Zo kun je de tekst gebruiken door er enkele dingen bij op te merken. Maar er zijn twee hoofdleerstukken waar we langer bij moeten stilstaan. Ten eerste: God is de rots van het hart, de sterkte en het deel van een heilige in eeuwigheid. Ten tweede: Gods kracht en Gods verlichting komen bij Zijn volk aan wanneer zij die het hardst nodig hebben.

Ten eerste. God is de rots van het hart, de sterkte en het deel van een heilige in eeuwigheid. In dit leerstuk zitten twee onderdelen of takken.

  1. God is de rots van het hart, de sterkte van een heilige.
  2. God is het deel van een heilige.

Tak 1. God is de rots van het hart, de sterkte van een heilige. Hij is niet alleen sterkte, en de sterkte van hun hart, maar de rots van hun sterkte; zo staat het in Jes. 17:10. In Ps. 62:8 staat tsoer, hetzelfde woord als in onze tekst; daar komt ons Engelse woord “sure” (zeker) vandaan.

Uitleg. God is de rots van onze sterkte, in ons natuurlijke leven én in ons geestelijke leven. Hij is de sterkte van de natuur en van de genade (Ps. 27:1), de sterkte van mijn leven, lichamelijk en geestelijk. God is de sterkte van je natuurlijke vermogens: van je redelijk denken en verstand, van je wijsheid en voorzichtigheid, van je wil en je gevoelens. Hij is de sterkte van al je genadegaven: geloof, geduld, zachtmoedigheid, matigheid, hoop en liefde, zowel dat ze er zijn als dat je ze gebruikt. Hij is de sterkte van al je troost en moed, je vrede en geluk, je zaligheid en heerlijkheid. Ps. 140:8: “HEERE, Heere, Sterkte mijns heils!” Dat geldt in drie opzichten.

Ten eerste. Hij is de maker en de gever van alle sterkte. Ps. 18:33: “Het is God, Die mij met kracht omgordt.” Ps. 29:11: “De HEERE zal Zijn volk sterkte geven.” Zie ook Ps. 138:3 en 68:36.

Ten tweede. Hij is Degene Die de kracht van een heilige groter maakt en voltooit. God maakt een heilige sterk en machtig, zowel om te doen als om te lijden, om te dragen als om na te laten, om te geloven en te hopen tot het einde. Zo staat het in Hebr. 11:34: “Uit zwakheid krachten hebben gekregen”, en zo in 1 Joh. 2:14. Daarom is Petrus’ gebed in 1 Petr. 5:10 ook zo gepast.

Ten derde. Hij is de bewaarder van je kracht. Je leven ligt in God weggelegd, Kol. 3:3. Je kracht wordt bewaard door Gods kracht; zo ook Ps. 91:1. God overschaduwt de kracht van de heiligen, zodat er geen bres in geslagen kan worden. Ps. 63:8: “In de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen.” — Samuel Blackerby, 1673.

Vers 26

Wat een merkwaardige redenering! Genade heeft geleerd om sterke conclusies te trekken uit zwakke uitgangspunten, en blije conclusies uit droevige. Stel dat het eerste uitgangspunt is: “Bezwijkt mijn vlees en mijn hart”, en het tweede: “Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan den wijnstok zijn zal”, enz. Toch staat zijn slotsom vast en is ze onweerlegbaar: de Heere is de rotssteen van mijn hart en mijn Deel in eeuwigheid. Of: “Zo zal ik nochtans in den HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils.” En als er in de slotsom meer zit dan in de uitgangspunten, is dat alleen maar beter. God Zelf komt in de slotsom voor! — John Sheffield, in “The Rising Sun”, 1654.

Vers 26

Bezwijkt mijn vlees en mijn hart. Sommigen vatten deze woorden negatief op. Volgens hen belijdt de psalmist hier zijn vroegere zonde, en wijst hij terug op de strijd tussen vlees en geest waarover de psalm begon. Alsof hij zegt: ik was zo vol van mezelf dat ik durfde te beweren dat Gods handelen voor de rechtbank van de menselijke rede moest komen. Ik hield de stok in het water voor krom, omdat mijn oog me dat liet zien, terwijl hij in werkelijkheid recht was. Maar nu zie ik dat het vlees geen geschikte rechter is in zaken van het geloof.

Mijn vlees en mijn hart kunnen niet juist oordelen over wat God beschikt, en ze kunnen ook niet rechtop blijven staan onder de verzoekingen van de satan. Want als God mij niet had ondersteund, had mijn vlees me volledig ten val gebracht. “Bezwijkt mijn vlees en mijn hart”, maar God is de sterkte van mijn hart.

“Vlees” wordt soms gebruikt voor onze verdorven natuur, Gal. 5:13. Ten eerste omdat die verdorvenheid door het vlees wordt doorgegeven (Joh. 3:6). Ten tweede omdat ze door het vlees wordt uitgevoerd (Rom. 7:25). Ten derde omdat de verdorvenheid door het vlees wordt gevoed, sterker wordt en toeneemt, 1 Joh. 2:16. Anderen vatten de woorden positief op. Zij laten ze niet helemaal terugwijzen naar het begin van de psalm, maar alleen naar het vers ervoor. — George Swinnock.

Vers 26

Zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid (Engels: God is de sterkte van mijn hart, en mijn deel in eeuwigheid). In het Hebreeuws staat: maar God is de rots van mijn hart. Dat betekent: een zekere, sterke en onwrikbare grondslag om op te bouwen. De winden mogen waaien en de golven mogen beuken, en de storm van de dood mag losbarsten, toch hoef ik niet te vrezen dat het huis van mijn hart instort. Het is gebouwd op een vast fundament: God is de rots van mijn hart.

Het sterkste kind van God kan niet op zichzelf staan. Zoals de hop of de klimop moet het iets hebben om zich aan op te trekken, anders ligt het zo op de grond. Op geen enkel moment heeft een christen zoveel hulp nodig als in zijn laatste uur. Dan moet hij afscheid nemen van al zijn troost op aarde, en dan krijgt hij zeker de zwaarste gevechten uit de hel te verduren. Het is daarom onmogelijk dat hij standhoudt zonder uitzonderlijke hulp uit de hemel.

Maar de psalmist had een beproefde wapenrusting klaarliggen om zijn laatste vijand tegemoet te treden. Hoe zwak en angstig een kind hij ook was, hij durfde een wandeling te wagen door de donkere gang van de dood, met zijn Vader aan de hand: “Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij”, Psalm 23. Misschien dreigt mijn hart het te begeven bij de moeiten van mijn leven en bij mijn beproeving in de dood. Toch heb ik een krachtig hartversterkend middel dat mij opvrolijkt in mijn droevigste toestand: God is de sterkte van mijn hart.

En mijn Deel. Dit beeld komt uit een oud gebruik bij de Joden: bij het verdelen van een erfenis kreeg ieder een eigen, toegewezen deel. Het is alsof de dichter zegt: God is niet alleen mijn rots, die mij beschermt tegen de stormen die mij bestoken, zodat ik vrij blijf van het kwaad. Hij is ook mijn deel! Hij voorziet in wat ik nodig heb en schenkt mij het genot van alles wat goed is. Anderen hebben hun erfdeel wel, maar aan deze kant van het beloofde land. Maar bij mij is de Maker van alle erfdelen zelf mijn deel.

Mijn deel bestaat niet uit afval en rommel, zoals het deel van mensen die alleen in dit leven hun deel hebben, hoe groot dat ook is. Mijn deel bevat Hem Die de hemelen en de hemel der hemelen nooit kunnen bevatten. God is de sterkte van mijn hart en mijn deel in eeuwigheid. Niet voor een jaar, niet voor een eeuw, niet voor een miljoen eeuwen, maar voor altijd!

Het deel van anderen is als een roos: hoe voller ze bloeit, hoe sneller ze verwelkt. Vaak worden die mensen door hun eigen trots geveld en verspillen ze alles door hun overdaad, zodat ze uiteindelijk gebrek lijden. En de dood scheurt hen en hun bezit altijd van elkaar. Maar mijn deel blijft altijd vol en wordt nooit minder. Deze God blijft onveranderlijk mijn God, voor eeuwig en altijd, mijn gids en mijn hulp tot aan de dood. Ja, de dood ontbindt zoveel banden en maakt zulke vaste knopen los, maar mij en mijn deel scheidt hij nooit. Hij geeft mij juist het volmaakte en eeuwige bezit ervan. — George Swinnock.

Vers 28

Het is mij goed nabij God te wezen. Als de dichter zegt dat het goed is, bedoelt hij dat het het beste is. Het woord ‘goed’ krijgt hier de kracht van een overtreffende trap. Het is meer dan goed om steeds tot God te naderen: het is het beste wat we kunnen doen. En het niet doen is levensgevaarlijk. Want zegt de dichter niet in Psalm 73:27: “Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert”?

Het is gevaarlijk om ver van God te zijn, maar nog gevaarlijker om steeds verder van Hem weg te gaan. Van nature staat ieder mens ver van God af, en goddeloze mensen gaan nog verder weg. De eersten zullen vergaan, de laatsten zullen uitgeroeid worden. Wie het beste vaart terwijl hij zich van God terugtrekt, vaart nog slecht genoeg. Daarom is het het beste om tot God te naderen. Hij is altijd de beste vriend, en soms de enige.

En mogen we niet zeggen dat God moeilijke tijden toelaat en stuurt, en dat Hij schepselen laat wegvallen, juist met dit doel: dat we dichter tot Hem komen? Geeft Hij de wereld niet over aan een geest van schelden en spotten, zodat Hij in Zijn volk een geest van gebed kan opwekken? — Joseph Caryl.

Vers 28

Het is goed. Dat betekent ten eerste: het werkt een gezegende eigenschap en gesteldheid in ons. Het maakt een mens gelijk aan God Zelf. Ten tweede betekent het: het is troostrijk, want het is het geluk van een schepsel om dicht bij zijn Schepper te zijn. Het is nuttig en helpend.

Nabij God te wezen (Engels: te naderen). Hoe kan een mens eigenlijk anders dan nabij God zijn, nu Hij hemel en aarde vervult? “Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?” (Psalm 139:7). Met Zijn macht en Zijn zorg is Hij overal altijd aanwezig. Maar bij sommigen is Hij op een bijzondere, genadige manier aanwezig door Zijn Geest: Hij steunt, troost en versterkt het hart van een godvrezend mens. Zoals van de ziel gezegd wordt dat zij geheel in het geheel is (tota in toto) en toch in de verschillende delen door verschillende vermogens werkt, zo is God bij allen aanwezig, maar op verschillende manieren.

We worden nabij God genoemd in verschillende gradaties. Ten eerste: als ons verstand verlicht wordt. Het verstand is de bruid van de waarheid (intellectus est veritatis sponsa). Zo werd van de jongeman die verstandig sprak over de dingen van God gezegd dat hij niet ver was van het Koninkrijk Gods (Markus 12:34). Ten tweede: in ons denken. Dan is God aanwezig in onze gedachten, zodat de ziel dicht bij datgene is waaraan zij denkt. Van de goddelozen wordt daarentegen gezegd: “al zijn gedachten zijn, dat er geen God is” (Psalm 10:4). Ten derde: als de wil, nadat het verstand iets ontdekt heeft, het betere deel kiest en door die keuze wordt getrokken om Hem aan te hangen. Zo werd van Jonathan gezegd: “dat de ziel van Jonathan verbonden werd aan de ziel van David” (1 Samuël 18:1).

Ten vierde: als al onze genegenheden naar God uitgaan en we Hem liefhebben als het hoogste goed. Liefde is de eerstgeboren genegenheid. Zij wekt het verlangen naar gemeenschap met God, en daaruit ontstaat blijdschap in Hem, zodat de ziel naar God smacht, “gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen” (Psalm 42:2). Ten vijfde, en dat is het allerbelangrijkste: als de Geest van God de ziel aanraakt en geloof werkt, en afhankelijkheid, vertrouwen en overgave aan God wekt. Hieruit groeit zoete gemeenschap. De ziel komt nooit tot rust voordat zij op Hem rust. Dan is ze bang om met Hem te breken of Hem te mishagen. Ze wordt vol ijver en vastberadenheid, gloeiend in liefde, standvastig in het goede en vastbesloten tegen Zijn vijanden.

Toch is dit nog niet alles. God wil ook de buitenkant van de mens hebben: de hele mens moet zich voor God stellen, in woord en in sacramenten. We spreken over Hem en tot Hem met eerbied, en toch met een vurige liefde die in gebed opstijgt als in een brandende wagen. We horen Hem tot ons spreken, raadplegen Zijn woorden, halen er troost uit voor onze nood en richting tegen onze kwalen. Ten zesde, en dat is ook heel belangrijk: we naderen tot Hem als we Hem loven. Dat is immers het werk van de zielen die ons zijn voorgegaan en van de engelen in de hemel, die voortdurend dicht bij Hem zijn.

De dichter zegt hier: Het is mij goed. Hoe wist hij dat? Heel eenvoudig: hij had het zelf ervaren, en daardoor was hij er diep van overtuigd. — Richard Sibbes.

Vers 28

Nabij God te wezen (Engels: te naderen tot God). Dit is geen losse handeling. Het is niet maar één keer je tot God wenden en zeggen: “Nu ben ik bij Hem gekomen.” Het woord betekent: dichtbij komen. Dat is geen eenmalige daad. Het is een voortdurend trekken en komen, de gewone levenswandel die doorgaat en doorgaat zolang we op aarde zijn. Daarom moeten we ons dit gewone, dagelijkse geloofsleven goed voorhouden en inprenten. — Montagu Villiers, 1855.

Vers 28

Nabij God te wezen (Engels: te naderen tot God). Wie tot God wil naderen, moet ten eerste vrede met God maken, in en door de Middelaar Jezus Christus. Zolang dat niet gebeurd is, staat een mens ver van God af en staat er een scheidingsmuur tussen God en hem. Het is hetzelfde als de raad die Elifaz aan Job gaf: “Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen” (Job 22:21). Word vrienden met God, en het zal je in alles goed gaan.

  1. Het betekent: meer gemeenschap en omgang met God zoeken, streven naar innigheid en vertrouwelijkheid met Hem, en Zijn gezegende gezelschap meer om ons heen hebben op onze gewone levensweg. Dat past bij het woord: “Welgelukzalig is het volk, hetwelk het geklank kent; o HEERE! zij zullen in het licht Uws aanschijns wandelen” (Psalm 89:16).
  2. Zoals het hier in de tekst staat, zijn het de woorden van iemand die al vrede met God gemaakt heeft en met Hem op goede voet staat. Het betekent dus iets anders dan wat de woorden op zichzelf zouden zeggen. We kunnen het zo opvatten. (a) Het houdt in dat we ons aandeel in God vastmaken en zeker weten. Het veronderstelt dus dat de vrede van de mens met God al gesloten is. Want wie de schrijver van deze psalm ook is, hij gaat ervan uit dat hij zijn vrede gemaakt heeft. Daarom voegt hij in de volgende woorden toe: Ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, enzovoort.

Dat wil zeggen: ik heb mijn ziel aan God toevertrouwd en door een middelaar vrede met Hem gemaakt. Wat er ook komt: het is altijd goed om zo dicht bij God te zijn en in Hem veilig te zijn.

(b) Het houdt in dat we steeds meer gelijk worden aan het beeld van God. Daarom wordt dit nabij Hem zijn hier tegenover ver van God zijn gezet. Het is goed, zegt hij, om in onze plicht tot God te naderen, terwijl zoveel anderen ver van Hem af zijn.

(c) Het houdt in dat we alles in de wereld opzijleggen, gemeenschap en omgang met God zoeken, meer apart gezet worden voor Zijn gezegende gezelschap, en met Hem leven in afhankelijkheid van Hem. Hij is de grote Lastdrager, Hij Die alles in allen voor ons moet zijn. In één woord: tot God naderen is vrede met Hem maken, die vrede zeker en vast maken, streven naar gelijkvormigheid aan Hem, en in onze levenswandel en omgang dicht bij Hem blijven. In onze gemeenschap met Hem, in heel onze houding en ons gedrag willen we altijd bij Hem in de buurt zijn. — William Guthrie.

Vers 28

Augustinus zegt: de epicurist zegt gewoonlijk: Het is mij goed om van de geneugten van het vlees te genieten. De stoïcijn zegt: Het is mij goed om van de geneugten van de geest te genieten. De apostel zei, niet in deze woorden maar wel naar de zin: Het is mij goed om God aan te hangen. — Lorinus.

Vers 28

De Heere HEERE. De namen ‘de Heere Jehova’ vormen samen een uitdrukking van Gods soevereiniteit, Zijn zelfbestaan en Zijn verbondsrelatie met Zijn volk. — Joseph Addison Alexander.

Wenken voor de dorpsprediker

Gehele psalm

Hij bevat de beproeving van de godvrezende man in het eerste deel, en zijn overwinning in het laatste deel. We zien hier:

  1. De pijnlijke strijd tussen vlees en geest, tot en met vers 15.
  2. De heerlijke zege van de geest over het vlees, tot het einde. — G. Swinnock.

Gehele psalm

  1. De oorzaak van zijn onrust.
  2. De genezing daarvan.
  3. Hoe de dichter zich daarna gedroeg.

— G. Swinnock.

Vers 1

Het ware Israël, de grote zegen en de zekerheid daarvan. Of: de stelling van de tekst uitgelegd, nadrukkelijk voorgehouden en toegepast.

Vers 1 (eerste zinsdeel)

Wat Israël van God ontvangt is: 1. in hoeveelheid het grootste; 2. in verscheidenheid het uitgelezenste; 3. in kwaliteit het zoetste; 4. in zekerheid het zekerste; 5. in duur het langstdurende.

— Simeon Ash.

Vers 2

  1. Hoe diep een gelovige kan vallen.
  2. Hoe diep hij nooit zal vallen.
  3. Welke angsten wel en welke niet geoorloofd zijn.

Vers 2

Een terugblik op onze misstappen; een vooruitblik op het gevaar dat komt; en de voorbereiding die we nu daarop treffen.

Vers 4

Een rustige dood. Het verschil tussen de godvrezende en de goddeloze mens, gezien aan de oorzaken van hun rust, en hoe onbetrouwbaar louter gevoelens zijn.

Vers 5

Het deel van een onechte zoon tegenover dat van de ware zoon.

Vers 7

De gevaren van overvloed en weelde.

Vers 8

Het verband tussen een verdorven hart en een trotse tong.

Vers 10

  1. De beker van de gelovige is bitter.
  2. Hij is vol.
  3. Hij bevat water van velerlei soort.
  4. Het is maar een beker, afgemeten en begrensd.
  5. Het is de beker van Zijn volk en werkt daarom in de hoogste mate ten goede.

Vers 11

De openlijke vraag van de atheïst. De praktische vraag van de verdrukker. De heimelijke vraag van de onbezorgde mens. En de vraag van de angstige gelovige, die hem bijna doet bezwijmen. De redenen waarom deze vraag steeds weer gesteld wordt, en de doorslaggevende redenen die de zaak boven alle twijfel verheffen.

Vers 12

Dit vers roept ernstige vragen op voor mensen die rijk worden.

Vers 14

De vele en zelfs voortdurende tuchtiging van de rechtvaardige. Waarom die nodig is en wat ermee bedoeld wordt, en welke vertroostingen eraan verbonden zijn.

Vers 15

Hoe we de heiligen kunnen schaden, waarom we dat moeten vermijden en hoe we dat doen.

Vers 17

  1. De toegang tot de plaats van gemeenschap met God, de voorrechten daarvan en de weg ernaartoe.
  2. Lessen die we leren in die heilige plaats. De tekst noemt er één.
  3. Hoe gemeenschap en onderricht doorwerken in ons leven.

Vers 17–18

Het einde van de zondaar. Zie ‘Spurgeon’s Sermons’, nr. 486.

Vers 18

“Immers zet Gij hen op gladde plaatsen.”

  1. Het houdt in dat zij voortdurend blootstaan aan plotselinge, onverwachte ondergang. Wie op gladde grond loopt, kan elk moment vallen. Hij kan geen enkel ogenblik voorzien of hij het volgende ogenblik blijft staan of valt. En als hij valt, valt hij meteen, zonder waarschuwing.
  2. Zij kunnen uit zichzelf vallen, zonder dat iemand hen neerwerpt. Wie op glad terrein staat of loopt, heeft niets anders nodig dan zijn eigen gewicht om te vallen.
  3. Niets houdt goddeloze mensen ook maar één ogenblik buiten de hel, behalve het pure welbehagen van God. — Jonathan Edwards.

Vers 18–20

Het einde van de goddelozen is: 1. Dichtbij: “Gij zet hen,” enzovoort. Het kan elk moment gebeuren.

  1. Een rechterlijke uitspraak: “Gij doet hen vallen,” enzovoort.
  2. Plotseling: “Hoe worden zij,” enzovoort.
  3. Kwellend: “Worden te niet van verschrikkingen,” enzovoort.
  4. Eeuwig: aan zichzelf overgelaten, uit Gods gedachten verdwenen en niet meer opgemerkt, als een droom na het ontwaken. Er komt geen latere daad meer voor hen, noch tot verlossing, noch tot vernietiging.

Vers 19

Het eerste zicht op de hel, en het eerste besef ervan, bij een trotse en rijke zondaar die zojuist in vrede gestorven is.

Vers 20

Een verachtelijk gezicht: een eigengerechtige, of opschepperige, of vervolgende, of muggenziftende, of rijke zondaar op het moment dat zijn ziel voor God wordt geroepen.

Vers 22

Onze dwaasheid, onwetendheid en onverstand. Wanneer die zichtbaar worden. Welk gevolg dat voor ons moet hebben, en hoe sterk het Gods genade in het licht zet.

Vers 22–25

  1. Wat de dichter belijdt over het vlees.
  2. De trouwe uitingen van de geest.
  3. De slotsom van het geheel. Zie ‘Spurgeon’s Sermons’, nr. 467.

Vers 25

God is het beste deel van de christen. Jonathan Edwards, ‘Works’, deel 2, blz. 104–107.

Vers 25

Hemel en aarde zijn doorzocht om een vreugde te vinden die gelijk is aan de Heere Zelf. De prediker kan verschillende vreugden nemen en laten zien dat ze er niet bij in de buurt komen.

Vers 26

  1. De klacht van de dichter: Bezwijkt mijn vlees en mijn hart. 2. Zijn troost: Zo is God, enzovoort. Of we kunnen letten op (a) de broosheid van zijn vlees en (b) de bloei van zijn geloof. Leerstelling 1. Het vlees van de mens laat hem in de steek. Het hart van de grootste, de heiligste mens houdt niet altijd stand. De profeet was groot en vol genade, en toch liet zijn vlees hem in de steek.

Leerstelling 2. Het is de troost van een christen, ook in zijn droevigste toestand, dat God zijn deel is. — G. Swinnock.

Vers 26

‘Het verwelken van het vlees’, in Swinnocks verhandeling. (Nichol’s Puritan Series.)

Vers 26

Waar we tekortschieten en waar we nooit kunnen tekortschieten.

Vers 27

  1. De droevige toestanden.
  2. De vreselijke straffen.
  3. De troost die erin besloten ligt.

Vers 28

Tot God naderen is onze wijsheid, onze eer, onze veiligheid, onze vrede en onze rijkdom. Preek van Thomas Watson, ‘The Happiness of Drawing near to God’, 1669. Zie ook ‘The Saint’s Happiness’ in de preken van R. Sibbes.

Vers 28

Davids slotsom, of: het besluit van de heilige. — R. Sibbes.

Vers 28

  1. De taal van het gebed: Het is goed, enzovoort.
  2. De taal van het geloof: Ik zet, enzovoort.
  3. De taal van de lofprijs: Om te vertellen. — G. R.

Vers 28

Zie ‘Spurgeon’s Sermons’, nr. 287–288, ‘Let us pray’, en nr. 879, ‘An assuredly good thing’.

Werken over de drieënzeventigste psalm

‘Certain Comfortable Expositions of the Constant Martyr of Christ John Hooper, Bishop of Gloucester and Worcester, 1555, written in the time of his Tribulation and Imprisonment, upon the Twenty-third, Sixty-second, Seventy-third, and Seventy-seventh Psalm of the prophet David.’ (Te vinden in de uitgaven van de Parker Society, en ook in de reeks ‘British Reformers’ van de Religious Tract Society.)

‘David Restored; or, An Antidote against the Prosperity of the Wicked and the Afflictions of the Just, shewing the different ends of both. In a most seasonable discourse upon the Seventy-third Psalm. By the Right Reverend Father in God Edward Parry. Late Lord Bishop of Killaloe. 1660.’

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas