Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 71 — Treasury of David

Titel
Deze psalm heeft geen opschrift. Sommigen denken daarom dat Psalm 70 als voorspel bedoeld was en er later van is losgeraakt. Zulke verzinsels zijn voor ons waardeloos. We kennen al vijf psalmen zonder opschrift, en die zijn net zo volledig als de psalmen die er wel een dragen. Hier horen we het gebed van de bejaarde gelovige. Hij heeft een lang en bijzonder leven met God achter de rug, en dat geeft zijn geloof een heilige zekerheid. Vol vertrouwen pleit hij tegen zijn vijanden en vraagt hij om nog meer zegen voor zichzelf. Hij rekent op een genadig antwoord en belooft de Heere daarom uitbundig te prijzen.
Indeling
De eerste vier verzen zijn een hulpkreet van het geloof; de vier daarna zijn een getuigenis van wat hij heeft meegemaakt. In Ps. 71:9–13 pleit de oude heilige tegen zijn vijanden. Daarna verheugt hij zich in zijn hoop, in Ps. 71:14–16. In Ps. 71:17–18 keert hij terug naar het gebed. In Ps. 71:19–21 herhaalt hij het vertrouwen dat zijn ziel zo opbeurde, en aan het slot belooft hij overvloedig te danken. Je kunt de hele psalm lezen als de stem van een geloof dat strijdt, maar nooit wankelt.
Uitleg
Vers 2
“Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij.” Wees trouw aan Uw woord, o God! Het is rechtvaardig van U om de beloften na te komen die U aan Uw knechten hebt gedaan. Ik heb op U vertrouwd, en U zult zo onrechtvaardig niet zijn dat U mijn geloof vergeet. Ik zit gevangen als in een net, maar bevrijd mij van de boosheid van mijn vervolgers. “Neig Uw oor tot mij, en verlos mij.” Buig U neer naar mijn zwakheid en hoor mijn zachte gefluister. Heb medelijden met mijn gebreken en glimlach naar mij. Ik vraag om redding; luister naar mijn smeken en verlos mij!
Mijn vijanden hebben mij neergeslagen en voor dood laten liggen. Daarom heb ik nodig dat U Zich over mij heen buigt en mijn wonden verbindt. We vragen deze barmhartigheid op grond van ons geloof, en daarom kan ze ons niet geweigerd worden.
Vers 3
“Wees mij tot een Rotssteen, om daarin te wonen.” Laat mij bij U binnengaan en daar zo thuis zijn als een man in zijn eigen huis. Laat mij dan ook in U blijven wonen, als in mijn vaste verblijf. Mijn vijanden vallen mij lastig. Ik heb dus een woning nodig die stevig is gebouwd en versterkt, een huis dat een belegering doorstaat en tegen legers bestand is. Laat Uw almacht mij veilig bewaren en wees voor mij een vesting. Hier zien we een zwakke man in een sterke woning. Zijn veiligheid hangt af van de toren waarin hij schuilt, en komt niet in gevaar door zijn eigen zwakheid.
“Om geduriglijk daarin te gaan.” Dit slot is stevig dicht voor elke tegenstander. Ze kunnen de poorten niet openbreken: de ophaalbrug is omhoog, het valhek is neergelaten en de grendels zitten vast. Maar er is een geheime deur. Daardoor kunnen de vrienden van de grote Heere op elk uur van de dag en de nacht naar binnen, zo vaak ze maar willen. Er is nooit een uur waarop bidden niet mag. De poorten van de barmhartigheid staan wijd open en ze blijven open, totdat de Heere van het huis ten slotte opstaat en de deur sluit.
Gelovigen ontdekken dat hun God hun woning is: sterk en toch toegankelijk. Dat is voor hen genoeg tegen alle kwalen van hun sterfelijke leven.
“Gij hebt bevel gegeven, om mij te verlossen.” De natuur heeft de opdracht om zacht te zijn voor Gods knechten. De Voorzienigheid heeft het bevel hun welzijn te bewerken, en de krachten van de onzichtbare wereld zijn aangesteld als hun bewakers. David gaf al zijn troepen de order om de jonge Absalom te sparen, en toch viel hij. Gods bevel heeft veel meer gezag, want het dwingt gehoorzaamheid af en bereikt zijn doel. Verderf kan ons niet verderven en hongersnood kan ons niet uithongeren. We lachen om beide, zolang Gods bevel ons beschermt. Geen stenen op het veld kunnen ons neerhalen zolang engelen ons op hun handen dragen. De wilde dieren kunnen ons niet verslinden zolang Davids God ons uit hun woede redt, of Daniëls God hun ontzag voor ons geeft.
“Want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg.” In God vinden we alle veiligheid die de natuur met haar rots en de kunst met haar burcht ooit zouden kunnen bieden. Hij is de volmaakte beschermer van Zijn volk. De rots staat voor Zijn onveranderlijkheid, de burcht voor Zijn almacht. Gelukkig is wie het bezittelijk voornaamwoord “mijn” mag gebruiken, en niet maar één keer, maar zo vaak als de vele kanten van de Heere dat gepast maken. Is Hij een sterke woning? Dan noem ik Hem “mijn sterke woning”. Dan is Hij ook mijn rots, mijn burcht, mijn God (Ps. 71:4), mijn hoop, mijn vertrouwen (Ps. 71:5) en mijn lof (Ps. 71:6). Alles wat van mij is, zal van Hem zijn, en alles wat van Hem is, zal van mij zijn.
Daarom was de psalmist ervan overtuigd dat God zijn redding had bevolen: Hij had hem in staat gesteld tot een rustig geloof dat zich Gods genade toe-eigent.
Vers 4
“Mijn God, bevrijd mij van de hand des goddelozen.” God staat aan onze kant. Wie onze vijanden zijn, zijn ook de Zijne, want ze zijn goddeloos. Daarom zal de Heere Zijn eigen bondgenoten zeker redden, en Hij zal niet toelaten dat het kwaad over de rechtvaardige zegeviert. Wie zo’n gebed naar de hemel stuurt, doet zijn vijanden meer kwaad dan wanneer hij een batterij Armstrong-kanonnen op hen had gericht.
“Van de hand desgenen, die verkeerdelijk handelt, en des opgeblazenen.” Omdat ze goddeloos zijn tegenover God, gedragen ze zich onrechtvaardig tegenover mensen en wreed in hun vervolging van de vromen. Er worden hier twee handen genoemd. De ene grijpt, de andere verplettert. Ze slaan en zouden doden, als God het niet verhinderde. Al hadden ze zoveel handen als Briareüs, Gods vinger is meer dan genoeg voor hen.
Vers 5
“Want Gij zijt mijn Verwachting, Heere, HEERE!” God geeft ons genade om op Hem te hopen. Dan zal Hij onze hoop ook zeker vervullen, en daarom mogen we die hoop in ons gebed aanvoeren. Zijn naam is “O HEERE, Israels Verwachting!” (Jer. 17:13). Hij kan geen valse of falende hoop zijn. We mogen dus verwachten dat ons vertrouwen wordt bevestigd.
“Mijn Vertrouwen van mijn jeugd aan.” David had zijn geloof al bewezen met opmerkelijke daden toen hij nog jong was en blozend. Hij dacht er bemoedigd aan terug, en hij was er zeker van dat de God van zijn jeugd hem op zijn oude dag niet zou verlaten. Wat zijn ze bevoorrecht, die net als David, Samuël, Josia, Timotheüs en anderen kunnen zeggen: “Gij zijt … mijn Vertrouwen van mijn jeugd aan.”
Vers 6
“Op U heb ik gesteund van den buik aan.” Voordat hij de macht kon begrijpen die hem bewaarde, werd hij er al door gedragen. God kent ons nog voordat we iets weten. De uitverkorenen lagen van oudsher in Gods schoot, vóór ze op de schoot van hun moeder werden gelegd. En toen hun kinderlijke zwakheid nog geen voeten had die sterk genoeg waren om haar te dragen, hield de Heere haar overeind. We doen er goed aan na te denken over Gods goedheid voor ons in onze kinderjaren, want die geeft ons veel reden tot dank.
“Van mijner moeders ingewand aan zijt Gij mijn Uithelper.” Zelfs vóór het bewuste leven zorgt God al voor Zijn uitverkorenen. Een geboorte is een geheim van barmhartigheid, en God is er bij moeder én kind. Als huwelijken in de hemel worden ingeschreven, dan zeker ook geboorten. Godvrezende vrouwen doen er goed aan God te danken voor Zijn barmhartigheid in het gevaarlijke uur van de bevalling. Maar ieder die uit een vrouw geboren is, heeft evenveel reden tot dankbaarheid. Wie het leven heeft behouden, moet danken, en wie het leven heeft gekregen ook.
“Mijn lof is geduriglijk van U.” Wie voortdurend goedheid ontvangt, moet voortdurend lof brengen. God is de cirkel waarin de lof begint, doorgaat en eindeloos blijft ronddraaien, want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij.
Vers 7
“Ik ben velen als een wonder geweest.” Voor duizend ogen ben ik een mikpunt en een bezienswaardigheid. De heiligen zijn mensen over wie men zich verbaast. Hun donkere kant is vaak om van te schrikken, hun lichte kant is soms verbluffend mooi. De gelovige is een raadsel, een puzzel voor wie geen geestelijk leven kent. Hij is een vreemde eend die strijd voert tegen de geneugten van het vlees, terwijl die voor andere mensen alles zijn. Hij is een wonderteken dat goddeloze mensen niet kunnen verklaren: een wonder waar men naar staart, waar men bang voor is en dat men al snel minachtend bespot. Weinigen begrijpen ons en velen verbazen zich over ons.
“Doch Gij zijt mijn sterke Toevlucht.” Hier ligt het antwoord op ons raadsel. Zijn we sterk? Dan is dat in God. Zijn we veilig? Dan geeft onze toevlucht ons beschutting. Zijn we kalm? Dan heeft onze ziel haar steun in God gevonden. Als je het geloof begrijpt en de gronden van zijn vertrouwen ziet, is de gelovige geen wonder meer. Het echte wonder is dat er onder de mensenkinderen nog zoveel ongeloof overblijft.
Vers 8
“Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, den gansen dag met Uw heerlijkheid.” Wat een gezegende mondvol! Daar word je nooit afkerig van, ook al proef je het de hele dag. Gods brood is altijd in onze mond, en zo moet ook Zijn lof er altijd zijn. Hij vervult ons met het goede; laten wij ook vol dankbaarheid zijn. Dan blijft er geen ruimte over voor mopperen of achterklap. We mogen dus gerust instemmen met deze heilige wens van David.
Vers 9
“Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms.” David was zijn Meester niet beu. Zijn enige angst was dat zijn Meester hem beu zou worden. In de Bijbelse geschiedenis liet de Amalekiet zijn Egyptische knecht van honger omkomen toen die oud en ziek werd. Maar zo doet de Heere der heiligen niet. Tot in onze grijze haren draagt en torst Hij ons. Wee ons als God ons zou laten vallen, zoals menig vorst zijn hoveling heeft laten vallen! De ouderdom neemt onze lichamelijke schoonheid weg en ontneemt ons de kracht voor actieve dienst. Maar ze maakt ons niet minder in Gods liefde en gunst. Een ondankbaar vaderland laat zijn afgeleefde verdedigers verhongeren met een schamel pensioen, maar de gepensioneerden van de hemel worden verzadigd met goede dingen.
“Verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat.” Draag mij en verdraag mijn gebreken. Door God verlaten worden is het ergste kwaad dat we kunnen bedenken. Als de gelovige van die angstige vrees maar verlost is, is hij gelukkig. Geen heilig hart hoeft op dit punt ook maar enige zorg te hebben.
Vers 10
“Want mijn vijanden spreken van mij.” Honden huilen om een stervende leeuw. Toen Davids arm nog sterk genoeg was om zijn vijanden te straffen, durfden ze hem al te belasteren. Nu vreest hij dat ze zich in het uur van zijn zwakheid nog meer vrijheid zullen veroorloven. Eigenlijk bedoelt de tekst dat zijn vijanden hadden gezegd dat God hem zou verlaten. Daarom bidt hij des te dringender dat de trouwe daden van de Heere hen te schande zullen maken.
“En die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen.” De psalmist had vijanden, en ze waren door en door kwaadaardig. Ze zochten zijn totale ondergang. Ze waren hardnekkig en bleven lang op de loer liggen. Daar kwam sluwheid bij: ze lagen in een hinderlaag om hem te verrassen en in het nadeel te grijpen. En dit alles deden ze in de grootste eensgezindheid en na rijp overleg. Ze bedierven hun plan niet door onvoorzichtigheid en schaadden de uitvoering niet door gebrek aan eendracht. De Heere, onze God, is onze enige en volkomen toevlucht tegen elke vorm van vervolging.
Vers 11
“Zeggende: God heeft hem verlaten.” O, wat een bittere hoon! In alle pijlenkokers van de hel zit geen ergere pijl. Onze Heere voelde deze weerhaak in Zijn vlees, en het is dus geen wonder dat Zijn leerlingen hem ook voelen. Als deze uitroep waar was, zou het werkelijk een kwade dag voor ons zijn. Maar God zij dank: het is een schaamteloze leugen.
“Jaagt na, en grijpt hem.” Zet de honden van de vervolging op hem af! Grijp hem, kwel hem, want er is niemand om hem te redden. Weg met hem, want hij heeft geen vrienden. Het is veilig om hem te beledigen, want niemand komt hem te hulp. O, wat een laffe grootspraak van een snoevende vijand! Wat verwondt u de ziel van de gelovige! Alleen wanneer zijn geloof tot zijn Heere roept, kan hij uw wreedheid verdragen.
Vers 12
“O God, wees niet verre van mij.” Dicht bij God zijn: daar voelen we ons veilig. Een kind in het donker wordt gerustgesteld als het de hand van zijn vader vastpakt. “Mijn God! haast U tot mijn hulp.” Als God een verbond met ons heeft gesloten, mogen we Hem de onze noemen. Dat is een machtig pleidooi in het gebed en een grote steun voor ons geloof. De kreet “Haast U” hebben we in dit gedeelte van de Psalmen al vaak gehoord. Hij wordt ontlokt door de zware druk van de ellende. Scherpe pijn maakt snel een einde aan talmend bidden.
Vers 13
“Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn.” Dit alles zal het voor hen zijn als ze zien dat Uw knecht behouden wordt. Als hun plannen mislukken, vervult hun nijd en boosheid hen met een bitterheid die hun leven opvreet. De nederlaag van hun plannen laat hen met lege handen achter. Ze staan beschaamd als ze zich afvragen waarom ze ten onder gaan. De mensen die ze willen vernietigen lijken zo zwak en hun zaak zo verachtelijk, dat ze met stomheid geslagen zijn als ze zien dat die niet alleen alle tegenstand overleven, maar zelfs overwinnen.
Wat moet Farao zich beschaamd hebben gevoeld toen Israël zich vermenigvuldigde, ondanks al zijn pogingen om dat volk uit te roeien! En hoe verteerd van woede moeten de schriftgeleerden en Farizeeën zijn geworden toen ze zagen dat het evangelie van land tot land ging, juist door de middelen die zij hadden gebruikt om het te vernietigen.
“Laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken.” Hij wilde dat hun schande voor alle ogen zichtbaar zou zijn, zodat ze haar als een mantel zouden dragen in hun blozen. Ze zouden de gelovige belachelijk hebben gemaakt als zijn God hem had verlaten. Laat dus hun ongeloof en goddeloosheid in hun eigen personen een openbare spot worden.
Vers 14
In deze drie verzen komt het heilige geloof van de vervolgde heilige naar voren. “Doch ik zal geduriglijk hopen.” Als ik me niet kan verheugen in wat ik heb, kijk ik vooruit naar wat nog voor mij komt, en dan verheug ik me alsnog. Hoop blijft leven op een kale heide en zingt op een tak die onder de sneeuw buigt. Geen tijd en geen plaats zijn ongeschikt voor hoop. Behalve in de hel woont de hoop in alle streken. We mogen altijd hopen, want we hebben altijd redenen daarvoor. We zullen altijd hopen, want ze is een troost die nooit faalt.
“En zal al Uw lof nog groter maken.” Hij was niet traag in danken. Nee, nooit was iemand er ijveriger in. Toch was hij niet tevreden met al zijn eerdere lofprijzingen. Hij beloofde steeds meer een dankbare aanbidder te worden. Als het goede bij ons voortdurend is en blijft groeien, zitten we op de goede weg. We moeten gierigaards zijn in het goede doen, en onze lijfspreuk hoort te zijn: “meer en meer”. We verachten het niet om “uit te rusten en dankbaar te zijn”, maar we kunnen er niet bij blijven rusten in onze dankbaarheid. “Superior!” roept de arend als hij naar de zon opstijgt. Hoger en nog hoger is ook ons doel als we in plicht en toewijding omhoog zweven. Onze blijvende hoop is dat we de Heere meer en meer mogen groot maken.
Vers 15
“Mijn mond zal Uw gerechtigheid vertellen, den gansen dag Uw heil.” We moeten getuigen voor zover onze ervaring reikt. Wat we hebben geproefd en betast, mogen we anderen niet onthouden. Gods trouw verdient het overal te worden verkondigd door wie haar in hun eigen leven hebben ervaren: Zijn trouw in het redden van ons, in het verlossen uit de hand van onze vijanden en in het vervullen van Zijn beloften. Wat schittert de gerechtigheid in Gods plan van verlossing! Ze hoort het thema van ons voortdurende gesprek te zijn.
De duivel raast tegen het plaatsvervangende offer, en dwaalleraars van elke soort maken er het hoofdpunt van hun aanval van. Laten wij daarom deze leer liefhebben en haar blijde boodschap overal en altijd verbreiden. Een mond wordt nooit nuttiger gebruikt dan wanneer hij de gerechtigheid van God vertelt, die geopenbaard is in de redding van wie in Jezus gelooft. Een prediker die tot dit ene thema beperkt was, zou nooit een ander hoeven zoeken. Dit is de medulla theologiae, het merg en de kern van de geopenbaarde waarheid. Heeft onze lezer over dit uitgelezen onderwerp gezwegen? Laten we hem dan aansporen om door te vertellen wat hij van binnen geniet. Wie zo’n blijde boodschap voor zichzelf houdt, doet verkeerd.
“Hoewel ik de getallen niet weet.” Hij kende de zoetheid ervan, de zekerheid, de heerlijkheid en de waarheid. Maar toen hij de volheid, de verscheidenheid en de toereikendheid ervan helemaal wilde berekenen, voelde hij dat hij de hoogte van dit grote onderwerp niet kon bereiken. Heere, waar ik niet kan tellen, zal ik geloven. En als een waarheid alle tellen te boven gaat, geef ik mij over aan bewondering. Toen David over zijn vijanden sprak, zei hij dat ze talrijker waren dan de haren van zijn hoofd. Hij had dus enig idee van hun aantal en vond een passend beeld om dat uit te drukken.
Maar bij de verbondsbarmhartigheden van de Heere zegt hij: “Hoewel ik de getallen niet weet”, en hij waagt zich aan geen enkele vergelijking. Bij schepselen horen getal en grens. Bij God en Zijn genade hoort geen van beide. We mogen daarom Zijn grote heil de hele dag blijven verkondigen, want dit thema is volkomen onuitputtelijk.
Vers 16
“Ik zal heengaan in de mogendheden des Heeren HEEREN.” De Statenvertalers geven een goede zin, maar niet de zin die hier bedoeld is. Die luidt: “Ik zal komen met de machtige daden van de Heere Jehova.” Hij wilde in die daden binnengaan door ze bewonderend te overdenken. Waar hij daarna ook kwam, bleef hij ze vertellen. Wie ons van de machtige daden van de Heere kan vertellen en ons helpt om op Hem te vertrouwen, is altijd een welkome gast.
De woorden van de Statenvertaling mogen we gebruiken als voornemen bij al onze inspanningen. In eigen kracht moeten we falen. Maar als we de stem horen die zegt: “Ga heen in deze uw kracht”, mogen we zonder angst verder gaan. Al stond de hel zelf in de weg, de gelovige zou het pad van de plicht blijven volgen en roepen: Ik zal heengaan in de mogendheden des Heeren HEEREN. Ik zal Uw gerechtigheid vermelden, de Uwe alleen.
Aan de gerechtigheid van mensen valt niets te vermelden. Vuile lompen kun je het best verbergen. En er is geen gerechtigheid onder de hemel, noch in de hemel, die met de gerechtigheid van God te vergelijken is. God Zelf vult alle ruimte en is daarom de enige God, Die geen plaats laat voor een ander. Zo vult Gods gerechtigheid in Christus Jezus de ziel van de gelovige. Hij ziet alle andere dingen slechts als drek en afval, “opdat ik Christus moge gewinnen. En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof.” Wat baat het een stervend mens om over een andere gerechtigheid te spreken? En we zijn allemaal stervende mensen.
Laat wie wil maar de natuurlijke onschuld van de mens prijzen, de waardigheid van ons geslacht, de zuiverheid van de wijsgeren, de lieflijkheid van onbeschaafde wilden, de kracht van de sacramenten en de onfeilbaarheid van de pausen. Dit is het onwrikbare besluit van de ware gelovige: “Ik zal Uw gerechtigheid vermelden, de Uwe alleen.” Voor altijd aan U gewijd, mijn Heere, zij deze arme, onwaardige tong, wier eer het zal zijn U te verheerlijken.
Vers 17
“O God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan.” Het was een troost voor de psalmist om terug te denken aan zijn vroegste dagen. Al van jongs af was hij een leerling van de Heere geweest. Niemand is te jong om door God onderwezen te worden. Wie vroeg begint, maakt zelfs de beste vorderingen. “En tot nog toe verkondig ik Uw wonderen.” Wat hij geleerd had, vertelde hij door. Hij was een leerling die al les gaf. Hij bleef leren en vertellen en liep nooit weg bij zijn eerste Meester. Ook dát was een troost voor hem, en het gaf hem rust.
Die rust kennen zij niet die uit de school van het evangelie zijn weggelokt naar de universiteiten van wijsbegeerte en ongeloof. In onze tijd, nu mensen oude lichten inruilen voor nieuwe, hebben we een heilig vasthouden aan het goede hard nodig. Wij willen de wonderen van Gods reddende liefde blijven leren én doorgeven, totdat we iets edelers vinden dat onze ziel méér bevredigt. Daarom hopen we dat men onze grijze hoofden nog zal aantreffen op dezelfde weg die we altijd gegaan zijn, helemaal terug tot onze baardloze jeugd.
Vers 18
“Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God.” Iemand die wit is geworden door de sneeuw van vele winters, raakt ons. De oude, trouwe soldaat krijgt eerbied van zijn koning. De dienaar die lang gediend heeft, is zijn meester dierbaar. Nemen onze krachten af? Dan mogen we vol vertrouwen méér voorrechten verwachten in het rijk van de genade, als vergoeding voor het kleiner wordende terrein waarop we in het gewone leven nog iets kunnen doen. Niets kan God ertoe brengen om wie Hem niet verlaten hebben, toch te verlaten. Wij zijn bang dat Hij het zal doen. Maar Zijn belofte kust die angst tot zwijgen.
“Totdat ik dezen geslachte verkondige Uw arm.” Hij wilde zijn getuigenis niet halverwege laten liggen, maar voortzetten en afmaken. Hij zag de jonge mannen en de kleine kinderen om zich heen. Hij wist hoe buitengewoon belangrijk het is om hen op te voeden in ontzag voor God. Daarom wilde hij hen allemaal laten kennismaken met Gods kracht, waarmee Hij Zijn volk schraagt, zodat ook zij zouden leren te leven vanuit geloof. Hij had op die almachtige arm geleund en kon uit eigen ervaring zeggen dat die sterk genoeg is voor alles. Dat wilde hij vertellen voordat zijn leven voorbij was.
“Allen nakomelingen Uw macht.” Hij wilde iets nalaten dat nog ongeboren generaties zouden kunnen lezen. Gods macht vond hij zó lofwaardig, dat hij de eeuwen ervan wilde laten weerklinken tot de tijd niet meer bestaat. Daarvoor leven gelovigen. Ze moeten er dus op toezien dat ze ijverig bezig zijn met dit werk, dat zo echt het hunne is en zo noodzakelijk. Gezegend zijn zij die al in hun jeugd beginnen de Naam van de Heere bekend te maken en niet ophouden totdat hun laatste uur hun laatste woord brengt aan hun goddelijke Meester.
Vers 19
“Ook is Uw gerechtigheid, o God, tot in de hoogte.” Hoog verheven, niet te doorgronden en glorierijk is het heilige karakter van God, en ook Zijn manier om mensen rechtvaardig te maken. Zijn plan van gerechtigheid tilt mensen op uit de poorten van de hel en brengt hen naar de woningen van de hemel. Het evangelie is een hoge leer. Het geeft een hoge ervaring, leidt tot een hoog leven en eindigt in hoog geluk.
“Gij, Die grote dingen gedaan hebt.” Wat anderen doen, is kinderspel naast wat U doet. Het is niet eens waard om in hetzelfde tijdperk genoemd te worden. Schepping, voorzienigheid en verlossing: elk is volkomen uniek, en niets haalt het erbij. “O God! wie is U gelijk?” Zo verheven als Uw werken zijn, zo verheven bent U. U staat zonder weerga, zonder zelfs maar een tweede naast U. Zo zijn ook Uw werken, en zo is vooral Uw plan om zondaars rechtvaardig te maken door de gerechtigheid die U Zelf hebt aangebracht.
Aanbidding is de houding die bij de gelovige past. Wanneer hij God nadert, betreedt hij een gebied waar alles hoger is dan hoog. Overal zijn wonderen van liefde, en wonderen waarin rechtvaardigheid en genade samenkomen. Een reiziger in de hoge Alpen wordt vaak overweldigd door ontzag bij al die verbazingwekkende hoogten. Nog veel sterker gebeurt dat wanneer wij kijken naar de hoogten en diepten van de barmhartigheid en heiligheid van de Heere. “O God! wie is U gelijk?”
Vers 20
“Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken.” Hier trekt het geloof een stellige conclusie uit de oneindige grootheid van de Heere. Hij was sterk genoeg om te slaan; Hij is ook sterk genoeg om te redden. Hij liet mij veel zware, felle beproevingen zien, en Hij zal mij ook veel kostbare barmhartigheden laten zien. Hij heeft mij bijna gedood, maar Hij zal mij snel weer laten opleven. En al ben ik bijna dood en begraven geweest, Hij zal mij laten opstaan en mij weer omhoog halen uit de diepten van de aarde.
Hoe diep de Heere ons ook laat zinken: aan die daling stelt Hij een grens, en op Zijn tijd brengt Hij ons weer omhoog. Zelfs als we in het graf liggen, is het genade dat we niet lager kunnen gaan. We zullen onze schreden terugvinden en opklimmen naar betere landen. En dat alles omdat de Heere altijd machtig is om te redden. Een kleine God zou ons laten vallen, maar niet Jehova, de Almachtige. Op Hem leunen is veilig, want Hij draagt de pilaren van hemel en aarde.
Vers 21
“Gij zult mijn grootheid vermeerderen.” Als koning groeide David in invloed en macht. God deed grote dingen voor hem en door hem, en meer grootheid zoeken gelovigen niet. Mogen wij zo’n geloof in God hebben als uit deze woorden spreekt.
“En mij rondom vertroosten.” Zoals verdrukkingen ons omringden, zo zullen we nu omgeven worden door vertroostingen. Van boven en van alle kanten komt er licht dat onze vroegere somberheid verdrijft. Wat een grote verandering zal dat zijn, wanneer de Heere terugkomt om ons te troosten! Hier staat de laatste belofte van lof.
Vers 22
“Ook zal ik U loven met het instrument der luit.” Zo’n verbazingwekkende liefde van God vraagt om de zoetste lof. David wilde zijn beste muziek aan de beste Meester geven, zowel zang als instrument. Zijn harp zou niet zwijgen, en zijn stem ook niet. “Uw trouw, mijn God.” Dit blijft altijd een betoverende eigenschap van God: de waarheid en getrouwheid van onze God van het verbond. Daarop rusten wij, en daaruit putten we stromen van de rijkste troost. Zijn beloften zijn zeker, Zijn liefde verandert niet, Zijn waarachtigheid is niet te weerspreken. Welke heilige zal Hem niet prijzen als hij hieraan denkt?
“Ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israels!” Hier horen we een nieuwe naam, en bijna een nieuw lied. “Heilige Israels” is tegelijk een verheven en een innemende naam, vol onderwijs. Laten we besluiten Hem te eren met alle middelen die we hebben. Hier staat de laatste belofte van lof.
Vers 23
“Mijn lippen zullen juichen, wanneer ik U zal psalmzingen.” Het zal mij nooit vermoeien om U te loven, hoe lang het ook duurt. Het zal een heerlijke ontspanning zijn, een troost en een vreugde. Een lied is pas een lied door de heilige vreugde van de zanger.
“En mijn ziel, die Gij verlost hebt.” Zingen met de ziel is de ziel van het zingen. Zolang mensen niet verlost zijn, lijken ze op ontstemde instrumenten. Maar zodra het dierbare bloed hen vrij heeft gemaakt, zijn ze geschikt om de Heere groot te maken Die hen gekocht heeft. Dat we voor een prijs gekocht zijn, is meer dan genoeg reden om ons met hart en ziel te wijden aan de aanbidding van God, onze Zaligmaker. Hier staat de laatste belofte van lof.
Vers 24
“Ook zal mijn tong Uw gerechtigheid den gansen dag uitspreken.” Ik zal praten met mezelf, met U, mijn God, en met mijn medemensen. Mijn thema is Uw manier om zondaars rechtvaardig te maken: de heerlijke ontplooiing van Uw gerechtigheid en genade in Uw dierbare Zoon. Dit altijd verse onderwerp, dat nooit uitgeput raakt, zal steeds bij mij zijn, van zonsopgang tot zonsondergang. Anderen praten over hun geliefden; zij zullen van mij over de mijne horen. Ik word een onvermoeibare prater, zolang dit mij op het hart ligt. In elk gezelschap past dit onderwerp immers.
“Want zij zijn beschaamd, want zij zijn schaamrood geworden, die mijn kwaad zoeken.” Zoals in veel andere psalmen spreken de slotverzen over iets als over een voldongen feit, terwijl er in eerdere verzen alleen nog om werd gebeden. Het geloof gelooft dat het zijn verzoek heeft gekregen, en het heeft het ook. Het geloof is “een vaste grond der dingen, die men hoopt”, een grond zó echt en tastbaar dat de blijde ziel ervan gaat zingen. Zonde, Satan en wereld zijn al overwonnen, en de overwinning is de onze.
“Zonde, Satan en dood verschijnen
om ons te kwellen en te verschrikken;
maar nu de genadige Heere nabij is,
deinzen zij terug en vallen neer.”
“Wij treden hen tegemoet, oog in oog,
gezegend door de zege van Jezus;
wij trekken op in de triomf van Zijn genade,
recht voorwaarts naar onze rust.”
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
In het Hebreeuws heeft deze psalm geen opschrift. In de Septuaginta (LXX) staat er wel een: Van David, van de zonen van Jonadab en van hen die als eersten gevangen werden genomen. Als we aan dit opschrift enig gezag toekennen, was dit een psalm van David die de Rechabieten gebruikten omdat hij zo goed paste bij hun omstandigheden. Zij stamden af van Jonadab (Jer. 35). Ook de Joden die door de Chaldeeën als gevangenen naar Babel werden weggevoerd, zongen haar. Hoe dan ook: waarschijnlijk is David de schrijver, en schreef hij haar op zeer hoge leeftijd, kort voor zijn dood.
De regel die op de volgende psalm volgt en het tweede boek afsluit, wijst misschien op dit feit. Sommige kerkvaders leggen de psalm mystiek uit, als de kerk in haar ouderdom en haar beproevingen aan het einde van de wereld. — “Plain Commentary.”
Gehele psalm
Ik weet dat deze psalm anoniem is. Daarom schrijven veel moderne critici haar toe aan een latere dichter. Maar ik ben ervan overtuigd dat Venema en Hengstenberg voldoende redenen hebben gegeven om vast te houden aan de mening van Calvijn en de oudere uitleggers: de psalm komt uit Davids pen en is het klaaglied van zijn ouderdom. Ze laat ons de ziel zien van een bejaarde heilige, overschaduwd door de herinnering aan zijn grote overtreding en door de zwermen van smarten waarmee die zonde al zijn latere jaren vulde. Maar hij vindt troost door terug te keren naar de gelukkige dagen van zijn kindertijd, en vooral naar het onwankelbare vertrouwen dat hij toen op God mocht stellen.
De gedachten en gevoelens in deze psalm doen denken aan die welke de Tweede Brief aan Timotheüs met zo’n plechtige, tedere betrokkenheid vervullen, de brief die de laatste gedachten van de grote apostel bewaart. Net als Paulus kijkt David terug op alles wat de Heere met hem gedaan heeft, vanaf het begin. In feite zegt hij met de stervende apostel: “Ik … word niet beschaamd; want ik weet, Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag.” 2 Tim. 1:12. Er is alleen een opvallend verschil. Paulus putte steun voor zijn geloof uit dertig jaar wandelen met zijn Heere. Davids ervaring besloeg meer dan twee keer zoveel jaren, want die begon al in zijn kindertijd. — William Binnie.
Gehele psalm
Je kunt je afvragen hoe Christus verzen als Ps. 71:9 en 18 kon gebruiken, want die kijken blijkbaar vooruit naar de zwakte van de ouderdom. Het antwoord is dat Hij zulke woorden gebruikt vanuit Zijn medeleven met Zijn leden, en dat ze in Zijn eigen geval wijzen op een toestand die met ouderdom vergelijkbaar is. Zijn ouderdom kwam al vóór Zijn drieëndertigste jaar, zoals Joh. 8:57 schijnt te impliceren. Want “afgeleefde mensen leven snel.” Barclay lijkt de juiste betekenis te treffen in de volgende regels:—
“Oud en zwak geworden door pijn en verdriet,
nog vóór de helft van zijn jaren voorbij was.”
Bovendien betekenen de woorden: “Verlaat mij niet van nu af aan, al zou ik tot grijze haren leven.” Dat geeft dierbare troost aan bejaarde gelovigen. Zij zouden kunnen zeggen dat Christus hun gevoelens niet helemaal kon begrijpen, omdat Hij nooit de wegkwijnende zwakte van de ouderdom heeft gekend: de afname van krachten, het verval, de lichamelijke gebreken die de geest zo zwaar op de proef stellen. Maar deze psalm laat zien dat Hij ook dat deel van onze pelgrimsreis wél doorlopen heeft. Hij was uitgeput en verteerd in lichaam en gevoel, doordat Hij zoveel leefde in zo’n korte tijd.
De oudere leden van Zijn kerk mogen Zijn zoete medeleven voelen in Jes. 46:3–4. Hier kunnen ze bijna zien hoe Hij op menselijke wijze Zijn les leert, terwijl Hij buigt onder het gewicht van onze zwakheden. Mede om die reden hield Robert Blair, een van onze godvruchtige voorvaderen, bijzonder veel van deze psalm. Hij noemde haar “Zijn Psalm.” — Andrew A. Bonar.
Vers 1
Op U, o HEERE! betrouw ik. Het is alsof hij zegt: Heere, laat niet toe dat wie op U vertrouwen, beschaamd uitkomen en bespot worden. Ik heb al mijn hoop op U gesteld. U bent de God Die, omwille van Uw goedheid en waarheid, nooit in de steek hebt gelaten wie op U hopen. Als U toelaat dat ik beschaamd word, dat mijn vijanden triomferen en dat mijn hoop op U ijdel blijkt, dan komt die schande ongetwijfeld terecht op Uw eigen naam. …
Laten we hieruit leren om ons meer zorgen te maken over wat er door ons met Gods naam gebeurt dan over onszelf. Dat geldt voor wat we doen, en net zo goed voor wat we ondergaan. De profeet is bang dat hij beschaamd wordt omdat hij zijn hoop op God heeft gesteld. Toch lag dat niet in zijn macht en kon hij het ook niet voorkomen. …
Eerst is het nodig dat we echt behoren tot hen die hun hoop op God stellen. Daarna is het nodig dat die godsvrucht van ons hart niet binnenshuis blijft, maar bekend is bij iedereen met wie we te maken hebben, zelfs bij onze tegenstanders en vijanden. Anders hoeven we de beschaming waar de profeet bang voor is helemaal niet te vrezen. Als niemand weet dat onze hoop op God is gericht, valt er immers niets te beschamen. Een kunstenaar die nooit door zijn medemensen hoog is aangeslagen, kan ook niet te schande worden gemaakt. Niemand zegt tegen een zieke: “Medicijnmeester, genees uzelven”, als die arts nooit een goede naam had in de geneeskunde.
Zo zal ook niemand zeggen: “Zij hoopten op God, laat Hij hen dan redden als Hij hen wil hebben”, over mensen van wie nooit iemand heeft gemerkt dat ze op God hoopten. Die bezorgdheid hoort dus alleen thuis bij wie werkelijk op de Heere hopen. Bij anderen past ze niet. — Musculus.
Vers 1
Op U, o HEERE! betrouw ik. Het is een goed begin, en een aanbeveling voor onze gebeden, als we kunnen zeggen dat ons geloof en vertrouwen alleen op God rusten. — Edward Walter, in “A Help to the profitable reading of the Psalms”, 1854.
Vers 2
Red mij door Uw gerechtigheid. Neig Uw oor. Laat mijn redding de vrucht zijn van Uw belofte én van mijn gebed. Dan is ze veel zoeter. — John Trapp.
Vers 2
Door Uw gerechtigheid. Met Gods gerechtigheid bedoelt David hier de deugd waarmee Hij Zijn beloften nakomt: Hij straft onrecht en beloont godsvrucht. Elders heet dat Zijn waarachtigheid. Op deze volmaaktheid doet David een beroep. Niet omdat hij onschuldig was voor God, maar omdat God Zich door beloften aan hem had verbonden. Tegenover de mensen die hem vervolgden stond hij als iemand die onschuldig en rechtvaardig was. Dus verdiende hij het om bevrijd te worden uit deze laatste vreselijke ramp, waarin hij door Absalom was beland. God had immers zo aan hem gehandeld. — Hermann Venema.
Vers 2
Uw gerechtigheid. Niet de mijne. Hij wist dat hij werd getuchtigd om zijn zonde tegen Uria. Hij beroept zich daarom op geen enkele verdienste van zichzelf. — Simon de Muis.
Vers 2
Neig Uw oor. Ik ben zo zwaar gewond dat ik mijn kreet niet eens tot U, de Allerhoogste, kan opzenden. Neig daarom Zelf Uw oor naar mij toe, nu ik halfdood neerlig, achtergelaten door de rovers die mij hebben verwond en beroofd. — Gerhohus.
Vers 3
Om geduriglijk daarin te gaan. Zou hij dan altijd bij Hem aankloppen? Ja, want onze nood, ons werk en ons gevaar vragen daar voortdurend om. We hebben het bevel gekregen om zonder ophouden te bidden. Als we dat gebod erkennen en voelen, en tegelijk vernieuwd worden in de gezindheid van ons gemoed, zullen we er geen spijt van krijgen. We houden van Hem en zijn van Hem afhankelijk. Daarom vinden we het goed om dicht bij God te komen en onze vreugde te zoeken bij de Almachtige. Als we Hem nodig hebben, zullen we Hem nooit onbereikbaar vinden.
Er is een weg naar onze sterke woning, en we kennen die weg. Er is een deur, en wij hebben de sleutel. Geen schildwacht houdt ons tegen. Het huis is van ons, en wie durft ons te verbieden om alles wat erin is te gebruiken? Koningen, hoe welwillend ook, zijn niet altijd te bereiken. Door de menigte van aanvragen, door de grenzen aan hun macht en doordat ze hun waardigheid hoog moeten houden, zijn ze alleen op vaste tijden toegankelijk, en dan met veel plechtige omhaal. Maar de Koning der koningen laat ons vrijmoedig naderen tot de troon van de genade. Hij gebiedt ons zelfs om in alles, door gebed en smeking, onze wensen aan Hem bekend te maken. We kunnen nooit te aanhoudend zijn, en Hem nooit vermoeien door steeds weer te komen. — William Jay.
Vers 3
Gij hebt bevel gegeven, om mij te verlossen. Let op zijn woorden. Hij schrijft aan het woord en het bevel van God een reddende kracht toe, die geen macht op aarde, geen macht in de hel en zelfs de dood niet kan weerstaan. Geef slechts het bevel dat ik gered word, zegt hij, en ik ben in een ogenblik helemaal gered. — Musculus.
Vers 4
De wreedaard is letterlijk de gedesemde: iemand die doortrokken is van haat tegen de waarheid en vijandschap tegen God. Daarom bestrijdt hij Gods volk met geweld. In 1 Korinthe 5:8 worden we gewaarschuwd tegen “den zuurdesem der kwaadheid en der boosheid”. Volgens dat beeld kan zo’n zuurdeeg het hele natuurlijke karakter van een goddeloos mens doortrekken, zijn vermogens en zijn gevoelens. — W. Wilson.
Vers 5
Gij zijt mijn Verwachting. Onze hoop ligt niet alleen in Hem, Hij Zelf is onze hoop. “God, onzen Zaligmaker, en den Heere Jezus Christus”, zegt Paulus, “Die onze Hope is.” 1 Tim. 1:1. Ja, er is iets wat nog dieper en nabijer is: “De rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen”, zegt Paulus, “welke is Christus onder u (Engels: in you), de Hoop der heerlijkheid.” Kol. 1:27. Christus Zelf is onze hoop: als haar enige Schepper, want Hij heeft haar gewekt, en als haar Einde, want in Hem komt ze uit. En omdat Christus het Begin en het Einde is, is Hij ook onze hoop onderweg. Hij zegt immers: “Christus onder u, de Hoop der heerlijkheid.” Kol. 1:27.
Elk verlangen van ons hart, elke hoopvolle lichtstraal die ons tegemoet schijnt, elke aanraking die ons doorstroomt, elke stem die diep in ons binnenste fluistert over het goede dat voor ons klaarligt als we God liefhebben, is het licht van Christus dat ons verlicht. Het is de aanraking van Christus die ons tot nieuw leven opricht. Het is de stem van Christus: “Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” Het is “Christus onder u, de Hoop der heerlijkheid”, Die ons door Zijn Geest, Die in ons woont, naar Zichzelf toe optrekt: onze hoop.
Want onze hoop is niet de heerlijkheid van de hemel, niet vreugde, niet vrede, niet rust na het werk, niet de vervulling van onze wensen. Ze is ook niet de zoete tevredenheid van de hele ziel, niet inzicht in alle verborgenheden en alle kennis, en niet zomaar een stroom van verrukking. Ze is “Christus onze God”, “de Hoop der heerlijkheid.” Niets wat God zou kunnen scheppen, is wat wij verwachten. Niets wat God ons uit Zichzelf zou kunnen geven: geen geschapen heerlijkheid, geen zaligheid, schoonheid, majesteit of rijkdom. Wat wij verwachten is onze Verlossende God Zelf. Zijn liefde, Zijn zaligheid, de vreugde van onze Heere Zelf, Die ons zo heeft liefgehad, om voor eeuwig onze vreugde en ons deel te zijn. — E. B. Pusey.
Vers 5
Van mijn jeugd aan. Wie in zijn jeugd aan God denkt en Hem erkent, zal daar op oude leeftijd veel voldoening van hebben. O, wat een vreugde zal het zijn om terug te denken aan een vroom jeugdig leven! Zelfs Seneca, een heiden, kon zeggen: “Een goed bestede jeugd is de grootste troost van de ouderdom.” David kon met vertrouwen bij God pleiten om uitredding uit de hand van de goddelozen. Want, zegt hij, U bent mijn Verwachting, Heere, HEERE! U bent mijn Vertrouwen van mijn jeugd aan. “Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms; verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat” (Ps. 71:9, 17–18). Een edelmoedig meester zet zijn afgeleefde knecht niet aan de deur.
Toen de proconsul Polycarpus beval Christus te verloochenen en bij de keizer te zweren, antwoordde hij: “Ik heb Christus nu zesentachtig jaar gediend, en Hij heeft mij nooit één keer onrecht gedaan. Zou ik Hem nu verloochenen?” Jakob kon zeggen: “God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op dezen dag.” Hij is mij al mijn dagen goed geweest, en ik vertrouw erop dat Hij ook aan het einde voor mij zal zorgen. Zou ik Hem dan nu de rug toekeren? Waar kan ik heen om het bij een andere meester beter te krijgen? “Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.” Hij Die de steun van mijn jeugd is geweest, zal de wandelstaf van mijn ouderdom zijn. Ik durf mijn ziel te wagen op de belofte van Hem Die mij tot nu toe door Zijn voorzienigheid heeft onderhouden.
“In de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was”; “toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde.” En al zijn nu “de zon, en het licht, en de maan, en de sterren verduisterd” aan mijn natuurlijke horizon, toch geldt: “De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen?” “Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.” Ik heb overvloedig ervaren hoe genadig en nabij Hij is. O, die dagen van barmhartigheid, vele jaren geleden! Een goed mens zei: “In mijn jeugd heb ik verworven wat ik nu voor geen goud ter wereld nog zou willen moeten verwerven.” — Oliver Heywood, 1629–1702.
Vers 6
Hij erkende Gods hand niet, zoals de meeste mensen, alleen wanneer die zich op buitengewone wijze in het leven liet zien. Zijn oog des geloofs zag in Gods gewone werken wonderen. Dat hij uit de schoot van zijn moeder in het daglicht kwam, is voor hem een reden tot lofzegging (Ps. 22:10–11). En is het inderdaad niet een wonder dat het ongeboren kind in die enge ruimte bewaard blijft? Het is een onderpand, vanaf het allereerste begin van ons leven, van wat we later nog zullen ervaren: dat we een God hebben bij Wie “uitkomsten tegen den dood” zijn (Ps. 68:21).
Ligt de reden dat we zo weinig lof aantreffen niet hierin, dat we geen oog hebben voor Zijn dagelijkse wonderen? De psalmist heeft dat oog wél voor de dagelijkse wonderen van de Heere. Daarom is zijn mond elke dag vol van de lof van de Heere. — Augustus F. Tholuck.
Vers 6
Gezegend zij God dat ik ooit geboren ben! — Halyburton.
Vers 6
Dit vers sluit aan op het vorige, maar David gaat hier verder. Hij prijst niet alleen Gods goedheid die hij sinds zijn kindertijd had ervaren, maar ook de bewijzen daarvan die hij al vóór zijn geboorte had ontvangen. Een bijna gelijke belijdenis staat in Psalm 22:10–11. Daar worden Gods wonderbare macht en onschatbare goedheid verheerlijkt in de wijze waarop mensen ontstaan. Dat zou volkomen ongelooflijk zijn, als het niet iets was waar we zo vertrouwd mee zijn.
We staan verbaasd over dat deel van het verhaal van de zondvloed waarin Mozes vertelt (Gen. 8) dat Noach en zijn gezin tien maanden leefden te midden van de stinkende viezigheid van zoveel levende dieren, terwijl hij nauwelijks adem kon halen. Maar hebben we dan niet evenveel reden om ons erover te verwonderen dat het kind, opgesloten in de schoot van zijn moeder, kan leven in een toestand die de sterkste man in een half uur zou doen stikken? Zo zien we echter hoe weinig we rekening houden met de wonderen die God doet, omdat we er zo aan gewend zijn. De Geest bestraft deze ondankbaarheid daarom terecht, door dit gedenkwaardige voorbeeld van Gods genade, bewezen bij onze geboorte en ons ontstaan, onder onze aandacht te brengen.
Wanneer we ter wereld komen, doet de moeder haar werk. Er is misschien een vroedvrouw bij, en veel anderen helpen mee. Maar wat zou er van ons worden als God ons niet, om het zo te zeggen, Zijn hand onderschoof en ons in Zijn schoot ontving? Welke hoop zou er dan zijn dat ons leven voortduurt? Sterker nog: zonder Hem zou onze geboorte zelf de ingang zijn tot duizend doden. Met de grootste juistheid wordt daarom gezegd dat God ons uit het lichaam van onze moeder heeft genomen. Daarbij past het slot van het vers: Mijn lof is geduriglijk van U. De psalmist bedoelt daarmee dat hij steeds stof had gekregen om God zonder ophouden te prijzen. — Johannes Calvijn.
Vers 8
Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof. Laat mijn mond, zeg ik, zo vol zijn van Uw lof dat de rijkdom van Uw genade, o God, die in mijn hart is gestort en over mijn lippen is uitgegoten, U trouw kan verheerlijken, van de bodem van mijn hart tot aan de lippen van mijn mond. Dan zal ik niet gelijken op dat volk, over wie U zegt: “Dit volk … nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, doch hun hart verre van Mij doen.” Jes. 29:13. — Gerhohus.
Vers 9
Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms, enz.; want nu heb ik U het meest nodig. De witte roos wordt het eerst door kanker aangetast. Zo wordt ook het witte hoofd het eerst bedorven. Saepe nigrum cor est, caput album: vaak is het hart zwart waar het hoofd wit is. Satan maakt van Salomo, Asa, Lot en anderen een prooi als ze oud zijn, terwijl hij hen als jonge mannen nooit zo kon bedriegen. De heidenen waarschuwen ons daarom terecht goed op onze oude dag te letten. Die komt niet alleen, maar wordt bezocht door veel kwalen van lichaam en geest.
Dat wist David, en daarom bad hij zoals hier: Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms; verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat. Een oude man die met Kaleb kan zeggen (Joz. 14:10, 14): “Zie, de HEERE heeft mij in het leven behouden”, enz., is zeldzaam. — John Trapp.
Vers 9
Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms, enz. Het is niet onnatuurlijk of misplaatst dat iemand die de ouderdom op zich af ziet komen, bidt om bijzondere genade en bijzondere kracht. Die heeft hij nodig om onder ogen te zien wat hij niet kan afweren en niet anders kan dan vrezen. Want wie kan de gebreken van de ouderdom op zichzelf zien afkomen zonder droefheid en zware gedachten? Wie wil een oude man zijn? Wie kan kijken naar een man die wankelt van de jaren en is gebroken door gebreken? Een man wiens zicht en gehoor verdwenen zijn, die alleen staat te midden van de graven van alle vrienden uit zijn jeugd, en die zichzelf en de wereld tot last is?
Een man die is aangekomen bij “het laatste tafereel van alles, dat dit vreemde, bewogen verhaal besluit”, dat tafereel van “tweede kindsheid, en louter vergetelheid, zonder tanden, zonder ogen, zonder smaak, zonder alles”;
dat tafereel waarin men kan zeggen:—
“Ik heb lang genoeg geleefd; mijn levenspad
is in de herfst beland, bij het dorre, gele blad;
en wat de ouderdom tot gezelschap hoort te zijn,
als eer en liefde, ontzag en vrienden zonder tal,
dat hoef ik niet meer te verwachten;”
Wie kan dit alles overdenken en niet bidden om bijzondere genade voor zichzelf, mocht hij zulke dagen van zwakte en gebrek meemaken? En wie kan, als hij zulke gebreken bedenkt, nalaten in te zien hoe gepast het is om Gods gunst al in jonge jaren te zoeken? — Albert Barnes.
Vers 9
“Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms”, enzovoort. David denkt terug aan de edele daden die hij in zijn jeugd met Gods hulp had gedaan. Nu wordt hij op zijn oude dag vervolgd door een opstandige zoon, en daarom smeekt hij God: laat Uw knecht niet in de steek. Elke levensfase kent haar eigen zwakheid en haar eigen verleidingen. Juist daarom is dit een gebed dat iedereen moet bidden, voordat de ouderdom ons inhaalt. De kerk heeft maar al te veel reden om hetzelfde te bidden, nu zij op leeftijd is gekomen. Het geloof kwijnt, de liefde koelt af en de gebreken van een geestelijke ouderdom overvallen haar snel. — George Horne.
Vers 9
“Verwerp mij niet.” God had Davids voorganger Saul verworpen, en het leek erop dat Hij nu ook hem wilde verwerpen. Ook het volk scheen hem af te willen wijzen, nu het zich bij Absalom aansloot. Daarom heeft dit gebed zoveel kracht. — Andrew Fuller.
Vers 9
“Verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat.” Zo zal Christus ook Zijn kerk niet verlaten in de late dagen van haar bestaan, wanneer het geloof steeds zwakker wordt. — W. Wilson.
Vers 9
“Verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat.” 28 juni. Vandaag begin ik aan mijn zesentachtigste levensjaar. Ik merk dat ik oud word:
- Mijn ogen zijn zwakker geworden. Kleine letters kan ik alleen nog lezen bij sterk licht.
- Mijn kracht is afgenomen. Ik loop veel langzamer dan een paar jaar geleden.
- Mijn geheugen voor namen van mensen en plaatsen is verzwakt. Ik moet even blijven stilstaan om ze mij te herinneren.
Als ik me zorgen zou maken over de dag van morgen, zou ik moeten vrezen dat mijn lichaam mijn geest naar beneden trekt. Mijn afnemende verstand zou me dan koppig kunnen maken, en de toenemende lichamelijke gebreken knorrig. Maar U, Heere mijn God, zult voor mij antwoorden. — John Wesley.
Vers 11
Elke vorm van nood kan door kwaadwillige mensen op de allerergste manier verkeerd worden uitgelegd. Dat zien we aan het lijden van Christus, dat deze beschuldigende spot opleverde: “Dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil” (Matth. 27:43). Davids moeilijkheden maakten het zijn tegenstanders gemakkelijk om te concluderen dat God hem had verlaten en dat niemand hem zou verlossen. Vooral bij zulke moeilijkheden, waarbij vreselijke klachten tegen de lijdende zelf klinken, oordelen mensen sneller stellig en liefdeloos over hem. De nood zelf is namelijk vrij ongewoon en wekt gemakkelijk afschuwelijke indrukken. En wie bedroefd is, zoekt verlichting door zijn nood uit te spreken, maar dat wordt alleen opgevat als een getuigenis tegen hemzelf en als de onbetwijfelbare echo van wat hij werkelijk voelt. — Richard Gilpin (1625–1700), in “Daemonologia Sacra; or, a Treatise of Satan’s Temptations.” (In Nichols Series of Puritan Divines.)
Vers 13
“Laat hen beschaamd worden”, enzovoort. Er zijn mensen die zo goddeloos waren dat ze nooit iets goeds van mij verwachtten. Laat hen beschaamd worden door het bewijs van de zegeningen die duidelijk op mij neerkomen. En laat hen mislukken, nu de grond voor hun smaad is weggevallen, zoals een vuur dooft wanneer het rijshout wordt weggehaald. — Gerhohus.
Vers 13
“Laat hen beschaamd worden”, enzovoort. Volgens de wet van de vergelding (talio) had David kunnen zeggen: “Treed hun zielen vijandig tegemoet en zoek hun kwaad.” Maar zoiets zegt hij niet. Hij wil alleen dat ze beschaamd worden en mislukken, overdekt met schande en smaad. Meer vraagt hij niet dan dat hun pogingen worden verijdeld. Dan gaan ze zich schamen en hebben ze geen reden meer om te pochen dat ze als overwinnaars uit de strijd kwamen. — Musculus.
Vers 13
Schaamte komt voort uit volledige teleurstelling. Als uitgestelde hoop al beschaamd maakt, geldt dat nog veel meer voor hoop die vernietigd is. Wie ziet dat zijn hoop helemaal is afgesneden en dat hij op geen enkele manier kan krijgen wat hij verwachtte, wordt door schaamte stevig in zijn greep genomen. — Joseph Caryl.
Vers 13
“Die mijn ziel tegen zijn.” Zij haatten hem met een duivelse haat, zoals de duivel de zielen van mensen haat. Van het woord dat hier gebruikt wordt, heeft de duivel zelfs zijn naam Satan gekregen. Alle goddeloze mensen zijn satans, vol vijandschap tegen God en tegen alle goede mensen. Zo waren ook Davids vijanden: boosaardig en kwaadwillig. Niets minder dan zijn leven zou hen tevredenstellen. — John Gill.
Vers 14
“Doch ik zal geduriglijk hopen.” Zie, Heere, ik heb tot U gebeden en ik ben getroost. Zo heeft de hoop het mij geleerd. Ik ben blij, want op U heb ik vertrouwd: ik zal nooit beschaamd worden.
De Droefheid kwam terug met een geweldige legermacht. Hij was aan alle kanten versterkt met zwaarden en speren en belegerde mijn stad onder luid geschreeuw. Het rumoer van zijn ruiters joeg mij schrik aan. Bij de poorten gebood hij stilte en riep luid: “Kijk naar deze man, die op God vertrouwde! Hij zei: Ik zal in eeuwigheid niet beschaamd worden. Hij nam de hoop tot zijn trooster.” Toen hij zag dat ik bloosde bij deze woorden, kwam hij dichterbij en zei: “Waar zijn de beloften waarop je vertrouwde? Waar is de troost? Waar is de verlossing? Wat hebben je tranen je opgeleverd? Welke hulp hebben je gebeden je uit de hemel gebracht? Je hebt geroepen en niemand heeft geantwoord. Je hebt geweend en wie is met medelijden voor je bewogen? Je hebt je God aangeroepen en Hij heeft gezwegen. Je hebt tot Hem gebeden en Hij heeft Zich voor je verborgen: er is geen stem gekomen en geen geluid. … Sta dus op en vlucht naar mensen om hulp, zodat zij je uit je gevangenis bevrijden.”
Bij deze woorden ontstond er zo’n lawaai van wapens in het leger, zo’n geschreeuw van mannen en geschal van trompetten, dat ik nauwelijks moed kon houden. Als mijn geliefde Hoop mij niet te hulp was gekomen, had de Droefheid mij gegrepen en in ketenen naar zijn eigen oord weggevoerd. Maar daar kwam de Hoop naar mij toe, stralend in goddelijke glans. Glimlachend zei zij: “O krijgsman van Christus, hoe is het met je hart? Wat is dit gevecht in je binnenste?” Bij deze woorden begon ik te blozen. “Wees niet bang,” zei zij, “het Kwaad zal je niet vangen. Je zult nooit omkomen. Kijk, ik ben bij je om je te bevrijden. Weet je niet wat er geschreven staat (Psalm 14): ‘De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God’? Deze Droefheid heeft gesproken als een van de dwaze vrouwen. Nooit zal hij je kunnen overtuigen dat er geen God is, of dat God geen voorzienigheid oefent over alles.” — Girolamo Savonarola, 1452–1498.
Vers 14
“En ik zal altijd hopen, en (letterlijk: eraan toevoegen, opstapelen, vermeerderen) al Uw lof.” Aan al Uw lof die ik tot nu toe heb uitgesproken, blijf ik nog méér toevoegen. — Joseph Addison Alexander.
Vers 14
“Ik zal geduriglijk hopen.” Maar waarop hoopte hij dan? Precies datgene waarom hij in vers 9 had gebeden: dat zijn welvaren bewaard zou blijven, en dat God hem tot aan het einde van zijn leven nabij zou zijn en zou helpen. Daarom voegt hij eraan toe: geduriglijk, dat wil zeggen voortdurend, ook in den tijd des ouderdoms, usque ad mortem, tot aan de dood toe. — Hermann Venema.
Vers 14
De goedertierenheid van Jehova kent geen einde. Zo behoort ook onze dankbaarheid geen einde te kennen. De hoop van een christen maakt het hem mogelijk dankbaar te zijn, zelfs in het donkere seizoen van de verdrukking. — Mrs. Thomson.
Vers 15
De gerechtigheid van God, die hier wordt genoemd, omvat niet alleen de rechtheid van Zijn wezen en de billijkheid van Zijn handelen. Ze omvat ook die eeuwige gerechtigheid die Zijn Zoon heeft aangebracht om ons te rechtvaardigen. Gods gerechtigheid en heil worden hier samen genoemd. Laat dus niemand proberen ze van elkaar te scheiden, of heil te verwachten zonder gerechtigheid. — Mrs. Thomson.
Vers 15
“Hoewel ik de getallen niet weet.” In Psalm 71:14 begon David zijn rekenwerk met optellen: “… zal al Uw lof nog groter maken.” Maar al bij deze eerste regel van de heilige wiskunde loopt hij vast. Zijn berekening laat hem in de steek. Alleen al het optellen van de barmhartigheden van de Heere overweldigt zijn geest, en hij geeft toe dat hij het niet kan. Reken naar tijd, naar plaats of naar waarde: Gods heil tart elke schatting. — C. H. S.
Vers 16
“Ik zal heengaan.” Het woord “gaan” moet hier worden opgevat als: ten strijde trekken tegen de vijanden. Dat zal hij doen, zegt hij, en niet op eigen kracht, maar op de kracht van de Heere. Zijn hart is in vuur en vlam gezet door de herinnering aan Gods gerechtigheid. Zo staat het ook elders: “Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods.” — Musculus.
Vers 16
“Ik zal heengaan in de mogendheden des Heeren HEEREN.” De dienaar gaat zo, doordat hij deze kracht beseft en erop vertrouwt. In die kracht loopt hij het pad van gemeenschap met God. In die kracht trekt hij de strijdvelden op, leeft hij in de stilte van zijn gezin en loopt hij alle wegen van zijn werkzame leven. Zijn roem is de gerechtigheid van Christus. Die noemt hij tegenover God als de grond van zijn vertrouwen, tegenover zichzelf als de bron van zijn troost en tegenover anderen als de hoop op zaligheid. — Hoofdzaak van een preek van James Sherman. Het was de eerste preek die hij hield na zijn vestiging in Surrey Chapel, op 4 september 1836.
Vers 16
“De mogendheden des Heeren HEEREN.” Gods macht wordt hier in het meervoud uitgedrukt om haar grootheid aan te geven. Voor de gelovige is die macht als een garnizoen dat hem omringt. — John Gill.
Vers 16
“Ik zal heengaan in de mogendheden des Heeren HEEREN.” De uitdrukking “gaan in” of “gaan met” de krachten van God leert ons niet dat hij zou gaan door middel van die krachten, met hun hulp en bijstand, zoals velen hebben gedacht. Dat blijkt ten eerste doordat het woord wordt gebruikt voor de roemrijke en machtige daden van God. Ten tweede wijst het op het onderwerp van lof. Maar “gaan met de kracht van Jehova”, zoals de vertaling moet luiden … betekent: gaan, omgord met Zijn vroegere machtsdaden, ermee omgord als met de stof voor lofzang. — Hermann Venema.
Vers 17
“O God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan.” Hoe kwam het dat David kon zeggen: “Ik ben voorzichtiger dan de ouden” (Psalm 119:100)? Hij had een Vader die hem onderwees. God was zijn leermeester. Menig kind van God klaagt over onwetendheid en traag begrip. Bedenk dan: jouw Vader zal je leermeester zijn. Hij heeft beloofd Zijn Geest te geven: “Hij zal u in al de waarheid leiden” (Joh. 16:13). God verlicht niet alleen het verstand, maar buigt ook de wil. Hij leert ons niet alleen wat we moeten doen, maar maakt ons er ook toe in staat.
Zie Ezechiël 36:27: “Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen.” Wat een heerlijk voorrecht is het om de ster van het Woord te hebben die ons naar Christus wijst, en de magneet van de Geest die ons trekt! — Thomas Watson.
Vers 17
“Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan.” Vraag je me langs welke wegen David is onderwezen? Dan vraag ik jou: langs welke niet? … God onderwees hem door zijn herdersstaf, en ook door de staf en de scepter van een koning. Hij onderwees hem door het gejuich van de menigte (“Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden!”) en net zo goed, misschien nog meer, door de minachting die hij aan het hof van de Filistijnen ontmoette. Hij onderwees hem door de pijlen van Jonathan, uit vriendschap gericht, en door de speer van Saul, op zijn leven gericht.
Hij onderwees hem door de ontrouw van Abjathar en zelfs van zijn trouwe Joab, en door de trouw van Abisaï en van Mefiboseth. En laat me dit ook zeggen: door de opstand van Absalom en de zelfzucht van Adonia. Het waren allemaal middelen waarmee de Heere deze knecht van Hem onderwees.
Wees er zeker van, jij die onder Zijn onderwijs staat: er is niets in je leven waarmee Hij je niet kan leren. Hij doet het door vertroostingen en door kruisen, door je wonden en je genezingen, door wat Hij geeft en door wat Hij wegneemt. Hij laat Zijn kind afleren, zodat Hij het kan leren. Hij toont het zijn dwaasheid, zodat Hij het wijs kan maken. Hij ontneemt het zijn ijdele vertrouwen, zodat Hij het kracht kan geven. Hij laat het ontdekken dat het niets is, zodat Hij kan laten zien dat het alles heeft in de Heere, in Jezus, Zijn Beminde. — James Harrington Evans.
Vers 17
“Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan.” De jeugd heeft een leraar nodig om de deugd aan te nemen. Seneca zegt: deugd is voor jonge mensen iets moeilijks. Ze hebben een leider en gids nodig, want ondeugden leer je zonder meester. Hoe geneigd David al in zijn jongensjaren was tot ondeugd, zien we in Psalm 25: “Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen.” Hieronymus schrijft in zijn brief aan Nepotianus: “Zoals vuur in groen hout wordt gesmoord, zo komt de wijsheid in de jeugd niet tot haar glans. Verzoekingen en begeerte houden haar tegen, tenzij door hard werken, voortdurende toewijding en gebed de prikkels van de jeugd van binnen worden afgeweerd.” Daarom hebben bijna alle volken goede en wijze leraren voor de jeugd aangesteld.
Bij de Spartanen werd een van de magistraten en senatoren gekozen als paidonomos, rector van de jongens. … In Athene waren twaalf mannen, Sophronisten genoemd, door de stemmen van alle stammen gekozen om de zeden van de jeugd te regelen. …
God is de leraar van Zijn knechten. Plato zegt, ouden einai theioteron, dat er niets goddelijkers is dan de opvoeding van kinderen. Over God de Vader, of over de hele Drie-eenheid, zegt Hanna, de moeder van Samuël, in 1 Samuël 2:3: “De HEERE is een God der wetenschappen” (Scientiarum, Vulg.). Dat betekent, zoals de Chaldeeuwse vertaling het geeft: Hij weet alle dingen. … Socrates zegt dat Hij de geest van het heelal is. Zonder Hem zijn dus allen verstandeloos, maar met Hem en door Hem worden ze in één ogenblik wijs. Philo zegt in zijn verhandeling over het offer van Kaïn en Abel dat leraren de geest van hun leerlingen niet kunnen vullen alsof ze water in een vat gieten.
Maar wanneer God, de bron van wijsheid, kennis meedeelt aan de mensheid, doet Hij dat zonder uitstel, in een oogwenk. … “… dezelfde zalving u leert van alle dingen.” 1 Joh. 2:27. — Thomas Le Blanc.
Vers 17
“Van mijn jeugd aan.” Is het zo’n “sierlijke kroon” om oud bevonden te worden op de wegen van de gerechtigheid? Begin dan vroeg met een godvruchtig leven. Dan wordt deze kroon je op het hoofd gezet als je oud bent. Is het niet beter om een plant in Gods huis te zijn dan onkruid op de mesthoop? De goddelozen zijn slechts als onkruid op een mesthoop, maar jullie die godvruchtig zijn, zijn als planten in Gods eigen boomgaard. In Romeinen 16:7 lezen we dat Andronikus en Junias geprezen worden omdat zij vóór Paulus in Christus waren: “die ook voor mij in Christus geweest zijn.” Het is eervol om vóór anderen in Christus te zijn.
Dat is al eervol als je jong bent. Ga dan door op de wegen van de godzaligheid, heel je jonge tijd, en zo ook in je middelbare leeftijd, totdat je oud wordt. — Jeremiah Burroughs.
Vers 17
“Wonderen.” Merk op dat David de zegen van Gods hulp, die hij zo vaak in verdrukking ontving, “wonderen” noemt. Zo laat hij ons zien door wat voor ontzettende gevaren hij heen en weer geslingerd was, en hoe Gods hand hem er tegen ieders verwachting in uit had gerukt. Daarom is God wonderbaar in Zijn heiligen. Daartoe dienen de tegenspoeden van de heiligen: dat zij daarin Gods wonderen tonen. — Musculus.
Vers 17–18
De oprechtheid van ons hart en onze wegen, in ons vroegere wandelen met God en onze vroegere dienst voor God, mogen we door het geloof in Christus aanvoeren, net als bij heel onze rechtvaardiging. Zie ook Jesaja 38:3 en Psalm 119:10. De Heere Zelf maakt het voor Zichzelf een reden om Zijn volk barmhartigheid te bewijzen (Jesaja 63:8; Jeremia 2:2). Alleen moeten we dit pleidooi zeldzamer en spaarzamer gebruiken, zelfverloochenend, in het geloof in de gerechtigheid van Christus, die de onze is geworden. — Thomas Cobbet.
Vers 18
Zelfs nu ik oud en grijs ben, verlaat mij niet, o God. Bij de één laat God vooral Zijn vergevende genade zien, bij de ander vooral de genade die iemand heiliger maakt. Hij is de God van alle genade.
Denk aan schepen die lange reizen over zee hebben gemaakt. Drie of vier jaar zijn ze van huis geweest. Ze voeren door hete en koude streken, staken telkens opnieuw de evenaar over, kwamen door allerlei moeilijkheden en zware stormen heen, en bleven toch op zee in leven, zoals zeelui dat noemen. Wanneer zulke schepen elkaar vlak bij de haven tegenkomen, wat zullen ze elkaar dan van harte feliciteren! Zo moeten ook oude leerlingen van de Heere doen, want God heeft de genade in hun ziel in leven gehouden.
En laat mij je iets vragen. Hoeveel duizend schepen heb je voor je ogen zien vergaan? Hoeveel mensen hebben “van het geloof schipbreuk geleden”, zoals de apostel het zegt? De een is in deze verderfelijke dwaling beland, de ander in die valse leer, ook al leken ze van minder gewicht. Weer anderen zijn gestrand op de drijfzandbanken van wereldse voorkeuren, en velen zijn op de rotsen te pletter geslagen. Jij bent toch behouden gebleven! Laat dat je aansporen om je God, de God van alle genade, des te meer te zegenen.
Kom, laat mij eens op je hart kloppen. Zijn er onder jullie oude belijders die lijken op oude, holle eiken? Ze staan nog in het bos tussen de andere belijders, houden hun plaats vast en gaan trouw naar de kerkdiensten, enzovoort. Maar “den regen, menigmaal op haar komende”, die zij indrinken, dient, zoals de apostel zegt, nergens toe dan om hen te laten wegrotten. “Die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking.” Of groeien er bij jou nog groene vruchten? Ik bedoel levendige gevoelens voor God en Christus, geloof en liefde, zoals in het begin, en nog rijker. Dank God dat je zo dicht bij de haven bent!
Hef je hart omhoog, want je verlossing is nabij. Vertrouw er ook op dat de God van alle genade, Die je geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid, je daarvoor zal bewaren en je er binnenkort in zal laten delen. — Thomas Goodwin.
Vers 18
Verlaat mij niet; totdat, enzovoort. Afvallig worden op hoge leeftijd is vreselijk. Wie bijna boven op een toren is en dan terugglijdt, valt des te dieper. Een patiënt die bijna beter is, wordt door een terugval nog zieker dan eerst. Er waren sterren die door de staart van de draak uit de hemel werden geslagen (Openb. 12:4). Ze hadden beter nooit zo hoog kunnen staan.
De Israëlieten pleegden hun grote dwaasheid met de dochters van Moab in de vlakte, met het Heilige Land recht in zicht. Ze zagen hun erfdeel en misten het toch. Zo schrijnend is het wanneer oude mensen vlak voor de ingang van de hemel vallen. Denk aan de oude Eli met zijn toegeeflijkheid (1 Sam. 2), de oude Juda met zijn bloedschande (Gen. 38), de oude David met Bathseba, de oude Asa die meer op artsen vertrouwde dan op God (2 Kron. 16:12), en de oude Salomo die de hoogten bouwde. Sommigen liepen als cherubs rond te midden van vurige stenen, en toch zijn ze als onheilig van Gods berg geworpen (Ezech. 28:14, 16).
Zo vaart een zeeman over de hele oceaan en lijdt dan schipbreuk vlak bij de haven. Het koren belooft in de halm vaak een rijke oogst en slinkt in de aar. Je hebt bomen gezien die vol bloesem hingen, maar in het seizoen van de verwachting geen vrucht droegen. Een blijspel dat vele taferelen goed volhoudt, maar kreupel afloopt in het laatste bedrijf, oogst geen applaus. Denk aan de vrouw van Lot (Luk. 17:32). Denk aan die zoutpilaar, zodat hij jou als zout bewaart voor bederf. — Thomas Adams.
Vers 18
“Totdat ik dezen geslachte verkondige Uw arm”, enzovoort. Waar vind je betere predikers van Gods werken dan grijze ouders te midden van hun kinderen, of grootouders te midden van hun kleinkinderen? — Augustus F. Tholuck.
Vers 18
Door jaren gebogen, door smarten versleten,
neerslachtig, gekweld, ziek en verlaten,
tot U, o God, bid ik;
tot U hef ik mijn verdorde handen,
tot U sla ik mijn dovende ogen op:
O, verwerp mij niet!
Uw erbarmen verhoorde mijn kindergebed;
Uw liefde heeft met moederlijke zorg
mijn kinderjaren gedragen:
Uw goedheid waakte over mijn rijpende jeugd,
leerde mijn hart Uw waarheid lief te hebben,
en vulde mijn lippen met lof.
O Heiland! is Uw genade verminderd?
Kan de eeuwige Geest door de jaren verzwakken,
kan de tijd Zijn liefde verteren?
Duizend eeuwen gaan voor Uw oog voorbij,
en heel hun lange, moeizame vlucht
is als de dag van gisteren vergaan.
Dan zal, ook in ouderdom en smart, Uw naam
mijn moede hart nog doen ontvlammen,
en mijn wankele knieën doen buigen:
O, nog gloeit in dit hart het vuur;
deze bevende hand, deze slap hangende lier
hebben nog een lied voor U!
Ja, Heere, al is zij gebroken en ontstemd,
toch zal deze stem verrukt getuigen
van Uw zo lang beproefde goedheid,
totdat zij, langzaam wegstervend en stil,
haar zwakke fluisteren laat opgaan
in het lied van de serafs.
— Sir Robert Grant.
Vers 19
O God, wie is U gelijk? In grootheid of goedheid, in macht of barmhartigheid, in gerechtigheid, waarheid en trouw. In de volmaaktheid van Zijn wezen of in het werk van Zijn handen. En ook in de lof, de eer en de aanbidding die Hem toekomen, zoals Hij is. — John Gill.
Vers 19
Wie is U gelijk! Mi camocha. God staat alleen: wie kan Hem evenaren? Hij is eeuwig. Niemand was er vóór Hem en niemand kan na Hem komen. Want in de oneindige eenheid van de Drie-eenheid is Hij het eeuwige, onbegrensde, ondeelbare, onbegrijpelijke en niet-samengestelde Wezen, onuitsprekelijk groot. Zijn wezen blijft verborgen voor ieder geschapen verstand. Geen schepsel dat Zijn eigen hand heeft gevormd, kan Zijn raadsbesluiten doorgronden. “Wie is U gelijk!” Die uitroep zal de verwondering, verbazing, lof en aanbidding van engelen en mensen wekken tot in alle eeuwigheid. — Adam Clarke.
Vers 20
“Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken”, enzovoort. Hier juicht Hieronymus over de Joden en daagt hen uit: wanneer is dit ooit bij David uitgekomen? Hij is immers nooit gestorven en weer levend gemaakt. Daarom moet dit noodzakelijk op Christus worden betrokken, net als in Psalm 16: “Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten”. En op “de afgronden der aarde” antwoorden hier de woorden uit Ef. 4:9: “Dat Hij ook eerst is nedergedaald in de nederste delen der aarde?” Toch kunnen de woorden ook op David slaan, als beeldspraak, zoals in een vergelijkbare uitspraak van Hanna in 1 Sam. 2. — John Mayer.
Vers 20
“En zult mij weder ophalen”, enzovoort. Dit speelt in op mensen die ongelukkig in een diepe waterkuil zijn gevallen. Wat de dichter bedoelt: U trekt mij uit het uiterste gevaar waarin ik ben weggezonken en waarin ik zonder Uw hulp zou omkomen. — Thomas Fenton.
Vers 21
Grootheid die samengaat met troost, en troost die samengaat met grootheid. Heel zelden vind je die twee samen. — George Rogers.
Vers 22
Met de luit … met de harp. Deze instrumenten hadden een voorbeeldelijke betekenis: ze wezen vooruit naar iets anders. Daarom worden ze door vrijwel het hele leger van protestantse godgeleerden afgewezen en veroordeeld, bijvoorbeeld door Zwingli, Calvijn, Petrus Martyr, Zepperus, Paraeus, Willet, Ainsworth, Ames, Calderwood en Cotton. Zij getuigen er met één mond tegen. De meesten zeggen uitdrukkelijk dat ze horen bij de afgeschafte wettische opvoeding. Dan konden we net zo goed wierook, waskaarsen, offers, nieuwe manen, besnijdenis en alle andere schaduwen van de wet weer invoeren.
Maar ook Thomas van Aquino zelf pleit ertegen, om dezelfde reden, ook al was hij een schoolgeleerde van de paus. Quia aliquid figurabant, zegt hij: ze waren een beeld van iets. En hij merkt op dat de Kerk in zijn tijd ze niet gebruikte, ne videatur judaizare, om niet te lijken op joods gebruik terug te vallen. — Samuel Mather, over “The Types.”
Vers 22
Luit … harp. Stel dat zingen met instrumenten geen beeld van iets anders was, maar alleen een uiterlijk onderdeel van de eredienst, afgestemd op de zintuigen van onmondige kinderen, zoals de Israëlieten in het Oude Testament waren (Gal. 4:1–3). Dan nog is het zo dat zulke uiterlijke, pompeuze plechtigheden nu zijn opgehouden, nu de erfgenamen van het Nieuwe Testament volwassen zijn. Er is geen andere uiterlijke eredienst overgebleven dan die eenvoud en ernst uitstraalt. In de gemeente van Christus hoort nu ook geen enkele stem meer te klinken dan een stem die iets betekent en door die betekenis opbouwt (1 Kor. 14:10–11, 26). Dat doet de stem van instrumenten niet. — John Cotton, 1585–1652.
Vers 22
“Heilige Israels.” Deze naam van God komt in de Psalmen alleen op twee andere plaatsen voor: Ps. 78:41 en 89:19. Volgens Delitzsch zijn die twee psalmen ouder dan deze. In Jesaja staat de naam dertig keer, in Habakuk één keer, en in Jeremia (die hem misschien van Jesaja heeft overgenomen) twee keer (Jer. 50:29; 51:5). — J. J. Stewart Perowne.
Vers 23
Mijn lippen; mijn ziel. Huichelaars prijzen God alleen met hun lippen. David doet er zijn ziel bij. — William Nicholson.
Vers 23
Zeer. Kijk hoe vaak het woord “groot” terugkomt. Grote dingen gedaan, Ps. 71:19. Grote benauwdheden laten zien, Ps. 71:20. Grootheid vermeerderd, Ps. 71:21. En daarop volgt grote, juichende blijdschap, Ps. 71:23. Bij een grote God Die grote dingen doet, past het om uitbundig te juichen. — C. H. S.
Wenken voor de dorpsprediker
De argumenten waarmee de dichter de Heere probeert te bewegen om te luisteren, komen uit:
- Zijn gerechtigheid en billijkheid: “Red mij door Uw gerechtigheid.”
- Zijn woord en belofte: “Gij hebt bevel gegeven”, enzovoort.
- Zijn macht: “Gij zijt mijn Steenrots”, enzovoort.
- Zijn band met hem: “Mijn God, mijn Verwachting.”
- Hoe zijn tegenstanders zijn: goddeloos, onrechtvaardig en wreed.
- Zijn eigen vertrouwen: “Gij zijt mijn Verwachting.”
- Zijn genadige zorg voor hem: “Op U heb ik gesteund”, enzovoort.
- Zijn dankbare hart: “Mijn lof is geduriglijk”, enzovoort.
- Hij had niemand om op te vertrouwen dan God: “Gij zijt mijn sterke Toevlucht.” — Adam Clarke.
Vers 1
Geloof is een daad van nu. Geloof is een persoonlijke daad. Geloof heeft alleen met God te maken. Geloof weet wat het doet. Geloof doodt zijn angst door te bidden.
Vers 2
Een beroep op God.
- Op Gods macht: “Bevrijd mij.”
- Op Gods trouw: “Door Uw gerechtigheid.”
- Op Gods zorg voor ons: “Red mij.”
- Op Gods goedheid, die zich tot ons neerbuigt: “Neig Uw oor.”
- Op Gods barmhartigheid: “Verlos mij.”
Vers 2
“Red mij.” Van wie? Van wat? Hoe? Met welke kracht? Met welk doel?
Vers 3 (eerste twee zinsdelen)
De gelovige die in God blijft en steeds weer bij Hem schuilt.
Vers 3 (derde zinsdeel)
Een bevel dat rust op Gods belofte en bekleed is met Gods macht. Het richt zich tot alle krachten die nodig zijn en dekt elke noodsituatie.
Vers 4
- Als God voor ons is, zijn de goddelozen tegen ons.
- Als de goddelozen tegen ons zijn, is God voor ons.
Vers 5
God, de kern van hoop en geloof.
Vers 7 (eerste zinsdeel)
Dit kan worden toegepast op: 1. De Heiland.
- De heilige. Hij is een wonder door (a) wat hij eens was; (b) wat hij nu is; (c) wat hij straks zal zijn.
- De zondaar is “velen als een wonder”. Hij is een wonder voor drie werelden: voor (a) engelen; (b) heiligen; (c) duivels en verloren zielen.
— Warwell Fenn, 1830.
Vers 7
Bekijk de tekst in verband met David, met Christus en met de christen.
- In verband met David.
(a) David was een wonder als mens.
(b) Als koning.
(c) Als dienaar van God.
- In verband met Christus.
(a) Christus was een wonder in Zijn Persoon.
(b) In Zijn leven.
(c) In Zijn wonderen.
(d) In Zijn onderwijs.
(e) In Zijn lijden.
(f) In Zijn hemelvaart en in Zijn heerlijkheid als Middelaar.
- In verband met de christen.
(a) De christen is een wonder voor zichzelf.
(b) Voor de wereld.
(c) Voor boze geesten.
(d) Voor de engelen in de hemel.
— John Cawood, 1830.
Vers 8
- Wat? Waarmee gevuld? Met gemor? Twijfel? Vrees? Nee! Met lof. De mijne? Of die van mensen? Nee. Uw lof. Uw heerlijkheid.
- Wanneer? De hele dag.
(a) Heel de dag.
(b) Elke dag; een goede voorbereiding op de hemel.
Vers 9
Op hoge leeftijd gelden enkele bijzondere omstandigheden die deze zegen, Gods gunst en nabijheid, onmisbaar maken. 1. De ouderdom is een tijd met maar weinig natuurlijk genot, zoals Barzillai erkende, 2 Sam. 19:35.
- Het is een levensfase waarin je de moeiten van het leven vaak ziet toenemen.
- De ouderdom is een tijd waarin de moeiten van het leven niet alleen toenemen, maar ook zwaarder te dragen worden.
- De ouderdom hoort eerbied af te dwingen, en dat doet hij ook bij trouwe kinderen en bij alle ernstige christenen. Maar we weten dat hij vaak gepaard gaat met verwaarlozing. Dat geldt vooral wanneer ouderen arm en afhankelijk zijn. Het is ook gebeurd bij mensen in het openbaar leven die hun jeugdige levendigheid en de glans van hun gaven kwijt waren. — A. Fuller.
Vers 9
Hier vinden we 1. Vrees, vermengd met geloof.
(a) Eigen aan de ouderdom.
(b) Opgewekt door de gewoonten van de wereld.
- Geloof, vermengd met vrees: “Verwerp mij niet”, enzovoort.
(a) Oud zijn is geen zonde.
(b) Het is een sierlijke kroon als hij gevonden wordt, enzovoort.
Vers 11–12
Twee grote leugens en twee zoete gebeden.
Vers 13–14
- Wat de goddelozen winnen door de rechtvaardigen te bestrijden: “Laat hen”, enzovoort, Ps. 71:13.
- Wat de rechtvaardigen winnen doordat zij door hen bestreden worden, Ps. 71:14: “Doch ik”, enzovoort.
Vers 14
Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 998: “More and More.”
Vers 15
- Het uitgesproken besluit.
(a) Te vertellen hoe God in Zijn reddingen trouw is gebleken.
(b) Het openlijk te vertellen: “Mijn mond”, enzovoort.
(c) Voortdurend: “Den gansen dag.”
- De reden die hij opgeeft: “Hoewel ik de getallen niet weet.” “Te kort is de eeuwigheid om al Uw lof uit te spreken.” Daarom begin ik er nu mee en zal ik doorgaan.
Vers 16
- Het besluit: “Ik zal heengaan.”
- Het voorbehoud: alleen Uw kracht, alleen Uw gerechtigheid.
Vers 17
“O God! Gij hebt mij geleerd.” Niemand dan God kan ons uit ervaring leren, en de lessen die Hij geeft zijn altijd nuttig en belangrijk. Hij leert al Zijn leerlingen zichzelf kennen: hun verdorvenheid, armoede en slavernij. Hij leert hun Zijn wet kennen: haar reinheid, haar eisen en haar straf. Hij leert hun Zijn evangelie kennen: de volheid, de vrijheid en de voelbare kracht ervan. Hij leert hun Hemzelf kennen, als een verzoende God, als hun Vader en trouwe vriend. Zijn onderwijs gaat samen met kracht en gezag. Aan de gevolgen herkennen we goddelijk onderwijs. Het brengt altijd nederigheid voort (ze zitten aan Zijn voeten), afhankelijkheid van Hem, afschuw van de zonde, liefde tot God als Leraar, gehoorzaamheid aan de geleerde lessen en dorst naar verdere groei. En het brengt ons elke dag bij Jezus. — James Smith.
Vers 18
De bijzondere getuigenis van vrome ouderen: waarop die rust, tot wie ze gericht moet zijn en wat we ervan mogen verwachten.
Vers 19
Over “de hoge dingen van God” zou je een leerzame preek kunnen uitwerken.
Vers 20
- Het voordeel dat de beproevingen van nu later opleveren: “Hierna”, zei Aeneas tegen zijn schipbreukelingen, “zal het ons verheugen aan deze dingen te denken.”
- Het voordeel dat barmhartigheden die nog komen nu al geven: “Eer zij U voor al de genade die wij nog niet hebben gesmaakt.”
Vers 22
Een uitgelezen onderwerp voor een lied: “Uw trouw”. Dat kan de waarheid van de leer betekenen, maar ook de eigenschap van trouw, zoals die zich laat zien in de geschiedenis en in onze eigen ervaring.
Vers 22–23
- De ziel van de muziek: niet in het instrument of de stem, maar in de ziel. “Ik zal ook met het verstand.” “Zingende en psalmende den Heere in uw hart”, enzovoort.
- De muziek van de ziel. “Mijn ziel, die Gij verlost hebt.” Verlossing is de muziek van eens verloren zielen. Het enige lied dat zij in de hemel zingen.
Vers 24
Hoe je een gewoon gesprek opbouwend en nuttig kunt maken.
Werk over de eenenzeventigste psalm
Hieronymi Savonarolae Ferrariensis Meditationes in Psalmos — Miserere — In Te Domine Speravi, et Qui Regis Israel (12mo. Leiden: 1633).
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas