Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 47 — Treasury of David

27 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

Voor den opperzangmeester. Aan deze koorleider werden heel wat liederen toevertrouwd, maar hij raakte er niet door overbelast. God dienen is zo’n vreugde dat het ons nooit vermoeit. En het mooiste deel ervan, het zingen van Zijn lof, doet ons zo goed dat we er nooit genoeg van kunnen krijgen. Met al die heilige liederen op zijn bord dacht de koorleider vast en zeker: hoe meer, hoe liever.

Een psalm, … onder de kinderen van Korach. Sommigen denken dat de zonen van Korach deze psalmen zelf hebben geschreven. Daar kunnen we niet in meegaan. Alles wat je van Davids hand mag verwachten, vind je ook hier terug. Ons oor is vertrouwd geraakt met de klank van Davids liederen, en we zijn er zo goed als zeker van dat we die hier horen. Elke kenner zou in deze psalm het handschrift van de zoon van Isaï herkennen, of we vergissen ons deerlijk. De zonen van Korach zongen deze psalmen, maar naar onze overtuiging hebben ze ze niet geschreven. Het waren zangers die echt bij hun taak pasten. Hun afkomst herinnerde hen aan de zonde. Dat ze er nog waren, bewees Gods soevereine genade. En hun naam hangt nauw samen met de naam Golgota.

Onderwerp

Gaat het in deze psalm om het overbrengen van de ark van het huis van Obed-Edom naar de berg Sion, of om de viering van een gedenkwaardige overwinning? Dat is moeilijk te zeggen. Zelfs de geleerden zijn het er niet over eens, wie zijn wij dan om stellig te zijn? Wél is helemaal duidelijk dat hier zowel de heerschappij van Jehova nu als de uiteindelijke overwinningen van onze Heere passend bezongen worden. Ook Zijn hemelvaart, die een profetie van die overwinningen is, wordt hier op een lieflijke manier verheerlijkt.

Indeling

In zo’n korte psalm hebben we geen ingewikkelde indeling nodig. De muzikale pauze aan het eind van Ps. 47:5 geeft vanzelf aan waar de psalm in tweeën valt.

Uitleg

Vers 2

“Klapt in de hand.” Gebruik de meest natuurlijke en hartelijke tekenen van blijdschap, want de HEERE overwint en Hij regeert over alles. Onze vreugde in God mag gerust zichtbaar zijn. Hij berispt ons daar niet om.

“Al gij volken.” Deze vreugde is voor alle volken. Israël mag voorop lopen, maar alle heidenen horen mee te trekken in de zegetocht. Zij hebben net zo goed deel aan het koninkrijk waar geen Griek of Jood meer is, maar Christus alles en in allen. Zelfs nu al is het, als ze het maar wisten, de beste hoop van alle volken dat Jehova over hen regeert. Niet iedereen spreekt dezelfde taal, maar de taal van de handen kan iedereen gebruiken. In de laatste dagen zal de HEERE over alle volken regeren, en ze zullen zich allemaal in die heerschappij verblijden. Waren ze wijs, dan zouden ze zich er nú al aan onderwerpen en dat met vreugde doen. Ja, bij de gedachte alleen al zouden ze van verrukking in de handen klappen.

“Juicht.” Laat je stem net zo meedoen als je handen. “Gode.” Laat Hem alle eer van deze dag krijgen, luid, vrolijk, van iedereen en onverdeeld. “Met een stem van vreugdegezang.” Met blij gejubel, dat past bij zulke schitterende overwinningen, zo’n grote Koning, zo’n voortreffelijk bewind en zulke gelukkige onderdanen. Er zijn talloze menselijke talen, en toch kunnen de volken juichen alsof ze met één stem spreken. Wie met het oog van het geloof naar Gods bestuur kijkt, raakt buiten zichzelf van vreugde. Alleen al het vooruitzicht dat de Vredevorst over heel de wereld zal regeren, is genoeg om de tong van een stomme te laten zingen. Hoe zal het dan zijn als het werkelijkheid wordt? Terecht kon de dichter van de jaargetijden de bergen en dalen oproepen hun blijde lofzang te laten klinken —

“Want de grote Herder regeert,
En eens komt Zijn rijk, waar niemand meer lijdt.”

Vers 3

“Want de HEERE”, of Jehova: de God Die uit Zichzelf bestaat, de enige God. De Allerhoogste, groot in macht, verheven in heerschappij, uitnemend in wijsheid, hoog in heerlijkheid. “Is vreselijk.” Niemand kan Zijn macht weerstaan of standhouden tegenover Zijn wraak. Maar Hij zet die schrikwekkende macht in voor Zijn onderdanen, en daarom is ze juist een goede reden tot blijdschap. De almacht die vreselijk is in het verpletteren, is ook almachtig in het beschermen. Denk aan een grote parade van de troepen van een machtig vorst. Al zijn trouwe onderdanen juichen dan, want hun heer kan de zijnen zo goed beschermen en zijn vijanden zijn zo bang voor hem.

“Een groot Koning over de ganse aarde.” Niet alleen over Judea, Zijn heerschappij reikt tot de verste eilanden. Onze God is geen plaatselijke god en geen kleine stamvorst. In oneindige majesteit regeert Hij het machtigste rijk. Hij beslist als enige over ieders lot, Hij is de enige heerser over alle landen, Koning der koningen en Heere der heren. Geen gehucht en geen eilandje valt buiten Zijn gezag. Wat zal dat een heerlijke tijd zijn, wanneer iedereen dit ziet en openlijk erkent! Wanneer alle vlees in de Persoon van Jezus de heerlijkheid des HEEREN zal zien!

Vers 4

Hij, Die oneindige macht heeft, “brengt de volken onder ons”. De strijd is niet de onze maar die van de HEERE. Hij neemt er Zijn eigen tijd voor, maar Hij zal Zijn kerk zeker de overwinning geven. Waarheid en gerechtigheid krijgen door genade de overhand. We voeren geen oorlog met een onzekere afloop. De meest weerspannige harten en de meest koppige wil zullen zich overgeven aan de genade die alles overwint. Al het volk van de HEERE, Joden of heidenen, mag hierom in de handen klappen, want Gods overwinning is ook de hunne. Maar apostelen, profeten, predikers en wie het meest lijden en zwoegen, mogen zeker het grootste deel van de blijdschap nemen.

Afgoderij, ongeloof en bijgeloof zullen we nog vertrappen, zoals je de stenen van de straat vertrapt. “En de natien onder onze voeten.” De kerk van God wordt het grootste van alle rijken. Haar overwinning zal opvallend zijn en beslissend. Christus zal Zijn grote macht aannemen en regeren. Alle geslachten van mensen zullen dan tegelijk Zijn heerlijkheid erkennen en de heerlijkheid van Zijn volk in Hem. Wat zal alles dan anders zijn in de komende eeuwen! Het volk van God is door mensen vertrapt, in lange, wrede vervolgingen en in de dagelijkse minachting. Maar God draait de verhoudingen om. Wie het beste van karakter is, krijgt dan de eerste plaats in eer.

Vers 5

We zien nog niet dat Hem alles onderworpen is. Toch stellen we onszelf en ons lot graag aan Hem ter beschikking. “Hij verkiest voor ons onze erfenis.” We ervaren Zijn heerschappij als zo genadig dat we nu al vragen om er in de volste zin onderdaan van te zijn. We leggen onze wil, onze keuze en ons verlangen helemaal in Zijn handen. Ons erfdeel, nu en straks, laten we aan Hem over. Laat Hem met ons doen wat Hem goeddunkt.

“De heerlijkheid van Jakob, dien Hij heeft liefgehad.” Hij gaf Zijn volk van toen zijn deel. Hij zal ons ons deel geven, en we vragen niets beters. Dit is de meest geestelijke en echte manier om te klappen voor Zijn soevereiniteit: al onze zaken in Zijn handen leggen. Dan zijn onze handen leeg van alle zorg voor onszelf, en vrij om tot Zijn eer te gebruiken. Hij was de trots en de heerlijkheid van Israël. Hij is en blijft ook de onze, voor altijd. Hij had Zijn volk lief en werd hun grootste glorie. Hij heeft ons lief, en Hij zal onze overweldigende vreugde zijn.

Wat de laatste dagen betreft: we vragen niets beters dan te staan op de plek die ons is toegewezen. Want als we maar deel hebben aan onze Heere Jezus, is dat genoeg voor onze grootste wensen. Onze schoonheid, onze trots, onze beste schat is dat we zo’n God hebben om op te vertrouwen en zo’n God Die ons liefheeft.

Sela. Ja, houd even stil, trouwe zangers. Hier is volop ruimte om stil te worden en heilig na te denken —

“Sta even stil, mijn denken, en peins:
Dit thema is vol van verrukking;
Zie hier je Koning, Wiens gebied
Zich uitstrekt tot het eind der aarde.

Van harte zullen alle volken
Hem erkennen als hun God en enige Heere;
Ze klappen in de handen, vol heilige vreugde,
En groeten Hem als Vorst der aarde.

Kom, mijn ziel, buig je voor Hem neer,
Jij, de blijdste van Zijn onderdanen;
Laat je deel aan Zijn keuze over,
Verheug je in Zijn soevereine wil;
Dit is je zuiverste, diepste zaligheid:
Hij is de jouwe en jij bent de Zijne.”

Vers 6

“God vaart op met gejuich.” Het geloof hoort het volk al juichen. Wat in het tweede vers werd opgeroepen, wordt hier gezien als iets wat al gebeurt. De strijd is voorbij. De Overwinnaar stapt op Zijn zegewagen en rijdt naar de poorten van de stad, die straalt van vreugde om Zijn terugkeer. Deze woorden passen volledig op de hemelvaart van de Verlosser. We twijfelen er niet aan dat engelen en verheerlijkte geesten Hem met gejuich hebben onthaald. Hij kwam niet zonder lied. Zouden we ons voorstellen dat Hij in stilte terugkeerde?

“De HEERE met geklank der bazuin.” Jezus is Jehova. Het blije geschal van de bazuin laat de pracht van Zijn zegetocht horen. Wie terugkeert van het slagveld, verdient een onthaal met krijgsmuziek. Vers uit Bozra, met Zijn klederen helemaal rood van de wijnpers, voer Hij op. Hij leidde de gevangenis gevangen, en de hoorn mocht dan ook luid de tijding van Immanuëls zegevierende terugkeer laten klinken.

Vers 7

“Psalmzingt.” Wat een jubel! Vijf keer wordt hier de hele aarde opgeroepen om God te zingen. Hij is het waard, Hij is de Schepper, Hij is de goedheid zelf. “Psalmzingt”: ga door met dit blije werk. Laat de muziek nooit stilvallen. Hij houdt nooit op goed te zijn, laten wij dus nooit ophouden dankbaar te zijn. Wat vreemd dat we zoveel aansporing nodig hebben voor een bezigheid die zo hemels is.

“Psalmzingt onzen Koning.” Laat Hem al onze lof krijgen. Niemand mag er ook maar een beetje van hebben. Jezus zal alles krijgen. Laat Zijn soevereiniteit de bron van blijdschap zijn. Het is een verheven eigenschap, maar voor de getrouwen vol zaligheid. Laat onze hulde geen zucht zijn maar een lied. Hij vraagt geen slaven om Zijn troon op te sieren. Hij is geen tiran die zijn volk onderdrukt. Zingen is de gepaste hulde voor een vorst die zo gezegend en genadig is. Laat alle harten die Zijn scepter erkennen zingen en blijven zingen tot in eeuwigheid. Want er is eeuwig reden om te danken, zolang we wonen in de schaduw van zo’n troon.

Vers 8

“Want God is een Koning der ganse aarde.” De Joden uit de tijd van onze Zaligmaker namen deze waarheid kwalijk. Maar als hun hart recht was geweest, hadden ze zich erover verheugd. Nu wilden ze hun God voor zichzelf houden. De heidense honden mochten van hen zelfs de kruimels onder Zijn tafel niet eten. Helaas! Wat verandert zelfzucht honing in alsem. Jehova is niet alleen de God van de Joden. Alle volken van de aarde zullen Hem via de Messias nog als Heere erkennen. Intussen regeert Zijn voorzienige troon alles wat onder de hemel gebeurt.

“Psalmzingt met een onderwijzing!” Zing een leerpsalm. Gezonde leer is lof voor God. Zelfs in de tijd van de voorbeelden en plechtigheden was duidelijk dat de HEERE oog had voor het geestelijke van de eredienst. Hij wilde met overleg en inzicht geprezen worden, en met een diep besef van de reden om te zingen. Helaas zijn er mensen die zo slordig lawaai maken als ze zingen, dat ze blijkbaar denken dat elk geluid goed genoeg is. Anderen besteden juist veel aandacht aan de muziek zelf, en we zijn er met verdriet zeker van dat de woorden hen niet raken.

Is het geen zonde om mensenoren te strelen met klanken, terwijl we zeggen de HEERE te aanbidden? Wat heeft zinnelijk genot in orgels, anthems en dergelijke met toewijding te maken? Houden mensen lichamelijke effecten niet te vaak voor geestelijke aandrang? Brengen ze God niet vaak zangen aan die veel meer zijn berekend op menselijk vermaak dan op Zijn goedkeuring? Pas dan, en alleen dan, kan een verstand dat door de Heilige Geest is verlicht waardige lof brengen.

Vers 9

“God regeert over de heidenen.” Op dit moment houdt God een verborgen heerschappij over de diepst gezonken afgodendienaars. Hier is werk voor het geloof. Wat moeten we verlangen naar de dag waarop dit verandert, en het gezag dat nu niet wordt erkend, met blijdschap wordt begroet! Dat God regeert in Zijn voorzienigheid, is de waarborg dat Zijn beloften in genadige, evangelische zin vervuld zullen worden en dat Zijn koninkrijk zal komen.

“God zit op den troon Zijner heiligheid.” Onbewogen zit Hij op een troon die niemand Hem betwist. Zijn besluiten, Zijn daden en Zijn bevelen zijn heiligheid zelf. Welke troon lijkt hierop? Nooit is hij door onrecht bevlekt of door zonde verontreinigd. En Hij Die erop zit, raakt niet ontsteld en weet van geen verlegenheid. Hij zit er rustig, want Hij kent Zijn eigen macht en ziet dat Zijn plannen niet zullen mislukken. Dit is meer dan genoeg reden voor heilig gezang, voor een lied dat uit het hart komt.

Vers 10

“De edelen der volken zijn verzameld.” Het profetische oog van de psalmist ziet de gewillige onderdanen van de grote Koning bijeen om Zijn heerlijkheid te vieren. Niet alleen de armen en de mensen van lage stand zijn er. Ook edelen buigen vrijwillig hun nek onder Zijn gezag. “Alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen.” Geen volk blijft onvertegenwoordigd. Hun leiders zullen goede mensen zijn, hun vorsten wedergeboren mensen. Wat een verheven parlement zal dat zijn, waar de Heere Jezus de zitting opent en prinsen opstaan om Hem eer te bewijzen!

“Tot het volk van den God van Abraham.” Dezelfde God Die maar een enkele aartsvader kende, zoals Abraham, de vader der gelovigen, zal worden aanbeden door een nageslacht zo talrijk als de sterren aan de hemel. De belofte van het verbond wordt vervuld: “In uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde.” “Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn” (Engels: tot Hem zal de verzameling der volken zijn). De verstrooiing van Babel wordt uitgewist door de verzamelende arm van de grote Herder-Koning.

“Want de schilden der aarde zijn Godes.” De tekenen van pracht, de symbolen van rang en de wapens van de oorlog moeten allemaal trouw hulde brengen aan de Koning van allen. Hooggeplaatsten moeten Jezus eren, en majesteiten moeten erkennen dat Hij veel majestueuzer is. Wie de beschermers van de aarde zijn, de schilden van het gemenebest, hebben hun kracht van Hem. Zij zijn de Zijnen. Alle overheden en machten moeten onderworpen zijn aan Jehova en Zijn Christus, want Hij is zeer verhoogd. Niemand kan zich met Hem meten, in wezen, in macht, in karakter en in heerlijkheid. O, wat een heerlijk uitzicht op een komende tijd! Kom snel, raderen van de tijd! Intussen, heiligen: “Zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.”

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Gehele psalm

Sommigen hebben deze psalm op de hemelvaart van Christus toegepast. Maar ze spreekt over Zijn wederkomst. De Machtige zit rustig op Zijn troon. We worden teruggewezen naar Ps. 45. — Andrew A. Bonar.

Vers 2

“Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang.” Dit moet gebeuren: 1. Vrolijk. “Klapt in de hand”, want dat is een teken van innerlijke vreugde, Nah. 3:19. 2. Door iedereen: “Al gij volken, klapt in de hand.” 3. Met de stem: “Juicht Gode met een stem van vreugdegezang.” 4. Vaak: “Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!”, Ps. 47:7; en nog eens “psalmzingt”, Ps. 47:8. Je kunt het niet te vaak doen. 5. Met kennis en overleg: “psalmzingt met een onderwijzing” (Engels: met verstand); weet waarom je Hem moet prijzen. — Adam Clarke.

Vers 2

Klapt in de hand enzovoort. Zulke uitingen van oprechte, vrome genegenheid lijken sommigen misschien ongepast en onverstandig. Toch moeten we ze niet haastig veroordelen en afkeuren, laat staan bespotten. Komen ze voort uit een oprecht hart, dan neemt God de kracht van die genegenheid aan en houdt Hij ons de zwakheid van de uitdrukking ten goede. — Matthew Henry.

Vers 2

Klapt in de hand. De klank van de melodie moet niet zozeer met de tong als met de handen worden voortgebracht. Dat wil zeggen: God moet hier geprezen worden met onze daden, niet met onze woorden. Zo was het bij Hem Wiens voorbeeld wij volgen: “Jezus begonnen heeft beide te doen en te leren.” — J. M. Neale.

Vers 2

“Al gij volken.” Het woord “volken” staat in het meervoud. Het wordt hier gebruikt om zowel Joden als heidenen, alle natiën, op te roepen. — William S. Plumer.

Vers 2

Juicht Gode. Jubilate Deo: in God, over God en ter ere van God. Hij roept hen niet op tot vleselijke vreugde. — Martin Geier.

Vers 3

Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde. De kerk viert de hemelvaart van Christus, omdat Hij toen “uitermate verhoogd” werd. Toen werd Hij vreselijk voor Zijn vijanden, want Hem was alle macht gegeven in hemel en op aarde. Toen begon Hij de uitnemende majesteit van Zijn algemeen koninkrijk te laten zien. Daarin werd Hij toen ingehuldigd, gekroond als “Koning der koningen, en Heere der heren”. — George Horne.

Vers 3

De HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk. Christus is vreselijk. Dat wil zeggen: schrikwekkend, of waard om gevreesd te worden. Niet alleen door Zijn kinderen, tot hun bestwil, maar ook door de goddelozen, tot hun straf. Vreselijk voor de duivel, want Hij is sterker dan hij en werpt de overste der duisternis uit door de vinger Gods. Luk. 11:22; Joh. 12:31. En daarom riep een onreine geest, zodra hij Jezus zag: “Wat hebben wij met U te doen, Gij Jezus Nazarener, zijt Gij gekomen om ons te verderven?” Mark. 1:24. Of zoals andere duivelen in Matth. 8:29: “Zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen voor den tijd?” Want de duivelen geloven en sidderen.

Vreselijk ook voor huichelaars en andere goddeloze werktuigen van de duivel, want Hij heeft Zijn wan in Zijn hand om Zijn dorsvloer deur en deur te zuiveren en Zijn tarwe in Zijn schuur te verzamelen. Maar het kaf zal Hij met onuitblusselijk vuur verbranden. Matth. 3:12. Of Christus is excelsus in potentia, terribilis in justitia: hoog in macht en vreselijk in gerechtigheid. Hoog in het verhogen van de goeden, en vreselijk in het vernederen van de kwaden. — John Boys.

Vers 4

Hij brengt de volken onder ons, en de natien onder onze voeten. Toen onze Heere naar de hemel was opgevaren, ging het Woord uit dat alles onderwerpt. Onder de invloed en leiding van dat Woord gaven de volken die tot inkeer kwamen hun afgoden en hun begeerten op. Gewillig bogen ze hun nek onder het juk van Jezus. Dit is die grote verovering. Ze werd al afgebeeld in de overwinningen van Jozua, David en alle trouwe helden van vroeger, en voorzegd in woorden die aan hun geschiedenis zijn ontleend. — George Horne.

Vers 4

Hij brengt de volken onder ons, enzovoort. Of: Hij zal hen leiden als schapen, of in de schaapskooi brengen. Zo vertalen verschillende uitleggers dit woord, als ze het vergelijken met Jes. 5:17 en Micha 2:12. De dichter lijkt te bedoelen dat de onderwerping goed was voor de volken zelf, want dat is voor hen een reden tot vreugde (vers 2). Dat geldt voor de volken die David onderwierp. Zij kregen daardoor de kans, de plicht en de aanmoediging om de ware God te erkennen en te dienen, en dat was de enige weg naar hun echte, blijvende geluk.

Maar het geldt vooral voor de heidenen die door de prediking van het evangelie aan Christus onderworpen werden. Die bekeerde heidenen kwamen in zekere zin onder de Joden te staan. Ze stonden immers onder Christus, onder Zijn apostelen en onder de eerste gemeente, en dat waren allemaal Joden. — Matthew Poole.

Vers 4

En de natien onder onze voeten. Dit wil zeggen dat de heidenen leerlingen zouden zijn en de Joden als het ware hun schoolmeesters. In de Schrift betekent ‘onder de voeten’ of ‘aan de voeten zitten’ namelijk: leerling zijn, leren. Zie Hand. 22:3. — Thomas Wilcocks.

Vers 5

Hij verkiest (Engels: Hij zal kiezen). De Hebreeuwse werkwoorden die we met een toekomende tijd weergeven, kunnen op verschillende manieren vertaald worden. Daarom vertalen de Latijnse Vulgaat en de Syrische en Arabische vertaling dit woord met: Hij heeft gekozen. — Matthew Poole.

Vers 5

Hij verkiest voor ons onze erfenis. Er wordt verteld over een zieke vrouw die gevraagd werd of ze liever wilde leven of sterven. Ze antwoordde: “Zoals God het wil.” Maar stel dat God het aan u overliet, vroeg iemand, wat zou u dan kiezen? “Eerlijk gezegd”, zei ze, “dan zou ik het Hem weer teruggeven.” Zo krijgt iemand zijn zin van God als zijn eigen wil zich aan God onderwerpt. We moeten niet bedroefd zijn dat we niet méér van God hebben. We moeten bedroefd zijn dat we niet méér voor God doen.

Christenen, als de HEERE vreugde heeft in jullie persoon, moeten jullie dan geen vreugde hebben in jullie omstandigheden? Er is meer reden voor jullie om daarmee tevreden te zijn dan voor Hem om tevreden te zijn met jullie. Gelovigen moeten zijn als schapen, die naar een andere weide gaan als de herder dat wil, of als vaten in een huis, die klaarstaan om gevuld of geleegd te worden zoals hun eigenaar het wil. Wie op de zee van deze wereld in zijn eigen schip vaart, zinkt uiteindelijk weg in een bodemloze oceaan. Wie zijn eigen voorsnijder wil zijn, snijdt zich vroeg of laat in de vingers. — William Secker.

Vers 5

Hij verkiest voor ons onze erfenis. Dat wil zeggen: Hij Die beter dan wijzelf weet wat goed voor ons is, heeft onze erfenis gekozen, dat is: aangewezen. Hij deed dat uit Zijn eigen goede wil en uit barmhartigheid voor ons. Het gaat niet alleen om wat bij dit leven past, zoals land, huizen en bezittingen. Het gaat ook om alles wat hoort bij de hoop op een beter leven: een koninkrijk dat niet kan wankelen, een eeuwige woning en een erfenis die onverderfelijk en onbevlekt is en niet verwelkt, weggelegd voor ons in de hemel. — John Boys.

Vers 5

De heerlijkheid van Jakob, dien Hij heeft liefgehad. Dat zijn al die voortreffelijke dingen die Hij aan Jakob gaf en beloofde, en waarop hij zich kon beroemen en waarover hij zich kon verheugen. De gelovigen bedoelen: wij hebben net zoveel van Gods genade en goedheid, en net zoveel zekerheid daarover, als Jakob ooit had. — Thomas Wilcocks.

Vers 5

Misschien ben je godvrezend en arm. Dat is goed. Maar kun je zeggen of je ook godvrezend zou zijn als je niet arm was? God kent ons zeker beter dan wij onszelf kennen. Daarom kan Hij onze omstandigheden het best bij de persoon laten passen. — Giles Fletcher.

Vers 6

God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin. Het is opmerkelijk, zoals Origenes aangeeft, dat de vermelding van het gejuich en de stem van de bazuin gebeurtenissen uit het verleden en de toekomst in de geschiedenis van de kerk en van de wereld met elkaar verbindt. Ze richt onze gedachten vooruit, naar de komst van Christus om recht te spreken. — Christopher Wordsworth.

Vers 6

Je hebt alle reden, mijn ziel, om Hem te prijzen en je in Hem te verheugen. Bedenk vooral dat Christus niet alleen voor Zichzelf is opgevaren, maar ook voor jou. Het is God in onze natuur Die naar de hemel is opgevaren. Wat God aan de persoon van Christus deed, deed Hij ten behoeve van jou, en Hij wil hetzelfde ook aan jou doen. Christus is als openbaar persoon naar de hemel opgevaren. Jouw belang ligt in deze hemelvaart van Jezus Christus. Zie je dan jouw Hoofd omhoogstijgen? Laat dan elk lid Zijn naam prijzen! Laat je tong (die jouw eer wordt genoemd) zich daarin beroemen en Zijn lof uitbazuinen, zodat het voor jouw plicht bewaarheid wordt: “God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.” — Isaac Ambrose.

Vers 8

Want God is een Koning der ganse aarde. Het is alsof de dichter zei: “Onze Koning, zei ik? Dat is te weinig. Hij is Koning van de hele aarde.” — John Trapp.

Vers 8

Psalmzingt met een onderwijzing (Engels: met verstand). Hoe kunnen we in ons hart voor de HEERE spelen als we psalmen zingen? We moeten zingen met verstand. Niet de melodie moet ons leiden, maar de woorden van de psalm. We moeten meer letten op de inhoud dan op de muziek, en nadenken over wát we zingen en niet alleen over hóé we zingen. De melodie kan ons voorstellingsvermogen aanspreken, maar het is de inhoud die het hart raakt, en daar kijkt God vooral naar. De psalmist raadt ons dit nadrukkelijk aan, en de apostel ook (1 Kor. 14:15). Anders zou deze zoete plicht meer het werk van een koorzanger zijn dan van een christen. Dan genoten we meer van een kunstig lied van een musicus dan van een psalm die de Geest gemaakt heeft.

A. Lapide merkt op dat in de tekst (1 Kor. 14:15) het woord ‘verstand’ in het Hebreeuws maschil is: een diep inzicht. We moeten dus wijs zingen als we dankbaar willen zingen, en we moeten proeven wat we zingen. Kortom: we moeten zingen zoals we bidden moeten. Zelfs de onbeholpenste bidder weet immers wat hij bidt.

Als we niet verstaan wat we zingen, wijst dat op zorgeloosheid of op een hard hart. Dan is de dienst misplaatst. Daarom roept de waardige Davenant uit: “Weg met het gebrul van de papisten, die zingen in een taal die niemand kent.” God zal ons niet verstaan in een dienst die wij zelf niet verstaan. Een van de eerste dingen in de schepping was het licht, en dat licht moet doorbreken in alles wat we voor God doen. — John Wells (-1676), in “Morning Exercises”.

Vers 8

Psalmzingt met een onderwijzing, zing een lied dat onderwijst. Laat zin en klank samengaan. Laat je hart en je hoofd met je stem meedoen. Versta wat je zingt en voel wat je verstaat. — Adam Clarke.

Vers 8

Psalmzingt met een onderwijzing (Engels: met verstand)! Want in het volle licht van de nieuwe tijd is het duister van de aartsvaderlijke eeuwen veranderd, en ook het kijken als door een spiegel onder de wet van Levi. Het is nu het zien van de volle, ware werkelijkheid. — Hugo Victorinus.

Vers 8

Psalmzingt met een onderwijzing (Engels: met verstand). Let hierop, jij die elke dag de Psalmen leest en ze toch niet begrijpt. — Simon de Muis.

Vers 8

Met een onderwijzing (Engels: met verstand). Hadden zij met verstand gezongen, dan hadden ze geen stenen aanbeden. Toen een mens die bij zijn zinnen was zong voor een steen die niets voelt, zong hij toen “met verstand”? Maar nu, broeders, wij zien Hem niet met onze ogen Die wij aanbidden, en toch aanbidden wij juist. Des te sterker wordt God ons aanbevolen, omdat we Hem niet met onze ogen zien. — Augustinus.

Vers 10

De edelen der volken zijn verzameld. Hieruit leid ik af: 1. Dat het niet onmogelijk is dat machtige mensen goede mensen zijn. De leiders van een land kunnen leden van Christus zijn, en vorsten kunnen net als het gewone volk de God van Abraham dienen. De profeet zegt: “Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest”; en: “Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand” (Ps. 91:7). Tien komen om in hun voorspoed tegen één die valt in tegenspoed. Homo victus in paradiso, victum in stercore: Adam werd in de lusthof overwonnen door de sluwe slang, terwijl Job op de mesthoop van ellende méér dan overwinnaar was. Boswachters zeggen dat herten voorzichtiger zijn op vette weiden. Zo vrezen de godvruchtigen het meest als ze rijk zijn: nihil timendum video (zegt iemand), timeo tamen. (Seneca.)

Een mooi gebed in de Litanie van onze kerk is: “Goede Heere, verlos ons in alle tijd van onze welvaart.” Daarmee wordt gezegd dat ons gemoed in overvloed minder ingetogen is. Toch is Christus’ onuitsprekelijke goedheid voor alle soorten mensen zó groot, dat Hij hen zelfs met de rijkdom van Zijn barmhartigheid tegemoet komt, zoals je ziet. Zo worden niet alleen het gewone volk, maar ook de machtige vorsten onder de heidenen verenigd met de kerk van de God van Abraham. — John Boys.

Vers 10

Verzameld. Christus zal de heiligen bij Zijn tweede komst tot Zich verzamelen. Dat is Zijn komst om te oordelen, het algemene en laatste oordeel. “En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem.” 2 Thess. 2:1. — James Scott (-1773), in “A Collection of Sermons”, 1774.

Vers 10

Het volk van den God van Abraham. Eerst over de God van Abraham: dat is Christus. Abraham verlangde ernaar Zijn dag te zien, en toen hij die zag, verheugde hij zich zeer, Joh. 8:56. Niet alleen de dag van Zijn geboorte zag hij, zoals blijkt uit de eed die hij zijn knecht liet zweren (Gen. 24:2-9). Hij zag ook de dag van Zijn lijden, lang van tevoren, en verheugde zich erover toen hij tegen zijn zoon Izak op de berg zei: “God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien.” Gen. 22:8.

Ten tweede zijn het volk van den God van Abraham Zijn kinderen en nageslacht. Dat betekent niet alleen dat zij Abrahams zaad zijn, uit zijn lendenen voortgekomen en “kinderen des vleses” (Rom. 9:8). Ze moeten “kinderen der beloftenis” zijn. Want als alleen wie uit Abrahams lendenen voortkwam zijn kind was, dan zouden de Hagarenen, de Turken en de Ismaëlieten het volk van God zijn. Maar “In Izaak zal u het zaad genoemd worden.” Wie de belofte door het geloof grijpt, is een kind van Abraham: “degenen, die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn” (Gal. 3:7). Zij hebben dezelfde geest van geloof die Abraham had. De apostel zegt in Rom. 2:28-29: “Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is … Maar die is een Jood, die het in het verborgen is.”

Wie de Messias aanbidt door in Hem te geloven met het geloof van Abraham, is een kind van Abraham en hoort bij het volk van Abrahams God. Dat bevestigt Johannes de Doper in Matth. 3:9: “God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.” Zo werden ook de heidenen, die stenen aanbaden en daarom “hun gelijk” waren (Ps. 115:8), toch opgewekt om kinderen van Abraham te zijn. — Lancelot Andrewes.

Vers 10

De schilden der aarde zijn Godes. Hier worden de heersers van de aarde in een dubbele verhouding getoond. Naar boven toe: ze zijn scuta Deo, ze horen bij God. Naar beneden toe: ze zijn scuta terrae, “de schilden der aarde”. Beide wijzen op twee dingen: hun waardigheid en hun plicht. Ze horen bij God. Dat is hun eer, want Hij heeft hen verzegeld. Het is ook hun plicht, want ze moeten Hem onderdanig zijn. Ze zijn schilden van de aarde. Dat is hun eer, want ze staan boven anderen. Het is ook hun plicht, want ze moeten anderen beschermen. — Edward Reynolds (bisschop).

Vers 10

De schilden der aarde zijn Godes. Veel uitleggers denken hierbij aan vorsten. Ik geef toe dat dit beeld vaak in de Schrift voorkomt, en die uitleg past ook wel bij de strekking van de plaats … Toch is de zin eenvoudiger als we de woorden zo opvatten: omdat God alleen de wereld verdedigt en behoudt, verdient Zijn hoge en allerhoogste majesteit bewondering, want Hij is genoeg voor zo’n verheven en moeilijk werk als het behoud van de wereld. De heilige schrijver gebruikt met opzet het woord schilden in het meervoud. Er dreigen immers talloze, bijna ontelbare gevaren zonder ophouden aan elk deel van de wereld. Daarom moet Gods voorzienigheid op veel manieren ingrijpen en als het ware veel schilden gebruiken. — Johannes Calvijn.

Vers 10

De schilden der aarde. Van overheden wordt gezegd dat ze het zwaard dragen, niet dat ze zwaarden zijn. En van hen wordt gezegd dat ze schilden zijn, niet dat ze schilden dragen. Dat alles om te laten zien dat bescherming en behoud meer bij hun ambt horen dan vernietiging en straf. — Joseph Caryl.

Wenken voor de dorpsprediker

Vers 2

Ongewone, vurige uitingen van vreugde: wanneer ze terecht zijn en zelfs wenselijk.

Verzen 2-5

Vreugde is de ware geest van de eredienst.

  1. Vreugde in Gods karakter.
  2. Vreugde in Zijn heerschappij.
  3. Vreugde in de triomfen van Zijn evangelie.
  4. Vreugde in Zijn gunst voor Zijn heiligen.

Vers 3

De verschrikkingen van de HEERE, door het geloof gezien als reden tot vreugde.

Vers 3 (tweede zinsdeel)

De heerschappij van Christus over alles: hoe ze nu is en hoe ze zal zijn.

Vers 4

De hoop op overwinning voor de kerk. Wat zal er onderworpen worden? Door wie als werktuig? Door ons. Door wiens macht? Door de Zijne. Wanneer zal het gebeuren? Wat is daarvan het teken? De hemelvaart, Ps. 47:6.

Vers 4

  1. De uiteindelijke zege van de heiligen. Alle vijanden worden onder hen gebracht, op aarde en in de hel, van binnen en van buiten: (a) stap voor stap, (b) helemaal. 2. De kracht waardoor dit gebeurt. Hij zal enzovoort.

(a) Niet zonder middelen.

(b) Niet door middelen alleen.

(c) Maar door daartoe aangewezen middelen, die door goddelijke kracht krachtig worden gemaakt. — G. R.

Vers 5

Dit omvat tijd en eeuwigheid. Het gaat om een feit, om heilige overgave, om verlangen en om dankbaarheid.

Vers 5

  1. God is bereid onze erfenis voor ons te kiezen, in de tijd en in de eeuwigheid.
  2. Zijn keus is beter dan de onze: de heerlijkheid van Jakob.
  3. Hij zal ons overlaten aan de gevolgen van onze eigen keus.
  4. Hij zal ons helpen te krijgen wat Hij voor ons kiest. — G. R.

Vers 6

De hemelvaart. Haar openbaarheid, haar plechtigheid, haar triomf en haar vreugde. Wie opvoer. Waarheen Hij opvoer. Waartoe Hij opvoer. Met welk doel. Met welk resultaat.

Vers 7

Het belang van heilige zang. De herhaling in dit vers wijst onze traagheid terecht. Ze laat zien dat de lofzangen die we brengen vol ernst moeten zijn, vaak moeten klinken, met plezier gezongen moeten worden en door iedereen.

Vers 8 (laatste zinsdeel)

De psalmzang van wie onderwezen zijn, en onderwijs door psalmzang. Lofzang moet zowel de vrucht als het middel van onderwijs zijn.

Vers 9 (laatste zinsdeel)

Goddelijke soevereiniteit is altijd verbonden met heiligheid.

Vers 9

  1. God heeft een troon van heiligheid. Daarom moet Hij door alle mensen gevreesd worden.
  2. Een troon van genade. Daarom moet Hij door Zijn verlosten bemind worden.
  3. Een troon van heerlijkheid. Daarom moet Hij door heel Zijn schepping geprezen worden.

Vers 10

  1. Een schild is een barmhartig wapen, meer dan enig ander wapen.
  2. Een schild is een stoutmoedig wapen. Het is een soort borg: het vangt de slagen op en neemt de verwondingen op zich die voor een ander bedoeld waren.
  3. Een schild is een sterk wapen, dat de pijlen van de goddeloosheid tegenhoudt en verbrijzelt.
  4. Een schild is een eervol wapen, meer dan enig ander wapen. Het afnemen van schilden was een teken van overwinning, het behouden ervan een teken van roem.
  5. Denk eraan: een schild moet altijd een oog hebben dat het leidt. Jullie zijn de schilden, de wet is het oog. — Bisschop Reynolds.

Werk over de zevenenveertigste psalm

Een uitleg van deze psalm vind je in de werken van John Boys, 1626, folio, blz. 931-937.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas