Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 45 — Treasury of David

Titel
Er staan veel opschriften boven deze psalm. Ze wijzen op het koninklijke karakter van het lied, op zijn diepe en plechtige inhoud en op de grote vreugde die de dichter er zelf in vond.
“Voor den opperzangmeester, … op Schoschannim.” Het meest waarschijnlijk betekent dit woord “op de lelies”. Het kan een dichterlijke titel zijn, die dit edelste van alle liederen naar oosterse gewoonte kreeg. Het kan ook de melodie aanduiden waarop de psalm werd gezongen, of het instrument dat hem moest begeleiden. Wij kiezen voor de eerste uitleg. En als die klopt, is het gemakkelijk te begrijpen waarom de naam voor zo’n mooi, zuiver, uitgelezen en weergaloos gedicht wordt ontleend aan de gouden lelies. Hun stralende pracht overtrof immers de heerlijkheid van Salomo.
“Onder de kinderen van Korach.” Voor zo’n goddelijk loflied zijn bijzondere zangers aangewezen. Koning Jezus verdient geen rommelig, dwaas gebrul. Hij verdient de lieflijkste en meest kunstige muziek van de best geoefende zangers. De zuiverste harten in de geestelijke tempel zijn in Gods oren de mooiste zangers. Zang die Hem behaagt, hangt niet zozeer af van mooie stemmen als wel van een geheiligd hart. Maar in geen geval mogen we over Jezus zingen met een hart dat daar niet op is voorbereid.
“Een onderwijzing” (Engels: Maschil), dat is een leerdicht. Het is dus geen ijdel liedje en geen romantische ballade, maar een psalm van heilig onderwijs, vol leer en onderricht. Daaruit blijkt dat we haar geestelijk moeten verstaan. Gelukkig het volk dat de betekenis van haar blijde klank kent.
“Een lied der liefde.” Dat is geen vleselijk, zoetsappig liefdeslied, maar een hemels loflied over eeuwige liefde, goed genoeg voor de lippen en de oren van engelen.
Onderwerp
Sommigen zien hier alleen Salomo en de dochter van Farao. Zij kijken te kortzichtig. Anderen zien zowel Salomo als Christus. Zij kijken scheel. Wie met scherp gerichte geestelijke ogen leest, ziet hier alleen Jezus. Is Salomo er wel bij, dan is hij niet meer dan de vage schaduw van voorbijgangers die over de lens van een camera trekken: op een foto van het landschap nauwelijks te herkennen. “De Koning” is God, Wiens troon blijft tot in eeuwigheid. Hij is geen gewoon sterfelijk mens. Zijn eeuwige heerschappij houdt niet op bij de Libanon of de rivier van Egypte. Dit is geen bruiloftslied voor een aards huwelijk, maar een Epithalamium, een bruiloftszang, voor de hemelse Bruidegom en Zijn uitverkoren bruid.
Indeling
Psalm 45:2 kondigt aan wat de dichter van plan is: een voorwoord bij het lied. Psalm 45:3 aanbidt de weergaloze schoonheid van de Messias, en van Psalm 45:3-10 spreekt de dichter Hem toe in bewonderende lofprijzing. Psalm 45:11-13 is tot de bruid gericht. Over de kerk gaat het verder in Psalm 45:14-16. De psalm sluit af met een nieuwe toespraak tot de Koning, Die Zijn eeuwige roem voorzegt (Psalm 45:17-18).
Uitleg
Vers 2
“Mijn hart.” Geen schrijven is zo echt als wat het hart ons ingeeft. Liederen zonder hart zijn een belediging voor de hemel.
“Geeft een goede rede op.” (Engels: borrelt op van een goede zaak) Een goed hart is alleen tevreden met goede gedachten. Is de bron goed, dan stromen er goede beken uit. De geleerden vertellen ons dat dit woord ook kan betekenen “stroomt over”, of volgens anderen “kookt” of “borrelt op”. Het laat de warmte zien van de liefde van de dichter. Zijn hart is vol, en daarom zijn zijn woorden zo rijk en gloedvol. Het is alsof zijn diepste ziel opwelt op het moment dat ze het meest vol liefde is.
Hier staat geen enkele koele uitdrukking. Deze dichter zit niet kil te studeren op de sierlijkheid en de regels van de dichtkunst. Zijn verzen zijn de natuurlijke uitbarsting van zijn ziel, te vergelijken met de kokende stralen van de geisers van de Hekla. Het graan dat als offer werd gebracht, werd in de pan geroosterd. Zo gloeit ook deze liefdesgave van oprechte toewijding.
Het is triest als je hart koud blijft bij iets goeds, en nog erger als het warm wordt voor iets slechts. Maar het is onvergelijkelijk mooi als een warm hart en een goede zaak elkaar vinden. Mochten we God toch vaak zo’n welgevallige minchah brengen, een zoet offer, vers uit de pan van harten die verwarmd zijn door dankbaarheid en bewondering!
“Ik zegge mijn gedichten uit van een Koning.” (Engels: ik spreek van de dingen die ik gemaakt heb aangaande den Koning) Dit lied heeft maar één onderwerp: “een Koning”. Alleen ter ere van Hem is het gedicht, en van niemand anders. Terecht kon de schrijver het een goede zaak noemen. De psalmist schreef niet nonchalant. Hij noemt zijn gedicht zijn werken, de dingen die hij gemaakt heeft. We mogen de HEERE niet brengen wat ons niets kost. Goede stof verdient goed vakmanschap, en niets slordigs. Als we spreken of dichten over zo’n groot en heerlijk Wezen als onze Koninklijke Heere, moeten we dat eerst goed laten rijpen in de gevoelens van ons hart en in de overdenkingen van onze geest.
Lezen we het zoals onze vertaling het geeft, dan schreef de psalmist uit eigen ervaring: over dingen die hij zich eigen had gemaakt en die hij zelf had geproefd en betast met betrekking tot de Koning.
“Mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.” Dat geldt niet zozeer voor de snelheid, want daarin wint de tong het altijd. Het gaat om precisie, uitwerking, overleg en vakmanschap in het uitdrukken. Wat een opgewonden mond zegt, haalt zelden het werkelijke gewicht en de juistheid van de verba scripta, de geschreven woorden, van een bedachtzame en bekwame schrijver. Maar hier spreekt de schrijver, hoewel vol geestdrift, zo zuiver als een geoefend auteur. Zijn woorden zijn geen vluchtige zinnen. Het zijn woorden van mensen die rustig gaan zitten om voor de eeuwigheid te schrijven.
Zelfs de beste mensen verkeren niet altijd in zo’n stemming. Maar als ze erin zijn, moeten ze de stroom van hun geheiligde gevoelens niet tegenhouden. Zo’n toestand van het hart in een begaafde geest schept dat gunstige uur waarin de dichtkunst haar welluidende maten uitstort, om de zang in het huis des HEEREN te verrijken.
Vers 3
“Gij.” Het is alsof de Koning Zelf plotseling voor hem staat. De psalmist, verloren in bewondering voor Zijn Persoon, laat zijn voorwoord rusten en spreekt zijn Heere rechtstreeks aan. Een liefhebbend hart kan zijn Beminde als het ware werkelijk dichtbij brengen. De ogen van een waar hart zien meer dan de ogen van ons hoofd. En Jezus laat Zich zien wanneer we onze liefde voor Hem uitstorten. Meestal verschijnt Christus als wij er klaar voor zijn. Is ons hart warm, dan is dat een teken dat de zon schijnt. En wie Zijn warmte voelt, ziet al snel ook Zijn licht.
“Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen.” In Zijn persoon, maar vooral in Zijn geest en karakter, heeft de Koning der heiligen niemand die Hem in schoonheid evenaart. In het Hebreeuws staat het woord dubbel: “Schoon, schoon zijt Gij.” Jezus is zo overweldigend lieflijk dat we woorden moeten verdubbelen, oprekken, ja uitputten voordat we Hem kunnen beschrijven. Onder de mensenkinderen zijn er door genade velen lieflijk van karakter geworden, maar ieder van hen had een gebrek. In Jezus zien we elke trek van een volmaakt karakter, in volmaakte harmonie. Hij is overal lieflijk en vanuit elke hoek bekeken. Maar nergens meer dan wanneer we Hem zien in Zijn echtelijke verbondenheid met Zijn kerk. Dan geeft de liefde Zijn lieflijkheid een verrukkelijke gloed van heerlijkheid.
“Genade is uitgestort in Uw lippen.” Schoonheid en welsprekendheid maken een mens majestueus als ze samenkomen. In de Heere Jezus wonen ze allebei in volmaaktheid. Hij is geheel schoon en geheel welsprekend. Genade in Zijn persoon en genade in Zijn spreken bereiken bij Hem hun hoogtepunt. Over Christus is genade op de rijkste manier uitgegoten, want het heeft de Vader behaagd dat in Hem al de volheid zou wonen. Nu is er genade in overvloed, uitgestort van Zijn lippen om Zijn volk te verkwikken en te verrijken. Het getuigenis, de beloften, de uitnodigingen en de vertroostingen van onze Koning stromen met zoveel betekenis van Hem uit, dat we deze watervallen van genade wel móéten afzetten tegen de rede van Mozes, die slechts droop als de regen en vloeide als de dauw.
Wie in persoonlijke gemeenschap met de Welbeminde naar Zijn stem heeft geluisterd, zal voelen dat “nooit heeft een mens alzo gesproken, gelijk deze Mens.” Terecht zei de bruid in het Hooglied over Hem: “Zijn lippen zijn als lelien, druppende van vloeiende mirre.” Eén woord van Hemzelf deed het hart van Saulus van Tarsen smelten en maakte hem tot apostel. Een ander woord richtte Johannes, de Godgeleerde, weer op toen hij op het eiland Patmos bezweek. Vaak al heeft één zin van Zijn lippen onze eigen middernacht in ochtend veranderd en onze winter in lente.
“Daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.” Calvijn leest het zo: “Omdat God U gezegend heeft in eeuwigheid.” Christus is door God gezegend, voor altijd gezegend. Voor ons is dat een grote reden voor Zijn schoonheid, en de bron van de genadige woorden die van Zijn lippen komen. De zeldzame gaven van de Mens Christus Jezus zijn Hem door de Vader gegeven, zodat Zijn volk daardoor, verenigd met Hem, gezegend wordt met alle geestelijke zegeningen. Volgen we echter onze eigen vertaling, dan lezen we dat de Vader de Middelaar heeft gezegend als loon voor al Zijn genadige arbeid. En dat loon verdient Hij volkomen. Wie God zegent, moeten ook wij zegenen. Des te meer omdat al Zijn gezegendheid aan ons wordt doorgegeven.
Vers 4
“Gord Uw zwaard aan de heup.” Wie Jezus liefheeft en jaloers is op Zijn eer, verlangt ernaar dat Hij Zijn macht gebruikt om Zijn eigen, allerheiligste zaak te verdedigen. Waarom zou het zwaard van de Geest werkloos blijven, als een wapen dat in een wapenkamer aan de muur hangt? Het is scherp en sterk, geschikt om te snijden en om te doorboren. O, mocht de goddelijke kracht van Jezus toch worden ingezet tegen de dwaling! De woorden die voor ons liggen, laten onze grote Koning zien terwijl Hij wordt aangespoord om Zich ten strijde te wapenen. Hij moet Zijn zwaard zo plaatsen dat het klaarstaat voor gebruik.
Christus is de echte kampioen van de kerk. Anderen zijn maar ondergeschikten, die hun kracht bij Hem moeten lenen. De ene arm van Immanuël is de enige hoop van de getrouwen. Ons gebed moet dat van dit vers zijn. Op dit moment lijkt de macht die onze Heere vroeger liet zien, stil te staan. Met aanhoudend gebed moeten we Hem naar het strijdveld roepen. Want zoals de Grieken zonder Achilles, zo worden wij door onze vijanden overwonnen. Zonder Jezus in ons midden zijn we dode mensen.
“O Held.” Die titel komt Hem terecht toe. Hij wordt Hem niet uit holle beleefdheid gegeven, zoals de doorluchtigheden, excellenties en hoogheden waarmee mensen elkaar aanspreken: titels die niets zijn dan voer voor ijdele roem. Jezus is de ware held onder alle helden. Heldenverering is alleen bij Hem iets om te prijzen. Hij is machtig om te redden en machtig in liefde, en geen vijand kan Hem weerstaan.
“Uw Majesteit en Uw heerlijkheid.” Laat Uw zwaard U zowel roem als heerschappij brengen. Of, zoals het ook kan betekenen: gord samen met Uw zwaard ook Uw klederen aan, die Uw koninklijke pracht tonen. De liefde ziet de Beminde met vreugde getooid zoals Zijn voortreffelijkheid dat verdient. Ze huilt wanneer ze Hem ziet in de gewaden van Zijn vernedering. Ze juicht wanneer ze Hem ziet in de kleding van Zijn verhoging. Onze dierbare Christus kunnen we nooit te groot maken. Zelfs de hemel is nauwelijks goed genoeg voor Hem. Alle pracht die engelen en aartsengelen, tronen, heerschappijen, overheden en machten aan Zijn voeten kunnen leggen, is te weinig voor Hem. Alleen Zijn eigen wezenlijke heerlijkheid beantwoordt volledig aan het verlangen van Zijn volk. Zijn volk kan Hem nooit genoeg verheffen.
Vers 5
“En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid.” De heldenkoning is nu gewapend en gekleed. Nu wordt Hem gevraagd Zijn zegewagen te bestijgen. God geve dat onze Immanuël uittrekt in de wagen van de liefde, dat Hij onze geestelijke vijanden overwint en met kracht de zielen grijpt die Hij met Zijn bloed heeft gekocht.
“Op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid.” (Engels: vanwege waarheid en zachtmoedigheid en gerechtigheid) Je kunt dit ook vertalen: rijd uit op waarheid en zachtmoedigheid en gerechtigheid. Dat zijn drie edele strijdrossen voor de oorlogswagen van het evangelie. Volgen we onze eigen vertaling, dan is dit een zeer krachtig argument om bij onze Heere aan te voeren: de zaak van wat waar, nederig en goed is, vraagt om Zijn pleidooi. De waarheid wordt bespot, de zachtmoedigheid onderdrukt en de gerechtigheid gedood, tenzij Hij opstaat Die God is en Mens, in Wie deze kostbare dingen vlees zijn geworden, om ze te verdedigen. Ons ernstige gebed moet altijd zijn dat Jezus Zijn almachtige arm legt aan het werk van de genade. Zo kwijnt de goede zaak niet weg en krijgt de goddeloosheid niet de overhand.
“En Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.” De psalmist ziet de uitkomst van het goddelijke werk al voor zich. Hij profeteert dat de opgeheven arm van de Messias de Koning Zelf de verschrikkelijke ondergang van Zijn vijanden voor ogen zal brengen. Jezus heeft geen gids nodig behalve Zijn eigen rechterhand, en geen leraar behalve Zijn eigen kracht. Mocht Hij ons allen leren wat Hij vermag, door het snel te doen, voor onze verblijde ogen.
Vers 6
“Uw pijlen.” Onze Koning beheerst alle wapens. Hij treft wie dichtbij is en wie ver weg is met dezelfde kracht. “Zijn scherp.” Niets wat Jezus doet, is slecht gedaan. Hij gebruikt geen stompe schachten en geen pijlen zonder punt.
“In het hart van des Konings vijanden.” Onze Aanvoerder richt op de harten van mensen, meer dan op hun hoofden. En Hij raakt ook. Zijn schoten gaan recht op het doel af en dringen diep door in het levensdeel van de menselijke natuur. Uit liefde of uit wraak: Christus mist nooit Zijn doel. Blijven Zijn pijlen steken, dan veroorzaken ze een pijn die niet snel vergeten wordt, een wond die alleen Hij kan genezen. De pijlen van overtuiging van Jezus zijn scherp in de koker van Zijn woord en scherp op de boog van Zijn dienaren. Maar ze blijken het scherpst wanneer ze een weg vinden naar zorgeloze harten.
Het zijn Zijn pijlen, niet die van een ander. Hij heeft ze gemaakt en Hij schiet ze af. Hij maakt ze scherp en Hij laat ze het hart binnendringen. Laat niemand van ons ooit vallen onder de pijlen van Zijn oordeel, want niets doodt zo zeker als zij.
“Volken zullen onder U vallen.” Aan beide kanten zijn de verslagenen des HEEREN talrijk wanneer Jezus de strijd aanvoert. Volken beven en keren zich tot Hem wanneer Hij Zijn waarheid wijd en zijd uitschiet. Onder Zijn macht en aanwezigheid worden mensen neergeslagen, alsof ze in het hart zijn gestoken. Tegen de Zoon van God houdt niemand stand wanneer Hij Zijn machtige boog in handen heeft. Vreselijk zal dat uur zijn waarop Zijn boog helemaal wordt ontbloot en bliksems van verterend vuur op Zijn tegenstanders worden geslingerd. Dan zullen vorsten vallen en volken vergaan.
Vers 7
“Uw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos.” Tot wie kan dit gezegd zijn, behalve tot onze Heere? De psalmist kan zijn aanbidding niet inhouden. Zijn verlichte oog ziet in de koninklijke Bruidegom van de kerk God: God, Die aanbeden moet worden, God Die regeert, God Die eeuwig regeert. Wat een zalig gezicht, dat te zien! Blind zijn de ogen die God niet kunnen zien in Christus Jezus!
Hoe teder boog onze Koning Zich neer, toen Hij één vlees werd met Zijn kerk en haar aan Zijn rechterhand zette! Dat leren we pas echt waarderen als we ons volop hebben verheugd in Zijn wezenlijke heerlijkheid en Godheid. Wat een genade voor ons dat onze Zaligmaker God is! Wie anders dan God kon het werk van de redding volbrengen? En wat een vreugde dat Hij regeert op een troon die nooit zal vergaan! Want om ons geluk veilig te stellen hebben we zowel soevereine genade als eeuwige liefde nodig. Zou Jezus ophouden te regeren, dan zouden ook wij ophouden gezegend te zijn. En als Hij geen God was, en dus niet eeuwig, dan zou dat gebeuren. Geen troon kan eeuwig duren, behalve die waarop God Zelf zit.
“De scepter Uws Koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid.” Hij is de rechtmatige vorst over alles wat bestaat. Zijn heerschappij rust op recht, haar wet is recht en haar uitkomst is recht. Onze Koning is geen overweldiger en geen onderdrukker. Zelfs wanneer Hij Zijn vijanden verbrijzelt met een ijzeren roede, doet Hij niemand onrecht. Zijn wraak en Zijn genade passen allebei bij Zijn gerechtigheid. Daarom vertrouwen we Hem zonder achterdocht. Hij kan niet dwalen. Geen druk is te zwaar, want Hij zendt haar. Geen oordeel is te hard, want Hij beveelt het. O gezegende handen van Jezus! Bij U is de regerende macht veilig. Alle rechtvaardigen verheugen zich in het bestuur van de Koning Die in gerechtigheid regeert.
Vers 8
“Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid.” Christus Jezus staat niet langs de zijlijn in de grote strijd tussen recht en onrecht. Zo warm als Hij het ene liefheeft, zo sterk verafschuwt Hij het andere. Wat een eigenschappen voor een vorst, en wat voor een Koning! Wat een grond voor vertrouwen voor een volk! Het hele leven van onze Heere op aarde bewees dat deze woorden waar zijn. Zijn dood, waarmee Hij de zonde wegnam en de heerschappij van de gerechtigheid inluidde, zette er boven elke twijfel Zijn zegel op. Zijn voorzienigheid, waarmee Hij vanaf Zijn middelaarstroon regeert, laat hetzelfde zien, als we haar goed verstaan. En Zijn laatste oordeel zal het verkondigen voor alle werelden. Wij moeten Hem navolgen in Zijn liefde én in Zijn haat. Allebei zijn ze nodig voor een rechtvaardig karakter.
“Daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten.” Jezus als Middelaar erkende God als Zijn God, aan Wie Hij gehoorzaam werd toen Hij in gedaante als een mens werd gevonden. Om het volmaakte leven van onze Heere wordt Hij nu beloond met een hogere vreugde. Ook anderen heeft de genade een heilige gemeenschap met Hem geschonken. Maar volgens hun eigen erkenning, en door Zijn eigen verdienste, is Hij de vorst onder hen: de blijdste van allen, omdat Hij de oorzaak is van al hun blijdschap.
Bij oosterse maaltijden werd olie op het hoofd gegoten van aanzienlijke en zeer welkome gasten. Zo zalft God Zelf de Mens Christus Jezus wanneer Hij aanzit aan de hemelse maaltijden. Als loon voor Zijn werk zalft Hij Hem met een hogere en volle vreugde, groter dan iemand anders ooit kan kennen. Zo wordt de Zoon des mensen geëerd en beloond voor al Zijn moeite en Zijn lijden. Let op de onweerlegbare getuigenis voor de Godheid van de Messias in vers zeven, en voor Zijn mensheid in dit vers. Van wie kon dit geschreven zijn, behalve van Jezus van Nazareth? Onze Christus is onze Elohim. Jezus is God met ons.
Vers 9
“Al Uw klederen zijn mirre, en aloe, en kassie.” De goddelijke zalving laat een heerlijke geur van de gewaden van de Machtige Held af druipen. Hij is een genot voor al onze zintuigen: voor het oog het mooist, voor het oor het vriendelijkst, voor de geestelijke neus het zoetst. Alles wat Jezus is, is bijzonder kostbaar. Je kunt het alleen vergelijken met de zeldzaamste specerijen. En met mirre alleen kom je er niet: zoveel kanten heeft Zijn voortreffelijkheid dat alle geuren in de juiste verhouding gemengd moeten worden om haar te benaderen. De Vader vindt altijd vreugde in Hem, in Hem heeft Hij Zijn welbehagen. Alle wedergeboren zielen verheugen zich in Hem, want Hij is ons van God gemaakt tot “wijsheid … en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing”.
Merk op dat niet alleen Jezus Zelf zo zoet is, maar zelfs Zijn kleren. Alles wat met Hem te maken heeft, krijgt de geur van Zijn Persoon mee, alsof Hij het met parfum heeft besprenkeld. Al Zijn klederen ruiken zo heerlijk. Niet sommige, maar alle! We genieten even sterk van Zijn purper als Koning als van het wit van Zijn priesterschap. Zijn mantel als onze Profeet is ons even dierbaar als Zijn naadloze rok als onze Vriend. Zijn hele gewaad is doortrokken van alle zoetheid.
Het zou weinig zin hebben, en niets opleveren, om elke genoemde specerij een geestelijke betekenis te geven. De bedoeling is duidelijk: alle zoetheid komt in Jezus samen en stroomt uit overal waar Hij aanwezig is.
“Uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden.” Jezus woont nu in keizerlijke pracht. Ivoor en goud geven maar een zwakke indruk van Zijn koninklijke troon. Daar wordt Hij verblijd door de nabijheid van Zijn Vader en het gezelschap van Zijn heiligen. Och, mochten we Hem zien in Zijn geurende gewaden! Nu al brengt een vleugje van Zijn geur, van ver, onze ziel in vervoering. Wat zal het dan zijn om aan de andere kant van de paarlenpoort te staan, in het paleis van ivoor, tussen de zalen van Sion, waar “gezamenlijk wordt gejubeld met gezang”, waar de troon van David staat en de Vorst voor altijd aanwezig is!
Alleen al de gedachte aan Zijn blijdschap, aan het feit dat Hij vol vreugde is, maakt onze ziel nu al blij. Wij arme ballingen kunnen zingen in ons ballingsoord. Want onze Koning, onze Geliefde, zit op Zijn troon.
Vers 10
“Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren.” Aan het hof van onze Heere ontbreekt het niet aan hovelingen, en het zijn de mooiste en edelste. Reine zielen zijn Zijn hofdames, de echte lelies van de hemel. Jezus ziet de nederigen en zuiveren van hart als Zijn vertrouwdste vrienden. Hun plaats in Zijn paleis is niet bij het personeel in de bijkeuken, maar vlak bij de troon.
Eens komt de dag dat vrouwen die letterlijk “dochters van koningen” zijn, het als hun grootste eer zullen zien om de kerk te dienen. Intussen is elke gelovige zuster nu al in geestelijke zin een dochter van de Koning, een lid van de koninklijke familie van de hemel.
“De Koningin staat aan Uw rechterhand” — de plaats van liefde, eer en macht — “in het fijnste goud van Ofir.” De kerk deelt in de eer en het geluk van haar Heere. Hij geeft haar een plaats van waardigheid en kleedt haar met het allerbeste. Goud is het kostbaarste metaal, en het goud van Ofir was het zuiverste dat men kende. Jezus geeft Zijn geliefde kerk niets minderwaardigs of tweederangs. Door de gerechtigheid die haar wordt toegerekend en meegegeven is zij op goddelijke wijze getooid.
Gelukkig wie lid is van een kerk die zo geëerd en zo bemind wordt! Maar wee wie dit geliefde volk vervolgen. Een man laat het niet toe dat zijn vrouw wordt beledigd of mishandeld, en de hemelse Bruidegom evenmin. Snel zal Hij het opnemen voor Zijn eigen uitverkorenen.
Sta even stil bij de plechtige pracht van de verzen die we gelezen hebben. De Koning verschijnt in al Zijn glans. Hij omgordt Zich als een krijgsman en tooit Zich als een vorst. Hij stapt in Zijn wagen, schiet Zijn pijlen af en verslaat Zijn vijanden. Dan gaat Hij op Zijn troon zitten, de scepter in de hand. Uit Zijn binnenkamers vult geur de hele troonzaal. Zijn gevolg staat om Hem heen, en het mooist van alles: aan Zijn rechterhand staat Zijn bruid, met de dochters van onderworpen vorsten als haar dienaressen. Dit schouwspel is het geloof niet vreemd. Telkens als het kijkt, aanbidt het, houdt het van Hem, verheugt het zich en kijkt het uit.
Vers 11
“Hoor, o Dochter! en zie.” Dit is en blijft de belangrijkste taak van de kerk, vandaag net zo goed als toen. Het geloof komt uit het horen, en het wordt bevestigd door nadenken. Wie de eer heeft aan Christus verloofd te zijn, kan niets belangrijker vinden dan wat nu volgt. “En neig uw oor.” Buig je naar voren, zodat je geen lettergreep mist. Alles in ons denken moet gericht zijn op het ontvangen van heilig onderwijs.
“Vergeet uw volk en uws vaders huis.” De wereld vaarwel zeggen is niet gemakkelijk. Toch moet iedereen het doen die aan de grote Koning verloofd is. Een verdeeld hart verdraagt Hij niet. Het zou de geliefde ongelukkig maken en haar Heere onteren. Slechte kennissen moeten we achterlaten, en zelfs mensen die zich neutraal opstellen. Zij kunnen ons niets goeds geven en doen ons alleen kwaad.
Het huis waarin wij geboren zijn, is het huis van de zonde. We zijn in ongerechtigheid ontvangen, en de gezindheid van het vlees is vijandschap tegen God. We moeten het huis van onze gevallen natuur verlaten, want het staat in de Stad van het Verderf. Dat wil niet zeggen dat de genade de natuurlijke banden tussen mensen doorsnijdt. Het gaat om de banden van onze zondige natuur, de boeien van een verwantschap zonder genade.
We hebben veel te vergeten, naast alles wat we moeten leren. En afleren is zo moeilijk dat alleen ijverig luisteren, nadenken en onze hele ziel erop zetten het kan klaarspelen. Zelfs dat zou nog te zwak zijn zonder de hulp van Gods genade.
Maar waarom zouden we terugverlangen naar het Egypte waaruit we zijn weggegaan? Stellen de prei, het look en de uien nog iets voor, als we denken aan de ijzeren slavernij, de dwangarbeid en de moordzuchtige Farao van de hel? We nemen afscheid van dwaasheid voor wijsheid. Van zeepbellen voor eeuwige vreugde. Van bedrog voor waarheid. Van ellende voor geluk. Van afgoden voor de levende God.
Och, dat christenen toch meer acht sloegen op dit goddelijke gebod! Maar helaas: de wereldgezindheid heerst, de kerk is bevlekt en de heerlijkheid van de grote Koning is bedekt. Pas wanneer de hele kerk een afgezonderd leven leidt, zal de volle glans en kracht van het christendom over de wereld schijnen.
Vers 12
“Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid.” Liefde met je hele hart is in elk huwelijk de plicht en de zegen van de huwelijksband, maar vooral in dit verheven, geheimvolle huwelijk. De kerk moet alle anderen loslaten en Jezus alleen aanhangen. Anders behaagt zij Hem niet en ervaart zij Zijn liefde niet in volle rijkdom. Wat minder kan Hij vragen, en wat minder durft zij aan te bieden, dan helemaal de Zijne te zijn?
Jezus ziet een schoonheid in Zijn kerk. Hij vindt die het mooist als wereldgezindheid haar niet ontsiert. Hij is Zijn heiligen, zo leert de ervaring, altijd het meest nabij en kostbaar geweest wanneer zij blij Zijn kruis opnamen en Hem volgden buiten de legerplaats. Zijn Geest is bedroefd wanneer zij zich tussen de mensen van de wereld mengen en hun wegen overnemen. Er komt geen grote en blijvende opwekking, zolang de belijdende liefhebbers van Jezus hun liefde niet laten zien door uit een goddeloze wereld weg te gaan, zich af te zonderen en het onreine niet aan te raken.
“Dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.” Hij heeft nog altijd Zijn koninklijke rechten. Zijn neerbuigende genade ondermijnt Zijn gezag niet, maar versterkt het juist. Onze Redder is ook onze Heerser. De man is het hoofd van de vrouw. Zijn liefde voor haar maakt haar plicht om te gehoorzamen niet kleiner, maar groter. Zo moet de kerk Jezus eerbiedigen en zich in diepe aanbidding voor Hem buigen. Zijn tedere verbondenheid met haar geeft haar vrijheid, maar geen vrijbrief. Hij bevrijdt haar van alle andere lasten, maar legt Zijn zachte juk op haar schouders. Wie zou het anders willen? Wie zou een Heere willen die minder is dan dit?
God dienen is de hemel in de hemel, en wie Hem volkomen dient, heeft de hemel al op aarde.
Jezus, U bent het Die door Uw kerk wordt geprezen in haar onophoudelijke liederen en Die zij aanbidt in haar voortdurende dienst. Leer ons helemaal de Uwe te zijn. Heb geduld met ons en werk door Uw Geest zo in ons, tot Uw wil door ons wordt gedaan op aarde, zoals in de hemel.
Vers 13
“En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.” Als de kerk overvloeit van heiligheid, ontbreekt het haar niet aan eerbetoon van de volken om haar heen. Haar schoonheid maakt dan indruk op de heidenen en trekt hen aan, zodat ook zij zich aansluiten bij hen die haar Heere eren. De kracht van het zendingswerk in verre landen ligt thuis: een heilige kerk is een krachtige kerk.
Ook aan schatten zal het haar niet ontbreken, als de genade in haar hart woont. De vrije gaven van een gewillig volk stellen de werkers van God in staat hun heilige taak zonder beperking voort te zetten. De handel stuurt zijn opbrengst, niet als afgedwongen heffing of keizerlijke belasting, maar als vrijwillige gift voor de kerk van de grote Koning.
“De rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.” Rijken worden niet voor het geloof in Jezus gewonnen door hun dwaasheden te vleien, maar door te getuigen tegen hun zonden. Zij komen niet om de kerk een gunst te bewijzen, maar om haar gunst te vragen. Zij is niet het dienstmeisje van de groten. Als een koningin deelt zij haar gunsten uit aan de smekende menigte van rijken.
Wij lopen rond om voor Christus te bedelen, als bedelaars om een aalmoes. En velen die beter zouden moeten weten, sluiten compromissen en zwijgen over onpopulaire waarheden om de groten van de aarde te behagen. Zo hoeft de ware bruid van Christus zich niet te vernederen wanneer haar heiliging dieper en zichtbaarder is. Dan worden mensenharten mild, en komen er offers van ver weg, rijk en onophoudelijk, naar de troon van de Vredevorst.
Vers 14
“Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig.” In haar verborgen kamers is haar heerlijkheid groot. Mensen zien het niet, maar haar Heere ziet haar en prijst haar. “Het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen.”
Je kunt de woorden ook zo verstaan: binnen in haarzelf. Haar schoonheid is dan niet alleen of vooral uiterlijk. Het mooiste aan haar zit in haar hart, in haar verborgen karakter, in haar innerlijke verlangens. De HEERE let op waarheid en wijsheid in het binnenste. Schoonheid die niet verder reikt dan de huid, is in Zijn ogen niets waard. De kerk is van koninklijke afkomst en heeft keizerlijke waardigheid, want zij is een dochter van de Koning. Ze is gezuiverd en vernieuwd in haar wezen, want ze is van binnen verheerlijkt.
Let op het woord geheel. Van de Bruidegom werd gezegd dat al Zijn klederen geurden, en nu is de bruid geheel verheerlijkt van binnen. Volledigheid en heelheid zijn belangrijk. In Jezus is geen spoor van een nare geur, en in Zijn volk zal geen onheiligheid zijn bijgemengd. Zijn kerk wordt voorgesteld zonder vlek of rimpel of iets dergelijks.
“Haar kleding is van gouden borduursel.” De beste stof en het beste vakwerk! Wat heeft onze Heere hard gewerkt om de kostbare stof van Zijn gerechtigheid om te vormen tot een gewaad voor Zijn volk! Geen borduursel van gouden draad haalt het bij dat meesterwerk van heilige kunst. Zo’n kleed past bij haar die door haar band met de grote Koning zo geëerd is. De HEERE zorgt ervoor dat er niets ontbreekt aan de heerlijkheid en schoonheid van Zijn bruid.
Vers 15
“In gestikte klederen zal zij tot den Koning geleid worden.” Er komt een dag, dat is zeker, waarop het hemelse huwelijk openlijk gevierd wordt. Deze woorden beschrijven de bruiloftsstoet waarin de koningin naar haar koninklijke Bruidegom wordt gebracht, met haar dienaressen om zich heen. In de heerlijkheid van de laatste dagen, wanneer alles voltooid is, zal het hele heelal vol bewondering naar de bruid kijken, de vrouw van het Lam.
Ook toen zij nog binnenshuis was en haar heiligen nog verborgen waren, was de kerk al heerlijk. Hoe schitterend zal ze dan zijn, als zij verschijnt in de gelijkenis van haar Heere, op de dag van Zijn openbaring! Het fijnste borduurwerk is maar een zwakke afspiegeling van de volmaaktheid van de kerk, wanneer de Geest haar heeft geheiligd.
Dit vers vertelt ons over de uiteindelijke rust van de kerk: het hart van de Koning Zelf. Het vertelt hoe zij daar komt: zij wordt gebracht door de kracht van soevereine genade. Het vertelt wanneer dat gebeurt: in de toekomst, “zal zij … geleid worden”, het is nog niet geopenbaard. En het vertelt in welke staat zij komt: gekleed in de rijkste dracht en vergezeld door de schitterendste geesten.
“De jonge dochteren, die achter haar zijn, haar medegezellinnen, zullen tot u gebracht worden.” Wie de kerk liefheeft en dient omwille van haar Heere, zal “te dien dage” delen in haar zaligheid. In zekere zin horen zij zelf bij de kerk, maar voor het beeld worden zij voorgesteld als hofdames. Hoe vreemd dat ook lijkt: ze worden met dezelfde liefdevolle vertrouwelijkheid bij de Koning gebracht als de bruid. Want de ware dienaren van de kerk horen bij de kerk en delen in al haar geluk.
Let erop dat wie wordt toegelaten tot eeuwige gemeenschap met Christus, rein is van hart: maagden. Rein in de omgang: haar medegezellinnen. En rein in de levenswandel: die achter haar aan gaan. Laat niemand hopen ten slotte in de hemel te komen die nu niet gereinigd is.
Vers 16
“Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging.” Vreugde hoort bij een bruiloftsmaal. Hoe groot zal die vreugde zijn aan de tafels van het paradijs, wanneer alle verlosten thuiskomen! De blijdschap van de heiligen zelf en het jubelen van de engelen zullen de zalen van het Nieuwe Jeruzalem laten weergalmen van gejuich.
“Zij zullen ingaan in des Konings paleis.” Hun vreedzame woning zal zijn waar Jezus als Koning in eer regeert, tot in eeuwigheid. Zij worden niet buitengesloten, maar binnengehaald en opgesloten in Zijn nabijheid. Zij krijgen het recht om vrij binnen te gaan in het Heilige der heiligen. Door genade gebracht, gaan zij in de heerlijkheid binnen.
Als er al vreugde was bij het brengen, wat dan bij het binnengaan? En wat bij het blijven? De verheerlijkten zijn geen landarbeiders op de velden van de hemel, maar kinderen die thuis wonen, prinsen van koninklijk bloed, bewoners van het paleis van de Koning. Wat een zalig uur zal dat zijn, voor ons allemaal, wanneer wij dit alles genieten en het verdriet van de tijd vergeten in de overwinning van de eeuwigheid.
Vers 17
“In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn.” De oude heiligen, die als vaders in dienst van de grote Koning stonden, zijn allemaal heengegaan. Toch ontbreekt het nooit aan een geestelijk nageslacht dat hun plaats inneemt. De veteranen vertrekken, maar er melden zich vrijwilligers voor de lege plekken. De lijn van de genade loopt nooit dood. Zolang de tijd duurt, blijft de echte opvolging van de apostelen bestaan.
“Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde.” Dienaren van Christus zijn koningen. Wie met succes heeft gepredikt en een stam of een heel volk het evangelie heeft gebracht, ontvangt meer eer dan een koning. Zijn naam klinkt als de naam van de groten der aarde. Jezus is de koningmaker! Wie de edelste eerzucht koestert, zal in het leger van Christus zijn wens vervuld zien. Onsterfelijke kronen worden uitgedeeld aan Zijn trouwe soldaten. Eens zal de hele aarde zich aan Christus onderwerpen. Gelukkig zijn zij die door genade mogen meedoen aan die verovering. Zij zullen met Christus regeren wanneer Hij komt.
Vers 18
“Ik zal Uws Naams doen gedenken van elk geslacht tot geslacht.” Jehova belooft de Vredevorst door de mond van de profeet blijvende roem en een nageslacht dat nooit ophoudt. Zijn naam is Zijn faam, Zijn karakter, Zijn persoon. Dat alles is Zijn volk nu al dierbaar. Zij kunnen het nooit vergeten, en zo zal het blijven zolang er mensen zijn. Er waren beroemde namen die een generatie later niemand meer kende. Maar de lauweren van Jezus blijven altijd fris en Zijn roem blijft altijd nieuw. God Zelf zorgt daarvoor. Zijn voorzienigheid en Zijn genade maken het zo.
De roem van de Messias is niet overgelaten aan mensen die hem moeten bewaren. De Eeuwige staat ervoor in, en Zijn belofte faalt nooit. Door alle eeuwen heen blijven de herinneringen aan Gethsemane en Golgota gloeien met een licht dat niet te doven is. Geen tijdsverloop, geen rook van de dwaling en geen kwaadaardigheid van de hel kan de glorie van de Verlosser verduisteren.
“Daarom zullen U de volken loven eeuwiglijk en altoos.” Zij zullen belijden dat U bent Wie U bent, en U blijvend de eer geven die U toekomt. Elk hart is lof verschuldigd aan Hem Die ons liefhad en ons met Zijn bloed heeft vrijgekocht. Die lof zullen we nooit helemaal afbetalen. Het blijft een schuld die altijd blijft staan en nog groeit ook. Elke dag schenkt Hij ons nieuwe weldaden en maakt zo onze schuld groter. Laten die weldaden dan ook het aantal van onze liederen laten toenemen. Elke tijd laat ons meer van Zijn liefde zien.
Laat elk jaar de muziek van aarde en hemel dus voller klinken. Laat het gezang als donderslagen in een machtig akkoord opstijgen naar de troon van Hem Die leeft, Die dood was en nu levend is tot in alle eeuwigheid, en Die de sleutels heeft van hel en dood.
“Kroon Hem met majesteit en macht,
Die in de dood Zijn hoofd boog neer;
En laat al wat er adem heeft
Luid zingen tot Zijn hoge eer.”
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Titel
“Op Schoschannim”, dat wil zeggen: op de lelies. Lelies waren een teken van reinheid en lieflijkheid. Daarom werden ze ook gebruikt bij de bouw van Salomo’s tempel (zie 1 Kon. 7:19,22,26 en 2 Kron. 4:5). In het Hooglied wordt de gemeente vergeleken met een “lelie onder de doornen” (zie Hoogl. 2:2). Er zijn drie psalmen met dit opschrift “op de lelies”: de psalm die we nu lezen, de negenenzestigste en de tachtigste (vergelijk ook Ps. 60). Ze bevatten alle drie profetieën over Christus en Zijn gemeente.
De zestigste psalm hoort bij de vierenveertigste: hij laat het smekende beroep van de gemeente op God horen, en de overwinningen van Christus. De negenenzestigste laat zien hoe Christus Zijn overwinningen door lijden heeft behaald. De tachtigste hoort ook bij de vierenveertigste en de zestigste. Het is een klaagzang van de gemeente in nood, en een smekend roepen om redding. Alle drie klinken ze, als we het zo mogen zeggen, als de stem van de “lelie onder de doornen”. Het lijkt daarom in elk geval waarschijnlijk dat er in dit opschrift een verwijzing zit naar de geestelijke betekenis van het woord ((Hebr.)), oftewel lelies. — Christopher Wordsworth.
Titel
Wij denken dat Schoschannim een instrument met zes snaren betekent, of een vreugdelied. — Augustin Calmet, 1672-1757. Kitto zegt daarentegen dat het woord zo duidelijk “lelies” betekent, dat hij er niets voor voelt om er het Hebreeuwse woord voor “zes” bij te halen.
Titel
“Voor den opperzangmeester, … op Schoschannim.” Sommigen menen dat hier instrumenten bedoeld zijn waarop veel lelies waren gegraveerd, bloemen met zes bladen. Sommige uitleggers vertalen het vanwege die afleiding van het woord dan ook zo: op Schoschannim, dat is: op lelies. Dat doen ze dan om aan de bruiloftskransen te denken, die vaak van lelies werden gemaakt. Of ze willen met die lelies Christus en Zijn gemeente aanduiden. — Arthur Jackson.
Titel
“Een lied.” Het woord ((Hebr.)), shir, staat boven veel psalmen. De betekenis ervan, lied, staat niet ter discussie. Het komt maar drie keer alleen voor en dertien keer samen met Mizmor. Er is niets bijzonders aan te merken op de opbouw van die psalmen. Het woord lijkt iets anders aan te duiden dan Mizmor: een ding dat gezongen moet worden, gezien vanuit zijn dichterlijke bouw. — John Jebb.
Gehele psalm
De psalmen laten zoveel waarheid zien over de persoon en het werk van Christus, een waarheid die kostbaarder is dan goud en zoeter dan honingraat. Ze zwijgen ook niet over de band tussen Hem en Zijn volk: de mystieke vereniging tussen Christus en de kerk. Stel dat een prins zijn hart verliest aan een vrouw uit de lagere stand en haar als zijn vrouw mee naar huis neemt. Dan zijn die twee zo met elkaar verbonden dat haar schulden de zijne worden, en zijn rijkdom en eer de hare.
Tussen Christus en de kerk, tussen Christus en elke ziel die Hem wil ontvangen, bestaat een verbinding. De innigste van alle menselijke relaties is er een beeld en voorbeeld van. Dat hebben we al gezien. De Psalmen leren het niet alleen, het zit ook ingebouwd in de opzet van veel psalmen. Hij neemt de zonden van Zijn volk op Zich, en zij krijgen het recht om kinderen van God te worden. De ene Geest van God, met Wie Hij zonder maat is gedoopt, woont in hen, naar de mate van de genade die hun wordt geschonken.
Ik voeg er alleen aan toe dat deze vereniging op zoveel plaatsen wordt aangeduid, en dat ze uitdrukkelijk wordt uiteengezet in één zeer heerlijke psalm. Dat is het Bruiloftslied van Christus en de kerk. Het thema ervan is hoe Christus Zijn uitverkorenen thuisbrengt, zodat ze met Hem verbonden worden in een band die de eeuwige bergen zal overleven. — William Binnie, D.D.
Vers 2
“Mijn hart geeft een goede rede op.” En dan: “Mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.” O, dan ga ik vrolijk aan het werk in Zijn dienst, wanneer ik mijn hart met goede stof heb gevuld. Het is net als bij een zeeman: hoe verder hij vaart, hoe meer nieuwe sterren hij ziet, terwijl de oude uit het zicht verdwijnen. Zo ontdekt ook een groeiende christen, hoe verder hij komt in het geloof, steeds nieuwe behoeften. Nieuwe Schriftplaatsen raken hem. Nieuwe beproevingen kwellen hem. Hij vindt steeds nieuwe zaken met de HEERE zijn God.
Hij vergeet wat achter hem ligt en strekt zich uit naar wat voor hem ligt, en zo beleeft hij elke dag iets nieuws met de HEERE zijn God. Wie zo bezig is, doet geen nutteloze dingen. Hoe meer er te doen is, hoe minder afleiding. — Richard Steele.
Vers 2
“Mijn hart geeft een goede rede op.” Het Hebreeuwse woord ((Hebr.)) (rakhash) betekent: koken of opborrelen. Het beschrijft de taal van het hart, dat vol is en klaarstaat om zich uit te spreken. — Victorinus Bythner.
Vers 2
“Mijn hart geeft een goede rede op.” Hier zie je het werk van de Geest van de profetie. Door Zijn werking komt de goede “rede” in de borst van de psalmist tot stand. Zijn hart worstelt en zucht onder de last. Het begint die rede omhoog te spuiten, als water uit een fontein, zodat ze via de tong kan wegstromen. Zo krijg je enig inzicht in de manier waarop de Geest in het hart van een mens werkt.
De psalmist zegt dat zijn hart doet wat de Geest in zijn hart doet. Het hart doet het inderdaad zelf, maar toch is het de werking van de Geest. De psalmist gaf zijn onderwerp alle aandacht en vreugde die hij het ook gegeven zou hebben als de Geest er niets mee te maken had gehad. Want wanneer de Geest werkt, werkt Hij niet alleen door het hart, maar ook in het hart. Hij grijpt al zijn gevoelens aan, en elke vezel ervan wordt naar Zijn wil gebogen. — George Harpur, in “Christ in the Psalms”, 1862.
Vers 2
“Een goede rede”: de goede boodschap, oftewel het evangelie. — Christopher Wordsworth.
Vers 2
Dit is een beeld dat is ontleend aan de mincha, het spijsoffer uit de wet. Dat offer werd klaargemaakt in de braadpan (Lev. 7:9) en daar in olie gebakken. Het was gemaakt van fijn, ongezuurd meel, vermengd met olie (Lev. 2:5), en daarna bood de priester het de HEERE aan (vers 8). Zo is de inhoud van deze psalm als de mincha, het offer. Het werd in het hart van de profeet gebakken en klaargemaakt met de olie, dat is de genade van de Geest, en nu wordt het aangeboden. — Henry Ainsworth.
Vers 2
Erasmus vertelt over Origenes dat hij altijd ernstig was, maar het meest wanneer hij over Christus sprak. Van Johannes Mollias uit Bologna wordt gezegd dat zijn ogen tranen lieten zodra hij over Jezus Christus sprak. Hij was namelijk vervuld van een krachtige gloed van Gods Heilige Geest. Net als Johannes de Doper was hij eerst een brandend (kokend of borrelend) en daarna een schijnend licht. — John Trapp.
Vers 2
“Ik zegge mijn gedichten uit van een Koning.” Het gaat niet helemaal over de Koning Zelf. Een groot deel gaat over de koningin, en ongeveer de helft is rechtstreeks tot haar gericht. Maar het gaat Hem wel aan, omdat het Zijn gezin betreft. Christus vereenzelvigt Zich altijd met Zijn volk. Wat voor hen wordt gedaan, wordt dus aan Hemzelf gedaan. Hun belangen zijn de Zijne. — George Harpur.
Vers 2
“Mijn tong zal zijn als de pen van iemand die aantekeningen maakt of steno schrijft.” Want ik zal heel beknopt spreken, niet met een overvloed aan woorden. Je moet me ook niet letterlijk opvatten, want ik spreek in beelden en voorstellingen. — Uit “Holy David and his old English Translators cleared”, 1706. (Anoniem.)
Vers 2
De pen. We noemen de profeten de schrijvers van de Schrift, terwijl zij maar de pen waren.
Vers 3
“Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen.” Zo begint hij Zijn schoonheid te beschrijven, want daarin ligt wat een persoon aantrekkelijk maakt. Zo gaat het ook met de ziel. God laat de mens eerst zien hoe vuil en lelijk hij door de zonde is, en dat alleen Jezus de zonde wegneemt. O, wat is Zijn gezicht dan schoon bij de eerste ontmoeting met Hem!
Ten tweede: “Genade is uitgestort in Uw lippen”. Hier komt de tweede lofprijzing. Jezus opent Zijn lippen voor ons en stort daarmee genade uit in onze ziel. Hij maakt ons de Vader bekend en spreekt vrede tot allen, ver weg en dichtbij. Hij roept: “Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” Dat alles komt doordat God Hem gezegend heeft tot in eeuwigheid. We weten zeker dat Hij van God komt en dat Hij en Zijn werken eeuwig zijn. Daarom blijft al Zijn genade die over ons is uitgestort bij ons, en maakt ze ons eeuwig zalig.
Hij is immers het Woord van God, en Hij zegt wat God denkt. Hij zegt alleen wat Hij van de Vader heeft gehoord. Als Hij met Zijn Woord tot onze ziel spreekt, wordt de Geest gegeven. Dat is een zeker getuigenis aan onze ziel dat we kinderen van God zijn, en een onderpand van onze erfenis. Want de Geest en het Woord kunnen niet van elkaar worden gescheiden. — Richard Coore, in “Christ set forth”.
Vers 3
“Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen” enzovoort. Er is niets mooiers dan deze plotselinge manier van spreken. De profeet begint met het uitdrukkelijke plan om over de Koning te spreken. Maar het is alsof op dat moment de heerlijke Persoon over wie hij wilde spreken voor zijn ogen verschijnt. Meteen laat hij al het andere los en spreekt Hem zelf aan. En wat een verrukte toespraak houdt hij! Eerst beschrijft hij de heerlijkheid, de schoonheid en de verbazingwekkende lieflijkheid van Zijn persoon.
Voor een vleselijk oog was er geen gedaante die Hem begeerlijk maakte. Zijn gezicht was meer misvormd dan dat van enig mens, en Zijn gestalte meer dan die van de mensenkinderen. Maar voor een oog dat werkelijk verlicht is, is Hij de Koning in Zijn schoonheid. Als de heerlijke Middelaar, het Hoofd en de Bruidegom van Zijn kerk en volk, is Hij schoner dan alle mensenkinderen. In de ogen van de Vader is Hij zo bemind en zo echt heerlijk, dat genade in Zijn lippen is uitgestort.
Lezer, let op deze uitdrukking. Er staat niet gewoon dat genade in Zijn hart is gelegd, vanwege de heiligheid en zuiverheid van Zijn persoon. Nee, ze is uitgestort in Zijn lippen. Zo druipt ze als honing op Zijn volk en wordt ze voor altijd aan al Zijn verlosten meegedeeld. Het is een eindeloze reeks van alle zegeningen die ze nodig hebben, hier op aarde en daarna in heerlijkheid. — Robert Hawker, D.D.
Vers 3
“Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen.” Ben jij een liefhebber van schoonheid? Die trekt de meeste mensen aan. Dan is er niemand zoals Christus. In schoonheid en bevalligheid overtreft Hij mensen en engelen oneindig ver. We lezen van Mozes dat hij buitengewoon mooi was, en van David dat hij blozend was en er mooi uitzag. Josephus vertelt dat iedereen die een van hen zag, verbaasd was over zijn schoonheid en er verliefd op werd. Maar o, wat was hun schoonheid vergeleken met die van Christus? Zou je hun schoonheid en die van alle mensen en engelen bij elkaar optellen, dan zou het niets zijn naast de schoonheid van Christus. Zelfs niet zoveel als het licht van een goedkoop kaarsje naast de zon op het middaguur. — Edward Pearse in “The Best Match”, 1673.
Vers 3
“Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen” enzovoort. Schoon was Hij (1) bij Zijn ontvangenis. Hij werd ontvangen in reinheid, en een schone engel bracht het nieuws. Schoon (2) bij Zijn geboorte. In de Septuaginta staat hier het woord hōraios, in het Latijn tempestivus, dat is: op tijd. Alle dingen zijn immers mooi op hun tijd (Pred. 3:11). Hij werd geboren toen de tijd vervuld was, en een schone ster wees naar Hem. Schoon (3) in Zijn kindertijd. Hij nam toe in genade en gunst (Luk. 2:52), en de leraren waren erg met Hem ingenomen. Schoon (4) toen Hij volwassen was. Sint Hieronymus zegt: als er niets bewonderenswaardigs aan Zijn gezicht en verschijning was geweest, geen hemelse schoonheid, dan waren de apostelen en de hele wereld (zoals de Farizeeën zelf toegeven) Hem niet zo plotseling gevolgd.
Schoon (5) bij Zijn verheerlijking. Hij was wit als het licht of als sneeuw, en Zijn gezicht straalde als de zon (Matth. 17:2). De ziel van Sint Petrus zelf werd daardoor weggevoerd. Hij was “niet wetende, wat hij zeide”, en wilde zijn ogen voor altijd op dat gezicht laten rusten en nooit meer van de berg afdalen. Schoon (6) in Zijn lijden. Er was niets onbehoorlijks, niets onbevalligs in Zijn naaktheid. Juist Zijn wonden en de bloedige striemen van de zwepen en de geseling lokten bij Pilatus een ecce uit: “Ziet, de Mens!” Zo zacht was Zijn gezicht en Zijn houding, midden in het vuil en de spuug, de zwepen en de slagen.
Juist Zijn bevalligheid aan het kruis, toen Hij de geest gaf, deed de hoofdman uitroepen: “Waarlijk, Deze was Gods Zoon!” Zo’n zoete majesteit en zo’n hemelse glans verscheen in Hem, dwars door de duisternis die Hem omgaf.
Schoon (7) bij Zijn opstanding. Het was zo’n fijne schoonheid dat sterfelijke ogen haar niet konden zien of vatten, ook niet de ogen van Zijn eigen discipelen, tenzij Hij haar voor hen verhulde. Schoon (8) bij Zijn hemelvaart. Hij liet Zijn discipelen zo lang naar Hem staren (alsof ze nooit lang genoeg naar Hem konden kijken), dat er een engel uit de hemel moest komen om hen te berispen en hen naar huis te laten kijken (Hand. 1:11). — Mark Frank.
Vers 3
O schone zon, schone maan, schone sterren, schone bloemen, schone rozen en schone lelies! Maar o, tienduizendmaal tienduizendmaal schonere Heere Jezus! Helaas, ik heb Hem onrecht gedaan door het zo te vergelijken. O zwarte zon en maan! Maar o, schone Heere Jezus! O zwarte bloemen, zwarte lelies en rozen! Maar o, schone, schone, altijd schone Heere Jezus! O zwarte hemel! Maar o, schone Christus! O zwarte engelen! Maar o, bovenmate schone Heere Jezus! — Samuel Rutherford.
Vers 3
In één Christus zien we alle schoonheid en lieflijkheid van hemel en aarde, en die moeten we ook belijden. De schoonheid van de hemel is God. De schoonheid van de aarde is de mens. De schoonheid van hemel en aarde samen is deze Godmens. — Edward Hyde, D.D., 1658.
Vers 3
“Gij.” “Ik heb één hartstocht”, zei graaf Zinzendorf in een van zijn toespraken tot de gemeente van Herrnhut, “en die is Hij — Hij alleen.”
Vers 3
“Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen.” In het Hebreeuws staat eigenlijk: “Gij zijt dubbel schoner.” Het woord is verdubbeld om de kracht ervan te versterken (ad corroborandum), zegt Kimchi. — John Trapp.
Vers 3
“Genade is uitgestort in Uw lippen.” Die woorden doen denken aan een geschenk, alsof deze genade een gave was en niet iets wat van nature in onze Heere Zelf zit. Maar is dat niet precies wat we in de evangeliën lezen? Voordat Jezus aan Zijn openbare werk begon, daalde de Heilige Geest als een duif uit de hemel op Hem neer. De Geest, Die alle genade aan de kerk van Christus geeft, gaf diezelfde genade ook aan Christus Zelf, toen Hij als Mens op aarde was. Niet dat de Zoon van God de zalving met Gods Geest nodig had.
Maar Hij liet het zo gebeuren om Zijn broeders in alle dingen gelijk te worden. Als Hij hun voorbeeld moest zijn, moest Hij hun laten zien waar hun grote kracht lag. Zij zien in Hem de vruchten van de Heilige Geest, Die ook aan henzelf is beloofd. Alles wat Christus ooit gedaan heeft als Hoofd en Vertegenwoordiger van Zijn volk, deed Hij door precies die Geest Die nog altijd in Zijn kerk woont. — George Harpur.
Vers 3
“Genade is uitgestort in Uw lippen.” Uw lippen zijn vol genade: vol genade in wat ze zeggen en vol genade in hoe ze het zeggen.
- Wat Hij zegt, is goed nieuws. “De wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.” Joh. 1:17. Mozes had harde en strenge woorden in zijn wet: “Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.” Christus spreekt juist betere dingen. De eerste woorden van Zijn eerste prediking zijn: “Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.” Matth. 5:3. Hij komt tot Zijn volk met een woord van genade en een kus van liefde (cum verbo gratiae, cum osculo gratae), zegt Augustinus.
Zijn lippen zijn vol genade. Dat wil zeggen: er stroomt een overvloed van genadige woorden uit. Matth. 11:28; Joh. 3:16; Luk. 4:18. “Zijn lippen zijn als lelien, druppende van vloeiende mirre” (Hoogl. 5:13). Iedereen die Hem hoorde, stond versteld van de woorden van genade die uit Zijn mond kwamen, Luk. 4:22.
- En hoe sprak Hij? Niet zoals de schriftgeleerden. Hij sprak zo zoet dat zelfs de dienaren van het gerecht, verbaasd over Zijn woorden, getuigden: “Nooit heeft een mens alzo gesproken, gelijk deze Mens”, Joh. 7:46. Hij sprak zo genadig dat de apostelen alles lieten staan en Hem volgden, zodra Hij hen riep. Andreas liet meteen zijn netten los, Jakobus en Johannes zonder aarzelen hun vader, en Mattheüs het tolhuis. En ook Zacheüs liet zijn wereldse bezigheid in de steek en kwam haastig om Hem blij te ontvangen. Mark. 10:28; Matth. 4:20-21; 9:9; Luk. 19:6. Ja, geliefden, Hij was zo’n krachtig redenaar dat zelfs de wind en de golven naar Zijn woord luisterden, Mark. 4:39.
De Heilige Schrift vertelt dat alle vorsten en volken Salomo’s welsprekendheid wilden horen. De koningin van Scheba riep vol verbazing uit: “Welgelukzalig deze uw knechten, die gedurig voor uw aangezicht staan, die uw wijsheid horen”, 1 Kon. 10:8. Salomo is hier maar een beeld, maar Christus is de waarheid zelf. En dit laat duidelijk zien dat Christus geen dwingeland is, maar een zachtmoedig vorst. Hij wint gehoorzaamheid door mensen vriendelijk te overtuigen en dwingt Zijn volk niet met geweld. Zijn woorden zijn Zijn scepter en Zijn zwaard. Zijn doordringende vermaningen zijn als scherpe pijlen, waarmee Hij Zijn volgelingen aan Zich onderwerpt.
Om dit betoog af te sluiten: Zijn mooie woorden zijn, zoals de Schrift zegt, “een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente” (Spr. 16:24). “Een honigraat”: wat smaakt beter? “Zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente”: wat is, ik vraag je, gezonder? De ziel van de goede is Christus’ eigen bruid, en tot haar spreekt Hij op velerlei wijze vol genade. Soms bestraffend, en wat is een sterker bewijs van liefde? Want “dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij” (Hebr. 12:6). Soms onderwijzend, en Zijn evangelie is machtig om “de mens Gods volmaakt … tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust” te maken (2 Tim. 3:17).
Soms vleiend in liefdevolle woorden, zoals overal in Zijn liefdelied: “Mijn zuster”, “o bruid”, “gij schoonste onder de vrouwen”, “Mijn vriendin”, “Mijn schone”, “Mijn duive” enzovoort. Soms belovend, en dat zowel de zegeningen van dit tegenwoordige leven (“Vrees niet, want Ik ben met u; zijt niet verbaasd, want Ik ben uw God”, enzovoort, Jes. 41:10) als van het leven dat komen zal. Joh. 17:21,24.
Maar ook Christus’ voortreffelijke voorspraak is vol genade. Elke dag pleit Hij voor ons bij God de Vader. Hij verschijnt in het hof van de hemel en pleit daar als onze pleitbezorger. Want als Kaleb het verzoek van zijn dochter zo gemakkelijk inwilligde en haar “hoge wellingen en lage wellingen” gaf (Richt. 1:15), hoe zou dan God de Almachtige, Wiens barmhartigheid boven al Zijn werken is, de verzoeken van zo’n Zoon kunnen weigeren, in Wie Hij een welbehagen heeft? — John Boys.
Vers 3
“Genade is uitgestort in Uw lippen.” De vorige regel wees op Zijn innerlijke volmaaktheden. Deze regel gaat over Zijn vermogen en bereidheid om die aan anderen door te geven. — Matthew Poole.
Vers 3 (tweede zinsdeel)
Nooit heeft een mens zulke woorden van liefde en zoetheid gesproken als Hij. Nooit was er zo’n liefdevol en teder hart als het hart van Jezus Christus: genade was in Zijn lippen uitgestort. Er zijn op aarde zeker nooit zulke woorden van liefde, zoetheid en tederheid gesproken als Zijn laatste woorden, kort voor Zijn lijden, opgetekend in Johannes 13 tot en met 17. Lees maar eens alle boeken over liefde en vriendschap door die mensen ooit hebben geschreven: ze blijven ver achter bij de smeltende klanken van liefde die daar klinken.
Zo zoet en beminnelijk was de omgang met Jezus Christus dat de Kerkgeschiedenis over de apostel Petrus het volgende vertelt. Na Christus’ hemelvaart weende hij zo overvloedig dat men hem altijd de tranen van zijn gezicht zag vegen. En toen men hem vroeg waarom hij zo huilde, antwoordde hij dat hij niet anders kon dan huilen zodra hij dacht aan die allerzoetste omgang met Jezus Christus. — John Row.
Vers 4
“Gord Uw zwaard aan de heup.” Volgens oud gebruik hing men het zwaard aan een gordel die over de schouders lag en tot aan de heup reikte. Het zwaard hing aan de achterkant van de heup, bijna tot op de grond, maar zat er niet echt aan vastgegord. Het zwaard van de ruiter was met een singel aan het zadel bevestigd. Als David, in de geest, de Verlosser van de kerk uitnodigt om Zijn zwaard aan Zijn heup te gorden, en als de bruid over de dapperen van Israël zegt: “elk hebbende zijn zwaard aan zijn heup, vanwege den schrik des nachts” (Hoogl. 3:8), bedoelen ze niet dat het wapen letterlijk aan hun heup was vastgebonden.
Het hing in de gordel, aan de achterkant van de heup. Want zo droeg het voetvolk zijn zwaarden, volgens het algemene getuigenis van oude schrijvers. In het Oosten doet men dat nog steeds op die manier. Chardin bericht ons: “De oosterse volken laten hun zwaarden in volle lengte hangen; en de Turken dragen hun zwaarden te paard aan hun heup.”
Maar in zijn dichterlijke uitnodiging aan de Verlosser om Zijn zwaard aan de heup te gorden, denkt David duidelijk aan een bijzondere gelegenheid, plechtig en officieel. Een gebruik dat in het Oosten tot op de dag van vandaag bewaard is gebleven, werpt daar helder licht op. “Wanneer een Perzische of Ottomaanse prins de troon bestijgt”, zegt de heer Morier, “gordt hij zijn sabel om. Zo werd Mohammed Jaffer door de Khan, de gouverneur voor die tijd, uitgeroepen tot koning totdat zijn broer zou aankomen. Zo kreeg hij zijn waardigheid: men gordde hem een zwaard om de heup. Hij nam die eer aan met een tegenzin die misschien niet helemaal gespeeld was.”
“Deze plechtigheid”, zegt dr. Davey, die een oosterse kroning beschrijft, “moest nog plaatsvinden voordat de prins als volledig koning kon gelden. Het was het kiezen van een nieuwe naam en het omdoen van het koninklijke zwaard. De prins ging in grote staatsie naar de tempel, waar hij offers bracht. Toen het zwaard om zijn heup was gegord, bood de priester hem een pot sandelhoutpoeder aan. De prins, die nu koning genoemd kon worden, doopte zijn vingers erin.” Uit al deze verhalen wordt duidelijk dat het om de heup gorden van een zwaard hoort bij de plechtige inhuldiging van een koning. Als de psalmist de Messias toespreekt, verwijst hij dus naar het ontvangen van de eer en de macht van de Heere van allen. — G. Paxton’s Illustrations of Scripture.
Vers 4
“Uw zwaard.” Het woord van God wordt met zo’n wapen vergeleken. De apostel leert ons immers dat het levend en krachtig is, scherper dan elk tweesnijdend zwaard, dat doordringt tot de scheiding van ziel en geest en van gewrichten en merg, en de gedachten en overleggingen van het hart blootlegt. Let er echter op dat deze beschrijving van Gods woord alleen geldt wanneer Christus het aangordt en als Zijn zwaard gebruikt. Wat heeft een zwaard voor nut, zeg het eens, al is het dat van Goliath, zolang het rustig in de schede blijft of wordt vastgehouden door de krachteloze hand van een kind?
Dan kan het niet overwinnen en niet verdedigen, hoe geschikt het ook is om beide te doen in de hand van een krijgsman. Zo is het ook met het zwaard van de Geest. Zolang het rustig in de schede blijft of alleen wordt gehanteerd door de kinderhand van Christus’ dienaren, is het een krachteloos en nutteloos wapen. Dan kan zelfs de zwakste zondaar erom lachen en zich er moeiteloos tegen verweren. Maar zo is het niet wanneer de Allermachtigste het Zich aangordt.
Dan wordt het een wapen van geweldige, ontzagwekkende kracht, onweerstaanbaar als de bliksem uit de hemel. “Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?” Dat is het zeker, en meer dan dat. Want wat is werkzamer en onweerstaanbaarder dan een wapen dat scherper is dan een tweesnijdend zwaard, gehanteerd door de arm van de almacht? Hoe geweldig moet het zwaard zijn van Hem Wiens blik bliksem is! Met dit wapen baant de Overste van onze zaligheid Zich met oneindig gemak een weg naar de zondaar, ook al is die omringd door rotsen en bergen. Hij verstrooit diens sterkten en schuilplaatsen van leugen, en met één machtige slag klieft Hij zijn hart van staal in tweeën en werpt hem sidderend neer aan Zijn voeten.
Zo werkt dit wapen als Christus het in Zijn hand heeft, en zo overwint het. Daarom is het zo terecht dat de psalmist begint met Hem te vragen: gord het aan. Laat het niet werkeloos in de schede steken en niet krachteloos in de zwakke greep van Uw dienaren. — Edward Payson.
Vers 4
“O Held.” Christus is almachtig. Daarom kan Hij alles waarmaken wat Hij zegt. Of Hij nu iets gebiedt, belooft of aankondigt als dreigement: Zijn woord krijgt de kracht om de opdracht uit te voeren waarvoor het is uitgestuurd. — David Dickson.
Verzen 4-5
Wat een vreugde om na te denken over de heerlijke zaak waarvoor Christus strijdt! Het is een heilige oorlog, en Hij zal die winnen. Het is de zaak van waarheid, zachtmoedigheid en gerechtigheid. Zijn evangelie is Zijn zwaard, en dat zwaard is het woord van God. Het haalt ons terug van onze dwalingen met de waarheid, het beheerst onze driften door de zachtmoedigheid die het aanmoedigt, en het richt ons leven naar de wetten van de gerechtigheid die het inprent. Laten we ons verheugen dat deze heilige zaak tot nu toe is gebloeid en dat ze zal blijven bloeien. — Job Orton, 1717-1783.
Vers 5
“En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid” enzovoort. De wielen van Christus’ wagen, waarop Hij uittrekt om nieuwe bekeerlingen voor Zijn koninkrijk te winnen en te onderwerpen, zijn heerlijkheid, waarheid, zachtmoedigheid en gerechtigheid, zoals die bekend worden door de prediking van Zijn evangelie. Heerlijkheid, wanneer de statige majesteit van Zijn persoon en ambten wordt verkondigd. Waarheid, wanneer de zekerheid van alles wat Hij in de Schrift leert bekend is. Zachtmoedigheid, wanneer Zijn genade en barmhartigheid aan rebellen wordt aangeboden. En gerechtigheid, wanneer de rechtvaardiging door het geloof in Zijn naam duidelijk wordt voorgesteld. Christus maakt nooit een reis voor niets. Wat Hij Zich voorneemt, bereikt Hij ook. Hij doet het werk waarvoor Hij komt: het evangelie prediken. In Zijn heerlijkheid, waarheid, zachtmoedigheid en gerechtigheid rijdt Hij voorspoedig. — David Dickson.
Vers 5
“Op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid.” Als we het woord voor woord vertalen, dan luidt het zo: “Rijd op het woord der waarheid en de zachtmoedigheid der gerechtigheid”, en zo staat het ook in het Syrisch. Nemen we deze weergave over, dan wil de psalmist zeggen: het grote doel van Christus’ evangelie was om in de wereld de zaak van waarheid en gerechtigheid overeind te houden. Van Christus wordt gezegd dat Hij rijdt op het woord der waarheid, omdat de kennis van de waarheid van het woord afhangt: door het woord wordt de waarheid bekendgemaakt.
En van Hem wordt gezegd dat Hij rijdt op de zachtmoedigheid of nederigheid der gerechtigheid, omdat zachtmoedigheid of nederigheid daarvan het kenmerk is. Het eerste gaat over wat een mens moet geloven. Het tweede gaat over hoe hij moet leven. — George Harpur.
Vers 5
“Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.” Deze uitdrukking wil kennelijk alleen zeggen dat Hij door Zijn kracht vreselijke dingen kan doen. Want wie onderwijs krijgt, kan daarna doen wat hij geleerd heeft. Of ze wil zeggen dat Hij door Zijn almacht uit eigen ervaring zou ontdekken wat voor grote en vreselijke daden Hij zou verrichten. — Arthur Jackson.
Vers 6
“Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden.” In een nog gewaagder beeld zijn de pijlen die van Christus’ boog worden afgeschoten de predikers van het evangelie, vooral de apostelen en evangelisten. “His sagittis,” zegt de heilige Hieronymus, “totus orbis vulneratus et captus est.” Paulus, de apostel, was een pijl van de HEERE, van Zijn boog afgeschoten van Jeruzalem tot Illyrië en van Illyrië tot Spanje. Hij vloog van oost naar west en bracht Christus’ vijanden onder Zijn voeten. — Christopher Wordsworth.
Vers 6
Terwijl de psalmist de Verlosser smeekt voorspoedig uit te rijden en Zijn succes voorspelt, lijkt hij ineens zijn gebeden verhoord en zijn voorspellingen vervuld te zien. Hij zag zijn alles overwinnende Vorst Zijn onweerstaanbare zwaard aangorden, Zich kleden in heerlijkheid en majesteit, de wagen van Zijn evangelie bestijgen, de banier van Zijn kruis ontvouwen en wegrijden als op de vleugels van de wind. Voor Hem uit klonk de machtige stem van een heraut: “Bereidt den weg des HEEREN … Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden … Ziet, de Heere HEERE zal komen tegen den sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.”
Uit de heldere, vurige wolk die Zijn wagen omhulde en voor sterfelijke ogen verborg, zag hij scherpe pijlen van overtuiging in alle richtingen vliegen. Ze verwondden de verharde harten van zondaars diep en wierpen hen bij menigten rond Zijn pad ter aarde. Dan richtte Zijn uitgestrekte rechterhand hen weer overeind en genas de wonden die Zijn pijlen hadden geslagen. Daarna sprak Zijn almachtige stem vrede tot hun wanhopige zielen en beval hun in Zijn gevolg mee te gaan, getuige te zijn van Zijn zegetocht en erin te delen. Uit diezelfde heldere wolk zag hij wraakzuchtige bliksems dicht en verschrikkelijk flitsen om alles te verschroeien en te verteren wat Zijn voortgang tegenhield.
Hij zag de zonde, de dood en de hel met al haar legers verijdeld en verslagen, en in sidderende verwarring voor Hem op de vlucht gaan. Hij zag hen ingehaald, gebonden en geketend aan de wielen van Zijn zegewagen. En uit de hemel klonken verrukte stemmen die uitriepen: “Nu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden onzes Gods; en de macht van Zijn Christus.”
Zo zag het tafereel eruit dat zich voor de verrukte ogen van de in vervoering gebrachte profeet leek te openen. Meegesleept door dit visioen roept hij uit: “Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden.” — Edward Payson.
Vers 6
“Des Konings vijanden” is niet zomaar een andere manier om “Uw vijanden” te zeggen, zoals sommigen denken. Het houdt eerder in dat Christus’ koningschap de reden van hun vijandschap is. Net zoals in de tweede psalm hun kreet was: “Laat ons hun banden verscheuren.” — George Harpur.
Vers 7
“Uw troon, o God.” Het oorspronkelijke woord is waarschijnlijk een aanspreekvorm, in het Grieks én in het Hebreeuws. Zo vatten ook de hedendaagse Unitariërs het op, die de Godheid van Christus ontkennen. Zij zoeken hun uitweg, en wel door het Griekse woord theos weg te verklaren. — Henry Alford, D.D., over Hebr. 1:8.
Vers 8
“Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid.” Veel mensen houden van gerechtigheid, maar zouden er nooit voor in de bres springen als het erom spant. Zo’n liefde is niet de liefde van Christus. Anderen haten onrecht niet om het onrecht zelf, maar om de gevolgen ervan. Zo’n haat is niet de haat van Christus. Willen we op Christus lijken, dan moeten we gerechtigheid liefhebben zoals Hij haar liefhad, en goddeloosheid haten zoals Hij haar haatte. Liefhebben en haten zoals Hij liefheeft en haat, dat is volmaakt zijn zoals Hij volmaakt is. De volmaaktheid van deze liefde en deze haat is volmaaktheid van karakter. — George Harpur.
Vers 8
“Daarom.” Let op hoe vanzelfsprekend de Schrift, hier en elders, Christus’ verhoging aan Zijn verdiensten koppelt. God zegende Hem in eeuwigheid, zoals in het derde vers van deze psalm staat (als dat tenminste de zin van dat vers is), omdat Hij schoner was dan de mensenkinderen en genade over Zijn lippen was uitgestort. De apostel zegt hetzelfde: God heeft Hem uitnemend verhoogd en Hem een naam gegeven boven alle naam, omdat Hij Zichzelf vernederd had en gehoorzaam was geworden tot de dood. En hier heeft God Hem met vreugdeolie gezalfd boven Zijn medegenoten, omdat Hij gerechtigheid liefhad en ongerechtigheid haatte. — George Harpur.
Vers 8
“Daarom.” De psalmist zegt niet: “Waarom heeft Hij U gezalfd, opdat U God zou zijn, of Koning, of Zoon, of Woord?” Dat was Hij immers al lang vóór die zalving, namelijk van oudsher, en dat is Hij in eeuwigheid, zoals is aangetoond. Hij zegt veeleer: “Omdat U God en Koning bent, bent U gezalfd. Want niemand anders dan U kon de mens met de Heilige Geest verenigen. U bent het beeld van de Vader, naar Wie wij in het begin zijn gemaakt. Want de Geest is ook de Uwe.” — Athanasius.
Vers 8
“Daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie.” In het verbond was God de God van Christus, zodat Hij in het verbond onze God zou zijn. Bij alles wat God doet, moeten we immers de hele Christus voor ogen houden: Hoofd én leden, Christus samen met allen die bij Hem horen (Gal. 3:16; 1 Kor. 12:12). Het verbond werd eerst met het Hoofd gesloten (Hij is ons gegeven “tot een Verbond des volks”, Jes. 42:6) en daarna met de leden: met Hem ten aanzien van ons en voor ons. God liet onze Borg niet in de steek. Hij stond Hem bij in Zijn zware strijd, toen Hij vanuit de diepten tot Hem riep. Dan zal Hij ons in tijden van nood evenmin in de steek laten. Hebr. 4:16; 13:5-6. — William Troughton.
Vers 8
“Daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten.” Dat wil zeggen: God heeft U op een heel bijzondere manier verrijkt en vervuld met de volheid van de Geest. Daardoor bent U gewijd voor Uw ambt, en daarvoor toegerust. En daardoor overtreft U alle heiligen, die in deze genaden Uw medegenoten of deelgenoten zijn. In deze woorden vinden we dus twee dingen: eerst de waardigheid van de heiligen en daarna de voorrang van Christus.
Eerst dus de waardigheid van de heiligen. Die bestaat hierin dat zij Christus’ medegenoten zijn. Het Hebreeuwse woord ((Hebr.)) is bijzonder rijk. Het wordt vertaald met gezellen, metgezellen, mededeelgenoten en deelhebbers, of, zoals onze vertaling het geeft, medegenoten. Het zijn mensen die samen met Hem deel hebben aan de zalving met de Geest, dus niet buitenstaanders maar mensen die daar echt in meedelen. Zij ontvangen, ieder in zijn eigen mate, dezelfde Geest. Elke christen is, modo sibi proportionato, dat wil zeggen ieder naar zijn eigen maat en bij zijn eigen aard passend, aangesteld met dezelfde genade en getooid met dezelfde titels. 1 Joh. 2:27; Openb. 1:6.
Christus en de heiligen hebben alles met elkaar gemeen. Woont de Geest van heiligheid in Hem? Dan woont Hij ook in hen. Is Christus Koning en Priester? Dan zijn zij dat ook, door de genade van hun eenheid met Hem. Hij heeft ons tot koningen en priesters gemaakt voor God en Zijn Vader. Dat is dus de waardigheid van de heiligen: medegenoten, gezellen en mededeelgenoten van Christus te zijn. Elke genade en elke voortreffelijkheid in Christus is dus niet alleen van Hem. Zij delen erin met Hem. Want Hij werd inderdaad om hunnentwil en tot hun gebruik met de volheid van de Geest vervuld. Zoals de zon vol licht is, niet om voor zichzelf te schijnen maar voor anderen, zo is Christus vol genade.
Daarom vertalen sommigen de tekst niet met prae consortibus, “boven Uw medegenoten”, maar met propter consortes, “ter wille van Uw medegenoten” (Rivetus). Zo maken zij Christus tot de eerste ontvanger van alle genade, zodat alles wat Hij heeft eerst bij Hem aankomt. Hij wordt als eerste en rechtstreeks vervuld uit de bron van de Godheid. Maar dat gebeurt voor Zijn volk, dat van Hem ontvangt en put, ieder naar zijn maat. Dit is een grote waarheid. De waardigheid van de heiligen ligt vooral in hun gemeenschap met Christus. Toch past onze vertaling, “boven Uw medegenoten”, het best bij het gewicht van het woord en bij de strekking van de plaats.
Ten tweede. Hoeveel waardigheid de heiligen hier ook krijgen, er is en blijft altijd een voorrang die aan Christus toekomt. Zijn zij gezalfd met de Geest van genade, Christus is dat veel overvloediger: “God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten.” — John Flavel.
Vers 8
“Vreugdeolie.” Ook welriekende oliën werden gebruikt om het gezicht op te fleuren bij feestmalen en andere vreugdevolle gelegenheden. Ps. 23:5; 104:15; Jes. 61:3. Zo is ook deze olie van wijding, de uitstorting van de gaven van de Heilige Geest, de oorzaak en de grondslag geweest van de eeuwige vreugde en heerlijkheid die Christus’ menselijke natuur heeft ontvangen. Fil. 2:9; Hebr. 12:2. — John Diodati.
Vers 8
Kijk, Arianen, en erken ook hieruit de waarheid. De psalmist noemt ons allemaal medegenoten of deelhebbers van de Heere. Was Hij Zelf echter een van de dingen die uit niets voortkomen, een van de voortgebrachte dingen, dan zou ook Hij een van die deelhebbers zijn geweest. Maar de psalmist bezingt Hem als de eeuwige God: “Uw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos.” En hij verklaart dat alle andere dingen deel aan Hem hebben. Welke conclusie moeten we daaruit trekken? Dat Hij verschilt van alle voortgebrachte dingen. Dat Hij alleen het waarachtige Woord is, de Straling en de Wijsheid van de Vader, waaraan alle voortgebrachte dingen deel hebben, door Hem in de Geest geheiligd.
Waarom wordt Hij hier dan toch gezalfd genoemd? Niet om God te worden, want dat was Hij al eerder. Ook niet om Koning te worden, want Hij heeft het koninkrijk eeuwig, als beeld van God, zoals het heilige orakel laat zien. Nee, het is ter wille van ons geschreven, net als eerder. De koningen van Israël werden pas koning toen zij gezalfd werden, want dat waren zij daarvoor niet: David, Hizkia, Josia en de anderen. Maar de Zaligmaker is God en regeert altijd in het koninkrijk van de Vader. Hij is Zelf Degene Die de Heilige Geest uitdeelt.
Toch wordt van Hem hier gezegd dat Hij gezalfd is. Zoals eerder wordt ook nu van Hem als Mens gezegd dat Hij met de Geest gezalfd is. Zo schenkt Hij ons, in plaats van alleen verhoging en opstanding, nog veel meer: de inwoning van de Geest en de vertrouwelijke omgang met Hem … En toen Hij de Geest ontving, waren wij het die door Hem ontvangers van de Geest werden.
Bovendien is Hij niet met olie gezalfd zoals Aäron, David en de anderen. Hij is op een andere manier gezalfd, boven al Zijn medegenoten, met de vreugdeolie. Die verklaart Hij Zelf als de Geest, wanneer Hij door de profeet zegt: “De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd.” Zo zegt ook de apostel: “Hoe Hem God gezalfd heeft met den Heiligen Geest.” — Athanasius.
Vers 9
“Al Uw klederen zijn mirre, en aloe, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden.” Over deze woorden hangt nogal wat duisternis, dat valt niet te ontkennen. Toch is het algemene beeld duidelijk genoeg: een overvloedige zalving. Daar hoort het beeld bij van zalfolie van de allerfijnste kwaliteit. Mirre, aloë en kassie waren beroemd om hun bijzondere geur. Daarom gebruikte men ze voor de uitgelezen zalven. Mirre en kassie worden in Ex. 30:23-24 genoemd als twee van de specerijen waaruit de heilige zalfolie was samengesteld. Al haar bestanddelen werden heilig geacht. De Israëlieten mochten haar niet op het lichaam van een mens gieten, en ze mochten haar ook niet nabootsen in hun eigen reukwerk.
Ivoor was in die vroege tijd zeldzaam en kostbaar, net als nu. Men waardeerde het hoog als materiaal om huizen te versieren, met het fijnste vakmanschap en de meest vorstelijke uitgaven. In paleizen van ivoor mocht je dus verwachten dat de zalf, passend bij de pracht van het gebouw en de kostbaarheid van de inrichting, van het rijkste parfum zou zijn en in de grootste overvloed. Volgens onze vertaling van de psalm wordt de goddelijke Zaligmaker dus voorgesteld als gezalfd met olie van de allerbeste soort, zelfs olie uit de elpenbenen paleizen. En Hij ontvangt die olie in een buitengewone mate. Zijn zalving bleef niet beperkt tot een paar plechtige druppels op Zijn hoofd. Zij was zo overvloedig dat al Zijn klederen roken naar mirre, aloë en kassie.
Bisschop Horsley heeft een andere vertaling voorgesteld. Daarin hoort het beeld van overvloed niet bij de geur die uit de zalving opstijgt, maar bij de zalving zelf. Dat is iets anders en veel gewichtigers: nu gaat het om de omvang van de zalving zelf. “Uw klederen zijn alle mirre, aloë en kassie, overtreffend de paleizen van ivoor, overtreffend die welke U verblijden.” Deze vertaling is strikt letterlijk én dichterlijk, en bovendien betrekkelijk vrij van duisternis. In het krachtigste beeld toont zij hoe ver die zalving ging, waarmee onze Heere boven al Zijn medegenoten werd gezalfd. Van Zijn klederen wordt dan niet alleen gezegd dat ze rijk geparfumeerd waren, of zelfs doordrenkt met de vreugdeolie. Ze bestonden uit de stoffen zelf waaruit de kostbaarste en geurigste zalf wordt bereid: “Uw klederen zijn alle mirre, aloë en kassie.”
Dit is beeldspraak, maar niets laat sterker zien hoe waarachtig “de Geest op Jezus rustte en bij Hem bleef” in de hele volheid van Zijn hemelse gaven. Die hemelse zalving vormde als het ware Zijn kleding. In hoeveelheid en maat ging zij “de paleizen van ivoor” te boven, want de inrichting daarvan, hoe sterk ook geparfumeerd, was niet van aromatische stoffen gemaakt. De kracht van die geuren zou vervliegen, en de geur zou snel afnemen. Maar een blijvende en overvloedige geur is zeker voor Hem Wiens “klederen alle mirre, aloë en kassie zijn”.
Als parallel wordt daaraan toegevoegd: “overtreffend die welke zich in U verblijden”, of anders gezegd: die U verblijden. Je zou kunnen tegenwerpen dat het fantasie is om hier aan de bewoners van de ivoren paleizen te denken. Maar paleizen zijn de woningen van koningen. En gezalfde koningen, letterlijk, zinnebeeldig of geestelijk, zijn de medegenoten van de Gezalfde des HEEREN. Zoals Zijn zalving vreugde en blijdschap geeft aan alle betrokkenen, zo is er ook een zalving van hen die de eer hebben Zijn medegenoten te zijn, en die geeft Hem vreugde en blijdschap. Ik zie geen reden om de personen die in het ene vers Christus vreugde geven, voor andere te houden dan de personen die in het vorige vers Zijn “medegenoten” heten.
Is dat zo, dan wordt hier de zalving van de ene groep met die van de andere vergeleken. En aan de zalving van Christus wordt een duidelijk overwicht toegekend. — David Pitcairn, in “The Anointed Saviour”, 1846.
Vers 9
“Al Uw klederen zijn mirre” enzovoort. Dit alles is waar in Jezus. Met Zijn klederen is Zijn gerechtigheid bedoeld, want er staat geschreven: Hij kleedde Zich met gerechtigheid en ijver. De vertaler heeft hier “ruikt” ingevoegd, terwijl er eerder “zijn” had moeten staan. Want “Zijn klederen zijn van mirre en aloë en kassie”, dat wil zeggen: ze reinigen, zuiveren en maken werkelijk gezond. Zijn gerechtigheid is de gerechtigheid van het geloof, en die maakt christenen gezond van hart. De gerechtigheid van de mens is de gerechtigheid van de werken, en die maakt van mensen smerige huichelaars.
Met de “elpenbenen paleizen” zijn het ware geloof en de vreze Gods bedoeld. Want ivoor is hard en wit, en paleizen zijn huizen van koningen. Door Christus zijn wij koningen gemaakt, en ons verblijf is in geloof en vreze Gods. Dit is de blijdschap en vreugde van onze Heere Jezus: dat Hij vele zonen en dochters tot God brengt. — Richard Coore, 1683.
Vers 9
“Uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden.” Uitleggers hebben zich over deze woorden meer het hoofd gebroken dan over enig ander deel van de psalm. Ik wil je niet ophouden met alle uitleggingen die zijn voorgesteld. Daarom laat ik ze rusten en vertel ik je wat ik zelf als de bedoeling van deze plaats zie. Het woord dat hier met “van waar” is vertaald, is ook de naam van een streek in Arabia Felix: Minnaea. Volgens de aardrijkskundige Strabo was die streek “rijk aan mirre en wierook”. Nu is het opmerkelijk dat volgens de geschiedschrijver Diodorus Siculus “de inwoners van Arabia Felix weelderige huizen hadden, versierd met ivoor en edelstenen”.
Zetten we deze twee gegevens naast elkaar, een streek vol mirre en wierook en bewoners die hun huizen met ivoor versieren, dan vinden we volgens mij een aanwijzing voor wat de psalmist bedoelt. Zetten we “Minnaea” in de plaats van “van waar”, dan luidt de passage zo:
“Mirre, aloë en kassie zijn al Uw klederen.
Uit elpenbenen paleizen van Minnaea hebben zij U verblijd.”
Je weet nog dat in het vorige vers de olie waarmee Christus gezalfd werd, “vreugdeolie” heet. Zo wordt hier van Hem gezegd dat Hij verblijd wordt door iets wat Hem verheugt, in het Hebreeuws op beide plaatsen hetzelfde woord, door de specerijen waaruit die olie is samengesteld. Van die specerijen wordt gezegd dat ze zijn aangevoerd uit de meest kruidenrijke streek van het land van de specerijen. Daarmee wordt ook aangegeven dat het de beste specerijen van die streek zijn. “Uit de elpenbenen paleizen”, zegt de psalmist. Dus niet slechts huizen, maar echte paleizen: de woningen van de groten, waar de beste specerijen vanzelf bewaard worden.
Daaruit zijn de mirre, aloë en kassie gekomen die de vreugdeolie vormen waardoor U verblijd bent. God zalfde Christus met vreugdeolie toen Hij Hem op Zijn eeuwige troon zette. Die zalving was zo overvloedig, en Zijn klederen waren er zo mee overdekt, dat ze niets anders leken dan mirre, aloë en kassie. De specerijen waaruit de zalfolie bestond, waren bovendien de beste van hun soort, want ze kwamen uit de elpenbenen paleizen van Minnaea. Zo lijkt de psalmist het te bedoelen. Op deze manier verstaan wordt de passage een prachtige uitdrukking van de voortreffelijkheid en de onmetelijke toevoer van de gaven en genaden van de Geest, waarmee Christus door Zijn Vader gezalfd werd. — George Harpur.
Vers 9
“De elpenbenen paleizen.” De elpenbenen hoven. Waarschijnlijk heten ze zo naar de grote hoeveelheid ivoor waarmee ze versierd en ingelegd werden. Zo werd ook het paleis van keizer Nero, dat Suetonius vermeldt, “aurea” of “gouden” genoemd, omdat het “lita auro” was: “met goud overdekt”. Deze manier om kamers te versieren of in te leggen was bij de Grieken al heel oud. Homerus lijkt haar in het vierde boek van de Odyssee te noemen, als gebruikt in het paleis van Menelaüs te Lacedaemon. Dat de Romeinen hun vertrekken soms op dezelfde manier versierden, blijkt duidelijk uit Horatius en Ovidius.
Ook in latere tijd is de winterkamer van de schone Fatima te Konstantinopel door een ooggetuige beschreven als “betimmerd met inlegwerk van parelmoer, ivoor in verschillende kleuren en olijfhout”. Ook in Aleppo wordt ivoor nog steeds gebruikt, zoals dr. Russell ons meedeelt, bij de inrichting van enkele van de kostbaardere vertrekken. — Richard Mant.
Vers 9
“Elpenbenen paleizen.” Met die paleizen worden bedoeld: ofwel gebouwen (1 Kon. 22:39; Hoogl. 7:4), ofwel ivoren kisten en klerenkasten waaruit die klederen werden gehaald en waarin ze bewaard worden. — Westminster Assembly’s Annotations.
Vers 9
“Van waar zij U verblijden.” De beste uitleg van deze woorden krijgen we als we “zij” opvatten als de dochters van koningen, die in het volgende vers worden genoemd. — William S. Plumer.
Vers 9
Gesenius en Delitzsch zien ((Hebr.)) als een ingekorte vorm van het meervoud ((Hebr.)) uit Ps. 150:4, “snaren” of “snarenspel”. Zij vertalen dan zo: “Uit de ivoren paleizen hebben snarenspelen U verblijd.” — Dalman Hapstone. (Ewald en Lange sluiten zich bij deze vertaling aan.) — J. L. K.
Vers 10
“Dochters van koningen.” De katholieke kerk, de kerk over heel de wereld, bestaat uit ware bekeerlingen, echte heiligen. Zij is de enige ware bruid van Christus. Daarnaast zijn er veel afzonderlijke, zichtbare kerken. Daarin zitten mensen die heilig zijn omdat ze geroepen zijn, omdat ze zich eraan hebben verbonden, omdat ze het belijden, of omdat zij zelf en anderen hen daarvoor houden. De ware kerk bestaat uit ware bekeerlingen. Hun lof komt van God, Die als enige met zekerheid weet wie het zijn, en niet van mensen. Omdat die ware kerk er maar één is, wordt zij vergeleken met de koningin. De afzonderlijke kerken zijn er veel, en mensen kennen hun samenkomsten en verbanden. Zij worden vergeleken met de hofdames die de koningin dienen. — David Dickson.
Vers 10
“De Koningin.” Over keizerin Mathilde staat geschreven dat zij de dochter was van een koning, de moeder van een koning en de vrouw van een koning.
Ortu magna, viro major, sed maxima prole,
Hic jacet Henrici filia, nupta, parens.
Zo laat David ons in dit lied zien dat de kerk de dochter van een Koning is, in het veertiende vers: “Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig.” Ze is ook de moeder van een koning, in het zeventiende vers: “In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn; Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde.” En in dit vers is ze de vrouw van een koning: “De Koningin staat aan Uw rechterhand.” Want zij is, om het in de taal van Kanaän te zeggen, geestelijk de gehuwde vrouw die bij de Koning der heerlijkheid te bed is gelegd. — John Boys.
Vers 11
Vergeet uw volk en uws vaders huis. “Drie dingen verwacht Ik dat je opgeeft”, zegt Christus. 1. Al je zondige begeerten, alle wegen van de oude Adam: het huis van onze vader. Sinds Adam van God afviel, hebben God en mens hun huizen gescheiden. Vanaf dat moment is het huis van onze vader een huis van slechte zeden, van zonde en goddeloosheid. 2. Al je voordelen in de wereld. “Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.” Wie dit alles heeft, moet bereid zijn om van alles afstand te doen.
Het één staat niet los van het ander: de woorden zijn verbonden met ‘en’, niet met ‘of’. 3. Alle eigenheid: eigenwil, eigengerechtigheid, eigenwaan, zelfvertrouwen en zelfzucht. — Lewis Stuckley.
Vers 11
Vergeet uw volk en uws vaders huis. Zie je een bij een mooie bloem verlaten en op een andere blijven zitten? Dan mag je concluderen dat ze in de bloem waar ze het langst blijft de meeste honingdauw vindt. Zo zou ook Gods volk nooit zoveel mooie bloemen in de tuin van de wereld achterlaten, als het niet ergens anders de meeste zoetheid vond. Christus heeft Zijn eigen tuin, waarheen Hij Zijn beminde brengt. Daar vindt zij heel andere bloemen dan de wereld ooit heeft. Hun zoetheid is van een hogere soort: de honingdauw van de uitgelezen barmhartigheid, goedheid en zegen van God Zelf.
Als Gods volk de volle borsten van de wereld verlaat, is dat omdat het de borsten van de vertroosting heeft gevonden. Daaruit heeft het een heel andere zoetheid gezogen dan de borst van de wereld ooit kan bieden. — Jeremiah Burroughs, in “Moses, his self denial”, 1649.
Vers 11
Vergeet. Sta je op de berg? Heb dan geen zin om terug te kijken naar Sodom. Ben je in de ark? Vlieg dan niet terug naar de wereld, zoals de raaf deed. Ben je in Kanaän gezet? Vergeet de vleespotten van Egypte. Trek je op tegen Midian? Vergeet dan om je te bukken bij de wateren van Harod. Richt. 7:1-25. Sta je op het dak? Vergeet wat onder je is. Mark. 13:15. Ligt je hand aan de ploeg? Vergeet wat achter je is. Luk. 9:62. Themistocles wilde liever de kunst van het vergeten leren dan die van het onthouden.
De wijsbegeerte is een kunst van herinneren, maar de godgeleerdheid bevat ook een kunst van vergeten. De eerste les die Socrates zijn leerlingen gaf, was: Onthoud! Hij meende namelijk dat kennis niets anders is dan het terugroepen van dingen die de geest al wist voordat ze het lichaam kende. Maar de eerste les die Christus Zijn leerlingen geeft, is: Vergeet! Vergeet je eigen volk. “Bekeert u” (Matth. 4:17); eerst “wijke af van het kwade” (1 Petr. 3:11). — Thomas Adams.
Vers 12
“Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid.” Dit is een allerzoetste belofte, vol troost. De Heilige Geest weet namelijk dat dit monster, de Monnik, diep in ons hart zit: we willen rein en zonder vlek voor God staan. Zo was onder het pausdom al mijn verzoeking deze. Ik zei altijd dat ik graag naar het sacrament zou gaan, als ik maar waardig was. Zo zoeken we van nature een reinheid in onszelf. Ons hele leven onderzoeken we onszelf, want we willen in onszelf reinheid vinden. Dan hadden we geen genade nodig, maar werden we op grond van onze eigen verdienste rechtvaardig verklaard … Je zult zeker nooit rechtvaardig worden door jezelf en je eigen werken … Daarom zegt de Heilige Geest: Ik zal je heilzame raad geven. En als je naar Mij wilt luisteren, word je een geheel schone maagd.
Want als je schoon wilt zijn in de ogen van God, zodat al je werken Hem behagen en Hij zegt: “Je gebed behaagt Mij; alles wat je zegt, doet en denkt, behaagt Mij!”, ga dan zo te werk: “hoor … en zie, en neig uw oor.” Dan word je helemaal schoon, van top tot teen. Heb je gehoord en gezien? Heb je je eigen gerechtigheid, de hele wet, alle overleveringen en al dat monnikenwezen vergeten en heb je geloofd? Dan ben je schoon. Niet door je eigen schoonheid, maar door de schoonheid van de Koning, Die je met Zijn Woord heeft getooid. Want daarmee heeft Hij je Zijn gerechtigheid, Zijn heiligheid, waarheid en kracht gebracht, en alle gaven van de Heilige Geest …
De Heilige Geest gebruikt de meest verheven taal. “Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid” betekent: door dit geloof beweeg je Hem om te doen wat je verlangt. Alsof de kracht van de liefde Hem drijft, zal Hij je uit Zichzelf volgen, bij je blijven en Zijn woning bij je nemen. Want waar God Zijn Woord heeft gegeven, laat Hij het werk dat Hij in je begonnen is niet liggen. Eerst laat Hij de verzoekingen van de wereld, de duivel en het vlees over je komen, zodat Hij daardoor aan je kan werken.
Dit zijn Zijn omhelzingen, waarmee Hij Zijn bruid omarmt uit ongeduld van liefde … De som van het geheel is dus: onze schoonheid zit niet in onze eigen deugden. Ze zit ook niet in de gaven die wij van God hebben ontvangen, waarmee wij deugden voortbrengen en alles doen wat bij het leven onder de wet hoort. Ze zit hierin: dat wij Christus vastgrijpen en in Hem geloven. Dan zijn we werkelijk schoon. En alleen op déze schoonheid let Christus, op geen enkele andere. — Maarten Luther.
Vers 12
In deze psalm wordt Christus getoond in al Zijn koninklijke majesteit. Toch staat er dat Hij veel lust heeft in de schoonheid van Zijn koningin, dat wil zeggen in de genaden van de heiligen. En het is geen gewoon behagen: Hij “zal … lust hebben” (Engels: zal veel lust hebben). Zijn verlangen groeit naarmate haar schoonheid groeit. Dat wordt hier immers aangevoerd als reden voor haar om heiliger te worden en meer op Hem te lijken, “om haar oor te neigen en het huis van haar vader te vergeten”. “Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid.” Christus heeft een schoonheid die Hem behaagt, net zoals wij die hebben, al is het een andere soort.
Daarom houdt Hij niet op voordat Hij elke vlek en rimpel van het gezicht van Zijn bruid heeft weggehaald. De apostel zegt het zo (Ef. 5:27): “opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen”, dat wil zeggen bekoorlijk en behaaglijk in Zijn ogen. — Thomas Goodwin.
Vers 13
“En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.” De dochters van Tyrus zijn de dochters van de heidenen; het deel staat hier voor het geheel. Tyrus lag vlak bij het land waar deze profetie werd uitgesproken. De stad staat voor de volken die in Christus zouden gaan geloven. Vandaar kwam die Kananese vrouw, die eerst een hond werd genoemd. Het evangelie zegt dat uitdrukkelijk, zodat je weet dat zij van daar was (Matth. 15:21-28): “En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon. En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende”, en dan volgt de rest van het verhaal.
In het huis van haar “vader” en onder haar “eigen volk” was zij eerst niet meer dan een hond. Maar ze kwam tot die “Koning”, riep naar Hem en werd door haar geloof in Hem schoon gemaakt. Wat kreeg zij toen te horen? “O vrouw! groot is uw geloof.” “Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid.” — Augustinus.
Vers 13
“Met geschenk.” Mensen die hun bezit verkochten, kwamen met geschenken om de gunst van deze “koningin” te zoeken en “legden dien aan de voeten der apostelen”. Wat was de liefde in de kerk toen warm, en wat gaven ze gul! — Augustinus.
Vers 13
“De rijken.” Rijk in genade zijn zij wier genaden niet door rijkdom worden gehinderd. Hun ziel gedijt wanneer hun lichaam gedijt, zoals de apostel Johannes zegt in zijn derde brief. Of het zijn mensen die, zoals dit vers profeteert, vol zijn van wereldse zegeningen en toch hongerig en vurig blijven in hun zoeken naar Christus. “En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken”, zegt de psalmist. Dat wil zeggen: ze smeken om de gunst van Christus Zelf, of om de gunst van de kerk, vanwege die geestelijke voortreffelijkheid en innerlijke heerlijkheid die zij van Christus heeft ontvangen. Het is een zeldzaam gezicht, en een bijzonder werk van genade, als rijken hun geschenken brengen en — dat is hier vooral bedoeld — zichzelf aan Christus overgeven. — Joseph Caryl.
Vers 14
“Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig”, enzovoort. Wanneer Gods kinderen zich hun heerlijke, hemelse afkomst herinneren, doen ze hun best anderen te overtreffen, in de schone gesteldheid van hun ziel en in hun manier van leven. De dochter van de Koning is de dochter van de hemelse Vader, die ook de bruid is van de Zoon van de Koning. Elke gelovige ziel is “geheel verheerlijkt”. Ze is getooid met een heiligheid die niet alleen haarzelf siert, maar ook de Vader en de Bruidegom tot eer is, en die het begin is van hemelse heerlijkheid.
Dat geldt vooral “inwendig”. Niet alleen als ze zich buiten laat zien en voor de ogen van mensen staat, maar ook als ze in het binnenste slaapvertrek zit en zich verborgen oefent in het geloof. Daar behaagt ze in het verborgene de Vader en de Bruidegom. Zij letten op de inwendige mens, en die probeert zij boven alles rein en kuis te bewaren.
Haar kleding is van goud. Vergeleken daarmee is alle voortreffelijkheid die natuurlijke mensen ooit bezaten niet meer dan glinsterende ijdelheid. Het was zelfs gouden borduursel, kunstig versierd met allerlei gelijkenissen, dat de volmaaktheden van God Zelf uitbeeldt. Het is veelkleurig, vanwege de verschillende maar harmonisch samenklinkende genaden van de Heilige Geest. Of het is naaldwerk van Frygische borduurders, of liever het werk van de kunstzinnige meester, genoemd in Hoogl. 7:2.
De bruid is niet alleen van binnen mooi, maar ook van buiten. Omdat zij “het woord des levens” voorhoudt (Fil. 2:16), doet ze liefdadigheid, verheerlijkt ze Christus en sticht ze haar naaste. Zo wordt ze naar de Koning geleid, waardig om aan Hem voorgesteld te worden. Dit is de enige weg waarlangs wij vertrouwelijke omgang met Hem moeten zoeken, en de zoetste gemeenschap van kuise liefde, op aarde en in de hemel. — Hermann Witsius, 1636-1708.
Vers 14
“Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig.” De bedoeling is ofwel (1) dat haar grootste heerlijkheid hierin lag, dat zij tot zo’n vertrouwelijke omgang met de koning was toegelaten; of (2) dat zij in haar grootste heerlijkheid was toen zij in de binnenste vertrekken van het paleis van de koning zat, want die vertrekken waren het prachtigst ingericht, met allerlei praal en schitterend meubilair; of (3) dat zij gewoon was zich schitterend te kleden, niet alleen als zij zich in het openbaar vertoonde, maar ook als zij binnen bleef. Zij was immers (en dat kan erin besloten liggen) alleen getooid tot genoegen van de koning, en niet opdat anderen naar haar zouden staren; of (4) — en dat bevalt mij het best — dat de innerlijke deugden en gaven van haar geest haar grootste sieraad en heerlijkheid waren. — Arthur Jackson.
Vers 14
“Geheel verheerlijkt inwendig.” Heiligen moeten stralen door de bevalligheid van Christus. Een goede echtgenoot probeert zijn vrouw met vriendelijkheid, aanwijzingen en voorbeeld te vormen naar zijn eigen beeld en gelijkenis, zodat hij nog meer plezier aan haar heeft. Zo verandert onze geestelijke Salomo de kleur van Zijn Egyptische koningin. Ze gaat over dingen en mensen oordelen zoals haar Heere en Echtgenoot erover oordeelt. Hij vormt haar geest zo dat ze vreugde vindt in het doen van Zijn wil en welbehagen, en de hoogste troost put uit gehoorzaamheid. Zo geniet ze al een hemelse vrijheid, vermengd met beminnelijk en blij ontzag.
Hij rukt uit haar hart alle wispelturige gevoelens, alle wereldse inbeeldingen en hunkerende verlangens naar de dwaze mode van Sichem, alle vleselijke neigingen tot de dochters van het geslacht van Kanaän en alle bedelaarsachtige grillen van de bedwelmde wereld. Hij leert haar met heilige minachting voorbij te gaan aan alle zielige praal van dit vergankelijke, verwelkende leven, en weinig waarde te hechten aan de snuisterijen en beuzelarijen die een vleselijk hart betoveren. Ten slotte komt zij tot een edel, grootmoedig oordeel: ze acht alles drek en vuilnis, om Christus te winnen. Haar Vorst des levens werd door de wereld gekruisigd om haar te verlossen.
Zo begint zij voor de wereld gekruisigd te worden, als teken dat zij Hem gelijkvormig is. En zo wordt zij ten slotte “geheel verheerlijkt inwendig”. — Samuel Lee, in “The Triumph of Mercy”, 1676.
Vers 14
“Inwendig.” De ark werd van binnen met dezelfde pek bestreken als van buiten. Zo is ook de oprechte mens van binnen en van buiten gelijk: binnenkant en buitenkant, alles één. Ja, hij is eerder beter dan hij zich voordoet. Dat gold ook voor des Konings dochter. Haar buitenkant was soms misschien een zak, maar zij was geheel verheerlijkt inwendig, met inwendige klederen van gouden borduursel. Denk ook aan de tempel: van buiten zag je niets dan hout en steen, maar van binnen was alles rijk en schoon. Vooral het heilige der heiligen, het binnenste van de tempel, was (zodra het voorhangsel was weggetrokken) helemaal goud. Zelfs de vloer was, net als het dak, met goud overtrokken. 1 Kon. 6:30. — John Sheffield.
Vers 14
“Haar kleding is van gouden borduursel.” Sommigen lezen hier: gevlochten werk, dat wil zeggen fijn weefwerk of gouden omsluitingen, geëmailleerd goud waarin kostbare stenen waren gezet, buitengewoon schitterend en prachtig. Zulke waren de dienstkleren in de tabernakel en de kleding en mantels van de hogepriester. Zij waren een schaduw van de gerechtigheid van Christus. Ex. 28:11-14; Ex. 39:1-6. — William Troughton.
Vers 14
Rond die tijd werd Vader La Combe gevraagd om bij een openbare gelegenheid te preken. De nieuwe leer, zoals men die noemde, was geen geheim meer. De nieuwsgierigheid onder de mensen was gewekt. Hij koos als tekst Ps. 45:14: “Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.” Met de Koning bedoelde hij Christus, met des Konings dochter de kerk. Zijn leer was kort gezegd deze: wat er ook waar mag zijn over het oorspronkelijke bederf van de mens, wie echt aan Christus gegeven is en in volkomen harmonie met Hem leeft, is daarvan verlost.
Zij zijn dus geheel verheerlijkt inwendig. Net als Christus hebben ze God lief met een liefde zonder zelfzucht, een zuivere liefde. Net als Christus zijn ze gekomen om de wil van de Vader te doen. Christus is in hen gevormd. Ze hebben niet alleen geloof in Christus en door Christus geloof in God. Als gevolg van dat geloof hebben ze ook de gezindheid van Christus. Ze zijn nu zover dat ieder van hen persoonlijk kan zeggen met de woorden van de apostel Paulus: “Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.”
Hij hield niet vol dat alle christenen noodzakelijk zo ver zijn gekomen in deze gevorderde christelijke ervaring. Wel probeerde hij aan te tonen dat dit een mogelijke toestand is. Hoe hevig het menselijk bederf ook is, de genade van God heeft de macht om het te overwinnen. Het voorbeeld van Christus, de rijke en volle beloften en zelfs de geboden geven moed tot inspanning en vertrouwen op de uiteindelijke overwinning. — Uit het “Life, Religious Opinions and Experience of Madame de la Mothe Guyon”.
Vers 15
De jonge dochteren, die achter haar zijn, haar medegezellinnen, zullen tot u gebracht worden. Zelfs de beste en meest gevorderde christen kan nooit zeggen: ‘Ik heb u niet nodig.’ Geen enkele ware gezellin van de koningin zal ontbreken, want zij hebben elkaar nodig. Met de kerk van Christus, Zijn geheimvolle lichaam, is het net als met ons eigen lichaam. Alle leden passen precies in elkaar en worden samengehouden door wat elk gewricht aanreikt. Elk deel doet zijn werk, in zijn eigen maat, en zo groeit het lichaam en bouwt zichzelf op in liefde. Ef. 4:16; Kol. 2:19. — William Troughton.
Vers 15
De jonge dochteren, die achter haar zijn, haar medegezellinnen. Dit zijn leden van de kerk zelf. Maar het beeld van een bruidsstoet helpt ons het verhaal voor ons te zien. Wat een schitterende stoet zal de koninklijke bruid om zich heen hebben als ze de Bruidegom tegemoet gaat! Er zijn koningsdochters bij, want elke gekroonde op aarde zal ooit knielen aan de voet van het kruis. Ook de dochter van Tyrus komt. Tyrus, de eeuwenoude handelsstad van de volken, laat zien dat alle handel van de wereld ten slotte heilig zal zijn voor de HEERE. De koningen van Scheba en Seba brengen geschenken. Joden en heidenen zijn er, afgevaardigden van alle volken, talen en naties.
Het zijn maagden. Ze blijven schoon in een bevlekte wereld. Ze hebben afstand gedaan van haar afgoden en deinzen terug voor haar vuil. Hun eerste zorg is hun ziel wit te houden, door zich elke dag te wassen in het bloed van het Lam … Ze volgen de koninklijke bruid, trouw en onafgebroken. Ze blijven aan haar zijde, bij storm en bij zonneschijn. Ze volgen haar in de wedergeboorte en op haar zoektocht naar haar Beminde. Hoogl. 3:2-3. Ze volgen haar naar groene weiden en stille wateren. Ze volgen haar naar buiten, de legerplaats uit, en dragen daar Zijn smaad. Zoals Ruth laten ze vader en moeder achter om haar te volgen. Ruth 1:16. Zoals Kaleb volgen ze de HEERE helemaal.
Wanneer het erop aankomt en de oproep “Wie den HEERE toebehoort, kome tot mij!” veel van mensen vraagt, vliegen halfslachtige belijders weg als zwaluwen voor de storm. Dan blijven zij bij haar. Wanneer er vervolging komt en Christus’ trouwe getuigen in zak en as moeten profeteren, en misschien door een doop van bloed heen de kroon moeten halen, blijven ze bij haar. Zo ging het ook met Peden. De bloedhonden van de vervolging joegen op hem en de eenzame heide was zijn thuis. Hij dacht aan Richard Cameron, die al in de heerlijkheid was, en zuchtte: “O, bij Richie te zijn!” — Duncan Macgregor, M.A., in “The Shepherd of Israel; or, Illustrations of the Inner Life”, 1869.
Vers 16
Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging. Geen enkel huwelijk is ooit gesloten met zo’n zegevierende pracht als het huwelijk van Christus met de gelovigen in de hemel. Bij de Joden heette een bruiloftshuis bethillulah, het huis van lof. Daar was aan alle kanten blijdschap. Maar niets haalt het bij de blijdschap in de hemel, wanneer de gelovigen, de bruid van Christus, daar worden binnengeleid.
God de Vader zal Zich verheugen, want Hij ziet het heerlijke plan van Zijn liefde gezegend voltooid. Jezus Christus, de Bruidegom, zal Zich verheugen, want Hij ziet de vrucht van het werk van Zijn ziel: de gezegende geboorte na al Zijn bittere weeën en angsten. Jes. 53:11. De Heilige Geest zal Zich verheugen, want het heiligingswerk dat in Zijn hand was gelegd, is af en volmaakt (2 Kor. 5:5). Hij ziet zielen die Hij eens als ruwe stenen vond, nu stralen als gladde, gepolijste stenen in de geestelijke tempel. Engelen zullen zich verheugen. Hun vreugde was groot toen de eerste steen van dit plan werd gelegd, bij de menswording van Christus (Luk. 2:13).
Hoe groot moet die dan zijn als de sluitsteen onder gejuich op zijn plaats komt en ze roepen: Genade, genade! De heiligen zelf zullen onuitsprekelijk juichen wanneer ze het paleis van de Koning binnengaan en voor altijd bij den Heere zijn. 1 Thess. 4:17. Ja, werkelijk, overal zal vreugde zijn, behalve bij de duivels en de verdoemden. Zij zullen hun tanden knarsen van afgunst over de eeuwige verheffing en heerlijkheid van de gelovigen. — John Flavel.
Vers 16
Zij zullen geleid worden. Lezer, vergeet vooral niet op te merken hoe dit gezegd wordt: de kerk wordt gebracht, ze komt niet uit zichzelf. Nee, ze moet overtuigd worden, bekeerd, gewillig gemaakt. Niemand kan tot Christus komen als de Vader, Die Christus gezonden heeft, hem niet trekt. Joh. 6:44. — Robert Hawker, D.D.
Vers 16
Zij zullen ingaan in des Konings paleis. In deze psalm worden twee rijke paleizen genoemd. Het eerste is een ivoren paleis (Ps. 45:9). Daarmee worden de samenkomsten van de heiligen en de ordening van de eredienst bedoeld, waar de HEERE Zich genadig laat zien. Hier is de tegenwoordigheid van de HEERE zoet en lieflijk. Hoogl. 1:8; Ps. 84:2. Het andere “paleis” staat in dit zestiende vers. Dat is een paleis van heerlijkheid, helderder en schitterender dan de mooiste woningen van het fijnste goud. Joh. 14:2. — William Troughton.
Vers 17
In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn. O kerk van God, denk niet dat je verlaten bent omdat je Petrus niet ziet en Paulus niet ziet, de mensen door wie je geboren bent. Uit je eigen kinderen is voor jou een hele schare “vaders” opgestaan. — Augustinus.
Vers 17
Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde. Dit nieuwe huwelijksverbond is heerlijk voor de Koning. Hij had veel glorieuze, koninklijke voorouders, tot Isaï toe. Maar nu krijgt Hij, de eeuwige Koning, zonen die als dauw uit de moederschoot van de dageraad komen (Ps. 110:3). Zij zullen als vorsten op de tronen van de wereld zitten. Dat had onze Heere Zijn discipelen al beloofd: “Voorwaar, Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israels.” Matth. 19:28. En Paulus zegt: “Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen?” 1 Kor. 6:2. — Augustus F. Tholuck.
Vers 17
Tot vorsten … over de ganse aarde. Anderen zijn maar vorst in hun eigen land, maar Hij maakt jou tot vorst in alle landen … Zo’n koninkrijk wacht je, als je tot Christus wilt komen. Je krijgt de vrijheid van koningen, hun overvloed en rijkdom, hun macht, hun overwinning en hun heerlijkheid. — John Preston.
Vers 18
Daarom zullen U de volken loven. Christus verloofde Zich met een kerk. Van eeuw tot eeuw brengt Hij door Zijn Woord en Geest steeds meer mensen bij haar samen. Hij bekeert zielen, haalt ze binnen in Zijn gezin en geeft hun, waar ze ook wonen, een vorstelijke geest en vorstelijke gevoelens. Dat alles is een bron van groeiende, eeuwige heerlijkheid voor Zijn majesteit. Met het oog hierop, en op alles wat eerder in deze psalm is gezegd, staat er als besluit: Daarom zullen U de volken loven. — David Dickson.
Vers 18
In de Hebreeuwse tekst, die hier wordt aangehaald, is aan het woord “eeuwig” een extra deeltje toegevoegd. Daarmee wordt een echte eeuwigheid bedoeld, zonder enige periode of einde. Daarom is het vertaald als “eeuwiglijk en altoos”. — William Gouge, D.D., over Hebr. 1:8.
Vers 18 (laatste zinsdeel)
“Als de morgen de hemel verguldt,
Roept mijn ontwakend hart:
Geprezen zij Jezus Christus.”
“Als de slaap zijn balsem mij ontzegt,
Zucht stil mijn geest:
Geprezen zij Jezus Christus.”
“In ’s hemels eeuwige zaligheid
Klinkt dit als liefelijkste zang:
Geprezen zij Jezus Christus.”
“Tot God het Woord, daar in de hoge,
Roept heel het engelenheir:
Geprezen zij Jezus Christus.”
“Laat ook wie sterflijk is zijn stem
Verheffen in een loflied:
Geprezen zij Jezus Christus.”
“Laat heel de wijde aarde rond
In blijde tonen weerklinken:
Geprezen zij Jezus Christus.”
“Laat lucht en zee en hemel
Van diep tot hoog antwoorden:
Geprezen zij Jezus Christus.”
“Dit zij, zolang ik leven mag,
Mijn heilig lofgezang:
Geprezen zij Jezus Christus.”
“Dit zij het eeuwig lied
Door alle eeuwen heen:
Geprezen zij Jezus Christus.”
— Vertaald door Edward Caswall, in “Poems”, 1861.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 2
In de inleiding prijst de profeet het onderwerp aan dat hij gaat behandelen, en maakt hij duidelijk: 1. Dat het een goede zaak is. Goed, omdat het gaat over de Zoon van God, Die het hoogste goed is.
- Dat het goed is voor ons, want ons heil hangt af van het huwelijk van Christus met Zijn kerk. — Bisschop Nicholson.
Vers 2
Karakter, af te lezen aan wat het hart schrijft.
- De ware liefhebber van Christus is oprecht — mijn hart?
- Hij is een man met gevoel.
- Een man die graag stilstaat bij heilige zaken.
- Een man met ervaring — dingen die ik gemaakt heb.
- Een man die van zijn Heere getuigt.
Vers 2
Drie dingen zijn nodig om christelijk te kunnen onderwijzen:
- De inhoud moet goed zijn, en gaan over het beste onderwerp van allemaal: de Koning.
- De taal moet vlot zijn als de pen enzovoort — (a) Deels van nature, (b) Deels door oefening, (c) Deels door de Geest van God.
- Het hart moet er helemaal in opgaan — Mijn hart borrelt over van een goed woord. — G. R.
Vers 3
Waarin Jezus mooier is dan de beste van de mensen.
Vers 3
Jezus — Zijn persoon, Zijn evangelie, Zijn volheid van zegen.
Vers 3
- We mogen en moeten Christus prijzen. Engelen doen dat, God doet dat, de Schrift doet dat, en ook de heiligen uit het Oude en Nieuwe Testament. Dan horen ook wij dat te doen, en wel van harte. Het is het werk van de hemel, dat al op aarde begint.
- Waarom moeten we Hem prijzen? (a) Om Zijn schoonheid. Is wijsheid mooi? Is gerechtigheid dat? Is liefde dat? Is zachtmoedigheid dat? In Hem vinden we ze allemaal in de hoogste mate — “Alle schoonheid, menselijk en goddelijk, komt in onze Verlosser samen en straalt in Hem.” (b) Om Zijn genade. Genade van God, in Hem opgehoopt. (c) Om Zijn zaligheid — van God en voor eeuwig. — G. R.
Verzen 3-6
Hier wordt de Heere Jezus ons voor ogen gesteld: 1. Als bijzonder beminnelijk in Zichzelf.
- Als de grote lieveling van de hemel.
- Als overwinnaar van Zijn vijanden.
— Matthew Henry.
Verzen 4-6
De overwinning van de Messias, aangekondigd en ingeroepen. — Preek van E. Payson.
Vers 6
- Pijlen van de toorn van de Rechter zijn scherp.
- Pijlen van zorgende goedheid zijn nog scherper.
- Pijlen van overwinnende genade zijn het scherpst van alle. De koker van de Almachtige zit vol met deze pijlen. — G. R.
Vers 6
Pijlen — wat ze zijn, werkelijk; van wie ze zijn; wie ze raken; waar ze raken; wat ze doen; en wat daarna komt.
Vers 7
De God, de Koning, Zijn troon, de duur ervan, Zijn scepter. Laten we aanbidden, gehoorzamen, vertrouwen, ons neerleggen bij Zijn wil en ons verheugen.
Verzen 7-8
Heerschappij, Eeuwigheid, Rechtvaardigheid, Bevestiging, Verheuging.
Vers 8
U haat goddeloosheid. Hij haatte haar toen ze Hem aanviel bij Zijn verzoeking, Hij haatte haar bij anderen, sprak er Zijn afkeuring over uit, stierf om haar te doden en zal komen om haar te oordelen.
Vers 8
Christus’ liefde en Zijn haat.
Vers 9
Christus’ klederen — Zijn ambten, Zijn twee naturen, Zijn verordeningen, Zijn eerbewijzen: allemaal geuren ze.
Vers 9
Van waar zij U verblijden. Wij verblijden Jezus door onze liefde, onze lof, onze dienst, onze gaven, onze heiligheid en onze omgang met Hem.
Vers 9
- De geur van Zijn klederen: niet van bloed en strijd, maar van zoet reukwerk.
- De pracht van Zijn paleizen — ivoor, vanwege zijn zeldzaamheid, zuiverheid, duurzaamheid enzovoort.
- De bron van Zijn vreugde. (a) Hijzelf, de zoete geur van Zijn eigen genaden. (b) Zijn volk, de geur van hen die behouden worden. (c) Zijn vijanden, “in degenen, die verloren gaan”. (d) Alle heilige, gelukkige schepselen die samen Hem blij willen maken. — G. R.
Verzen 10-11
De familie van de Bruidegom moet de bruid in gedachten houden, haar eigen familie moet ze vergeten.
Vers 11
“Christus, de beste echtgenoot: of een ernstige uitnodiging aan jonge vrouwen om te komen en Christus te zien.” — George Whitefield, “Sermon, Preached to a Society of Young Women, in Fetter Lane”.
Vers 12
Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid. Christus Die Zich innig verheugt in de schoonheid van de rechtvaardigen. — Maarten Luther. (Select Works, door H. Cole. I. 281.)
Verzen 14-16
- De nieuwe naam van de bruid — “Des Konings Dochter.” Ze is des Konings dochter om twee redenen: (a) Ze is uit God geboren; en (b) ze is verloofd met de Zoon van God.
- Het karakter van de bruid — “Geheel verheerlijkt inwendig.” (a) Omdat Christus regeert op de troon van haar hart. (b) Omdat ze de tempel is van de Heilige Geest.
- Het bruidsgewaad — “gouden borduursel”, “gestikte klederen”: dat is de gerechtigheid van Christus, anders gezegd Zijn volmaakte gehoorzaamheid en Zijn verzoenende dood.
- De gezellinnen van de bruid — “Jonge dochteren, die achter haar zijn.”
- De thuiskomst van de bruid — “In gestikte klederen zal zij tot den Koning geleid worden … Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging; zij zullen ingaan in des Konings paleis.” (a) Ze zal de Koning zien in Zijn schoonheid. (b) Voor alle werelden wordt openlijk verklaard hoe Hij haar liefheeft. — Duncan Macgregor, M.A.
Vers 18
- Christus is het genoegen van de Vader. “Ik zal Uws Naams doen gedenken” enzovoort.
- Hij is het thema van de kerk — Zijn naam zal gedenkwaardig zijn; en 3. Hij is de heerlijkheid van de hemel, “zullen U de volken loven” enzovoort. — G. R.
Werken over de vijfenveertigste psalm
Uitleg van Psalm XLV, in de werken van John Boys, deken van Canterbury. 1638. Folio-uitgave, blz. 920-931.
The Mystery of the Marriage Song, and Mutual Spiritual Embraces between Christ and his Spouse, opened as an Exposition with practical notes and observations on the whole Forty-fifth Psalm. Van W. Troughton, dienaar van het Evangelie. 1656.
In “Christ set forth in all types, figures, and obscure places of the Scripture”, van Richard Coore, 1683, staat een uitleg van deze psalm.
A Treatise of Solomon’s Marriage; or, a Congratulation for the happie and hopeful Marriage betweene the most illustrious and Noble Prince, Fredericke the V. Count Palatine of Rhine … and the most gratious and excellent Princisse, the Lady Elizabeth, sole daughter unto the high and mighty Prince James, by the grace of God, King of Great Britain, France, and Ireland. Joyfully solemnized on the 14th day of February, 1612 … (Over Ps. 45:11-17. Van Andrew Willet.)
The Bride Royall; or, the Spirituall Marriage betweene Christ and his Church. Delivered by way of congratulation upon the happy and hopeful marriage betweene the two incomparable Princes, the Palsegrave, and the Ladie Elizabeth. In a sermon … Van George Webbe. 1613 … (Over Ps. 45:14-16.)
Psalm XLV applied to Messiah’s First Advent, en Psalm XLV applied to Messiah’s Second Advent, blz. 242-341 van The Anointed Saviour set forth as the Principal Object of Saving Faith. Van Eerw. David Pitcairn. 1846.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas