Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 46 — Treasury of David

Titel
“Voor den opperzangmeester.” Wie andere psalmen zo goed kon zingen, kreeg terecht de opdracht voor dit edele lied. Kleinigheden kunnen we aan gewone zangers overlaten, maar de beste musicus van Israël moet ervoor zorgen dat dit lied goed wordt uitgevoerd, met de mooiste stemmen en de zuiverste muziek.
“Onder de kinderen van Korach.” Eén man alleen kan de lofzang niet dragen. Hij heeft uitgelezen zangers nodig, die met vreugde de zang in het huis van de HEERE mogen leiden. Waarom juist de kinderen van Korach werden gekozen, kun je lezen in onze opmerkingen aan het begin van Psalm 42. Het is goed om daar nog iets aan toe te voegen: zij vormden een groep Levieten die bij toerbeurt dienst deden in de tempel. Het werk van de heilige dienst mag niet door één soort gave worden opgeëist. Elke groep gelovigen hoort op zijn tijd die eer te krijgen. Niemand hoort buiten de dienst van God te staan. Ieder mag een eigen plaats hebben in de lofzang van Zijn volk.
“Een lied op Alamoth.” Dit kan betekenen dat de muziek hoog moest klinken, voor de heldere stemmen van de Hebreeuwse meisjes. Zij trokken dansend op pad om David te prijzen toen hij de Filistijn had verslagen. Het paste dat zij vrolijk en blij waren, nu de overwinningen van Jehova hun lied werden. Ook wij moeten God blijmoedig loven met een onbevangen hart, met zielen die rein zijn in hun eerbied voor Hem, met levendige, verheven woorden en blije klanken.
Maar het woord Alamoth kan ook wijzen op schelle instrumenten, zoals in 1 Kronieken 15:20. Daar lezen we dat Zecharja, Eliab en Benaja de HEERE moesten loven “met luiten op Alamoth”. Wij mogen niet slordig in één toonaard blijven hangen. We moeten met verstand ons lied laten wisselen en het laten passen bij de gelegenheid en bij de vreugde die het in ons hart wekt. Wat deze oude muziekwoorden precies betekenen, weten we niet zeker. Toch zijn ze nuttig, want ze laten zien dat we onze heilige muziek met zorg en vakmanschap moeten brengen.
Onderwerp
Wat er ook gebeurt, het volk van de HEERE is gelukkig en veilig. Dat is de boodschap van deze psalm, van de eerste regel tot de laatste. Om het makkelijker te onthouden zouden we haar het lied van heilig vertrouwen kunnen noemen. Maar de grote hervormer hield zo veel van dit ontroerende lied, dat het waarschijnlijk het best bekend zal blijven als Luthers psalm.
Indeling
De psalm is door goddelijk gezag in drie delen verdeeld. Elk deel eindigt met Sela.
Uitleg
Vers 2
“God is ons een Toevlucht en Sterkte.” Dus niet onze legers of onze vestingen. Israëls roem is Jehova, de enige levende en ware God. Anderen pochen op hun onneembare kastelen, gebouwd op ontoegankelijke rotsen en afgesloten met ijzeren poorten. Maar God is in nood een veel betere schuilplaats dan al die dingen bij elkaar. En als het tijd wordt om de oorlog naar het land van de vijand te brengen, staat de HEERE Zijn volk beter bij dan alle moed van legioenen of de geroemde kracht van wagens en paarden.
Soldaten van het kruis, denk hieraan! Weet je veilig en zoek je kracht in God. Vergeet het kleine woord ons niet. Zorg dat ieder van jullie zijn eigen deel in God zeker weet, zodat je kunt zeggen: “Hij is mijn toevlucht en sterkte.” Vergeet ook niet dat God onze toevlucht is op dit moment, nu, even echt als toen David dit woord opschreef. God alleen is ons alles in allen. Alle andere schuilplaatsen zijn schuilplaatsen van leugen, alle andere kracht is zwakte, want de macht is bij God. En omdat God alles kan geven wat nodig is, zijn onze bescherming en kracht opgewassen tegen elke noodsituatie.
“Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden” (Engels: een zeer nabije hulp in benauwdheid): zo is Hij ook in de nood gevonden. Hij is beproefd en echt gebleken voor Zijn volk. Hij trekt Zich nooit terug van wie lijden. Hij is hun hulp, echt waar, krachtig en voortdurend. Hij is er, vlak bij hen, aan hun zijde en klaar om te helpen. Het woord zeer in onze vertaling legt daar nadruk op: Hij is dichterbij dan een vriend of familielid kan zijn, ja zelfs dichterbij dan de benauwdheid zelf. Bij al deze troostrijke waarheid komt nog iets: Zijn hulp komt op het juiste moment. Hij is niet als de zwaluwen die ons in de winter verlaten. Hij is een vriend in nood, een vriend in daden. Als het heel donker voor ons is, laten dappere mensen dan zeggen: “Kom, laten we de zesenveertigste psalm zingen.”
“Een vaste burcht, een rots die nooit bezwijkt,
Is God in tijd van nood;
Een schild en zwaard bij elke stoot
Van vijanden, bekend of onbekend.”
Vers 3
“Daarom.” Wat houdt de psalmist van dat woordje daarom! Zijn dichtkunst is geen vervoering zonder reden. Ze is zo logisch als een wiskundig bewijs. De woorden die volgen, zijn een noodzakelijk gevolg van wat eraan voorafgaat. “Zullen wij niet vrezen.” Met God aan onze kant, wat zou angst dan onredelijk zijn! Waar Hij is, is alle macht en alle liefde. Waarom zouden we dan beven?
“Al veranderde de aarde haar plaats.” Stel dat de grond onder alle zichtbare dingen zo wordt geschud dat alles totaal verandert. “En al werden de bergen verzet in het hart der zeeen.” Stel dat zelfs de hechtste dingen die God gemaakt heeft, halsoverkop instorten en in volledige vernietiging onder water verdwijnen. Deze twee beelden tonen de ergste beroeringen die we ons kunnen voorstellen. Ze omvatten de val van koningshuizen, de ondergang van volken en gezinnen, de vervolging van de kerk, de macht van valse leer en alles wat het geloof van gelovigen ooit op de proef kan stellen.
Laat het ergste maar komen. Ook dan geldt: het kind van God mag nooit bezwijken voor wantrouwen. God blijft trouw, dus Zijn zaak en Zijn volk kunnen nooit in gevaar komen. Wanneer de elementen smelten van hitte, en hemel en aarde voorbijgaan in de laatste algemene brand, dan kijken wij rustig toe naar “de ondergang van de stof en het instorten van werelden”. Want zelfs dan bewaart onze toevlucht ons voor alle kwaad, en rust onze sterkte ons toe voor alle goed.
Vers 4
“Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden.” Als alles tot woede wordt opgezweept en zijn uiterste kracht laat zien om te verwoesten, glimlacht het geloof rustig. Het is niet bang voor lawaai, zelfs niet voor echt geweld. Het weet dat de HEERE het woeden van de zee tot bedaren brengt en de golven in de holte van Zijn hand houdt.
“Laat de bergen daveren, door derzelver verheffing!” Alpen en Andes mogen trillen, maar het geloof rust op vastere grond en laat zich door zwellende zeeën niet meeslepen. Het kwaad mag gisten, de toorn mag koken en de trots mag schuimen, maar het dappere hart van heilig vertrouwen beeft niet. Grote mannen, zo massief als bergen, mogen van angst sidderen als er een grote ramp komt. Wie op God vertrouwt, hoeft nooit ontsteld te zijn, ook niet als de hoogste bergen wankelen.
Sela. Midden in zo’n tumult kan de muziek best even stilvallen, zodat de zangers op adem komen en wij tijd krijgen om na te denken. Wij hebben geen haast. We kunnen gaan zitten en wachten terwijl de aarde oplost, de bergen schommelen en de oceanen bulderen. Onze rust is niet de koppige onbezonnenheid die voor moed doorgaat. We kunnen het gevaar kalm onder ogen zien en nadenken over de ramp, over elk onderdeel apart en over alle krachten samen. Deze pauze is geen kreet van schrik, maar een rust in de muziek. We breken ons lied niet af uit angst. We stemmen onze harpen juist weer rustig en bewust, midden in het rumoer van de storm.
Het zou goed zijn als wij allemaal in stormachtige beproevingen “Sela” konden zeggen. Maar helaas, te vaak praten we in onze haast, leggen we verward onze bevende handen op de snaren, slaan we de lier met een ruwe klap aan en bederven we de melodie van het lied van ons leven.
Vers 5
“De beekjes der rivier.” Gods genade is als een rivier die zacht stroomt, vruchtbaar maakt, vol is en nooit opdroogt. Ze geeft gelovigen verkwikking en troost. Het is de rivier van het water des levens, waar de kerk in de hemel en de kerk op aarde voor eeuwig van drinken. Het is geen woeste oceaan, maar een rustige stroom. Aardbevingen of instortende bergen houden haar niet tegen. Ze volgt kalm haar loop, zonder dat iets haar verstoort. Gelukkig wie uit eigen ervaring weet dat zo’n rivier van God bestaat.
“Zullen verblijden de stad Gods.” Die stromen zijn talrijk, en elk werkt op zijn eigen manier. Ze maken de stad van God blij door de burgers de zekerheid te geven dat de Heere van Sion al hun nood onfeilbaar zal vervullen. Die stromen zijn niet vergankelijk als de Krith, niet modderig als de Nijl, niet wild als de Kison en niet verraderlijk als de teleurstellende beken van Job. Hun water is ook niet “kwaad” zoals dat van Jericho. Het is helder, koel, fris, overvloedig en verheugend.
In oorlogstijd was een stad in het Oosten vooral bang dat bij een belegering de watertoevoer werd afgesneden. Was het water verzekerd, dan kon de stad aanvallen onbeperkt lang weerstaan. In dit vers wordt Jeruzalem, beeld van de kerk van God, beschreven als een stad met voldoende water. Zo laat de dichter ons zien dat er in tijden van beproeving genade zal zijn die genoeg is om ons te laten volhouden tot het einde.
De kerk is als een goed ingerichte stad. Machtige muren van waarheid en gerechtigheid omringen haar, de almacht houdt de wacht en oneindige wijsheid heeft haar mooi gebouwd en versierd. Haar burgers, de heiligen, genieten grote voorrechten. Ze drijven handel met verre landen en leven in de glimlach van de Koning. Een grote rivier maakt en draagt een stad, en zo is de brede rivier van eeuwige liefde en genade hun vreugde en zaligheid. De kerk is bij uitstek de Stad van God: door Hem ontworpen, gebouwd, uitverkoren, gekocht en bewoond. Ze is gewijd aan Zijn lof en wordt verheerlijkt door Zijn aanwezigheid.
“Het heiligdom der woningen des Allerhoogsten.” Dat was de bijzondere glorie van Jeruzalem: binnen haar muren had de HEERE een plaats waar Hij Zich op bijzondere wijze liet kennen. Dat is ook het uitgelezen voorrecht van de heiligen. Vol verwondering kunnen we erover uitroepen: “Heere, wat is het, dat Gij Uzelven aan ons zult openbaren, en niet aan de wereld?” Een tempel te zijn voor de Heilige Geest is het heerlijke deel van elke heilige. De levende tempel te zijn voor de HEERE onze God is ook de hoge eer van de kerk als geheel.
Onze God krijgt hier een waardige titel, die Zijn macht, majesteit, verhevenheid en voortreffelijkheid uitdrukt. Het is opvallend dat Hij onder deze naam in de kerk woont, midden onder gewone gelovigen. We hebben geen grote God in de natuur en een kleine God in de genade. Nee, de kerk bevat een even heldere en overtuigende openbaring van God als de werken van de natuur, en zelfs een nog verbazingwekkender. Ze schittert in de uitnemende heerlijkheid tussen de cherubs boven het verzoendeksel, het middelpunt en de ontmoetingsplaats van het volk van de levende God. Als de Allerhoogste woont in haar leden, is de kerk op aarde gelijk aan de kerk in de hemel.
Vers 6
“God is in het midden van haar.” Daarom is Zijn hulp zeker en dichtbij, en dat geeft rust. Wordt de stad belegerd, dan is Hij Zelf in haar ingesloten, en we mogen er zeker van zijn dat Hij zal uitvallen tegen Zijn tegenstanders. Wat is de HEERE dicht bij de nood van Zijn heiligen, nu Hij in hun midden woont! Laten we oppassen dat we Hem niet bedroeven, want Hij is zo dichtbij. Laten we net zoveel ontzag voor Hem hebben als Mozes. Die voelde dat het zand van de woestijn bij Horeb heilig was en trok zijn schoenen van zijn voeten toen de HEERE sprak vanuit de brandende braamstruik.
“Zij zal niet wankelen.” Hoe kan zij wankelen, tenzij haar vijanden ook haar Heere aan het wankelen brengen? Zijn aanwezigheid maakt elke hoop om de stad te veroveren en met de grond gelijk te maken volkomen belachelijk. De HEERE is aan boord van het schip, dus het kan niet vergaan. “God zal haar helpen.” Binnen haar muren zorgt Hij voor rijke voorraden. Buiten haar muren legt Hij haar vijanden neer in hopen, zoals de legers van Sanherib toen de engel uittrok en hen sloeg.
“In het aanbreken van den morgenstond.” Zodra de eerste lichtstraal de nieuwe dag aankondigt, bij het aanbreken van de ochtend, is Gods rechterarm voor Zijn volk uitgestrekt. De HEERE is vroeg op. Wij zijn traag om Hem te ontmoeten, maar Hij is nooit traag om ons te helpen. Ongeduld klaagt over Gods uitstel, maar in werkelijkheid draalt de HEERE niet met Zijn belofte. De haast van mensen is vaak dwaasheid. Gods schijnbare uitstel is altijd wijs, en goed bekeken is het helemaal geen uitstel.
Vandaag mogen benden van het kwaad de kerk van God omsingelen en haar met vernietiging bedreigen. Maar al snel verdwijnen ze als schuim op het water, en het geluid van hun rumoer zwijgt in het graf. Het donkerste uur van de nacht komt vlak voor het aanbreken van de ochtend. Dan, juist dan, verschijnt de HEERE als de grote bondgenoot van Zijn kerk.
Vers 7
“De heidenen raasden.” De volken waren in woedend rumoer. Als hongerige wolven op zoek naar prooi verzamelden ze zich tegen de stad van de HEERE. Ze schuimden, brulden en zwollen op als een stormachtige zee. “De koninkrijken bewogen zich.” Een algemene verwarring greep de samenleving aan. De woeste indringers brachten hun eigen land aan het wankelen door de bevolking leeg te zuigen voor de oorlog, en ze verwoestten andere streken op hun tocht naar Jeruzalem. Kronen vielen van koninklijke hoofden. Oude tronen schommelden als bomen in de storm. Machtige rijken vielen als dennen die door een windvlaag worden ontworteld. Alles was in wanorde, en paniek greep ieder die de HEERE niet kende.
“Hij verhief Zijn stem, de aarde versmolt.” Zonder ander middel dan een woord hield de HEERE de storm in bedwang. Hij liet Zijn stem horen en trotse harten losten op, hoogmoedige legers werden vernietigd, veroverende machten werden verzwakt. Toen Gods macht zichtbaar werd, leek de verwarring eerst nog groter te worden. De aarde zelf leek in was te veranderen. Het vaste en degelijke van wat mensen hebben, smolt als het vet van rammen op het altaar. Maar al snel volgde vrede. De woede van de mens ging liggen, harten die tot berouw in staat waren, werden zacht, en de onverzoenlijken moesten zwijgen.
Wat is een woord van God machtig! Eén woord, en de storm ligt stil. Hoe machtig is het vleesgeworden Woord! O, kwam zo’n woord ook nu uit de uitnemende heerlijkheid, om alle harten te laten smelten in liefde voor Jezus en om voorgoed een einde te maken aan alle vervolgingen, oorlogen en opstanden van mensen!
Vers 8
“De HEERE der heirscharen is met ons.” Dit is de reden voor de veiligheid van heel Sion en voor de ondergang van haar vijanden. De HEERE regeert over de engelen, de sterren, de elementen en alle heerscharen van de hemel, en ook de hemel der hemelen staat onder Zijn heerschappij. De legers van mensen worden, zonder dat ze het weten, ingezet voor Zijn wil. Deze Opperbevelhebber van de strijdkrachten te land en Hoogste Admiraal ter zee staat aan onze kant. Hij is onze machtige bondgenoot. Wee wie tegen Hem strijden, want ze maken geen schijn van kans! Ze vliegen weg als rook voor de wind zodra Hij het bevel geeft om hen te verstrooien.
“De God van Jakob is ons een Hoog Vertrek.” Immanuël is Jehova der heirscharen, en Jakobs God is ons hoge toevluchtsoord. Wordt dit blijde vers gezongen op muziek die zo’n jubelzang waardig is, dan mogen de zangers wel even pauzeren en de spelers even wachten om hun instrumenten opnieuw te stemmen. Daarom staat hier, heel passend, dat plechtige, statige, vredige rustteken: Sela.
Vers 9
“Komt, aanschouwt de daden des HEEREN.” De blije inwoners van Jeruzalem worden uitgenodigd om naar buiten te gaan. Ze moeten de resten van hun vijanden bekijken, zien wat Jehova in kracht heeft gedaan en welke buit Zijn rechterhand voor Zijn volk heeft veroverd. Wij zouden er goed aan doen om ook zorgvuldig op te letten hoe onze God van het verbond de wereld leidt, en snel Zijn hand te zien in de strijd van Zijn kerk. Als we geschiedenis lezen, moet dit vers in onze oren klinken. Zo moeten we ook de krant lezen: om te zien hoe het Hoofd van de kerk de volken regeert tot het welzijn van Zijn volk, zoals Jozef over Egypte regeerde ter wille van Israël.
“Die verwoestingen op aarde aanricht.” De verwoesters verwoest Hij, en volken die verwoesten, maakt Hij zelf woest. Wat een kracht heeft dit vers voor onze tijd, nu we de ruïnes van zoveel rijken kunnen bezoeken! De verwoeste steden van Assyrië, Babel, Petra, Basan en Kanaän zijn onze leermeesters. Op tafelen van steen leggen ze de daden van de HEERE vast. Overal waar Zijn zaak en Zijn kroon werden genegeerd, volgde zeker verwoesting. De zonde was een vloek voor volken en liet hun paleizen als puinhopen achter.
In de dagen van de schrijver van deze psalm had God waarschijnlijk een paar gedenkwaardige keren ingegrepen tegen de vijanden van Israël. Toen hij hun ondergang zag, riep hij zijn medeburgers op naar buiten te gaan en aandachtig na te denken over de ontzagwekkende dingen die in gerechtigheid voor hen waren gedaan. Ook in ons eigen land staan ontmantelde kastelen en verwoeste abdijen als gedenktekens van de overwinningen van de HEERE over onderdrukking en bijgeloof. Mochten er snel meer van zulke verwoestingen volgen.
“O sombere gebouwen, graven voor wie nog leefden,
Grafkelders van het vrouwenleven, of nog erger;
O schuilplaatsen van leugen, stort toch spoedig in,
En laat de uil, de vleermuis en de draak
Tussen uw puin een passende rustplaats vinden.”
Vers 10
“Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde.” Zijn stem brengt het rumoer van de oorlog tot bedaren en roept de stilte van de vrede op. Hoe afgelegen en barbaars een stam ook is, Hij dwingt het volk met ontzag tot rust. Hij verbrijzelt de grote machten tot ze geen nieuwe strijd meer kunnen uitlokken, en Zijn volk schenkt Hij diepe rust. “De boog verbreekt.” Het wapen dat de snelle dood wegzendt, maakt Hij nutteloos. “En de spies aan twee slaat.” De lans van de sterke breekt Hij in stukken. “De wagenen met vuur verbrandt.” De trotse oorlogswagen met zijn dodelijke zeisen geeft Hij aan de vlammen. Alle soorten wapens stapelt Hij hoop op hoop en vernietigt Hij volkomen.
Zo ging het in Judea in vroegere dagen, en zo zal het gaan in alle landen, in tijden die nog komen. Gezegende daad van de Vredevorst! Wat verlangen we ernaar. Wanneer zal die letterlijk worden uitgevoerd? De geestelijke vijanden van Zijn volk zijn nu al hun macht om te vernietigen kwijt. Maar wanneer wordt de algemene overwinning van de vrede gevierd, en worden de werktuigen van massamoord overgeleverd aan een schandelijke ondergang? Hoe heerlijk zal de uiteindelijke overwinning van Jezus zijn op de dag van Zijn verschijning, als elke vijand het stof zal likken!
Vers 11
“Laat af, en weet, dat Ik God ben.” Houd je handen thuis, vijanden! Ga zitten en wacht geduldig, gelovigen! Erken dat Jehova God is, jullie die de verschrikkingen van Zijn toorn voelen! Aanbid Hem, en Hem alleen, jullie die delen in de bescherming van Zijn genade! Niemand kan Zijn wezen waardig verkondigen. Laat daarom “veelzeggende stilte Zijn lof overpeinzen”. De opschepperij van de goddelozen en de bange voorgevoelens van de heiligen moeten zeker tot zwijgen komen als we kijken naar wat de HEERE in vorige eeuwen heeft gedaan.
“Ik zal verhoogd worden onder de heidenen.” Zij vergeten God en aanbidden afgoden, maar ook door hen zal Jehova nog geëerd worden. Lezer, denk hier eens goed over na. De vooruitzichten voor de zending zijn schitterend, zo schitterend als de beloften van God. Laat niemand de moed verliezen. De plechtige woorden van dit vers moeten vervuld worden. “Ik zal verhoogd worden op de aarde.” Onder alle volken, hoe goddeloos of vernederd ze ook zijn geweest. Door schrik of door liefde zal God alle harten voor Zichzelf winnen. De hele ronde aarde zal nog het licht van Zijn majesteit weerspiegelen. Juist vanwege de zonde, de halsstarrigheid en de hoogmoed van de mens zal God des te meer verheerlijkt worden, wanneer genade heerst tot eeuwig leven in alle hoeken van de wereld.
Vers 12
De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Het was passend om dit twee keer te zingen, zo kostbaar is het. Geen gelovige wordt het ooit beu. Het is een waarheid die we veel te vaak vergeten, en een kostbaar voorrecht dat we nooit genoeg kunnen overdenken. Lezer, staat de HEERE aan jouw kant? Is Immanuël, God met ons, jouw Verlosser? Is er tussen jou en God een verbond, zoals tussen God en Jakob? Dan mag je jezelf driemaal gelukkig prijzen! Laat je blijdschap dan horen in een heilig lied. En doe in tijden van nood als een man: blijf muziek maken voor je God.
Sela. Ook hier geldt: verhef je hart. Rust uit in stille overdenking nadat je God hebt geloofd, en houd je ziel op toon. Een loflied zingen is makkelijker dan voortdurend in lofprijzing léven. Maar laten we ernaar streven dat de dankbare toewijding van ons hart blijft opwellen. Laten we ons lied zo afsluiten alsof we van plan waren het te laten doorklinken.
Sela zegt: laat de muziek nu rusten.
Houd even stil, zacht en zalig;
Sela zegt: hef de zang weer aan.
Harpen en stemmen, stemt u opnieuw!
Sela sluit de lofzang af:
Blijf uw harten tot God verheffen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Titel
De Septuagint let op de gedachte achter het Hebreeuwse grondwoord ((Hebr.)), occultavit (‘verborgen’), en vertaalt het met hyper tōn kryphiōn, ‘voor het verborgene’. Het Latijn zegt pro arcanis, en de andere oude uitleggers gaan dezelfde kant op. De Chaldeeuwse vertaling denkt aan Korach en aan de mensen die ‘verborgen’ werden, dat wil zeggen: samen met hem door de aarde verzwolgen, terwijl deze zonen van Korach ontkwamen. Het lijkt er dus op dat de vermelding van de zonen van Korach in het opschrift, die dit lied moesten zingen, de hele psalm aan die geschiedenis wil verbinden. Zo is in vers 3 de weergave: “Toen onze vaders van de aarde veranderd werden”, terwijl het Hebreeuws daar leest: “Al veranderde de aarde haar plaats.” — Henry Hammond.
Titel
Dit opschrift is opvallend: “Op Alamoth”, wat doet denken aan “een koor van maagden”. Het lijkt wel of juist dit meisjeskoor was uitgekozen om een psalm te zingen over gevaren, angsten en overal dreigende schrik. Zo wordt getoond dat zelfs de zwakke meisjes in die dag zonder angst kunnen zingen, omdat “de Machtige” aan hun kant staat. — Andrew A. Bonar.
Titel
“Op Alamoth.” Te zingen en soprano. — Armand de Mestral, aangehaald door Perowne.
Gehele psalm
Wij zingen deze psalm tot lof van God, omdat God met ons is. Hij bewaart en verdedigt Zijn kerk en Zijn woord krachtig en op wonderbaarlijke wijze, tegen alle dwepende geesten, tegen de poorten van de hel, tegen de onverzoenlijke haat van de duivel en tegen alle aanvallen van de wereld, het vlees en de zonde. — Maarten Luther.
Gehele psalm
Luther en zijn medestrijders waren stoutmoedig bereid om voor de zaak van de waarheid gevaar en dood onder ogen te zien. Toch kenden ook zij uren waarin ze zich voelden als de goddelijke zanger die zei: “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel!” Maar in zulke uren zei de onbevreesde Hervormer opgewekt tegen zijn vriend Melanchthon: “Kom, Philip, laten we de zesenveertigste psalm zingen.” En ze konden hem zingen in Luthers eigen, kenmerkende bewerking:
Een vaste burcht is onze God,
Een schild en wapen in de nood;
Hij helpt ons en Hij maakt ons vrij
Uit alle kwaad dat ons bedreigt.
En was de wereld vol van duivels,
Begerig om ons te verslinden,
Toch zou ons hart maar weinig vrezen:
Zij kunnen ons niet overwinnen.
— S. W. Christophers, in “Hymn Writers and their Hymns”, 1866.
Vers 2
God is ons een Toevlucht en Sterkte, enzovoort. Het begint abrupt, maar edel. Vertrouw op wie of wat je maar wilt: toch is God (Elohim) onze toevlucht en sterkte. Een hulp die heel dichtbij is. Een hulp waarvan in nood en benauwdheid blijkt hoe krachtig en doeltreffend ze is. De woorden zijn bijzonder nadrukkelijk: ((Hebr.)), ezrah betsaroth nimtsa meod, “Hij is gevonden als een uitnemende, ja onovertroffen hulp in benauwdheden.” Zo hebben wij Hem ervaren, en daarom zingen we Zijn lof. — Adam Clarke.
Vers 3
“Al veranderde de aarde haar plaats.” John Wesley preekte in Hyde Park naar aanleiding van de aardbeving die op 8 maart 1750 in Londen te voelen was, en herhaalde daar deze woorden. Charles Wesley schreef Lied 67 in Wesley’s Collection. De volgende regels daaruit verklaren dit vers:
Hoe gelukkig zijn wij dan,
Die op U, o Heere, bouwen!
Wat zou ons fundament doen wankelen?
Al wijkt de aarde, stukgebroken, van haar plaats,
Onze stad staat op een rots,
De rots van hemelse liefde.
Verzen 3-4
De aarde in wilde verwarring gebracht, de bergen midden in de machtige diepte geslingerd, de zee opgezweept tot een storm, de eeuwige heuvels meedrijvend op haar schuimende golven: dat zijn de levendige beelden waarmee de profeten Gods oordelen over goddeloze en vervolgende volken beschrijven. — John Morison.
Verzen 3-4, 6
Palestina had vaak te lijden van aardbevingen. Dat is niet vreemd, gezien de aard en de ligging van het land. Toch valt op dat alle andere streken af en toe het toneel van die verschrikkelijke schokken zijn geweest, terwijl juist de hoofdstad er bijna helemaal van verschoond bleef. De berg Moria, ‘de heuvel van het gezicht’, kreeg die naam vanwege zijn torenhoge ligging: je zag hem van ver. Hij staat midden in een groep heuvels die hem als een amfitheater omringen. Vooral aan die ligging, onder de bijzondere zegen van God, was het te danken dat hij vast en onwankelbaar bleef staan te midden van de vele aardbevingen die het Heilige Land schokten en verwoestten. — Paxton’s Illustrations of Scripture.
Vers 5
“De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods.” Welke rivier maakt de stad van God blij? Ik antwoord: God Zelf is de rivier, zoals het volgende vers zegt: “God is in het midden van haar.”
- God de Vader is de rivier: “Want Mijn volk heeft twee boosheden begaan; Mij, den Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.” Jer. 2:13.
- God de Zoon is de rivier, de fontein der zaligheid: “Te dien dage zal er een Fontein geopend zijn voor het huis Davids, en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinigheid.” Zach. 13:1.
- God de Geest is de rivier: “Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien.” “Zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.” Joh. 7:38; 4:14.
En wat zijn de stromen van deze rivier? Het antwoord: de volmaaktheden van God, de volheid van Christus en de werkingen van de Geest. Al deze stromen lopen door het kanaal van het verbond van de belofte. — Ralph Erskine.
Vers 5
De beekjes der rivier, enzovoort. Dit is de vloed die Ezechiël in een visioen zag: water dat van de rechterzijde van het huis neerkwam en eerst tot de enkels reikte. Terwijl de profeet verder liep, steeg het water: het kwam tot de knieën, daarna tot het middel, en uiteindelijk werd het een rivier waar hij niet meer doorheen kon. Het water was zo hoog gestegen dat je erin kon zwemmen: een rivier die niet te doorwaden was.
Zien we hierin, met de “engelachtige leraar”, de rivier van genade die uit de berg Golgota ontsprong? Haar stromen vertakken zich hierheen en daarheen, de pelagim van het Hebreeuws: “om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen.” Job 38:27. O “fontein der hoven, put der levende wateren, die uit Libanon vloeien”! Wat laten jullie, de “lage waterwellingen” van deze wereld, ons al iets proeven van de eeuwige lieflijkheid en vrede van die “hoge waterwellingen”! Daar weidt en rust nu de schone kudde, en niemand maakt haar bevreesd.
Of versta dit vers met Sint Ambrosius en Sint Bernardus als de “rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods, en des Lams”. Dan zullen de stromen van die vloed de stad van God echt verblijden: het huis dat niet met handen gemaakt is, eeuwig in de hemelen. Daar staat de boom des levens, die twaalf soorten van vruchten draagt en elke maand zijn vrucht geeft. Het is dat land en die rivier waarvan de oude liturgieën zeggen:
“Zij die rusten in de schoot van Abraham, zijn in de tabernakel van vreugde en rust, in de woningen des lichts, in de wereld van genot, in de kerk van het ware Jeruzalem. Daar is geen plaats voor verdrukking en geen weg van droefheid. Daar zijn geen oorlogen met het vlees en geen weerstand tegen verzoeking. Daar is de zonde vergeten, en wordt gevaar uit het verleden alleen herinnerd als een genot van het heden.” — Thomas van Aquino, Ambrosius en Bernardus, in Neale’s Commentary.
Vers 5
De beekjes der rivier. De rivier van God, die uit Zijn troon stroomt. Geen vijand kan deze stroom van de kerk van Christus afsnijden. Let op de verwijzing naar Jes. 36:2 en 37:25, vergeleken met 2 Kron. 32:2-4. Deze zacht vloeiende maar volle stromen staan tegenover de bulderende golven van de zee. — T. C. Barth.
Vers 5
De beekjes der rivier, enzovoort. Er wordt gezinspeeld op de rivier de Kidron, die langs Jeruzalem liep, of op de wateren van Siloa. Die liepen in verschillende stromen en beekjes door de stad en voorzagen alle delen ervan van water, tot vreugde en troost van de inwoners. Maar de woorden moeten figuurlijk worden verstaan, met het oog op de tijd van het evangelie. Dan staat deze rivier voor het evangelie zelf. De stromen daarvan zijn de leerstellingen ervan: levend water dat van Jeruzalem uitging en alle zondaars die hun zonde beseffen een blijde boodschap van grote vreugde verkondigt.
Of ze wijst op de Geest en Zijn genaden, die vergeleken worden met een bron en met rivieren van levend water, waarvan de heiligen in de praktijk veel vreugde en vrede ervaren. Of op de HEERE Zelf, Die voor Zijn volk een plaats is van brede rivieren en stromen, en hun zowel verkwikking als bescherming geeft. Of liever nog: hier wordt Zijn eeuwige liefde voor hen bedoeld. — John Gill.
Vers 5
Vergeleken met de waterloze woestijnen rondom waren Judea en Jeruzalem goed van water voorzien. De droogte drukte de belegeraars zwaarder dan de belegerden. Hier wordt gezinspeeld op het bekende beekje en de vijver van Siloam. Zo wordt in Jes. 8:6 de zegen van Gods bescherming voorgesteld door de wateren van Siloa, die zachtjes gaan. — Uit “The psalms Chronologically arranged. By Four Friends”, 1867.
Vers 5
De stad. De kerk van God lijkt op een stad: 1. Want een stad is een plaats van veiligheid. 2. Een plaats van gezelschap: wat de een mist, vult de ander aan, en de inwoners hebben onderlinge gemeenschap. 3. Een plaats van eenheid, waar mensen in vrede en eendracht samenleven. 4. Een plaats van handel en verkeer. Hier staat de markt van de vrije genade: “O alle gij dorstigen!” enzovoort. Hier wordt de parel van grote waarde te koop aangeboden. 5. Een plaats van vrijheid: vrijheid van de schuld van de zonde, van de toorn van God, van de vloek van de wet, van de tegenwoordige boze wereld, van de slavernij onder de satan, enzovoort. 6. Een plaats van orde en regelmaat; ze heeft haar inrichtingen en verordeningen. 7. Een plaats van rust, prettig om in te wonen, en daarin staat ze tegenover de woestijn. 8. Een plaats van voorrechten. 9. Een plaats van praal en pracht: daar zijn de koning, het hof en de troon. 10. Een plaats van genot en schoonheid; Ps. 48:2. — Ralph Erskine.
Vers 6
God is in het midden van haar. Wat de kerk machtig maakt om zielen te winnen, is de werkelijke aanwezigheid van Christus en de bovennatuurlijke kracht van Zijn Geest. De kerk groeit omdat haar God in haar midden is. Telkens wanneer zij ooit vergat dat zij afhankelijk is van de onzichtbare voorbede van haar Hoofd en van de genadige kracht van Zijn Geest, bleek zij van de lokken van haar grote kracht beroofd en werd zij de spot van de Filistijnen. — William Binnie, D.D.
Vers 6
God is in het midden van haar, enzovoort. De vijanden van de kerk mogen haar heen en weer slingeren als golven, maar ze zullen haar niet doen splijten zoals rotsen. Ze mag onder water gedompeld worden als een veer, maar ze zal er niet in zinken als lood. Hij Die een waterbron in haar is om haar voor bezwijmen te behoeden, zal ook een muur van vuur rondom haar blijken te zijn om haar voor vallen te bewaren. Beproefd kan ze worden, maar vernietigd kan ze nooit worden. Haar fundament is de Rots der Eeuwen, en haar verdediging de eeuwige Armen.
Alleen bouwwerken die op zand zijn gegrondvest, worden door de wind omvergeblazen. De tegenstanders van Gods volk zullen hen stoten zover hun horens reiken. Maar wanneer ze hen door vervolging hebben schoongeschuurd als dof geworden vaten, zal God zulke strohopen in het vuur werpen. — William Secker.
Vers 6
Toen de papisten in volle glorie stonden en Melanchthon soms begon te vrezen dat de jonge Hervorming in de geboorte gesmoord zou worden, troostte Luther hem gewoonlijk met deze woorden: “Si nos ruemus, ruet Christus una, scilicet ille regnator mundi; esto, ruat; malo ego cum Christo ruere quam cum Caesare stare.” Dat betekent: als wij ten onder gaan, moet Christus ook vallen (Hij is immers in ons midden). En als het zo moet zijn, laat het dan zo zijn. Ik wil liever met Christus, de grote Heerser van de wereld, ten onder gaan dan met de keizer voorspoed hebben. — John Collings.
Vers 6
“In het aanbreken van den morgenstond.” Merk daarom op dat alle grote verlossingen in de Heilige Schrift zó vroeg plaatsvonden dat ze midden in de nacht tot stand kwamen. Zo Gideon met zijn kruiken en lampen tegen de Midianieten. Zo Saul, toen hij optrok tegen Nahas, de Ammoniet. Zo Jozua, toen hij optrok om Gibeon te ontzetten. Zo Simson, toen hij de poorten van Gaza in triomf wegdroeg. Zo ook de verbonden koningen onder leiding van Elisa in hun tocht tegen de Moabieten. Op Gods bevel vulden zij de woestijn met grachten, en toen zagen zij hoe hun vijanden, door de weerkaatsing van de opkomende zon op het water, tot hun verderf werden gelokt. — Michael Ayguan.
Vers 6
“In het aanbreken van den morgenstond.” Liever, zoals in de kantlijn staat: wanneer de morgen verschijnt. Het herstel van de Joden zal een van de eerste dingen zijn bij de tweede komst. Het zal gebeuren in het allereerste morgenlicht van die dag, “wanneer de Zon der gerechtigheid zal opgaan met genezing onder Zijn vleugelen”. — Samuel Horsley.
Vers 8
De HEERE der heirscharen is met ons. God is op drie manieren bijzonder aanwezig, en alle drie mogen terecht een voorrecht van de kerk heten.
Ten eerste Zijn heerlijke aanwezigheid: Zijn aanwezigheid die blijkt uit uitnemende heerlijkheid en uit het verblijf daarvan. Zo zegt men dan ook dat God op een bijzondere manier in de hemel is, zoals Hij nergens anders is. Daarom heet de hemel Zijn troon of woonplaats (1 Kon. 8:39). Een koning is immers nergens zo majestueus als op zijn troon of in zijn staatsiezetel. Dit voorrecht is zo groot dat de kerk het pas geniet als zij zegevierend in de hemel is. Het is dus niet de aanwezigheid die hier bedoeld wordt.
Ten tweede Zijn genadige aanwezigheid: Zijn aanwezigheid die blijkt uit tekenen van Zijn genade en gunst voor een volk. Die tekenen kunnen zichtbaar zijn, zoals in de tempel, waar Hij Zijn naam wilde laten wonen en waar Hij boven alle plaatsen aanbeden wilde worden. In dat opzicht zegt men dat Hij tussen de cherubs woont (2 Sam. 6:2). Of het zijn geestelijke tekenen van Zijn genade: bijstand en aanvaarding bij onze plichten in Zijn dienst, samen met het genieten en de winst van Zijn verordeningen. Zo is Hij in de tijd van het evangelie bij Zijn kerk en volk: “Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.” Matth. 18:20.
Deze aanwezigheid is een voorrecht van de strijdende kerk: Hij zal met haar zijn in heilige en geestelijke bedieningen en verordeningen. Toch is ook dit niet de aanwezigheid die hier in de eerste plaats bedoeld wordt.
Ten derde Zijn aanwezigheid in de voorzienigheid: Zijn aanwezigheid die blijkt uit daden van bijzondere voorzienigheid. Daarin komen de macht, de wijsheid of een andere eigenschap van God uitnemend naar voren, om een volk te helpen of te beschermen. Zo was de HEERE bij Israël in de woestijn door de wolkkolom en de vuurkolom (Ex. 13:21): “En de HEERE toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op den weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte.” Deze aanwezigheid was bedoeld als gids, maar ook als verdediging van Zijn volk tegen hun vijanden. Daardoor raakten hun vijanden, de Egyptenaren, in verwarring. Ex. 14:24.
Door deze derde soort aanwezigheid is de HEERE bij Zijn strijdende kerk, wat haar uiterlijke bestuur betreft en vooral in haar strijd: Hij staat voor haar en met haar op tegen haar vijanden. Dit is het voorrecht van de kerk in deze woorden: De HEERE der heirscharen is met ons. — John Strickland, B.D. (1601-1670), in een preek getiteld “Immanuel”, 1644.
Vers 8
De God van Jakob. Iemand zou kunnen vragen: waarom staat er eigenlijk ‘de God van Jakob’ en niet ‘de God van Isaak’? Op zich is het al genoeg dat de Geest van God het nu eenmaal zo zegt. Toch geeft Calvijn een reden. Met Abraham en met Jakob is het genadeverbond plechtiger gesloten en openlijker bevestigd dan met Isaak. Als God dus laat zien dat Hij in een verbond met Zijn volk staat, noemt Hij Zich vaker de God van Abraham en de God van Jakob dan de God van Isaak. Al neemt Hij soms ook die naam aan. — John Strickland.
Vers 8
Ons een Hoog Vertrek. Dat is onze schuilplaats en onze burcht. Daar kan de kerk, als een schip in een rustige haven, voor anker gaan en veilig liggen. Het kan ook een beeld zijn van de holen en gaten waar weerloze dieren onderdak vinden als ze worden opgejaagd en achtervolgd, zoals in Spreuken 30:26: “De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen.” In de rots zijn ze veilig, als ze er maar kunnen komen, hoe zwak ze zelf ook zijn. Zo hoeft ook de kerk niet bang te zijn.
Ze wordt door bloeddorstige vijanden achtervolgd en is zelf zwak, maar als ze onder de vleugel van de God van Jakob komt, is ze daar veilig. Hij is onze toevlucht. Het zou God te kort doen als we bang waren voor schepselen terwijl Hij bij ons is. Antigonus hoorde eens zijn soldaten tellen hoeveel vijanden er waren. Hij stapte plotseling naar hen toe en vroeg: “En voor hoeveel tellen jullie mij mee?” — John Strickland.
Vers 9
“Komt, aanschouwt de daden des HEEREN.” Venito, videto: kom en kijk! God wil dat Zijn werken goed worden opgemerkt, vooral wanneer Hij Zijn volk uit een grote nood heeft gered. Niets kan Hij zo slecht verdragen als vergeten worden. — John Trapp.
Vers 9
“Die verwoestingen op aarde aanricht.” Eerst worden we uitgenodigd voor een tragisch schouwspel. We worden meegenomen naar de camera di morte, de kamer van de dood, om het afschuwelijke gezicht van dood en verwoesting over de hele wereld te zien. Niets is gruwelijker of verschrikkelijker. Je wordt geroepen om stapels lijken te zien, om hele manden vol hoofden te zien, zoals ze aan Jehu werden aangeboden. Het is een droevig schouwspel, maar wel een nodig. Kijk dus wat voor verwoesting de HEERE over de hele aarde heeft aangericht.
Verwoesting door oorlog: hoeveel velden zijn doordrenkt met bloed en bemest met lijken! Hoeveel miljoenen mensen zijn in alle eeuwen door het scherp van het zwaard weggevaagd! Verwoesting door hongersnood: mensen werden gedwongen om van hun eigen lichaam elkaars graf te maken, en moeders om hun kinderen van een span lang op te eten. Verwoesting door plagen en pest: onze geschiedenis vertelt dat ze in één stad achthonderdduizend mensen hebben weggevaagd. Verwoesting door overstromingen: ze hebben het gezicht van vele landstreken bedekt en de aarde schoongespoeld van haar onreine bewoners. Verwoesting door aardbevingen: ze hebben hele steden verzwolgen, en dan nog grote en volkrijke ook.
Verwoesting door de hand van Zijn engelen: zoals in Egypte, in de tenten van de Assyriërs (honderdvijfentachtigduizend doden in één nacht) en in het leger van Israël, bij de pest in de tijd van David. Verwoesting door mensenhand, in veldslagen en bloedbaden. Verwoesting door wilde dieren, zoals bij de kolonisten die Assur in Samaria had gevestigd. Verwoesting door zwermen schadelijk en hinderlijk gedierte, zoals in Egypte en later in Afrika: “Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal”, Ps. 105:34.
Zo kwamen er in het consulaatsjaar van M. Fulvius Flaccus, na de bloedige oorlogen in Afrika, ontelbare sprinkhanen. Toen ze alle kruiden en vruchten hadden opgevreten, joeg een plotselinge wind ze de Afrikaanse zee in. Hun verrotting bracht besmetting, en die bracht een algemene sterfte: tachtigduizend mensen stierven, en aan de kust tussen Carthago en Utica meer dan tweehonderdduizend.
Verwoesting op elke manier en door allerlei middelen, en toch is alles gewrocht door de hand van God: “Die verwoestingen op aarde aanricht.” Wie het werktuig ook is, Hij is de Auteur. — Joseph Hall (bisschop).
Vers 9
Richt God niet grote verwoestingen aan wanneer Hij iemand die zichzelf voor de vroomste mens ter wereld hield, laat toegeven dat hij geen enkele goede gedachte aankan? Het ging zo met Paulus. Maakt Hij geen einde aan oorlogen wanneer Hij het hart van een vervolger omdraait, zodat die oprecht vrede zoekt met God en mensen, zelfs met zijn eigen vijanden? Breekt Hij de boog en alle oorlogswapens niet aan stukken, over de hele aarde, wanneer Hij vrede verkondigt aan wie ver weg zijn en aan wie dichtbij zijn, aan wie God belijdt en wie goddeloos leeft, aan Joden en heidenen? — Richard Coore.
Verzen 9-11
“Komt, aanschouwt de daden des HEEREN.” Welke daden? Daden die verwoesten. “Die verwoestingen op aarde aanricht.” In die tijd deed God vreemd werk in de wereld. Landen die eerst als de hof van God waren, veranderden in een kale woestenij. Wie kon dat geduldig verdragen? Toch zegt de Geest van God in de volgende woorden dat we het geduldig móéten verdragen. Als God mensen laat vechten en oorlog voeren tot de verwarring compleet is, mag toch niemand daarover met God twisten. En de reden die daarvoor wordt gegeven is maar één, al is het eigenlijk de beste reden die er bestaat: Hij is God.
Zo gaat de psalm verder: “Laat af, en weet, dat Ik God ben.” Het is alsof de HEERE zegt: Geen woord! Geen ruzie en geen weerwoord. Wat je ook ziet, zwijg. Weet dat Ik God ben, en dat Ik van niets wat Ik doe rekenschap hoef te geven. — Joseph Caryl.
Vers 11
“Laat af, en weet, dat Ik God ben.” In de voorgaande verzen zijn de grote werken van God beschreven, waarin Zijn soevereiniteit zichtbaar werd. Door de ontzagwekkende verwoestingen die Hij aanrichtte, en door Zijn volk met vreselijke dingen te redden, liet Hij Zijn grootheid en heerschappij zien. Zo toonde Hij Zijn macht en soevereiniteit, en daarom beveelt Hij iedereen af te laten, stil te zijn en te weten dat Hij God is. Want, zegt Hij: “Ik zal verhoogd worden onder de heidenen, Ik zal verhoogd worden op de aarde.” In deze woorden valt het volgende op.
- Een plicht die wordt genoemd: stil zijn voor God en onder wat Zijn voorzienigheid beschikt. Dat betekent allereerst dat we met onze woorden stil zijn. We spreken niet tegen wat de Voorzienigheid in haar soevereiniteit beschikt, en we klagen er niet over. We verduisteren Gods raad niet door woorden zonder kennis. We verdedigen onszelf niet en praten niet in grote, opgeblazen woorden vol ijdelheid. Ook in ons doen en laten zijn we stil, zodat we God niet tegenwerken in wat Hij beschikt. En in ons hart kweken we een kalme, stille overgave van onze ziel aan Gods soevereine welbehagen, wat dat ook inhoudt.
- Daarna zien we de grond van deze plicht, namelijk dat God God is. Dat Hij God is, is reden genoeg om stil voor Hem te zijn. We morren niet, we werpen niets tegen en we bieden geen verzet, maar we geven ons kalm en nederig aan Hem over.
- Tot slot: hoe moeten we deze stilte voor God opbrengen? Met een besef van Zijn Godheid. Dat is immers de grond van deze plicht: we kennen Hem als God. Onze overgave moet passen bij redelijke schepselen. God vraagt niet dat we ons onderwerpen tegen alle verstand in. Hij wil dat we ons onderwerpen omdat we de reden en de grond daarvoor zien. Daarom kan alleen al de gedachte dat God God is genoeg zijn om elk bezwaar en elk verzet tegen Zijn soevereine beschikkingen tot zwijgen te brengen. — Jonathan Edwards.
Vers 11
“Laat af, en weet, dat Ik God ben.” Dit Schriftwoord verbiedt ruzie maken en morren tegen God. Laat ik het meteen toepassen. Heel weinig mensen, en dan alleen onder zeer gunstige omstandigheden, lopen geen gevaar om met God te twisten. Ik denk bijna dat zelfs engelen dat gevaar zouden lopen als ze op aarde waren. Ik verzeker je: iedereen die nog verdorvenheid in zich heeft, moet hiervoor op zijn hoede zijn. Toch geven velen toe aan dit twisten, zonder stil te staan bij het gevaar. Pas op! Het is vreselijk om met God te twisten: wie mag tegen Hem zeggen: “Wat doet Gij?” Van Aäron wordt iets goeds getuigd: toen God vuur liet uitgaan om zijn zonen te verteren, zweeg hij.
Laten we dan, zolang we het juk dragen, hiernaar doen: “Hij zitte eenzaam, en zwijge stil … Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.” Klaagl. 3:28-29. Je weet hoe duur hun morren de kinderen van Israël te staan kwam. “Laat af”, dat betekent: pas op voor morren tegen Mij, zegt de HEERE. God geeft aan niemand rekenschap van Zijn zaken. Er kunnen immers veel dingen zijn die je niet doorziet. Je denkt misschien dat het beter was geweest als je ze niet had gekregen, en zeker als het om de eer van God en van de kerk gaat. Maar ik zeg het nog eens: God geeft aan niemand rekenschap van Zijn zaken. Trek dus geen overhaaste conclusies. — Preek van Richard Cameron, gehouden op 18 juli 1680, drie dagen voordat hij bij Airsmoss werd gedood.
Vers 11
“Laat af, en weet, dat Ik God ben.” Het geloof geeft de ziel een blik op de grote God. Het leert de ziel om Gods almacht tegenover de grootte van de zonde te zetten, en Zijn oneindigheid tegenover de massa van de zonden. Zo dooft het de verzoeking. Waarom is de brutale zondaar zo weinig bang, en de wanhopige ziel zo erg? Ze kennen God niet als groot. Om beiden te genezen, wordt daarom de ernstige overdenking van God onder deze gedaante voorgehouden: “Laat af, en weet, dat Ik God ben.” Het is alsof Hij zegt: Weet, goddelozen, dat Ik God ben.
Ik kan Mijzelf op jullie wreken wanneer Ik wil. Houd op Mij te tarten met jullie zonden, want dat is jullie eigen ondergang. En weet ook, jullie die beven, dat Ik God ben. Daarom kan Ik de grootste zonden vergeven. Houd op Mij te onteren met jullie ongelovige gedachten over Mij. — William Gurnall.
Vers 11
“Laat af, en weet, dat Ik God ben.” Niet iedereen is een geschikte leerling voor Gods school. Alleen wie gereinigd is naar de reiniging van het heiligdom, is dat. Mensen die vleselijk leven, verdrinken in vleselijke en wereldse zorgen. Ze zijn niet gezuiverd en niet opgetild om het licht van God te ontvangen. Of ze worden door vooroordeel of hartstocht zo gehinderd dat ze helemaal niets kunnen leren. We zullen Hem nooit tot behoud van onze ziel leren kennen zolang we niet vrij zijn van deze belemmeringen. Van alle elementen is de aarde het meest geschikt om het zaad van de zaaier te ontvangen.
Werpt hij het in het vuur, dan verbrandt het. In de lucht verdort het. In het water rot het. En de onbestendigheid van het water is zo groot dat er monsters uit voortkomen, omdat het de zaden van vissen niet stevig insluit. Geesten met een vurig temperament, geesten die licht en wispelturig zijn of die heen en weer bewegen als water, zijn niet geschikt voor Gods lessen. Die zijn voor wie in rustige nederigheid onder Zijn hand blijft. Water dat met klei is vermengd, of waarvan het oppervlak door de wind is beroerd, kan geen beeld opvangen of weerkaatsen. Zulke onbestendige geesten verliezen hun tijd in Gods school en brengen zichzelf in gevaar. — William Struther.
Vers 11
“Laat af, en weet” enzovoort. Je moet komen en kijken (Ps. 46:9). Kom dan ook luisteren naar wat de HEERE zegt tegen die vijanden van je. — John Trapp.
Vers 12
“De HEERE der heirscharen is met ons.” Op dinsdag was de heer Wesley met moeite te verstaan, al probeerde hij vaak te spreken. Eindelijk riep hij met alle kracht die hij nog had: “Het beste van alles is: God is met ons.” Nog eens, terwijl hij zijn hand opstak en die in triomf heen en weer bewoog, riep hij met ontroerende kracht: “Het beste van alles is: God is met ons.” Deze woorden lijken samen te vatten wat zijn hele leven kenmerkte. God was bij hem geweest sinds zijn vroegste kinderjaren. Zijn voorzienigheid had hem door alle kronkelwegen van het menselijk leven geleid.
En nu hij de “dal der schaduw des doods” inging, hield dezelfde hand hem vast. — Uit “Wesley and his Coadjutors. By Rev. W. C. Larrabee, A.M. Edited by Rev. B. F. Tefft, D.D. Cincinnati. 1851.”
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 2
Het lied van het geloof in woelige tijden.
- Onze toevlucht. Onze enige, onneembare, bereikbare en heerlijke schuilplaats is onze God.
- Onze sterkte. Onze sterkte, die voor alles genoeg is, die niemand kan verslaan, die ons eer geeft en moed geeft, is onze God.
- Onze hulp. Altijd dichtbij, meelevend, trouw, echt en krachtig: zo is onze God.
Vers 2
Een “Hulp in benauwdheden” (Engels: een zeer nabije hulp in benauwdheid). Het geloof is nooit zo kostbaar als in tijden van nood, ziekte en sterven. God is er dan om ons te helpen de nood te dragen, er iets goeds uit te halen en haar te overleven. Hij is er door Zijn genadige mededelingen en zoete openbaringen. Het meest is Hij er wanneer Hij afwezig lijkt: dan houdt Hij de nood in toom, stuurt haar bij en gebruikt haar om ons te heiligen. Vertrouw en wacht. — James Smith.
Vers 3
De redenen, de voordelen en de heerlijkheid van heilige moed. Verzen 2-3.
- De vele en grote oorzaken van angst.
(a) Wat kan komen: bergen, wateren enzovoort, vervolging, ziekte en pest enzovoort.
(b) Wat moet komen: verdrukking, dood, oordeel.
- De ene grote reden om niet bang te zijn. Wie onder zulke omstandigheden onbevreesd is, moet daar een goede grond voor hebben. God Zelf is onze toevlucht, en wij die op Hem vertrouwen, zijn onbevreesd. — G. Rogers.
Vers 5
Goed nieuws in droevige tijden. Of: de stad van God in tijden van nood en verwarring, bevloeid door de rivier van troost. — Ralph Erskine.
Vers 5
Wat kan deze rivier anders zijn dan het gezegende verbond waar David zelf zijn toevlucht toe nam in tijd van nood? … En wat zijn de stromen van deze rivier anders dan wat uit deze goddelijke instelling voortvloeit en wat zij teweegbrengt?
- Het bloed van Jezus.
- De invloed van de Heilige Geest.
- De leerstellingen en beloften van het evangelie.
- De inzettingen van het geloof.
- Alle middelen van genade. — W. Jay.
Vers 5
“Verblijden de stad Gods.” Op vier manieren kunnen de stromen van een rivier de inwoners van een stad blij maken.
- De eerste gaat over het uitzicht.
- De tweede gaat over het verkeer.
- De derde gaat over de vruchtbaarheid.
- De vierde gaat over de voorziening. — W. Jay.
Vers 5
Stad van God. De kerk mag “de stad van God” heten, omdat: 1. Hij daar woont (zie Ps. 46:6). 2. Hij haar gegrondvest en gebouwd heeft. 3. Zij al haar rechten en vrijheden van Hem krijgt. 4. Hij daar de hoogste Heerser en Bestuurder is. 5. Zij Zijn eigendom is. 6. Hij er de huur van int. — Ralph Erskine.
Verzen 5-6
Voor de kerk: vreugde, vastheid, redding.
Vers 7
Wat de mens deed en wat God deed.
Vers 9
“Aanschouwt de daden des HEEREN.”
- Ze zijn het waard om te bekijken, want ze zijn als Hij Zelf: ze passen bij Zijn oneindige macht, wijsheid en gerechtigheid.
- Onze ogen zijn ons juist hiervoor gegeven. Niet om naar ijdelheid te kijken, niet om onze ziel in een valstrik te lokken of te kwetsen, maar om de Schepper te dienen en te eren.
- De HEERE wil graag dat Zijn werken worden bekeken. Hij kent hun voortreffelijkheid en volmaaktheid. Hij weet dat hoe meer ze worden gezien en opgemerkt, hoe meer eer hun Maker ontvangt.
- Niemand behalve wij kan het doen. Er is dus alle reden om met aandacht te kijken enzovoort.
- Dit zal onszelf veel voordeel brengen. — Bisschop Hall.
Vers 9
De verwoestingen van de HEERE, de troost van Zijn heiligen. 1. Een verklaring van wat er gebeurd is.
- Een belofte van wat er zal worden bereikt. — Spurgeon’s Sermons, nr. 190.
Vers 10
De grote Vredestichter. Of: het beginsel van het evangelie, onze enige hoop op een volledige afschaffing van de oorlog.
Vers 11
“Laat af, en weet, dat Ik God ben.” Alleen al de gedachte dat God God is, is genoeg om elk bezwaar tegen Zijn soevereiniteit tot zwijgen te brengen. — Jonathan Edwards.
Vers 11
“Dat Ik God ben.” 1. Omdat Hij God is, is Hij een volstrekt en oneindig volmaakt Wezen. 2. Als God is Hij zo groot dat Hij oneindig boven ons begrip verheven is. 3. Als God is alles Zijn eigendom. 4. Omdat Hij God is, verdient Hij het om over alle dingen soeverein te zijn. 5. Omdat Hij God is, zal Hij soeverein zijn en ook zo handelen. 6. Omdat Hij God is, kan Hij Zichzelf wreken op wie Zijn soevereiniteit tegenstaan. — Jonathan Edwards.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas