Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 36 — Treasury of David

41 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

“Voor den opperzangmeester.” Dat was de man die de leiding had over de dienst in de tempel. Hij kreeg de opdracht om dit lied te gebruiken in de openbare eredienst. Wat ieders taak is, doet niemand. Het was dus verstandig om één iemand speciaal aan te stellen voor de zorg voor de zang in het huis van de HEERE.

“Van David, den knecht des HEEREN.” Dat lijkt erop te wijzen dat deze psalm vooral past bij wie het een eer vindt om de HEERE te mogen dienen. Het is het lied van de blijde dienst, een lied waarin iedereen kan meezingen die het zachte juk van Jezus draagt. De goddelozen staan tegenover de rechtvaardigen, en de grote Heere van de vromen wordt van harte geprezen. Zo wordt onze gehoorzaamheid aan zo’n goede Meester als vanzelf aangemoedigd, en wordt opstand tegen Hem openlijk veroordeeld.

Indeling

In Psalm 36:2-5 beschrijft David de mensen die in opstand komen. In Psalm 36:6-10 prijst hij de verschillende eigenschappen van de HEERE. In Psalm 36:11-12 richt hij zich biddend tot de HEERE, en in het laatste vers ziet zijn geloof als in een visioen hoe alle kwaaddoeners ten onder gaan.

Uitleg

Vers 2

De overtreding van de goddeloze. Zijn brutale, opzettelijke zonde; hoe hij alle grenzen van wet en recht doorbreekt. “Spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.” Wie God vreest, hoort in de zonden van andere mensen een stem die spreekt. Ze laten van buiten zien dat er van binnen iets ernstig mis is. Dat is duidelijk, want wie voortdurend en vermetel zondigt, heeft geen eerbied voor de grote Rechter van allen. Wat onrechtvaardige mensen ook beweren te geloven, als we hun goddeloze daden zien, kunnen we niet anders dan concluderen dat ze geen greintje godsdienst hebben. Een onheilig leven bewijst dat iemand zonder God leeft. Het kwaad groeit uit een atheïstische wortel.

Voor een nuchter, eerlijk verstand is dat met dwingende argumenten aan te tonen, maar voor een vroom hart is het al duidelijk, en wel meteen. Als God overal is en ik vrees Hem, hoe zou ik dan durven Zijn wetten te overtreden, vlak voor Zijn ogen? Wie midden in de eigen zalen van de koning in opstand komt, moet een wanhopige verrader zijn. Welke theorieën slechte mensen ook belijden: in de praktijk horen ze bij de atheïsten, want zo leven ze. Die ogen die nu geen vreze Gods voor zich hebben, zullen straks de verschrikkingen van de hel voor zich hebben, voor eeuwig.

Vers 3

“Want.” Hier komt het bewijs voor wat het vorige vers beweerde, en David geeft het ook meteen. David loopt de gedachtegang na die hem ervan overtuigde dat goddeloze mensen geen juist beeld van God hebben en geen eerbied voor Hem. Mensen die God vrezen, zien hun zonden en bewenen ze. Waar het omgekeerde gebeurt, kunnen we er zeker van zijn dat er geen vreze Gods is.

“Hij vleit zichzelven in zijn ogen.” Hij vindt zichzelf een kerel uit één stuk, die veel respect verdient. Hij sust zijn geweten en misleidt zo zijn eigen oordeel, tot hij zichzelf een voorbeeld van voortreffelijkheid vindt. Zo niet in zedelijk opzicht, dan toch omdat hij slim genoeg is om zich niet te laten binden door regels die voor anderen wel een keten zijn. Hij is de vrijdenker, de man met een sterke geest, de vijand van schijnheiligheid, de wijsgeer. En de dienstknechten van God? Die zijn in zijn ogen kleingeestig en bekrompen.

Van alle vleierij is dit de dwaaste en gevaarlijkste. Zelfs de domste vogel zet geen strikken voor zichzelf. Zelfs de meest muggenzifterige advocaat bedriegt zichzelf niet. Zijn eigen gedrag voor zijn geweten gladstrijken (dat betekent het Hebreeuws) is zijn eigen weg naar de hel gladstrijken. De afdaling naar het eeuwige verderf gaat al makkelijk genoeg, ook zonder dat je er een glijbaan van maakt, zoals zelfvleiers doen.

“Als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.” Uiteindelijk wordt hij ontmaskerd en verafschuwd, hoe verwaand hij ook is. Verrotting gaat vroeg of laat zó sterk stinken dat ze niet langer verborgen kan blijven. Er komt een tijd dat de melaatsheid zich niet meer laat verbergen. Eindelijk kan het oude huis niet langer worden gestut en stort het in over de oren van de bewoner. Zo is er ook een grens aan iemands zelfvoldaanheid. Hij wordt ontmaskerd te midden van algemene minachting en kan het toneelspel dat hij zo goed speelde niet langer volhouden. Gebeurt dat niet in dit leven, dan laat de dood licht vallen op het beeld dat hij zo graag van zichzelf ophield, en staat de zondaar bloot aan schaamte en verachting.

Die zelfvleierij laat duidelijk zien dat zondaars niets van God willen weten. Want als ze maar even bedachten dat God hen ziet, zou zulke zelfvleierij uiterst moeilijk zijn, zo niet onmogelijk. Geloof in God werkt als licht: het onthult, en in dat licht zien we onze zonde en ons kwaad. Maar goddeloze mensen zitten in het donker. Ze zien niet wat zo duidelijk in hen en om hen heen is dat het hen recht in het gezicht staart.

Vers 4

“De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog.” Die twee hellehonden jagen meestal samen, en wat de een niet vangt, vangt de ander. Wint het onrecht niets door onderdrukking, dan haalt het bedrog winst met slimme spitsvondigheden. Als het hart zo verdorven is dat het zichzelf vleit, volgt de tong vanzelf. De open groeve van de keel laat zien hoe smerig het innerlijk is.

Mensen die God vrezen, nemen hun woorden heel serieus, ze wegen ze met zorg. Zondigen ze uit zwakheid, dan verzinnen ze geen uitvluchten en pochen ze niet op hun kwaad. Maar goddeloze mensen halen hun schouders op over kwade en listige taal. Daaraan kunnen we zien dat God niet regeert in hun ziel. De grondtekst is hier bijzonder sterk. Hij zegt namelijk dat de woorden van de goddeloze leugen en bedrog zíjn. Ze zijn niet alleen vals van aard, ze zijn de valsheid zelf.

“Hij laat na te verstaan tot weldoen.” Van de goede weg is hij helemaal afgedwaald. Wie God vreest, gaat van kracht tot kracht op het rechte pad, maar goddeloze mensen laten snel het beetje goeds achter zich dat ze ooit kenden. Hoe zouden mensen afvallig kunnen worden als ze ontzag hadden voor de hoogste Rechter? Komt het niet doordat ze God steeds meer vergeten? Zo geven ze op den duur zelfs die huichelachtige eerbied voor Hem op, die ze vroeger nog ophielden om hun ziel te sussen.

Vers 5

“Hij bedenkt onrecht op zijn leger.” Zijn rustplaats wordt een plek om plannen te smeden. Zijn bed is een broeikas voor giftig onkruid. Wie God vreest, overdenkt God en Zijn dienst. Maar wie al zijn gedachten en vindingrijkheid op het kwaad richt, bewijst volledig dat hij zonder God leeft. Wie in bed ligt te bedenken hoe hij kan zondigen, heeft de duivel als bedgenoot. God is ver van hem.

“Hij stelt zich op een weg, die niet goed is.” Als hij opstaat, gaat hij vastberaden en hardnekkig door met het kwaad dat hij heeft bedacht. De slechtste wegen kiest hij om op te lopen, want hij heeft zijn hart geleerd van vuiligheid te houden. Hij is eraan gewend geraakt zich er in zijn fantasie in te wentelen. “Het kwaad verwerpt hij niet.” Hij heeft geen minachting of afschuw voor het kwaad. Hij verheugt zich er zelfs in en neemt het in bescherming. Hij haat nooit iets verkeerds omdát het verkeerd is. Hij zit er in gedachten mee bezig, hij verdedigt het en hij doet het.

Wat een portret van een genadeloos mens krijgen we in deze paar verzen! Zijn luchtige houding tegenover zijn geweten, zijn losbandige taal, zijn zucht om kwaad te doen, zijn bewuste en voortdurende voorkeur voor ongerechtigheid, en daarbij zijn atheïstische hart: alles is levensecht gefotografeerd. Heere, bewaar ons ervoor zo te zijn.

Verzen 6-10

Van de laagheid van de goddelozen richt de psalmist zijn gedachten op de heerlijkheid van God. Tegenstellingen maken veel indruk.

Vers 6

“O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen.” Als het blauw van de hemel omspant ze de hele aarde. Ze lacht de hele schepping toe als een baldakijn boven alle schepselen. Ze is verheven boven de hoogste toppen van menselijke tergingen en stijgt uit boven de nevels van sterfelijke overtreding. De heldere hemel is altijd boven ons, en Gods barmhartigheid glimlacht kalm boven het lawaai en de rook van deze arme wereld. Duisternis en wolken horen alleen bij de lagere luchtlagen van de aarde. De hemelen zijn altijd rustig en stralen van talloze sterren. Gods barmhartigheid blijft in haar uitgestrektheid en ongeëvenaarde lankmoedigheid volkomen dezelfde, hoe mensen ook in opstand komen. Pas wanneer we de hemelen kunnen opmeten, zullen we ook de barmhartigheid van de HEERE kunnen begrenzen.

Vooral aan Zijn eigen knechten heeft Hij, in de zaligheid in de Heere Jezus, een genade getoond die hoger is dan de hemel der hemelen en wijder dan het heelal. O, kon die atheïst dit maar zien! Hoe vurig zou hij ernaar verlangen een knecht van Jehova te worden!

“Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.” Ver, ver boven ons begrip uit gaan Gods waarheid en trouw. Hij faalt nooit, vergeet nooit, wankelt nooit, breekt Zijn woord nooit. Verdrukkingen zijn als wolken, maar Gods betrouwbaarheid is overal omheen. Zolang we onder de wolk zitten, zijn we in het gebied van Gods trouw. Als we erbovenuit stijgen, hebben we zulke zekerheid niet meer nodig. Aan elk woord van dreiging of belofte, van profetie of verbond heeft de Heere Zich nauwkeurig gehouden. Want Hij is geen mens, dat Hij liegen zou, en geen mensenkind, dat het Hem zou berouwen.

Vers 7

“Uw gerechtigheid is als de bergen Gods.” Ze staat vast en onbewogen, hoog en verheven. Stormen en orkanen krijgen een Alpentop niet aan het wankelen. Zo laat Gods gerechtigheid zich nooit in het minst beïnvloeden door omstandigheden. Hij is altijd rechtvaardig. Wie kan de Rechter van de hele aarde omkopen? Wie kan Hem met dreigementen dwingen het recht te buigen? Zelfs om Zijn uitverkorenen te redden zou de Heere niet toestaan dat Zijn gerechtigheid opzijgezet werd. Geen ontzag dat een berglandschap inboezemt, haalt het bij wat de ziel vervult als ze de Zoon van God geslacht ziet als offer, om de gerechtigheid van de onbuigzame Wetgever te handhaven.

Dwars over het pad van elke onheilige mens die van de hemel droomt, staat het torenhoge Andesgebergte van Gods gerechtigheid. Geen onwedergeboren zondaar kan het ooit beklimmen. Tussen grote bergen sluimeren lawines, en daar proberen de jonge bliksems hun nog kale vleugels uit, tot de storm uit de ontzagwekkende toppen losbreekt. Zo heeft de Heere in de bergen van Zijn gerechtigheid vreselijk oorlogstuig opgeslagen voor de grote dag van Zijn toorn, om Zijn tegenstanders te overweldigen.

“Uw oordelen zijn een grote afgrond.” Gods handelen met mensen kunnen we niet doorgronden, hoe stoer sommigen ook doen die voor elk waarom een daarom eisen. De Heere hoeft ons niet te verantwoorden waarom dit en waarom dat. Hij heeft Zijn redenen, maar Hij kiest ervoor die niet aan onze domme overwegingen voor te leggen. Wijd en zijd, ontzagwekkend en onweerstaanbaar als de oceaan is de manier waarop God de wereld bestuurt. Soms lijkt het zo vredig als de rimpelloze glazen zee, dan weer wordt het heen en weer geslingerd door storm en wervelwind. Maar altijd is het even heerlijk en vol geheimen. Wie zal de bronnen van de zee ontdekken? Wie dat kan, mag hopen de voorzienigheid van de Eeuwige te begrijpen.

“O onontdekte zee, wier donkre diepten zwijgen,
Waarin geen sterveling ooit inzicht heeft gekregen!
Gij bergt uw schuilplaats weg, onpeilbaar, ongezien,
Ver buiten wat een aards oog ooit vermocht te zien.
Nooit keerde iemand uit uw rijk terug naar ’t licht,
Die ons van uw verborgen wonderen bericht.”

Toch spiegelt de diepte de hemel, en zo is ook de barmhartigheid van de HEERE terug te zien in alles wat Hij op aarde bestuurt. Over de diepe afgrond welft de regenboog van het verbond zijn boog van troost, want de HEERE is getrouw in alles wat Hij doet. “HEERE! Gij behoudt mensen en beesten.” Alle miljoenen schepselen, met en zonder verstand, worden gevoed door de hand van Jehova. De talloze dieren, de ontelbare vogels, de onvoorstelbare hoeveelheid vissen, de bijna eindeloze legers insecten: ze danken allemaal hun leven aan Zijn onophoudelijke, goddelijke kracht. Wat een beeld van God krijgen we hier te zien! Wat een diep gezonken schepsel moet hij zijn die van zo’n God geen spoor ziet en geen ontzag voor Hem voelt!

Vers 8

“Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God!” Hier stappen we het Heilige der Heiligen binnen. Goedheid, barmhartigheid en gerechtigheid vinden we overal. Maar hoe voortreffelijk die barmhartigheid is, weten alleen zij die door geloof de sluier hebben opgelicht en zijn binnengegaan in de helderder aanwezigheid van de HEERE. Zij zien hoe voortreffelijk Zijn barmhartigheid is. Het Hebreeuwse woord dat hier met “voortreffelijk” is vertaald, kan ook met “dierbaar” worden weergegeven. Geen edelsteen of parel haalt het ooit bij de waarde van het besef dat de HEERE ons liefheeft. Dit is een schitterende diamant, zoals engelen die dragen. De kroonjuwelen van koningen zijn een armzalige verzameling waardeloze keitjes naast de tedere ontferming van Jehova. David kon de waarde ervan niet schatten en niet onder woorden brengen. Daarom zette hij een uitroepteken en liet hij de rest aan ons hart en onze verbeelding over, en, nog beter, aan onze eigen ervaring. Hij schrijft “hoe dierbaar!” omdat hij ons de helft ervan niet kan vertellen.

“Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.” Dat is de beste reden voor de beste keuze die je kunt maken. Het beeld is prachtig. De Heere overschaduwt Zijn volk zoals een hen haar kuikens beschermt, of een arend zijn jongen bedekt. En wij, als de kleintjes, kruipen onder die gezegende beschutting en komen tot rust. Wat is het zoet om weg te kruipen onder Gods vleugels! Is de vijand veel te sterk voor ons, dan zijn we niet bang, want we nestelen ons onder de vleugel van de HEERE. O, kenden meer kinderen van Adam de voortreffelijkheid van deze hemelse schuilplaats! Het deed Jezus wenen te zien dat ze haar afwezen. Ook onze tranen mogen dit kwaad wel bewenen.

Vers 9

“Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes.” Wie leert op God te vertrouwen, wordt in Zijn huis ontvangen en deelt in de voorraad die daar ligt opgeslagen. Gods woonplaats is aan geen plaats gebonden. Waar we ook wonen, als gelovigen mogen we ons huis zien als één kamer in het grote huis van de HEERE. Door te leven uit geloof, vlak bij de HEERE, vinden we dan, in voorzienigheid én genade, een voorraad die de ziel verzadigt. Zien we de gemeente van de heiligen als bij uitstek het huis van God, dan vinden gelovigen in de heilige dienst inderdaad het rijkste geestelijke voedsel. Gelukkig de ziel die de overvloedige lekkernijen van het evangelie kan indrinken! Niets vervult de ziel zo volkomen.

“En Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten.” Zoals ze de vruchten van Eden te eten hebben, zo krijgen ze de rivier van het Paradijs te drinken. Gods eeuwige liefde geeft ons voortdurende, overvloedige troost. Door het geloof laat de genade ons daaruit drinken, en dan is ons vermaak van de rijkste soort. De Heere brengt ons niet alleen bij deze rivier, Hij laat ons ook drinken. Zo zien we hoe diep de goddelijke liefde zich naar ons toebuigt. De hemel zal deze woorden in de volste zin vervullen, maar wie op de HEERE vertrouwt, proeft er nu al iets van. Het geluk dat gelovigen krijgen, is dat van God Zelf. Gezuiverde geesten verblijden zich met dezelfde blijdschap als de Heere Zelf. “Opdat Mijn blijdschap in u blijve, en uw blijdschap vervuld worde.”

Vers 10

“Want bij U is de fontein des levens.” Dit vers bestaat uit eenvoudige woorden, maar is, net als het eerste hoofdstuk van het Evangelie naar Johannes, bijzonder diep. Van de Heere komt, als uit een onafhankelijke bron die in zichzelf genoeg heeft, al het leven van de schepselen voort. Door Hem wordt het onderhouden en alleen door Hem kan het voltooid worden. Het leven zit in het schepsel, maar de fontein ervan is alleen bij de Schepper. Voor het geestelijk leven is dit het allersterkst waar: “de Geest is het, Die levend maakt”, “want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.”

“In Uw licht zien wij het licht.” Licht is de glans van het leven. Leven in het donker is ellende, eerder dood dan leven. Alleen de Heere kan natuurlijk, verstandelijk en geestelijk leven geven. Alleen Hij kan het leven helder en stralend maken. In geestelijke dingen werpt de kennis van God licht op alle andere onderwerpen. We hebben geen kaars nodig om de zon te zien. We zien haar door haar eigen straling, en met dezelfde glans zien we dan al het andere. We zien Jezus nooit bij het licht van ons eigen ik, maar ons eigen ik in het licht van Jezus.

Geen innerlijk inzicht van onszelf brengt ons ertoe het licht van de Geest te ontvangen. Het helpt juist vaak om die heilige straal te doven. Puur en alleen door Zijn eigen verlichting verlicht de Heilige Geest de donkere hoeken van ons goddeloze hart. IJdel zijn zij die uitzien naar geleerdheid en menselijk vernuft. Eén straal van de troon van God is beter dan de middagzon van geschapen wijsheid. Heere, geef mij de zon, en laat wie wil zich verlustigen in de waskaarsen van het bijgeloof en het fosforlicht van een verdorven wijsbegeerte. Het geloof ontleent licht én leven aan God, en daarom sterft het niet en wordt het niet donker.

Vers 11

“Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen.” Meer vragen we niet dan dat de barmhartigheid die we eerder ontvingen, doorgaat. Heere, laat deze genade van U reiken tot alle dagen van allen die geleerd hebben Uw trouwe liefde, Uw tederheid, Uw onveranderlijkheid en Uw almacht te kennen. Zoals zij door de Heere zijn onderwezen om de Heere te kennen, onderwijs hen zo ook verder en maak hen volmaakt. Dit gebed is het hart van de gelovige, dat precies vraagt wat het hart van zijn God bereid is te geven. Het is goed wanneer de bede niet meer is dan de weerspiegeling van de belofte.

“En Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.” Zoals U de rechtvaardigen nooit hebt verlaten, blijf ook nu hun beschermer en wreker. Het ergste wat een man van God ooit hoeft te vrezen, is door de hemel verlaten te worden. Daarom bidt hij dit gebed. Maar die vrees is ongegrond, en dat brengt de vrede die het geloof ons geeft. Leer uit dit vers dat we er, ook al is een voortzetting van de barmhartigheid in het verbond gewaarborgd, toch om moeten bidden. “Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israels verzocht worden, dat Ik het hun doe.”

Vers 12

“De voet der hovaardigen kome niet over mij.” Het algemene gebed wordt hier een persoonlijk gebed, voor David zelf. Hoogmoed is de zonde van de duivel zelf. Goede mensen hebben alle reden om bang te zijn voor hoogmoedige mensen, want het nageslacht van de slang zal nooit ophouden de gelovigen in de hiel te bijten. Trotse spotters schoppen de heiligen maar al te graag weg of trappen hen onder de voet. Tegen zoveel boosaardigheid verheft het gebed zijn stem. Geen voet zal over ons komen en geen hand zal de overhand krijgen, zolang Jehova aan onze kant staat.

“En de hand der goddelozen doe mij niet omzwerven.” Laat mij niet als een vluchteling heen en weer gejaagd worden. Laat mij ook niet van mijn plaats gerukt worden, als een boom die met wortel en al wordt uitgetrokken. Met hand en voet, met eerlijke en oneerlijke middelen probeerde men de psalmist omver te werpen. Maar hij zoekt zijn toevlucht bij zijn grote Beschermheer. En hij zingt alvast een overwinningslied, in het vertrouwen dat zijn vijanden verslagen zullen worden.

Vers 13

“Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen.” Het geloof ziet hen, als met eigen ogen, verspreid over het slagveld liggen. Kijk! Zonde, dood en hel liggen vlak voor onze ogen in het stof. Zie die verslagen vijanden! Ze zijn neergeworpen, en ze liggen er nog. Voorzienigheid en genade hebben hen van hun gunstige stelling afgeslagen. Jezus heeft al de vijanden van Zijn volk op hun gezicht geworpen, en op Zijn tijd zullen alle zondaars dat ondervinden.

“En kunnen niet weder opstaan.” De nederlaag van de goddelozen en van de machten van het kwaad is definitief, volledig en onherstelbaar. Eer aan God! Hoe hoog de machten van de duisternis het op dit moment ook mogen spelen: de tijd snelt voort dat God het recht zal handhaven. Dan geeft Hij het kwaad zo’n val dat de hoop van de hel voorgoed wordt verpletterd. En wie op de HEERE vertrouwt, zal Hem eeuwig prijzen en zich verheugen in Zijn heilige naam.

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Titel

“Voor den opperzangmeester” heeft al tot veel gissingen geleid. In de Septuaginta is het Hebreeuwse woord vertaald met eis to telos, ‘tot het einde’. Dat is zo vaag dat het elke redelijke gissing tart. … De term lijkt dit te betekenen: de psalmen waarin hij voorkomt, werden door hun door God ingegeven schrijvers toevertrouwd aan de Opperzangmeester, die leiding gaf aan een bepaald muziekgezelschap, met harpen, psalters of blaasinstrumenten. — John Jebb, A.M., in “A Literal Translation of the Book of Psalms”, 1846.

Titel

“De knecht des HEEREN.” David gebruikt deze titel alleen hier en in Psalm 18. In beide psalmen beschrijft hij hoe God omgaat met zowel de rechtvaardigen als de goddelozen. Het past dan ook heel goed dat hij zich al helemaal aan het begin van dit lied schaart bij de knechten van de HEERE. — C.H.S.

Gehele psalm

Eerste deel. Het karakter van een goddeloos mens, Ps. 36:2. 1. Hij noemt het kwade goed, Ps. 36:3. 2. Hij blijft eraan vasthouden. 3. Hij is een huichelaar, Ps. 36:4. 4. Hij is hardnekkig. 5. Hij is ijverig in het kwaad, Ps. 36:5. Tweede deel. Gods geduld en barmhartigheid, Ps. 36:6-7. 1. Tegenover allen, ja, tegenover alle schepselen. 2. Maar vooral tegenover Zijn volk, waarover hij zich verwondert. Daarop (1) vertrouwen de gelovigen, en (2) worden zij verzadigd, Ps. 36:8-9. Het derde deel. Hij bidt dat dit gevolg mag neerdalen, 1. op Gods volk, Ps. 36:11. 2. op hemzelf, Ps. 36:12. 3. Zijn jubelzang daarover, Ps. 36:13. — William Nicholson (bisschop), 1662.

Vers 2

In deze psalm krijgen we een beschrijving van de zonde, vooral zoals die zich laat zien bij mensen die openlijk met God hebben gebroken. De inleiding is opvallend: “De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.” Hoe kan de overtreding van de goddeloze spreken in het hart van iemand die zichzelf in het opschrift van de psalm “knecht van JEHOVA” noemt? Meestal worden deze woorden zo opgevat: het uiterlijke gedrag van de zondaar bracht David, telkens als hij eraan dacht, van nature tot de conclusie dat die man helemaal geen ontzag voor God had.

Maar de woorden laten misschien ook een andere uitleg toe, die net zo goed past bij de letterlijke tekst: “de boosheid zegt van de goddeloze, in het binnenste van mijn hart” enzovoort. Volgens deze opvatting bedoelde de psalmist dit: ondanks alle schijn die de goddelozen ophouden en al hun pogingen om hun ongerechtigheid te verbergen, wist hij zeker dat zij geen echt besef hadden van Gods aanwezigheid. In het geheim wezen zij Zijn gezag af. Hoe kon hij daar zo zeker van zijn? Door hun gedrag te vergelijken met wat hij in zijn eigen hart ontdekte. In hún hart kon hij immers niet kijken, maar in zijn eigen hart wel. En daar vond hij zoveel verdorvenheid dat hij, zonder de vreze Gods die in hem was geplant, net zo slecht zou zijn als zij. — John Jamieson.

Vers 2

Wat een goddeloos mens kenmerkt, is niet dat zijn ontzag voor God onvolmaakt is of tekortschiet, maar dat het helemaal ontbreekt: “Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.” — David Dickson.

Vers 2 (laatste zinsdeel)

‘Geen vreze Gods voor ogen hebben’ is een vaste uitdrukking geworden in de rechtspraak bij strafzaken. Wie geen ontzag voor God heeft, is tot elke misdaad bereid, hoe zwaar ook. ‘Totale verdorvenheid’ is niet te sterk uitgedrukt voor de boosheid van de mens. De zondaar kent geen vreze Gods. Waar die ontbreekt, hoe kan er dan nog enige godsvrucht zijn? En waar geen godsvrucht is, moet elke juiste neiging ontbreken. Dát is het wezen van verdorvenheid. — William S. Plumer.

Vers 2

Zouden mensen God durven bespotten met schijnvertoon en uiterlijke vormen in de godsdienst, als zij Hem vreesden? Zouden zij God recht in Zijn gezicht durven tarten met echte, openlijke goddeloosheid, als zij Hem vreesden? Zouden zij durven zondigen terwijl de oordelen van God nog bloeden voor hun ogen, als zij de Heere en Zijn toorn vreesden? Zouden zij durven zondigen met stapels kostbare barmhartigheid voor ogen, als zij de Heere en Zijn goedheid vreesden? Zouden zij zichzelf of anderen durven wijsmaken dat hun zonde ongestraft blijft, als zij de Heere en Zijn waarheid vreesden? Zouden zij hun eigen beloften, belijdenissen, verklaringen en eden durven minachten, of ze gebruiken om anderen erin te laten lopen in plaats van zichzelf eraan te binden, als zij de Heere en Zijn trouw vreesden, ja, de Heere Die verbond en belofte houdt tot in eeuwigheid?

Al deze overtredingen van de goddeloze, en nog veel meer (al deze wegen van overtreding komen voor onder de goddelozen; het zou goed zijn als geen ervan werd gevonden bij hen die de naam van godzaligheid dragen; ik zeg: al deze overtredingen van de goddeloze), zeggen: “Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.” — Joseph Caryl.

Vers 2

De goddeloze trekt zich niets aan van de uitspraken van God. Hij heeft er zelf een in zijn hart, en die geeft hem niets dan opstand in. — Zachary Mudge.

Vers 3

“Want hij vleit zichzelven in zijn ogen.” Die zelfvleierij gaat vooral over de zonde, zoals blijkt uit het volgende zinsdeel. De goddeloze bedriegt zichzelf over haar aard en haar gevolgen, over haar boosheid en verzwarende omstandigheden. En hij blijft dat doen totdat zijn ongerechtigheid haatlijk wordt bevonden. Dat wil zeggen: totdat ze volledig aan het licht komt en haar omvang en gruwelijke omstandigheden duidelijk worden, voor hemzelf en voor anderen, door een of ander verschrikkelijk goddelijk oordeel. Zoals dat wat in het laatste vers van de psalm wordt genoemd: “Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen; zij zijn nedergestoten, en kunnen niet weder opstaan.”

David noemt dit zelfbedrog, en het volharden daarin, als toelichting bij het oordeel dat hij over zo iemand had gevormd: “Er is geen vreze Gods voor zijn ogen. Want hij vleit zichzelven in zijn ogen.” En het bewijs is zeker onweerlegbaar. Een mens die slaaf is van de zonde, zou zichzelf immers nooit in zijn eigen ogen vleien als God niet buiten zijn blikveld was. Hij denkt zo goed over zichzelf omdat God in al zijn gedachten niet voorkomt. Alle vrees voor zichzelf heeft hij van zich afgeworpen, omdat hij geen vreze Gods heeft. — John Jamieson.

Vers 3

“Hij vleit zichzelven.” 1. Sommigen vleien zichzelf met een geheime hoop dat er geen andere wereld bestaat. 2. Anderen vleien zichzelf dat de dood nog ver weg is en dat ze straks nog volop gelegenheid krijgen om de zaligheid te zoeken. 3. Weer anderen vleien zichzelf dat ze een fatsoenlijk en ordelijk leven leiden, en denken daarom dat ze niet verloren zullen gaan. 4. Sommigen maken van hun gunstige omstandigheden een reden tot zelfvleierij. Ze leven op een plek waar het evangelie krachtig wordt gepredikt, te midden van een godsdienstig volk waar velen zich bekeerd hebben, en denken dat het daardoor veel makkelijker voor hen zal zijn om gered te worden.

  1. Sommigen vleien zichzelf met hun eigen voornemens. Ze willen zichzelf nog een tijdje vrij laten en zich daarna verbeteren. 6. Er zijn er die zichzelf wijsmaken dat ze veel doen en al veel gedaan hebben voor hun zaligheid, en hopen haar daarom te verkrijgen. Terwijl ze in werkelijkheid niet doen wat ze moeten doen, en ook niet wat ze, zelfs in hun huidige onwedergeboren staat, wel zouden kunnen doen. Ze zijn ook niet op een weg waarop ze waarschijnlijk tot bekering zullen komen. 7. Sommigen hopen door hun eigen inspanning zelf de zaligheid te verkrijgen. Ze hebben de geheime inbeelding dat ze langzamerhand zelf droefheid en berouw over de zonde zullen opwekken, en liefde tot God en Jezus Christus. Hun streven is niet zozeer een ernstig zoeken van God, als wel een poging om zelf te doen wat het werk van God is. 8. Sommige zondaars houden zichzelf voor dat ze al bekeerd zijn. Ze gaan zitten en rusten in een valse hoop, en maken zichzelf wijs dat al hun zonden vergeven zijn, dat God hen liefheeft, dat ze naar de hemel gaan als ze sterven en dat ze zich verder geen zorgen meer hoeven te maken. “Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.” Openb. 3:17. — Samengevat uit Jonathan Edwards.

Vers 3

“In zijn ogen.” God had hij niet voor ogen in heilig ontzag, daarom zet hij zichzelf daar neer in onheilige bewondering. Wie weinig van God maakt, maakt veel van zichzelf. Wie het aanbidden vergeet, vervalt tot zelfaanbidding. De ogen moeten iets zien, en als ze God niet bewonderen, gaan ze het eigen ik vleien. — C.H.S.

Vers 3

“Als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is” (Engels: totdat zijn ongerechtigheid haatlijk bevonden wordt). Dat wil zeggen: totdat hij door ervaring merkt dat het veel erger is om tegen God te zondigen en Zijn heilige geboden te breken dan hij zich had voorgesteld. — Jonathan Edwards.

Vers 3

“Die te haten is.” Gehaat bij hemzelf, bij anderen en bij God. — Gilbert Genebrard, 1537-1597.

Vers 4

“Hij laat na.” Het beetje licht dat hij ooit had, is hij helemaal kwijt. Ook de goede gewoonten die hij vroeger uit schijnheiligheid nog beoefende, heeft hij van zich afgeworpen. En hij wil ook niet leren om beter te doen. — John Trapp.

Vers 4 (laatste zinsdeel)

Afval van God betekent in feite dat we al het goede dat we gedaan hebben weer ongedaan maken. Het is een goddeloos soort berouw, volkomen het tegenovergestelde van de genade van het berouw. Want zoals dat laatste berouw is over dode werken, zo is dit berouw over werken van een betere soort: “Hij laat na te verstaan tot weldoen.” Het is een ommekeer naar het kwade, na een schijnbare bekering ervan. — Timothy Cruso.

Verzen 4-5

Toch gunde hij zich geen slaap: hij hoorde de klok
De wachten van de nacht slaan, en lag op zijn bed
Nog meer kwaad te beramen. Al vroeg was hij op
En hield dan een helse maaltijd, waarbij hij
De goede naam van de vromen verslond.

Van deur tot deur zag men hem haastig gaan,
Of zitten te midden van gapende dwazen.
De vrede vluchtte weg uit de buurt waar hij
Zich ophield; als een pest van de ziel

Deed zijn adem de frisse loten en bloesems
Van vreugde en geluk onder mensen verwelken.
Alleen nog dwazen zag men in zijn gezelschap,
En wie, door God verlaten, aan zichzelf

Was overgegeven. De wijzen meden hem en zijn huis,
Als iemand met een dodelijke pest van de ziel.

— Robert Pollock, 1799-1827.

Vers 5

“Hij bedenkt onrecht op zijn leger.” Wie God vreest, spreekt op zijn bed met zijn hart, om niet te zondigen, zelfs niet in zijn hart. Zo ligt wie God niet vreest ’s nachts wakker te overleggen hoe hij de zonde bewust kan beramen en uitvoeren; hij doet het willens en wetens. — David Dickson.

Vers 5

“Op zijn leger.” Ayguan volgt heel nauwgezet wat de Schrift over een bed zegt, en vertelt ons dat er zes verschillende bedden van goddeloosheid zijn: die van de wellust, van de gierigheid, van de eerzucht, van de gulzigheid, van de traagheid en van de wreedheid. Hij verduidelijkt ze allemaal met voorbeelden uit de Schrift. — J.M. Neale.

Vers 5

“Hij stelt zich op een weg, die niet goed is.” Op de zonde te wachten is opzettelijk zondigen, ja, vastberaden zondigen. Een zonde die we ons voornemen en waarvoor we ons toerusten, is buitengewoon zondig. David zegt in zijn beschrijving van een goddeloos mens: “Hij stelt zich op een weg, die niet goed is.” Dat is: op een kwade weg. Hij valt niet alleen in de zonde (dat kan ook een goed mens overkomen), maar hij neemt of kiest een kwade weg en zet zich daar dan op vast, vastbesloten die niet te verlaten en er zelfs niet van af te laten slaan.

Van de zonde kan gezegd worden dat zij op een godvruchtig mens wacht. Dat wil zeggen: satan wacht zijn tijd af en bespiedt hem, om hem tot zonde te verleiden. Maar een godvruchtig mens wacht of loert niet om te zondigen. Het is al erg genoeg om door een zonde of misstap overvallen te worden (zoals de apostel zegt in Gal. 6:1). Maar door de zonde gegrepen te worden en dan op een gelegenheid te wachten om er volop van te kunnen eten, is zo erg als het maar kan. — Joseph Caryl.

Vers 5

“Hij stelt zich op een weg, die niet goed is.” Hoogmoedige zondaars zijn er heel sterk van overtuigd dat ze goed gaan, althans op de weg die ze zelf gekozen hebben. Satan verblindt hen zo, dat ze zowel het doel als de weg verkeerd zien. Volgens hun eigen rekening rennen ze naar de hemel, terwijl ze in werkelijkheid naar de hel jagen. Vriendelijk bedient hij hen met verse postpaarden. Soms zet hij hen op dronkenschap, en als ze een etappe op dat beest hebben afgelegd, kan hij hen op ontucht zetten. Dan weer kan hij hen opfrissen met gierigheid, en als ze die trage knol beu zijn, zet hij hen op hoge eerzucht. En om hen nog vuriger te maken, kan hij hen laten rijden op rusteloze twist.

Niet iedereen ziet hoe vindingrijk satan is. Er is geen karakter of aard, of hij heeft er een passend paard voor, en wel vanzelf. De overheersende neiging van ieder mens is een beest dat satan zadelt en levert om mensen naar de hel te dragen. De weg is één, de postmeester is één. Bij elke halte is hij te vinden, om zijn dappere heren op hun paard te zetten. Hun paarden zijn allemaal van dezelfde soort, al hebben ze niet dezelfde kleur. Gelukkig is de mens die door God op die kwade weg van zijn paard wordt gestoten. En nog gelukkiger is wie zich die halte laat welgevallen en zijn koers naar de hemel keert. — William Struther.

Vers 5

“Het kwaad verwerpt hij niet.” Dat wil zeggen: hij is er verre van om welk middel dan ook af te wijzen, hoe zondig ook, als het zijn doelen dient. — J.J. Stewart Perowne.

Vers 6

“HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen.” David overweegt de gedachten en daden van goddeloze mensen, en Gods barmhartigheid jegens hen, en slaakt daarom deze uitroep van verbazing. Als mensen zo schaamteloos zijn, wie bewondert dan niet het goddelijke geduld! — Sebastian Münster, 1489-1552.

Verzen 6-8

Deze psalm beschrijft treffend hoe het gesteld is met onze tijd, waarin de goddeloosheid toeneemt. In het eerste deel van de psalm wordt de goddeloosheid blootgelegd, in vers 4. En wat moeten wij doen als er zoveel goddeloosheid op aarde is? Dat staat in het zesde vers: “HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.” God haalt alle goedheid, barmhartigheid en vrede van de mensen naar Zichzelf toe. En hoewel er in de wereld, op aarde, wreedheid, onheil en goddeloosheid is, zijn er in de wolken toch barmhartigheid, waarheid en trouw. Het is goed dat wijsheid, goedheid, waarheid en gerechtigheid de wereld verlaten en zich aan God vastklampen, zodat wij ze kunnen volgen. Zo kunnen we wat we vroeger aan goedheid, barmhartigheid, waarheid en trouw bij mensen vonden, nu bij God genieten.

En als de goddeloosheid toeneemt, neemt ook de gerechtigheid toe: “Uw gerechtigheid is als de bergen Gods.” Wanneer de wereld zichzelf verscheurt en in stukken breekt, is Gods gerechtigheid een grote berg. “Uw oordelen zijn een grote afgrond.” Wanneer de hele wereld één zee van verwarring is geworden, zijn de oordelen van de HEERE een grote afgrond, waar niet alleen mensen, maar ook dieren veilig kunnen rusten. “Gij behoudt mensen en beesten.”

En hoewel dit een tijd is van groeiende, zich verspreidende goddeloosheid bij de mens, is het toch een tijd van de zoetste verwondering en liefde in God. Wanneer zondigende mensen uitroepen: “O rampzalige mens!”, roepen zij die God genieten: “O gelukzalige mens!” En terwijl mensen die op aarde leven uitroepen: “O ellendig! Wat zijn dit voor tijden?”, roepen mensen die in de hemel leven: “Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God!” De Heere maakt alle dingen naakt en bloot, zodat wij alleen Hem tot onze veiligheid hebben. — William Sedgwick (1600-1668). In “The Excellency of the love of God”, een preek in een bundel getiteld “Some Flashes of Lightnings of the Son of Man”, 1648.

Verzen 6-10

Uw goedertierenheid, HEERE, reikt tot de hemel,
Uw trouw tot de wolken, zo hoog als zij gaan;
Uw recht staat zo vast als de bergen, onwrikbaar,
Uw oordeel is diep als de grote oceaan.

Uw edele goedheid behoudt al wat leeft,
Ja, alles wat mens is en adem heeft;
De mensenkinderen, beschut en bewaard,
Schuilen onder Uw vleugels, voor onheil gespaard.

Zij eten zich zat aan Uw rijke overvloed
En drinken de stroom van Uw vreugde, zo zoet;
Want bij U is de bron en de oorsprong van ’t leven,
In Uw heerlijk licht wordt ons het licht gegeven!

— Sir John Davies.

Vers 7

“Uw gerechtigheid is als de bergen Gods.” Het staat er letterlijk: bergen van God. Mensen hebben ze niet geplant en mensen kunnen ze ook niet verplaatsen. — Christopher Wordsworth.

Vers 7

“Uw oordelen zijn een grote afgrond.” De zonden van de mensen zijn een diepe afgrond. Ook de wegen van de satan worden een diepte genoemd. Maar Gods oordelen, Zijn wegen “in de wielen”, zijn de diepste afgrond van allemaal. Wij kunnen ze niet doorgronden. — William Greenhill.

Vers 8

“Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God!” enzovoort. De beelden waarmee hier de overvloed van Gods zegeningen voor de rechtvaardige wordt beschreven, lijken uit de tempel te komen. Het lijkt wel alsof alle zegen van daaruit naar buiten stroomde. Wie onder de vleugels van de cherubs in de tempel zat, was beschut. De rijke offers, de stromen olie, wijn en wierook en het licht van de gouden kandelaar worden hier duidelijk allemaal bedoeld. — Samuel Burder.

Vers 8

“Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.” Het woord betekent: vluchten, een veilige plek opzoeken. Denk aan kuikens die gevaar lopen te worden gegrepen en onder de vleugels van de hen kruipen. Dat is ook het beeld van Ruth 2:12: “Onder wiens vleugelen gij gekomen zijt om toevlucht te nemen.” Het weerloze kuiken wordt achternagezeten door de wouw en dreigt verslonden te worden. Dan holt het naar de schaduw van zijn moeder.

Zo gaat het ook een zondaar wanneer het geloof voor het eerst begint te werken. Hij beseft dat toorn en oordeel hem op de hielen zitten. Hij weet: als ze hem te pakken krijgen, is hij reddeloos verloren. O, wat een droevige toestand voor zo’n ziel! Maar dan ziet hij Christus Zijn vleugels uitspreiden, klaar om verloren zondaars te bergen. Hij hoort Hem in het evangelie uitnodigen om onder Zijn schaduw te komen. O, wat klinkt die stem hem zoet in de oren, ook al sloeg hij er nog geen acht op toen hij nog ongevoelig was! Hij luistert, gehoorzaamt en rent naar Christus om beschutting te zoeken. Zo is hij veilig. “Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God!” Daarom nemen de mensenkinderen onder de schaduw van Uw vleugelen hun toevlucht. — David Clarkson.

Vers 8

“Uw vleugelen.” Dit beeld komt vaak voor in de psalmen. Naar mijn overtuiging is het in de eerste plaats ontleend aan de vleugels van de cherubs, die het verzoendeksel op de ark overschaduwden. Op de tweede plaats komt het van vogels, die hun jongen tegen de zonnestralen beschermen door ze met hun vleugels te overschaduwen. — Francis Hare (bisschop), 1740.

Vers 8

In de eenzame cel, streng bewaakt, lig ik neer,
Gevangen ter wille van ’t werk van de Heer;
Door Christus’ liefde gebonden, blijf ik Zijn getuige,
Voor vijand of macht zal ik nimmer mij buigen.

— Mijn God is mijn troost en mijn rust.

Dit staat in een brief van Jeronius Segerson, geschreven in 1551 in de gevangenis van Antwerpen aan zijn vrouw Lysken, die daar ook gevangen zat.

Vers 10

“Want bij U is de fontein des levens.” Dit zijn enkele van de wonderbaarlijkste woorden uit het hele Oude Testament. Geen uitleg kan ooit uitputten wat erin zit. In feite vormen ze de kern en de voorbode van veel van het diepste onderwijs van Johannes. — J.J. Stewart Perowne.

Vers 10

“In Uw licht zien wij het licht.” Onze eeuwige gelukzaligheid wordt hier licht genoemd. Dat zal geen verblindend licht zijn dat ons overweldigt, zoals de glans op het gezicht van Mozes toen hij van de berg afkwam. Het volk kon niet naar hem kijken. Het zal ook geen schokkend licht zijn, zoals dat op de berg van de verheerlijking van onze Heere. De discipelen vielen daar op de grond, want hun zwakke ogen konden die glimpen van heerlijkheid niet verdragen, die door het gordijn van het vlees heen schenen.

Nee, het licht in onze hemel van gelukzaligheid zal ons juist sterken en troosten. Het zal de ogen van ons verstand sterker en vaster maken, zodat we het kunnen aanschouwen. Dan kunnen we, zoals jonge arenden, recht in de Zon der gerechtigheid kijken, in al haar glans en heerlijkheid. De Heere zei tegen Mozes: “Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven.” Exodus 33:20. Het heerlijke gezicht dat Daniël zag, nam zijn kracht weg. Daniël 10:8. Wat daar buiten hem stond, trok al zijn levensgeesten naar zich toe om het te bekijken en te bewonderen. Zo verzwakte hij. In de hemel zal het anders zijn. Daar zal onze God, Die we zullen zien en kennen, in ons zijn om ons te sterken. Dan zullen we leven omdat we Zijn aangezicht zien.

Het zal ook een vertroostend licht zijn, zoals het licht van de morgen voor de vermoeide wachter, die er de hele nacht naar verlangde. — William Colville.

Vers 10

“In Uw licht zien wij het licht.” Wat wij hier in deze wereld genieten, is maar een soort schemerlicht, vergeleken met wat komt. Zolang we in dit gevangenishuis zitten, kunnen we weinig zien. Maar het huis van onze Vader daarboven is vol licht. “Dan zullen de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon”, enzovoort. Matteüs 13:43. Is de Morgenster in uw hart opgegaan? Leef dan in de blijde verwachting van de volle dag. Zolang we nog op de voetbank zitten, komen we maar een klein stukje omhoog in de verborgenheden van het Koninkrijk. Maar in het eerste ogenblik nadat we in de hemel zijn aangekomen, zullen we onmetelijk en onvoorstelbaar veel meer weten dan we hier in al onze dagen kunnen bereiken. — Timothy Cruso.

Vers 10

“In Uw licht zien wij het licht.” Het licht van de natuur is als een vonk. Het licht van het evangelie is een lamp en het licht van de genade een ster. Maar het licht van de heerlijkheid is de zon zelf. Hoe hoger we stijgen, hoe groter ons licht. God woont in “een ontoegankelijk licht”, 1 Timotheüs 6:16. Geen mens kan daar komen zolang hij sterfelijkheid en zonde met zich meedraagt. Maar als die twee verdorven en onbruikbare eigenschappen zijn afgelegd, worden we in dat licht gebracht.

Nu zijn we al blij met de zon en de sterren boven ons hoofd, omdat ze ons licht geven. Wat een licht en wat een genot zal het zijn als ze onder onze voeten liggen! Dat licht gaat even ver boven het hunne uit als zij nu boven ons uitgaan. Maar helaas! Alleen wie dat licht genieten, voor wie die eeuwige dag is opgegaan, kunnen erover spreken. Wij niet, want wij leven nog in de nederige schaduw van de sterfelijkheid en het natuurlijke donker.

Daarom laat ik het aan uw overpeinzing over. Dit heerlijke licht doen we goed vaak te overdenken. We overdenken het om het te bewonderen, we bewonderen het om het lief te hebben, we hebben het lief om ernaar te verlangen, we verlangen ernaar om het te zoeken, en als we het vinden, genieten we het eeuwig. — Thomas Adams.

Vers 10

“In Uw licht zien wij het licht.” De wereld schept hoog op over “licht”, en voor natuurlijke dingen is daar ook wel reden voor. Maar zoals de wereld God vroeger niet kende door haar wijsheid, zo is het kort geleden ook gegaan. Als we God ooit leren kennen, dan kan het alleen door Zijn woord. Dat is volgens mij de bedoeling van de tekst. Met “licht” in het tweede zinsdeel wordt de ware kennis van God bedoeld. In het eerste zinsdeel is het de ware manier om die kennis te krijgen: goddelijke openbaring. In het kort komt het hierop neer: Gods woord is het grote middel waardoor we een ware en zaligmakende kennis van God kunnen krijgen. Wat de zon en de sterren zijn voor de wereld van de stof, dat is de openbaring voor de wereld van de geest. Genesis 1:13, 17.

… Er zijn veel dingen waaraan u misschien niet twijfelt en waarover geen ruzie bestaat. Maak er toch werk van om ze in Gods licht te zien. Velen zijn tevreden als ze die dingen zien in het licht van grote en goede mensen. Maar al zijn dat engelen, ze zijn niet het ware licht. Ze zien alles maar ten dele. Ook al is wat zij zeggen waar: als we het alleen op hun voorstelling aannemen, rust ons geloof op “wijsheid der mensen” en niet op “de kracht Gods”, 1 Korinthe 2:5. Een kennis of geloof zonder Gods woord als fundament houdt op de dag van de beproeving geen stand. — Andrew Fuller.

Vers 10

Wat kunnen we nog missen in deze gemeenschap met God? God zal immers alles en in allen voor ons zijn. Hij zal schoonheid zijn voor het oog, muziek voor het oor, honing voor de smaak, de volle tevredenheid en vervulling van al onze verlangens, en dat rechtstreeks uit Zichzelf. Het is waar dat God ook in deze wereld alles in allen is: “In Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij.” Maar hier werkt Hij door tweede oorzaken. Hier geeft Hij wijn om het hart te verblijden, en olie, enzovoort. Daar is elk middel tussen God en ons weggenomen: “bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht.” Niet in het licht van de zon, niet in het licht van een kaars. Dat is daar niet meer nodig, Openbaring 22:5. Nee: “in Uw licht”, het licht van God Zelf. Ja, het hele leven van de heerlijkheid, met alles wat erbij hoort, vloeit uit Hem, als de enige oorspronkelijke bron. O, wat moet het geluk zoet zijn dat zo uit Hem wordt geput! — Edmund Pinchbeck, B.D., in “The Fountain of Life”: een lijkpreek, 1652.

Vers 10

Alles wat we in het schepsel vinden, ook als God Zijn eigen kinderen het gebruik ervan zegent, is maar een druppel uit de oceaan, een beetje water uit de put. Zo zal een gelovige het zien en voelen wanneer hij ervaart wat er in God is, door Christus verzoend, want “bij U is de fontein des levens”. — David Dickson.

Vers 11

“Strek Uw goedertierenheid uit.” Als God eenmaal begint barmhartigheid aan Zijn knechten te bewijzen, houdt Hij niet meteen op. Hij gaat door. Toen Rachel haar eerste zoon kreeg, noemde zij hem Jozef. Dat betekent toevoeging of vermeerdering, want zij zei: “De HEERE voege mij een anderen zoon daartoe.” Genesis 30:24. Nu God goedertierenheid was gaan tonen, zou Hij haar niet alleen deze zoon geven, maar nog een tweede. Als de Heere u één barmhartigheid heeft geschonken, kunt u die Jozef noemen: vermeerdering, toevoeging. God zal u er namelijk nog een geven.

Abraham kreeg veel barmhartigheden van God, de ene na de andere. Mozes kreeg er een menigte. Hij sprak met God van aangezicht tot aangezicht. Hij hoorde God spreken. Hij had Gods tegenwoordigheid die met hem meeging. Hij zag zelfs al Gods goedheid en heerlijkheid aan zich voorbijgaan. Wanneer er barmhartigheden uitgaan, sluit God de deur van de barmhartigheid niet meteen weer.

“Strek Uw goedertierenheid uit.” In het Hebreeuws staat: trek uit, of trek voort Uw goedertierenheid. Dat beeld komt waarschijnlijk van wijnvaten. Als je zo’n vat eenmaal hebt aangestoken, schenkt het niet maar één beker in, maar vele. Zo zal God, als Hij de wijn van Zijn barmhartigheid aansteekt, uw beker niet één keer vullen, maar twee keer en zeven keer. Of het beeld komt van een moeder met borsten vol melk, die de melk voor haar kind laat vloeien, niet één keer, maar vaak. Het kind krijgt de borst vele malen per dag en vele malen in de nacht. Zo zal God, als Hij u barmhartigheid begint te bewijzen, de borsten van Zijn vertroosting voor u laten vloeien en barmhartigheid na barmhartigheid over u uitstorten. Of het beeld komt van een uitgespannen lijn. Want omdat God op de weg van barmhartigheid is, spant Hij de lijn van barmhartigheid uit en meet Hij u de ene barmhartigheid na de andere toe. — William Greenhill.

Vers 11

Het ware kenmerk van een godvrezend mens is dat geloof in God samengaat met een oprecht streven om Hem te gehoorzamen. Want zo iemand kent God en is oprecht van hart. — David Dickson.

Vers 12

“Voet… Hand.” Voet en hand worden allebei genoemd, omdat beide nodig zijn om oorlog te voeren. — Simeon de Muis.

Vers 13

“Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen.” Het klinkt alsof de psalmist dit zei terwijl hij met zijn vinger naar een bepaalde plek wees. Dezelfde manier van zeggen vinden we in Psalm 14:5. Het kan ook zo worden vertaald: dan (dat wil zeggen: wanneer de rechtvaardigen verzadigd worden met de overvloed van Uw huis, beloond omdat zij U daar oprecht hebben aanbeden), dan zullen zij vallen, allen die boosheid werken. Zij zullen ter aarde geworpen worden en niet kunnen opstaan, zoals mensen die met kracht op de harde grond zijn gesmeten. — Daniel Cresswell.

Wenken voor de dorpsprediker

Vers 2

Wat is de vreze Gods? Hoe werkt ze? Wat gebeurt er als ze ontbreekt? Wat moeten we leren van het zien van zulke slechte gevolgen? Of: het atheïsme dat onder de overtreding ligt.

Vers 3

De listen, beweegredenen, hulpmiddelen, gevolgen en straffen van zelfbedrog, en de ontdekking waarmee het eindigt.

Vers 3

Zelfbedrog. Een preek van Jonathan Edwards.

Vers 3

Over de bedrieglijkheid van het hart bij het doen van zonde. Twee preken, in Jamiesons “Sermons on the Heart”.

Vers 4

Slechte woorden. Twee uit vele soorten.

Vers 4 (tweede zinsdeel)

Het verband tussen ware wijsheid en goed handelen in de praktijk.

Vers 5

IJver om kwaad te doen: een teken van diepe verdorvenheid. — W.S. Plumer.

Vers 5

Afzondering misbruiken voor goddeloze doelen: een zeker teken van een gewoontezondaar. — N. Marshall.

Vers 5

De zondaar op zijn bed, in zijn gedrag, in zijn hart. En verder: in zijn sterven en in zijn oordeel.

Vers 5 (tweede zinsdeel)

Wegen die niet goed zijn.

Vers 5 (laatste zinsdeel)

Neutraal blijven wordt veroordeeld.

Verzen 6-7

Vier prachtige beelden van Gods goedertierenheid, trouw en zorg voor Zijn schepping. Hier heeft de prediker een rijkdom aan dichterlijke beeldspraak die nooit is overtroffen.

Vers 7

Gods woord en werken zijn een geheim. — C. Simeon.

Vers 7 (tweede zinsdeel)

Gods oordelen zijn: 1. Vaak ondoorgrondelijk. We kunnen hun grond, oorzaak en oorsprong niet vinden.

  1. Ze zijn veilig om op te varen. Schepen lopen in de grote diepten nooit op rotsen.
  2. Ze verbergen grote schatten.
  3. Ze brengen veel goeds voort. De grote diepte lijkt voor wie het niet weet één en al woestenij, een zoute, dorre wildernis. Toch is ze een van de grootste zegeningen voor deze ronde aarde.
  4. Ze zijn een grote weg voor de gemeenschap met God. De zee is vandaag de grote verkeersweg van de wereld.

Vers 7 (laatste zinsdeel)

Gods goedheid voor de dieren, net zozeer als voor de mens.

Vers 8

Het voorwerp, de redenen, de aard en de ervaring van het geloof.

Verzen 8-9

Bewondering! Vertrouwen! Verwachting! Verwerkelijking!

Vers 9 (eerste zinsdeel)

De voorraad in het huis van de HEERE. Wat die voorraad is, hoe voortreffelijk en overvloedig ze is en voor wie ze klaarstaat.

Vers 9 (tweede zinsdeel)

De hemelse Hiddekel: haar bron, haar stroom, de gelukkige drinkers, en hoe zij ertoe kwamen te drinken.

Vers 10 (eerste zinsdeel)

Leven, natuurlijk, verstandelijk en geestelijk, komt van God. Hij onderhoudt het, herstelt het, zuivert het en brengt het tot voltooiing. In Hem woont het voortdurend. Van Hem stroomt het vrij, fris, overvloedig en zuiver. Aan Hem moet het gewijd worden.

Vers 10 (tweede zinsdeel)

Licht: wat het is om het te zien. Wat goddelijk licht is. Hoe het het middel is waardoor we ander licht zien. De ervaring die hier beschreven wordt en de plicht die hier wordt aangeduid.

Vers 11

  1. Het karakter van de rechtvaardige: hij kent God en is oprecht van hart.
  2. Zijn voorrecht: goedertierenheid en gerechtigheid.
  3. Zijn gebed: “Strek uit”, enzovoort.

Vers 11

De behoefte aan dagelijkse voorraad van genade.

Vers 13

Een blik op de ondergang van boze machten, beginselen en mensen.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas