Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 41 — Treasury of David

Titel
“Een psalm van David, voor den opperzangmeester.” Dit opschrift hebben we al vaker gezien. Het herinnert ons eraan hoe waardevol deze psalm is: ze werd niet aan een gewone zanger toevertrouwd. Het leert ons ook iets over de dichter. David maakte zijn eigen ervaring tot de grondslag van een profetisch lied, waarin Iemand wordt getekend Die veel groter is dan David. Wat een rijk leven had David achter de rug, met zoveel hoogte- en dieptepunten! Wat gaf dat hem een kracht om latere eeuwen op te bouwen! En wat werd hij een levend beeld van onze Heere! Wat voor hem bitter was, bleek voor vele generaties gelovigen een bron van altijd frisse zoetheid.
Jezus Christus, verraden door Judas Iskariot, is duidelijk het grote thema van deze psalm. Maar niet het enige, denken wij. Christus is de volmaakte vervulling van wat David voorafbeeldde, en al Zijn volk lijkt in zijn eigen mate op Hem. Woorden die passen bij de grote Vertegenwoordiger van Gods kinderen, passen daarom ook uitstekend bij allen die in Hem zijn.
Wie slecht wordt behandeld na jarenlange vriendelijkheid voor anderen, kan dit lied met veel troost lezen. Je ziet er namelijk in dat dit helaas heel gewoon is voor de besten onder de mensen: voor hun heilige zorg krijgen ze wreedheid en spot terug. Als zij zich hadden vernederd door in zonde te vallen, werd misbruik gemaakt van hun zwakke positie. Hun goede daden werden vergeten, en de gemeenste wrok werd op hen afgereageerd.
Indeling
In Psalm 41:2-4 beschrijft de dichter de zegen die God belooft aan wie zich het lot van de arme aantrekt. Dat is zijn inleiding op zijn eigen, persoonlijke smeekbede om hulp. In Psalm 41:5-10 legt hij zijn eigen zaak voor. In Psalm 41:11 gaat hij over op gebed, en hij sluit af met dankzegging, Psalm 41:12-14.
Uitleg
Vers 2
Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige. Dit is de derde psalm die met een zaligspreking begint, en je ziet een groei ten opzichte van de eerste twee. Eerst komt het onderzoeken van Gods woord. Dan komt de vergeving van zonde. En nu draagt de vergeven zondaar vrucht voor God, vrucht die anderen ten goede komt. Het woord dat hier staat, is net zo krachtig als in de vorige gevallen, en de zegen die erop volgt ook.
Wie zijn die armen? Mensen die weinig bezitten, die lichamelijk zwak zijn, die weinig aanzien hebben en die moed en hoop zijn kwijtgeraakt. Zulke mensen worden meestal gemeden en vaak minachtend behandeld, alsof hun armoede aanstekelijk is. Het wereldse spreekwoord laat de laatste plaats aan wie geen medelijden heeft. Zieken en bedroefden zijn slecht gezelschap, en de wereld laat hen links liggen, zoals de Amalekiet zijn stervende knecht achterliet.
Wie deel heeft gekregen aan Gods genade, krijgt een zachter hart. Zo iemand wordt niet hard tegenover zijn eigen vlees en bloed. Hij neemt het op voor wie vertrapt wordt en zet zich met heel zijn verstand in voor hun welzijn. Hij gooit hun niet een paar cent toe om daarna door te lopen. Hij vraagt naar hun verdriet, zoekt de oorzaak uit, bedenkt wat hen het beste kan helpen en komt echt in actie. Zulke mensen dragen het merkteken van Gods gunst duidelijk op zich. Ze zijn net zo zeker schapen van de weide van de HEERE als wanneer ze een brandmerk op hun voorhoofd hadden.
Let op: er staat niet dat zij vroeger, jaren geleden, voor de armen zorgden. Er staat dat zij het nóg doen. Verschaalde weldadigheid waar iemand mee pronkt, laat zien dat hij nu schriel is.
Op de eerste plaats staat onze Heere Jezus, ver boven alle anderen samen in tedere barmhartigheid voor wie in nood zijn. Hij dacht zo aan onze lage staat dat Hij, hoewel Hij rijk was, om onzentwil arm werd. Al Zijn eigenschappen stonden in dienst van één opdracht: ons optillen. Hij woog onze zaak en kwam met volle wijsheid om het wonderlijke werk van barmhartigheid te doen, waardoor wij uit ons verderf zijn gered. Onze ellende wekte Zijn medelijden, onze nood raakte Zijn hart. Daarom is Hij driemaal gezegend, door Zijn God én door Zijn heiligen, om Zijn aandachtige zorg en wijze aanpak voor ons. Hij behartigt ons nóg steeds. Zijn barmhartigheid staat altijd in de tegenwoordige tijd, en zo moet ook ons loflied klinken.
De HEERE zal hem bevrijden ten dage des kwaads. Wie liefdevol aan de arme dacht, dacht aan anderen, en daarom zal God aan hem denken. God meet ons toe met onze eigen maat. Ook de edelmoedigste mensen krijgen dagen van benauwdheid. Maar wie in betere tijden anderen onderdak bood, heeft het slimst gezorgd voor regenachtige dagen. De belofte is niet dat de goedgeefse gelovige nooit benauwdheid zal kennen. De belofte is dat hij erin bewaard wordt en er te zijner tijd uit wordt gebracht.
Hoe waar was dat van onze Heere, in elk opzicht! Nooit was een benauwdheid dieper en nooit een triomf schitterender dan de Zijne. Eer zij Zijn naam: Hij verzekert de uiteindelijke overwinning van allen die Hij met Zijn bloed heeft gekocht. Mochten zij allemaal meer op Hem gaan lijken in innige ontferming met de armen.
Wie zijn aalmoezen afknijpt, mist veel geluk. De vreugde van goed doen, de zoete weerklank van het geluk van een ander, de goedkeurende glimlach van de hemel op je hart, ook al is die er niet op je bezit: een krenterige ziel weet daar niets van. Zelfzucht draagt haar eigen vloek in zich. Ze is een kanker in het hart, terwijl mildheid geluk is en “het gebeente vet maakt”. In donkere dagen kunnen we niet rusten op de zogenaamde verdienste van aalmoezen geven. Toch geeft de muziek van de herinnering geen geringe troost, als ze vertelt van weduwen en wezen die we hebben bijgestaan, en van gevangenen en zieken die we hebben gediend.
Vers 3
De HEERE zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden. Zijn beste leven zal onsterfelijk zijn, en zelfs zijn sterfelijke leven wordt heilig bewaakt door de macht van Jehova. Jezus leefde door tot Zijn uur gekomen was. De listen van de sluwe Herodes konden Zijn leven niet wegnemen voordat het bestemde uur had geslagen. En zelfs toen nam niemand Zijn leven van Hem af: Hij legde het uit Zichzelf af, om het weer te nemen.
Dit is het deel van iedereen die door genade op zijn Heere is gaan lijken. Zij zegenen en zullen gezegend worden. Zij bewaren en zullen bewaard worden. Zij waken over het leven van anderen, en zijzelf zullen kostbaar zijn in de ogen van de HEERE. De vrek is net als het varken: pas als hij dood is, is hij nuttig. Laat hem dan sterven. De rechtvaardige is net als de os: hij is al tijdens zijn leven van dienst. Laat hem dan leven.
“Hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden.” Voorspoed zal hem vergezellen. Zijn kruik met olie raakt niet leeg, omdat hij de arme profeet te eten gaf. Als hij van zijn baal laken afsnijdt, zal hij merken dat ze aan beide kanten langer is geworden.
“Er was een man, door sommigen dwaas genoemd:
Hoe meer hij weggaf, hoe rijker hij werd.”
Krijgt hij geen aards voordeel, dan wordt het geestelijke voor hem verdubbeld. Zijn weinige bezit wordt gezegend, en brood en water worden voor hem een feestmaal. Mensen die royaal geven zijn gezegend en kunnen niet anders dan gezegend worden, zelfs hier al. Ze hebben nu al een deel, net zoals ze een deel in de toekomst hebben.
Het loont de moeite ernstig en diep na te denken over de echte gelukzaligheid in het hart van onze Heere, in de vreugde die Hem was voorgehouden. Het is immers het beeld van de zegen die alle milde heiligen mogen verwachten.
“Geef hem ook niet over in zijner vijanden begeerte.” Hij hielp de verdrukten, en nu zal hij in zijn God een kampioen vinden. Wat zouden de vijanden van de goede man hem niet aandoen als ze over hem konden beschikken? Je zit beter in een kuil vol adders dan overgeleverd aan vervolgers.
Deze zin houdt ons een zoete ontkenning voor. Toch zouden we niet gemakkelijk begrijpen hoe die ooit waar kon zijn voor onze Heere Jezus, als we niet wisten wat er was gebeurd. Hij werd van veel zegen buitengesloten, want Hij werd een vloek voor ons. Toch werd ook Hij niet helemaal en niet voor eeuwig door God verlaten. Op Gods tijd werd Hij verheven boven al Zijn vijanden.
Vers 4
De HEERE zal hem ondersteunen op het ziekbed. De eeuwige armen dragen zijn ziel, zoals vriendelijke handen en donzen kussens het lichaam van een zieke steunen. Wat een tederheid en meeleven zit in dit beeld! Wat komt onze God hier dichtbij onze zwakheid en onze ziekten! Wie hoorde dit ooit van de oude heidense Jupiter, of van de goden van India of China? Zo spreekt alleen de God van Israël over Zichzelf, en zo’n taal past alleen bij Hem. Hij is het Die Zich verwaardigt verpleger en oppasser van goede mensen te worden. Als Hij met de ene hand slaat, ondersteunt Hij met de andere.
O, wat is het heerlijk om flauw te vallen als je valt op de borst van de HEERE Zelf en daardoor gedragen wordt! Genade is het beste versterkende middel. Goddelijke liefde is de edelste opkikker voor een kwijnende zieke. Ze maakt de ziel sterk als een reus, zelfs als de pijnlijke botten bijna door de huid heen breken. Geen dokter als de HEERE, geen medicijn als Zijn belofte, geen wijn als Zijn liefde.
“In zijn krankheid verandert Gij zijn ganse leger” (Engels: Gij maakt zijn ganse bed op). Wat, wordt de HEERE bedopmaker voor Zijn zieke kinderen? Hierin is werkelijk liefde! Wie zou de arme niet behartigen als dit de beloofde beloning is? Een bed wordt snel hard als je moe bent van het woelen. Maar genade geeft geduld, Gods glimlach geeft vrede, en het bed wordt zacht omdat het hart tevreden is. De kussens voelen donzig omdat het hoofd rustig is. Merk op dat de HEERE het hele bed opmaakt, van het hoofdeinde tot het voeteneinde. Wat een attente, onvermoeibare vriendelijkheid, die nooit moe wordt!
Onze dierbare en eeuwig gezegende Heere Jezus had op alle punten recht op deze belofte. Toch zag Hij om onzentwil van de zegen af. Hij stierf aan een kruis, niet op een bed. Maar ook daar werd Hij na enige tijd door de HEERE, Zijn God, ondersteund en bemoedigd, zodat Hij in triomf stierf.
We mogen niet denken dat de zegen uit deze drie verzen is voor iedereen die af en toe geld aan de armen geeft, het in zijn testament nalaat of aan verenigingen schenkt. Zulke mensen doen goed, of ze handelen uit pure gewoonte, afhankelijk van het geval, maar zij worden hier niet bedoeld. De zegen is voor wie er een gewoonte van maakt zijn naaste lief te hebben als zichzelf, en die om Christus’ wil de hongerigen te eten geeft en de naakten kleedt.
Wie zich een christen voorstelt die de arme niet behartigt naar zijn vermogen, ziet de onvruchtbare vijgenboom aan voor een aangename boom. Op dit punt zullen veel belijders scherp aangepakt worden, op de dag dat de Koning komt in Zijn heerlijkheid.
Verzen 5-10
Hier horen we een woordenstrijd tussen de pleiter en zijn God. Hij is een tedere vriend van de armen geweest, en toch bleef de beloofde hulp uit toen hij in nood kwam. Bij onze Heere was er een donkere, troosteloze nacht waarin zulke argumenten volkomen pasten bij Hemzelf en Zijn toestand.
Vers 5
Ik zeide — ik zei het in ernstig gebed — O HEERE! wees mij genadig. Laat nu Uw genade zien aan mijn ziel in de tegenspoed, want U gaf mij vroeger genade om mild te zijn toen het mij voor de wind ging. Hij beroept zich niet op gerechtigheid. Hij zinspeelt alleen heel even op de beloofde beloning en legt zijn pleidooi meteen neer aan de voeten van de barmhartigheid.
Hoe diep was onze Verlosser gezonken toen zulke smeekbeden over Zijn eerbiedwaardige lippen konden komen, toen Zijn lippen, als lelies, zulke heerlijk geurende maar bittere mirre lieten druipen!
Genees mijn ziel. Mijn tijd van kwijnen is gekomen. Doe nu wat U hebt gezegd en sterk mij, vooral in mijn ziel. We moeten veel meer vragen om genezing van de ziel dan om verlichting van het lichaam. We horen veel over de zorg voor zielen, maar vergeten vaak er echt om te geven.
Want ik heb tegen U gezondigd. Hier lag de wortel van het verdriet. Zonde en lijden gaan onvermijdelijk samen. Merk op dat de dichter zonde vooral als kwaad ervoer omdat ze tegen God gericht was. Dat is het wezen van echt berouw.
De onbevlekte Zaligmaker kon zulke woorden nooit gebruiken, tenzij ze verwijzen naar de zonde die Hij door toerekening op Zich nam. Wij huiveren trouwens bij de gedachte woorden op Hem toe te passen die zo duidelijk wijzen op persoonlijke zonde en niet op toegerekende zonde.
Passen we het verzoek toe op David en andere zondige gelovigen, dan is het argument wonderlijk evangelisch: genees mij, niet omdat ik onschuldig ben, maar omdat ik gezondigd heb. Wat staat dit ver af van alle eigengerechtig pleiten, van iedereen die zichzelf wil vrijpleiten! Wat past het bij genade! Wat is het onverenigbaar met verdienste! Zelfs het feit dat de berouwvolle belijder de armen had behartigd, wordt maar zijdelings genoemd. Rechtstreeks beroept hij zich op barmhartigheid, op grond van grote zonde. O bevende lezer, hier is een door God Zelf geopenbaard voorbeeld voor je. Aarzel niet het te volgen.
Vers 6
Mijn vijanden spreken kwaad van mij. Het zat in hun aard kwaad te doen en kwaad te spreken. Het kind van God kon hun onmogelijk ontlopen. De adder klampte zich vast aan Paulus’ hand: hoe beter de mens, hoe groter de kans, en hoe giftiger de laster. Kwade tongen zijn drukke tongen, en ze houden zich nooit aan de waarheid. Jezus werd tot het uiterste belasterd, hoewel er geen misdaad in Hem was.
“Wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan?” Ze konden pas tevreden zijn als hij weg was, ver weg. De wereld is niet groot genoeg voor slechte mensen zolang de rechtvaardigen er nog zijn. Ook als de heiligen zelf er niet meer zijn, blijft hun nagedachtenis hun vijanden een doorn in het oog. “Het is nooit meer vrolijk Engeland geweest,” zeggen ze, “sinds de mensen psalmen zijn gaan zingen.” Bij de Meester riepen ze: “Weg van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk, dat hij leve.”
Als vervolgers hun zin kregen, had de gemeente maar één hals, en die lag op het hakblok. Dieven blazen graag alle kaarsen uit. De lichten van de wereld zijn niet de plezierjes van de wereld. Arme, blinde vleermuizen! Ze vliegen tegen de lamp aan en proberen hem neer te slaan. Maar de HEERE leeft en bewaart zowel de heiligen als hun naam.
Vers 7
En zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid. Zijn bezoek uit medeleven is in werkelijkheid bezoek om te bespotten. Als de vos bij het zieke lam op bezoek komt, klinken zijn woorden zacht, maar ondertussen likt hij zijn lippen in de hoop op een kadaver. Het is ellendig om spionnen rond je ziekbed te hebben, die onder het mom van vriendelijkheid binnenkomen met kwaadaardigheid in hun hart. Huichelachtig gepraat is voor eerlijke mensen altijd walgelijk en misselijkmakend, en al helemaal voor een lijdende heilige. Onze goddelijke Heere kreeg hier veel van te verduren, van valse harten die op Zijn woorden loerden.
“Zijn hart vergadert zich onrecht.” Gelijk zoekt gelijk. Soort zoekt soort. De vogel bouwt zijn nest van veren. Uit de zoetste bloemen kunnen scheikundigen gif halen, en uit de zuiverste woorden en daden kan boosaardigheid een grondslag halen voor laster. Het is verbazend hoe wrok webben spint uit helemaal niets. Het is geen kleine beproeving om gemene mensen om je heen te hebben die op de loer liggen naar elk woord dat ze tot kwaad kunnen verdraaien. De Meester Die wij dienen werd voortdurend met dit lijden geconfronteerd.
“Gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.” Hij verzint zijn leugens en verkoopt ze dan op de openbare markt. Nauwelijks is hij de deur uit, of hij spuit zijn leugen, en dat tegen een zieke die hij als vriend kwam bezoeken: een zieke aan wiens verwarde en willekeurige uitspraken je medelijden hoort te tonen. Ach, die zwarthartige ellendeling! Een echt duivelswelpje, zeg ik. Hoe ver gaan mensen om hun laster rond te bazuinen! Ze zouden de hemel het liefst volplakken met hun leugens.
Van een klein gebrek maken ze veel. Een uitglijder van de tong wordt smaad, een vergissing een misdaad, en als een woord twee betekenissen heeft, krijgt het altijd de slechtste toegeschreven. “Vertelt het in Gath, maakt het bekend in Askelon, opdat de dochters der onbesnedenen zich verheugen.” Het is laag om een man te slaan als hij op de grond ligt. Maar zo laag zijn mensen tegenover een christelijke held, als hij een tijdlang onder een wolk mocht komen.
Vers 8
“Al mijn haters mompelen te zamen tegen mij.” De spion komt met zijn kameraden samen voor een geheim overleg en zet hen allemaal aan het fluisteren. Waarom spraken ze niet openlijk? Waren ze bang voor de zieke krijger? Of waren hun plannen zo verraderlijk dat ze in het geheim moesten worden uitgebroed? Let op hoe eensgezind de goddelozen zijn: “al”. Wat trekken de honden eendrachtig samen op als ze het hert najagen! Was het maar zo dat wij half zo eensgezind waren in heilig werk als vervolgers in hun kwade plannen, en half zo wijs als zij sluw zijn. Want hun gefluister was even goed list als lafheid: niemand mocht iets merken voordat alles klaarlag.
“Ze bedenken tegen mij, hetgeen mij kwaad is.” Ze steken de koppen bij elkaar en smeden plannen en complotten. Zo deden Achitofel en de andere raadslieden van Absalom, en zo deden ook de overpriesters en de Farizeeën. Slechte mensen kunnen goed bedenken. Ze zijn gewend na te denken, het zijn diepe denkers, maar hun doel is altijd hetzelfde: de gelovigen kwaad doen. Slangen in het gras liggen daar nooit voor iets goeds, en dat geldt ook hier.
Vers 9
“Een Belialsstuk kleeft hem aan”, zeggen zij. Ze fluisteren dat er een vloek op hem is gekomen en dat die aan hem vastzit. Ze laten doorschemeren dat er een smerig geheim aan zijn karakter kleeft, een spook dat in zijn huis rondwaart en nooit meer te bezweren is. Er hangt een waas van geheimzinnigheid rond dit dubbel duistere gezegde, alsof het wil laten zien hoe vaag het gemompel van de boosheid is. Zo werd ook onze Heere gezien als “van God geslagen en verdrukt”. Zijn vijanden dachten dat God Hem had verlaten en Hem voorgoed aan hen had overgeleverd.
“En hij, die nederligt, zal niet weder opstaan.” Zijn ziekte was dodelijk, hoopten ze, en dat was goed nieuws voor hen. Nooit meer zou de heiligheid van die goede man hun zonde bestraffen. Nu waren ze verlost van de rem van zijn godsvrucht. Net als de monniken rond het bed van Wycliffe waren hun voorspellingen vrolijker dan juist, maar voor de zieke waren ze een harde zweepslag.
Als de HEERE Zijn volk voor even slaat met de roede van de verdrukking, verwachten hun vijanden dat zij de doodstraf ondergaan. Dan maken ze hun jubelzangen al klaar voor de begrafenis. Maar ze zijn te haastig. Ze moeten hun liedjes veranderen en op een andere wijs gaan zingen. Onze Verlosser heeft dit op een geweldige manier voorafgebeeld, want uit Zijn liggen in het graf is Hij heerlijk opgestaan. Tevergeefs de wacht, de steen, het zegel! Bij Zijn opstanding stort Hij verwarring uit over Zijn vijanden.
Vers 10
“Zelfs.” Hier bereikt het leed van de lijder zijn toppunt. Hij zet dat woord nadrukkelijk voorop, als sterke bevestiging, alsof hij denkt dat zulke gemeenheid nauwelijks te geloven is. “De man mijns vredes.” Letterlijk staat er: ‘de man van mijn vrede’. Iemand met wie ik nooit ruzie had, met wie ik verbonden was, en die vroeger zelf voor mijn vrede en troost zorgde. Dat was Achitofel voor David, en Judas Iskariot voor onze Heere.
Judas was een apostel. Hij mocht dicht bij de Grote Leraar zijn, hoorde Zijn geheime gedachten en mocht als het ware in Zijn hart zelf lezen. “Et tu, Brute?” zei de stervende Caesar. De kus van de verrader deed het hart van onze Heere net zoveel pijn als de spijker Zijn hand. “Op welken ik vertrouwde.” Judas was de penningmeester van de apostelgroep. Waar we veel vertrouwen schenken, voelen we een onvriendelijke daad des te zwaarder.
“Die mijn brood at.” Niet alleen als gast, maar als afhankelijke, een kostganger aan mijn tafel. Judas doopte samen met zijn Heere in dezelfde schotel. Daarom was zijn verraad des te vervloekter: hij verkocht zijn Meester voor de prijs van een slaaf. “Heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.” Hij keerde mij niet alleen de rug toe, maar liet mij achter met een harde trap, zoals een kwaadaardig paard die kan geven. Wat is het zwaar om juist in onze nood te worden weggestoten door mensen die vroeger aan onze tafel aten!
Het is opmerkelijk dat de Verlosser alleen de laatste woorden van dit vers op Judas toepaste. Misschien omdat Hij, Die zijn dubbelhartigheid kende, hem nooit in de volle zin tot vertrouweling had gemaakt en geen onvoorwaardelijk vertrouwen in hem had gesteld. De haat uit de hel had het zo beraamd dat elk onderdeel van Jezus’ dood er alsem aan zou toevoegen. En het verraad was een van de bitterste druppels gal.
Wat zijn we er slecht aan toe wanneer onze vroegere vriend onze genadeloze vijand wordt, wanneer vertrouwen wordt beschaamd, wanneer alle rechten van gastvrijheid worden verdraaid en ondankbaarheid het enige antwoord is op vriendelijkheid. Toch mogen we ons in zo’n diep droevig geval werpen op de trouw van God. Hij heeft ons Verbondshoofd verlost, en daarom is Hij ook echt gebonden om de allernabije hulp te zijn van allen voor wie dat verbond is gesloten.
Vers 11
“Maar Gij, o HEERE! wees mij genadig.” Wat wendt een opgejaagde, doodsbange ziel zich dan tot haar God! Het is alsof ze adem haalt met een “maar Gij!” En wat klampt ze zich dan vast aan de hoop op Gods barmhartigheid als elke kans op medelijden van mensen is verdwenen!
“En richt mij op.” Herstel mij van mijn ziekte en geef mij mijn plaats terug. Jezus werd uit het graf opgewekt; Zijn weg naar beneden eindigde in een weg omhoog.
“En ik zal het hun vergelden.” Zoals het er staat, is dit een echt oudtestamentische zin, die vreemd is aan de geest van het christendom. Maar we moeten bedenken dat David een man met een openbaar ambt was. Zonder enige persoonlijke wraakzucht kon hij willen dat zij gestraft werden die zijn gezag hadden beledigd en zijn openbare naam hadden belasterd. Onze grote Apostel en Hogepriester had geen persoonlijke vijanden. Toch heeft ook Hij door Zijn opstanding de machten van het kwaad hun loon gegeven. Aan dood en hel heeft Hij al hun lage aanvallen op Zijn zaak en Zijn persoon vergolden. Toch vinden we het gekunsteld om elke zin van deze psalm op Christus te betrekken. Liever vestigen we de aandacht op de betere geest van het evangelie, die uitgaat boven die van de oude bedeling.
Vers 12
Tekenen ten goede bemoedigen ons allemaal. De psalmist zag het als een gunstig voorteken dat hij, na al zijn diepe neerslachtigheid, niet helemaal aan zijn vijand was uitgeleverd. “Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt.” U hebt een bijzondere achting voor mij. Die zekerheid draag ik verborgen in mijn hart. Daarom brengen Uw uiterlijke wegen mij niet van streek: ik weet dat U mij in alles liefhebt. “Dat mijn vijand over mij niet zal juichen.” Behaalt de gelovige zelf geen overwinning op zijn vijanden, dan mag hij toch blij zijn dat zij geen overwinning op hem behalen. Hebben we niet alles wat we wensen, dan moeten we God prijzen voor alles wat we wél hebben.
Er is veel in ons waar de goddelozen over zouden kunnen juichen. Houdt Gods barmhartigheid de bekken van de honden dicht terwijl ze open hadden kunnen gaan, dan moeten we Hem onze hartelijkste dank geven. Wat een wonder is het dat de duivel, als hij de strijd aangaat tegen een arme, dwalende, bedlegerige, verlaten en belasterde heilige, met duizend boze tongen als steun, de dag toch niet kan winnen en uiteindelijk zonder eer wegsluipt.
“De zwakste heilige zal de zege winnen,
Al versperren dood en hel de weg,”
Vers 13
“Want mij aangaande, Gij onderhoudt mij in mijn oprechtigheid.” Ondanks hen allen en voor de ogen van hen allen houdt Uw macht mij staande. Uw macht stelt mij in staat om boven het bereik van laster uit te stijgen door te leven in reinheid en gerechtigheid.
Onze onschuld en standvastigheid zijn de vrucht van Gods onderhouding. We zijn als die glazen zonder voet, die alleen rechtop staan zolang ze in de hand worden vastgehouden. Laat je ze los, dan vallen ze, morsen ze en is alles bedorven. Zo gaat het ook met ons als we aan onszelf worden overgelaten. De HEERE moet elke dag geprezen worden als wij voor grove zonde bewaard blijven. Wanneer anderen zondigen, laten ze ons zien wat wij zonder genade zouden doen. “Hij vandaag en ik morgen”, riep een heilig man uit wanneer hij iemand anders in zonde zag vallen. Onze oprechtigheid is betrekkelijk en afhankelijk, dus moeten we nederig blijven terwijl we dankbaar zijn. Zijn we vrij van de fouten waarvan onze lasteraars ons beschuldigen, dan blijft er toch genoeg echte schuld over om ons te schamen als we zouden roemen.
“En Gij stelt mij voor Uw aangezicht in eeuwigheid.” Hij verheugde zich erover dat hij onder Gods toezicht leefde: verzorgd, bewaakt en met een glimlach aangekeken door zijn Heere. En nog meer dat het zo zou blijven tot in eeuwigheid. Voor een aardse koning te mogen staan geldt als een bijzondere eer. Maar wat moet het zijn om voortdurend hoveling te zijn in het paleis van de Koning der eeuwen, de onsterfelijke, de onzienlijke!
Vers 14
De psalm eindigt met een lofzegging. “Geloofd zij de HEERE”, dat wil zeggen: laat Hem verheerlijkt worden. De zegen waarmee de psalm begon, uit Gods mond, wordt nu teruggegeven uit de mond van Zijn dienstknecht. We kunnen niets toevoegen aan het geluk van de HEERE. Wel kunnen we onze dankbare wensen uitstorten, en die neemt Hij aan, zoals wij kleine bloemengeschenken aannemen van kinderen die van ons houden.
Jehova is de persoonlijke naam van onze God. “De God Israels” is Zijn verbondsnaam en laat Zijn bijzondere band zien met Zijn uitverkoren volk. “Van eeuwigheid en tot in eeuwigheid!” Dat is de sterkste manier om eindeloze duur uit te drukken. Wij sterven, maar de heerlijkheid van God gaat door en door, zonder ophouden. “Amen, ja, amen.” Zo zij het, zeker, vast en eeuwig. Zo deed het volk mee met de psalm, met een dubbele roep van heilige bevestiging. Laten ook wij ons erbij voegen met ons hele hart. Dit laatste vers kan dienen als gebed van de algemene kerk in alle tijden. Maar niemand kan het zo lieflijk zingen als wie, zoals David, in tijden van uiterste nood de trouw van God heeft ervaren.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Titel
In de Syrische vertaling staat: “Het was een psalm van David, toen hij opzieners aanstelde om voor de armen te zorgen.” — Adam Clarke.
Gehele psalm
Een profetie over Christus en over de verrader Judas. — Eusebius van Caesarea, aangehaald door J. M. Neale.
Vers 2
“Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige.” De meeste uitleggers denken dat hier vriendelijkheid en medelijden worden geprezen, zoals die blijken in de zorg voor ellendige mensen en in het helpen van hen. Maar wie volhouden dat de psalmist hier de bedachtzame welwillendheid prijst van mensen die wijs en liefdevol oordelen over wie in tegenspoed zit, komen dichter bij wat hij bedoelt. Het deelwoord ((Hebr.)), maskil, kan eenvoudig niet anders worden verklaard. Tegelijk moeten we opmerken waarom David hen gelukzalig noemt die een wijs en verstandig oordeel vellen over de verdrukkingen waarmee God Zijn dienstknechten tuchtigt…
Het is hem ongetwijfeld vergaan zoals de heilige aartsvader Job, die door zijn vrienden werd gezien als een van de slechtste mensen toen ze zagen hoe streng God hem behandelde. En het is zeker een dwaling die onder mensen veel te gewoon is, om wie onder verdrukking gebukt gaan te beschouwen als veroordeeld en verworpen… We spreken immers meestal lichtzinnig en zonder onderscheid over anderen, en storten we, om het zo te zeggen, wie onder druk gebukt gaan in de diepste afgrond. Om zo’n onbezonnen en tomeloze geest te beteugelen zegt David dat zij gelukzalig zijn die zich niet laten verleiden om, door lukraak te spreken, hard over hun naaste te oordelen.
Zij kijken juist goed naar de verdrukkingen waarmee hun naaste wordt bezocht, en verzachten met wijsheid van geest de harde en onrechtvaardige oordelen waartoe wij van nature zo geneigd zijn. — Johannes Calvijn.
Vers 2
“Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige.” Zoals Christus Zich over ons ontfermde toen wij ellendig waren, zo moeten wij ons met de grootste aandacht over Hem ontfermen in Zijn armoede. Bedenk wat Hij in Zijn eigen persoon heeft geleden. Zie Hem lijden in Zijn arme, verdrukte leden. En bewijs hun de barmhartigheid die Hij ons bewees. Hij werd door Jehova “gelukzalig gemaakt” en door een heerlijke opstanding “bevrijd ten dage des kwaads”. Op dezelfde manier zal Hij hen “gelukzalig maken” en “bevrijden” die om Zijnentwil hun broeders liefhebben en helpen. — George Horne.
Vers 2
“Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige.” Het gaat niet over de armen van de wereld in het algemeen, en ook niet over arme heiligen in het bijzonder, maar over één ellendig mens. Het woord staat immers in het enkelvoud en wijst op onze Heere Jezus Christus, Die in het laatste vers van de voorgaande psalm ellendig en nooddruftig wordt genoemd. — John Gill.
Vers 2
“Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige.” Ik vraag je aandacht voor de manier waarop de Bijbel ons opdraagt de zorg voor de armen op ons te nemen. In onze tekst staat niet: heb medelijden met de armen. Stond er niet meer dan dat, dan zou hun nood worden overgelaten aan de willekeurige opwellingen van een onstuimig en onnadenkend medegevoel. De Bijbel geeft hun een betere zekerheid dan het louter gevoel van medelijden. Zo’n gevoel is nuttig om iemand in beweging te krijgen, maar het moet worden bestuurd en geregeld.
Gevoel is slechts een zwakke en wisselvallige waarborg. De fantasie kan het misleiden. De nuchtere werkelijkheid van het leven kan het doen walgen. Teleurstelling kan het doven. Ondankbaarheid kan het verbitteren. Bedrog, met zijn valse voorstellingen, kan het naar het verkeerde doel lokken. In elk geval beweegt het zich meestal binnen de kleine kring van de tijd. Het heeft de indruk van zichtbare dingen nodig om overeind te blijven. Met ijver of levendigheid kan het ook niet ingaan op de behoeften van de onzichtbare ziel.
Daarom laat de Bijbel de hulp aan de armen niet over aan het blote instinct van medegevoel. Ze maakt er iets van om over na te denken: “Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige.” Dat is een ernstige en nuchtere bezigheid, dat geef ik toe. Ze past niet in de hooggestemde verhalen waarin het fraaie tafereel van weldadigheid is opgebouwd uit alle gevoeligheden van tederheid aan de ene kant en alle vervoering van dankbaarheid aan de andere. De Bijbel redt de zaak van het onheil waaraan een achteloze of onnadenkende gevoeligheid haar zou blootstellen. Ze legt haar voor aan een hoger vermogen, dat taaier werkt dan het moe wordt van goed doen, en dat langer volhoudt dan het uit walging opgeeft.
Ze roept je op om de armen te behartigen. Ze maakt van de deugd om hen te hulp te komen een kwestie van berekening én van gevoel. Zo brengt ze je buiten het bereik van allerlei misleiding. Het ene moment laat je je verleiden om toe te geven aan medelijden, ten koste van het werkelijke belang van degene die je wilt helpen. Het andere moment trek je je gekrenkt en teleurgesteld terug van het terrein van de plicht, omdat je niet de dankbaarheid of eerlijkheid hebt gevonden waarop je rekende. Weer een ander moment steek je al je zorg in het gerief van de tijd en vergeet je de eeuwigheid.
Het is de taak van het overleg om je voor al deze dwalingen te behoeden. Onder haar leiding groeit de aandacht voor de nood van de arme uit tot een vast beginsel…
Het moet jullie allen duidelijk zijn dat het niet genoeg is om geld te geven en je naam te zetten bij de giften voor de liefdadigheid. Je moet het met inzicht geven. Je moet je tijd en je aandacht geven. Je moet de moeite nemen om de zaak te onderzoeken. Je moet opstaan uit de rust van het overpeinzen en kennismaken met degene voor wie je je wilt inzetten… Geld geven is niet het hele werk en de hele inspanning van weldadigheid. Je moet naar het ziekbed van de arme gaan. Je moet je hand lenen aan het werk van hulpverlening.
Dat is ware, onvervalste goedheid, zonder opsmuk. Misschien staat ze in geen enkel aards document opgetekend. Maar als ze is gedaan onder invloed van christelijk beginsel, kortom, als ze is gedaan aan Jezus, dan staat ze geschreven in het boek van de hemel. Ze geeft een nieuwe glans aan de kroon waar Zijn discipelen in de tijd naar uitzien en die zij in eeuwigheid zullen dragen. — Uit een preek, gehouden voor de Society for Relief of the Destitute Sick in St. Andrew’s Church, Edinburgh, door Thomas Chalmers, D.D. en L.L.D. (1780-1847.)
Vers 2
Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige. In Turijn raakte ik in gesprek met een edelman uit Piëmont, en hij vertelde me dit verhaal: “Ik had genoeg van het leven. Het was een dag zoals maar weinig mensen er meemaken, een dag die niemand zich zou willen herinneren. Haastig liep ik door de straat naar de rivier. Opeens voelde ik een ruk aan mijn mantel. Ik draaide me om en zag een kleine jongen. Hij had de slip van mijn mantel vastgegrepen, omdat hij zo graag wilde dat ik naar hem keek. Zijn blik en zijn manier van doen waren onweerstaanbaar. Net zo onweerstaanbaar waren de woorden die hij van buiten had geleerd: ‘Wij zijn met z’n zessen en we sterven van de honger.’ ‘Waarom zou ik dit ellendige gezin niet helpen?’ zei ik bij mezelf. ‘Ik kan het, en het kost me maar een paar minuten. Maar wat als het toch langer duurt?’ Het tafereel van ellende waar hij mij naartoe bracht, kan ik niet beschrijven. Ik gooide hun mijn beurs toe. Hun uitbarsting van dankbaarheid overweldigde me. Mijn ogen liepen vol, en het deed mijn hart goed als een sterkende drank. ‘Morgen kom ik terug!’ riep ik. ‘Wat was ik dwaas, dat ik dacht een wereld te verlaten waar zoiets moois te beleven is, en dan nog zo goedkoop!’” — Samuel Rogers (1763-1855) in “Italy.”
Vers 2
Hij die de arme behartigt:
Een vurige geest woont naast de christelijke liefde:
De kracht van de arend in de duif vol erbarmen.
Het is niet genoeg dat wij zuchten van verdriet,
Dat wij geven aan wie ons om hulp smeekt,
Dat wij meevoelen met wie lijden,
Of nooit van leed horen zonder de wens het te helen:
Dit is niet genoeg — naar ziekte, pijn en wee
Gaat de christelijke geest graag met hulp op weg;
Zij wacht niet tot men haar zoekt of de nood komt pleiten,
Maar zoekt zelf de plicht — ja, zij is de nood voor;
Bij elk kwaad biedt zij haar uiterste hulp,
En zaait al verlichting voor ellende die nog komen moet.
— George Crabbe, 1754-1832.
Vers 2
Wat een dwaasheid: bang zijn dat je je rijkdom kwijtraakt door hem weg te geven, en niet bang zijn dat je jezelf kwijtraakt door hem vast te houden! Wie zijn goud opspaart, is hooguit een goede bewaker. Wie het uitgeeft, is een goede rentmeester. Handelaren brengen hun waar naar de plek waar ze kostbaar is, omdat ze er schaars is. Wij kopen in Engeland geen wijn om die naar Frankrijk te brengen, en in Frankrijk geen specerijen om ze naar Indië te brengen. Zo is het ook met werken en zwoegen, met berouw en zelfverloochening: die bestaan in de hemel niet meer.
Daar zijn vrede en heerlijkheid, en de gunst van God Zelf. Een koopman zonder koopwaar krijgt een armzalig onthaal. God zal de mensen die bij de poorten van de hemel aankomen vragen: ubi opera? (waar zijn de werken?) Openb. 22:12. Zijn loon zal zijn naar onze werken. Je hebt hier rijkdom, en hier zijn mensen die jouw rijkdom nodig hebben: de armen. In de hemel is rijkdom genoeg, maar daar zijn geen armen. Breng daarom, in geloof in Christus, je geld in deze wereld naar hen over. Dan krijg je het als een wisselbrief terug in de wereld die komt.
Alleen wat je vooruitstuurt, neem je mee. Doe goed zolang het nog in je macht ligt. Help de onderdrukten en sta de wezen bij, zolang je bezit nog van jou is. Als je dood bent, is je rijkdom van anderen. Eén licht dat vóór iemand uit wordt gedragen, is nuttiger dan twintig die hem achterna worden gedragen. Laat in je medeleven met de bedrukten, of voor een goed doel, je handen je uitvoerders zijn en je ogen je opzieners. — Francis Raworth, leraar van de gemeente te Shoreditch, in een lijkrede, 1656.
Verzen 2, 4
Het is zalig om te ontvangen als je het nodig hebt, maar het is zaliger te geven dan te ontvangen. “Welgelukzalig”, zegt de profeet David, “is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige” (Engels: die den arme behartigt). Wat bedoelt hij daarmee? Dat je zegt: ‘Ach, die arme man! De wereld is hard voor hem. Er zou toch iets voor hem gedaan moeten worden’? Nee, nee. Hem behartigen betekent: geven. Geven tot de arme verzadigd is. Je schoof naar voren halen, ja, je eigen ziel uitstorten voor de hongerigen. Maar wat als er moeilijkheden komen? Is het dan niet beter je geld achter de hand te houden?
Geld verlost niemand. Het kan je juist in gevaar brengen en in moeilijkheden storten, in plaats van eruit helpen. Maar wie barmhartig is, zal door God worden verlost, hetzij door Hemzelf, hetzij door een ander mens of op een andere manier. Ja, maar wat als er ziekte komt? Dan zal de HEERE hem ondersteunen op het ziekbed. En, wat een troost en vriendelijkheid, God zal als het ware Zelf zijn hele leger opmaken in zijn ziekte. Hier hebben arme mensen een voordeel. Zij kunnen niet zeggen: ‘Ach, ik ben maar een arme vrouw. Welk werk van barmhartigheid kan ik nu doen?’ Zij zijn juist degenen die het bed van een zieke het beste kunnen opmaken.
Dat is, zoals we zien, een groot werk van barmhartigheid, want er staat dat de HEERE Zelf hun bed zal opmaken in hun ziekte. En niemand is zo arm dat hij het bed van een zieke niet kan opmaken. — Richard Capel.
Verzen 2, 6
“Die zich verstandiglijk gedraagt.” “Mijn vijanden.” Strigelius merkte op dat er in deze psalm van begin tot eind een tegenstelling loopt. Aan de ene kant staan de weinigen die de armen van geest echt ter harte nemen, aan de andere kant de velen die hen kwellen of in de steek laten. — W. Wilson, D.D.
Vers 3
“De HEERE zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden.” Het is de moeite waard om te merken dat weldoeners die zich “verstandiglijk” gedragen “jegens een ellendige” zelden het slachtoffer worden van hun eigen weldadigheid. Dat geldt vooral voor wie de zieke armen opzoekt. Zij gaan kelders, zolders, achterstraten en al die andere plekken van ellende af, alleen om hen te vinden, zelfs waar besmetting heerst. Toch worden ze zelden zelf ziek. De HEERE houdt hen op bijzondere wijze in leven en beschermt hen. Veel mensen die juist ver uit de buurt van besmetting blijven, worden er wél door getroffen en vallen eraan ten offer. God heeft de barmhartige mens lief. — Adam Clarke.
Vers 3
“Hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden.” Geen enkele verdrukking van de godvruchtige kan het geluk dat al bij hem begonnen is, tegenhouden of van hem afnemen, zelfs niet in deze wereld. — David Dickson.
Vers 4
“In zijn krankheid verandert Gij zijn ganse leger” (Engels: Gij maakt zijn ganse bed op). In wat voor fijne, ontroerende details daalt de HEERE hier af! Het voelt bijna zoals Petrus zich gevoeld moet hebben toen de Zaligmaker bij hem kwam om hem de voeten te wassen en hij uitriep: “Gij zult mijn voeten niet wassen in der eeuwigheid!” U zult mijn bed nooit opmaken. En toch: “Indien Ik u niet wasse, gij hebt geen deel met Mij.” Als de HEERE ons bed niet opmaakt in onze ziekte, is er daar geen vrede en geen troost. We hebben David God horen vragen Zijn oor te neigen, als een liefhebbende moeder die goed luistert om het zwakste gefluister van haar kind op te vangen.
Dat beeld ademt de zoetste deelneming en neerbuigende goedheid. Maar hier neemt de HEERE, de grote God van de hemel, Hij Die op aarde zei: “Ik ben in het midden van u, als een die dient”, werkelijk de gestalte van een dienstknecht aan. Hij wordt bevonden als een dienaar en doet al het liefdevolle en tedere werk van een toegewijde verpleegster. — Barton Bouchier.
Vers 4
“In zijn krankheid verandert Gij zijn ganse leger.” De bedoeling is eerder: “Het is geen ziekbed meer, want U hebt hem van zijn ziekte genezen.” — J. J. Stewart Perowne.
Vers 4
Wanneer een goed mens zich ziek en beroerd voelt, belooft God zijn hele leger op te maken in zijn ziekte. Het kussen, de peluw, het hoofdeinde, het voeteneinde, de zijkanten: zijn héle leger. God heeft hem gemaakt en kent zijn maat en aard zó goed, dat Hij zijn bed precies naar zijn zin opmaakt. Daarin is Zijn kunst uitnemend: Hij past niet het bed aan de persoon aan, maar de persoon aan het bed, door hem geduld in te blazen. Maar och, hoe zal God mijn bed opmaken, nu ik geen eigen bed heb om op te maken?
Wat ben je dwaas! Hij kan het feit dat je geen bed hebt veranderen in een bed voor je. Toen Jakob op de grond sliep, wie zou toen zijn harde slaapplaats niet hebben gewild, als hij er maar zijn hemelse droom bij kreeg? — Thomas Fuller.
Vers 4
Een bed dat God opmaakt, moet wel zacht zijn. — T. Watson.
Vers 4
We mogen niet vergeten dat oosterse bedden niet “opgemaakt” hoefden te worden zoals de onze. Het waren hooguit matrassen of dik gewatteerde dekens. Lagen ze ongemakkelijk, dan draaide men ze om. En “omdraaien” is precies het woord dat hier gebruikt wordt. — C. H. S.
Vers 4
Op een dag bezocht ik mijn dierbare vriend Benjamin Parsons. Hij lag op sterven. Ik vroeg: “Hoe gaat het vandaag met u, meneer?” Hij zei: “Mijn hoofd rust heel zacht op drie kussens: oneindige macht, oneindige liefde en oneindige wijsheid.” Een tijd geleden vertelde ik dit toen ik preekte in de Canterbury Hall in Brighton. Vele maanden later werd ik gevraagd een arme maar heilige jonge vrouw te bezoeken, die duidelijk op sterven lag. Zij zei: “Ik voelde dat ik u moest zien voordat ik stierf. Ik hoorde u het verhaal vertellen van Benjamin Parsons en zijn drie kussens. Toen ik een operatie onderging, en die was heel wreed, leunde ik met mijn hoofd op kussens. Toen ze die wegnamen, vroeg ik: ‘Mag ik ze houden?’ De chirurg zei: ‘Nee, mijn beste, die moeten we wegnemen.’ ‘Maar’, zei ik, ‘u kunt de drie kussens van Benjamin Parsons niet wegnemen. Ik kan mijn hoofd leggen op oneindige macht, oneindige liefde en oneindige wijsheid.’” — Paxton Hood, in “Dark Sayings on a Harp”, 1865.
Verzen 4-5
Wat zegt David, vanuit de diepte van zijn hart, in zijn ziekte? Niet: “Neem alleen deze dood weg.” Nee. David is ziek en troost zichzelf eerst met deze belofte: “De HEERE zal hem ondersteunen op het ziekbed; in zijn krankheid verandert Gij zijn ganse leger.” Daarna voegt hij toe: “Ik zeide: O HEERE! wees mij genadig; genees mijn ziel.” Dat wil zeggen: vernietig mijn begeerten, HEERE, want die zijn de ziekten van mijn ziel. Genees mijn ziel en geef mij het leven en de gemeenschap met U terug, want die zijn de gezondheid en de kracht van mijn ziel. Neem niet alleen deze ziekte en deze dood weg, maar ook deze zonde, die U onteerd heeft en die tussen mij en U heeft gescheiden. “Genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.” — Thomas Goodwin.
Vers 5
“Ik zeide: O HEERE! wees mij genadig.” Barmhartigheid, geen gerechtigheid! Het uiterste van barmhartigheid voor het uiterste van ellende. Aan de ene kant onze gerechtigheid als bevuilde lompen, en een vlees waarin geen goed woont. Aan de andere kant dit: “Het was geen kruid en geen verzachtende pleister dat hen tot gezondheid herstelde, maar Uw woord, o HEERE, dat alles geneest.” Wijsheid 16:12. — Thomas van Aquino, aangehaald door J. M. Neale.
Vers 5
God is de kracht van het hart van een christen. Hij geneest en herstelt hem wanneer de door God ingegoten gezindheden van de genade het laten afweten en de zonde sterk en machtig wordt. Wie als christen tekortschiet in het beoefenen van de genade, krijgt altijd een wond van de zonde. Daarom bad David: “O HEERE! … genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.” En wat David bad, belooft God aan Zijn volk: “Ik zal hunlieder afkering genezen.” Hos. 14:5. Zwakte en verval van de genade brengen een christen al snel in de ‘vallende ziekte’: hij struikelt en valt.
Zo ging het bij David en bij Efraïm. Maar ook dan wil God een arts voor de ziel zijn en zal Hij hun ziekten genezen. Zo genas Hij ook Davids vallende ziekte, waarvoor deze Hem als dank een schatting van lof bracht. Ps. 103:3. — Samuel Blackerby.
Vers 5 (laatste zinsdeel)
Saul en Judas zeiden allebei: “Ik heb gezondigd.” Maar David zegt: “Ik heb tegen U gezondigd.” — William S. Plumer.
Vers 6
“Mijn vijanden spreken kwaad van mij.” ‘Spreken’ wordt hier gebruikt in de betekenis van vervloeken. — Johannes Calvijn.
Vers 6
“Zijn naam.” De naam, het karakter en de voorrechten van een echte dienaar van God wekken de haat van goddeloze mensen op. Zij zouden hem het liefst uit hun ogen wegvegen. — W. Wilson, D.D.
Vers 7
“Zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid.” Veel mooie woorden, maar geen enkel ervan is waar. — David Dickson.
Vers 7
Ik moet denken aan een aardig zedenverhaal van Bromiard. Op een snijdend koude, vrieskoude ochtend had een vogelaar veel kleine vogels gevangen, waar hij lang op had gewacht. Hij begon zijn netten op te halen en kneep de vogels in de kop voordat hij ze neerlegde. Een jonge lijster zag de tranen over zijn wang druppelen door de felle kou. Ze zei tegen haar moeder dat die man vast heel barmhartig en medelevend was, want hij huilde zo bitter om het ongeluk van de arme vogels. Maar haar moeder wees haar op iets wijzers: aan iemands hand kun je zijn gezindheid beter beoordelen dan aan zijn oog. Als de handen verraderlijk toeslaan, kan iemand nooit als vriend worden toegelaten, hoe mooi hij ook praat en hoe jammerlijk hij ook huilt. — Jeremy Taylor.
Vers 7
“Zijn hart vergadert zich onrecht.”
- Hij voegt zonde aan zonde toe, want hij bedekt zijn boosaardigheid met zo’n afschuwelijke huichelarij.
- Hij bedenkt en beraamt allerlei manieren om mij in de val te lokken of mij kwaad te doen, en zo zijn verdorven lusten en neigingen te bevredigen.
- (Wat mij het best bevalt:) hij let op alles wat hij maar in mij kan opmerken en haalt alles uit mij wat hij kan. Dat alles slaat hij samen in zijn gedachten op en bewaart hij, als grondslag voor zijn onrechtvaardige vermoedens en oordelen over mij. — Arthur Jackson.
Vers 9
“Een Belialsstuk kleeft hem aan.” Een boze daad van Belial kleeft hem aan. Taalkundigen beweren dat het woord Belial is samengesteld uit ((Hebr.)), beli, en ((Hebr.)), yaal, wat “niet opstaan” betekent. De uitdrukking “zaak van Belial” (want zo staat het letterlijk in het Hebreeuws) versta ik hier als een buitengewone, hatelijke misdaad die, zoals wij gewoonlijk zeggen, nooit uitgewist kan worden en waaraan niemand kan ontkomen. Sommigen willen het misschien liever op de kwelling zelf betrekken waaronder hij gebukt ging, alsof zijn vijanden zeiden dat hij door een ongeneeslijke ziekte was aangetast. — Johannes Calvijn.
Vers 9
“Een Belialsstuk”, enzovoort. Wat hier met ((Hebr.)) bedoeld wordt, is niet gemakkelijk vast te stellen. De oude uitleggers vertalen het meestal als een verkeerd, schadelijk of goddeloos woord. De Chaldeeuwse vertaling heeft: een verkeerd woord. De Syrische: een woord van ongerechtigheid. De LXX: logon paranomon. De Latijnse: iniquum verbum, een goddeloos woord. De Arabische: woorden die tegen de wet ingaan. Zo wordt het naar alle waarschijnlijkheid gebruikt om een grote laster of lastering aan te duiden. Zoals “mannen van Belial” lasterlijke mensen zijn, zo zal “de rede van Belial” een lasterlijke rede betekenen. Van zo’n woord wordt gezegd dat het “kleeft” aan degene aan wie het wordt vastgemaakt. Want het is de aard van lasteringen om, als ze stevig op iemand worden vastgemaakt, te blijven kleven en een slecht merkteken achter te laten. — Henry Hammond.
Vers 10
“Zelfs de man mijns vredes”, enzovoort. Het lijden van de gemeente van God begint, net als dat van haar Verlosser, meestal thuis. Haar openlijke vijanden kunnen haar niets doen zolang haar schijnvrienden haar niet aan hen hebben uitgeleverd. Hoe onnatuurlijk het ook lijkt: wie vet is geworden van haar vrijgevigheid, is soms de eerste die de hiel tegen haar opheft. — George Horne.
Vers 10
“De man mijns vredes.” Dat is hij die mij bij elk bezoek steeds begroette met de kus van liefde en eerbied, en met de gebruikelijke groet: “Vrede zij u.” — Hermann Venema.
Vers 10
“Die mijn brood at.” Als bij de Hebreeën dezelfde gedachte leefde als nu bij de bedoeïenen-Arabieren, namelijk heilig ontzag voor de persoon en het bezit van iemand met wie zij brood en zout hebben gegeten, dan is deze taal zeer krachtig. “Heeft de verzenen … verheven”: een beeld ontleend aan het paard, dat met zijn hiel aanvalt. Onze Zaligmaker kan deze woorden goed gebruikt hebben in Joh. 13:18, als retorische toelichting of nadruk. — George R. Noyes, D.D.
Vers 10
“Heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.” In deze uitdrukking lijkt David te denken aan een dier dat naar zijn eigen baas trapt, terwijl die het toch voedt. Of aan het gebruik om iemand die al op de grond ligt nog weg te schoppen en te vertrappen, uit pure minachting. — Arthur Jackson.
Vers 10
“Heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.” Dat wil zeggen: hij heeft mij afgewezen en naar mij geschopt, zoals een kwaadaardig lastdier doet. Hij heeft mij zelfs in mijn ellende nog beledigd. — Daniel Cresswell.
Vers 11
“En ik zal het hun vergelden.” Dat kan twee dingen betekenen. Ten eerste: goed teruggeven voor onrecht (zoals in Psalm 35:13). Een goed en moedig mens doet immers iedereen goed die hij kan helpen en doet niemand kwaad, ook al is hem zelf onrecht aangedaan. Zo is hij. Ten tweede: straf voor het kwaad dat is gedaan, dus “dat ik hen straf”. David was immers hun overheid, en degene die Gods gerechtigheid moest uitvoeren! — Martin Geier.
Vers 11
“En ik zal het hun vergelden.” David was geen gewone burger, maar een koning die God Zelf had aangesteld en met gezag had bekleed. Hij laat zijn vijanden de straf weten die zij verdiend hadden, en dat doet hij niet uit een opwelling van het vlees, maar omdat zijn ambt dat van hem vraagt. — Johannes Calvijn.
Vers 12
“Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.” Dat wil niet zeggen dat David geen vijanden meer heeft, of dat er geen zorgen meer zijn die hem kunnen overweldigen. Eerst had hij een hele lijst van moeiten opgeschreven. Daarna streept hij die als het ware weer door met zijn pen, zoals een koopman zijn boek schoonveegt zodra de schuld is betaald. In plaats van al die moeiten zet hij maar één regel neer: de HEERE verlost. Omdat God alle zonden vergeeft, wordt van Hem gezegd dat Hij uit alle moeiten redt. Zo laat de tekst ons zien dat we echt geen andere Zaligmaker, helper of trooster nodig hebben dan Hem. — Henry Smith.
Vers 12
“Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt.” In deze tekst zien we twee dingen. Ten eerste: hoe David zich van Gods liefde voor hem verzekert. Ten tweede: hoe dankbaar hij is dat God hem die liefde laat weten. Het eerste doet hij met twee argumenten. Het ene komt van zijn vijanden: hun plannen zijn mislukt, “daarom hebt U mij lief.” Het andere komt van zijn eigen toestand: die is helemaal niet beschadigd of verzwakt, maar juist beter geworden door wat zij deden.
Hier vertelt de profeet wat hij weet. Misschien wist hij niet alles van wat komen zou, maar één ding wist hij zeker: God hield van hem. Zolang hij dat weet, maakt hij zich niet druk over andere dingen, of over hoe het hem in de wereld vergaat. En eerlijk gezegd hoeft dat ook niet, want wie van dit ene zeker is, is van alles zeker. God houdt van al Zijn schepselen, als een goede God, en Hij haat niets van wat Hij gemaakt heeft. Maar Zijn uitverkoren kinderen heeft Hij lief met een bijzondere liefde, meer dan de rest: als een Vader in Christus Jezus.
Wie zeker weet dat God hem zo gunstig gezind is, die heeft de zekerheid over alles. Want wie God liefheeft, zal Hij niets goeds onthouden, zelfs Zijn eigen Zoon niet. En als Hij ons Zijn Zoon gaf omdat Hij ons liefhad, hoe zou Hij ons dan met Hem niet ook al het andere schenken?
Een kind dat overtuigd is van de liefde van zijn vader, durft hem van alles te vragen. Zo mogen ook wij met vrijmoedigheid bij God, onze hemelse Vader, komen en Hem alles vragen wat goed voor ons is, zodra we zeker weten dat Hij ons liefheeft. Denk aan Maria en Martha. Zij herinnerden Christus maar aan twee dingen: dat Hij hun broer Lazarus liefhad, en dat Lazarus ziek was. “Dien Gij liefhebt, is krank.” Ze hoefden Hem helemaal niet te zeggen wat Hij moest doen. Ze wisten dat Hij alles zou doen wat voor Lazarus te doen was, omdat Hij van hem hield.
Zo kunnen ook wij tegen de HEERE zeggen, als we zeker weten dat Hij ons liefheeft: Heere, wie U liefhebt, mist dit of dat voor zijn lichaam of zijn ziel. Dan hoeven we Hem niet voor te schrijven wat Hij moet doen, of wanneer, of hoe. Want wat Hij het beste voor ons vindt en het meest tot Zijn eigen eer, dát zal Hij zeker doen. Wat David dus ook niet wist, dit wist hij wel. En waar hij ook onwetend over was, hierover niet. Daar zit een belangrijke les in voor ons allemaal: wat we ook zeker proberen te maken, dit moet als eerste zeker zijn, anders is niets zeker.
Petrus roept ons op onze verkiezing vast te maken. Job leert ons onze verlossing zeker te maken wanneer hij zegt: “Ik weet: mijn Verlosser leeft.” En hier leert David ons Gods gunst zeker te maken. Is die eenmaal zeker, dan is ook onze verkiezing zeker, onze verlossing, onze roeping en onze zaligheid. — William Burton, 1602.
Vers 12
“Dat mijn vijand over mij niet zal juichen.” Als God ons uit de handen van onze vijanden redt, of uit een andere nood, mogen we daaruit opmaken dat Hij ons gunstig gezind is, net als David. Maar dan kan iemand vragen: als God Zijn gemeente liefheeft, waarom laat Hij dan toe dat vijanden haar plagen en kwellen? Het antwoord is dit: juist zo wordt Zijn liefde duidelijker, doordat Hij haar redt en bevrijdt. Een echte vriend leer je immers pas kennen als je in nood zit. Zo is ook Gods goedheid en liefde nooit zo goed te merken als wanneer Hij ons helpt op het moment dat we onszelf niet kunnen helpen.
De val van Adam liet zien hoe rechtvaardig en barmhartig God is: rechtvaardig in het straffen, barmhartig in het vergeven van zonde. Dat hadden we anders nooit geweten. Op dezelfde manier laten de moeiten van de gemeente ons zien, ten eerste, wat we door onze zonden verdiend hebben. Ten tweede, hoe zwak we zijn en hoe weinig we onszelf kunnen helpen. En ten derde, hoe goed de HEERE, onze God, is in het redden en beschermen. Zo worden we oprecht dankbaar en geven we alle lof en eer aan God en niets aan onszelf. Zo kan Gods gemeente vijanden hebben en toch altijd Gods geliefde blijven, zoals Lazarus de geliefde van Christus was, ook al was hij ziek. Want wie de HEERE liefheeft, tuchtigt Hij, en Hij tuchtigt hen juist omdat Hij hen liefheeft. — William Burton.
Vers 12
God beschermt de Zijnen en laat hun vijanden op niets uitlopen: na de lijdensweek komt Pasen. — J. P. Lange’s Commentary.
Vers 13
“Oprechtigheid.” Deze oprechtigheid is als de ark van Noach. Daarin bleef hij gespaard, terwijl anderen omkwamen omdat zij die ark niet hadden. Ze is ook als het rode draadje dat de verspieders van Jozua aan Rachab gaven. Het was een bewijs waarmee ze haar leven kon opeisen toen de anderen werden gedood, die zo’n bewijs niet hadden. Ik geef toe: voor de mensen van deze wereld, die denken dat er geen andere hemel is dan de aarde, telt oprechtigheid nauwelijks mee. Maar zoals Rachabs draad haar meer waard was dan al haar bezit op het moment dat het zwaard kwam, zo is oprechtigheid voor Gods kinderen meer waard dan de hele wereld wanneer de dood komt.
Wie haar in zijn binnenste heeft, hoeft zich niet te bekommeren om wat er van buiten op hem afkomt. Als Satan met vuisten slaat, is ze een beproefde helm. Als zijn pijlen vliegen, is ze een schild waarmee we ze doven. Als stromen van leed ons mee willen sleuren, is ze een boot die ons draagt. En als de hele wereld modder en vuil in ons gezicht gooit, zijn we daardoor geen steek lelijker geworden, maar blijven we mooi. Want “des Konings Dochter”, zegt Salomo (Psalm 45:14), dat is de gemeente van Christus, “is geheel verheerlijkt inwendig.” — William Burton.
Vers 13
“En Gij stelt mij voor Uw aangezicht in eeuwigheid.” Of: U hebt mij bevestigd en gevestigd in Uw tegenwoordigheid. Dat wil zeggen: ofwel onder Uw oog en bijzondere zorg, ofwel om U te dienen. Niet alleen in Uw tempel, maar als koning over Uw volk, of in dat land waar U op een bijzondere manier aanwezig bent. — Matthew Poole.
Vers 14
“Geloofd zij de HEERE, de God Israels, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid! Amen, ja, amen.” Hier leren we drie dingen, stuk voor stuk de moeite waard. Ten eerste: God eer te geven als de HEERE, de God van Israël, een God Die een verbond met Zijn volk heeft. Hij heeft grote en liefdevolle dingen voor hen gedaan, en heeft nog meer en nog beters in reserve. Ten tweede: Hem eer te geven als de eeuwige God, Die Zijn bestaan en Zijn geluk heeft van eeuwigheid tot eeuwigheid. Ten derde: dat met grote liefde en vurigheid van geest te doen. Het dubbele zegel erop, amen en amen, wijst daarop. Wij zeggen er amen op, en laten ook alle anderen amen zeggen. — Matthew Henry.
Vers 14
“Amen, ja, amen.” De Psalmen zijn niet door één man geschreven, en ze vormen ook niet één boek. Het Psalter is in feite een Pentateuch, een boek van vijf delen, en de grenzen tussen die vijf boeken zijn duidelijk genoeg. Aan het einde van Psalm 41, Psalm 72, Psalm 89 en Psalm 106 komen we het plechtige amen tegen, enkel of dubbel, na een lofprijzing. Dat is een teken dat het ene boek eindigt en het volgende op het punt staat te beginnen. Wie de Psalmen wat nauwkeuriger bestudeert, ziet dat elk boek zijn eigen kenmerken heeft. Jehova (“de HEERE”) is bijvoorbeeld de opvallende Godsnaam in het eerste boek, en Elohim (“God”) in het tweede. — E. H. Plumptre, M.A., in “Biblical Studies”, 1870.
Vers 14
Er is nog een ander verschil dat opvalt tussen deze twee boeken. In het eerste worden alle psalmen die een opschrift hebben uitdrukkelijk aan David toegeschreven als schrijver. In het tweede vinden we een hele reeks die aan enkele levitische zangers wordt toegeschreven. — J. J. Stewart Perowne.
Vers 14
Hoe oud deze indeling is, kunnen we nu niet meer precies vaststellen. Hieronymus, in zijn brief aan Marcella, en Epifanius vertellen dat de Hebreeën de Psalmen in vijf boeken verdeelden, maar wanneer dat gebeurde, zeggen zij niet. De lofprijzingen aan het einde van elk van de vijf boeken staan al in de Septuaginta. Daaruit kunnen we opmaken dat de verdeling al bestond voordat die vertaling klaar was. Waarschijnlijk was het Ezra die haar maakte, kort nadat de Joden uit Babel naar hun eigen land waren teruggekeerd en de eredienst in de nieuwe tempel was hersteld. Misschien deed hij het naar het voorbeeld van de vijf boeken van Mozes. Bij deze verdeling van het Hebreeuwse Psalter lijkt men ook naar de inhoud van de psalmen te hebben gekeken. — Johannes Calvijn.
Vers 14
Deze eenenveertig psalmen vormen het eerste boek. Men heeft opgemerkt dat zij vooral gaan over de bediening van Christus op aarde. Ze bereidden degenen die uitzagen naar de vertroosting van Israël voor op Zijn komst onder hen. Het tweede boek, dat begint met Psalm 42, zou dan vooral kunnen gaan over de jonge gemeente van Christus. — W. Wilson, D.D.
Vers 14
Kunnen we de groei van het Psalmboek niet vergelijken met onze moderne gezangboeken? Die hebben in de loop der jaren eerst het ene aanhangsel nodig en dan het andere, om de groeiende liederenschat van de kerk op te nemen. Zo vormden de zuiver davidische psalmen van het eerste deel de kern, waaraan al snel andere heilige liederen werden toegevoegd. — C. H. S.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 2 (eerste zinsdeel)
De bijkomende zegeningen als we omzien naar de vrome armen.
- We leren dankbaar te zijn.
- We zien wat geduld is.
- We zien vaak hoe groot de overwinning van de genade kan zijn.
- We krijgen inzicht in het christelijk leven.
- We hebben hun gebeden.
- We ervaren de vreugde van weldadigheid.
- We komen in gemeenschap met de nederige Zaligmaker.
Vers 2
Steun voor de pokkenziekenhuizen aanbevolen. — Bisschop Squire, 1760. Tientallen preken van dat soort zijn over deze tekst gehouden.
Vers 3
“Hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden.” Welke aardse zegeningen een godvruchtig karakter oplevert, en in het algemeen wat het betekent om in dit leven gezegend te zijn.
Vers 3 (tweede zinsdeel)
Wat het betekent om in benauwdheid verlost te worden. Van ongeduld, van wanhoop, van zondige uitwegen, van gewelddadige aanvallen, van het verlies van de gemeenschap met God.
Vers 4
Kracht in zwakheid. Kracht van binnenuit, door God gegeven, voortdurend onderhouden, duurzaam tot het einde, zegevierend in de dood, tot eer van God, een bewijs dat genade echt is, en een kracht die anderen voor het geloof wint.
Vers 4 (laatste zinsdeel)
Het opmaken van het hemelse bed.
Vers 5 (eerste zinsdeel)
Een uitdrukking die herhaling waard is: “Ik zeide.” Ze spreekt van berouw, nederigheid, ernst, geloof, aandringen, ontzag voor God, enzovoort.
Vers 5
“Genees mijn ziel.”
- De erfelijke ziekte, die zich uit in vele kwalen: openlijke zonde, ongeloof, geestelijke achteruitgang, enzovoort.
- De geestelijke gezondheid die ertegen strijdt. Die blijkt uit geestelijke pijn, verlangen, gebed en inspanning.
- De beproefde Arts. Hij heeft genezen en Hij zal genezen, door Zijn woord, Zijn bloed, Zijn Geest, enzovoort.
Vers 5
“Ik heb tegen U gezondigd.” Deze belijdenis is persoonlijk en duidelijk, zonder een poging tot verontschuldiging. Ze omvat alles en getuigt van inzicht, want ze legt de kern van de zonde bloot: “tegen U.”
Vers 6
Wat we kunnen verwachten. Wat onze vijanden willen. Wat we daarom hoog mogen houden, namelijk de kracht van het christelijk leven en van onze christelijke naam. Wat we moeten doen: de HEERE alles vertellen in gebed. En welk goed er dan uit het kwaad zal voortkomen.
Vers 7 (eerste zinsdeel)
De dwaasheid en zonde van lichtzinnige bezoeken.
Vers 7 (tweede en derde zinsdeel)
Soort zoekt soort: zo trekt een karakter mensen aan die op hem lijken. Hetzelfde onderwerp kun je behandelen onder de titel “De voddenraper”, of de lompenverzamelaar. Wat hij verzamelt. Waar hij het neerlegt: in zijn hart. Wat hij ermee doet. Wat hij ervoor krijgt. En wat er van hem zal worden.
Verzen 8-13
Op een ziekbed ontdekt een mens van heel dichtbij niet alleen wie zijn vijanden en wie zijn vrienden zijn, maar ook wie hijzelf is en wie zijn God is.
Vers 10
Het verraad van Judas.
Vers 12
Bevrijding uit de verzoeking is een teken van Gods gunst.
Vers 13
Deze tekst laat de kenmerken zien van mensen die door de genade zijn onderscheiden.
- Hun oprechtigheid ligt open en bloot.
- God Zelf houdt hun karakter in stand.
- Zij leven in Gods gunst.
- Hun plaats staat vast en blijft.
- Hun eeuwige toekomst is verzekerd.
Vers 14
- Wie we loven: Jehova, de God van het verbond.
- Hoe die lof er dan uitziet: zonder begin en zonder einde.
- Wat ons aandeel daarin is: “Amen, ja, amen.”
De oude rabbijnen zagen in de vijf boeken van het Psalter een afbeelding van de vijf boeken van de Wet. Die kijk op de Psalmen, als een tweede Pentateuch en de echo van de eerste, ging over naar de christelijke kerk en vond bijval bij enkele kerkvaders. Ook goede recente uitleggers sluiten zich erbij aan, zoals dr. Delitzsch. Hij noemt het Psalter “het vijfvoudige woord van de gemeente tot de HEERE, zoals de Thora (de Wet) het vijfvoudige woord van de HEERE tot de gemeente is.” Misschien is het maar een bevlieging van de verbeelding, maar het feit dat men dit al van oudsher zo zag, laat zien dat de vijfvoudige indeling vroeg opviel. — William Binnie, D.D.
God gaf Israël de Wet, een Pentateuch, en het dankbare Israël antwoordde met een Psalter, een Pentateuch van lofprijzing, als erkenning van die goddelijke gave. — J. L. K.
Werken over de eenenveertigste psalm
“David’s Evidence; or, the Assurance of God’s Love: declared in seven Sermons upon the three last verses of the Forty-first Psalme. By WILLIAM BURTON. Minister of the Word at Reading in Berkshire… 1602.” 4to.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas