Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 42 — Treasury of David

78 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

“Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.” Deze psalm is opgedragen aan de Meester van de Muziek, en dat is hij waard. Wie het mooist kan zingen, heeft niets beters om te zingen. Hij heet een Maschil: een lied waar we iets van leren. Hij zit boordevol diepe ervaring en onderwijst vooral pelgrims wier weg naar de hemel even zwaar is als die van David. Het is altijd goed om te luisteren naar de ervaring van een heilige die door en door door genade gevormd is en veel geleden heeft.

De uitgelezen zangers, de kinderen van Korach, krijgen de opdracht om deze prachtige psalm tot hun eigen lied te maken. Zij waren gespaard gebleven toen hun vader met heel zijn gezelschap en alle kinderen van zijn medestanders levend werd verzwolgen in hun zonde (Numeri 26:11). Zij waren de gespaarden van de soevereine genade. We weten niet waarom ze behouden bleven. God gunde het hun, en meer weten we niet. Misschien raakten ze na die bijzondere uitverkiezing tot barmhartigheid zo vol dankbaarheid dat ze zich op de heilige muziek gingen toeleggen, zodat hun gespaarde leven aan Gods eer gewijd zou zijn.

Hoe dan ook, ook wij zijn gered van de afdaling in de kuil, alleen omdat Jehova het zo behaagde. Daarom kunnen wij van harte meezingen met deze psalm, en met elk lied dat God looft en laat horen hoe ons hart naar Hem hijgt. David wordt niet als schrijver genoemd, maar deze psalm moet uit zijn pen komen. Hij is zó Davidisch dat je de zoon van Isaï er bijna in ruikt; in elke letter herken je zijn stijl en zijn ervaring. We zouden eerder het auteurschap van het tweede deel van Pilgrim’s Progress betwijfelen dan Davids recht om deze psalm te hebben geschreven.

Onderwerp

Dit is de roep van een man die ver weg is van de uiterlijke inzettingen en de eredienst van God. Hij verlangt naar het huis van zijn God, dat hij zo lang heeft liefgehad. Tegelijk hoor je er de stem in van een gelovige die gebukt gaat onder neerslachtigheid. Hij smeekt dat God Zich weer laat voelen, hij worstelt met twijfel en angst, en toch houdt hij vast aan zijn plaats door geloof in de levende God. De meeste leden van het huisgezin van de HEERE hebben gevaren op de zee die hier zo beeldend wordt geschilderd. Waarschijnlijk is Davids vlucht voor Absalom de aanleiding geweest voor dit Maschil.

Indeling

Het lied valt vanzelf uiteen in twee delen die met hetzelfde refrein eindigen: Psalm 42:2-6 en daarna Psalm 42:7-12.

Uitleg

Vers 2

“Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God.” Denk aan de arme, uitgeputte hinde na een lange droogte, die smacht naar een beek. Of nog beter: aan het opgejaagde hert dat uit instinct de rivier opzoekt om zijn rokende flanken te koelen en de honden af te schudden. Zo hijgt mijn vermoeide, vervolgde ziel naar de HEERE, mijn God.

David mocht niet meedoen aan de openbare eredienst, en dat maakte hem ziek van hart. Gemak zocht hij niet en eer wilde hij niet, maar de omgang met God was een dringende behoefte van zijn ziel. Hij zag die omgang niet alleen als het zoetste van alle genoegens, maar als iets wat hij echt nodig had, zoals een hert water nodig heeft. Hij leek op een uitgedroogde reiziger in de woestijn, wiens leren waterzak leeg is en die de putten droog vindt. Hij moet drinken of sterven. Hij moet zijn God hebben of bezwijken.

Zijn ziel, zijn hele zelf, zijn diepste leven kon maar niet verzadigd raken zonder het besef van Gods tegenwoordigheid. Zoals het hert schreeuwt, zo bidt zijn ziel. Geef hem zijn God, en hij is zo tevreden als het arme hert dat eindelijk zijn dorst lest en volkomen gelukkig is. Maar ontzeg hem zijn Heere, en zijn hart bonst, zijn borst klopt, zijn hele lichaam schudt van de krampen, als van iemand die naar adem snakt of buiten adem is van het lange rennen.

Ken je dit, lezer, omdat je hetzelfde zelf hebt gevoeld? Het is een zoete bitterheid. Het beste na leven in het licht van de liefde van de HEERE is dit: ongelukkig zijn zolang we dat licht missen, en er elk uur naar hijgen. Elk uur, zei ik? Dorst is een voortdurend verlangen dat je niet vergeet, en zo voortdurend is ook het verlangen van het hart naar God. Als het voor ons even natuurlijk is om naar God te verlangen als voor een dier om dorst te hebben, dan is het goed met onze ziel, hoe pijnlijk het ook voelt. Uit dit vers leren we dat we de hevigheid van ons verlangen aan God mogen voorleggen. Dat mag zelfs extra, want voor wie aanhoudend en vurig bidt, bestaan er bijzondere beloften.

Vers 3

“Mijn ziel.” Heel mijn wezen, mijn binnenste zelf. “Dorst.” Dat is meer dan honger. Honger kun je verzachten, maar dorst is vreselijk: je krijgt haar niet gestild, ze schreeuwt en ze kan je doden. Wat een gave om de allerdiepste hunkering te hebben naar het hoogste goed! Dat is zeker een kenmerk van genade, en geen twijfelachtig kenmerk.

“Naar God.” Niet alleen naar de tempel en de inzettingen, maar naar de gemeenschap met God Zelf. Alleen geestelijke mensen kunnen met deze dorst meevoelen; wie dat niet is, snapt er niets van. “Naar den levenden God.” Hij leeft, en Hij geeft de mensen het levende water. Daarom verlangen we des te vuriger naar Hem. Een dode god is een bespotting, en van zo’n monsterlijke godheid walgen we. Maar de eeuwig levende God, de bron van leven, licht en liefde die nooit opdroogt, is wat onze ziel begeert. Wat zijn goud, eer en genot anders dan dode afgoden? Laten we daar nooit naar hijgen.

“Wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?” Wie de HEERE liefheeft, houdt ook van de samenkomsten waar Zijn naam wordt aanbeden. Alle beweringen over geloof zijn leeg als de uiterlijke middelen van genade je niets zeggen. David was nergens zo thuis als in het huis van de HEERE. Alleen persoonlijke aanbidding was hem niet genoeg, en hij verliet de plaats waar de heiligen samenkomen niet, zoals sommigen gewoon zijn. Zie hoe ontroerend hij vraagt of hij zich weer mag voegen bij de blijde samenkomst! Hij spreekt zijn verlangen steeds opnieuw uit, alsof hij er niet over uitgepraat raakt.

Naar zijn God, zijn Elohim, de God Die hij mocht aanbidden en Die een verbond met hem had gesloten, smachtte hij zoals verwelkende bloemen smachten naar de dauw, of zoals de klagende tortelduif naar haar partner. Het zou goed zijn als we elke gang naar de gezamenlijke eredienst zagen als verschijnen voor God. Dan is het zeker een kenmerk van genade als we er vreugde in vinden. Helaas, hoeveel mensen verschijnen er alleen voor de predikant of voor hun medemensen en denken dat het zo genoeg is! “Het aangezicht van God zien” is een nauwkeuriger vertaling van het Hebreeuws. Maar de twee gedachten passen samen: hij wilde zijn God zien en door Hem gezien worden. Dat is het waard om naar te dorsten!

Vers 4

“Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht.” Zoute kost, maar gezond voor de ziel. Als iemand gaat huilen, aanhoudend en overvloedig, met tranen die zijn beker en zijn bord vullen, dan is het hem werkelijk ernst. Zoals het hert in zijn nood dikke tranen in de ogen heeft, zo glinsterden de zoute druppels in Davids ogen. Zijn eetlust was weg. Zijn tranen kruidden zijn eten niet alleen, ze werden zijn enige eten, want andere kost lustte hij niet. Misschien was het goed voor hem dat zijn hart de veiligheidskleppen kon openzetten. Droog verdriet is veel erger dan verdriet dat als een regenbui losbarst.

Zijn tranen vloeiden omdat God werd gelasterd. Daarom waren het “eerbare dauw”, druppels heilig water, zoals Jehova ze in Zijn fles bewaart. “Omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?” Wrede spot komt vanzelf uit laffe harten. Ze hadden de treurende toch met rust kunnen laten, zou je zeggen. Meer dan hij al huilde, kon hij toch niet huilen. Het was overbodige boosaardigheid om nog meer tranen uit een hart te pompen dat al overliep. Merk op hoe onophoudelijk ze hem bespotten, en hoe sluw ze het inkleedden! Het sneed de goede man door merg en been dat de trouw van zijn God in twijfel werd getrokken. Ze hadden hem beter naalden in zijn ogen kunnen steken dan sneren naar zijn God te schieten.

Misschien wordt hier gezinspeeld op Simeï, die David op deze manier bespotte toen hij voor Absalom vluchtte. Hij beweerde ronduit dat David een bloedmens was en dat God hem strafte omdat hij Saul en zijn huis had verdrongen. Zijn wens was de vader van zijn gedachte. De goddelozen weten dat ons ergste ongeluk zou zijn als we Gods gunst kwijtraakten. Daarom beweert hun duivelse boosaardigheid dat dat ook zo is. Eer aan God: ze liegen dat ze barsten! Want onze God is in de hemelen, ja, en ook in de oven, waar Hij Zijn volk bijstaat.

Vers 5

“Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij.” Terwijl hij bij zijn smart bleef stilstaan, smolt zijn hart tot water en werd het over zichzelf uitgegoten. Een God Die Zich verbergt en vijanden die woeden: die twee kwaden zijn genoeg om het sterkste hart te breken! Toch hebben zulke sombere gedachten geen zin, want ze leveren niets op. Je ziel op zichzelf richten en haar uit zichzelf in zichzelf leegschenken is nutteloos. Hoeveel beter is het om je hart voor de HEERE uit te storten! De tredmolen van een gevangene brengt hem eerder in de hemel dan dat louter innerlijk vragen stellen ons dichter bij troost brengt.

“Omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis.” De herinnering aan vroegere vreugde wekte pijnlijke gedachten op. Hij had zich gemengd onder de vrome menigte. Hun aantal had hem opgebeurd en heilige blijdschap in hem gewekt. Hun gezelschap was een vreugde voor hem geweest toen hij met hen de berg Sion opging. Rustig, met heilig gemak, in een mooie optocht en met veel zang waren hij en het volk van Jehova in eerbiedige rijen opgetrokken naar de plaats van het offer, de dierbare woning van vrede en heiligheid. Nu hij ver weg is van zo’n gezelschap, schildert de heilige man zich het gewijde tafereel voor ogen en blijft hij bij elk detail van de feestelijke tocht stilstaan.

“Met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.” Hij hoort het feestgedruis nog in zijn oren en ziet de plechtige dans nog voor zijn ogen. Misschien zinspeelt hij op de overbrenging van de ark en op de schitterende bijeenkomsten van de stammen op die grote nationale feestdag. Wat is zijn plek nu veranderd! In plaats van Sion een woestijn. In plaats van priesters in wit linnen soldaten in oorlogskleding. In plaats van lied de hoon van de lastering. In plaats van feestvreugde weeklagen. In plaats van vreugde in de HEERE een treurig klaaglied om Zijn afwezigheid.

Vers 6

“Wat buigt gij u neder, o mijn ziel?” Alsof hij twee mensen is, spreekt de psalmist tot zichzelf. Zijn geloof redeneert met zijn angst, zijn hoop strijdt met zijn verdriet. Blijven deze moeilijkheden eeuwig duren? Is de blijdschap van mijn vijanden meer dan ijdel gepraat? Is mijn afwezigheid bij de plechtige feesten een verbanning voor altijd? Waarom die diepe somberheid, dat ongelovige bezwijmen, die kippenhartige zwaarmoedigheid? Zoals Trapp zegt: “David berispt David uit zijn somberheid.” Daarin is hij een voorbeeld voor alle moedelozen. De oorzaak van ons verdriet opsporen is vaak het beste medicijn ertegen. Onwetendheid over onszelf is geen zaligheid; hier is ze ellende. De mist van onwetendheid maakt de oorzaken van onze schrik groter. Als je helderder ziet, krimpen monsters tot kleinigheden.

“En zijt onrustig in mij?” Waarom is mijn rust weg? Als ik geen openbare sabbat kan houden, waarom onthoud ik mijn ziel dan haar sabbat binnenshuis? Waarom ben ik zo onrustig als een woelige zee, en waarom maken mijn gedachten lawaai als een joelende menigte? De redenen zijn niet genoeg om je zo volledig aan moedeloosheid over te geven. Kom, mijn hart! Wat scheelt je? Gedraag je als een man, dan veranderen je neerbuigingen in opbeuringen en je onrust in kalmte.

“Hoop op God.” Ook als alle kwaad uit de doos van Pandora is losgelaten, ligt er op de bodem nog hoop. Dat is de genade die blijft drijven, hoe woest en onstuimig de golven ook zijn. God is onveranderlijk, en daarom is Zijn genade de grond voor een hoop die niet wankelt. Al is alles donker, de dag komt, en intussen draagt de hoop sterren in haar ogen. Haar lampen hebben geen olie van buiten nodig. Haar licht wordt gevoed door verborgen bezoeken van God, en die houden de geest op de been.

“Want ik zal Hem nog loven.” Mijn zuchten zullen nog plaatsmaken voor liederen, en mijn treurzangen worden nog ingewisseld voor zegezangen. Als we Gods liefde even niet voelen, hebben we die liefde zelf niet verloren. Het juweel is er nog, ook al schittert het niet op onze borst. De hoop weet dat haar aanspraak geldig is, ook als ze de akte niet duidelijk kan lezen. Ze verwacht de beloofde gave, ook al staat de tegenwoordige voorzienigheid met lege handen voor haar.

“Want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.” Verlossing komt van Gods gunstige gezicht, en Hij zal Zijn aangezicht nog over ons laten stralen. Merk op dat Davids grootste hoop en vurigste wens besloten liggen in Gods glimlach. Zijn aangezicht zoekt hij en hoopt hij te zien. Dat zal zijn neerslachtige geest herstellen, zijn lachende vijanden beschamen en hem alle vreugde teruggeven van die heilige, gelukkige dagen waar zijn herinnering bij blijft hangen.

Wat een bemoediging is dit! Dit vers maakt, zoals het zingen van Paulus en Silas, boeien los en laat gevangenismuren schudden. Wie in zijn donkere uren zulke heldhaftige woorden kan gebruiken, zal zeker overwinnen. In de tuin van de hoop groeien de lauweren van komende overwinningen, de rozen van aanstaande vreugde en de lelies van naderende vrede.

Vers 7

“O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij.” Hier begint het lied opnieuw, op de bas. Een zo mooi slot verdient het dat de psalm voor een tweede hoopvol einde nog eens van voren af aan begint. Misschien hield de somberheid van de psalmist aan en kwam de kramp van moedeloosheid terug. Goed, dan pakt hij zijn harp weer op en beproeft hij haar kracht opnieuw op zichzelf. In zijn jonge jaren had hij immers gezien wat zij uitrichtte bij Saul, toen de boze geest over hem kwam.

Nu begint het lied de tweede keer dichter bij God dan de eerste keer. De zanger is ook wat rustiger geworden. Hij laat zijn verlangen niet meer zo luid horen en je ziet hem niet meer hijgen. Zijn verdriet blijft ook niet helemaal binnenshuis. Hij was in zichzelf of over zichzelf neergebogen, en dat gebeurt inderdaad zolang onze gedachten meer naar binnen kijken dan naar boven. Als we zelf voor troost moesten zorgen, zouden we maar armoedig voer hebben. In de wisselende stemmingen van ons hart is geen vaste grond voor troost te vinden. Het is goed om de HEERE te vertellen hoe we ons voelen, en hoe eenvoudiger die belijdenis is, hoe beter. David praat als een ziek kind tegen zijn moeder, en dat moeten we van hem leren.

“Daarom gedenk ik Uwer.” Het is goed om naar onze God te vluchten. Hier is vaste grond onder de voeten, hier is terra firma. Gezegend is het neerbuigen dat ons drijft naar zo’n vaste rots van toevlucht als U, o HEERE! “Uit het klein gebergte” (Engels: de heuvel Mizar). Hij haalt de tijden terug waarin hij heerlijk met God omging, aan de rivier en tussen de heuvels. Vooral denkt hij aan dat dierbaarste uur op het heuveltje, waar de liefde haar zoetste woorden sprak en haar innigste gemeenschap liet zien. Het is verstandig om zulke bijzondere ontmoetingen met de hemel in ons geheugen op te slaan. Misschien hebben we ze op een andere dag hard nodig, als de HEERE er lang over doet om Zijn verbannenen terug te brengen en onze ziel pijn doet van angst.

“Zijn liefde in vervlogen tijden” is voor menigeen die bijna bezweek een kostbare hartsterking geweest. Als een zachte adem heeft ze de rokende vlaswiek weer tot vlam aangeblazen en het gekrookte riet verbonden. O, dal Achor, nooit te vergeten, jij bent een deur van hoop! Mooie dagen van vroeger, jullie zijn voorbij, maar jullie hebben een licht achtergelaten dat onze somberheid van nu opvrolijkt.

Of bedoelt David dat hij God zou gedenken waar hij ook was? Zegt hij dat hij, tijd en plaats vergetend, de Jordaan even heilig zou vinden als Siloam, de Hermon even heilig als Sion, en zelfs Mizar, dat onbetekenende heuveltje, even heerlijk als de bergen rondom Jeruzalem? O, het is een hemels hart dat zo kan zingen:

“Geen plaats, geen tijd houdt mij nog vast; mijn land is overal;
Ik kan gerust zijn, vrij van zorg,
Aan elke kust, want God is daar.”

“Werd ik verbannen waar Gij niet zijt,
Dan wachtte mij een bitter lot;
Maar nergens is het mij te ver,
Want overal vind ik mijn God.”

Vers 8

“De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten.” Wat U met mij doet, lijkt heel de schepping tegen mij in het geweer te brengen. Hemel, aarde en hel roepen elkaar toe en hitsen elkaar op tot een vreselijk complot tegen mijn vrede. Bij een waterhoos reiken de diepten boven en beneden elkaar de hand. Zo leek het ook voor David alsof hemel en aarde de handen ineensloegen om een storm om hem heen te laten losbarsten. Zijn ellende hield niet op en zijn rampen sloegen hem bijna murw. Golf volgde op golf, de ene zee beantwoordde het gebrul van de andere.

Lichamelijke pijn wekte angst in zijn geest, ingevingen van de satan klonken mee met wantrouwige voorgevoelens, en de druk van buitenaf dreunde in vreselijke harmonie met de angst van binnen. Zijn ziel leek te verdrinken in een allesomvattende zondvloed van benauwdheid. Boven die golven bewoog de voorzienigheid van de HEERE als een waterzuil, in ontzagwekkende majesteit, en joeg hem de grootste schrik aan.

Wie zo wordt getroffen, lijkt op een eenzame boot waar een storm omheen losbreekt, of op een schipbreukeling die op een mast ronddrijft en bijna elk ogenblik onder water verdwijnt. “Al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.” David meende dat alle ellende van de wereld in hem was samengekomen. Daarin overdreef hij, want alle brekende golven van Jehova zijn over niemand heengegaan dan over de Heere Jezus. Er is leed waarvan Hij Zijn kinderen in Zijn liefde altijd vreemd laat blijven. Verdriet vertelt zijn verhaal nu eenmaal groot en sterk aangezet. Het is genade dat de HEERE ons uiteindelijk niet heeft behandeld naar onze angst.

Toch, wat een nood! Atlantische golven die onophoudelijk over je hoofd rollen, waterhozen die steeds dichterbij komen, en de hele oceaan in woeling rond de uitgeputte zwemmer. De meeste erfgenamen van de hemel kunnen zich dit beeld goed voorstellen, want zij hebben hetzelfde meegemaakt. Wie pas net tot geloof is gekomen kent zo’n diepe ervaring nog niet. Maar wie zaken doet op de grote wateren van de verdrukking kent haar maar al te goed. Voor hen is er maar één troost: de baren en de golven zijn van de HEERE. “Uw baren en Uw golven,” zegt David. Ze zijn allemaal door Hem gestuurd en geleid, en ze brengen Zijn bedoelingen tot stand. Een kind van God dat dit weet, onderwerpt zich daardoor des te gewilliger.

Vers 9

“Maar de HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden.” Wat er ook gebeurt, er zal altijd “iets verborgens” zijn dat alles verzoet. Goedertierenheid is een prachtige reddingsgordel op woeste zee. De dag mag dan verduisteren tot een vreemde, ontijdige middernacht, maar de liefde van God is van oudsher bestemd voor de uitverkorenen, en bij soeverein besluit wordt ze hun toebedeeld. Er komt nooit een dag waarop een erfgenaam van de genade helemaal door zijn Heere verlaten blijkt te zijn. De HEERE regeert, en als soeverein gebiedt Hij met gezag dat barmhartigheid voor Zijn uitverkorenen wordt bewaard.

“En des nachts.” Beide delen van de dag worden verlicht door bijzondere liefde, en geen zware beproeving kan dat verhinderen. Onze God is de God van de nachten, net zo goed als van de dagen. Wie Zijn Israël zoekt, op welk uur ook, zal het nooit onbeschermd aantreffen. “Zal Zijn lied bij mij zijn.” Lofliederen om ontvangen zegen verlichten de somberheid van de nacht. Er is geen zoetere muziek dan dit. Het geloof dat we de HEERE nog zullen eren voor barmhartigheid die we in de diepste nood kregen, is een heerlijke steun voor de ziel. Verdrukking kan onze kaars uitblazen, maar zolang ze ons lied niet kan smoren, steken we de kaars snel weer aan.

“Het gebed tot den God mijns levens.” Gebed gaat samen met lofprijs. Hij Die de levende God is, is de God van ons leven. Van Hem ontvangen we het, met Hem leven we het, in gebed en in lofprijs, aan Hem wijden we het en in Hem zullen we het voltooien. Als we zeker weten dat onze zuchten en onze liederen allebei vrij toegang hebben tot onze heerlijke Heere, hebben we reden tot hoop, hoe jammerlijk onze toestand ook is.

Vers 10

“Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet Gij mij?” Het geloof mag zijn God vragen waarom Hij ontstemd is. Het mag zelfs met Hem redetwisten, Hem aan Zijn beloften herinneren en vragen waarom die blijkbaar niet worden waargemaakt. Als de HEERE werkelijk onze toevlucht is en we vinden geen toevlucht, dan is het tijd om te vragen: “Waarom is dit?” Toch mogen we ons houvast niet loslaten. De HEERE moet mijn rots blijven. We moeten ons vastklampen aan Hem als ons enige vertrouwen en nooit afstand doen van ons deel in Hem.

“Waarom ga ik in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?” Hij Die toestaat dat Abraham, Zijn vriend, met Hem pleit, laat ook ons toe om Hem te vragen waarom Hij zo streng voor ons is. Hij kan toch geen behagen scheppen in de gezichten van Zijn dienaren, vuil en bevlekt van de tranen? Hij vindt geen voldoening in de hardheid waarmee hun vijanden hen aanvallen. Nooit kan Hij behagen scheppen in de tirannie waarmee de satan hen kwelt. Waarom laat Hij hen dan over aan de spot van Zijn vijanden, die ook de hunne zijn? Hoe kan de sterke God, zo vast en onwrikbaar als een rots, ook zo hard en onbewogen als een rots zijn tegenover wie op Hem vertrouwen?

Zulke vragen, nederig en volhardend gesteld, geven de ziel vaak lucht. Wie de reden van zijn lijden kent, weet voor een deel al hoe hij eraan kan ontkomen, of het in elk geval kan verdragen. Als we er niet aandachtig over nadenken, lijkt tegenspoed vaak geheimzinniger en hopelozer dan ze werkelijk is. Het is treurig als iemand een ledemaat verliest. Maar als we horen dat de operatie nodig was om het leven te redden en dat ze goed is gelukt, zijn we blij. Zo wordt ook de beproeving veel gemakkelijker te dragen naarmate de bedoeling van de HEERE, Die haar zendt, zich ontvouwt.

Vers 11

“Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders.” Wrede spot snijdt dieper dan het vlees. Ze raakt de ziel, alsof er een degen tussen de ribben wordt gestoken om het hart te doorboren. Smaad doodt niet, maar ze is wel moordend: de pijn die ze veroorzaakt is om gek van te worden. De tong snijdt tot op het bot, en haar wonden genezen moeilijk.

“Als zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?” Dit is de gemeenste steek van allemaal, want ze treft zowel de trouw van de HEERE als het karakter van Zijn dienaar. Davids vijanden waren zo boosaardig dat ze, toen ze eenmaal aan die wrede vraag hadden gedacht, hem ook echt stelden. Ze zeiden het dagelijks, ze bleven het hem voorhouden, en dat een lange tijd. Dat voortdurende keffen van die honden achter zijn hielen was zeker genoeg om hem razend te maken. Misschien was dat ook gebeurd, als hij niet zijn toevlucht tot het gebed had genomen en de vervolging door zijn vijanden tot een pleitgrond bij zijn Heere had gemaakt.

Vers 12

“Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij?” Terwijl hij zijn leed opsomt, ontdekt hij dat hij toch geen goede reden heeft om onrustig te zijn. Nu hij ze recht in het gezicht keek, bleken zijn angsten niet zo overweldigend als toen ze nog in duisternis gehuld waren.

“Hoop op God.” Laat het anker maar blijven houden. God is trouw, God is liefde, dus is er alle ruimte en reden voor hoop. “Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.” Dit is dezelfde hoopvolle uitdrukking als in vers zes. Maar door de toevoeging “en mijn God” zien we dat de schrijver in vertrouwen was gegroeid. Nu kon hij uitdagend antwoorden op de vraag: “Waar is uw God?” Hier, zelfs hier, is Hij, bereid om mij te verlossen. Ik schaam mij niet om Hem te erkennen te midden van jullie spot en hoon, want Hij zal mij uit jullie handen redden.

Zo maakt het geloof een eind aan de strijd: in feite al bij voorbaat overwinnaar, en in het hart door vast vertrouwen. Het droevigste gezicht zal weer gaan stralen, als we God op Zijn woord geloven en Zijn redding verwachten.

“Want nog weet ik: ik zal Hem loven,
Die in Zijn grote gunst voor mij
Het heil is van mijn aangezicht;
Ja, mijn eigen God is Hij.”

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Titel

“Kinderen van Korach.” Wie waren die kinderen van Korach? Er zijn ongeveer drie meningen die min of meer de overhand hebben gehad. De eerste is dat zij afstamden van iemand met die naam uit de dagen van David. Mudge en anderen denken dat de kinderen van Korach een gezelschap van musici waren, opgericht of geleid door een zekere Korach. Anderen houden hen voor de overlevende nakomelingen van die ongelukkige man. Hij kwam om samen met tweehonderdvijftig van zijn volgelingen, stuk voor stuk vorsten, toen “de aarde haar mond opendeed, en verslond hen met Korach”.

In Num. 26:11 lezen we: “Maar de kinderen van Korach stierven niet.” Zij hadden de waarschuwing ter harte genomen en waren weggegaan uit de tenten van die goddeloze mensen. Num. 16:24, 26. Wel moeten we toegeven dat de naam Korach en de afstammingsnaam Korahiet op zo’n manier in de Schrift voorkomen dat er flinke twijfel ontstaat over de man naar wie de Korahieten nu precies genoemd zijn. Zie 1 Kron. 1:35; 2:43; 6:22, 54; 9:19; 26:1; 2 Kron. 20:19. Toch is de gangbaarste opvatting dat zij afstammen van degene die omkwam in zijn tegenspraak. Ainsworth houdt dat met volle zekerheid vol, en ook Gill en anderen.

De Korach die omkwam, was een Leviet. Wat hun oorsprong ook was, één ding is duidelijk: de kinderen van Korach waren een Levitisch geslacht van zangers. Niets kon dus passender zijn dan een heilig lied op te dragen aan juist dat volk. — William S. Plumer.

Titel

“Kinderen van Korach.” De Korach om wiens “kinderen” het hier gaat, is de Leviet die aan het hoofd stond van de opstand tegen Mozes en Aäron in de woestijn. Num. 16:1 – 17:15. Zijn nakomelingen vinden we in Davids tijd terug als een machtig Levitisch geslacht. Tenminste, als ze, en dat is waarschijnlijk, dezelfde zijn als de Korahieten uit 1 Kron. 12:6. Net als onze eigen strijdlustige bisschoppen van vroeger wisten zij kennelijk het priestergewaad te verwisselen voor het harnas van een soldaat. Hun hand kon het zwaard hanteren, maar ook de harp bespelen.

De Korahieten hoorden bij de schare die David in Ziklag als hun leider erkende. Het waren krijgslieden van wie, zo staat er, “hun aangezichten waren aangezichten der leeuwen; en zij waren als de reeen op de bergen in snelheid”. Volgens 1 Kron. 9:17-19 bewaakten de Korahieten in Davids tijd de drempel van de tabernakel. Nog eerder, in de tijd van Mozes, waren zij wachters bij de ingang van het kamp van de Levieten. In 1 Kron. 26:1-19 zien we twee takken van dit geslacht, verbonden met dat van Merari, als bewakers van de poorten van de tempel. Waarschijnlijk wordt op dit ambt gezinspeeld in Ps. 84:11.

Maar de Korahieten waren ook beroemde musici en zangers. Zie 1 Kron. 6:16-33, waar Heman, een van de drie beroemde musici van die tijd, een Korahiet wordt genoemd (vergelijk 1 Kron. 25:1-31). De muzikale faam van het geslacht bleef bestaan tot in de tijd van Josafat, 2 Kron. 20:19. Daar vinden we de bijzondere dubbele meervoudsvorm ((Hebr.)), “Kinderen der Korahieten.” — J. J. Stewart Perowne.

Titel

“Kinderen van Korach.” Middeleeuwse schrijvers merken op dat het hier, zoals zo vaak, Gods wil was om heiligen te laten opstaan waar je ze het minst zou verwachten. Wie zou denken dat uit het nageslacht van de man die zei: “Het is te veel voor u”, mensen zouden voortkomen wier lieflijke psalmen het erfdeel van de gemeente van God zouden zijn tot het einde van de tijd? — J. M. Neale.

Vers 2

“Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen.” Hier hebben we weer een van Salomo’s lievelingen opgejaagd en over de vlakte laten springen. Wat zijn die gazellen sierlijke dieren, en wat springen ze gracieus! … De heilige schrijvers noemen gazellen vaak met verschillende namen: herten, reeën en hinden… Ik heb grote kudden van die hijgende herten zien samenkomen bij de waterstromen in de grote woestijnen van Midden-Syrië. Ze waren zo uitgeput van de dorst dat je vlak bij hen kon komen voordat ze vluchtten. — W. M. Thomson.

Vers 2

Weinig denken de dronkaards, die zoveel plezier hebben in de huizen van Bacchus, dat godvruchtige mensen veel meer plezier hebben, en veel meer vreugde vinden, in de huizen van God. Maar dat heeft God al lang geleden door de profeet beloofd: “Die zal Ik ook brengen tot Mijn heiligen berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken.” Jes. 56:7. En ik meen het volk van Gods macht te horen, dat elkaar bereidwillig en opgewekt toeroept met de woorden van Micha 4:2: “Komt en laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, en ten huize van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.”

Wat wordt een godvruchtig mens gegrepen door “de heerlijkheid des heiligdoms”, wanneer hij op zulke samenkomsten is! Wat werd de heilige David getroffen als hij in het huis van God te Jeruzalem was! Als hij er maar korte tijd van werd weggehouden, hijgde zijn ziel ernaar, verlangde ze ernaar en bezweek ze van gemis, net als een dorstig hert bij gebrek aan water! “Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?”

De arme, troosteloze ballingen gaven het de voorkeur boven de dierbaarste plek in hun herinnering. “Indien ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mijn rechterhand zichzelve!” Ps. 137:5. Ja, zij gaven het zelfs de voorkeur boven hun grootste vreugde: “Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke, zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap!”, Ps. 137:6. Er was geen plaats ter wereld die David daarmee kon vergelijken, of waar hij liever wilde zijn. “Een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid”, Ps. 84:11.

Hij kon het zelfs in zijn hart vinden, ja, hij zou het kiezen, als hij zijn zin mocht krijgen, om al zijn dagen in dat huis door te brengen. Ps. 27:4. — Zachary Bogan.

Vers 2

De ziel verlangt hevig naar kennismaking met God, hier in Zijn verordeningen. Chrysostomus wordt bij deze tekst zeer welsprekend. Hij vertelt ons hoe David, als een minnaar in afwezigheid, zijn liefde moet uiten. Zulke minnaars hebben hun fijne zuchten en hartstochtelijke klachten, hun liefdevolle uitroepen en velerlei blijken van genegenheid. Ze kunnen geen boom tegenkomen of ze moeten in de schors de naam van hun beminde kerven, (Gr.); hun liefde slingert zich bij elke gelegenheid om alles heen, zoals de Zedenkundige zegt. Zo denken ook de ware liefhebbers van God altijd aan Hem. Ze zuchten naar Hem, hijgen naar Hem, spreken over Hem, en zouden (als het mogelijk was) de naam van de Heere Jezus willen graveren in de borst van alle mensen ter wereld.

Kijk naar David: nu een balling, gevlucht voor het aangezicht van Saul. Zie hoe hij zich gedraagt. Niet zoals Themistocles of Camillus, of andere dappere verbannen helden. Hij klaagt niet over de ondankbaarheid van zijn land, de boosaardigheid van zijn tegenstanders en zijn eigen ongelukkige afloop. Nee, in plaats van te mopperen begint hij te hijgen, en dat alleen naar zijn God. Hij is verbannen uit het heiligdom, het paleis waar Gods nabijheid het sterkst is en waar Hij bij voorkeur verblijft. Hij kan de heerlijkheid der heiligheid niet genieten, en alle andere plaatsen lijken hem niet meer dan de tenten van Kedar.

Hij is verbannen uit de tempel, en hij denkt dat hij van zijn God is verbannen, zoals blijkt uit de volgende woorden: “Wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?” Alle uitleggers gaan deze kant op: het gaat om zijn hevige verlangen om de tempel te bezoeken, die beminnelijke voorhoven van zijn God, waarmee zijn ziel zo was ingenomen. — Nathanael Culverwel’s “Panting Soul”, 1652.

Verzen 2-4

Deze drie verzen laten zien hoe vaak de naam Elohim voorkomt in het tweede boek van de Psalmen. We nemen hier de vertaling van Fry over voor de eerste drie verzen. —

Zoals het hert uitziet naar de waterbronnen,
Zo ziet mijn ziel uit naar U, o Elohim.

Mijn ziel dorst naar Elohim, naar de levende El:
Wanneer zal ik gaan en het aangezicht van Elohim zien?

Mijn tranen zijn mij tot spijs geweest dag en nacht,
Terwijl zij voortdurend tot mij zeggen: Waar is uw Elohim?

Vers 4

“Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht.” De psalmist kon door zijn diepe verdriet niets meer eten. — John Gadsby.

Vers 4

“Omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?” Let op: ze praten niet alleen over mij, ze zeggen het tot mij. Ze zeiden het David recht in zijn gezicht, als mensen die klaarstonden om te verdedigen en hard te maken dat God hem had verlaten. Wie achter iemands rug kwaadspreekt, is laag. Maar wie iemand openlijk beschimpt, is bovendien vrijmoedig, schaamteloos en brutaal. En precies daaraan maakten Davids vijanden zich hier schuldig. — Thomas Horton.

Vers 4

“Waar is uw God?” Gods kinderen kunnen slecht tegen smaad, voor zover ze mensen zijn. Maar voor zover ze christenen zijn, kunnen ze vooral slecht tegen smaad op hun geloof: “Waar is uw God?” Deze spotters waren niet zulke wanhopige atheïsten dat ze dachten dat er geen God bestond, of zelfs maar twijfelden of er wel een God was — al scheelde het niet veel. Nee, ze beschimpen hem liever met zijn eigenzinnigheid. Waar is jouw God? Jij bent zo’n lieveling van God! Jij dacht dat niemand God diende behalve jij! Jij gaat je eigen weg, met jouw God!

Dit is dus een gewone vorm van smaad, een vaste rol voor goddeloze mensen: de beste mensen zoiets naar het hoofd slingeren, vooral als ze in nood zijn. Wat is er nu van je belijdenis geworden? Wat is er van je ijver en je nauwgezetheid terechtgekomen? Wat is er geworden van die God met Wie je zo opschepte, en in Wie je je zo gelukkig waande, alsof Hij van niemand anders was dan van jou?

Hieruit leren we hoe goddeloze mensen in elkaar zitten. Iemand zijn godsdienst verwijten is het kenmerk van een giftige, vervloekte gezindheid. Maar wat willen ze er eigenlijk mee bereiken? Hun bedoeling is erger dan de woorden “Waar is uw God?” zelf. Ze willen zijn geloof en zijn vertrouwen op God aan het wankelen brengen. En juist dat raakte David zo diep toen ze hem dit verweten. Want de duivel weet maar al te goed dat het zinloos is om iemand lastig te vallen zolang God en de ziel met elkaar verbonden zijn. Daarom spant hij zich in om achterdocht te zaaien.

Hij klaagt God aan bij de mens, en de mens bij God. Hij weet dat niets in de wereld tegen God op kan. Zolang we God tot ons vertrouwen maken, mislukken al zijn plannen. Zijn doel is dus ons vertrouwen op God aan het wankelen te brengen.

Zo ging hij ook te werk bij het Hoofd van de gemeente, onze gezegende Zaligmaker Zelf, toen hij kwam om Hem te verzoeken: “Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze stenen broden worden.” Matth. 4:3. Hij begint met een “indien”. Zo probeerde hij Hem aan Zijn Zoonschap te laten twijfelen. Sinds de duivel voor eeuwig van God Zelf is gescheiden, is hij een geest van verdeeldheid geworden. Hij probeert zelfs God de Vader te scheiden van Zijn eigen Zoon: “Indien Gij Gods Zoon zijt?” Op dezelfde manier probeert hij christenen los te rukken van hun Hoofd, Christus.

“Waar is uw God?” Dáár ging het hem om: als hij kon, wilde hij verdeeldheid zaaien tussen het hart van de mens en God. God moest verdacht worden gemaakt, alsof Hij die mens niet meer telde. Dan fluistert hij: je hebt je veel moeite getroost om je God te dienen, maar zie nu eens hoe Hij naar je omkijkt! “Waar is uw God?” — Richard Sibbes.

Vers 4

Wat een kracht hebben de spot en de smaad van goddelozen om het geloof te doen wankelen van iemand die toch al neerslachtig is! En wat een bijzondere pijn is het voor een ziel die God liefheeft, als zijn vijanden Hem oneer aandoen! — Henry March, in “Sabbaths at Home”, 1823.

Vers 4

“Waar is uw God?”

“Waar is nu uw God!” O, welk een smart,
Dat woord elk uur opnieuw te horen,
En dan de morgen waar ik naar verlang
Zo somber te zien als het duister van vandaag.

Toch zou mijn ziel niet zo bezwijken,
Niet zo bedroefd zijn en beschaamd,
Als niet die zwaardere pijn mij trof:
Dat ik de HEERE hoor lasteren.

“Waar is nu uw God!” Leer mij, o Heere,
Barmhartige, hierop te antwoorden:
“Hij is hier — al vallen vijanden mij aan,
Zijn uitgestrekte arm is mij nabij.”

Help mij zo de overwinning te behalen,
Nu ik het schild van het geloof opneem;
Heere, verschijn in Uw heerlijkheid
En help mij, om Uw eigen eer.

— Henry March.

Vers 5

“Ik gedenk daaraan”, enzovoort. Wie in ellende zit, lijdt nog méér als hij ooit gelukkig is geweest. Voor David was het een reden voor nieuwe tranen toen hij zich zijn vroegere vreugde herinnerde. Er was een tijd, zegt de arme ziel, dat ik met troost aan God dacht, en dat ik Hem mijn eigen God mocht noemen. Een God kwijtraken die ik eens bezat is het verlies van al mijn verliezen, en van al mijn angsten de ergste. Er was een tijd dat ik naar Hem toe kon gaan, kon bidden en daarin mijn hart kon luchten. Maar nu heb ik geen vrijmoedigheid meer, geen hoop, en bereik ik niets met bidden. Ik kan Hem niet meer mijn Vader noemen.

Er was een tijd dat ik de Bijbel kon lezen, de beloften kon verzamelen en het land Kanaän als mijn eigen erfdeel kon overzien. Maar nu durf ik niet meer in het Woord te kijken, uit angst daar mijn eigen veroordeling te lezen. De sabbat was voor mij vroeger als een van de dagen van de hemel. Nu is hij, net als alle andere dagen, een droeve en treurige dag. Vroeger verheugde ik mij in de naam van Christus: “ik heb groten lust in Zijn schaduw, en zit er onder”. Hoogl. 2:3. In Zijn ogen was ik iemand die genade vond. Maar nu is mijn ziel als de woestijnen van Arabië en word ik verschroeid door brandende hitte.

Van wat een hoogte ben ik gevallen! Wat stond ik er eens mooi voor, met het oog op de hemel en de zaligheid, en nu sta ik op het punt die te missen! Ik bloeide eens in de voorhoven van de HEERE, en nu is al mijn vrucht verdord en weggevaagd. “dauw vernachtte op mijn tak”, maar nu ben ik als de bergen van Gilboa: er valt geen regen op mij. Had ik nooit van de hemel gehoord, dan zou ik niet zo ellendig zijn als nu. Had ik God nooit gekend, dan was het verlies van Hem niet zo verschrikkelijk als het nu dreigt te zijn. Job 29:2-3. — Timothy Rogers.

Vers 5 (eerste zinsdeel)

Alleen al de herinnering aan de eredienst voor God geeft zoveel zaligheid dat zij een ziel van wanhoop kan redden. — J. P. Lange’s Commentary.

Vers 5

“Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij.” De kern van het gebed is juist dit: je ziel uitstorten voor God. — Thomas Brooks.

Vers 5

“Omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.” De genadige God vindt het een eer om veel bedelaars te hebben die zich verdringen bij de Schone Poort van Zijn tempel, om geestelijke en lichamelijke aalmoezen te ontvangen. Wat een eer is het voor onze grote Landheer dat menigten pachters naar Zijn huis samenstromen om de pacht van hun dank en aanbidding te betalen, voor alles wat zij van Hem als leen bezitten! Hoe luid en lieflijk klinkt het geluid van zoveel gouden bazuinen!

Goede Heere, wat een echo maken zij in de oren van de hemel! Wanneer veel bekwame musici samen spelen op goed gestemde en klaargemaakte instrumenten, kan die muziek niet anders dan God Zelf verrukken. — George Swinnock.

Vers 5

Bedenk eens hoeveel tranen en verdriet David had om het gemis van de openbare verordeningen, de eredienst en de samenkomsten. Bedenk hoe vurig hij bad om ze weer te mogen meemaken, zelfs toen hij nog gelegenheid had voor persoonlijke vroomheid. Dan zul je de bediening van het Woord zeker geen kleine barmhartigheid vinden. Zie zijn droefheid toen hij uit Gods heiligdom werd verdreven: “Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis.”

“Stort mijn ziel uit in mij”: dat wil zeggen, het verdriet overweldigt mij en ik ben bijna dood wanneer ik mijn huidige toestand vergelijk met mijn vroegere geluk in de godsdienstige samenkomsten. Het woord “uitstorten” is treffend gekozen. Het wordt gebruikt voor water of iets anders dat vloeit, en in de Schrift staat het voor overvloed. Joël 2:28. Mijn leven wordt als het ware uitgegoten als water op de grond, dat niemand weer bijeen kan rapen, wanneer ik aan mijn vroegere barmhartigheden denk en mijn huidige ellende overweeg…

Het verlies van zijn vader, moeder, vrouwen, kinderen, land en vrijheid, ja, zelfs van zijn leven, zou hem niet zo diep hebben geraakt als het verlies van de openbare verordeningen. Zo groot als zijn droefheid was om het gemis, zo ernstig was zijn smeking om ze weer te mogen genieten. Hoeveel gebeden zendt hij niet op voor de vrijheid van de tabernakel! Ps. 43:3-4; 27:4, 8. Het is het ene ding, het allerbelangrijkste dat hij van God afsmeekt. — Henry Smith.

Vers 5

Waar de ziel naar neigt, blijkt opvallend uit de dingen waar ze met weemoed aan terugdenkt. — Henry March.

Vers 5

“Onder de feesthoudende menigte.”

Al is het stille gebed in het verborgen kostbaar,
Het samen bidden heeft meer beloften, meer liefde:
En liefde weegt zwaar voor het hart, is voor het oog een teken.
Wij zijn maar koele smekelingen; laten wij dus gaan
Waar het het warmst is. Laat je aarzelen varen;
Bid met de velen: want waar de velen bidden, is de hemel.

— George Herbert, in “The Temple.”

Vers 6

“Wat buigt gij u neder, o mijn ziel?” Athanasius gaf zijn vriend de raad om bij elke moeilijkheid meteen deze psalm te gaan lezen. Hij meende dat je een kwaal net zo goed kunt genezen met wat erop lijkt als met wat ertegenover staat. Want het is inderdaad opgemerkt dat de snaren van het ene instrument ook gaan meetrillen, als je de snaren van een ander aanraakt dat op dezelfde toon is gestemd, zolang ze maar op een geschikte afstand staan. Wil je dat zelf uitproberen? Stem dan je gevoelens af op dezelfde toonsoort waarin deze woorden werden gesproken.

Voel je werkelijk niets? Verbeeld je dan dat er een zware druk op je ligt. Plaats daarna, om des te meer bewogen te worden, je aandacht op een geschikte afstand. Kijk aandachtig naar deze heilige profeet. Zie hoe hij zich terugtrekt, de wereld buitensluit en zijn bedroefde ziel ter verantwoording roept, even bedroefd als zij: Quare tam tristis? (Waarom zo bedroefd?)

O mijn ziel! Jij die in mij bent ingegoten om mij het leven te geven, ja, zegt Philo de Jood, een vonk, een straal van de godheid. Jij die voor dit donkere lichaam van mij zou moeten zijn wat de zon is voor de aarde: verlichtend, levend makend, mijn geest opvrolijkend. Zeg mij: waarom ben je bewolkt? Waarom ben je neergebogen?…

Bedenk dit, jullie die de zwaarte van je ziel voelen. Bedenk het ook, jullie die haar niet voelen, want je zou haar kunnen gaan voelen. Weet dat er een droefheid is die “een onberouwelijke bekering tot zaligheid” werkt. Weet ook dat er een droefheid is die “den dood” werkt. Bedenk dat er tranen waren die de zondige Maria de hemel bezorgden. Bedenk ook dat er tranen waren die de zondige Ezau niets opleverden. Want bij het martelaarschap maakt niet het zwaard, het kokende lood of het vuur ons tot martelaar: niet wat we lijden, maar waaróm. Zo is het ook bij onze smarten: niet hoe diep ze snijden, maar waarom, bepaalt of ze gerechtvaardigd zijn.

Laat daarom ieder die een verontrust hart heeft, zijn ziel het “Waarom” vragen: “Wat buigt gij u neder?” Is het niet om je eigen zonden of om de zonden van anderen? Neem een van beide, en je ogen hebben een groot veld om te besproeien. Is het omdat je een kind van de toorn bent geweest, een dienaar van de duivel? Ben je een kaars die in de wind is gezet, waarop allerlei verzoekingen blazen? Of is het omdat je daarvan bevrijd wilt worden? “O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone!” Ps. 120:5.

Ben je zo verontrust als Sint Augustinus, toen hij las dat de weg naar de hemel smal is en dat er maar weinigen over reizen? Of heb je het voornemen van Sint Bernardus overgenomen? Hij had met zijn ziel een verbond gesloten om nooit blij te zijn voordat hij zijn Zaligmaker tot zich zou horen roepen: “Komt, gij gezegenden”, en om nooit op te houden met treuren voordat hij aan het bittere vonnis was ontkomen: “Gaat weg van Mij, gij vervloekten.”

Als een van deze dingen het Waarom is, de grond van je smart, als zulke gedachten je hebben neergebogen, weet dan dat je Zaligmaker je al gezegend heeft, want “Zalig zijn die treuren.” De engelen zijn je dienaren en verzamelen je tranen. God is je schatbewaarder: Hij bewaart ze in Zijn fles. De Heilige Geest is je trooster: Hij zal je niet verlaten. Wees dus niet bang om zo neergebogen te zijn, en niet bang om zo onrustig te zijn in je. — Brian Duppa (bisschop), 1588-1662, in een preek getiteld “The Soule’s Soloquie.”

Vers 6

“Wat buigt gij u neder, o mijn ziel?” Waarom? Wat kan de reden zijn dat deze tekst driemaal voorkomt in deze psalm en in de volgende? In het hele Boek der Psalmen vind je geen twee verzen van dezelfde lengte op zo’n manier gebruikt, behalve in Psalm 107, waar vaak wordt herhaald: “Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven”, enzovoort. Zeker, dat deze tekst en deze woorden zo vaak terugkomen, getuigt van het gewicht van de zaak en wijst ons erop…

Goddeloze mensen verdrukten David en de duivel verzocht hem, en toch berispt hij zijn eigen hart en niemand anders. David berispte Saul niet en Absalom evenmin, maar hij berispt en bestraft zijn eigen hart. “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel?” De duivel en goddeloze mensen verzoeken en verdrukken ons wel, als werktuigen van straf voor de zonde. Toch moeten wij met David ons eigen hart berispen.

Bedenk ook dit. In onze vertalingen staan de woorden lijdend weergegeven, zoals in het Engels: “Waarom word je neergeworpen?” Maar in de grondtekst staan ze werkend: ((Hebr.)) “Waarom buig (of druk) je jezelf neer, mijn ziel? En waarom woel je tegen mij?” Zo vertaalt ook Arias Montanus: Cur humiliasti te? Cur deprimes te anima mea? Zo ook Lorinus, Spr. 12:25. Als je de woorden zo leest, laten ze zien dat Gods eigen volk te diep kan worden neergebogen door het besef van zonde, en dat ze zelf het meest bezig zijn met hun eigen neerbuigen. Het is niet God en niet de duivel die je neerbuigt. Maar waarom buig je jezelf neer? Om jezelf meer moeite te bezorgen dan God oplegt of dan de duivel je verleidt te dragen? — Christopher Love, in “The Dejected Soul’s Cure”, 1657.

Vers 6

“Wat buigt gij u neder, o mijn ziel?” Bedenk maar eens hoeveel van God er in de verdrukking zit. 1. Kwam zij niet zonder Gods medeweten? Waarom ben je dan verontrust? Je Vader wist ervan en had haar loop gestuit als dat het beste voor je was geweest. 2. Kwam zij niet zonder Zijn bevel? Waarom ben je dan verontrust? Het is de beker die je Vader je heeft gegeven. En wil je hem dan niet drinken? 3. Is het de wil van je Vader dat je lijdt, en zou het dan jouw gril zijn om in opstand te komen? 4. Heeft God niet meer gedaan dan Hij mocht doen? Waarom mor je dan, alsof Hij je onrecht had gedaan? 5. Is het een onderdeel van Zijn wijze handelen? Waarom stel je je dwaze wil boven Zijn oneindige wijsheid?

  1. Is Zijn weg een weg van barmhartigheid? Waarom struikelt je opstandige geest erover als over een oneffen pad? 7. Is het goed wat je is overkomen? Waarom maak je ruzie alsof het kwaad was? 8. Is het minder dan wat mensen lijden, dan wat Zijn eigen volk, ja, dan wat Zijn eigen Zoon heeft geleden, en heb je dan reden om te klagen? 9. Is het slechts wat je verdient, en zelfs minder dan dat? Zal dan de levende mens klagen over de straf van zijn zonde?
  2. Is het met maat en met zorg geregeld? (1) Het komt uit de hand van de geneesheer. (2) Het is maar een klein teugje. (3) Het is afgestemd op je kracht. (4) Het is toegemeten naar de verhouding van kracht en vertroosting die Hij je wil geven om het mee te dragen.

“Wat buigt gij u neder?” “Wat zijt gij onrustig?” Is het einde en de vrucht ervan alleen maar om je wit te maken en te zuiveren, om je vroegere zonde schoon te wassen en haar in de toekomst te voorkomen? En merk je er nu al vrucht van? Merk je dat je nu in een krijtsteen bent veranderd? Dat je bossen en beelden niet meer opstaan: de verdorvenheden die met je meegingen toen het je voor de wind ging, en die nog steeds met je mee zouden gaan als je de goede dingen had die je mist en waarover je onrustig bent, en als de kwaden die je voelt of vreest ver van je gevoel en je vrees waren?

Hef je hoofd op, christen! Zeg tot je ziel: “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij?” Overweeg wat er van God is in de oorzaak van je onrust. — John Collinge (1623-1690) in “A Cordial for a Fainting Soule”, 1652.

Vers 6

“Wat zijt gij onrustig?” Nauwkeuriger: in beroering gebracht. Dat is een woord dat vaak wordt gebruikt voor het bulderen, woelen en schudden van de zee. Zie Jes. 17:12; Jer. 5:22; 6:23; 51:55. — Henry March.

Vers 6

Hoop op God. Ik wil laten zien hoe krachtig de hoop werkt voor een christen die het zwaar heeft, en hoe ze dat doet. Ten eerste maakt ze hem stil in zijn verdriet. Ze bewaart de koninklijke vrede in het hart, dat anders al snel in opstand zou komen. Een ziel zonder hoop is rumoerig. De ene keer klaagt ze God aan, de andere keer scheldt ze op de mensen die Hij gebruikt. Ze komt niet tot rust, en dat is geen wonder, want de hoop ontbreekt. Hoop verstaat de kunst om een weerspannige geest tot bedaren te brengen als niets anders helpt. Zo kan een moeder een huilend kind stil krijgen door het aan de borst te leggen, terwijl een tik op de vingers het alleen maar harder laat huilen.

Deze weg koos David, en hij merkte dat het werkte. Toen zijn ziel onrustig was door zijn nood van dat moment, legde hij haar aan de borst van de belofte: “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God.” En daar valt zijn ziel zacht in slaap, als een kind met de borst in zijn mond. Dat dit zijn vaste gewoonte was, blijkt uit de vele voorbeelden: drie keer zien we hem dezelfde weg kiezen, in de twee psalmen 42 en 43…

Ten tweede vervult deze hoop de bedrukte ziel met zoveel innerlijke vreugde en troost, dat ze kan lachen terwijl er tranen in haar ogen staan, en zuchten en zingen in één adem. Daarom wordt ze “de roem der hoop” genoemd, Hebr. 3:6. En nooit geeft hoop méér vreugde dan in tijden van verdrukking. Juist op een regenwolk schildert de zon die prachtige kleuren van de regenboog…

Er zijn twee gaven van genade die Christus meer dan alle andere gebruikt om de ziel met vreugde te vullen: geloof en hoop. Beide halen hun vreugdewijn namelijk van buiten zichzelf. Het geloof vertelt de ziel wat Christus voor haar gedaan heeft, en troost haar daarmee. De hoop laat de ziel opleven met het nieuws over wat Christus nog zal doen. Beide tappen uit dezelfde kraan: Christus en Zijn belofte. — Samengevat uit William Gurnall.

Vers 6

Hoop op God. Het woord dat hier met ‘hoop’ is vertaald, wijst op de verwachting die rust op geloof in God en die de ziel ertoe brengt om op Hem te wachten. Psalm 39:8 zegt het mooi: “En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.” — Henry March.

Vers 6

Ik zal Hem nog loven voor de verlossingen van Zijn aangezicht. Als van iemand gezegd kan worden: “Dien Gij liefhebt, is krank”, dan kan ook gezegd worden: “Deze krankheid is niet tot den dood.” En al loopt ze uit op de eerste dood, dan toch nooit op de tweede. Wie had gedacht, toen Jona in de zee lag, Jona 3:1-10, dat hij in Nineve zou preken? Wie had gedacht, toen Nebukadnezar in het bos zat, Dan. 4, dat hij weer in Babel zou regeren? Wie had gedacht, toen Jozef door zijn broers was verstoten, dat diezelfde broers hem later als hun heer zouden zoeken?

Wie had gedacht, toen Job op de mesthoop zijn zweren schraapte, met al zijn huizen in vlammen opgegaan, al zijn vee gestolen en al zijn kinderen dood, dat hij rijker zou worden dan ooit tevoren? Zulke daden van barmhartigheid laten de rechtvaardigen zingen: “Hij is hogelijk verheven!” Ex. 15:21. — Henry Smith.

Vers 6

Ik zal Hem nog loven. David denkt meer aan zijn plicht dan aan Gods barmhartigheid. Hij denkt aan de plicht als iets wat uit genade voortkomt, meer dan aan de barmhartigheid als iets wat je kunt voelen. Daarom verspreekt hij zich op een gelukkige manier, zoals mensen in zulke gevallen wel doen: het een komt er voor het ander uit. Waar hij had willen zeggen: ‘Ik zal barmhartigheid van God ontvangen’, zegt hij: ‘Ik zal Hem loven.’ — Thomas Horton.

Vers 6

Een bekwame arts verdrijft niet alleen de ziekte, maar troost en versterkt ook het lichaam. Zo is ook de ware christen niet tevreden met alleen het afleggen van slechte gewoonten. Hij werkt er hard aan om de tegenovergestelde deugden te beoefenen. Word je overmand door ongeduld, of word je bij een bepaald verdriet geplaagd door een ontevreden geest? Denk dan niet dat het genoeg is om je hart het kibbelen met God af te leren. Houd pas op als je het zover hebt gebracht dat het rustig op God steunt. De heilige David ging zo ver. Hij berispte zijn ziel niet alleen omdat ze onrustig was, maar droeg haar ook op om op God te vertrouwen. — William Gurnall.

Vers 6

Er was eens een zekere Alice Benden. Zij zat, samen met anderen, om haar geloof gevangen in het kasteel van Canterbury. Na een tijd werd ze op bevel van de bisschop in een diepe kerker neergelaten, waar geen van haar vrienden bij haar kon komen. Daar kreeg ze per dag een halve stuiver brood en een duit bier, en meer wilden ze haar zelfs voor haar eigen geld niet geven. Haar bed was een bosje stro, tussen een paar blokken en een stenen muur. Ze weende bitter en beklaagde zich over haar lot. Ze vroeg zich af waarom haar Heere God haar zo zwaar kastijdde en haar zo afsneed van de zoete omgang met haar geliefde medegevangenen.

In die uiterste ellende en onder die droevige klachten bleef zij, tot ze op een nacht herhaalde wat de psalmist zegt: “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God”, enzovoort; en: Gods rechterhand kan dit alles veranderen, enzovoort. Toen ontving ze troost midden in haar smart, en zo bleef ze vol vreugde tot het moment van haar vrijlating. — Samuel Clarke’s “Mirror.”

Verzen 6, 12

Als je ooit onder verdriet gebukt gaat, stel je hart en je ziel dan dezelfde vraag die David in zo’n geval tweemaal in één psalm stelde: “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij?” Je ziel zal je dan zeker antwoorden: mijn bedroefdheid komt voort uit mijn ongeloof. Je kunt de ziekte herkennen aan het geneesmiddel, in de woorden die er meteen op volgen: O vertrouw op God; hoop op God, want ik zal Hem nog loven, Die de gezondheid is van mijn aangezicht, en mijn God.

Alle hartzeer komt in de eerste plaats voort uit ons ongeloof, en niet uit de omvang van andere kwalen. Ik bedoel het verwoestende verdriet, want droefheid naar Gods wil is een vriend van blijdschap naar Gods wil. Wat het arme lastdier kwelt, is niet zozeer het gewicht van de last als de wond op zijn rug. Zo is het ook niet het gewicht van onze uiterlijke rampen dat het arme schepsel kwelt en onrustig maakt, maar de innerlijke wond van een geschaafd geweten, dat door het geloof nog niet is gereinigd en genezen. — Matthew Lawrence, in “The Use and Practice of Faith”, 1657.

Verzen 6, 12

Voor zover onze verdrukkingen uit onszelf voortkomen, kunnen we ze kwellingen of verstoringen noemen, want ook de beste mens laat soms zulke kwade sappen uit zijn eigen binnenste opborrelen. David riep niet één keer, maar vaak uit: “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij?” En laat me eens één mens zien die zichzelf niet nodeloos kwelt en van streek maakt, omdat hij niet geduldig op het uur van de HEERE wacht!

Denk aan de domme vogel die in een kamer zit met een gesloten deur en dichte ramen. Hij gooit zich tegen de muur en tegen het glas, breekt zijn veren en bezeert zijn lijf. Als hij gewoon was blijven zitten tot de bewaarder de uitgangen opende, had hij zonder een schram kunnen vertrekken. Zo gaat het ook met ons. Als de HEERE ons opsluit en onze vrijheid een tijd lang beperkt, willen we maar al te graag zelf een weg banen. We bedenken in ons hart allerlei plannen om door de muren van Zijn voorzienigheid heen te breken.

Als we in plaats daarvan Zijn tijd afwachtten, op Zijn belofte steunden en ons overgaven aan wat Zijn hand beschikt, dan zouden we die gevangenis veel gemakkelijker dragen en met minder schade in vrijheid worden gesteld. Want God blijft Zichzelf gelijk, en wie kan Hem van gedachten doen veranderen? Hij zal volbrengen wat Hij over ons besloten heeft. — Preek van John Barlow, 1618.

Verzen 6, 12

Wil je zekerheid krijgen, besteed dan meer tijd aan het versterken van je bewijzen voor de hemel dan aan het in twijfel trekken ervan. Veel christenen maken juist deze grote fout: ze steken veel tijd in vragen stellen en te weinig in het sterker maken van hun troost. Ze praten zichzelf ongeloof aan en zeggen: Heere, waarom zou ik geloven? Waarom zou ik een belofte aangrijpen, ik die zo onheilig en zo ongetemd ben? Zo redeneren ze zichzelf tot het punt waarop ze Christus niet meer durven aan te grijpen. Het zou juist jouw werk moeten zijn om jezelf zoveel mogelijk naar Christus toe te redeneren!

Span je in om je troost te versterken en redeneer zo: waarom zou ik niet in Christus geloven? Zo deed David. Psalm 42: “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij?” Is Gods barmhartigheid soms niet groter dan de zonde van het schepsel? Is er geen vrije genade waar schuld is? Zijn er geen vergevende barmhartigheden waar veroordeling verdiend is? Je moet je troost liever omhoog redeneren dan omlaag, en meer tijd besteden aan het versterken ervan dan aan het betwijfelen.

Je zou iemand erg onverstandig vinden die zoveel land in pacht heeft en dan zelf bezwaren en twijfels verzint, maar niets doet om zijn recht vast te leggen. Toch zijn veel christenen precies zo onverstandig als het om de hemel gaat. Ze hebben, zou ik zeggen, een goede schuldbrief en een zegel dat God hen in de hemel zal brengen, en toch praten ze zichzelf in ongeloof en vitten ze op alles. Geliefden, zo hoort het niet. Versterk je troost liever, in plaats van haar in twijfel te trekken. — Christopher Love.

Vers 7

O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer. “Omdat ik zo diep gedrukt ben en zo bedroefd, zal ik aan U denken. Ik zal eraan denken hoe neerbuigend U bent tegenover Uw ‘arm en bedrukt volk’, hoe bereid U bent om hen aan te nemen als mensen hen hebben verlaten of buitengesloten, en hoe vriendelijk en geduldig U luistert naar hun klacht als ze hun ziel voor U uitstorten. Ik zal denken aan Uw goedheid voor mij in vroeger tijd: hoe U mijn nood hebt gezien, de stem van mijn smeken hebt gehoord, mij uit mijn beproevingen hebt gered, of mij hebt geholpen hun last te dragen en mijn ziel met kracht hebt gesterkt.

Ik zal denken aan alles wat ik van Uw tegenwoordigheid heb genoten toen ik op U wachtte in Uw huis, of toen ik Uw lof zong in het gezelschap van Uw ‘heiligen, de heerlijken der aarde’. Ik zal denken aan wat U bent: wat een passend voorwerp voor het vertrouwen van een verlaten mens als ik! Want ik ben arm, maar U bent rijk. Ik ben zwak, maar U bent machtig. Ik ben ellendig, maar U bent gelukzalig. Ik zal eraan denken dat U mijn God bent. U hebt Uzelf aan mijn ziel bekendgemaakt.

U hebt mij in staat gesteld om U als mijn deel te kiezen. Ik heb op U vertrouwd en ben nooit beschaamd uitgekomen. Ik zal denken aan het woord van belofte waarop U mij hebt laten hopen. U bent daaraan altijd trouw gebleven, door het hele verleden heen, en zult dat blijven, zoals ik vast geloof, tot aan het einde.” O, wat zijn zij gelukkig, zelfs midden in hun ongeluk, die in hun beproevingen bij God kunnen schuilen! — Henry March.

Vers 7

“Mijn God.” Wat een verbazingwekkend woord! Wie durft tot de Schepper van de einden der aarde, tot de Majesteit in de hemelen, te zeggen: “Mijn God”? Een balling, een zwerver, een verworpene. Een verlaten, verachte en bespotte mens. Een ziel die neergebogen en onrustig is. Die durft het. Met welk recht? Het recht van het verbond. — Henry March.

Vers 7

Daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte (Engels: de heuvel Mizar). Het is opmerkelijk welke weg de psalmist koos om weer troost te vinden. Hij wilde drie ervaringen met Gods goedheid in herinnering roepen: “het land van de Jordaan”, het land van “Hermon” en “het klein gebergte” (Engels: Mizar). Eerst zal ik denken aan het land van de Jordaan. Daarmee bedoel ik Gods grote goedheid toen Hij de rivier de Jordaan liet opdrogen, zodat de stammen van Israël naar het beloofde land konden trekken. Welnu: God, Die goed is geweest, zal goed zijn.

Dan zal ik denken aan het land van de Hermonieten. In dat land werden Sihon, de koning van de Amorieten, en Og, de koning van Basan, verslagen. Daarover lees je in Joz. 12:1-2: “Dit nu zijn de koningen des lands, die de kinderen Israels geslagen hebben, en hun land erfelijk bezaten, aan gene zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon; van de beek Arnon af tot den berg Hermon.” Mizar is, zo denkt men, een kleine heuvel bij de berg Sinaï, waar de wet werd gegeven. Ik zal denken aan Gods goedheid in het geven van een wet aan Zijn volk.

Zo riep David zich Gods goedheid van vroeger voor de geest, om troost en rust voor zijn gemoed terug te winnen. — Christopher Love.

Vers 7

De Hermons, of de toppen of ruggen van Hermon. Er staat een meervoud. Dat komt of door de twee toppen van de berg (Wilson, “Land of the Bible”), of, wat ik waarschijnlijker vind, door de hele reeks van zijn besneeuwde hoogten. — J. J. Stewart Perowne.

Vers 7

De Hermons. Sommigen menen dat hiermee de berg Hermon wordt bedoeld, samen met de andere bergen aan die kant van de rivier. Zo betekent Baälim ook “Baäl”, en dan gaat het om andere afgoden die samen met hem werden aanbeden. Waarschijnlijker is dat de berg Hermon niet als één enkele hoogte wordt gezien, maar als een keten of reeks, zoals de Alpen of de Alleghany’s. — J. A. Alexander.

Vers 7

Uit het klein gebergte. Wie een rijk leven aan ervaringen uit het verleden heeft, staat daardoor op een hoogte waarvandaan hij het pad dat voor hem ligt gelukkig kan overzien. — J. P. Lange’s Commentary.

Vers 8

De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten. Hier brengt de psalmist twee vreselijke natuurverschijnselen samen. Reizigers hebben vastgesteld dat waterhozen aan de kust van Judea geregeld voorkomen. Ze ontstaan, zo lijkt het, doordat grote wolkenmassa’s samenkomen. Hun water trekt zich op één punt samen en stort als een enorme zuil naar beneden, met een brullend geluid. Het beeld dat de psalmist voor ogen had, lijkt dat van zo’n gigantische waterhoos die neerstort in een zee die al in beroering is, en de onstuimigheid en chaos van haar golven nog groter maakt.

Wat een vreselijk tafereel! Zeker als we daar een zwarte, stormachtige hemel bij denken en het oorverdovende gebrul van al dat tumult. Hoe zou het gaan met een schip midden in zo’n storm, met de zondvloed die van boven neerstort en de woedende oceaan die rondom zijn verschrikkelijke golven opstuwt? Het is niet meer te sturen en volkomen hulpeloos. Het kan bijna niet aan de ondergang ontkomen, behalve door een haast wonderbaarlijk ingrijpen! Toch vergelijkt David de toestand van zijn ziel met precies zo’n situatie: alsof ze onder een zee van verdrukkingen is bedolven. “Al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.” Hoe scherp moet zijn pijn geweest zijn, dat hij zo’n vergelijking koos, die het uiterste gevaar en de uiterste angst zo sterk uitdrukt! — Henry March.

Vers 8

De afgrond roept tot den afgrond, enzovoort. De afgrond boven roept tot de afgrond beneden, in het geluid van het druipen van Uw waterhozen. — Targum.

Vers 8

De afgrond roept tot den afgrond. Zo mag ook het ene gebed het andere roepen, het ene geloof het andere, en de ene genade de andere aan het werk zetten. Lukt het ons niet om God de eerste keer te overtuigen, dan misschien de tweede keer. En lukt het dan nog niet, dan de derde keer. — Thomas Horton.

Vers 8

De afgrond roept tot den afgrond. Wat betekent dat? Kijk maar naar het vers ervoor: “O mijn God!” zegt David, “mijn ziel buigt zich neder in mij.” Neergebogen, dat wil zeggen: diep weggezonken in de kaken van wantrouwen en angst. En zo roept mijn ziel, Heere, vanuit deze diepte van verdriet om hulp tot Uw diepte van barmhartigheid. Want hoe diep ik ook zink en wegzak, zó laag kom ik nooit dat Uw barmhartigheid niet nóg onder mij is. Open dan, uit Uw ontferming, die eeuwige armen en vang hem op die in zichzelf geen hulp of houvast heeft. Want zo is het met iemand die in een put of in een kerker valt. — John Bunyan.

Vers 8

Hier voelt de psalmist de geest van slavernij, en die bestaat uit toorn en angst. Daarom bidt hij om de vreugde van Gods heil en om gedragen te worden door Gods vrije Geest, de Heilige Geest, de Geest van liefde en kracht. Hij klaagt dat “de afgrond roept tot den afgrond”. Een ziel in de afschuwelijke kuil hoort bijna niets anders dan de stem van wet en gerechtigheid die om wraak roept. Telkens weer krijgt die stem antwoord van de beschuldigingen van de satan en van het geweten.

De stormen van Sinaï dreigen, als een waterhoos op zee, het aarden vat onder te laten lopen in een zondvloed van toorn. Zo’n vloed zou het binnen de kortste keren laten verdrinken in verderf en verdoemenis. Deze golven van werkelijk misnoegen, en soms ook van ingebeeld misnoegen (dat net zo verschrikkelijk is als het echte), rollen over het arme schepsel heen en staan klaar om het scheepje naar de bodem te sturen. Op die vreselijke manier worden sommige gevallen en afgedwaalde zielen gezuiverd en teruggebracht, vooral zij die openlijk ergernis hebben gegeven aan het evangelie en aan de gemeente van Christus. — William Huntington (1744-1813) in “Contemplations of the God of Israel.”

Vers 8

Uw watergoten. Dr. Boothroyd vertaalt ((Hebr.)) met “Uw waterstromen.” Hij legt uit waarom: Davids omgeving riep dit krachtige beeld bij hem op. David zag de stromen van de steile rotsen naar beneden storten. Hij hoorde ze dreunen en elkaar als het ware om hulp roepen. Zo, zegt Boothroyd, komen al Uw baren over mij heen, dat wil zeggen alle verdrukkingen en moeiten, en overweldigen mij. — John Morison.

Vers 8

Waterhozen. Kijk naar die wolken langs de westelijke horizon, die als een zwaar rouwkleed van zak boven de zee hangen. Op winderige dagen als vandaag ontstaan daaruit waterhozen. Ik zie al verschillende beginnende “spuiten” vanaf de onderrand van die wolken naar beneden groeien. Dit bijzondere verschijnsel komt vooral in de lente voor, maar ik heb het ook in de herfst gezien. Er valt niet veel regen bij. Tussen de donkere laag boven en de zee is de hemel helder en klaar.

Hier en daar worden stukken zwarte damp, gevormd als lange trechters, vanuit de wolken naar de zee getrokken. Je ziet ze woest heen en weer gaan, om hun eigen as draaiend terwijl de wind ze voortdrijft. Recht onder hen is ook het zeeoppervlak in beroering door een wervelwind, die samen met de spuit erboven voortraast. Ik heb vaak gezien dat die twee zich midden in de lucht echt verenigden en naar de bergen joegen, kronkelend, draaiend en buigend als een reusachtige slang, met haar kop in de wolken en haar staart in de diepte. Ze maken natuurlijk veel lawaai en zien er angstaanjagend uit.

De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan, zei David toen zijn ziel in hem was neergebogen. Maar hoe vreselijk waterhozen er ook uitzien, ze richten maar weinig schade aan. Ik heb nog nooit van meer dan één geval gehoord waarin ze zelfs voor boten fataal bleken, al zijn de zeelieden er erg bang voor. Zodra ze de kust naderen, lossen ze op en verdwijnen ze.

De soort waterhoos die boven de bergen losbarst, meestal in de droge zomermaanden, richt juist enorme ellende aan. Binnen een paar minuten zwellen de wadi’s langs haar baan op tot woeste rivieren. Die spoelen graan, olijven, rozijnen en alle andere opbrengst van de boer weg. Ik heb vaak meegemaakt dat ze hele kudden schapen en geiten meesleurden en lieten verdrinken, en zelfs koeien, paarden en hun eigenaars net zo goed. — W. M. Thomson.

Vers 8

Al Uw baren en Uw golven.

Afgrond roept onophoudelijk tot afgrond,
Opgezweept door woeste stormen;
Baren en golven, eindeloos neerstortend,
Overstelpen mijn bezwijmende ziel.

Toch zie ik een Macht die de teugels houdt
Te midden van het stormgeweld,
Die altijd regeert en altijd leidt
Om wat de liefde wil te volbrengen.

Ja, ook in de zwaarste smarten
Bedenkt het geloof wat Gij bedoelt;
Het buigt zich nederig en belijdt:
Al de baren en golven zijn de Uwe.

— Henry March.

Vers 8

Al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.

Over de wijde, golvende zee van tegenspoed
Rolt golf op golf aan;
En is de ene, uitgeraasd, bedaard,
Dan heft de volgende zijn woeste hoofd.

— Aeschylus, in “De Zeven tegen Thebe.”

Vers 9

Maar de HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden. Deze woordkeus is opmerkelijk. David zegt niet gewoon dat de HEERE Zijn goedertierenheid zál schenken, maar dat Hij haar zal gebieden. De gave zelf is genade: vrije gunst voor wie haar niet verdient. En net zo soeverein is de manier waarop ze gegeven wordt. Ze wordt geschonken bij besluit; het is een koninklijke gift. En als Hij de zegen gebiedt, wie kan dan nog verhinderen dat ze wordt ontvangen? — Henry March.

Vers 9

Voor een godvruchtig mens is het één en hetzelfde, nacht of dag. Want welke nacht kan er zijn voor iemand die God altijd bij zich heeft? God is voor hem een zon om hem te troosten en tegelijk een schild om hem te beschermen, Ps. 84:12. Het licht van Zijn aangezicht, al is het maar heel zwak, troost meer dan alles wat de dag ook maar kan brengen. Zo iemand kan zeggen: “wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de HEERE mij een licht zijn”, Micha 7:8; en: “de HEERE, mijn God, doet mijn duisternis opklaren.” Ps. 18:29.

Om je de waarheid te zeggen: ik denk dat de nacht voor de godvruchtige de vrolijkste tijd is die er bestaat, en voor de goddeloze de droefste. Hij mag dan de duisternis gebruiken om zijn zonde te verbergen, toch is hij bang voor juist datgene waarin zijn veiligheid ligt. Want als een mens al vrolijk is in goed gezelschap, dan moet hij nog vrolijker zijn als hij er beter van kan genieten en er minder is dat zijn plezier verstoort. Zo gaat het een godvruchtig mens in de nacht. Dan is het grootste deel van zijn belemmeringen weggevallen en kan hij zich ongestoord “verlustigen in den Almachtige”, Job 27:10.

David zegt dat de HEERE overdag inderdaad Zijn goedertierenheid zal gebieden, maar ’s nachts (zegt hij) zal Zijn lied bij mij zijn. Met “Zijn lied” bedoelt hij, denk ik, geen lied van dankzegging, maar van blijdschap en jubel, zoals God die op zulke momenten gewoonlijk geeft. Job 35:10.

Overdag is de ziel zo in beslag genomen door alledaagse bezigheden, zo afgeleid door alles wat ze met haar zintuigen waarneemt, en zo druk met werk voor het lichaam, dat ze óf geen tijd heeft voor haar eigen werk (en deze vreugde hoort daar net zo goed bij als wat ook), óf het niet zo goed kan doen als ze zou willen. In de nacht kan ze dat wel beter, want dan heeft ze minder te doen.

Ik twijfel er niet aan dat de wereldse en vleselijke mens nu, omdat ik zoveel over nacht en slaap praat, zal zeggen dat ik maar droom. Dan antwoordt hij mij zoals die kerel de jager antwoordde, toen die hem vroeg te luisteren “wat een hemelse muziek zijn honden maakten.” Ik weet namelijk dat zo iemand de muziek en de liederen waarover wij spreken niets anders vindt dan waanzin, of op zijn minst inbeelding, zoals krankzinnige en zieke mensen die in hun hoofd hebben als ze zich verbeelden dat het in de lucht klinkt.

Maar zoals Petrus zei over hen op wie de Heilige Geest viel: “Deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt”, zo mag ik zulke mensen antwoorden: Helemaal niet! De godvruchtigen zijn niet gek, zoals jullie denken. Hun liederen zijn geen werk van hun eigen inbeelding en niet uit hun eigen hoofd bedacht. Ze zijn hun voorgezongen door God Zelf, “Die de psalmen geeft in den nacht.” Job 35:10. — Zachary Bogan.

Vers 9

En het gebed tot den God mijns levens. Hier zien we dat Davids godsdienst een godsdienst van gebed was, na de verlossing net zo goed als ervoor. Zelfzuchtige mensen die in benauwdheid roepen, zijn klaar met hun gebeden zodra de benauwdheid voorbij is. Bij David was het precies andersom. Verlossing uit de nood zou zijn vertrouwen op God versterken, zijn gebeden vrijmoediger maken en hem nieuwe argumenten geven…

Juist ná de verlossing is gebed zo hard nodig. Want de tijd van verlossing is vaak een tijd van verzoeking. De ziel is dan opgetogen en laat haar waakzaamheid varen. Veel van de vreugde die we dan voelen kan louter natuurlijk zijn, zoals bij David waarschijnlijk het geval was toen hij werd bevrijd van die knagende zorg die het lichaam schaadt en de ziel bedroeft. Er is dan het gevaar van vergissing: dat we denken dat alles geestelijk is, ons inbeelden dat onze ziel in een hogere staat van genade verkeert dan werkelijk het geval is, en zo ongemerkt wegglijden in een valse zekerheid.

Op zulke momenten is dat gebed bijzonder nodig: “Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.” Dat geldt vooral voor mensen met een vurig, opgewekt temperament, die in tijden van genot snel opgeblazen raken en daardoor in gevaar komen. — Henry March.

Vers 9 (laatste zinsdeel)

Je lied en je gebed moeten gericht zijn aan God, als de God van je leven. Je erkent Hem pas als God wanneer je Hem erkent en aanbidt als de Enige Die voor jou genoeg is, als “de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult”. Je doet afbreuk aan de heerlijkheid van Zijn Godheid als je dit niet aan Hem toeschrijft. Dat doe je ook als je niet, als iemand die zonder Hem niet kan leven, gemeenschap met Hem zoekt, je aan Hem verbindt, en je juist in die gezegende band verheugt en er troost in vindt. — John Howe.

Vers 10

Mijn Steenrots! David was een vluchteling met weinig middelen om zich te verdedigen, en hij werd voortdurend achtervolgd door machtige en talrijke vijanden. Het land waar hij rondzwierf was bergachtig. Vaak zocht en vond hij beschutting op de toppen van steile rotsen, in hun natuurlijke holten of in uitgehouwen grotten. Zo raakte in zijn gedachten het idee van beschutting en verdediging verbonden met het beeld van een rots. Hoe natuurlijk dat hij dat woord voor God gebruikte, en Hem zo aansprak toen hij Hem zocht als zijn toevlucht en helper…

Waarom vergeet Gij mij? Dat betekent niet dat David werkelijk dacht dat God hem vergeten had, alsof Hij hem had opgegeven en verlaten. Hij had immers nog genoeg vertrouwen op Gods trouw om Hem als toevlucht te zoeken en op Zijn barmhartigheid te hopen. Zijn woorden zijn de taal van het gevoel, niet van het oordeel. Hij voelde zich, en leek ook, als iemand die door God vergeten was. De bezoeken van liefde en de bewijzen van gunst die hij vroeger mocht ontvangen, en die hem toen zoveel tekenen leken dat God aan hem dacht, bleven nu uit. En juist nu, in zijn nood, leken ze onuitsprekelijk veel nodiger en begerenswaardiger. Vandaar dat hij zich vergeten voelde. — Henry March.

Vers 11

Mijn wederpartijders. Het is vreemd dat David vijanden had, zo’n onschuldig man als hij was. Toen zij ziek en bedrukt waren, bad hij voor hen en trok hij een rouwkleed voor hen aan, zoals we lezen in Ps. 35:1-28. Deze meelevende, zachtaardige man had toch, zie je wel, vijanden. En het waren vijanden die zich niet verborgen hielden, maar hem openlijk en bitter smaadden. Op de bitterste manier vielen ze hem aan op zijn geloof.

Deze opmerking kan ons wapenen tegen de ergernis over tegenstand. Als we vijanden in de wereld tegenkomen, moeten we ons daar niet te veel aan storen. Bedroefd mogen we zijn, maar verbaasd hoeven we niet te zijn. Heeft er ooit iemand meer goed gedaan dan onze Zaligmaker Christus? “Welke het land doorgegaan is, goeddoende.” Hand. 10:38. Nooit deed Hij een wonder dat schade bracht (behalve alleen met de zwijnen die in de zee verdronken, en dat was hun eigen schuld). Hij trok rond om al het goede te doen dat Hij kon. En toch, zie je, wat voor kwaadwillige tegenstanders had Hij! Wat waar is van het hoofd, moet ook waar zijn van de leden. Daarom mogen we ons verheugen dat we op Christus lijken, als we vijanden en tegenstand tegenkomen in een goede zaak.

De duivel is nog geen christen geworden, en hij zal ook nooit goed worden. Hij is in termino, zoals we zeggen: hij zit binnen zijn grenzen, zijn aard ligt vast. Wat zijn staat betreft is hij in de hel, al mag hij nog los rondlopen om kwaad te doen. Zolang de duivel niet goed is, zullen Gods kinderen dus nooit zonder vijanden zijn. En goed wordt hij nooit. Daarom: al waren er over de hele wereld goede koningen en goede bestuurders, goede mensen zullen nooit zonder vijanden zijn zolang de duivel leeft, zolang hij iets in de wereld te doen heeft.

Vijanden moeten we dus verwachten. En wel vijanden die hun boosaardigheid niet eens verbergen. Want dat zou nog wat zijn, als ze hun boosheid in hun eigen hart lieten koken en broeden. Maar dat gebeurt niet, want “uit den overvloed des harten spreekt de mond.” — Richard Sibbes.

Vers 11

Als zij den gansen dag tot mij zeggen. Hier zien we hoe vasthoudend en volhardend ze zijn in dit gedrag en in deze taal. Het gebeurt dagelijks, of de hele dag, ((Hebr.)). Het is niet maar een vlaag die weer overgaat. Het is hun vaste en voortdurende gewoonte: elke dag, de hele dag. Ze beginnen ’s morgens en houden vol tot de avond, zoals mensen die geen rust kennen nu eenmaal doen. Ze beginnen de week ermee en gaan zo door tot het einde. Nooit kon David in hun gezelschap of in hun buurt komen zonder zulke taal van hen te horen. — Thomas Horton.

Vers 11

Waar is uw God? David had hun net zo goed kunnen vragen: Waar zijn jullie ogen? Waar is jullie gezichtsvermogen? Want God is niet alleen in de hemel, maar ook in mij. David was dan wel buitengesloten van het heiligdom, toch was Davids ziel een heiligdom voor God. God is immers niet gebonden aan een heiligdom dat met handen is gemaakt. God heeft twee heiligdommen, Hij heeft twee hemelen: de hemel der hemelen en een verbroken geest. God woonde in David als in Zijn tempel. God was met David en in hem. En nooit was Hij meer bij hem, nooit meer in hem, dan in zijn zwaarste verdrukkingen. De spotters misten ogen; David miste God niet.

Soms verbergt God Zich, niet alleen voor de wereld maar ook voor Zijn eigen kinderen. Toch is Hij er. Hun verdriet kan zo groot zijn dat het hun blik verduistert (zoals we zien bij Hagar), zodat ze Hem op dat moment niet kunnen zien. Soms kijkt Hij hen zelfs recht in het gezicht, zoals we zien bij Maria. Zij kon Christus niet duidelijk zien, maar dacht dat Hij de hovenier was. In hemelse wijsheid is er een soort verberging voor een tijd. Toch is God altijd bij Zijn kinderen, en zij weten dat door het geloof, al is het niet altijd door gevoel…

Het was dus een onwetende vraag van hen: Waar is uw God? Het liet zien dat ze niets begrepen van de manier waarop God met Zijn kinderen omgaat. Er zijn trouwens geen grotere atheïsten dan spotters. Waar is uw God? Alsof God slechts een God was Die je met je ogen kunt waarnemen, uiterlijk zichtbaar in al Zijn wegen met Zijn kinderen. Terwijl Hij, zoals ik zei, een God is Die Zich vaak verbergt. Juist in tegengestelde omstandigheden toont Hij Zich het meest, en het meest troostrijk. Zijn werk gaat langs tegenstellingen. Maar deze vleselijke mensen kenden de verborgenheden van het geloof niet, en evenmin de verborgenheden van Gods voorzienigheid met Zijn kinderen. Daarom verraadt hun vraag hun gezindheid: Waar is nu uw God? — Richard Sibbes.

Vers 11

“Waar is uw God?” Zo spotten vervolgers met de gelovigen als die het zwaar te verduren hebben: Ubi Deus? “Waar is hún God nu?” Maar de gelovigen kunnen vrijmoedig en rotsvast antwoorden: Hic Deus, “Onze God is hier! Hij is dichtbij, Hij is rondom ons, Hij is midden onder ons. Hij heeft ons Zijn belofte gegeven dat Hij ons nooit zal begeven en nooit zal verlaten.” Hebr. 13:5. In elke benauwdheid, in elk gevaar, ja zelfs in de dood zal de HEERE ons zeker gezelschap houden.

God blijft bij Zijn kinderen, niet alleen als ze in een heerlijk paradijs wonen, maar ook als ze door een woestenij vol gehuil trekken. Hos. 2:13. Er werd eens een groep arme christenen het land uitgezet. Iemand die langs de weg stond te kijken hoe ze voorbijtrokken, zei dat dit een zeer treurig lot was: weggejaagd uit de gemeenschap van mensen en nu gedwongen te leven tussen de dieren van het veld. “Dat is waar, zeker,” zei een ander, “het zou inderdaad treurig zijn als ze naar een plaats werden gebracht waar ze hun God niet zouden vinden. Maar laten ze goede moed houden! God gaat met hen mee. Waar ze ook heen gaan, Hij laat hen de troost van Zijn nabijheid ervaren. Zijn tegenwoordigheid kent geen grenzen en vult elke plaats.”

De rabbijnen rekenen Makom, dat “plaats” betekent, tot de namen van God. Bythner haalt hen aan bij zijn uitleg van Est. 4:14: “Zo zal den Joden verkwikking en verlossing uit een andere plaats ontstaan”, dat wil zeggen: van God. Zij noemden God namelijk “plaats”, omdat Hij overal is en hemel en aarde vervult met Zijn tegenwoordigheid. — Thomas Brooks.

Vers 11

Paardenvliegen zijn piepklein, maar ze kunnen een edel strijdros tot waanzin drijven. Daarom zegt David: “Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?” — Frederick William Robertson, 1851.

Vers 12

Doe wat David deed, in plaats van je over te geven aan vaag verdriet: roep je ziel ter verantwoording en vraag haar naar de precieze oorzaak van je droefheid. Elke bron van nood vraagt om een ander geneesmiddel. Pas er ook voor op dat je niet lichtvaardig omgaat met God, met je troost en met je zaligheid, terwijl je je ziel vraagt: “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel?” Wees eerlijk en onpartijdig, want er volgt nog een ander, ernstiger oordeel. Houd vol, net zoals de psalmist deed: kom steeds opnieuw terug op dit onderzoek.

En bid erbij, want eigenliefde of zelfbedrog van je hart kan je anders om de tuin leiden. Vraag dus aan God of Hij je wil doorzoeken en zien “of bij mij een schadelijke weg zij.” — Henry Kollock, D.D., in “Sermons”, enz. 1822.

Vers 12

Hoop. Hoop is als de zon: terwijl we op haar afreizen, werpt ze de schaduw van onze last achter ons. — Samuel Smiles, L.L.D.

Vers 12

“Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts” (Engels: de gezondheid van mijn aangezicht). De gezondheid van Davids aangezicht zat niet in zijn gezicht zelf, maar in zijn God. Daarom laat zijn geloof zijn angsten zwijgen en rekent het er zo stellig op dat er een tijd komt dat hij Hem nog zal loven, hoe dicht hij nu ook bij de rand van het graf ligt. “Het leven en de gezondheid van je genade,” zegt het geloof, “liggen niet in je genade zelf, maar in God, Die jouw God is. Daarom zal ik nog leven en Hem loven.” Het verbaast mij niet dat een zwakke christen somber en bedrukt is, als hij zijn zieke gezicht in een andere spiegel bekijkt dan deze. — William Gurnall.

Vers 12

“De menigvuldige Verlossing mijns aangezichts.” Het gezicht is vaak een betrouwbare wijzer van wat er in de geest leeft. In de opwekking van onze tijd valt niets zo op als de droevige of blije blik van mensen die God geestelijk heeft geoefend. Je ziet meteen wie bedroefd is en wie gelukkig. Daar is niets nieuws aan, zo is het altijd geweest; de psalmist zegt immers: “Mijn ziel buigt zich neder in mij.” Daarom had hij een somber gezicht. Maar hij bad ook: “Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; … en dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging … Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts” (Engels: de gezondheid van mijn aangezicht). In Zijn droefheid was het gelaat van Jezus meer geschonden dan dat van enig mens, en Zijn gedaante meer dan die van de mensenkinderen.

De martelaar Stefanus was zo vervuld van het zien van Jezus dat zijn gelaat, midden tussen zijn vervolgers en met de dood voor ogen, scheen “als het aangezicht eens engels.” Mijn vriend, hoe is het met je? Staat je gezicht bedroefd? Of straalt het van de blijdschap des HEEREN en vertelt het het ware verhaal van je leven en lot? — J. Denham Smith, 1860.

Vers 12

Heb je ooit in februari de zon zien schijnen, de lucht zien blauwen, de heggen zien uitlopen, de sleutelbloem onder de berm zien piepen en de vogels in de struiken horen zingen? Dan dacht je dat de lente al gekomen was, in al haar schoonheid en zoete geuren. Maar na een paar dagen kwamen de wolken terug. De lucht werd koud, de vogels zwegen, er lag sneeuw op de grond, en je zei dat de lente nooit meer zou komen.

Zo gaat het soms ook met de jonge bekeerling. Zijn angsten zijn verdwenen, de troost van het evangelie is in zijn hart uitgestort, lof en dankzegging vervullen hem en hij heeft een nieuw lied in zijn mond gekregen. Onbezonnen denkt hij dan dat zijn moeiten voorgoed voorbij zijn. Maar na een tijdje komen de twijfels terug, sterft zijn troost weg, wordt zijn licht van hem weggenomen en voelt hij zich overweldigd. Dan is hij geneigd te denken dat de zaligheid met al haar zegeningen niet voor hem bedoeld is. Toch breekt de lente uiteindelijk door, al komt ze laat. “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij?” — H. G. Salter’s “Book of Illustrations”, 1840.

Vers 12

De redenen en beweegredenen van David zitten boordevol zin en kracht, en hij houdt ze zichzelf voor als de juiste maat daarvan. “Hoop op God.” Want Hij is: 1. God. 2. Jouw God. 3. De gezondheid van je aangezicht. 4. Iemand die jij (zeker en voor eeuwig) als zodanig zult loven. En 5. Doe het nóg, hoe treurig en hopeloos je situatie nu ook lijkt door schijnbare moeilijkheden of onwaarschijnlijkheden. Als we God en onszelf goed begrijpen, diep overdenken en er vaardig bij aandringen en gebruik van maken, geven ze genadige harten de beste bemoediging en steun onder de zwaarste tegenslagen van onze tijd. Ze bezielen onze hoop op God op een wonderlijke manier, ook in onze zwaarste verdrukkingen en neerslachtigheid.

David had (1) vertrouwen op God, (2) redenen daarvoor, en (3) de vaardigheid en het hart om die redenen aan te dringen. Toen hij zichzelf bekeek, zag hij dat zijn ziel begenadigd was, en zo wist hij dat God haar op prijs stelde. Zijn ziel was erop gericht God te loven. Dus wist hij dat hij, door enkele opvallende gunsten van Hem, gelegenheid en reden zou krijgen om dat te doen. Hij had deel aan God; dat wilde hij niet verliezen en ook niet verwaarlozen. Hij had grote ervaring van Gods barmhartigheid uit vroeger tijden, en die wilde hij niet vergeten.

En als hij aan God denkt, moet ook de lof ter sprake komen, met alles wat erbij hoort. Alle goddelijke volmaaktheden binnen de grenzen van zijn kennis moeten vers in zijn herinnering komen en krachtig op zijn eigen hart herleven. — Matthew Sylvester (1636-1708), in “Morning Exercises.”

Vers 12

Een ziel die eenmaal diep is ontsteld, komt vaak niet snel tot rust, door onze zwakheden en de verdorvenheid die nog in ons overblijft. — Henry March.

Wenken voor de dorpsprediker

Vers 2

Het verlangende hart en het hijgende hert vergeleken.

Verzen 2, 3

Wie Gods tegenwoordigheid heeft ervaren in de openbare diensten, zal er sterk naar terugverlangen als hij ervan wordt beroofd, en hopen er opnieuw mee gezegend te worden… Dat je de openbare diensten in Gods huis niet kunt bijwonen, kan de ziel veel goed doen.

  1. Doordat onze smaak voor het voedsel van het huis des HEEREN wordt vernieuwd, want die verflauwt zo snel en zo vaak.
  2. Doordat we de genademiddelen hoger gaan waarderen. Omdat de mens is verdorven, neigen we ertoe dingen minder te waarderen, hoe voortreffelijk ze op zichzelf ook zijn, als ze vertrouwd zijn geworden, overvloedig zijn of makkelijk te krijgen.
  3. Doordat we rechtstreekser naar God worden gedreven. — H. March.

Verzen 2-4

Het heimwee van de ziel. Wat wekt het op in de ziel? Waarop is het gericht, waar wijst of streeft het heen? Waarmee kan het worden gestild? Met het bittere, maar vaak gezonde voedsel van tranen. — J. P. Lange.

Verzen 2-3

Wie Gods tegenwoordigheid heeft ervaren in de openbare diensten, zal er sterk naar terugverlangen als hij ervan wordt beroofd, en hopen er opnieuw mee gezegend te worden… Dat je de openbare diensten in Gods huis niet kunt bijwonen, kan de ziel veel goed doen.

Vers 3

  1. Wat dorst? “Mijn ziel.”
  2. Waarnaar? “Naar God.”
  3. Op welke manier? “Wanneer zal ik ingaan.”

Of: de oorzaak, de prikkels, de voortreffelijkheden en de voorrechten van geestelijke dorst.

Vers 3 (laatste zinsdeel)

De juiste kijk op de openbare eredienst.

Vers 3 (laatste zinsdeel)

Voor God verschijnen, nu en later. — Isaac Watts, D.D., Twee preken.

Verzen 2-4

Het heimwee van de ziel. Wat wekt het op in de ziel? Waarop is het gericht, waar wijst of streeft het heen? Waarmee kan het worden gestild? Met het bittere, maar vaak gezonde voedsel van tranen. — J. P. Lange.

Vers 4

De vastentijd van de gelovige en zijn gezouten spijzen.

  1. Waardoor ontstaat het verdriet?
  2. Wat kan het wegnemen?
  3. Welk voordeel komt eruit voort?

Verzen 4, 11

Hoe Davids vijanden zich gedragen.

  1. Wat het is: smaad.
  2. Hoe het zich uit: “Tot mij zeggen.”
  3. Hoe het volhardt: dagelijks, of: de hele dag.
  4. Hoe het wordt verwoord: in een smadelijke, beledigende vraag: “Waar is (nu) uw God?” — Thomas Horton.

Vers 5

  1. Het is normaal dat het gemoed in tijden van droefheid verlichting voor nu zoekt in herinneringen aan het verleden.
  2. Van alle herinneringen aan vroeger genot zijn die aan de gezamenlijke eredienst voor een dienaar van God bijzonder dierbaar.
  3. De mens heeft gezelschap nodig, en daarom helpt de gezamenlijke eredienst hem.

Vers 5

“Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij.” De zinloosheid van wantrouwig in jezelf te blijven kijken.

Vers 5

“Omdat ik placht heen te gaan onder de schare”, enzovoort. Goed gezelschap is in veel opzichten een zegen en een troost.

  1. Het oefent de vermogens van de mens, en de krachten en gaven van zijn gemoed.
  2. Het is een omheining tegen gevaar en een bescherming tegen droefheid en allerlei verzoekingen.
  3. Het geeft gelegenheid om meer goed te doen. — Thomas Horton.

Vers 5

“Ik placht heen te gaan”, enzovoort. Zonnige herinneringen en de lessen die ze ons leren over dankbaarheid en hoop.

Vers 5 (laatste zinsdeel)

Niet de verhalen die Chaucer vertelde over de pelgrims naar Canterbury, maar de verhalen die David vertelde over de pelgrims naar Jeruzalem.

Vers 5

“Met een stem van vreugdegezang en lof”, enzovoort. Gemeentezang: verdedigd, geprezen, uitgediept en dringend aanbevolen.

Vers 6

Droefheid onder ondervraging, of de Troostende Catechismus.

Vers 6

De zoetheid, de veiligheid en het goed recht van hoop op God. Een goede greep voor het anker.

Vers 6

De muziek van de toekomst: “Ik zal Hem nog loven.”

Vers 6

De verlossingen van Zijn aangezicht, of de schragende kracht van Gods tegenwoordigheid.

Vers 6

“Wat buigt gij u neder?”

  1. Het gemoed van zelfs een heilig mens kan ten onrechte neergebogen en onrustig worden.
  2. Bij zulke ongepaste neerslachtigheid en onrust is het juiste geneesmiddel dat we onze ziel vermanen en haar wijzen op de enige ware bron van verlichting.
  3. Zo’n vermaning van de ziel in tijden van nood heeft pas het juiste effect als ze ons meteen bij God doet schuilen. — H. March.

Vers 6

De nadruk kan liggen op vragen en onderzoeken: David roept zichzelf ter verantwoording voor zijn huidige hartstocht en de onrust van zijn gemoed. Of de nadruk ligt op bestraffing en berisping: David berispt en bestraft zichzelf om zijn huidige ongesteldheid. “Wat buigt gij u neder?” — Thomas Horton.

Verzen 6, 12

Of: hulp en gezondheid.

Vers 7

“Daarom gedenk ik Uwer.” De troost die we kunnen putten uit gedachten aan God.

Vers 7

“Daarom gedenk ik Uwer.” Dit kunnen we op twee manieren verstaan, en beide zijn leerzaam en nuttig…

  1. Het kan een uitdrukking zijn van de vaste wil om aan God te blijven denken, mocht hij ooit op zulke plaatsen en in zulke omstandigheden terechtkomen. Gelovigen kunnen het ergste veronderstellen en toch het beste hopen.
  2. De woorden kunnen ook een bemoediging uitdrukken, geput uit nadenken. Hij was in deze toestanden en omstandigheden geweest, en had daarin bewijzen van Gods voorzienigheid en genade ondervonden. — W. Jay.

Vers 7

Ebenezers: vele, van velerlei soort, in herinnering gehouden en behulpzaam.

Vers 8

“De afgrond roept tot den afgrond.” Zie Spurgeons Preken, nr. 865.

Vers 8

“De afgrond roept tot den afgrond.” Het ene kwaad nodigt het andere uit.

  1. De verscheidenheid van kwaden: het ene kwaad tot het andere.
  2. De samenvoeging van kwaden: het ene kwaad met het andere.
  3. Het verband tussen kwaden, of hun afhankelijkheid en onderlinge verwijzing: het ene kwaad op het andere. — T. Horton.

Vers 8

De drievoudige diepte waaraan de heiligen en dienaren van God hier in dit leven zijn overgeleverd.

  1. De diepte van de verzoeking.
  2. De diepte van de verlating.
  3. De diepte van verdrukking en menselijke rampen. — T. Horton.

Verzen 8, 9

In tijden van verdrukking onderscheiden Gods dienaren zich van anderen doordat zij Gods hand in hun beproevingen snel opmerken en erkennen. — H. March.

Vers 9

Barmhartigheid overdag en een lied in de nacht: de barmhartigheden van zonneschijn en van schaduw.

Vers 9 (laatste zinsdeel)

De gezegende afwisseling van lof en gebed.

Vers 9

“God mijns levens.” Oorsprong, onderhouder, trooster, doel, kroon, voltooiing.

Vers 9

“Den God mijns levens.” Er is een drievoudig leven waaraan wij deel hebben, en God is voor ons de God van elk daarvan. Ten eerste het leven van de natuur, ten tweede het leven van de genade, ten derde het leven van de heerlijkheid. — T. Horton.

Vers 10

“Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots.” Namen voor God, aangepast aan de omstandigheden.

Vers 10

“Mijn Steenrots.” Zie Keach in zijn zinnebeelden.

Vers 10

  1. Waarom U?
  2. Waarom ik?
  3. Waarom hij?

Het is een waarom aan alle drie. Aan God: Waarom hebt U mij vergeten? Aan David zelf: Waarom ga ik in het zwart? Aan Davids tegenstander, wie dat ook was: Waarom onderdrukt de vijand mij? — T. Horton.

Vers 11

De pijnlijkste van alle spottende opmerkingen.

Vers 12

“Mijn God.”

  1. Het is een woord van belang: Mijn God, als iemand die met Hem in verbond staat.
  2. Een woord van gehoorzaamheid: Mijn God, als iemand die zich aan Hem onderwerpt.
  3. Een woord van genegenheid: Mijn God, als iemand die vreugde in Hem vindt en zich in Hem verblijdt. — T. Horton.

Vers 12

Een catechismus, een troost, een aanbeveling.

Vers 12

  1. Davids ervaring van God: Hij is de gezondheid, of de hulp, van mijn aangezicht.
  2. Davids band met God en zijn aandeel in Hem: “En mijn God.” — T. Horton.

Werken over de tweeënveertigste psalm

“A Practical Exposition of the Forty-second Psalm, in ten Sermons”, in “Choice and Practical Expositions on four select Psalms. Psalms 4, 42, 51, 63.” Van Thomas Horton, D.D. 1675. Folio.

“Sabbaths at Home: or, a help to their right improvement; founded on the Forty-second and Forty-third Psalms. Intended for the use of pious persons when prevented from attending the public worship of God.” Van Henry March. Londen: 1823.

Over het twaalfde vers van deze psalm zijn de volgende werken verschenen: twaalf preken in “A Cordial for a Fainting Soule”, van John Collings. 1652. Deel 2, blz. 133-206.

Dertien preken in de werken van William Bridge (1600-1670), onder de titel “A Lifting Up for the Downcast.” Deel 2 van de uitgave van 1845.

“Comfort and Counsel for Dejected Souls.” Van John Durant. 8vo. 1651.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas