Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 44 — Treasury of David

Titel
“Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.” (Engels: Maschil)
Dit opschrift lijkt sterk op dat van psalm 42. Dat bewijst nog niet dat dezelfde dichter beide psalmen schreef, maar het maakt het wel heel waarschijnlijk. Je hoeft geen andere schrijver te zoeken om een psalm aan toe te schrijven zolang David die kan hebben gemaakt. Daarom aarzelen we om dit heilige lied aan iemand anders toe te schrijven dan aan de grote psalmdichter. Toch kennen we nauwelijks een periode uit zijn leven waar dit lied echt bij past. Daarom moeten we ergens anders zoeken.
Misschien zingt hier een Israëlitische patriot uit kwade tijden. Vol geloof én verdriet bezingt hij de oude roem van zijn land en zijn pijn van nu. Hij vertelt over de gunsten uit vroeger tijd en over de zware ellende die zijn volk nu drukt. Wij als christenen kunnen deze psalm het best verstaan als het lied van de gemeente in een tijd van bijzonder zware vervolging. De laatste verzen doen denken aan de beroemde regels van Milton over het bloedbad onder de protestanten in de bergen van Piëmont. Dit lied past bij de stemmen van mensen die door genade zijn gered, de kinderen van Korach. Het staat vol onderwijzing, voor hen en voor alle anderen. Daarom draagt het de naam Maschil.
Indeling
In Psalm 44:2-4 horen we opnieuw over de machtige werken van de HEERE voor Israël. Ter herinnering daaraan spreekt de dichter zijn geloof in de HEERE uit, Psalm 44:5-9. Dan klinken de klaagtonen, Psalm 44:10-17. Daarna beroept het volk zich op zijn trouw aan God, Psalm 44:18-23. Tot slot smeekt de dichter de HEERE om in te grijpen, Psalm 44:24-27.
Uitleg
Vers 2
“O God! wij hebben het met onze oren gehoord.” Over Uw machtige daden werd overal gepraat. We hebben Uw beroemde werken niet alleen in boeken gelezen. We hebben er ook over horen vertellen in de gewone gesprekken van het volk. Bij de gelovige Israëlieten werd de geschiedenis van hun volk met grote zorg en nauwkeurigheid mondeling doorgegeven. Die manier van doorgeven heeft zijn nadelen. Toch maakt ze zeker meer indruk op ons hart dan welke andere manier ook. Wat we met onze oren horen, raakt ons dieper dan wat we met onze ogen lezen.
Laten we dat goed onthouden, ook voor onszelf, en elke kans grijpen om het evangelie van onze Heere Jezus ook met de mond, viva voce, bekend te maken. Dat is de meest doeltreffende manier om iets door te geven, want een levend woord blijft hangen.
De woorden “met onze oren gehoord” kunnen wijzen op het plezier waarmee ze luisterden, op hun grote belangstelling en op het persoonlijke van dat horen. Ze kunnen ook wijzen op de levendige herinnering aan dit spannende verhaal dat hun ziel zo raakte. Veel mensen hebben oren en horen toch niet. Gelukkig zijn zij die oren hebben én hebben leren luisteren.
“Onze vaders hebben het ons verteld.” Betere verhalenvertellers konden ze niet hebben. Schoolmeesters zijn prima, maar vrome vaders zijn, van nature en door genade, de beste leraren van hun zonen. Die heilige taak kunnen ze ook niet aan een ander overlaten. Het is te vrezen dat veel kinderen van belijdende ouders voor God maar weinig kunnen aanvoeren van wat hun vaders hun hebben verteld. Als vaders over het geloof niet met hun kinderen durven praten, hoeven ze zich dan te verbazen dat het hart van die kinderen aan de zonde vastzit?
Elk vrij volk zit graag rond de haard om de heldendaden van zijn voorouders na te vertellen, “in de dappere dagen van weleer”. Zo maakte ook Gods volk onder het oude verbond de sfeer thuis vrolijk door aan tafel de wonderlijke daden van de HEERE, hun God, te vertellen. Gesprekken over het geloof hoeven niet saai te zijn. Dat konden ze ook niet zijn als het, zoals hier, meer over feiten dan over meningen ging.
“Gij hebt een werk gewrocht in hun dagen, in de dagen van ouds.” Ze begonnen met wat hun eigen ogen hadden gezien. Daarna gingen ze over op de verhalen uit hun jeugd. Let op: het belangrijkste in de geschiedenis die van vader op zoon werd doorgegeven, was het werk van God. Dat is de kern van alle geschiedenis. Niemand kan geschiedenis goed beschrijven als hij het werk van de HEERE niet kent. Het is prachtig om de voetsporen van de HEERE te zien op de zee van wisselende gebeurtenissen. Het is prachtig om Hem te zien rijden op de storm van oorlog, pest en hongersnood.
En het is het mooist om Zijn onveranderlijke zorg voor Zijn uitverkoren volk te zien. Wie heeft geleerd God in de geschiedenis te herkennen, heeft een goede les van zijn vaders geleerd. Geen kind van gelovige ouders mag onwetend blijven over zo’n heilige kunst.
Een volk dat zo is opgevoed als Israël, met een geschiedenis die zo wonderlijk is als de hunne, had altijd een argument klaar als het God in zijn nood om hulp vroeg. Want Hij Die nooit verandert, geeft in elke daad van genade een onderpand van de barmhartigheid die nog moet komen. Wat we in het verleden hebben beleefd, is een krachtig pleidooi voor hulp nu.
Vers 3
“Gij hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven.” Hier wordt het werk herdacht waarmee de Kanaänieten uit het beloofde land werden verdreven. Dat volk was talrijk, oorlogszuchtig, reusachtig en dapper, stevig gevestigd en sterk versterkt. Toch werd het verjaagd door een veel zwakker volk, omdat de HEERE in de strijd tegen de Kanaänieten was. Uit de Schrift weten we dat God een plaag stuurde (zodat het land zijn bewoners opat) en ook horzels op de Kanaänieten afstuurde. Op andere manieren brak Hij hun moed. De makkelijke overwinningen van Jozua waren dus alleen het gevolg van wat God van tevoren al tegen dat afgodische volk had gedaan.
“Maar henlieden geplant.” De stammen van Israël werden geplant op de plaatsen die eerst door de heidenen waren bezet. Hevieten en Jebusieten werden uit hun steden gejaagd om ruimte te maken voor Efraïm en Juda. De grote Wonderdoener rukte de eiken van Basan met wortel en tak uit. In hun plaats plantte Hij Zijn eigen uitverkoren “wijngaard van roden wijn”.
“Gij hebt de volken geplaagd.” Die veroordeelde volken werden met oordelen en plagen gekweld. Met vuur en zwaard werden ze achtervolgd tot de dood, tot ze allemaal verdreven waren en de vijanden van Israël ver weg waren verbannen.
“Henlieden daarentegen doen voortschieten.” (Engels: en hebt ze uitgeworpen) Dit slaat hoogstwaarschijnlijk op Israël en moet gelezen worden als: “hebt ze doen toenemen”. Hij Die Zijn vijanden aan het schrikken maakte, glimlachte naar Zijn vrienden. Over de goddeloze volken liet Hij Zijn wraak komen, maar voor de uitverkoren stammen bewaarde Hij Zijn barmhartigheid. Wat is barmhartigheid mooi als ze naast de gerechtigheid staat! Helder straalt de ster van de genade in de nacht van Gods toorn! Het is een ernstige gedachte dat Gods grote liefde haar tegenhanger heeft in de grootte van Zijn verontwaardiging. De barmhartigheid die Israël kreeg, weegt op tegen de geweldige wraak die duizenden Amorieten en Hethieten met de scherpte van het zwaard naar de hel veegde.
De hel is zo diep als de hemel hoog is. Het vuur van Tofet brandt even eeuwig als de gloed van de hemelse heerlijkheid. Gods macht laat zich zien in daden van barmhartigheid én van gerechtigheid. In benauwde tijden moeten we die macht voor ogen houden als steun voor ons wankelende geloof.
Vers 4
“Want zij hebben het land niet geerfd door hun zwaard.” Kijk hoe alleen de HEERE hier groot wordt gemaakt, toen Hij Zijn volk bracht naar het land dat overvloeit van melk en honing! In Zijn bijzondere genade had Hij een verschil gemaakt tussen Kanaän en Israël. Daarom werkte Hij met Zijn eigen krachtige macht voor Zijn uitverkorenen en tegen hun tegenstanders. De stammen vochten voor hun erfdeel, maar hun succes was helemaal te danken aan de HEERE, Die met hen meewerkte. De krijgers van Israël zaten niet stil. Maar hun moed kwam op de tweede plaats, na dat geheimzinnige werk van God waardoor de muren van Jericho vielen en de heidenen het hart in de schoenen zonk.
Alle mannen die wapens konden dragen, werden ingezet, met al hun krachten. Maar zonder hulp van God was dat allemaal tevergeefs geweest. Daarom krijgt de HEERE alle eer, en dat is ook terecht.
Deze tekst is ook een mooie gelijkenis van het werk van de zaligheid. Mensen worden niet gered zonder gebed, berouw en dergelijke. Maar geen van die dingen redt een mens. De zaligheid komt helemaal van de HEERE. Kanaän werd niet veroverd zonder de legers van Israël. Maar het is net zo waar dat zíj het niet hebben veroverd. De HEERE was de overwinnaar en het volk was slechts een werktuig in Zijn hand.
“En hun arm heeft hun geen heil gegeven.” Ze konden hun gedenkwaardige overwinningen niet aan zichzelf toeschrijven. Hij Die zon en maan voor hen liet stilstaan, verdiende al hun lof. Zowel hun wapens als hun eigen kracht worden hier uitdrukkelijk afgewezen. Zo laat de dichter ons zien hoe snel mensen een succes aan bijkomende oorzaken toeschrijven.
“Maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts.” Gods hand streed daadwerkelijk voor hen. Zijn arm ondersteunde hen met een kracht die groter was dan een mens kan opbrengen. Zijn glimlach vulde hen met onverschrokken moed. Wie zou niet winnen met zo’n drievoudige hulp, ook al kwamen aarde, dood en hel in oorlog tegen hem op? Wat maakte het uit hoe lang de zonen van Enak waren of hoe angstaanjagend hun ijzeren wagens? Het was allemaal niets, helemaal niets, toen Jehova opstond om Israël te wreken.
“Omdat Gij een welbehagen in hen hadt.” Hier ligt de bron van elke stroom van barmhartigheid. Gods vreugde in Zijn volk, Zijn bijzondere liefde, Zijn onderscheidende achting: dat is de hoofdveer die elk wiel van Zijn genadige voorzienigheid laat draaien. Israël was een uitverkoren volk. Vandaar hun overwinningen en de verstrooiing van hun vijanden. Gelovigen zijn een uitverkoren volk. Vandaar hun geestelijke zegeningen en overwinningen. Er was niets in het volk zelf dat hun succes kon verzekeren. Alleen de gunst van de HEERE deed het. Zo is het bij ons altijd, en zo zal het blijven. Onze hoop op eindelijke heerlijkheid mag niet rusten op iets in onszelf, maar op de vrije en soevereine gunst van de HEERE der heerscharen.
Vers 5
“Gij Zelf zijt mijn Koning, o God.” Ik ken Uw macht en genade maar al te goed. Daarom erken ik U blij als de soevereine vorst van mijn hart. Wie onder de machtigen is zo luisterrijk als U? Niemand haalt het bij U. Bij wie zou ik dan mijn hulde brengen of mijn hulp zoeken? God van mijn vaders in de oude tijd, U bent de vorst en leenheer van mijn ziel.
“Gebied de verlossingen Jakobs.” Naar wie moet een volk opkijken, als niet naar zijn koning? Het is zijn taak om hun oorlogen voor hen uit te vechten. Voor onze Koning is het zo gemakkelijk om al onze vijanden uiteen te drijven! O Heere, Koning der koningen, wat kunt U Uw volk gemakkelijk redden! Eén woord van U is genoeg. Geef maar het bevel, en Uw vervolgde volk is vrij.
Jakobs lange leven zat vol beproevingen en verlossingen. Zijn nakomelingen worden hier naar hem genoemd, alsof de dichter wil laten zien dat hun ervaringen lijken op die van hun grote voorvader. Wie de zegeningen van Israël wil winnen, moet de smarten van Jakob delen. Dit vers bevat een persoonlijke belijdenis en een voorbede. Wie het zekerst weet dat hij een eigen deel in God heeft, kan het best bidden. En wie de diepste zekerheid heeft dat de HEERE zijn God is, moet de eerste zijn om te pleiten voor de rest van het beproefde gezin van de getrouwen.
Vers 6
“Door U zullen wij onze wederpartijders met hoornen stoten.” De strijd was van heel dichtbij. Bogen hielpen niet meer en zwaarden waren van geen nut. Het kwam aan op dolken en op worstelen, man tegen man, duwen en trekken. De God van Jakob liet in het nageslacht van Jakob de worsteling van hun voorvader opnieuw gebeuren. En hoe ging het toen met het geloof? Kon het voet bij stuk blijven staan tegenover de vijand en zich staande houden? Ja zeker! Het kwam als overwinnaar uit de strijd. Want het geloof is sterk in het gevecht van heel dichtbij en werpt al zijn tegenstanders neer, omdat de HEERE zijn helper is.
“In Uw Naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan.” De Naam van de HEERE diende als wapen. Wie die Naam gebruikte, kon zich op zijn vijanden storten en hen met jubelende moed vermorzelen. In verbondenheid en gemeenschap met God doen heiligen wonderen. Als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Let goed op dat alle overwinningen van deze gelovigen “door U” en “in Uw Naam” zijn. Laten we dat nooit vergeten. Anders trekken we op eigen kosten ten strijde en lopen we een jammerlijke nederlaag op.
Laten we ook niet vervallen in de even gevaarlijke zonde van wantrouwen. De HEERE kan de zwaksten onder ons opgewassen maken tegen elke noodsituatie. Vandaag zijn we misschien schuchter en weerloos als schapen. Maar Hij kan ons door Zijn macht sterk maken als de eerstgeborene van Zijn rund. Hij kan ons laten stoten als met de hoorns van eenhoorns, tot degenen die tegen ons opstonden zo verbrijzeld en gekneusd zijn dat ze nooit meer opstaan. Mensen die uit zichzelf nauwelijks overeind blijven, maar als kleine kinderen waggelen en vallen, worden door goddelijke hulp in staat gesteld hun vijanden te overwinnen en hun voeten op hun nek te zetten. Lees maar over Christens gevecht met Apollyon en zie hoe
“Zo dapper stond die man zijn man,
Dat hij de boze op de vlucht joeg.”
Vers 7
“Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.” Uw volk Israël heeft onder Uw leiding de heidenen verdrongen en hun land gewonnen. Dat lukte niet door wapenkunst of sterke armen, maar door Uw macht alleen. Daarom geven wij voorgoed elk vertrouwen op uiterlijke zekerheden op, waar andere mensen zo mee pochen. We werpen ons op de almacht van onze God. Bogen waren pas door koning Saul ingevoerd. In de vroege geschiedenis van Israël golden ze als zeer geduchte wapens. Hier worden ze samen met het alles overwinnende zwaard opzijgelegd, zodat er ruimte komt voor geloof in de levende God.
Dit vers is geschreven in de ik-vorm. Het kan dienen als geloofsbelijdenis van elke gelovige die afstand doet van zijn eigen gerechtigheid en kracht en alleen naar de Heere Jezus kijkt. O, was er maar genade om vast te houden aan deze zelfverloochening! Want helaas, onze trotse natuur is maar al te geneigd haar vertrouwen te stellen op de opgeblazen en ingebeelde kracht van het schepsel. Arm van vlees, hoe durf ik je te vertrouwen? Hoe durf ik de vloek over mezelf af te roepen van hen die op mensen vertrouwen?
Vers 8
“Maar Gij verlost ons van onze wederpartijders.” In vroegere eeuwen hebben we al onze redding aan U te danken gehad, o God. Nooit hebt U ons in de steek gelaten. Uit elk gevaar hebt U ons gered.
“En Gij maakt onze haters beschaamd.” Met de rug van Uw reddende hand hebt U hun een oorvijg gegeven, zodat ze hun gezicht verborgen. U hebt hen zo verslagen dat ze zich schaamden: ze waren overwonnen door zulke nietige tegenstanders als ze de Israëlieten vonden. Let altijd op dit dubbele werk van God: Hij zegent Zijn volk en brengt Zijn vijanden in verwarring. Farao verdrinkt terwijl Israël door de zee trekt. Amalek wordt verslagen terwijl de stammen zich verheugen. De heidenen worden uit hun woningen verjaagd terwijl de zonen van Jakob rusten onder hun wijnstok en vijgenboom.
Vers 9
“In God roemen wij den gansen dag.” We hebben alle reden om dat te doen als we Zijn machtige daden vertellen. Wat een gezegend roemen is dit! Het is de enige vorm van roemen die te verdragen is. Al het andere manna kreeg wormen en ging stinken, behalve het manna dat voor de HEERE was weggelegd. Zo is ook al het andere roemen walgelijk, behalve dit roemen in de HEERE, dat lofwaardig en aangenaam is.
“En Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid.” Lof moet blijven doorgaan. Ook al waren er geen nieuwe daden van liefde, dan nog moet de HEERE geprezen worden voor wat Hij voor Zijn volk heeft gedaan. Laat het lied hoog opklinken als we denken aan de eeuwige liefde die ons uitkoos, ons voorbestemde tot zonen, ons vrijkocht met een prijs en ons daarna verrijkte met alle volheid van God.
Sela. Hier past een pauze, want we staan op het punt van de hoogste naar de laagste toon af te dalen. We horen niet langer de tamboerijn van Mirjam, maar het wenen van Rachel.
Vers 10
“Maar nu hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt.” Hier begint de vaderlandslievende dichter de vroegere glorie van de geschiedenis van zijn volk te stellen tegenover het verdriet en de nood van nu. Dat verdriet schrijft hij niet toe aan de dood van een menselijke aanvoerder, noch aan de wisselvalligheden van de oorlog, maar alleen aan het feit dat Israëls God Zich heeft teruggetrokken. Voor de treurende leek het alsof Jehova Zijn volk moe was geworden en het met afschuw van Zich had weggezet, zoals mensen melaatse kleren wegleggen omdat ze er een afkeer van hebben. Om Zijn ongenoegen te tonen had Hij Zijn volk tot bespotting van de heidenen gemaakt. Hun makkelijke overwinningen op Israëls grootste legers bedekten Israël met schande.
Wee een gemeente en een volk wanneer de HEERE Zich met de werkzame kracht van Zijn Geest van hen terugtrekt! Een grotere schande of droefheid hebben ze niet nodig. Hij zal Zijn volk niet voorgoed en volledig verstoten, maar menige gemeente is vanwege zonde overgelaten aan nederlaag en schande. Daarom moeten alle gemeenten heel waakzaam zijn, zodat hetzelfde hun niet overkomt. Armoede en nood brengen geen schande over een volk. Maar als de HEERE afwezig is, verliest een gemeente alles wat haar kan verheffen en veredelen.
“Dewijl Gij met onze krijgsheiren niet uittrekt.” Als de HEERE niet de leider is, wat hebben sterke bataljons dan voor zin? Vergeefs zijn de gezamenlijke inspanningen van de ijverigste werkers als Gods arm niet wordt geopenbaard. Mogen wij in onze gemeenten nooit hoeven te treuren dat de bediening, de zondagsschool, het zendingswerk, het huisbezoek en het straatpreken zonder hulp van God worden uitgevoerd. Als onze grote bondgenoot niet met ons meegaat, is onze nederlaag onvermijdelijk.
Vers 11
“Gij doet ons achterwaarts keren van den wederpartijder.” Wie beseft dat de HEERE hem heeft verlaten, verliest razendsnel zijn moed. Wie de HEERE niet voorop laat gaan, eindigt de strijd op de vlucht. “En onze haters beroven ons voor zich.” Na de nederlaag en de aftocht volgt de plundering. Het arme, verslagen volk betaalde een afschuwelijke prijs voor zijn nederlaag. Roof en moord legden het veroverde land in puin, en de indringers sleepten mee wat ze maar konden dragen van alles wat kostbaar was.
Ook in ons geloofsleven weten we wat het is om door onze vijanden te worden leeggeroofd. Twijfel en angst stelen onze troost, en vreselijke voorgevoelens plunderen onze hoop. En dat alles gebeurt omdat de HEERE, om redenen van Zijn wijsheid, het goed vindt ons een tijd aan onszelf over te laten. Wat een ellende voor een ziel die zich verlaten voelt! Geen ramp haalt het bij het verdriet van door God verlaten te zijn, al is het maar voor een kort ogenblik.
Vers 12
“Gij geeft ons over als schapen ter spijze.” Zoals schapen worden geslacht voor het vlees, zo werd dit volk bij hele kudden gedood, en dat gebeurde gemakkelijk en vaak. Ze werden niet gedood met de waardigheid van een offer, maar met de wreedheid van de slachtbank. Het leek wel of God hen prijsgaf als schapen die voor de slager zijn bestemd, en hen aan hun lot overliet zoals de huurling de kudde aan de wolven overlaat. Wat een bittere, welsprekende klacht!
“En Gij verstrooit ons onder de heidenen.” Velen werden als gevangenen meegevoerd, ver weg van de openbare eredienst in de tempel van God, om als ballingen te verkommeren te midden van afgodendienaars. Dit alles wordt aan de HEERE toegeschreven, alsof Hij het toeliet en het zelfs naar Zijn eigen besluit liet gebeuren. Het is goed om in ons verdriet Gods hand te zoeken, want die is er zeker.
Vers 13
“Gij verkoopt Uw volk om geen waardij.” Zoals een verkoper zijn waar meegeeft aan iedereen die haar wil hebben, zo leek de HEERE Zijn volk over te leveren aan elk volk dat tegen hen oorlog wilde voeren. Intussen was er in al Israëls ellende geen enkel goed gevolg te zien. Voor zover de dichter kon nagaan, kreeg de naam van de HEERE geen eer door het lijden van Zijn volk. Ze werden aan hun vijanden weggegeven alsof ze zo weinig waard waren dat ze zelfs de gewone slavenprijs niet opbrachten. En de HEERE leek er niet eens op uit om aan hen te verdienen, als ze maar leden. De jammerklacht in deze regel is als azijn vermengd met gal. Het is een uitroep die past bij de wenende profeet.
“En Gij verhoogt hun prijs niet.” (Engels: en vermeerdert Uw rijkdom niet door hun prijs) Als Jehova door al deze ellende verheerlijkt was, had men het geduldig kunnen dragen. Maar het was juist andersom. Door de rampen van het volk werd de naam van de HEERE bespot door de spottende heidenen, die Israëls nederlaag zagen als de nederlaag van Jehova Zelf. Een gelovige heeft het altijd lichter als hij ziet dat Gods grote naam erdoor geëerd zal worden. Maar het maakt de ellende veel zwaarder als we het gevoel hebben dat we voor niets worden gekweld.
Laat dit ons tot troost zijn: de HEERE wordt in werkelijkheid wel verheerlijkt. Ook als we nergens zien dat er eer naar Hem toe stroomt, voert Hij toch Zijn eigen verborgen plannen uit. Het grote resultaat daarvan zal te zijner tijd worden onthuld. We lijden niet voor niets, en ons verdriet blijft niet zonder vrucht.
Vers 14
“Gij stelt ons onze naburen tot smaad.” Hoon is altijd een bijzonder bitter ingrediënt in de beker van onderdrukten. De spot en de grappen van de overwinnaars doen de verslagenen bijna net zoveel pijn als hun zwaarden en speren. Het was inderdaad onbegrijpelijk dat God Zijn koninklijke volk, Zijn eigen volk, liet uitlachen door iedereen die in de buurt woonde.
“Tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn.” Het vertrapte volk was een algemene grap geworden. “Zo verachtelijk als Israël!” riep de wrede tong van de tiran. De hoon was zo gewoon geworden dat de buurvolken, hoewel ze misschien net zo onderdrukt werden, de woorden van de overwinnaars overnamen en meededen met de algemene spot. Je een mikpunt van hoon te weten voor sterken en zwakken, voor hoger, gelijk en lager geplaatsten, is zwaar om te dragen. De tand van de spot bijt tot op het bot.
De dichter beschrijft de wreedheid van de vijand uitgebreid, om de HEERE tot medelijden te bewegen. Hij schreef immers al het leed van zijn volk toe aan Gods rechtvaardige toorn. Zo gebruikt hij het allerbeste argument, want het lijden van Zijn uitverkorenen raakt Gods hart veel sneller dan welke redenering ook. Geloofd zij Zijn naam! Onze grote Voorspraak daarboven weet precies hoe Hij dit krachtige pleidooi moet gebruiken. Als wij vandaag smaad dragen om de waarheid, zal Hij het voor de eeuwige troon aan de orde stellen. En zou God Zijn eigen uitverkorenen niet recht doen? Een vader kan het niet lang aanzien dat zijn kinderen kwetsend worden behandeld. Een tijdje kan hij het misschien verdragen, maar zijn liefde laat al snel zijn woede ontbranden. Dan loopt het slecht af voor de vervolger en de lasteraar.
Vers 15
“Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken.” Hier klinkt de klacht opnieuw. Ze waren zo diep gezonken dat niemand hen nog eerbied toonde. Overal en openlijk werden ze behandeld als schandelijk en verachtelijk. Wie anderen beledigde, haalde Israëls naam erbij als kruiderij voor de eigen smaad. En als iemand toevallig een nakomeling van Jakob op straat zag, maakte hij schunnige gebaren om hem te pesten. Wie het leegst in zijn hoofd was, schudde dat hoofd het hardst naar het afgezonderde volk. Ze waren het vaste doelwit van elke domme pijl.
Zo is het de rechtvaardigen in vroegere eeuwen vergaan. Zo gaat het hun tot op zekere hoogte nu nog, en zo kan het opnieuw hun erfdeel worden, en dan in de ergste zin. De wereld herkent haar eigen adel niet. Ze heeft geen oog voor echte voortreffelijkheid. Ze had een kruis klaar voor de Meester, dus we kunnen niet verwachten dat ze kronen uitdeelt aan Zijn leerlingen.
Vers 16
“Mijn schande is den gansen dag voor mij.” De dichter maakt zichzelf tot de vertegenwoordiger van zijn volk en vertelt hoe hij zelf voortdurend in zielenood zit. Wie niets voelt bij het verdriet van de gemeente waartoe hij behoort, of van het volk waarvan hij burger is, is een man met een slecht karakter. Hoe beter het hart, hoe groter het meeleven.
“En de schaamte mijns aangezichts bedekt mij.” Eén aanhoudende blos, als een karmozijnrode mantel, hulde hem in, zowel voor God als voor mensen. Voor God voelde hij dat de goddelijke verlating welverdiend was. Voor mensen voelde hij dat hij en zijn volk echt verachtelijk waren nu de hulp uit de hemel was weggebleven. Het is goed voor een volk als er nog mensen in zijn midden zijn die zijn zonde en schande ter harte nemen. God zal medelijden hebben met Zijn getuchtigden. En het is een onderpand daarvan wanneer Hij ons bijzondere dienaren stuurt, mensen met een tedere ziel, die de zaak van het volk als hun eigen zaak aanvaarden.
Vers 17
“Om de stem des honers en des lasteraars.” Het lijkt erop dat de tegenstanders van het spotten met Gods volk doorgingen naar het beledigen van God Zelf. Ze gingen van vervolging over naar de zonde die er vlak naast ligt: lastering. “Vanwege den vijand en den wraakgierige.” De vijand schepte erover op dat hij de nederlagen van zijn voorouders wreekte. Ze namen wraak voor de oude overwinningen van Israël door te spotten met het volk dat nu gevallen was.
Dit was een droevige toestand voor een volk, maar zeker geen hopeloos geval. De HEERE had al dit kwaad over hen gebracht, en Hij kon hen er met even veel gemak weer van bevrijden. Zolang Israël alleen naar zijn God opzag en niet naar zijn eigen arm, kon geen vijand het onder zijn voet houden. Het móést opstaan, want God stond aan zijn kant.
Vers 18
“Dit alles is ons overkomen, nochtans hebben wij U niet vergeten.” Hier houdt de dichter vol dat Israël zijn trouw aan Jehova niet had opgegeven. Als we midden in veel verdriet nog steeds met liefdevolle gehoorzaamheid vasthouden aan God, dan is het goed met ons. Echte trouw kan een ruwe behandeling verdragen. Wie God volgt om wat hij ervoor terugkrijgt, laat Hem vallen zodra de vervolging losbarst. Zo niet de oprechte gelovige. Hij vergeet zijn God niet, ook als het allerergste gebeurt.
“Noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond.” Er was geen afgod neergezet en de voorgeschreven eredienst was niet opgegeven. God werd nog altijd door het hele volk erkend. Daarom dringt de dichter des te ernstiger aan dat de HEERE ingrijpt. Dit vers en de verzen die volgen passen op de lippen van martelaren. De hele psalm zou zelfs de klacht van de martelaar kunnen heten. De heiligen leden niet voor zonde, maar voor gerechtigheid. Niet voor leugen, maar voor waarheid. Niet omdat ze de HEERE verlieten, maar omdat ze Hem dicht op de hielen volgden. Zulk lijden kan vreselijk zijn, maar het is buitengewoon eervol. En de troost van de HEERE zal hen dragen die waardig worden bevonden om voor Christus te lijden.
Vers 19
“Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.” Hart en leven waren het met elkaar eens, en beide bleven trouw aan de weg van de HEERE. Zowel van binnen als van buiten hadden deze godvruchtige lijders niets misdaan. Ze waren niet helemaal volmaakt, maar ze waren oprecht vrij van elke bewuste overtreding. Het was een gezond teken voor het volk dat de dichter-profeet kon getuigen van zijn oprechtheid voor God, in hart én daad. Veel vaker zag het er heel anders uit, want de stammen waren maar al te snel geneigd andere goden op te richten en de rots van hun redding te verlaten.
Vers 20
“Hoewel Gij ons verpletterd hebt in een plaats der draken.” Ze waren volledig vermorzeld en verwoest, en als het ware gedwongen om samen te leven met dieren als jakhalzen, uilen en slangen, die in verlaten ruïnes wonen. Toch bleef Israël trouw. Trouw blijven aan een God Die slaat, zelfs als Zijn slagen onze vreugde in puin leggen, is precies zoals de HEERE het graag ziet. Beter door God gebroken dan van God losgebroken. Beter wonen in de plaats der draken dan onder bedriegers.
“En ons met een doodsschaduw bedekt hebt.” Dit zijn heel sterke woorden. Het volk wordt beschreven als volledig gehuld in het dichte donker van wanhoop en dood, ingepakt alsof het opgesloten zat in hopeloosheid. Toch beroept het zich erop dat het zijn God niet vergat, en wat een heerlijk pleidooi is dat! Liever de dood dan ontrouw aan het geloof. Wie God trouw blijft, zal merken dat Hij hem nooit ontrouw wordt.
Vers 21
Nu doet de dichter een beroep op Gods alwetendheid. Hij roept God Zelf op als getuige dat Israël geen andere god had opgericht. “Zo wij den Naam onzes Gods hadden vergeten.” Dat zou de eerste stap naar afval zijn. Eerst vergeten mensen de ware God, daarna aanbidden ze de valse. “En onze handen tot een vreemden God uitgebreid.” Het uitstrekken van de handen was het teken van aanbidding of van smeking in gebed. Dat hadden ze voor geen enkele afgod van de heidenen gedaan.
Vers 22
“Zou God zulks niet onderzoeken?” Had zulke afgoderij voor Hem verborgen kunnen blijven? Zou Hij niet met heilige verontwaardiging ontdekt hebben dat ze Hem ontrouw waren, zelfs als die ontrouw alleen in het hart verborgen was geweest en in het leven niet zichtbaar werd?
“Want Hij weet de verborgenheden des harten.” Hij kent de binnenste bewegingen van onze geest, en daarom kon dit Hem niet zijn ontgaan. Het gaat niet alleen om het hart dat verborgen is. Het gaat om de verborgenheden van het hart, de geheimen van het meest geheime wat er is. Die liggen voor God open als een boek voor de lezer. De redenering is dat de HEERE Zelf wist dat het volk oprecht Zijn volgeling was, en dat Hij hen dus niet bezocht vanwege zonde. De verdrukking moest dus duidelijk een heel andere oorzaak hebben.
Vers 23
“Maar om Uwentwil.” Dat wil zeggen: om Úwentwil en om niets anders. Niet om onze overtredingen, maar omdat we U gehoorzamen. De beproevingen van deze smekelingen kwamen over hen omdat ze hun God trouw waren. “Worden wij den gansen dag gedood.” De vervolging hield nooit op hen te achtervolgen tot de dood. Ze kregen geen adempauze en vonden geen deur om te ontsnappen. En dat alles voor God, omdat ze hun God van het verbond en hun Koning niet wilden verlaten.
“Wij worden geacht als slachtschapen.” Het lijkt alsof we alleen bestemd waren om gedood te worden, en met opzet gemaakt als slachtoffers. Alsof het net zo gemakkelijk en net zo onschuldig was om ons te doden als om schapen te slachten. In dit vers en de volgende horen we duidelijk de roep van de martelaar. Vanuit Piëmont en Smithfield, vanuit de bloedige Bartholomeüsnacht en de dragonnades van Claverhouse stijgt dit pleidooi op naar de hemel, terwijl de zielen onder het altaar hun plechtige roep om wraak voortzetten. Niet lang meer zal de gemeente zo pleiten. Haar schande wordt vergoed, haar overwinning breekt aan.
Vers 24
“Waak op, waarom zoudt Gij slapen, HEERE.” God slaapt niet. Maar de dichter zegt het zo, alsof hij Gods werkeloosheid op geen andere manier kon verklaren. Hij wil zo graag dat de grote Rechter een einde maakt aan de onderdrukking en de heiligen vrede geeft. Daarom roept hij: “Waak op!” Hij snapt niet waarom een bewind van tirannie en de onderdrukking van wat goed is worden toegelaten. Daarom vraagt hij: “Waarom zoudt Gij slapen?”
“Ontwaak.” Meer hoeft U niet te doen: één beweging van U is genoeg om ons te redden. “Verstoot niet in eeuwigheid.” Lang genoeg hebt U ons verlaten. De vreselijke gevolgen van Uw afwezigheid maken ons kapot. Maak een einde aan onze rampen en laat Uw toorn bedaren. In tijden van vervolging roepen mensen snel: ‘Waar is de God van Israël?’ Als we bedenken wat de heiligen van hun trotse vijanden hebben moeten doorstaan, voegen we onze stem bij de grote martelaarsroep. Dan zingen we mee met de dichter van het Paradijs:
“Wreek, Heere, Uw geslachte heiligen, wier beenderen
Verstrooid liggen op de koude bergen van de Alpen;
Hen die Uw waarheid van oudsher zuiver hebben bewaard,
Toen al onze vaderen hout en steen aanbaden:
Vergeet hen niet; teken in Uw boek het kermen op
Van hen die Uw schapen waren.”
Vers 25
“Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten?” Niet korzelig, maar met verdriet en met een open vraag mogen we de HEERE ondervragen als Zijn handelen een raadsel voor ons is. We mogen onze zaak met argumenten bepleiten en ons recht inroepen voor het aangezicht van de hoge Majesteit. Waarom, Heere, bent U zo vergeetachtig voor het leed van Uw kinderen? Deze vraag is veel gemakkelijker gesteld dan beantwoord. Midden in de vervolging is het inderdaad moeilijk om te zien waarom we zo zwaar moeten lijden.
Vers 26
“Want onze ziel is in het stof nedergebogen.” Ons hart ligt zo laag als maar kan, zo laag als het stof onder de voetzolen van mensen. Als het hart zakt, ligt de mens echt op de grond. Hartzeer is het diepste zeer. “Onze buik kleeft aan de aarde.” De mens ligt plat op de grond, en hij ligt er niet alleen: hij zit eraan vast, eraan vastgeplakt. Het is echte ellende als het hart zichzelf niet kan ontvluchten, opgesloten zit in zijn eigen neerslachtigheid en vastgebonden is met de touwen van moedeloosheid. Gods heiligen kunnen zo diep gebogen gaan. Ze kunnen niet alleen in het stof liggen, maar zelfs op de mesthoop, zoals Job en Lazarus. Maar hun dag komt, hun lot zal keren, en na hun bittere winter krijgen ze een mooie zomer.
Vers 27
“Sta op, ons ter hulp.” Wat een kort gebed, en toch zo zoet en vol! Het komt meteen ter zake. Het is helder, eenvoudig en dringend, en zo zouden alle gebeden moeten zijn. “En verlos ons om Uwer goedertierenheid wil.” Hier hoor je het laatste pleidooi. Wat we vragen is verlossing, en waarop we ons beroepen is barmhartigheid. Dat doen hier mensen die in hun lijden trouw zijn gebleven en hun God niet hebben vergeten. Een beroep op barmhartigheid staat altijd sterk, en niemand zal ooit een beter vinden.
“Al stierf ik als martelaar op de brandstapel,
Ik zou mij beroepen op mijn Heilands naam,
Om Zijnentwil vergeving vragen,
En op niets anders mij verlaten.”
Hier eindigt deze gedenkwaardige psalm. Maar haar kracht houdt hier niet op. In de hemel werkt ze door, en vandaar brengt ze redding voor het beproefde volk van God.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Wie deze psalm overziet, twijfelt er niet aan dat hier Israëlieten aan het woord zijn. En toch vinden de meeste uitleggers het moeilijk om haar zo te lezen, dus in de natuurlijke zin. Sommigen lieten die uitleg zelfs los. Ze konden in de geschiedenis van dat volk namelijk geen tijd aanwijzen die aanleiding gaf tot deze psalm en haar woorden bevestigt.
Zo kan ze niet over de Babylonische ballingschap gaan. Daartegen is terecht ingebracht, ten eerste, dat Ps. 44:12 en 44:15 de sprekers beschrijven als mensen die God “verstrooit … onder de heidenen” en stelt “tot een spreekwoord onder de heidenen”, terwijl hun ballingschap toen tot één land beperkt bleef. Ten tweede wordt in Ps. 44:18-22 verzekerd dat zij trouw zijn gebleven aan de dienst van de ware God. Hij wordt als getuige aangeroepen: Hij moet de lijdenden vrijspreken van de schuld dat zij dit kwaad zelf over zich hebben gehaald. Die gevangenschap was juist een straf voor het volk, om zijn afval en vooral om de zware zonde van de afgoderij.
Dezelfde bezwaren gelden tegen een uitleg die de psalm betrekt op de dagen van Antiochus Epifanes en de Makkabeeën. Bovendien spreekt de geschiedenis van de canon van de Schrift beslist tegen zo’n late datering van welke psalm dan ook.
Aan de tijd van David kun je nog minder denken. De godsdienst was toen wel zuiver, maar het volk was niet verstrooid, en er was geen ramp die de klacht kon rechtvaardigen: “Gij hebt ons verstoten en te schande gemaakt … Gij geeft ons over als schapen ter spijze”, enzovoort. Daaruit blijkt dat er geen andere keus is dan de psalm uitsluitend te zien als de taal van de christelijke kerk. En dan van de kerk in haar eerste dagen, de tijd van haar grootste zuiverheid en tegelijk van haar zwaarste lijden. — William de Burgh.
Gehele psalm
Ambrosius merkt op dat we in de vorige psalmen een profetie hebben gezien van het lijden, de opstanding en de hemelvaart van Christus, en van de komst van de Heilige Geest. Hier leren we dat we zelf bereid moeten zijn te strijden en te lijden, zodat deze dingen ons tot nut zijn. Onze eigen wil moet meewerken met Gods genade. — Christopher Wordsworth.
Vers 2
“Wij hebben het met onze oren gehoord.” Dat wil zeggen: we hebben het niet alleen gehoord, maar met de grootste aandacht en genegenheid ter harte genomen. Dit is geen overbodige herhaling. Het legt juist nadruk op wat er gezegd wordt. — John Trapp.
Vers 2
“Onze vaders hebben het ons verteld.” Luister hiernaar, zegt Basilius, jullie vaders die nalaten je kinderen te leren wat Gods vrees en liefde in hen kan opwekken, en het geloof om op Hem te steunen en Hem te zoeken in alle tijden van gevaar. Die vaders maakten van hun monden als het ware boeken, waarin de machtige daden van de HEERE te lezen waren tot Zijn eer, boeken die het hart van hun kinderen naar Hem toe trokken. — John Mayer.
Vers 2
“Gij hebt een werk gewrocht in hun dagen.” Waarom spreekt de psalm van maar één werk, terwijl Hij toch zoveel verlossingen heeft gebracht? Denk aan de doortocht door de Rode Zee, tot en met de vernietiging van honderdvijfentachtigduizend man in het leger van de Assyriërs. Het antwoord is: al die verlossingen waren slechts voorbeelden van dat ene grote werk, dat ene uitsteken van de hand van de HEERE. Toen werd Satan overwonnen, de dood vernietigd en het koninkrijk der hemelen geopend voor alle gelovigen. — Ambrosius.
Vers 2
“Gij hebt een werk gewrocht in hun dagen.” Andere volken bezingen in hun liederen de heldenmoed van hun voorouders. In de liederen van Israël zingt men juist over wat God heeft gedaan. — Augustus F. Tholuck.
Vers 2
Er zijn drie voorwaarden om goed te leren. 1. Opzet en aandacht bij wie luistert: “wij hebben het met onze oren gehoord”. 2. Gezag bij wie onderwijst: “onze vaders hebben het ons verteld”. 3. Liefde tussen leraar en leerling: “onze vaders”. — Hugo (kardinaal), aangehaald in Neale’s Commentary.
Verzen 2-3, 5-9
Kinderen erven van hun ouders. Het zou tegennatuurlijk zijn als een vader vóór zijn sterven zijn schat in de grond begroef, op een plek waar zijn kinderen haar nooit kunnen vinden of gebruiken. Welnu, Gods weldaden vormen een niet gering deel van Zijn schat, en ook van de erfenis van Zijn kinderen. Ze helpen het geloof, geven reden tot lofprijs en sporen aan tot gehoorzaamheid. “Onze vaders hebben het ons verteld: Gij hebt een werk gewrocht in hun dagen … Gij hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven”, enzovoort (Ps. 44:2-3). Daaraan ontlenen zij hun vertrouwen: “Gij Zelf zijt mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs” (Ps. 44:5). En zo worden zij ook bewogen tot dankbaarheid: “In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid” (Ps. 44:9).
Zoals kinderen de erfgenamen van hun ouders zijn, zo zijn zij ook met recht verplicht de schulden van hun ouders te betalen. De grote schuld waarmee een heilige bij zijn sterven belast is, is wat hij aan God verschuldigd is voor Zijn weldaden. Daarom is het redelijk dat hij zijn nageslacht aan de akte daarvan bindt. Zo kun je God in de hemel en op aarde tegelijk loven. — William Gurnall.
Vers 4
“Want zij hebben het land niet geerfd door hun zwaard.” Het aandeel van de HEERE in een werk zie je het best wanneer het aandeel van de mens als niets wordt aangewezen: alles wat hij als werktuig daarin heeft gedaan of had kunnen doen. Dan wordt de mens gezien als los van God, Die de werktuigen in beweging bracht en door hen deed wat Hij wilde. — David Dickson.
Vers 4
“Omdat Gij een welbehagen in hen hadt.” Vrije genade was de diepste oorzaak van al hun geluk. God had hen lief omdat Hij hen liefhad. Zie Deut. 7:7. Uit liefde koos Hij hen, en daarna had Hij hen lief om die keuze. — John Trapp.
Vers 4
Gods liefde voor Israël was vrij, onverdiend en verbazingwekkend. Hij gaf hun een land waarvoor zij niet gewerkt hadden, steden die zij niet gebouwd hadden, wijngaarden en olijfgaarden die zij niet geplant hadden. Zie Joz. 24:13. Soms werden zwaard noch boog gebruikt, en waren horzels de werktuigen van de verovering. Zie Joz. 24:12. Sinds de val van Adam is alles wat een gewoon mens aan goeds ontvangt, een onverdiende weldaad. — William S. Plumer.
Vers 4 (laatste zinsdeel)
De profeet neemt niet aan dat Abraham enige waardigheid bezat, en hij denkt zich in diens nageslacht ook geen verdienste waarom God zo mild met hen omging. Alles schrijft hij toe aan Gods welbehagen … En de psalmist heeft het hier ook niet over Gods algemene welwillendheid, die zich uitstrekt tot het hele mensdom. Hij spreekt over het verschil tussen de uitverkorenen en de rest van de wereld. De oorzaak van dat verschil wordt hier teruggebracht tot Gods welbehagen alleen. — Johannes Calvijn.
Vers 6
“Door U zullen wij onze wederpartijders met hoornen stoten.” Letterlijk: “wij zullen hen met onze hoorn in de lucht slingeren”. Dat is een beeld uit de natuur: een os of stier slingert de honden die hem aanvallen de lucht in. — Adam Clarke.
Vers 7
“Ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.” Met boog en zwaard bedoelt hij alle soorten wapens en krijgsmiddelen. Met “verlossen” bedoelt hij: redden uit gevaren. Hij spreekt als één persoon, omdat alle gelovigen samen maar één lichaam vormen, en hij spreekt namens al die anderen. — Thomas Wilcocks.
Vers 7
“Ik vertrouw niet op mijn boog” enzovoort. Ik vertrouw niet op mijn eigen zwaard of boog, maar op het zwaard van de goddelijke Krijgsman en op de boog van de goddelijke Boogschutter, Wiens pijlen scherp zijn in het hart van Zijn vijanden. Zo beschrijft de volgende psalm het (Ps. 45:4-6). Door dat beeld is die psalm met deze verbonden, en ook door haar diepere betekenis. — Christopher Wordsworth.
Vers 7
Hoe minder we op onszelf vertrouwen, of op iets anders buiten God, hoe meer reden we hebben om te geloven dat ons geloof in God oprecht is. — David Dickson.
Verzen 7-8
Deze twee verzen komen precies overeen met Ps. 44:4. Daar werd de verlossing in het verleden helemaal aan God toegeschreven. Hier doet de dichter hetzelfde met de verlossing die nog komt. — E. W. Hengstenberg.
Vers 12
“Als schapen ter spijze.” Dit wijst heel sterk en treffend op hoe groot de vervolging en de slachting waren waaraan zij blootstonden. Er is namelijk geen schepsel ter wereld waarvan voortdurend zulke grote aantallen worden geslacht als van schapen, om de mens te voeden. Ook Ps. 44:23 noemt dat voortdurende van de slachting, om te laten zien hoe onophoudelijk de Hebreeën werden onderdrukt. — Kitto’s Pictorial Bible.
Vers 12
“Als schapen ter spijze”, dus niet gehouden om te fokken of voor hun wol. Ze zijn alleen bestemd voor de slacht. — Arthur Jackson.
Vers 13
“Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet.” Het betekent: U hebt Uw volk zonder moeite in de macht van hun vijanden gegeven. De vijanden hoefden zelfs niet duidelijk te betalen voor hun overwinning. Het is als bij iemand die een bezit voor elke prijs van de hand doet, omdat hij het veracht en haat en er alleen maar van af wil. — E. W. Hengstenberg.
Vers 13
“Gij verkoopt Uw volk om geen waardij”, enzovoort. Eusebius schrijft over de belegering van Jeruzalem door Titus: “Velen werden voor een kleine prijs verkocht. Er waren er veel te koop, maar weinig kopers.”
Vers 13
“En Gij verhoogt hun prijs niet.” Daar wint U niets mee voor Uw eer en dienst. Uw vijanden dienen U immers niet meer en niet beter dan Uw volk, en zelfs niet zoveel. — Matthew Pool.
Vers 13 (laatste zinsdeel)
“Gij neemt geen geld voor hen.” Letterlijk: U verhoogt hun prijs niet, zoals een verkoper tegenover de koper gewoonlijk doet. — Daniel Creswell.
Vers 15
“Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen.” Letterlijk: tot een gelijkenis. Het woord ((Hebr.)) heeft hier dezelfde gewone betekenis van gelijkenis als in de oorspronkelijke plaats, Deut. 28:37. Israëls ellende is zo groot dat men figuurlijk een ellendig mens een Jood zou noemen, zoals leugenaars Kretensers werden genoemd en ellendige slaven Sardiërs. Zo ver is het volk nu verwijderd van “de gezegende des HEEREN” te zijn, in wie volgens de belofte alle heidenen gezegend zullen worden. — E. W. Hengstenberg.
Vers 16
“Mijn schande is den gansen dag voor mij.” Als de zichtbare kerk door droevige rampen wordt getroffen, dragen de ware leden de moeite, het verdriet en de schande van die toestand mee. — David Dickson.
Vers 18
Eusebius vertelt over de wreedheden die de tiran van het Oosten, Maximinus, de christenen aandeed: “Hij kreeg alle soorten mensen klein, alleen de christenen niet. Zij verachtten de dood en lachten om zijn tirannie. De mannen doorstonden verbranding, onthoofding, kruisiging, verscheuring door wilde dieren, verdrinking in de zee, verminking en roosteren van hun ledematen, doorboring en uitgraving van de ogen en verminking van het hele lichaam. Daarbij kwamen honger en gevangenschap. Kortom: zij ondergingen elke soort foltering voor de dienst van God, liever dan dat zij de aanbidding van God zouden opgeven en de aanbidding van afgoden zouden omhelzen. Ook vrouwen kregen, door de kracht van het woord van God, een mannelijke moed, niet minder dan de mannen. Sommigen ondergingen de folteringen samen met de mannen, anderen bereikten hetzelfde meesterschap in deugd.” Uit “De kerkgeschiedenis van Eusebius Pamphilus”.
Vers 18
“Nochtans hebben wij U niet vergeten, noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond.” Er zijn veel andere zonden waarvoor U ons terecht gestraft hebt, en daarvan kunnen we onszelf niet vrijpleiten. Maar dit moeten we wel van onszelf zeggen: door Uw genade hebben we ons onthouden van afval en afgoderij. Dat deden we ondanks alle voorbeelden en verleidingen, ondanks beloofde en toegezegde beloningen en ondanks dreigende straffen die ons daartoe moesten brengen. We hopen dat U dit genadig zult aanzien en niet zult toelaten dat we verzocht worden boven ons vermogen. — Matthew Poole.
Vers 18
Wie van jullie in deze storm bij Jezus Christus wil blijven, moet nagaan hoe hij met Hem een verbond heeft gesloten, hoe hij de afspraak met Hem heeft bezegeld en onder welke voorwaarden. Maar ik vrees dat velen van jullie in deze tijd lijken op lichtzinnige jonge mensen die halsoverkop met elkaar trouwen en nooit uitrekenen hoe ze hun huishouden moeten voeren. Die vervallen meteen tot armoede en bedelarij. Ik denk dat het zo gaat met velen van jullie die in dit geslacht belijders zijn. Je neemt je godsdienst aan zonder te weten hoe, en je kunt geen rekenschap geven van hoe je eraan gekomen bent.
Ik zeg het jullie eerlijk, mensen: je blijft niet langer bij Christus dan tot er een storm opsteekt. Dan verlaat je Hem en verloochen je Zijn zaak. Let hier goed op, want het zal jullie zielen uiteindelijk verderven.
Maar ik zal jullie zeggen, mensen, hoe je op de rechte manier een verbond met God sluit. Dat gebeurt wanneer Christus en de gelovige elkaar ontmoeten. Onze Heere geeft hem Zijn wetten, regels en geboden, en Hij draagt hem op er geen jota van los te laten. Nee, al zou hij in duizend stukken worden gescheurd. En de ware verbondeling zegt: Amen. — Alexander Peden, preek van 1682.
Verzen 18-20
Noch de vervolgende hand van mensen, noch de kastijdende hand van God maakte de bijzondere heiligen van vroeger moedeloos. Gelovigen zijn als de maan. Die komt uit haar verduistering tevoorschijn doordat ze haar baan blijft volgen, en ze houdt niet op te schijnen omdat de honden naar haar blaffen. Moeten wij dan ophouden belijders te zijn, alleen omdat anderen niet ophouden te vervolgen? — William Secker.
Verzen 18-20
De kerk heeft haar grote verdrukkingen gemeld. Nu zegt ze, als bewijs van grote oprechtheid tegenover God en van de kracht van genade die ze van Hem ontving: “Dit alles is ons overkomen” (dat wil zeggen: al deze algemene rampen en verdrukkingen), “nochtans hebben wij U niet vergeten, noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond. Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.” Het is alsof ze zegt: deze verdrukkingen waren sterke verzoekingen om van Uw wegen af te wijken, maar door genade hebben we standgehouden en zijn we standvastig gebleven in Uw verbond. Ja, ook al hebt U ons verpletterd “in een plaats der draken” en ons bedekt “met een doodsschaduw”.
Veel heiligen, ja de meeste, zijn onder het kruis gerijpt. Toch waren er ook enigen die daaronder kwijnden of afweken, hetzij door hun ongeloof van dat moment, hetzij doordat ze “de vermaning” vergaten “die” (zoals de apostel zegt in Hebr. 12:5) “tot u als tot zonen spreekt”. — Joseph Caryl.
Vers 20
“Hoewel Gij ons verpletterd hebt in een plaats der draken”, enzovoort. Dat is een plaats waar mensen wonen die door hun gif en wreedheid met draken te vergelijken zijn. Dat geldt in het bijzonder voor Rome en het Romeinse rijk, heidens én pauselijk. Daar is de zetel van Satan, de grote rode draak, en van zijn ellendige broedsel en nageslacht, het beest, aan wie hij zijn macht heeft gegeven. Daar zijn de heiligen en volgelingen van Christus zwaar verdrukt en vervolgd, en toch hebben ze de Naam van Christus vastgehouden en hun geloof in Hem niet verloochend.
Zie Openb. 2:13 en 12:3. De woestijn is de woonplaats van draken. Zo heet ook de plaats waar de kerk zich bevindt in de tijden van het pausdom, en waar ze gevoed en bewaard wordt “een tijd, en tijden, en een halven tijd”. Openb. 12:6,14.
“En ons met een doodsschaduw bedekt hebt.” Zoals de vorige uitdrukking de wreedheid van de vijanden van Christus’ kerk en volk aanduidt, zo wijst deze op hun droevige verdrukkingen en hun verlaten toestand. Ze kan ook enigszins slaan op de duisternis van het pausdom toen dat op zijn hoogtepunt was. De kerk van Christus werd daarmee overdekt, omdat er overal maar weinig te zien was van het doorbreken van het evangelielicht. — John Gill.
Vers 20
Draken. Het Hebreeuwse woord tannim, dat hier met “draken” is vertaald, kan van alles betekenen: een grote vis, een zeemonster, een slang, een draak of een krokodil. Ook een jakhals, een vos of een wolf zou kunnen. De Wette kiest hier voor jakhalzen. Welke betekenis we ook nemen, de gedachte van de tekst blijft in wezen hetzelfde. De “plaats der draken” is de plek waar zulke dieren leven of hun hol hebben: woeste streken, wildernissen, woestijnen, oude ruïnes en verlaten steden. — Albert Barnes.
Vers 21
Onze handen tot een vreemden God uitgebreid. Joden en heidenen strekten hun handen uit naar iets wat ze aanbaden, of naar een heilige plaats. Dat is een heel oud gebruik, en in het Oosten bestaat het nog steeds. Ik heb nergens gelezen dat iemand dat eerder heeft opgemerkt.
Dat deze gebedshouding bij de oosterse volken is blijven bestaan, blijkt uit wat Pitts schrijft over de godsdienst en de gewoonten van de moslims. Hij vertelt hoe de Algerijnen waskaarsen en potten olie overboord gooien als geschenk aan een marabout (een islamitische heilige). Dan gaat hij verder: “Als dit gebeurd is, heffen ze allemaal samen hun handen op en vragen de zegen van de marabout af, en een voorspoedige reis.” Op dezelfde bladzijde schrijft hij: “De marabouts hebben boven hun graf meestal een klein, netjes vertrek laten bouwen, dat qua vorm op hun moskeeën of kerken lijkt. Het wordt zeer zorgvuldig schoongehouden en goed verzorgd.” Op de volgende bladzijde lezen we: “Er zijn daar veel mensen die bijna nooit langs zo’n graf lopen zonder hun hand op te heffen en een kort gebed uit te spreken.” Hij vertelt ook dat ze bij het verlaten van de Beat, het heilige huis in Mekka waar ze devoot heen reizen, “hun handen naar de Beat opheffen en ernstig smeken.” — Harmer’s “Observations”.
Vers 22
Zou God zulks niet onderzoeken? enzovoort. God stuurt ons zoveel verschillende beproevingen om te toetsen of ons geloof echt is. Wat een ijdele zaak is huichelarij dan! En wat heeft het weinig zin om haar te willen verbergen! We zeggen dat een moord altijd uitkomt, en met evenveel zekerheid kunnen we zeggen dat huichelarij uitkomt.
Rebekka had een plan bedacht: haar zoon Jakob moest zich voordoen als zijn broer en zo de zegen binnenhalen. Jakob bracht daar tegenin: “Misschien zal mij mijn vader betasten, en ik zal in zijn ogen zijn als een bedrieger; zo zoude ik een vloek over mij halen, en niet een zegen.” Alsof hij wilde zeggen: wat als mijn vader het bedrog doorziet? Hoe kijk ik hem dan nog aan? Hoe ontkom ik aan een vloek? Zo deinst elke oprechte ziel terug voor de weg van de huichelarij. Als ik doe alsof ik iets ben wat ik niet ben, dan komt mijn Vader erachter.
Er bestaat geen duisternis of doodsschaduw waarin een huichelaar zich kan verstoppen. Uiteindelijk komt het uit, hoeveel kunst hij ook gebruikt om het te verbergen … Als het werk van mensen niet deugt, kan het onmogelijk lang verborgen blijven. Een verguld stuk koper kan een tijdje van hand tot hand gaan, maar de toetssteen ontmaskert het onedele metaal. En doet die dat niet, dan doet het vuur het wel. — John Flavel.
Vers 22
Wie God vreest, durft niet in het verborgen te zondigen. Hij weet dat God ook in het verborgene kijkt. Onze slimheid kan God niet bedriegen, en onze heimelijkheid kan Hem niet buitensluiten. — Thomas Watson.
Vers 22
Wie om zijn geloof wordt vervolgd, wordt bedreigd en verleid door zijn vervolgers. Niets kan hem dan standvastig maken in de zaak van God, behalve de vreze Gods en de liefde tot God, die diep in het hart gegrift staan. In deze psalm is dat ook de reden waarom de gelovigen standvastig blijven: God zou hun zonde ontdekken als ze anders hadden gehandeld, want Hij kent de geheimen van het hart. — David Dickson.
Vers 23
Maar om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood enzovoort. Onder zijn papieren liet Leonard Schoener de volgende vermaning na, bedoeld als troost voor iedereen die om de naam van Christus leed:
“Wij bidden U, o eeuwige God: buig Uw genadige oor naar ons toe. Heere Sabaoth, Heere der heerscharen, hoor onze klacht! Want zware verdrukking en vervolging hebben de overhand gekregen. De hoogmoed is in Uw erfdeel binnengedrongen. Velen die voor christenen doorgaan, hebben zich ermee verbonden en zo de gruwel der verwoesting binnengehaald. Ze verwoesten en vernielen het christelijke heiligdom. Ze hebben het vertrapt, en de gruwel der verwoesting wordt aanbeden als God. Ze hebben Uw heilige stad in onrust gebracht, Uw heilige altaar omvergegooid en haar dienaren gedood waar ze hen maar te pakken kregen.
“En nu wij als een klein kuddeke zijn overgebleven, hebben ze ons uit al Uw landen verdreven, met minachting en smaad. Wij zijn verstrooid als schapen zonder herder. Wij moesten huis en haard verlaten. Wij zijn als nachtraven die in de rotsen wonen; onze kamers zijn holen en kloven. Ze loeren op ons als op vogels in de lucht. Wij zwerven door de bossen en ze jagen ons op met honden. Ze voeren ons weg, gegrepen en geboeid, als lammeren die hun mond niet opendoen. Ze roepen over ons uit dat wij oproerkraaiers en ketters zijn. Wij worden als schapen naar de slachtbank geleid. Velen zitten onderdrukt in ketenen, waarvan zelfs hun lichaam wegkwijnt. Sommigen zijn onder hun lijden bezweken en zonder schuld gestorven. Hier is het geduld van de heiligen op aarde. Hier moeten wij door lijden worden beproefd.
“De gelovigen hebben ze aan bomen opgehangen, gewurgd, in stukken gehakt, in het geheim en openlijk verdronken. Niet alleen mannen, maar ook vrouwen en meisjes hebben getuigd van de waarheid: dat Jezus Christus de waarheid is, de enige weg naar het eeuwige leven. De wereld raast nog steeds en komt niet tot rust; ze tiert als een dolle. Ze verzinnen leugens over ons. Ze houden niet op met hun vuren en hun moorden. Ze maken de wereld te klein voor ons. O Heere, hoe lang zwijgt U nog? Hoe lang oordeelt U nog niet over het bloed van Uw heiligen? Laat het opstijgen tot voor Uw troon! Hoe kostbaar is in Uw ogen het bloed van Uw heiligen!
“Daarom vinden wij troost in al onze nood, en een toevlucht bij U alleen en bij niemand anders. Maar troost, rust of vrede op deze aarde, die hebben we niet. Toch, wie op U hoopt, zal nooit beschaamd worden. O Heere, er bestaat geen verdriet dat zo groot is dat het ons van U kan scheiden. Daarom roepen wij onophoudelijk tot U, door Christus, Uw Zoon, onze Heere, Die U uit vrije genade aan ons hebt gegeven tot troost. Hij heeft ons het rechte pad en de weg naar het eeuwige leven gebaand en bekendgemaakt. Eeuwige heerlijkheid en zegepraal, eer en lof zij U, nu en tot in eeuwigheid, en Uw gerechtigheid blijve tot in eeuwigheid. Laat het hele volk Uw heilige Naam zegenen, door Christus, de rechtvaardige Rechter, Die komt om de hele wereld te oordelen. Amen.” Uit “A Martyrology of the Churches of Christ, commonly called Baptists. Edited by E. B. Underhill”, 1850.
Vers 23
Om Uwentwil worden wij gedood. Wat een genade dat God, Die ons voor onze zonden zou kunnen straffen, onze tuchtiging toch eervol maakt en ons laat lijden voor een goede zaak. Om Uwentwil enzovoort. — David Dickson.
Vers 23
Om Uwentwil. Paulus haalt deze tekst aan in Romeinen 8:36, kennelijk uit de Septuaginta. Hij gebruikt hem om te laten zien dat de kerk van God in alle eeuwen een vervolgde kerk is geweest. Maar er is een opvallend verschil tussen de toon van de psalmist en die van de apostel. De psalmist begrijpt de kastijding niet en klaagt dat Gods zware hand zonder reden op Zijn volk rust. De apostel kan zich zelfs in vervolging verblijden en uitroepen: “In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft.” — J. J. Stewart Perowne.
Vers 23
Gedood. Het woord dat hier staat, komt niet van het Hebreeuwse werkwoord voor “doden” maar van het werkwoord dat “wurgen” betekent. Zo vertaalt ook “Lange’s Bibelwerk” het.
Vers 24
“Waak op, waarom zoudt Gij slapen, HEERE?” En vergelijk Psalm 121:4: “Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen.” Als God nooit slaapt, waarom roept de kerk Hem dan zo vaak om wakker te worden? En als Hij uit Zijn slaap gewekt moet worden, waarom zegt de psalmist dan dat Hij nooit slaapt? Spreken deze teksten elkaar niet tegen?
Antwoord: Het is één ding wat de bedroefde kerk uitroept in de hitte van haar lijden, en iets anders wat de Geest der waarheid zegt tot troost van de heiligen. De beste heiligen en martelaren gaan midden in de storm vaak zo tot God als Petrus tot Christus op het meer, toen Die in het achterschip lag te slapen. Ze bidden zo dringend, alsof de Heere hun doodsangst niet méér voelde dan Jona het lot van de zeelieden, die dreigden om te komen in de woelige zee. Hij riep: “Wat is u, gij hardslapende? Sta op!” Heiligen gaan zo vertrouwelijk met God om in het gebed, alsof ze aan Zijn bed stonden.
De toepassing voor de ziel. — O U, nooit sluimerende Wachter van het huis van Israël, kan het U niet schelen dat wij vergaan? Waak op, waak op! Bekleed U met sterkte, omgord U, o arm van God! Ik weet dat U wakker bent, maar wat heb ik eraan als U mij niet overeind helpt? Ik weet dat U niet slaapt zoals mensen slapen, maar wat schiet mijn ziel daarmee op, tenzij U Zich laat zien, zodat ik weet dat U waakt? O, ík ben het die slaapt! U lijkt alleen maar te slapen om mij wakker te maken. Kon ik maar één uur met U waken, zoals U mij opdraagt! Dan zou ik snel merken dat U altijd over mij waakt. — William Streat in “The Dividing of the Hoof”, 1654.
Vers 24
“Waak op, waarom zoudt Gij slapen, HEERE?” enzovoort. Ons zwakke geloof wordt verleid om te denken dat God Zich niets aantrekt van de toestand van Zijn volk in de wereld. De Geest, Die onze zwakheden kent, geeft ons een smeekbede die bij deze beproeving past. Tegelijk spreekt die bede de verwachting uit dat God zal opstaan om Zijn volk als het Zijne op te eisen. — W. Wilson.
Vers 26
Want onze ziel is in het stof nedergebogen; onze buik kleeft aan de aarde. Wij zijn met lichaam en ziel geslagen en neergeworpen, als het ware aan de grond vastgeplakt, zodat we onszelf niet meer kunnen oprichten. — E. W. Hengstenberg.
Vers 26
Want onze ziel is in het stof nedergebogen enzovoort. Dit is beeldspraak. Ze laat zien hoe diep hun ellende is of hoe groot hun verdriet en vernedering. 1. De diepte van hun ellende. Hier is de gedachte aan een man die in de strijd is verslagen of dodelijk gewond is en in het stof ligt te rollen, of aan een dode die in de aarde is gelegd. Zoals er staat: “Gij legt mij in het stof des doods.” Psalm 22:16. In elk geval is zeker dat de uitdrukking de uiterste nood en het grootste gevaar aanduidt, zoals bij iemand die dood is of op sterven ligt. 2. De grootte van hun verdriet en vernedering. Dan denken we aan iemand die zich ter aarde werpt en daar kruipt. Zo vernederden ze zich voor de HEERE, of wanneer hen een grote ramp trof. Toen Herodes Agrippa stierf, trokken ze rouwkleding aan en lagen ze huilend op de grond. — Thomas Manton.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 2
Wat de kerkgeschiedenis ons bemoedigend doorgeeft. De dagen van lang geleden.
Vers 2
Wat ouders moeten doen, en wat een voorrecht kinderen hebben.
Vers 2
Het gesprek in het gezin: waarom dit het nuttigste onderwerp is.
Vers 2
De ware glans van de goede oude tijd.
Vers 3
Het contrast, of hoe God omgaat met heiligen en met zondaars.
Vers 4
Hoe groot is Gods vrije genade!
- Ze zegt dat mensen het niet in eigen kracht kunnen.
- Ze laat Gods kracht zien.
- Ze wijst op haar verborgen bron: “Omdat Gij een welbehagen in hen hadt.”
Vers 4
- Het schepsel wordt klein gemaakt.
- De HEERE wordt groot gemaakt.
- Genade die onderscheid maakt, wordt zichtbaar.
Vers 4 (laatste zinsdeel)
De eeuwige bron waaruit alle barmhartigheid opwelt.
Vers 5
- We erkennen God als Koning.
- We smeken Hem om als Koning in te grijpen.
- Het verbond van God wordt aangeduid in Jakob. Of: de trouwe onderdaan die bij de koning hulp zoekt voor het koninklijke nageslacht.
Vers 5
Persoonlijke trouw en voorbede die pleit.
Vers 5
Mijn Koning. Dat betekent:
- Mijn Heerser.
- Mijn Eer.
- Mijn Leider.
- Mijn Beschermer.
Vers 5
De verlossingen van Jakob, uitgelegd aan zijn bewogen leven.
Vers 6
Onze vijanden: op welke manieren we hen neerhalen, met welke kracht en in welke geest.
Vers 6
Onze vijanden: hoe bedrijvig ze zijn, hoe dichtbij hun aanval komt, hoe zeker hun ondergang is en wat het geheim van onze kracht is.
Vers 7
Afstand doen van vertrouwen op wat je kunt zien. Mijn boog kan zijn doel missen, breken of mij worden afgenomen. Mijn zwaard kan afbreken, bot worden of uit mijn hand glippen. We mogen niet vertrouwen op ons kunnen, onze ervaring, onze slimheid, onze rijkdom enzovoort.
Vers 7
Jezelf verloochenen: de plicht van heilige én zondaar.
Vers 8
De verlossing is volbracht. Hoe? Nooit door onszelf: “maar”. Door wie is ze gewrocht? “Gij.” Wanneer is ze volbracht? “Gij verlost” (Engels: Gij hebt). Voor wie? “Ons.” Hoe ver reikt ze? Tot over onze vijanden.
Vers 8
De verlossing is voltooid, de hel staat beschaamd en Christus wordt verhoogd.
Vers 9
De lof: dat ze blijft duren. Hoe houden we haar vol? Hoe laten we haar onophoudelijk horen? Wat voor invloed heeft het dat ze blijft duren? En welke redenen dwingen ons om erin vol te houden?
Vers 10
Een klaagzang over het verval van de kerk.
Vers 10
In welke zin verstoot God Zijn volk, en waarom?
Vers 10 (laatste zinsdeel)
De grootste ramp die onze kerken kan treffen.
Vers 13
Hoe mensen en hoe God de gevolgen van vervolging beoordelen.
Vers 13
Als antwoord op deze klacht:
- Uiteindelijk verliest Gods volk niets door zijn ontberingen.
- De goddelozen winnen niets met hun overwinningen.
- God verliest niets van Zijn heerlijkheid in de manier waarop Hij met beiden handelt. — George Rogers.
Vers 14
De beproeving van wrede spot: hoe we ons daaronder gedragen, wat ons daarin troost en welke kroon eruit voortkomt.
Vers 15
Heiligschennende spreekwoorden, of goddeloze spotnamen.
Vers 16
Wat iemand belijdt die berouw heeft.
Vers 18
De beproeving, de waarheid en de overwinning van wie God vreest.
Vers 18
De trouwe ziel die vasthoudt aan haar oprechtheid.
Vers 18
Wat het betekent om ons verbond met God ontrouw te zijn.
Vers 19 (eerste zinsdeel)
Wanneer kunnen we er zeker van zijn dat ons hart niet is afgevallen?
Vers 19
Vier punten:
- Welke plaats het hart in het geloof heeft: het staat vooraan.
- Welke plaats het uiterlijke, goede leven in het geloof heeft: het volgt het hart.
- Het is nodig dat beide bij elkaar passen.
- Beide moeten trouw zijn aan God, en daar hebben we hulp bij nodig.
Vers 19
Hoe hart en leven met elkaar samenhangen, zowel in standvastigheid als in afval.
Vers 19
Hoe God Zich verheugt over de vooruitgang van oprechte mensen. — Thomas Brooks.
Oprechte harten blijven doorgaan op Gods wegen en op de wegen van het goede doen, ondanks alle verdrukking, moeite en ontmoediging die ze daarbij tegenkomen. — Thomas Brooks.
Vers 19
Uw paden. Gods wegen zijn (1) rechtvaardige wegen; (2) gezegende wegen; (3) wegen die de ziel verkwikken; (4) uitnemende wegen, die alle andere wegen overtreffen; (5) wegen die de ziel sterken; en (6) soms ook wegen vol verdriet, verwarring en vervolging. — Thomas Brooks.
Vers 22
Kan Hij het niet? Wil Hij het niet?
Vers 22
Een vraag, en een geruststellend antwoord.
Vers 23
Twee punten:
- Onschuld te midden van lijden: schapen.
- Eer te midden van schande: om Uwentwil. — G. Rogers.
Vers 24
De noodkreet van een kerk in moeilijke tijden. De klacht van een verlaten ziel.
Vers 25
Waarom God Zijn troost soms wegneemt.
Vers 26
De grote nood, het grote gebed, het grote pleidooi.
Vers 27
Een passend gebed voor zielen die zich schuldig weten, voor heiligen die beproefd of vervolgd worden, en voor de kerk onder onderdrukking of verval.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas