Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 72 — Treasury of David

Titel
Een psalm voor Salomo. De beste taalkenners zeggen dat we dit moeten vertalen met: van of door Salomo. Voor de vertaling “voor” is niet genoeg grond. Het opschrift wijst vrijwel zeker Salomo aan als de dichter van deze psalm. Toch lijkt uit Psalm 72:20 dat David hem biddend uitsprak vlak voor zijn dood. Met enige schroom opperen we dat de geest en de inhoud van de psalm van David zijn, maar dat hij te dicht bij zijn einde was om de woorden op te schrijven of in dichtvorm te gieten. Salomo ving daarom het stervenslied van zijn vader op, kleedde het in mooie verzen en maakte de psalm tot de zijne, zonder zijn vader iets te ontnemen. Zo is het, denken we vooral, het Gebed van David, maar de Psalm van Salomo.
Jezus staat hier, zonder enige twijfel, voor ons in de glorie van Zijn regering: zoals Hij nu is, en zoals Hij zal worden geopenbaard in de heerlijkheid van de laatste dagen.
Indeling
We volgen de indeling die Alexander voorstelt. “Een gloeiende beschrijving van de regering van de Messias als rechtvaardig, Ps. 72:1–7; alomvattend, Ps. 72:8–11; weldadig, Ps. 72:12–14; en blijvend, Ps. 72:15–17. Daaraan zijn een lofprijzing toegevoegd, Ps. 72:18–19, en een naschrift, Ps. 72:20.”
Uitleg
Vers 1
“O God! geef den koning Uw rechten.” Het recht om te regeren ging door afstamming van David over op Salomo. Maar dat was niet het enige: Israël was een theocratie, en de koningen waren slechts onderkoningen van de grotere Koning. Daarom bidt David dat de nieuwe koning door goddelijk recht op de troon wordt gezet en daarna met goddelijke wijsheid wordt toegerust. Onze heerlijke Koning op Sion heeft al het oordeel in handen gekregen. Hij regeert in de naam van God over alle landen. Hij is koning “Dei Gratia”, bij de gratie Gods, net zo goed als door het recht van erfopvolging.
“En Uw gerechtigheid den zoon des konings.” Salomo was zowel koning als koningszoon. Zo is het ook met onze Heere. Hij heeft macht en gezag in Zichzelf, en daarbij de koninklijke waardigheid die Zijn Vader Hem gaf. Hij is de rechtvaardige Koning; in één woord: Hij is “de HEERE: ONZE GERECHTIGHEID.” We wachten tot Hij onder de mensen zal verschijnen als de altijd rechtvaardige Rechter. Moge de Heere op Zijn tijd de lang verwachte dag dichterbij brengen. Nu is er nog oorlog en strijd, zelfs in Israël zelf. Maar binnenkort verandert die tijd. Dan wordt David, het voorbeeld van Jezus, Die onze vijanden bestrijdt, opgevolgd door Salomo, de vredevorst.
Vers 2
“Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid.” Met goddelijk gezag bekleed zet Hij dat gezag in voor het volk dat Zijn gunst geniet. Voor dat volk zal Hij Zich sterk tonen, zodat het niet verkeerd wordt beoordeeld, belasterd of op wat voor manier ook kwaadaardig wordt behandeld. Zijn vonnis brengt hun aanklagers tot zwijgen en geeft de heiligen hun ware plaats: die van mensen die de Heere welgevallig zijn. Wat een troost om te voelen dat in Christus’ koninkrijk niemand onrecht kan lijden! Hij zit op de grote witte troon, zonder één onrechtvaardige daad, en zonder zelfs maar een vergissing in Zijn oordeel. Een goede naam is bij Hem volkomen veilig.
“En Uw ellendigen met recht.” In elke beslissing van Sions Koning zien we ware wijsheid. We begrijpen Zijn handelwijze niet altijd, maar ze is altijd rechtvaardig. Rijke en machtige mensen zijn maar al te vaak voorgetrokken. De Koning van het laatste en beste van alle koninkrijken spreekt echter onpartijdig recht, tot vreugde van de armen en verachten.
Let op: hier worden de armen genoemd naast de koning. Dat God soeverein regeert, is een heerlijk onderwerp voor wie arm is van geest, voor wie niets te bieden heeft. Zij zien graag dat de Heere verheven is, en ze maken geen ruzie met Hem over hoe Hij de rechten van Zijn kroon gebruikt. Het is de ingebeelde rijkdom, die echte armoede probeert te verbergen, die mensen kritiek laat leveren op de regerende Heere. Wie diep beseft wat hij geestelijk tekortkomt, heeft een hart dat klaar is om de Verlosser-Koning trouw te aanbidden. En de Koning heeft bijzonder veel behagen in de gebroken harten van Zijn verslagenen. Al Zijn macht en wijsheid zet Hij voor hen in, zoals Jozef in Egypte regeerde ten bate van zijn broers.
Vers 3
“De bergen zullen den volke vrede dragen.” Vroeger stormden vanaf die bergen de roversbenden naar beneden die het land teisterden. Nu bewaken de forten die daar zijn gebouwd het land, en de wachters roepen wijd en zijd dat er geen vijand te zien is. Waar Jezus is, is vrede: blijvend, diep, eeuwig. Zelfs wat ons ooit angst aanjoeg, verliest zijn schrik als Jezus als heerser van het hart wordt erkend. De dood zelf, die donkere berg, is niet meer zo somber. Als de Heere bij ons is, geven beproevingen en verdrukkingen ons niet minder, maar juist méér vrede.
“Ook de heuvelen, met gerechtigheid.” Omdat de koning rechtvaardig regeerde, leek elk heuveltje met vrede bekleed. Onrecht heeft van Palestina een woestijn gemaakt. Als de Turk en de Bedoeïen weg waren, zou het land weer lachen. Want zelfs in de meest letterlijke zin is gerechtigheid de mest van het land: mensen ploegen en oogsten ijverig als ze mogen hopen de vrucht van hun werk te eten. Geestelijk gezien schenkt de gerechtigheid van Christus vrede aan het hart. Alle krachten en hartstochten van de ziel worden met heilige rust vervuld, zodra de weg van de redding door een goddelijke gerechtigheid wordt onthuld. Dan gaan we uit met blijdschap en worden we met vrede voortgeleid. De bergen en heuvels barsten voor ons los in juichend gezang.
Vers 4
“Hij zal de ellendigen des volks richten.” Hij zal hun recht doen, ja, en, geprezen zij Zijn naam, meer dan recht: Hij vindt het heerlijk om hun goed te doen. “Hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen.” Arme, hulpeloze mensen! Ze waren lastdieren voor anderen en zelf bedelaars, maar hun Koning wordt hun beschermer. Gelukkig zijn Gods armen en nooddruftigen. Ze zijn veilig onder de vleugel van de Vredevorst, want Hij redt hen van al hun vijanden.
“En den verdrukker verbrijzelen.” Hij is sterk genoeg om de vijanden van Zijn volk neer te slaan. Verdrukkers hebben veel stukgemaakt, maar hun tijd van vergelding komt, en dan worden zijzelf gebroken. Zonde, Satan en al onze vijanden moeten verpletterd worden door de ijzeren scepter van Koning Jezus. We hoeven dus niet bang te zijn; we hebben juist alle reden om te zingen —
“Looft Jezus’ naam, Zijn grote macht!
Laat eng’len nedervallen;
brengt aan de koninklijke kroon
en kroont Hem Heere van allen.”
Het is veel beter om arm te zijn dan een verdrukker! Zowel de nooddruftigen als hun kinderen vinden een pleitbezorger in de hemelse Salomo. Al Zijn slagen richt Hij op de hooghartigen, en Hij rust niet voordat zij helemaal zijn weggevaagd.
Vers 5
“Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn.” En terecht! Zo’n rechtvaardigheid wint de blije eerbied van de armen en de godvrezenden, en jaagt onrechtvaardige verdrukkers de schrik op het lijf. Zo worden in alle landen zowel goede als slechte mensen met ontzag vervuld. Waar Jezus met kracht regeert, moeten mensen op de een of andere manier hulde brengen. Bovendien is Zijn koninkrijk geen kaartenhuis en ook geen dynastie van een paar dagen. Het is zo hecht als de lichten aan de hemel. Dag en nacht zullen ophouden voordat Hij Zijn troon afstaat.
Zon en maan laten tot nu toe geen enkele afname van hun glans zien, en ook in het koninkrijk van Jezus is geen teken van aftakeling te vinden. Integendeel: het staat nog in zijn jeugd en is duidelijk de komende macht, de rijzende zon. Gave God toch dat alle burgers van dat rijk nieuwe kracht kregen om de veroveringen van Immanuël meteen voort te zetten tot de uiterste einden van de aarde!
“Van geslacht tot geslacht.” Door alle generaties heen blijft de troon van de Verlosser staan. De mensheid put het geloof in de mensgeworden God niet uit. Geen enkel ongeloof laat het verdorren, geen bijgeloof kan het smoren. Het herrijst onsterfelijk uit wat al een graf leek. Als de ware feniks komt het uit zijn as weer tot leven! Zolang er mensen op aarde zijn, heeft Christus een troon onder hen. “In plaats der vaderen zullen de kinderen zijn.” Elke generatie krijgt midden onder zich een wedergeboorte, laat paus en duivel maar doen wat ze willen.
Zelfs op dit moment hebben we de tekenen van Zijn eeuwige macht voor ogen. Sinds Hij achttienhonderd jaar geleden op Zijn troon is gaan zitten, is Zijn heerschappij niet omvergeworpen, terwijl de machtigste rijken zijn verdwenen als visioenen van de nacht. Aan de oever van de tijd zien we de wrakken van de Caesars, de resten van de Mogols en de laatste overblijfselen van de Ottomanen. Karel de Grote, Maximiliaan, Napoleon: wat vliegen ze als schaduwen aan ons voorbij! Ze waren, en ze zijn niet meer. Maar Jezus is er voor eeuwig. De huizen van Hohenzollern, Welf en Habsburg hebben hun uur, maar de Zoon van David heeft alle uren en eeuwen in bezit.
Vers 6
“Hij zal nederdalen als een regen op het nagras.” Een zegen is Zijn zachte bewind! Die grote veroveraars, de gesels van de mensheid, zijn neergekomen als de vurige hagel op Sodom en hebben vruchtbaar land in woestijn veranderd. Maar Hij verkwikt met milde, goedgunstige invloed de vermoeiden en gewonden onder de mensen. Zacht en teder laat Hij hen opspringen tot nieuw leven. Weilanden die met de zeis zijn gemaaid of door het vee kaalgevreten, lijken wel één bloedende massa grashalmen. Maar als de regen valt, is die balsem voor al die wonden: hij herstelt het groen en de schoonheid van het veld. Zo is het ook met de bezoeken en zegeningen van “de vertroosting Israels.”
Mijn ziel, wat is het goed voor je om vernederd te worden, ja, zelfs te zijn als de weiden die kaalgegeten en platgetrapt zijn door het vee! Want dan zal de Heere naar je omzien. Hij zal je ellende gedenken en je met Zijn eigen dierbaarste liefde herstellen tot meer dan je vroegere heerlijkheid. Wees welkom, Jezus, U ware Bien-aimé, de Welbeminde! U bent veel meer dan Titus ooit was: de Verrukking van de Mensheid.
“Als de druppelen, die de aarde bevochtigen.” Elke kristallen regendruppel spreekt van hemelse barmhartigheid, die de uitgedroogde vlakten niet vergeet. Jezus is louter genade; alles wat Hij doet is liefde, en Zijn aanwezigheid onder de mensen is vreugde. We moeten Hem meer verkondigen, want geen enkele regenbui kan de volken zo verkwikken. Een wijsgerige preek bespot de mensen als met een stofregen, maar het evangelie komt tegemoet aan de nood van de gevallen mensheid, en onder zijn milde kracht bloeit het geluk. Kom neer, o Heere, op mijn ziel, en mijn hart zal bloeien tot Uw lof: —
“Hij daalt neer, zo stil en zacht
als druppels over een gezegend veld;
in Zijn dagen bloeit wie het recht liefheeft,
en zoete vrede draagt haar oogst.”
Vers 7
“In zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien.” Onder de dodelijke upasboom van een onrechtvaardig bewind kunnen eerlijke beginselen zich niet ontwikkelen, en kunnen goede mensen amper leven. Maar waar waarheid en oprechtheid op de troon zitten, gedijen de besten het meest. Een rechtvaardige koning beschermt rechtvaardige onderdanen en brengt ze voort. Onder Nero bloeit alleen wie net zo’n monster is als hij: soort zoekt soort. Het slechte trekt het slechte aan. Onder de zachtmoedige Jezus vinden de godvrezenden een gelukkige schuilplaats.
“En de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij.” Waar Jezus regeert, is Hij bekend als de ware Melchizedek, koning van gerechtigheid én van vrede. Vrede die op recht rust, blijft zeker bestaan, maar geen andere vrede doet dat. Menig zogenaamd Heilig Verbond is ingestort voordat veel manen hun hoorns hadden gevuld, want list sloot het verbond, meineed bekrachtigde het en onderdrukking was het doel. Maar als Jezus de grote Godsvrede afkondigt, stelt Hij blijvende vrede in, en leren de mensen geen oorlog meer. De vrede die Jezus brengt, is niet oppervlakkig of van korte duur. Ze is overvloedig, in diepte én in duur. Laat alle harten en stemmen de Koning van de volken welkom heten: Jezus de Goede, de Grote, de Rechtvaardige, de Altijd Gezegende!
Vers 8
“En hij zal heersen van de zee tot aan de zee.” Wijd zal het rijk van de Messias zich uitstrekken. Alleen Land’s End zal de grens van Zijn gebied zijn: tot Ultima Thule reikt Zijn scepter. Van de Stille tot de Atlantische Oceaan, en van de Atlantische tot de Stille Oceaan is Hij Heere, en ook de oceanen rond beide polen vallen onder Zijn gezag. Alle andere macht is aan de Zijne ondergeschikt; Hij kent geen rivaal en geen tegenstander naast Zich. Men spreekt van de keizer van alle Russen, maar Jezus zal Heerser van alle mensen zijn.
“En van de rivier tot aan de einden der aarde.” Begin waar je wilt, bij welke rivier je maar kiest: het koninkrijk van de Messias reikt tot de uiterste grenzen van de ronde aardbol. Het rijk van Salomo omvatte het hele beloofde land en liet geen onveroverde rand over. Zo zal ook de Zoon van David alle landen regeren die Hem in het betere verbond zijn gegeven, en geen volk laten kwijnen onder de tirannie van de vorst der duisternis.
Zo’n tekst moedigt ons aan om uit te zien naar de wereldwijde heerschappij van de Heiland. Of die vóór of ná Zijn persoonlijke komst aanbreekt, laten we aan anderen om te bespreken. In deze psalm zien we in elk geval een persoonlijke Vorst. Hij is de middelste figuur, het brandpunt van alle heerlijkheid. We zien niet Zijn dienaar, maar Hemzelf de heerschappij bezitten en het bestuur voeren. Persoonlijke voornaamwoorden voor onze grote Koning komen voortdurend in deze psalm voor: Hij heeft heerschappij, koningen vallen voor Hem neer en dienen Hem. Want Hij verlost, Hij spaart, Hij redt, Hij leeft, en dagelijks wordt Hij geprezen.
Vers 9
“De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen.” Wapens hebben hen niet overwonnen, maar liefde onderwerpt hen. Wild en wetteloos waren ze, maar nu dragen ze blij Zijn zachte juk. Dan worden hun woestijnen vrolijk, ja, dan juichen ze en bloeien ze als een roos.
“En zijn vijanden zullen het stof lekken.” Willen zij Zijn vrienden niet zijn, dan worden ze volledig gebroken en vernederd. “Stof zal de spijze der slang zijn”: het zaad van de slang wordt ermee verzadigd. In het Oosten wordt hulde vaak op de meest vernederende manier gebracht, en geen teken is te vernederend om de totale nederlaag en onderwerping van de vijanden van de Messias uit te beelden. Tongen die de Verlosser lasteren, verdienen het inderdaad om stof te likken. Wie zich niet blij voor zo’n vorst wil buigen, verdient het ten volle neergeworpen te worden en plat te liggen. Het stof is nog te goed voor hen, want zij hebben het bloed van Christus vertrapt.
Vers 10
“De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen.” De handel zal dienstbaar worden aan de doelen van het middelaarsbestuur. Handelsvorsten, van ver en dichtbij, dragen blij van hun rijkdom bij aan Zijn troon. Zeevarende plaatsen zijn goede uitvalsbases om het evangelie te verspreiden, en zeelieden zijn vaak vurige herauten van het kruis. Tharsis lag van oudsher zo ver weg dat het voor het oosterse denken in de verte verdween en aan de rand van het heelal leek te liggen. Zo ver als onze verbeelding maar kan reizen, zal de Zoon van David heersen.
Over de blauwe zee wordt Zijn scepter uitgestrekt. De witte kliffen van Brittannië erkennen Hem al, de juwelen van de Zuidzee schitteren voor Hem, zelfs het hart van IJsland gloeit van Zijn liefde. Madagaskar springt op om Hem te ontvangen. En zijn er eilanden in de evenaarszeeën waarvan de specerijen nog niet aan Hem zijn aangeboden? Ook daar zal Hij een opbrengst van heerlijkheid ontvangen. Menig eilandje heeft Hij tot een Heilig Eiland gemaakt, dus tot een echt Formosa.
“De koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren.” Ook landbouw en veeteelt zullen hun deel bijdragen. Vreemde vorsten uit binnenlandse streken, tot nu toe onbekend, erkennen het allesomvattende koningschap van de Koning der koningen. Ze zijn er als de kippen bij om hun eerbiedige schatting te betalen. Godsdienstige offers brengen ze, want hun Koning is hun God. Dan is Arabia Felix, het ‘Gelukkige Arabië’, echt gelukkig, en de Gelukzalige Eilanden meer dan gelukzalig.
Let op: ware godsdienst leidt tot mild geven. In Christus’ gebied worden we niet belast, maar brengen we Hem graag vrijwillig onze offers. Het wordt een grote dag als koningen dat doen. De arme weduwe is hun lang geleden voorgegaan; het wordt tijd dat zij volgen. Hun onderdanen zullen het koninklijke voorbeeld zeker navolgen. Dit vrijwillige offer is alles wat Christus en Zijn kerk willen. Ze verlangen geen gedwongen heffingen en inbeslagnames. Laat alle mensen uit vrije wil geven, koningen zowel als burgers. Helaas, tot nu toe gaven koningen meestal het eigendom van hun onderdanen aan de kerk, en een ellendige kerk heeft die roof als brandoffer aangenomen. Zo zal het niet gaan, zodra Jezus openlijker de troon bestijgt.
Vers 11
“Ja, alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen.” Ze zullen Hem persoonlijk eer bewijzen, hoe machtig ze ook zijn. Hoe hoog hun positie ook is, hoe oud hun dynastie, hoe ver hun rijk ook reikt: ze nemen Hem gewillig aan als hun Keizerlijke Heere. “Alle heidenen zullen hem dienen.” Het gewone volk zal Hem net zo gehoorzaam zijn als zijn bestuurders. Die twee ruime woorden “alle”, alle koningen en alle heidenen, laten zien hoe ver het bewind van de Middelaar reikt. We zien nog niet dat alles Hem onderworpen is. Maar we zien Jezus in de hemel gekroond met heerlijkheid en eer, en daarom twijfelen we er niet aan dat Hij ook op aarde over iedereen Koning zal zijn.
Je kunt je niet voorstellen dat een Alexander of een Caesar ooit meer macht zal hebben dan de Zoon van God. “In de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie … en alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.” Laat die dag snel komen, o Heere, op Uw tijd!
Vers 12
“Want hij zal den nooddruftige redden.” Hier lezen we een prachtige reden waarom mensen zich aan Christus onderwerpen. Ze doen dat niet omdat ze bang zijn voor Zijn overweldigende macht, maar omdat Zijn rechtvaardige en vriendelijke bestuur hen voor Hem wint. Wie zou zo’n goede Vorst niet met ontzag eren? Hij maakt de nooddruftigen tot Zijn bijzondere zorg en belooft hun bevrijder te zijn als de nood hoog is.
“Die daar roept.” Hij laat hen zo diep in nood komen dat ze om hulp schreeuwen. Maar dan hoort Hij hen en komt Hij hun te hulp. Een kinderstem raakt het hart van een vader, en onze Koning is de Vader van Zijn volk. Kunnen we niet meer doen dan roepen? Dan brengt dat de almacht ons al te hulp. Een noodkreet is de moedertaal van een ziel die geestelijk arm is. Voor mooie zinnen en lange toespraken is dan geen plaats meer; ze grijpt naar snikken en kreunen. Zo grijpt ze in feite het krachtigste wapen dat er bestaat, want de hemel geeft altijd toe aan zulk geschut.
“Mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.” Het spreekwoord zegt: “God helpt wie zichzelf helpt.” Maar nog veel meer waar is dit: Jezus helpt wie zichzelf niet kan helpen en ook bij anderen geen hulp vindt. Alle hulpelozen staan onder de bijzondere zorg van de medelevende Koning van Sion. Laten ze zich haasten om met Hem in gemeenschap te komen. Laten ze naar Hem opzien, want Hij zoekt hén al.
Vers 13
“Hij zal den arme en nooddruftige verschonen.” Hij laat hun Zijn medelijden zien. Hij staat niet toe dat hun moeiten hen overweldigen. Zijn tuchtroede valt licht neer. Hij is zuinig met Zijn bestraffingen en royaal met Zijn troost. “En de zielen der nooddruftigen verlossen.” Hij heerst over zielen: Zijn rijk is geestelijk en niet werelds. De nooddruftigen, dat wil zeggen de mensen die zich bewust zijn van hun onwaardigheid en zwakheid, zullen ervaren dat Hij hun Zijn zaligheid geeft. Jezus roept niet de rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.
Hij verspilt Zijn tijd niet aan trotse Farizeeën die hun ijdelheid willen luchten. Hij zorgt wel voor arme tollenaars, die door hun besef van zonde hun ogen niet durven opheffen naar de hemel. Laten we verlangen om bij deze nooddruftigen te horen, want de grote Koning is hun zo goed gezind.
Vers 14
“Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden.” Met die twee wapens worden de armen aangevallen. Wet én wetteloosheid worden ingezet om hen kaal te plukken. De vos en de leeuw hebben zich verbonden tegen de lammeren van Christus. Maar de Herder verslaat hen en redt de weerlozen uit hun tanden. Is een ziel op de vlucht voor de verzoekingen van Satans list en voor de ingevingen van duivelse boosheid? Dan doet ze er goed aan te vluchten naar de troon van Jezus, want daar vindt ze beschutting.
“En hun bloed zal dierbaar zijn in zijn ogen.” Hij gooit Zijn onderdanen niet weg in onnodige oorlogen, zoals tirannen dat deden. Hij doet er alles aan om ook de geringsten onder hen te behouden. Veroveraars telden duizenden levens als kleinigheden. Ze kleurden akkers rood van het bloed, alsof bloed water was en vlees niets dan mest voor de oogst. Maar Jezus gaf Zijn eigen bloed, en toch gaat Hij uiterst zuinig om met het bloed van Zijn dienaren. Moeten ze voor Hem als martelaren sterven? Dan koestert Hij hun gedachtenis en telt Hij hun levens onder Zijn kostbaarste bezittingen.
Vers 15
“En hij zal leven.” Vive le Roi! O Koning, leef voor eeuwig! Hij werd gedood, maar is opgestaan en leeft voor altijd.
“En men zal hem geven van het goud van Scheba.” Dit zijn kroningsgeschenken van de rijkste soort, die men blij aan Zijn troon aanbiedt. Wat zouden we Hem graag alles geven wat we hebben en zijn! Toch zouden we het nog te weinig vinden. We mogen ons erover verheugen dat het werk van Christus niet stil zal vallen door gebrek aan geld. Het zilver en het goud zijn van Hem. Is er in eigen land te weinig? Dan haasten verre landen zich om het tekort aan te vullen. Och, had God ons maar meer geloof en meer gulheid gegeven!
“En men zal geduriglijk voor hem bidden.” Mogen alle zegeningen op Zijn hoofd rusten! Heel Zijn volk wil dat Zijn zaak bloeit, en daarom bidden ze elk uur: “Uw Koninkrijk kome.” Bidden voor Jezus is een bijzonder zoete gedachte, en we moeten dat altijd met liefde blijven doen. De kerk is immers het lichaam van Christus en de waarheid is Zijn scepter. Als we voor die twee pleiten, bidden we dus voor Hem. Je kunt dit vers ook lezen als “door Hem”. Het is immers door Christus, onze Middelaar, dat een gebed de hemel binnengaat en overwint. “Houdt sterk aan in het gebed”: dat is het blijvende gebod in het koninkrijk van de Messias, en het houdt in dat de Heere steeds zal blijven zegenen.
“Den gansen dag zal men hem zegenen.” Hij zal steeds opnieuw bewijzen dat Hij eer waard is, en daarom zal men Hem ook onophoudelijk prijzen: —
“Voor Hem stijgt onophoudelijk gebed omhoog,
en lofzangen scharen zich om Hem te kronen;
Zijn naam stijgt op als zoete reuk
bij elk morgenoffer.”
Vers 16
“Is er een hand vol koren in het land op de hoogte der bergen.” Uit kleine beginnetjes komen grote resultaten voort. Een handvol zaad, op een plek waar van nature niets wil groeien, geeft een oogst zonder weerga. Wat een zegen dat er een handvol ís! “Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden.” Maar nu zijn de gelovigen levend zaad, en ze zullen zich vermenigvuldigen in het land. “De vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon.” De oogst wordt zo overvloedig dat de wind er hoorbaar doorheen zal ruisen, net als door de cederbomen op de Libanon: —
“Als op de Libanon, door zachte wind bewogen,
ruist wijd en zijd de gouden oogst.”
Gods kerk is niet iets kleins. Haar begin is klein, maar haar groei is verbijsterend. Zoals de Libanon opvalt en beroemd is, zo zal ook de kerk zijn. “En die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde.” Hier komt een ander beeld. De onderdanen van Christus zullen zo talrijk zijn als de grashalmen. Ze zullen even plotseling opkomen als het oosterse groen na een zware bui. We hoeven niet bang te zijn voor de zaak van de waarheid in ons land. Ze ligt in goede handen, en wat de Heere behaagt zal zeker slagen. “Vreest niet, gij klein kuddeken, want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven.” Wanneer zullen deze woorden, die zo’n blij vergezicht openen, midden op de aarde werkelijkheid worden?
Vers 17
“Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid.” Door Zijn reddende kracht, als het verzamelpunt van de gelovigen en als de beroemde en verheerlijkte Naam, blijft Zijn naam voor altijd dezelfde. “Zolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden.” Zolang de tijd in dagen wordt gemeten, zal Jezus onder de mensen heerlijk zijn.
“En zij zullen in hem gezegend worden.” Er is alle reden voor al die eer, want Hij zal werkelijk een weldoener van het mensdom zijn. Hij Zelf zal de grootste zegen van de aarde zijn. Willen mensen anderen zegenen? Dan zegenen ze in Zijn naam. “Alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen.” De dankbare volken zullen Zijn zegeningen laten weerklinken. Ze wensen Hem Die hen gelukkig heeft gemaakt alle goeds. Het zullen niet alleen sommigen zijn die de Heere verheerlijken, maar allen. Geen enkel land blijft heidens, want alle volken zullen het zich tot vreugde rekenen Hem eer te bewijzen.
Vers 18–19
Quesnel merkt terecht op dat deze verzen voor zichzelf spreken. Ze vragen niet om een inspanning van ons verstand, maar om diepe dankbaarheid en ontroering van ons hart. Ze zijn er om God te aanbidden, niet om uit te leggen. Het is en blijft het hoogste verlangen van ons hart en het hoogtepunt van onze gebeden: Jezus verheven te zien als Koning der koningen en Heere der heren. Hij heeft grote wonderen gedaan die niemand kan evenaren. Hij laat alle anderen zo ver achter zich dat Hij de enige wonderdoener blijft. Maar er staan nog evengrote wonderen te komen, en we kijken er blij naar uit.
Hij is de Gezegende God, en Zijn naam zal gezegend worden. Zijn naam is heerlijk, en die heerlijkheid zal de hele aarde vullen. Naar zo’n schitterend einde verlangt ons hart elke dag, en we roepen: Amen, en Amen.
Vers 20
“De gebeden van David, den zoon van Isai, hebbende een einde.” Wat kon hij nog meer vragen? Hij heeft de top van Gods berg beklommen en wil niets meer. Met dit op zijn lippen is hij tevreden om te sterven. Hij legt zijn eigen koningschap af en wordt nog maar de “zoon van Isai”. Hij is gelukkig, driewerf gelukkig, dat hij wegzinkt in het niet voor de gekroonde Messias. Voor zijn gelovige oog vulde het bewind van Jezus alles om hem heen met licht, zoals de zon. De heilige ziel van deze man naar Gods hart juichte erover en zong zijn “Nunc dimittis”: “Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede … want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien!” Ook wij zullen niet meer smeken als we de dag van de Heere mogen zien. Onze zalige geesten hoeven dan niets anders meer te doen dan voor eeuwig de Heere, onze God, te prijzen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Titel
Voor Salomo. Ik noem maar drie dingen waarin Christus en Salomo op elkaar lijken.
- Ze lijken op elkaar in hun persoonlijke wijsheid (1 Kon. 4:29–30). Zo is het ook bij Christus (Kol. 2:3): “In Denwelken al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn.”
- Ze lijken op elkaar in de heerlijke vrede en welvaart van hun koninkrijk. Het koninkrijk werd in Salomo’s hand rustig gevestigd (1 Kron. 22:9; 1 Kon. 4:24–25). Daarna ging hij aan de slag om de tempel te bouwen, zoals Christus de kerk bouwt. Zo is Christus de Vredevorst (Jes. 9:5), de grote Vredestichter (Ef. 2:14).
- Ze lijken op elkaar in Salomo’s huwelijk met Farao’s dochter. Sommigen merken op dat zij hem nooit tot zonde heeft verleid, en dat bij haar ook nergens Egyptische afgoden worden genoemd (1 Kon. 11:5, 7). Bij zijn andere buitenlandse huwelijken zondigde hij wel. Maar dat huwelijk wordt als een bijzondere uitzondering genoemd (1 Kon. 11:1). Zij was namelijk een proseliet, dus het was geen zonde met haar te trouwen. De liefde tussen haar en Salomo wordt een beeld van de liefde tussen Christus en de kerk. Zo heeft Christus ons, heidenen, tot Zijn bruid aangenomen. Psalm 45. — Samuel Mather (1626–1671), in “The Figures or Types of the Old Testament.”
Gehele psalm
Psalm 72 beschrijft een verheven koning en de zegeningen van zijn bewind. Die zegeningen zijn van zo’n aard dat ze bewijzen dat het onderwerp van deze psalm een goddelijk Persoon moet zijn.
- Zijn koninkrijk is eeuwig.
- Het is een koninkrijk voor iedereen.
- Het geeft volmaakte vrede met God en welwillendheid tussen mensen.
- Alle mensen moeten uit liefde tot onderwerping aan Hem komen.
- In Hem zullen alle volken van de aarde gezegend worden. Dat betekent, zoals Gal. 3:16 ons duidelijk leert, dat alle zegeningen van de verlossing door Hem over de wereld zullen komen. — Charles Hodge, in “Systematic Theology,” 1871.
Gehele psalm
Een koning heeft deze psalm geschreven, aan een koning is hij opgedragen, en hij gaat vooral over Hem Die “Koning der koningen” is. — Joseph Caryl, in een preek getiteld “David’s Prayer for Solomon.”
Gehele psalm
Twee psalmen dragen de naam van Salomo in hun opschrift: Psalm 127 en Psalm 72. In beide zie je onmiskenbaar zijn pen. Bij de slotzin van deze psalm staat: “De gebeden van David, den zoon van Isai, hebbende een einde.” Die zin is verkeerd uitgelegd, en daardoor schreven de meeste oude uitleggers de psalm aan David toe. Ze namen aan dat het een gebed was dat hij op hoge leeftijd “voor Salomo” opzond, voor de vredelievende vorst die hem op de troon zou opvolgen. Maar het is allang bekend dat die slotzin slaat op het hele voorgaande deel van het Psalter, waarvan veel door Asaf en de zonen van Korach is geschreven. En het opschrift kan niet anders vertaald worden dan “van Salomo.”
Je voelt Salomo’s hand zo duidelijk dat zelfs Calvijn, die in dit soort kritiek nooit door iemand is overtroffen in scherpzinnigheid, het merkte. Door die slotzin vond hij zich verplicht de kern van de psalm aan David toe te schrijven. Toch voelde hij Salomo’s hand zo sterk dat hij vermoedde dat het gebed van de vader was, maar later door de zoon in dichtvorm is gegoten.
Dit is niet de plaats voor een uitgebreide uitleg. Ik beperk me daarom tot de opmerking dat de psalm, strikt genomen, helemaal niet “voor Salomo” is. Slaat hij op hem en zijn vredige regering? Dan alleen voor zover die een voorafschaduwing waren van de Persoon en het Koninkrijk van de Vredevorst. Van begin tot eind is de psalm niet alleen op Christus toepasbaar, maar een groot deel ervan kun je met recht op niemand anders toepassen. — William Binnie.
Gehele psalm
Dit is de vierde van de psalmen die vooruitwijzen naar de twee naturen van Christus. Deze psalm roept ons op te geloven in Christus als volmaakt God, én volmaakt Mens en Koning. — Psalter van Petrus Lombardus (†1164).
Gehele psalm
Dat de Messias “de Koning” is over wie deze psalm gaat, met Salomo (aan wie hij is opgedragen) als beeld, daarover zijn niet alleen de beste godgeleerden van de nieuwere tijd het eens, en ook de vaders van de oude christelijke kerk, maar ook de oude en meest uitmuntende Joodse uitleggers. De psalm zelf bevat daarvoor het overtuigendste bewijs. En zoals bij een nieuw beeld zien we het koninkrijk hier in een nieuw licht. Het staat in scherp contrast met hoe het werd voorafgeschaduwd door zijn andere grote beeld, Davids koningschap. Want Davids regering stond in het teken van verovering. Hij was “een krijgsman” (1 Kron. 28:1–3). Hij was het aangewezen werktuig om de vijanden van Gods volk Israël te onderwerpen, zodat dat volk het beloofde land ongestoord kon bezitten.
Maar Salomo’s regering stond in het teken van vrede, de betekenis van zijn naam. Hij kwam op de troon toen alle vijanden onderworpen waren, en bestuurde het koninkrijk dat Davids oorlogen hadden gevestigd (1 Kon. 2:12). Deze twee beelden wijzen respectievelijk vooruit naar Christus zoals Hij nog geopenbaard zal worden bij Zijn tweede komst. Eerst verschijnt Hij als David, zoals we zien in het visioen van die gebeurtenis (Openb. 19:11): “Ik zag den hemel geopend; en ziet, een wit paard, en Die op hetzelve zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid”, enzovoort.
Hij onderwerpt dan het antichristelijke verbond (Openb. 19:19–21), zoals tevoren al voorzegd in Psalm 2 over ditzelfde verbond: “Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.” En daarna komt Hij als Salomo: Hij bestijgt Zijn troon en breidt de zegeningen van Zijn vredesrijk uit tot de einden van de aarde. David in Psalm 2; Salomo in deze psalm. — William De Burgh.
Gehele psalm
Deze psalm doet denken aan het lied van James Montgomery dat begint met “Hail to the Lord’s Anointed”. Het is een zeer mooie berijming van deze psalm. Je vindt het in “Our Own Hymn Book,” nr. 353.
Vers 1
“O God! geef den koning Uw rechten.” Dat wil zeggen: het recht en het gezag om te oordelen en om gerechtigheid te doen, zoals God dat Zelf doet. De Vader heeft al het oordeel aan de Zoon gegeven. — John Fry.
Vers 1
De koning … de zoon van de koning. De meeste uitleggers denken dat David hier zichzelf en zijn zoon bedoelt. Ik denk dat niet. Volgens mij gaat het alleen om Salomo, en om niemand anders. Beide titels passen op hem: hij was een zoon van David, en David had hem nog tijdens zijn leven tot koning gezalfd. — Samuel Chandler.
Vers 1
De koning … de zoon van de koning. Hier zien we dat onze Heere zowel melek (koning) als ben-melek (zoon van een koning) wordt genoemd. Hij is Zelf Koning én Hij is de zoon van een koning. Als Mens stamt Hij uit het geslacht van David. Maar ook als God heeft Hij een koninklijke afkomst, want de Vader van het heelal mag met recht Koning heten. Op Turkse munten staat hetzelfde: Sultan, zoon van Sultan. — George Phillips.
Vers 2
“Uw rechten.” Van wie vraagt de dichter die? Van God: “O God, geef ze!” Dat een koning rechtvaardig oordeelt en gerechtigheid betracht, is dus een gave van God. En let op wat hij precies vraagt. Hij zegt niet eenvoudig: geef de koning oordeel en zijn zoon gerechtigheid. Nee, hij vraagt om Uw rechten en Uw gerechtigheid. Schenk hun de genade om te oordelen wat in Uw ogen rechtvaardig is. De wereld heeft haar eigen oordelen en haar eigen gerechtigheid. Maar in de praktijk wordt ware gerechtigheid daardoor meer onderdrukt dan gesteund. Zo zijn Gods oordelen en Gods gerechtigheid niet. Die komen van boven. — Musculus.
Vers 3
“De bergen zullen den volke vrede dragen,” enzovoort. Wie deze psalm op Salomo betrekken, leggen dit vers met twee regels zo uit: “De steile bergen aan de grens zijn sterk bezet en beschermen het land tegen vijandelijke invallen. En de heuvels zijn schoongeveegd van de bandieten die er in ruwe tijden woonden. Onder het bewind van de koning uit deze psalm worden ze het vredige thuis van nijvere, beschaafde boeren.” Mr. Merrick heeft dat in zijn vertaling niet slecht onder woorden gebracht, vind ik. Hij schrijft:
“Vrede, daal van de burchtgekroonde top
naar de vlakte neer en zegen haar;
en gerechtigheid verdrijft uit elke rotsspelonk
geweld en bedrog.”
Maar nauwelijks iets van deze psalm past echt op Salomo. Het grootste deel gaat zo volledig over de Messias, dat ik denk dat de bergen en heuvels verwijzen naar de aard van het land Judea. De algemene gedachte is dan: in de tijd van de grote Koning zullen de bewoners van dat bergachtige land in vrede en rust leven. Bedoeld is dus de gelukkige toestand van het natuurlijke Israël, dat in de laatste dagen weer in Gods gunst wordt aangenomen en vredig in zijn eigen land woont. Er is een sterk argument voor deze uitleg, vind ik: gerechtigheid wordt genoemd als de bron van de vrede die men zal genieten. — Samuel Horsley.
Vers 3
“De bergen zullen den volke vrede dragen.” In het Oosten was en is het nog steeds gewoon om goed of slecht nieuws vanaf bergtoppen en andere hoogten te verkondigen. Zo werden rechtvaardige beslissingen razendsnel doorgegeven aan de uithoeken van het land, zodat iedereen ze kon horen. Toen Salomo bijvoorbeeld de zaak van de twee vrouwen besliste, was zijn uitspraak al snel in het hele land bekend. Zie 1 Koningen 3:28. — Alexander Geddes.
Vers 3
“De bergen zullen den volke vrede dragen.” Dit verwijst naar de vruchtbaarheid van de grond. Die wordt nu op een bijzondere manier zichtbaar. Bergtoppen zijn normaal hopeloos onvruchtbaar, of brengen veel minder voort dan de dalen. Nu geven ze alles in overvloed. Met dit beeld laat de dichter zien dat het geluk van dit koninkrijk niet voor een paar mensen is bedoeld. Het is er op alle plaatsen en voor iedereen, van elke stand en elke leeftijd. Geen hoekje van het land blijft verstoken van deze vruchtbaarheid, zegt hij, en niemand wordt vergeten. — Mollerus.
Vers 3
“De bergen zullen den volke vrede dragen.” Je mag er zeker van zijn dat je vrede hebt, als jouw bergen vrede voortbrengen. Dat zijn dan de bergen die vroeger roofbergen waren, heuvels vol rovers, en die nu een rustige woonplaats zijn. De vrede zit dan niet opgesloten binnen stadsmuren of achter bolwerken. Nee, je vindt haar overvloedig op de open velden en langs de grote wegen, in de bergen en op de heuvels. Je vindt haar onder elke heg en onder elke groene boom. Zelfs de kleine boeren en de bergbewoners krijgen hun volle deel. Ze eten en worden verzadigd, ze gaan liggen en niemand jaagt hen schrik aan. Dan is de zegen voor iedereen, niet voor een paar mensen alleen. En dit is het werk van de gerechtigheid. — Joseph Caryl.
Vers 3
De bergen en heuvels worden zeker niet genoemd als de onvruchtbaarste plekken van het land. In Palestina waren ze dat ook niet. Vergelijk Deuteronomium 33:15 en Psalm 147:8: “Die het gras op de bergen doet uitspruiten”, en ook Psalm 65:13. Ze worden evenmin genoemd omdat alles wat erop staat van alle kanten te zien is (zo Tholuck). Daartegen pleit Joël 3:18: “De bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk vlieten”, en ook Jesaja 55:12. Nee, bergen en heuvels zijn de meest opvallende punten en sieraden van het land. Daarom staan ze voor het hele land, ze vertegenwoordigen het. En zo drukken ze heel goed de gedachte uit dat het land overal vol vrede zal zijn. — E. W. Hengstenberg.
Vers 4
“De kinderen des nooddruftigen.” Met “de kinderen van de verdrukten” worden gewoon “de verdrukten” bedoeld. Dat is in het Hebreeuws een heel gewone manier van spreken, die vaak voorkomt. Ook de Grieken gebruiken die soms. Ze zeggen huious iatrōn, “zonen van de artsen”, en bedoelen daarmee gewoon artsen. — Johannes Calvijn.
Vers 5
—
De hoge roem van het Flavische huis zal duren,
zo bestendig als de zon en de sterren. — Martialis, Boek 9, Epigram 7.
Vers 6
“Hij zal nederdalen als een regen op het nagras,” enzovoort. Dit wordt van Christus gezegd en beloofd. Het leert ons dat Christus, wanneer Hij tot Zijn kerk en Zijn volk komt, hun zielen ontzettend veel goeds doet en hen vernieuwt. Door de genadige werking van Zijn Heilige Geest verkwikt Hij hen, zoals een regenbui de dorre grond of een pas gemaaide weide laat opleven. Mensen zonder Christus zijn als dorre grond. Zonder het vocht van de reddende genade zijn hun harten hard. Geen tuchtroede, geen weldaad en geen preek maakt indruk op hen. Ze blijven onaangedaan.
Waarom niet? Omdat ze zonder Christus zijn, de bron van genade en geestelijke kracht. Vóór de zondeval was de ziel van de mens als een goed bewaterde tuin: mooi, groen en geurig. Maar door zijn afval van God in Adam, ons eerste hoofd, zijn de bronnen van genade en heiligheid in zijn ziel helemaal opgedroogd. Er is maar één genezing voor die droogte: de ziel moet verbonden worden met een nieuw hoofd, namelijk Christus, onze tweede Adam. Hij heeft de Geest zonder mate ontvangen, voor al Zijn leden. Als wij door het geloof met Christus verbonden worden, ons Hoofd, wordt het dorre land een plek vol waterbronnen.
Dan “daalt Hij neder als de regen” door Zijn Geest van wedergeboorte en brengt Hij de bronnen van genade in onze ziel. Hij is de eerste en rechtstreekse ontvanger van de Heilige Geest, met alle kracht die opnieuw geboren laat worden en heilig maakt. Uit Zijn volheid moeten wij die door geloof ontvangen. En raken de bronnen van genade in de ziel op een dag verstopt door zonde of ongeloof, zodat de grond droog wordt, de planten verwelken en wat overblijft bijna sterft? Dan moet de ziel opzien naar Jezus Christus, of Hij opnieuw met buien wil neerdalen op die dorstige grond en die kwijnende planten.
- Regen is een gratis gave van God aan de dorre aarde. Hij valt vrij en zonder kosten voor arm en rijk, klein en groot. Zo is Christus, met al Zijn zegeningen, Gods gratis gave aan een dorre, verloren wereld. Daar moeten we Hem voortdurend dankbaar voor zijn.
- Niets kan de regen tegenhouden. Zo kan ook niets de genadige werking van Christus tegenhouden, wanneer Hij een hard hart wil wakker schudden, overtuigen of week maken. Als die buien op zondaars vallen, moet zelfs de koppigste wil buigen en uitroepen: “Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?”
- Regen is hard nodig en past precies bij de dorre grond, bij alle planten die eruit opkomen en bij elk deel van die planten: wortel, stam, takken, bladeren, bloemen en vrucht. Zo is Christus absoluut onmisbaar voor alle zielen van Zijn volk, en past Zijn werking precies bij elk vermogen van hun ziel: het verstand, de wil, het geheugen en de gevoelens. Dat geldt ook voor al hun geestelijke vruchten, zoals geloof, liefde en bekering. Hij laat ze wortelen en vast staan, maakt ze sterk en zeker, geeft ze leven en laat ze groeien, verzorgt ze en bewaart ze.
- Regen komt op allerlei manieren op de aarde. Soms komt hij met koude wind en storm, met donder en bliksem, en soms in alle rust en warmte. Zo komt Christus ook tot zondaars, en Hij kent precies de juiste manier voor ieder hart. Soms komt Hij met scherpe overtuiging en de schrik van de wet, en soms met vriendelijke uitnodigingen en beloften.
- Wat doet regen aangenaam werk bij kwijnende planten! Ze worden groen en mooi, levendig en sterk, geurig en fraai. Zo wensen we ook het werk van Christus voor neerhangende zielen. Hij verlicht en verlevendigt ze, maakt ze vast en sterk, troost ze en geeft ze ruimte, wekt hun eetlust en verzadigt ze, schept ze nieuw en maakt ze mooi. Eén bui van Christus zou de kerk, hoe verdord ook, snel groen en mooi maken. Ze zou een geur verspreiden als van een veld dat de Heere gezegend heeft. En een paar druppels van die bui op de kwijnende genaden van mensen die aan het avondmaal gaan, zouden hen snel krachtig en levendig maken om de dood van hun Heiland aan Zijn tafel te verkondigen. — John Willison.
Vers 6
Er bestaat geen levendiger beeld van een bloeiende toestand dan dat wat deze woorden ons voor ogen schilderen. Gras dat door de zonnehitte wordt voortgejaagd voordat de grond goed door regen is voorbereid, is zwak en kwijnend en bleek van kleur. Maar volgt er heldere zonneschijn op de zachte lenteregens, dan geeft het veld zijn beste kracht. Het ligt er mooier bij dan Salomo ooit gekleed ging in al zijn heerlijkheid. — Thomas Sherlock, 1678.
Vers 6
“Hij zal nederdalen.” De Schrift spreekt van een viervoudig nederdalen van Christus.
- Zijn menswording: Hij openbaarde Zichzelf in het vlees.
- Zijn vernedering: Hij nam niet alleen een menselijk lichaam aan, maar ook alle natuurlijke zwakheden van ons vlees.
- Zijn onderwerping aan de dood.
- Het neerdruppelen van Zijn genade en geestelijke zegeningen op Zijn kerk. — Ralph Robinson.
Vers 6 (eerste zinsdeel)
Sommigen vertalen dit met “als dauw op het vlies”. Denk aan het wonderlijke vlies van Gideon. Eerst werd het in de open lucht helemaal vol dauw uit de hemel, terwijl de grond eromheen kurkdroog bleef. Daarna was het vlies droog terwijl de aarde nat was. Volgens de oude godgeleerden is dat een beeld van de dauw van hemelse genade. Die werd over Judea uitgestort in een tijd dat de rest van de wereld onvruchtbaar bleef en God niet kende. Maar nu is het door een vreemde ommekeer andersom. Judea ligt droog en vergeet God, terwijl alle andere volken van de aarde overstroomd worden met de dauw van de hemelse genade. — Pasquier Quesnel.
Vers 6
“Op het nagras.” Het Hebreeuwse woord dat hier staat, heeft twee betekenissen. Het kan een geschoren schapenvacht betekenen, en het kan een pas gemaaide weide betekenen. Daardoor zijn er verschillende lezingen ontstaan. Sommigen lezen: “Hij zal nederdalen als regen in een wollen vlies.” Zo doet de Septuaginta het. Wie die lezing volgt, ziet in deze woorden een toespeling op de dauw die op het vlies van Gideon viel (Richteren 6:37-39), toen al het land ernaast droog was, en daarna op de rest van het land toen het vlies droog was. Anderen lezen het zoals onze vertaling: “Hij zal nederdalen als een regen op het nagras.” Dat lijkt mij beter bij de bedoeling van de Heilige Geest te passen, vooral vanwege het volgende zinsdeel, dat als uitleg is toegevoegd: “Als de druppelen, die de aarde bevochtigen.” Als de buien, ribbibim.
Regen en buien verschillen alleen in zwaarte. Regen zijn kleinere buien en buien zijn zwaardere regen (Deuteronomium 32:2). Regen die in een heleboel druppels valt, noemen we een bui. “Die de aarde bevochtigen.” Het woord zarzif, hier vertaald met “bevochtigen”, komt in heel de Bijbel alleen op deze plek voor. Het betekent: nat maken door druppels te verspreiden. De buien worden in druppels over het hele aardoppervlak verdeeld, heel regelmatig en vakkundig. “Wie deelt,” zegt Job, “voor den stortregen een waterloop uit” (Job 38:25). De regen valt druppelsgewijs uit de wolk, zodat elk deel van de aarde zijn aandeel krijgt. — Ralph Robinson.
Vers 6
Het nagras. Letterlijk staat er: dat wat geschoren is, een vlies of een weide. In de eerste betekenis komt het woord voor in Richteren 6:37. Alle oudere vertalers nemen het in deze betekenis op (Aquila: epi kouran; de Septuaginta en anderen: epi plokon; Hiëronymus en de Vulgaat: in vellus). Waarschijnlijk dachten zij dat het bewind van deze vorst zou gaan met opmerkelijke tekenen van Gods gunst en zegen, zoals de dauw op het vlies van Gideon. In de tweede betekenis komt het woord voor in Amos 7:1. En die betekenis heeft het hier ontegenzeggelijk, zoals het parallellisme laat zien.
De gemaaide weide wordt met opzet genoemd. Nadat de oogst is binnengehaald, liggen de graswortels het meest bloot aan de zomerhitte. En dan is het effect het mooist en het meest opvallend: na de bui schiet het jonge groene sprietje op. — J. J. Stewart Perowne.
Vers 7
Rechtvaardige. Vrede. Je vraagt wie Hij persoonlijk is? Dan is het antwoord kort en krachtig: “Koning der gerechtigheid.” Hij is een Wezen dat van gerechtigheid houdt, gerechtigheid doet, gerechtigheid bevordert en gerechtigheid verwerft. Hij deelt die gerechtigheid mee aan wie Hij redt. Hij is volmaakt zonder zonde, en de vijand van alle zonde, die er een einde aan maakt. Je vraagt wat Hij in de praktijk is, en wat Zijn regering oplevert? Dan is het antwoord weer kort: “Koning des vredes.” Zijn koninkrijk is een schuilplaats voor iedereen die ellendig is, een beschutting voor wie vervolgd wordt, een rustplaats voor wie moe is, een thuis voor wie niets heeft en een toevlucht voor wie verloren is. — Charles Stanford.
Vers 7
“De veelheid van vrede.” Letterlijk: een menigte van vrede. Dat wil zeggen: de dingen die vrede brengen of die op vrede wijzen, zullen niet schaars zijn maar talrijk. Ze zullen overal in overvloed te vinden zijn. Je vindt ze in steden, dorpen en gewone huizen. Je vindt ze in een kalm en rechtvaardig bestuur van het land, in rijke oogsten, in groeiende kennis, in goed onderwijs en in werk dat niemand verstoort. En je vindt ze in de bescherming die de rechten van iedereen krijgen. — Albert Barnes.
Vers 7
“Totdat de maan niet meer zij.” Uit deze woorden volgt niet per se dat de maan ooit zal ophouden te bestaan. Het veelgehoorde idee dat het sterrenfirmament ooit vernietigd zal worden, heeft geen enkele grond in de Schrift. Zo’n gedachte heeft een slechte invloed op de menselijke geest. Ze zet mensen er zelfs toe aan weinig waarde te hechten aan wat zo duidelijk het merkteken en het stempel van Gods heerlijkheid draagt. — Frederic Fysh.
Vers 8
“Van de rivier.” Veel hedendaagse uitleggers wijzen op de vermelding van “de rivier”, de Eufraat, in het andere zinsdeel van dit vers. Ze concluderen dat hier de grenzen van Palestina bedoeld zijn. Dat land wordt dan beschreven als een gebied van de Rode Zee tot de Syrische Zee, ook wel de Zee der Filistijnen en de Grote Zee genoemd. En van de Eufraat tot de Grote Woestijn achter Palestina en Egypte. Dat zijn de grenzen van het gebied van Israël, en wel zo: de eerste lopen van zuid naar west, de laatste van noord naar oost (Genesis 15:18).
Maar op deze plek kan er nauwelijks twijfel over bestaan dat de rivier, de Eufraat, de uiterste oostgrens van de aarde aanduidt. In zo’n dichterlijke, prachtige beschrijving van een koning die boven alle anderen verheven is, kun je je niets ongepasters voorstellen dan te zeggen dat zijn heerschappij ophoudt bij de grenzen van Palestina. — Ernst F. C. Rosenmüller (1768–1835), in “The Biblical Cabinet”, deel 32.
Vers 9
De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, enz. Dat wil zeggen: de wilde Arabieren, die zelfs de grootste veroveraars nooit hebben kunnen temmen, zullen zich voor Hem buigen of Zijn dienaren worden. Ja, Zijn vijanden, en dus ook deze Arabieren, zullen het stof likken. Dat betekent dat ze Hem op hun knieën, met de diepste nederigheid, om Zijn gunst zullen smeken. — T. Harmer’s Observations.
Vers 9
Zijn vijanden zullen het stof lekken. Denk eraan dat veel volken een vaste gewoonte hadden: wie bij zijn koning kwam, kuste de aarde en wierp zich helemaal voor hem neer. Zo ging het vooral overal in Azië. Niemand mocht de Perzische koningen toespreken zonder zich eerst op de grond te werpen en de voetsporen van de koning te kussen, zoals Xenofon vertelt. — Thomas Le Blanc.
Vers 9–10
Woestijn, Tharsis, Scheba. De meest onbeschaafde, de meest verafgelegen en de rijkste volken zullen Hem hun hulde brengen. — Augustus F. Tholuck.
Vers 9–11
De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof lekken. Ze zullen zich vernederen onder de machtige hand van Christus. Ze zullen Hem erkennen en aannemen als hun Heere. Ze zullen Hem vrezen en eren als hun Koning en zich buigen voor Zijn scepter. Ze zullen zichzelf en alles wat ze hebben onder Christus stellen en zich geven om Hem groot te maken en Zijn heerschappij op te richten. De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren.
Ze zullen hun gaven en mogelijkheden in dienst van Christus stellen. Van hun bezit zullen ze bijdragen aan het onderhoud van Zijn gemeente, en aan het behoud en de groei van Zijn koninkrijk. Alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen. Allen zullen Hem aanbidden en dienen als hun Koning. Allen zullen Hem verheffen en eren, als trouwe onderdanen hun hemelse Vorst. Alle mensen, van de hoogste tot de laagste, moeten de Heere Jezus dienen en zich erop toeleggen Hem heerlijk te maken. Genade werkt gehoorzaamheid in het hart van vorsten, net zo goed als in het hart van bedelaars.
De zon, net zo goed als de sterren, huldigde Christus onder Zijn koninkrijk en Zijn evangelie. — Alexander Grosse (†1654), in “Sweet and Soul Persuading Inducements leading unto Christ”, 1632.
Vers 9–11
De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof lekken.
Vers 10
Tharsis was een oude, beroemde, rijke en beschaafde handelsstad. De stad dreef handel op de Middellandse Zee en met de havens van Syrië, vooral Tyrus en Joppe, en lag hoogstwaarschijnlijk helemaal in het westen van die zee. Was er in de oudheid een stad in die streken die bij deze vaststaande gegevens past? Jazeker. Dat was Tartessus in Spanje, naar het heet een Fenicische kolonie. Dat feit alleen al zou verklaren waarom Tharsis zo nauw verbonden was met Palestina en met de verhalen van de Bijbel. Waar Tartessis (zo werd de naam oorspronkelijk geschreven) precies lag, daarover zijn de kenners het niet eens, want de stad bestond al niet meer toen de aardrijkskunde belangstelling begon te krijgen.
Maar ze lag niet ver van de Straat van Gibraltar, vlak bij de monding van de Guadalquivir, en dus niet ver van het beroemde Granada van latere eeuwen. We moeten ons echter meer voorstellen dan één enkele stad. Hoe groot die ook was, ze zou nauwelijks passen bij het beeld van omvang, welvaart en macht dat de Schrift ons schetst. De naam is van Fenicische oorsprong en wijst waarschijnlijk op het gebied in het zuidwesten van Spanje, met alle kolonies die Tyrus daar stichtte. Zeg maar: Fenicisch Spanje. Toch zijn we er niet van overtuigd dat de overliggende kust van Afrika erbuiten viel.
Dan zou het woord voor een inwoner van Palestina de uiterste westelijke uithoeken van de wereld aanduiden. — J. R. Beard, in “A Cyclopaedia of Biblical Literature”, 1866.
Vers 10
De eilanden. Het Hebreeuwse woord iyyim komt in het Psalmboek verder alleen voor in Ps. 97:1, waar het ook zo vertaald is, en zo is het overal vertaald. Toch betekent het woord alle bewoonbare grond, als tegenstelling tot water (zie Gen. 10:5, waar het voor het eerst voorkomt, en Jes. 42:15). Het betekent dus “kustland, hetzij de zeekust van een vasteland of een eiland” (Gesenius). Het gaat vooral om de landen die door de Middellandse Zee worden omspoeld en om de verre kusten ten westen van Palestina. Zo ook in de parallelle profetie: Jes. 60:9; 11:11; 41:1–2; 42:10–12; 49:1, enz. Daarom wordt “De eilanden zullen naar Zijn leer wachten” (Jes. 42:4) in Matth. 12:21 toegelicht met de woorden: “In Zijn Naam zullen de heidenen hopen.” — William De Burgh.
Vers 10
Scheba en Seba. Het lijkt erop dat er twee volken woonden in hetzelfde gebied, namelijk Zuid-Arabië. Het ene stamde af van Cusch, de zoon van Cham, het andere van Joktan, een nakomeling van Sem. Deze twee volken stonden vaak tegenover elkaar, ondanks hun bijna gelijke namen. Maar hun verdeeldheid zou genezen worden, en samen zouden ze schatting brengen aan de Grote Koning. Een Arabisch spreekwoord zegt: “verdeeld als de Sabeeërs.” Maar Christus maakt hen één. “De Griekse aardrijkskundigen koppelen Abessinië meestal aan Jemen, in Arabië, en beschrijven de Abessijn steeds als iemand van een Arabisch of Sabeeïsch ras. Ook nieuwere reizigers zijn het erover eens dat onder de Abessijnse bevolking, voor zover die niet tot de Afrikaanse stam behoort, het Arabische type te herkennen is.” Dat de Sabeeïsche volken rijk waren, blijkt duidelijk uit de Griekse geschiedschrijver Agatharchides.
“De Sabeeërs,” zegt hij, “hebben in hun huizen een ongelooflijk aantal vazen en gebruiksvoorwerpen van allerlei soort, van goud en zilver, bedden en driepoten van zilver, en huisraad van verbazingwekkende pracht. Hun gebouwen hebben zuilengangen, met zuilen die met goud zijn bekleed of bekroond met zilveren kapitelen. Op de friezen, de versieringen en het lijstwerk van de deuren zetten ze gouden platen, ingelegd met edelstenen. Ze geven enorme bedragen uit aan de verfraaiing van deze gebouwen, met goud, zilver, ivoor, edelstenen en de kostbaarste materialen.” Ook door hun handel met zowel India als Afrika lijken ze een enorme rijkdom te hebben vergaard, want hun schiereiland ligt tussen die twee gebieden in. Rijk zouden hun geschenken zijn, als de beschrijving van hun handel door Lenormant en Chevallier klopt.
“De belangrijkste invoer uit India bestond uit goud, tin, edelstenen, ivoor, sandelhout, specerijen, peper, kaneel en katoen. Daarnaast kwamen er in de pakhuizen van Zuid-Arabië producten van de overliggende kust van Afrika. Die kregen de Sabeeërs binnen door hun drukke kustvaart op dat nabije land, waar Mosyton (nu Ras Abourgabeh) de belangrijkste haven was. Het ging daarbij om, behalve de specerijen waaraan die kust haar naam dankt, ebbenhout, struisvogelveren en nog meer goud en ivoor. Voeg daar de producten van de bodem van Zuid-Arabië zelf aan toe: wierook, mirre, laudanum, edelstenen zoals onyx en agaat, en tot slot aloë van het eiland Socotra en parels uit de parelvisserij in de Golf van Ormuz. Dan hebben we de lijst van alle waren in de handel van dit land met Egypte en met de Aziatische landen aan de Middellandse Zee. En tegelijk zien we dan hoe bedrijvig die handel was.” “Arm zoals Gods volk meestal is, toch zal er zeker een tijd komen waarin de allerrijksten het een vreugde vinden hun schatten aan de voeten van Jezus te leggen.” — C. H. S.
Vers 9–11
De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof lekken.
Vers 12
Hij zal den nooddruftige redden, die daar roept. Tussen Hem en Zijn onderdanen is geen middelaar nodig. Hij hoort de nooddruftigen zodra ze roepen. Iemand die niets in zichzelf heeft en niets buiten zichzelf wat hem bij Christus kan aanbevelen, of hem in hemel of op aarde kan bijstaan, helpen, verlichten of troosten, wordt door Christus niet veracht. Christus bevrijdt hem juist van wat hij vreest. — David Dickson.
Vers 13
Hij zal verschonen. Beter vertaald: Hij zal medelijden hebben met de arme en nooddruftige, of Hij zal hen troosten. En de zielen der nooddruftigen zal Hij verlossen, dat wil zeggen: Hij zal het leven van de nooddruftigen bewaren. — William Henry Alexander, in “The Book of Praises: being the Book of Psalms … with Notes Original and Selected”, 1867.
Vers 13
En de zielen der nooddruftigen verlossen. Scipio zei vaak dat hij liever één enkele burger zou redden dan duizend vijanden doden. Zo hoort elke vorst te denken over zijn onderdanen. Maar deze genegenheid en liefde bereikten hun hoogste glans en kracht in het hart van Christus. Zo vurig is Zijn liefde voor de Zijnen dat Hij geen enkele van hen verloren laat gaan. Hij leidt hen naar de volle zaligheid. Hij stelt Zichzelf op tegenover duivels en tirannen die hun zielen willen verderven, houdt hun woede in toom en maakt hun razernij te schande. — Mollerus.
Vers 14
En hun bloed zal dierbaar zijn in zijn ogen. De Angolanen hadden zoveel minachting voor hun slaven dat ze er soms wel tweeëntwintig gaven voor één jachthond. … Maar Christus kiest de ziel van één van Zijn knechten boven de hele wereld, want Hij stierf opdat die ziel beter in staat zou zijn het eeuwige geluk binnen te gaan. Om één gebroken beker wierp de Romein zijn slaaf in de vijver, om door de murenen te worden verslonden. Maar de Zoon van God kwam uit de hemel naar de aarde om de mensheid te bevrijden, Zijn gemene, ondankbare, trouweloze dienstknechten, uit de muil van de slang (zoals het gulden vlies), en om hen te redden zoals Jona uit de walvis. Is hun bloed dan niet dierbaar in Zijn ogen? — Thomas Le Blanc.
Vers 15
En hij zal leven. Hebreeuws: “Zo zal hij leven”; dat wil zeggen: de arme man. — Charles Carter.
Vers 15
En hij zal leven. Hier wordt duidelijk gewezen op de kroning van koningen, met de luide jubelkreet “De koning leve!” en het aanbieden van de gebruikelijke gaven en geschenken. Dat blijkt uit 2 Sam. 16:16; 1 Kon. 1:39; 1 Sam. 10:24; 2 Kron. 17:5. — Hermann Venema.
Vers 15
Hij zal leven. Toen Alexander de Grote stierf, gaf hij toe dat hij een broos en zwak mens was. “Zie,” zei hij, “ik sterf, ik die door jullie ten onrechte een god werd genoemd.” Maar Christus bewees dat Hij God was, toen Hij door Zijn eigen dood de dood overwon en, als ik het zo mag zeggen, doodde. — Thomas Le Blanc.
Vers 15
Hij zal leven. Het is een grote troost voor soldaten die te midden van allerlei soorten dood in gevaar verkeren, dat hun koning zal leven. Daarom zei een van de voornaamste van deze krijgers, om zichzelf te troosten: “Ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan.” Groot is de troost van wie sterven: Hij voor Wie, of in Wie, zij sterven, zal eeuwig leven. Als wij sterven, zullen wij met Hem ook weer leven en Zijn rijkdom delen, gelijk met Hemzelf. Want rijk is onze Salomo, in Wie al de schatten van de wijsheid en de kennis van God verborgen zijn. — Gerhohus.
Vers 15
En men zal geduriglijk voor hem bidden; den gansen dag zal men hem zegenen. Het had ook vertaald kunnen worden: “Ook zal gedurig gebeden worden door Hem, en dagelijks zal Hij gezegend worden.” Het woord wordt met “gezegend” vertaald wanneer het gaat om een daad van aanbidding tegenover God. En het woord dat met “voor” is vertaald, wordt soms gebruikt in de betekenis van “door”, zoals in Joz. 2:15: “Door het venster.” Houden we vast aan de vertaling “voor Hem”, dan moeten we denken aan heiligen die bidden dat de Vader Zijn beloften aan de Zoon vervult, de beloften uit het verbond van de verlossing: dat Zijn koninkrijk komt, dat Zijn naam wordt verheerlijkt, dat Hij Zijn zaad ziet, dat Hij de volle beloning krijgt voor Zijn lijden, en dat Hij zo de blijdschap ontvangt die Hem was voorgehouden. — Jonathan Edwards.
Vers 15
Men zal geduriglijk voor hem bidden; den gansen dag zal men hem zegenen. In alle veroverde landen werd de onderwerping van het volk aan twee dingen zichtbaar:
- Hun geld werd gestempeld met de naam van de veroveraar.
- Ze moesten in hun openbare erediensten voor hem bidden. — Adam Clarke.
Vers 16
Is er een hand vol koren in het land op de hoogte der bergen. Niet alleen zal de grond daar waarschijnlijk te ondiep zijn, maar het zaad zelf zou ook gemakkelijk door de winden van de hemel worden weggeblazen of door de stromende regen naar beneden worden gespoeld. — Peter Grant, 1867.
Vers 16
Een hand vol koren, enz. Na rijp beraad ben ik ervan overtuigd dat het woord pissath eigenlijk “een lap” of “een stuk” betekent. Het wordt hier gebruikt zoals wij in het Engels dezelfde woorden gebruiken, in uitdrukkingen als: “een lap tarwe, een lap gerst, een stuk koren.” — Samuel Horsley.
Vers 16
Een hand vol koren. Je hebt vast wel eens graanhandelaren gezien met kleine zakjes waar maar een handvol koren in zit. Dat laten ze zien als monster van de voorraad die ze te koop hebben. Ik smeek jullie allemaal: draag zo’n zakje bij je, met dit kostbare koren van het evangelie. Schrijf je een brief, laat er dan een woord voor Christus in vallen; het kan een zaadje zijn dat wortel schiet. … Spreek overal waar je komt een woord voor Christus; het kan een zaad zijn dat veel vrucht draagt. Laat een traktaatje achter op een toonbank of in een huis; het kan een zaad zijn dat een rijke oogst voortbrengt.
De moeilijkste plek, de steilste berg, de plaats waar de minste hoop is op vrucht, moet het eerste doelwit van de aanval zijn. En hoe meer arbeid er nodig is, hoe meer zaad er uitgestrooid moet worden. — James Sherman.
Vers 16
De vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon. Met een overvloedige aar zal er zo’n grote en sterke halm opschieten dat hij, als de wind beweegt, zal schudden als een ceder. — Joseph Hall.
Vers 16
De vrucht daarvan zal schudden als de Libanon. Dat wil zeggen: ze zal met de wind heen en weer golven, zoals de hoge cederen van de Libanon. Dit betekent dat het koren hoog en weelderig zal staan. — French en Skinner.
Vers 16
Noch “golven” noch “schudden” geeft de volle kracht weer van het Hebreeuwse werkwoord ra’ash. Dat roept bovendien het beeld op van een ruisend geluid, zoals de wind dat maakt onder de cederen van de Libanon. Deze vergelijking ligt zeker meer voor de hand dan die van sommige uitleggers, die denken aan de graanvelden en oogstlanden van de Libanon zelf. Dat zou maar het ene gewas met het andere vergelijken. Bovendien wordt nergens anders zo’n toespeling op het gebergte gemaakt, hoewel de omliggende vlakten en dalen vruchtbaar waren. — Joseph Addison Alexander.
Vers 16
Als de Libanon. Met vakmanschap en hard werk hebben ze een rotsachtige bodem gedwongen vruchtbaar te worden. Soms hebben ze, om het water te benutten, er een geul voor gegraven, die in duizend bochten langs de hellingen loopt. Of ze hebben het water in de dalen tegengehouden met dijken. Soms hebben ze de aarde die naar beneden dreigde te rollen, vastgezet met terrassen en muren. Bijna alle bergen die zo bewerkt zijn, zien eruit als een trap of een amfitheater, waarvan elke rij een reeks wijnstokken of moerbeibomen is. Ik heb aan één helling wel honderd of honderdtwintig rijen geteld, van de bodem van het dal tot de top van de heuvel. Even vergat ik dat ik in Turkije was. — Volney.
Vers 16
Als de Libanon. Om de beelden te begrijpen die aan de berg Libanon ontleend zijn, moeten we weten dat er vier bergruggen worden beschreven, de ene boven de andere. De eerste en laagste is rijk aan graan en vruchten. De tweede is onvruchtbaar, alleen bedekt met doorns, rotsen en keien. De derde, nog hoger, wordt gezegend met een eeuwige lente; de bomen zijn er altijd groen. Er zijn talloze boomgaarden vol vruchten, en alles bij elkaar is het een aards paradijs:
“Waar vrucht en bloesem samen blozen,
in lieflijke eendracht, aan dezelfde tak.”
De vierde en hoogste bergketen van allemaal is het gebied van eeuwige sneeuw. Het beeld in de tweeënzeventigste psalm is duidelijk ontleend aan de eerste van deze ketens van de Libanon. Daar werkten de monniken van de Libanon, want zij waren de voornaamste bewerkers van de terrasvormige grond. Hoogstwaarschijnlijk volgden ze de oude manier van bebouwing en benutten ze ijverig elk stukje vruchtbare aarde. In de veelzeggende woorden van Burckhardt: “Elke duim grond is bebouwd.” Geen beeld had dus treffender kunnen zijn voor de bebouwing van de hele aarde onder de regering van de Messias, dan te zeggen dat Zijn vrucht zal ruisen als de Libanon.
Of neem aan dat de psalmist beeldend spreekt: welk zedelijk landschap kan rijker geschilderd worden dan hij doet, wanneer hij zegt dat de dorre bergen van onze wereld, die nu geen vrucht voor God dragen, op die dag zo ijverig en zo volledig bebouwd zullen worden dat de vrucht zal golven als de terrassen van de Libanon? — Robert Murray M’Cheyne, 1813–1843.
Vers 16
Zullen bloeien als het kruid. Gras heeft twee eigenschappen waardoor het zo goed past bij wat mensen nodig hebben: het lijkt nederig en het lijkt vrolijk. Nederig, omdat het alleen gemaakt lijkt voor het allergewoonste werk: om betreden en afgegraasd te worden. Vrolijk, omdat het lijkt te juichen onder alle geweld en tegenslag. Je walst erover heen en de volgende dag staat het sterker. Je maait het en het schiet nog meer scheuten, alsof het dankbaar is. Je trapt erop en het geeft juist een rijkere geur af. Komt de lente, dan verheugt het zich met de hele aarde: het gloeit van gekleurde vlammen van bloemen en golft in zachte diepte van vruchtbare kracht.
Komt de winter, dan weigert het zijn medeplanten te bespotten door dan te groeien, maar het kwijnt en treurt ook niet, en het wordt niet kleurloos en kaal zoals zij. Het is altijd groen, en door de rijp wordt het alleen maar helderder en blijer. — John Ruskin.
Vers 17
Zijn naam zal voortgeplant worden. Jinnon: in de Kethiv staat janin, en dat betekent “zal nieuw nageslacht voortbrengen” of “zal nieuwe scheuten laten uitlopen.” De heer Renan was zeker niet van plan een uitleg bij dit vers te geven toen hij over de Heere Jezus zei: “Son culte se rajeunira sans cesse.” Toch zou je moeilijk een krachtiger toelichting op de betekenis van jannin kunnen vinden. — William Kay.
Vers 17 (tweede zinsdeel)
Van alle vertalingen en opvattingen lijkt die van Gussetius de beste: Zijn naam zal kinderen voortbrengen of verwekken voor de zon. Dat betekent: Zijn naam, gepredikt als het evangelie (want dat is Zijn naam, Hand. 9:15), zal het middel zijn om veel zonen en dochters te verwekken, openlijk en voor ieders ogen, in het aangezicht van de zon en overal waar zij schijnt. — John Gill.
Vers 17
Alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen. Soms wordt zonder nadenken beweerd dat het Oude Testament eng en uitsluitend is, en het Nieuwe Testament ruim en voor iedereen. Dat is een vergissing. Op dit punt zijn het Oude en het Nieuwe Testament het eens. “Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren”: dat is de leer van het Nieuwe Testament evengoed als van het Oude. Allebei verkondigen ze het evangelie even ruim aan alle mensen. Het verbond met Adam en met Noach geldt nog steeds, zeker voor iedereen die zich tot God keert. En van de roeping van Abram wordt uitdrukkelijk gezegd dat ze een middel is om zegen te brengen aan alle geslachten van de mensen.
Het Nieuwe Testament wil niets anders dan dit: het begroet alleen dat hetzelfde genadige doel nu dichtbij zijn vervulling komt. — James G. Murphy, in “A Critical and Exegetical Commentary on the Book of Genesis,” 1863.
Vers 19
Amen, ja, amen. Rabbi Jehuda de Heilige zei: “Wie in deze wereld Amen zegt, is het waard om het ook te zeggen in de toekomende wereld. Daarom spreekt David in deze psalm twee keer Amen uit: het ene ‘Amen’ hoort bij deze wereld, het andere bij de wereld die komen zal. Wie met eerbied ‘Amen’ zegt, staat hoger dan wie de gebeden uitspreekt. De gebeden zijn namelijk alleen de letters, en het Amen is het zegel. De schrijver schrijft de letters, maar alleen de vorst zet er zijn zegel op.” — Neale en Littledale.
Vers 19
Amen, ja, amen. Wat Amen is in Matth. 16:28, is alēthōs, “voorwaar,” in Luk. 9:27. Onze Heiland gebruikt dit “Amen, Amen” als Zijn eigen uitdrukking. Hij bevestigt er de leer mee en vraagt onze aandacht en ons geloof. Of Hij wil laten merken dat er niet alleen waarheid wordt gesproken, maar dat het gesproken wordt door Hem Die de waarheid Zelf is. … Je hebt geen voorschrift van de mannen van de Grote Synagoge nodig, geen regel, om een mens te gebieden te blozen, als het alleen de natuurlijke aandrift is die dat doet.
Zo stroomt ook, als het hart warm is in gebed, met ernstige en vurige gevoelens, een dubbel Amen even vanzelf uit ons op als melk uit de borst van een moeder voor haar zuigeling. En Amen komt van aman, dat “zogen” betekent. Het is als het ware, zo niet de moeder, dan toch de trouwe min van levende toewijding aan God. Instemming met herhalingen hoort wezenlijk bij het gebed, en die wordt in het openbaar alleen aangeduid met één Amen. — Thomas Woodcock (†1695), in “Morning Exercises.”
Vers 19
Amen is een kort woord, maar wonderlijk zwanger, vol betekenis, vol geest. Het is een woord dat alle waarheden van God verzegelt, en elke afzonderlijke belofte van God. In de ziel komt het waarschijnlijk nooit op, tenzij er eerst een almachtige kracht uit de hemel komt die de krachten van de ziel grijpt, onderwerpt en haar “Amen” laat zeggen. Het hart komt van binnen zo in opstand en verzet zich van nature zo hevig tegen Gods gezegende waarheid, dat het nooit “Amen” zal of kan zeggen, tenzij God het hart met Zijn sterke arm neerbuigt. — Richard Sibbes.
Vers 20
“De gebeden van David, den zoon van Isai, hebbende een einde.” Deze mededeling laat doorschemeren dat er behalve deze nog andere psalmen zullen volgen. Ze zou overbodig zijn als er geen psalmen volgden die de naam van David op hun voorhoofd dragen. Daar moet ze dus wel op wijzen, en dat heeft iets van een raadsel: die extra psalmen staan in andere verbanden dan de psalmen in de eerste twee boeken. Alles wordt volkomen helder en zeker als we merken dat alle psalmen van David in de laatste twee boeken als onderdelen zijn opgenomen in latere verzamelingen.
Het onderschrift aan het einde van het tweede boek moet bedoeld zijn om het losse te scheiden van het gebondene: de verspreide, op zichzelf staande psalmen van David van elkaar. Enigszins vergelijkbaar is het onderschrift “De woorden van Job hebben een einde,” Job 31:40. Dat wordt niet weerlegd doordat Job in hoofdstuk 41 en 42 weer aan het woord komt. Het moet juist gezien worden als een hulp om die formele afsluiting goed te begrijpen. — E. W. Hengstenberg.
Vers 20
Aan het slot van deze psalm staat in de Hebreeuwse afschriften: “Hier eindigen de gebeden van David, den zoon van Isai.” Maar omdat er nog meer psalmen van David volgen, moeten we deze aantekening zo opvatten: “Hier eindigt dit boek met gebeden van David,” of: “Hier eindigt de verzameling lofzangen die David zelf heeft gemaakt.” Later zijn er namelijk toevoegingen bij gekomen, met andere lofzangen van David, van Asaf en anderen, en ten slotte van Ezra. — Daniel Cresswell.
Vers 20
“De gebeden van David, den zoon van Isai, hebbende een einde.” Zolang de indeling van het Psalter in vijf boeken genegeerd werd, bezorgde deze aantekening de uitleggers alleen maar hoofdbrekens. Augustinus en zijn leermeester Ambrosius van Milaan vonden haar in hun Psalters tussen psalm 72 en psalm 73. Ze hielden haar voor een deel van het opschrift van die laatste psalm en pijnigden hun verstand om haar betekenis te ontrafelen. Calvijn zag wel dat de aantekening terugkijkt, maar omdat hij niet had gemerkt dat ze aan het einde van een boek staat, dacht hij dat ze alleen hoorde bij de psalm die er direct aan voorafgaat.
Voor hem betekende ze dat die psalm de laatste gebeden van de bejaarde koning bewaart. Maar dat kon hij niet rijmen met twee duidelijke feiten: het opschrift van de psalm schrijft hem toe aan Salomo, en een heel andere psalm wordt elders bewaard als “de laatste woorden van David” (2 Sam. 23:1). Die verlegenheid van de grote Hervormer deelden de oudere uitleggers over het algemeen. Wij zijn er in één keer van af als we gewoon letten op de plaats van deze aantekening. Ze staat na een lofprijzing die het einde van het Tweede Boek markeert.
Ze heeft dus geen bijzondere band met psalm 72. Ze verwijst naar het Tweede Boek, of, waarschijnlijker, naar het Eerste en het Tweede samen. — William Binnie.
Vers 20
“De gebeden van David, den zoon van Isai, hebbende een einde.” (Vergelijk Psalm 86, opschrift: Een gebed van David.) Hoe kunnen de gebeden van David afgelopen heten, als er nog meer beginnen? Antwoord: het doel dat David had met het maken van psalmen, gebeden en lofzangen, is één ding. Maar een definitief einde maken aan het bidden is iets anders. Er zijn veel verschillende meningen gegeven om dit met elkaar te verzoenen. Sommigen menen dat hier de gebeden eindigen die hij voor Salomo deed. Anderen dat het de gebeden zijn uit de dagen van zijn verdrukking.
Weer anderen zeggen dat hier de lofzangen eindigen die hij maakte, en niet de gebeden, doordat ze het woord tephilloth veranderen in tehilloth. Sommigen denken dat hier Davids psalmen eindigen en dat de rest die volgt van Asaf is. Sommigen dat deze psalm de laatste was en dat de overige pas na zijn dood zijn gevonden. Weer anderen vinden dat het gezegd is zoals in Job 31:40: “De woorden van Job hebben een einde.” En toch sprak Job daarna nog wel enkele woorden, maar niet zoveel. De gezondste oplossing is echter deze: “Hier eindigen de gebeden van David, den zoon van Isai” betekent: hier zijn ze voltooid.
Vraagt iemand daarna wat het einddoel is, en waar het ligt, waarvoor al deze psalmen gemaakt zijn? Zeg hun: het ligt hier, in deze psalm, en daarom is ze midden tussen alle andere geplaatst. Als het middelpunt in het midden van een cirkel komen hier alle lijnen samen, en alle psalmen eindigen hier. Want deze psalm is niets anders dan een profetische verhandeling over het koninkrijk van Christus, levensecht uitgewerkt, en ze is aan Salomo opgedragen omdat hier wijsheid is. Andere mensen hadden misschien andere einddoelen, maar de zoon van Isai had in de wereld geen ander doel dan met zijn psalmen het koninkrijk van Christus uit te beelden. — William Streat, in “The Dividing of the Hoof,” 1654.
Vers 20
De zoon van Isai. Het kenmerk van ware nederigheid en oprechte liefde tot God is dat we onszelf vernederen en onze lage staat erkennen, de staat waarin God ons aantrof toen Hij Zijn liefde over ons uitstortte. Zo kunnen we de rijkdom van Gods goedheid en genade jegens ons prijzen, zoals dat hier bij David te zien is. — David Dickson.
Vers 20
Hebbende een einde. Bedoeld wordt dat David, de zoon van Isai, niets meer had om voor te bidden of naar te verlangen buiten de grote dingen die in deze psalm beschreven staan. Niets kan inspirerender zijn dan deze afsluiting. Nadat hij de zegeningen van de regering van de Messias heeft beschreven, besluit hij het geheel met deze prachtige lofprijzing:
Geloofd zij Jehova God, de God van Israël, Die alleen wonderen doet;
en geloofd zij Zijn Naam der heerlijkheid,
en de gehele aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld.
Amen, en amen.
Voltooid zijn de gebeden van David, de zoon van Isai.
— Samuel Horsley.
Wenken voor de dorpsprediker
Gehele psalm
- Hij zal.
- Zij zullen. Speel met deze wisselingen, zoals de psalm zelf doet.
Vers 1
Het gebed van de oude kerk, nu vervuld.
- De titels van onze Heere.
(a) Koning, door Zijn goddelijke natuur.
(b) Koningszoon, in beide naturen. Zo zien we Zijn eigen, aangeboren macht en Zijn afgeleide macht.
- Het gezag van onze Heere: “Rechten.”
(a) Om over Zijn volk te regeren.
(b) Om de wereld te besturen, tot voordeel van Zijn volk.
(c) Om de mensheid te oordelen.
(d) Om de duivels te oordelen.
- Het karakter van onze Heere. Hij is rechtvaardig in belonen en in straffen, rechtvaardig tegenover God en tegenover mensen.
- Ons trouwe gebed. Daarmee vragen we om Zijn heerschappij over onszelf en over het hele heelal.
Vers 2
De heerschappij van Christus in Zijn kerk.
- De onderdanen.
(a) Uw volk: de uitverkorenen, de geroepenen, enzovoort.
(b) Uw ellendigen: ellendig door overtuiging en bewustzijn van zonde.
- De heerser. Hij alleen, Hij werkelijk, Hij voortdurend, enzovoort.
- De heerschappij. Rechtvaardig, onpartijdig, zachtmoedig, verstandig, enzovoort. Les: verlang naar deze heerschappij.
Vers 3
Bergen van goddelijk besluit, van onveranderlijke waarheid, van almachtige kracht, van eeuwige genade, enzovoort. Deze bergen van God zijn waarborgen voor vrede.
Vers 4
De koning van de armen, oftewel: wat de armen te winnen hebben bij de regering van Jezus.
Vers 5
Het blijvende karakter van het evangelie: de redenen daarvoor, wat het bedreigt en welke lessen we eruit trekken.
Vers 6
Het veld, de regenbui, het resultaat. Dit vers is op allerlei manieren gemakkelijk genoeg te behandelen.
Vers 7
- Rechtvaardigen bloeien de ene tijd meer dan de andere.
- Ze bloeien het meest wanneer Jezus bij hen is: “in zijn dagen,” enzovoort.
- De vrucht van hun groei is daarmee evenredig overvloedig: en de overvloed, enzovoort. — G. Rogers.
Vers 7
De overvloed van vrede. Overvloedige aanbiedingen van vrede, overvloedige verlossing die vrede sticht, overvloedige vergeving die vrede geeft, overvloedige invloed van de Geest die vrede verzegelt, overvloedige beloften die vrede waarborgen, overvloedige liefde die vrede verspreidt, enzovoort.
Vers 8
De verbreiding van het evangelie over de hele wereld. Andere opvattingen over de toekomst worden weerlegd en hun schadelijke invloed wordt blootgelegd, terwijl het nut en de zekerheid van deze waarheid worden verdedigd.
Vers 9 (laatste zinsdeel)
Het smadelijke einde van Christus’ vijanden.
Vers 10
Christenen en hun geld: vrijwillig, maar rijkelijk zijn de gaven die aan Jezus worden gebracht.
Vers 12
Christus’ bijzondere zorg voor de armen.
Vers 12
- Mensen om medelijden mee te hebben.
- Diepe ellende: “roept”; “geen helper.”
- Een natuurlijke toevlucht: “roept.”
- Een heerlijk ingrijpen. — G. Rogers.
Vers 14
De hoop van de martelaar in het leven en zijn troost in de dood. — G. Rogers.
Vers 14 (laatste zinsdeel)
Het bloed van de martelaar.
- Door God gezien op het moment dat het wordt vergoten.
- Door Hem onthouden.
- Geëerd doordat het de kerk tot zegen is.
- Vooral in de hemel beloond.
Vers 15
“Men zal geduriglijk voor hem bidden.” We moeten bidden voor Jezus Christus. Hij is betrokken bij bepaalde zaken en mensen. Wat daarvoor gedaan wordt, is dus voor Hemzelf gedaan, en Hij beschouwt het ook zo. We bidden daarom voor Hem als we bidden voor Zijn dienaren, Zijn verordeningen, Zijn evangelie, Zijn kerk, kortom: voor Zijn zaak. Maar waarvoor moeten we namens Hem bidden?
- De omvang van haar middelen: dat er altijd genoeg geschikte en bekwame mensen als werktuigen zijn om het werk voort te zetten.
- De vrijheid van haar bestuur: dat alles wat haar voortgang tegenhoudt of belemmert, uit de weg wordt geruimd.
- De verspreiding van haar beginselen: dat ze algemeen en universeel worden.
- De groei van haar heerlijkheid, net als van haar omvang. — W. Jay.
Vers 15
Gebed voor Jezus: een veelzeggend onderwerp. Dagelijkse lofprijzing: een christenplicht.
Vers 15
Een levende Heiland, een gevend volk: het verband tussen die twee. Of: Christus in de kerk vult de schatkist, stimuleert de gebedssamenkomst en maakt van het zingen een heilige dienst.
Vers 16
- Een treffende beschrijving van het evangelie: het is een handvol koren.
- De plaatsen waar het wordt gezaaid.
- De gezegende gevolgen die dit evangelie, zo gezaaid, in de wereld zal hebben. — J. Sherman.
Vers 16
- Het begin.
- De openbaarheid.
- De groei.
- De uitkomst.
Vers 16
- Wat? Koren.
- Hoeveel? Een handvol.
- Waar? “In het land op de hoogte der bergen.”
- Zal het groeien? “De vrucht daarvan,” enzovoort.
- En dan? “Die van de stad,” enzovoort.
Vers 17
- Christus verheerlijkt in de kerk: mensen zullen in Hem gezegend worden, enzovoort.
- Verheerlijkt in de wereld: alle heidenen, enzovoort.
- Verheerlijkt in de komende werelden: zal zijn tot in eeuwigheid, zal voortgeplant worden, enzovoort.
- Voor eeuwig verheerlijkt. — G. Rogers.
Vers 17–19
De vier gezegenden: hun betekenis en hun volgorde.
Vers 20
- Gebed moet veelvuldig zijn: “De gebeden.”
- Het moet persoonlijk zijn: “Van David.”
- Je moet er vroeg mee beginnen: “den zoon van Isai.”
- Het moet worden voortgezet tot de gebeden niet meer nodig zijn.
Hier eindigt het Tweede Boek der Psalmen.
Werk over de tweeënzeventigste psalm
In Chandler’s “Life of David,” deel 2, blz. 440–44, staat een uitleg van deze psalm.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas