Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 37 — Treasury of David

Titel
Van David. Meer staat er niet om te zeggen wie de schrijver is. Of het een lied was of een overpeinzing, horen we niet. David schreef de psalm op hoge leeftijd (Ps. 37:25). Juist daarom is hij zo kostbaar: hij is het verslag van een leven vol afwisselende ervaringen.
Onderwerp
Dit is het grote raadsel waar zo velen zich over hebben gebogen: waarom gaat het de goddelozen voor de wind terwijl de rechtvaardigen lijden? De psalm bekijkt die vraag in het licht van de toekomst. Klagen en mopperen worden met klem verboden. Zo brengt de Heere, op de liefelijkste manier, het maar al te gewone morren van Zijn volk tot zwijgen. Hij geeft hun gemoed rust over hoe Hij nu met Zijn eigen uitverkoren kudde omgaat, terwijl de wolven haar omringen. De psalm bevat acht grote geboden. Tweemaal wordt hij verduidelijkt met een stukje uit Davids eigen leven, en hij zit vol opvallende tegenstellingen.
Indeling
De psalm is bijna niet in grote delen op te splitsen. Hij lijkt op een hoofdstuk uit Spreuken, waarin de meeste verzen op zichzelf volledig zijn. Het is een alfabetische psalm: de beginletters van de verzen volgen, in een wat onregelmatige volgorde, het Hebreeuwse alfabet. Dat was vast meer dan een dichterlijke vondst; het hielp ook om de psalm te onthouden. We vragen de lezer om de psalm eerst helemaal door te lezen, zonder commentaar, voordat hij onze uitleg erbij neemt.
Uitleg
Vers 1
De psalm begint met het eerste gebod. Helaas gebeurt het maar al te vaak dat gelovigen in zware tijden denken dat ze oneerlijk worden behandeld. Dat is zo als ze mensen zonder enige godsdienst of eerlijkheid zien jubelen in overvloedige voorspoed. Daarom is dit bevel zo nodig: “Ontsteek u niet over de boosdoeners.” Je ontsteken betekent: je zorgen maken, maagzuur krijgen, koken van woede, je ergeren.
Van nature steekt er in ons snel een vuurtje van jaloezie aan als we zien dat wetsovertreders te paard rijden terwijl gehoorzame mensen door de modder waden. Dat is een les die je alleen leert op de school van de genade. Daar leer je de meest tegenstrijdige wegen van de voorzienigheid te bekijken met de rustige tevredenheid van iemand die zeker weet dat de HEERE rechtvaardig is in alles wat Hij doet. Voor ons vleselijke oordeel is het hard dat het beste vlees naar de honden gaat, terwijl liefhebbende kinderen er gebrek aan hebben.
“Benijd hen niet, die onrecht doen.” Dezelfde raad, in andere woorden. Is iemand arm, veracht en zwaar beproefd, dan wordt onze oude Adam van nature afgunstig op de rijken en machtigen. En als we beseffen dat we zelf rechtvaardiger hebben geleefd dan zij, staat de duivel meteen klaar met zijn lasterlijke redeneringen. Stormweer kan zelfs de room van de mensheid laten schiften. Slechte mensen verdienen geen afgunst maar afschuw en afkeer. Toch weten hun volle tafels en hun vergulde praal onze arme, half geopende ogen maar al te gemakkelijk te verleiden. Wie benijdt de vette os om de linten en slingers waarmee hij versierd wordt terwijl men hem naar de slachtbank leidt? Toch is het precies hetzelfde geval. Rijke goddelozen zijn immers maar dieren die vetgemest worden voor de slacht.
Vers 2
“Want als gras zullen zij haast worden afgesneden.” De zeis van de dood wordt al geslepen. Het gras groeit groen, maar de zeis komt snel. De ondergang van de goddelozen komt snel, plotseling, zeker, overweldigend en onherstelbaar. Gras kan de maaier niet weerstaan en ook niet voor hem vluchten. “En als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen.” De schoonheid van het kruid verdort meteen in de hitte van de zon. Zo verdwijnt ook alle glans van de goddelozen in het uur van hun dood.
De dood maait de goddeloze neer als gras, en de toorn laat hem verdorren als hooi. Hij sterft, en zijn naam gaat rotten. Wat een volledig einde komt er aan iemand wiens opschepperij geen einde kende! Is het de moeite waard om onszelf op te vreten over een insect van één uur, een eendagsvlieg die op dezelfde dag geboren wordt en sterft? In de gelovigen woont een levend, onvergankelijk zaad dat leeft en blijft tot in eeuwigheid. Waarom zouden zij dan louter vlees benijden, en de heerlijkheid daarvan, die maar als gras is, en als de bloem van het gras?
Vers 3
“Vertrouw op den HEERE.” Dit is het tweede gebod, en het past precies bij de situatie. Geloof geneest mopperen. Het zicht is scheel en ziet de dingen alleen zoals ze lijken te zijn. Daar komt zijn afgunst vandaan. Het geloof heeft helderder ogen om de dingen te zien zoals ze werkelijk zijn. Daar komt zijn vrede vandaan. “En doe het goede.” Echt geloof is actief gehoorzaam. Goed doen is een uitstekend middel tegen mopperen. Er zit een vreugde in heilige bedrijvigheid die de roest van ontevredenheid wegneemt.
“Bewoon de aarde” (Engels: het land). Dat is “het land” dat overvloeit van melk en honing: het Kanaän van het verbond. Je zult niet ronddwalen in de woestijn van het morren, maar blijven in het beloofde land van tevredenheid en rust. “Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust.” Een groot deel van wat zich buiten ons afspeelt, hangt af van wat er binnenin leeft. Waar de hemel in het hart is, zal de hemel ook in huis zijn.
“En voed u met getrouwigheid” (Engels: en waarlijk, gij zult gevoed worden), of geweid. Voor wie oprecht is en gelooft, ligt het nodige gewaarborgd. De goede Herder zorgt als een herder voor alle gelovigen. In waarheid zullen ze gevoed worden, en gevoed met waarheid. Gods belofte zal hun dagelijkse maaltijd zijn. Ze zullen noch in geestelijke noch in tijdelijke dingen gebrek lijden. Sommigen lezen dit als een aansporing: “Voed u met waarheid.” Dat is zeker goede kost, en het verjaagt voorgoed de knagende hartebrand van afgunst.
Vers 4
In dit derde gebod gaat het omhoog. Wie eerst te horen kreeg dat hij zich niet moest ontsteken, kreeg daarna de opdracht om actief te vertrouwen. Nu hoort hij dat hij met heilig verlangen zijn vreugde in God moet zoeken. “Verlustig u in den HEERE.” Maak Jehova tot de vreugde en het jubelen van je geest. Slechte mensen vinden hun vermaak in vleselijke dingen. Benijd hen niet als ze zich mogen volproppen met zulke ijdele afgoden. Kijk liever naar jouw betere vermaak en vul jezelf tot de rand met je hogere deel. In zekere zin mag je de goddelozen zelfs navolgen: zij verlustigen zich in hun deel, zorg er dus voor dat jij je in het jouwe verlustigt. Dan zul je hen niet benijden maar beklagen.
Er is geen ruimte voor mopperen als we bedenken dat God de onze is. Wel is er alle reden voor heilig genieten van de hoogste en meest verrukkelijke soort. Elke naam, elke eigenschap, elk woord en elke daad van Jehova moet ons een vreugde zijn. Als we erover nadenken, moet onze ziel even blij zijn als een fijnproever die met diepe smaak geniet van zijn lekkernijen.
“Zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.” Een prettige plicht wordt hier beloond met weer een nieuw genoegen. Mensen die zich in God verlustigen, verlangen en vragen om niets anders dan wat God behaagt. Daarom is het veilig om hun carte blanche te geven. Hun wil is overgegeven aan Gods wil, en nu mogen ze krijgen wat ze willen. Het gaat hier om onze diepste verlangens, niet om toevallige wensen. De natuur zou veel dingen kunnen begeren waar de genade ons nooit om zou laten vragen. Aan deze diepe, biddende, smekende verlangens is de belofte gedaan.
Vers 5
“Wentel uw weg op den HEERE.” Rol de hele last van het leven op de HEERE. Laat bij Jehova niet alleen je huidige gemopper achter, maar al je zorgen. Ja, leg de hele gang van je levensweg in Zijn handen. Gooi de bezorgdheid weg, geef je wil over, leg je oordeel neer en laat alles over aan de God van allen. Wat een medicijn is dit om afgunst uit te drijven! Wat een hoog doel wijst dit vierde gebod aan! Hoe gezegend is hij die elke dag in gehoorzaamheid daaraan leeft! “En vertrouw op Hem; Hij zal het maken.” Ons lot komt tot een vreugdevolle vervulling als we alles vol vertrouwen aan onze Heere toevertrouwen. Dan kunnen we rustig zingen:
Uw weg, o Heer, niet de mijne,
Hoe donker die weg mij ook schijne;
O, leid mij bij Uw rechterhand,
En voer mij door ‘t duistere land.
Of de weg nu effen is of ruw,
Door Uw liefde is hij goed;
Kronkelend of recht, hij voert mij
Naar Uw rust, die mij verkwikken doet.
Ik durf mijn lot niet zelf te kiezen,
Al mocht ik het, ik wilde het niet;
Maar kies Gij de weg voor mij, Heer,
Dan wandel ik recht tot Uw eer.
Neem Gij dan mijn beker en vul hem
Met vreugde of met bittere smart;
Doe Gij met mij zoals het U past,
Uw wil is mij heilig en vast.
De ploeger zaait en eggt, en laat de oogst dan aan God over. Wat kan hij anders? Hij kan de hemel niet met wolken bedekken, de regen niet bevelen, de zon niet laten opgaan en de dauw niet scheppen. Hij doet er goed aan de hele zaak bij God te laten. Zo is het voor ons allemaal de ware wijsheid om, nadat we God gehoorzaam hebben vertrouwd, de uitkomst in Zijn handen te leggen en een gezegende afloop te verwachten.
Vers 6
“En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht.” Als het gaat om onze goede naam, mogen we vooral tevreden zijn met stil blijven. Onze rechtvaardiging laten we over aan de Rechter van de hele aarde. Hoe meer we ons in zo’n geval opwinden, des te erger is het voor ons. Onze kracht is stilzitten. De Heere zal wie belasterd wordt vrijspreken. Als wij opkomen voor Zijn eer, komt Hij op voor de onze.
Het is wonderlijk: als het geloof laster kalm leert te verdragen, bezoedelt het vuil het geloof niet, maar glijdt het af als sneeuwballen van een granieten muur. Zelfs in de ergste gevallen, waarin een goede naam een tijd lang is verduisterd, stuurt de voorzienigheid een opklaring als het gloren van de dageraad. Dat licht neemt toe, tot de man die eens werd veroordeeld door iedereen wordt bewonderd. “En uw recht als den middag.” Er blijft geen schaduw van smaad over. De man staat op het hoogtepunt van zijn glans. De duisternis van zijn verdriet en die van zijn slechte naam vluchten allebei weg.
Vers 7
“Zwijg den HEERE.” Dit vijfde gebod is zeer goddelijk, en je hebt veel genade nodig om het uit te voeren. Je geest tot stilte brengen, zwijgen voor de HEERE en in heilig geduld wachten tot de moeilijkheden van de voorzienigheid zijn opgehelderd: daar moet elk genadig hart naar streven. “Aaron zweeg stil.” “Ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.” Een zwijgende tong laat in veel gevallen niet alleen een wijs hoofd zien, maar ook een heilig hart.
“En verbeid Hem.” Tijd is niets voor Hem. Laat het ook voor jou niets zijn. God is het waard dat je op Hem wacht. “Hij is nooit vóór Zijn tijd, nooit te laat.” Bij een verhaal wachten we op het einde om de intrige te ontrafelen. Zo moeten we ook het grote drama van het leven niet vooraf beoordelen. We blijven tot het slottafereel en zien hoe het geheel afloopt.
“Ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.” Het is niet goed maar juist zeer kwaad om je hart te kwellen over het huidige succes van genadeloze plannenmakers. Laat je niet verleiden tot voorbarige oordelen. Die onteren God en putten jezelf uit. Besluit dat je de zaak met gelijkmoedigheid zult bekijken, hoe goed de goddelozen ook slagen, en dat je nooit zult toestaan dat er een vraag rijst over de rechtvaardigheid en goedheid van de HEERE. Wat als goddeloze plannen lukken en je eigen plannen mislukken? Er is meer liefde van God in jouw nederlagen dan in de successen van de goddelozen.
Vers 8
“Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid.” Het gaat vooral om toorn tegen Gods beschikkingen en om jaloezie op de tijdelijke genoegens van mensen die zo snel van alle troost zullen worden afgesneden. Toorn is overal dwaasheid; hier is het ernstige krankzinnigheid. Maar omdat de toorn ons gezelschap blijft zoeken, moeten we haar vastberaden achterlaten.
“Ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.” Door geen enkele redenering en onder geen enkele omstandigheid mag je je in zo’n richting laten sturen. Mopperigheid staat op de rand van grote zonde. Velen die een morrende gezindheid koesterden, zijn uiteindelijk zelf gaan zondigen om hun vermeende rechten te krijgen. Pas op dat je niet vit op anderen. Zorg er liever voor dat je zelf op de rechte weg wordt gevonden. En zoals je zou schrikken van openlijke zonde, beef dan voor het morren in je binnenste.
Vers 9
“Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden.” Hun dood zal een straf zijn: geen zachte overgang naar een betere staat, maar een terechtstelling waarbij de bijl van de gerechtigheid wordt gebruikt. “Maar die den HEERE verwachten”, die in geduldig geloof hun deel in een ander leven verwachten, “die zullen de aarde erfelijk bezitten.” Zelfs in dit leven hebben zij het meeste echte genot. In de eeuwen die komen is de heerlijkheid en de overwinning voor hen. In Bunyans gelijkenis krijgt Hartstocht zijn goede dingen eerst, en die zijn snel voorbij. Geduld krijgt zijn goede dingen het laatst, en die duren eeuwig.
Vers 10
“En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn.” Als slechte mensen groot worden, vegen Gods oordelen hen vaak weg. Hun rijkdom smelt, hun macht brokkelt af, hun geluk slaat om in ellende. Zij zelf tellen niet langer mee onder de levenden. Doordat het leven zo kort is, zien we dat de glitter van goddeloze groten geen echt goud is. O, beproefde gelovige, waarom benijd je iemand die over korte tijd lager zal liggen dan het stof? “Ja, gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.”
Zijn huis zal leeg zijn, zijn ambtsstoel onbezet, zijn landgoed zonder eigenaar. Hij wordt helemaal uitgewist, misschien afgesneden door zijn eigen losbandigheid, of op een sterfbed van armoede gebracht door zijn eigen verspilling. Weg als een voorbijtrekkende wolk, vergeten als een droom! Waar zijn nu zijn grootspraak en dreigementen? Waar is de praal die arme stervelingen deed denken dat de zondaar gezegend was?
Vers 11
“De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten.” Boven iedereen zullen zij van het leven genieten. Ook als ze lijden, wegen hun vertroostingen zwaarder dan hun verdrukkingen. Het land erven betekent: de voorrechten van het verbond ontvangen, en de zaligheid van God. Wie echt nederig is, krijgt zijn lot samen met de andere erfgenamen van de genade. Voor hen komt alles goeds door een heilig geboorterecht.
“En zich verlustigen over groten vrede.” Vrede hebben ze lief, en vrede zullen ze hebben. Vinden ze geen overvloed aan goud, dan zal een overvloed aan vrede hen veel beter van dienst zijn. Anderen vinden vreugde in ruzie, en daaruit groeit te zijner tijd hun ellende. Maar vrede leidt tot vrede. Hoe meer iemand haar liefheeft, des te meer komt zij naar hem toe. In de windstille, vredige tijd van de laatste dagen, wanneer algemene vrede de aarde verblijdt, zal de volle profetische betekenis van zulke woorden duidelijk worden.
Verzen 12-15
Hier staat het portret van een trotse onderdrukker, tot de tanden gewapend.
Vers 12
“De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige.” Waarom laat hij de goede man niet met rust? Omdat er vijandschap is tussen het zaad van de slang en het zaad van de vrouw. Waarom valt hij hem niet openlijk aan? Waarom smeedt hij plannen en intrigeert hij? Omdat het de aard van de slang is om heel sluw te zijn. Wie aan boord is van “De Apollyon”, houdt niet van rechtdoor varen.
“En hij knerst over hem met zijn tanden.” Door hun gebaren laten de goddelozen zien wat ze zouden doen als ze konden. Kunnen ze niet knagen, dan knarsen ze. Mogen ze niet bijten, dan blaffen ze tenminste. Precies zo ging de genadeloze wereld om met “dien Rechtvaardige”, de Vorst des Vredes. Toch nam Hij geen wraak op hen. Als een stil lam onderging Hij de beledigingen met geduld.
Vers 13
“De Heere belacht hem.” Wie God dient, hoeft zich geen zorgen te maken. Hij mag de verdiende straf rustig overlaten aan de HEERE, Die de boosaardigheid van de vijanden van de goede mens volkomen belachelijk zal maken. Laat die trotse spotter maar knarsetanden en schuimbekken! Hij heeft te maken met Iemand Die kalm en zonder enige schrik op hem en zijn gebrul neerkijkt.
“Want Hij ziet, dat zijn dag komt.” De goddeloze ziet niet hoe dicht zijn ondergang hem op de hielen zit. Hij pocht dat hij anderen vermorzelt, terwijl de voet van de gerechtigheid al is opgeheven om hem te vertrappen als modder op straat. Zondaars in de hand van een toornende God, en toch maar samenzweren tegen Zijn kinderen! Arme zielen, die zich zo op de punt van Jehova’s speer storten!
Vers 14
“De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken.” Hun wapen steekt al half uit de schede, en ze loeren op het moment om het te gebruiken. “En hun boog gespannen.” Eén wapen is niet genoeg; er ligt nog een tweede klaar. Hun boog is zo sterk dat ze erop moesten trappen om hem te spannen. Aan kracht of voorbereiding zal het hun niet ontbreken. “Om den ellendige en nooddruftige neder te vellen.” Dat is hun wild, de mikpunten van hun vervloekte haat. Deze lafaards vallen hun gelijken niet aan. Ze zoeken juist die voortreffelijke mensen uit die zich niet kunnen verweren, omdat ze zo zachtmoedig zijn en zo arm. Zie hoe onze zachtmoedige en nederige Heere werd omringd door wrede vijanden, die met allerlei wapens klaarstonden om Hem te doden.
“Om te slachten, die oprecht van weg zijn.” Niets minder dan de ondergang en de dood van de rechtvaardige zal de goddelozen tevredenstellen. De oprechte, eerlijke mensen worden gehaat door sluwe plannenmakers die genoegen scheppen in het kwaad. Zie dan hoe de vijanden van de godvruchtigen dubbel gewapend zijn, en leer hoe waar de woorden van onze Heere waren: “Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld.”
Vers 15
“Hun zwaard zal in hunlieder hart gaan.” Net als Haman worden ze opgehangen aan de galg die ze zelf voor Mordechai hebben getimmerd. Honderden keren is dat al gebeurd. Saul, die David wilde doden, stortte zich in zijn eigen zwaard. En zijn boog, zijn geliefde wapen, dat hij de Israëlieten zelf had leren gebruiken, kon hem op de Gilboa niet redden. “En hun bogen zullen verbroken worden.” Hun slimme kwade plannen worden waardeloos. Boosaardigheid ontmaskert zichzelf. Ze drinkt de vergiftigde beker die ze voor een ander had klaargemaakt, en ze verbrandt zich aan het vuur dat ze bij haar naaste aanstak. Waarom zouden we ons dan opwinden over de voorspoed van de goddelozen? Ze werken zo ijverig aan hun eigen ondergang, terwijl ze denken de heiligen te schaden!
De volgende negen verzen beschrijven vooral het karakter en het geluk van de godvruchtigen. Een paar donkere streken over de goddelozen en hun lot laten dat licht des te beter uitkomen.
Vers 16
“Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.” Wat een mooi spreekwoord! Het weinige van één goed mens staat tegenover de rijkdom van velen die God vergeten, en dat maakt de uitspraak nog krachtiger. Er is meer geluk te vinden in een eenvoudige maaltijd van groenten, met God erbij, dan in de gemeste os van goddeloze brassers.
In de oorspronkelijke taal klinkt een toespeling op het lawaai van een menigte door. Het is alsof we het gewoel en het rumoer van losbandige rijkdom horen, tegenover de rust van het bescheidener deel van de godvruchtigen. Wij hebben liever honger met Johannes dan een feestmaal met Herodes. Liever karig eten met de profeten in Obadja’s grot dan brassen met de priesters van Baäl. Het geluk van een mens zit niet in de hopen goud die hij in voorraad heeft. Wie tevreden is, vindt veel in weinig (multum in parvo), terwijl de hele wereld voor een goddeloos hart te klein is.
Vers 17
“Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden.” Hun macht om kwaad te doen wordt voorgoed weggenomen, want de armen die ze tegen God opstaken, worden tot op het bot verbrijzeld. God maakt onverzoenlijke mensen vaak machteloos. Wat is er armzaliger om te zien dan tandeloze boosaardigheid, kwaadwilligheid zonder armen!
“Maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.” Hun zaak en hun levensweg zijn veilig, want ze zijn in goede handen. Het tweesnijdende zwaard treft de goddeloze en beschermt de rechtvaardige.
Vers 18
“De HEERE kent de dagen der oprechten.” Doordat Hij alles vooruit weet, kon Hij de trotsen belachen. Maar voor de oprechten ziet Hij een veel mooiere toekomst, en Hij behandelt hen als erfgenamen van de zaligheid.
Dit blijft altijd onze troost: onze God kent alles wat gebeurt, en niets in onze toekomst kan Hem overvallen. Geen pijl treft ons bij toeval en geen gevaar besluipt ons. Nu niet en in de eeuwigheid niet kan ons kwaad overkomen dat niet voorzien was. De toekomst is niets anders dan het steeds verder uitgroeien van al het goede dat de Heere voor ons heeft klaargelegd.
“En hun erfenis zal in eeuwigheid blijven.” Hun erfenis vergaat niet. Ze is zo vastgelegd dat niemand haar hun kan afnemen, en zo bewaard dat niemand haar kan vernietigen. Eeuwig is het wezenlijke kenmerk van wat de gelovige bezit. Wat ze op aarde hebben, is veilig genoeg, maar wat ze in de hemel zullen krijgen, is voor eeuwig van hen.
Vers 19
“Zij zullen niet beschaamd worden in den kwade tijd.” Er komen rampen, maar er komen ook reddingen. De rechtvaardigen hebben nooit gerekend op een leven zonder moeite. Daarom worden ze niet teleurgesteld als ze hun deel moeten dragen. Ze werpen zich juist opnieuw op hun God, en ervaren opnieuw Zijn trouw en liefde. God is niet alleen een vriend als de zon schijnt. Hij is een vriend in daden en een vriend in nood.
“En in de dagen des hongers zullen zij verzadigd worden.” Hun meelpot en oliekruik houden het vol tot het einde van de nood. En als er geen raven komen met brood en vlees, dan komt de hulp op een andere manier, want hun brood wordt hun gegeven. Onze Heere hield Zich hieraan vast toen Hem hongerde in de woestijn, en door het geloof wees Hij de verzoeker af. Ook wij kunnen door dezelfde gedachte sterk staan en ons niet opwinden zodat we kwaad gaan doen. Als Gods zorg voor ons onze erfenis is, hoeven we ons niet druk te maken over de prijs van het koren.
Meeldauw, brand en onkruid zijn allemaal in de hand van de HEERE. Ongeloof kan geen enkele aar redden van de verschroeiing. Maar het geloof kan, als het de oogst niet bewaart, iets beters doen: het bewaart onze vreugde in de HEERE.
Vers 20
“Maar de goddelozen zullen vergaan.” Welk lichtje hun leven nu ook voorspiegelt, hun toekomst is pikzwart, een donkere nacht die je kunt aanraken. Het vonnis is al over hen uitgesproken; ze wachten alleen nog op de terechtstelling. Laat hen maar pronken met hun scharlaken en fijn linnen, en elke dag in weelde leven. Het zwaard van Damocles hangt boven hun hoofd. En als ze wat wakkerder waren, zou hun vrolijkheid in ellende omslaan.
“En de vijanden des HEEREN zullen verdwijnen, als het kostelijkste der lammeren.” Zoals het offervet helemaal op het altaar werd verteerd, zo verdwijnen de goddelozen volledig van de plaats waar ze zo trots en geëerd waren. Hoe kan het ook anders? Als het stoppelveld de vlam durft te trotseren, wat kan het dan nog verwachten? “Zij zullen verdwijnen.” Als droog hout, als hopen bladeren, als gloeiende kolen zijn ze snel verdwenen. Helemaal verdwenen zelfs, want “met den rook zullen zij verdwijnen.”
Sic transit gloria mundi: zo vergaat de roem van de wereld. Eén windstoot maakt een einde aan al hun opgeblazenheid. Hun gedamp loopt uit op rook. Ze maakten zichzelf vet en kwamen om in hun eigen smeer. Ze verbruikten het goede dat ze probeerden te zijn, en zelf zullen ze worden verbruikt.
Vers 21
“De goddeloze ontleent en geeft niet weder.” Deels omdat hij niet wil, maar vooral omdat hij niet kan. Op verspilling volgt gebrek, en de schuld blijft onbetaald. Vaak worden goddelozen in dit leven zo arm. Hun doorgeslagen verkwisting brengt hen voor de deur van de woekeraar en in het pak van de bankroetier.
“Maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft.” Hem is barmhartigheid geschonken, en daarom geeft hij uit barmhartigheid. Hij is vrijgevig en het gaat hem goed. Hij is geen lener maar een gever. Zoveel als hij kan, leent de goede mens zijn oor aan de bede van wie in nood zit. Hij wordt niet armer van wat hij geeft, maar rijker, en hij kan nog meer doen. Hij geeft niet om luiheid aan te moedigen, maar uit echte barmhartigheid, en die veronderstelt echte nood.
Deze tekst laat ons zien hoeveel beter het meestal is te geven dan te lenen. Meestal loopt lenen uiteindelijk uit op geven. Dan kunnen we dat feit maar beter vóór zijn, en met een beetje vrijgevigheid het onvermijdelijke voorkomen. Als deze twee zinnen de goddelozen en de rechtvaardigen beschrijven, dan heeft de schrijver van deze regels alle reden om te weten dat er in en rond Londen heel veel goddelozen zijn.
Vers 22
“Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten.” Gods zegen is uiteindelijk de echte rijkdom. Het ware geluk, dat het verbond aan alle uitverkorenen van de hemel verzekert, ligt verborgen in Gods gunst. “Maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.” Zijn frons is de dood. Sterker nog: hij is de hel.
Vers 23
“De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd.” Zijn hele levensweg is in genade bepaald, en uit goedheid is alles vastgesteld, geregeld en gedragen. Geen roekeloos noodlot en geen grillig toeval regeert ons. Elke stap die wij zetten, valt onder een goddelijk besluit. “En Hij heeft lust aan zijn weg.” Zoals ouders zich verheugen in de wankele stapjes van hun kind. Alles wat een heilige aangaat, interesseert zijn hemelse Vader. God ziet graag hoe een ziel zich met heilige inspanning een weg omhoog baant naar de hemel. In de beproevingen en de vreugden van de gelovigen deelt Jezus met hen, en Hij is blij hun meelevende metgezel te zijn.
Vers 24
“Als hij valt.” Rampen en tegenslagen kunnen hem neerhalen. Net als Job kan hij alles verliezen, net als Jozef in de gevangenis belanden, net als Jona in de diepte worden geworpen. “Zo wordt hij niet weggeworpen.” Hij zal niet helemaal neerliggen. Hij belandt op zijn knieën, maar niet op zijn gezicht. En ligt hij even languit, dan staat hij al snel weer op. Geen heilige zal voorgoed of dodelijk vallen. Smart kan ons tegen de grond werken en de dood kan ons in het graf leggen, maar dieper kunnen we niet zinken. Uit het allerdiepste staan we op naar het allerhoogste. “Want de HEERE ondersteunt zijn hand.”
In Zijn neerbuigende goedheid ondersteunt God Zijn heiligen met Zijn eigen hand. Hij laat hen niet over aan tussenpersonen, maar helpt hen persoonlijk. Zelfs als we vallen, geeft de Heere ons nog steun. Waar de genade ons niet behoedt voor het neergaan, behoedt ze ons wel voor het blijven liggen. Job kreeg uiteindelijk dubbele rijkdom, Jozef regeerde over Egypte, Jona werd veilig aan land gezet. Het komt niet doordat de heiligen sterk, wijs of verdienstelijk zijn dat ze na elke val weer opstaan. Het komt doordat God hun helper is, en niemand dus tegen hen kan winnen.
Vers 25
Dit was wat David had opgemerkt: “Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood.” Zo precies heb ik het zelf niet gezien. Ik heb kinderen van ongetwijfeld godvruchtige mensen geholpen toen ze als gewone bedelaars bij mij aanklopten. Maar dat doet niets af aan wat David opmerkte. Hij leefde in een tijd waarin het geloof meer aan het uiterlijke en aan deze wereld verbonden was dan nu, in de tijd van het persoonlijke geloof.
De rechtvaardigen worden nooit verlaten. Dat is een regel zonder uitzondering. Hun kinderen bedelen inderdaad zelden om brood. En komt het toch voor, door een los leven, luiheid of andere oorzaken bij hun zonen, dan is het ongetwijfeld zo zeldzaam dat velen het nooit hebben gezien. Ga naar het armenhuis en kijk hoe weinig kinderen van godvruchtige ouders er zijn. Ga naar de gevangenis en kijk hoeveel zeldzamer het daar nog is. Arme predikantszonen worden vaak rijk.
Ik ben niet oud, maar ik heb gezien dat gezinnen van arme godvruchtigen rijk werden. Ik heb gezien hoe de Heere de trouw van de vader beloonde met het succes van de zoon. Daarom heb ik vaak gedacht dat je je kinderen het best rijkdom kunt meegeven door arm te worden om Christus’ wil. De Indiase zending van de Baptist Missionary Society laat dit volop zien.
Vers 26
“Den gansen dag ontfermt hij zich, en leent.” De rechtvaardigen worden voortdurend gedreven door mildheid. Ze bloeien niet door zuinigheid, maar door gulheid. Net als de milde Gever van alle goed, Wiens geliefde kinderen ze zijn, vinden ze er vreugde in goed te doen. Hoe gierige, hebzuchtige belijders kunnen hopen op zaligheid, is een raadsel voor wie zulke verzen in de Bijbel leest.
“En zijn zaad is tot zegening.” God betaalt met rente terug in de volgende generatie. Als de kinderen van de rechtvaardigen niet godvruchtig zijn, moet daar een reden voor zijn: verwaarlozing door de ouders, of een andere schuldige oorzaak. De vriend van de vader is de vriend van het gezin. De God van Abraham is de God van Izaäk en van Jakob.
Verzen 27-29
Hier vinden we de zevende leefregel van deze psalm. Ze komt in een ontkennende en een bevestigende vorm, en is de kern van de hele psalm.
Vers 27
“Wijk af van het kwade, en doe het goede.” We mogen de kwaaddoeners niet benijden. We moeten ons helemaal afkeren van hun geest en voorbeeld. Zoals Lot Sodom verliet zonder om te kijken, zo moeten wij de zonde verlaten. Met de zonde sluiten we geen wapenstilstand en voeren we geen onderhandelingen. We keren ons zonder aarzelen van haar af en gaan in de praktijk de andere kant op aan het werk. Wie nalaat het goede te doen, vervalt al snel tot het kwade. “En woon in eeuwigheid.” Neem een blijvende, rustige erfenis in bezit. Kortstondig zijn de winsten en genoegens van het kwade, maar eeuwig zijn de beloningen van de genade.
Vers 28
“Want de HEERE heeft het recht lief.” Eer geven aan wie eer toekomt, daar heeft God vreugde in. Vooral als de oprechte door zijn medemensen is belasterd. Het moet een goddelijk genoegen zijn onrecht recht te zetten en de listen van de onrechtvaardigen te verijdelen. De grote Rechter over het lot van de mensen zal zeker rechtvaardig toemeten aan rijk en arm, aan goed en kwaad, want zulk recht is Zijn vreugde.
“En zal Zijn gunstgenoten niet verlaten.” Dat zou niet rechtvaardig zijn en zal dus nooit gebeuren. God is even trouw aan hen die Hij liefheeft als Hij rechtvaardig is tegenover alle mensen. “In eeuwigheid worden zij bewaard.” Hun veiligheid ligt vast in de verplichtingen van het verbond, en ze is bewerkt door wat onze Borg heeft volbracht. Wat er ook komt, de heiligen worden bewaard in Christus Jezus, en omdat Hij leeft, zullen ook zij leven. Een koning verliest zijn juwelen niet, en Jehova zal Zijn volk niet verliezen. Het manna in de gouden kruik zou anders zijn gesmolten. Het werd bewaard in de ark van het verbond, onder het verzoendeksel. Zo worden de getrouwen bewaard in het verbond, door de kracht van Jezus, hun Verzoening.
“Maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid.” Zoals het huis van Jerobeam en van Achab, van wie geen hond werd overgelaten. Oneerlijk verworven eer en rijkdom halen zelden het derde geslacht. De vloek rijpt binnen enkele jaren en valt op het boze huis. Van alles wat goddeloze mensen nalaten, is een oordeel over hun nageslacht het zekerste erfstuk.
Vers 29
“De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten.” Zij zijn samen met Jezus Christus erfgenamen, en dat verandert alles. Het Kanaän boven, waar het aardse “land” alleen maar een afbeelding van was, zal van hen zijn, met alle zegeningen van het verbond. “En in eeuwigheid daarop wonen.” Er bestaan allerlei vormen van bezit, maar geen enkele haalt het bij wat gelovigen in de hemel bezitten. Het Paradijs krijgen zij voor altijd als erfenis, en ze zullen eeuwig leven om ervan te genieten. Wie zou onder zulke voorwaarden geen heilige willen zijn, een mens die God toebehoort? Wie zou zich nog druk maken over de vluchtige schatten van de goddelozen?
Vers 30
“De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid.” De hele psalm beschrijft hoe verschillend het de rechtvaardigen en de goddelozen vergaat. Dan past het ook om een toets te geven waaraan je hen herkent. De tong van een mens zegt veel over zijn karakter. De mond verraadt het hart. Goede mensen spreken meestal opbouwende, gezonde taal. Ze praten over het geloof, op een manier die past bij het goddelijke licht dat zij hebben ontvangen. Gerechtigheid is wijsheid in daden. Daarom zijn alle goede mensen in de praktijk ook wijze mensen, en terecht is hun spraak wijs.
“En zijn tong spreekt het recht.” Hij komt op voor wat rechtvaardig is en velt een eerlijk oordeel over zaken en mensen. Hij zegt ook vooraf dat Gods oordelen over de goddelozen zullen komen, zoals vroeger. Zijn praat is niet dwaas en niet schunnig, niet leeg en niet oneerbiedig. Wat we zeggen is veel belangrijker dan sommige mensen denken, want onze woorden laten zien wat er in ons leeft.
Vers 31
“De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.” Het beste op de beste plek, met de beste gevolgen. Geen wonder dat zijn woorden zo goed zijn, want zijn hart is zo goed gevuld. Wat er binnen zit, komt er aan de buitenkant uit. Heiligheid liefhebben, zuivere beweegredenen en verlangens hebben, in je diepste wezen gehoorzaam zijn aan de Heere: dat is de zekerste manier om je hele leven bruikbaar te maken voor Zijn grote doelen. Het behoedt zelfs elke stap die we zetten voor ernstige misstappen.
In tijden als deze rustig je weg blijven gaan, is alleen weggelegd voor mensen met een oprecht hart tegenover God, die zoals in de tekst God hun God kunnen noemen. Slimme politiek glijdt en struikelt. Ze draait en laveert, en trekt uiteindelijk toch aan het kortste eind, hoe slim ze ook lijkt. Maar eerlijkheid stapt rustig voort over haar gewone pad en bereikt het doel.
Vers 32
“De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.” Als de wetten van het land er niet waren om hen te beschermen, zouden we al snel een bloedbad onder de rechtvaardigen zien. Jezus werd bespied door Zijn vijanden, die dorstten naar Zijn bloed. Zijn discipelen moeten dus geen vriendelijkheid verwachten, waar hun Meester haat en de dood vond.
Vers 33
“Maar de HEERE laat hem niet in zijn hand.” God komt vaak Zelf Zijn knechten verlossen. Doet Hij dat in dit leven niet voor hun lichaam, dan geeft Hij hun ziel zoveel blijdschap en vrede dat zij overwinnend boven de macht van hun folteraars uitstijgen. We kunnen een poosje in de hand van de vijand zijn, zoals Job, maar we blijven daar niet.
“En Hij verdoemt hem niet, als hij geoordeeld wordt.” De tijd maakt het overhaaste vonnis ongedaan, en anders neemt de eeuwigheid de veroordeling van de tijd weg. Rechtvaardigen worden op Gods tijd gerechtvaardigd. Het onrecht van nu wordt in Gods bestuur een tijdlang geduld, met zeer wijze bedoelingen. Maar het bittere zal niet altijd zoet heten, en het licht zal niet eeuwig voor duisternis uitgemaakt worden. Op Gods tijd komt het recht aan het licht. Wat nagemaakt is en zich groot voordoet, wordt ontmaskerd, en wat echt en waar is, wordt zichtbaar. Hebben we trouw gehandeld, dan kunnen we in hoger beroep gaan: van de kleine rechtbanken van de maatschappij naar het plechtige hooggerechtshof van de grote dag.
Vers 34
“Wacht op den HEERE.” Dit is het achtste gebod hier, en het is een hoge top om te bereiken. Wacht tot de Heere de tijd rijp acht. Wacht gehoorzaam als een dienstknecht, hoopvol als een erfgenaam, verwachtingsvol als een gelovige. Dat woordje “wacht” is snel gezegd maar moeilijk gedaan. Toch moet het geloof het doen.
“En houd Zijn weg.” Blijf op het smalle pad. Laat de haast naar rijkdom of gemak je niet tot onheilige daden brengen. Laat je lijfspreuk zijn: “Door, door, door.” Word nooit slap en denk er niet over om af te slaan. “Wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.” “En Hij zal u verhogen, om de aarde erfelijk te bezitten.” Alles wat echt goed is aan aards goed zul je ontvangen, en aan hemels goed zal geen gebrek zijn. Verhoging is het lot van wie voortreffelijk leeft. “Gij zult zien, dat de goddelozen worden uitgeroeid.” Wat een ontzagwekkend en tegelijk leerzaam gezicht! Wat een terechtwijzing voor wie moppert! Wat een aanmoediging tot dankbaarheid! Mijn ziel, wees stil terwijl je het einde voorziet, het vreselijke einde van de vijanden van de HEERE.
Vers 35
David pakt voor de tweede keer zijn dagboek erbij. Nu vertelt hij in dichterlijke taal wat hij heeft gezien. Het zou goed zijn als wij ook aantekeningen maakten van wat God in ons leven en in de wereld doet, van Zijn beschikkingen en leiding.
“Ik heb gezien een gewelddrijvende goddeloze.” Hij joeg anderen schrik aan, regeerde met veel gezag en trad hoogmoedig op: een Caesar in macht, een Croesus in rijkdom. “Die zich uitbreidde als een groene inlandse boom.” Huis aan huis en akker aan akker voegde hij erbij, en hij steeg steeds hoger in de staat. Hij leek altijd groen, als een laurierboom, en hij groeide als een boom in zijn eigen geboortegrond, waaruit hij nooit was verplant.
Er is hier geen bepaalde boom bedoeld. Een ruime beuk of een wijd uitgespreide eik kan ons helpen het beeld voor ons te zien. Het is iets van de aarde, met wortels in de klei. Zijn eer bestaat uit verwelkende bladeren. Zijn schaduw maakt de planten eronder klein en zwak, maar zelf is hij ook gedoemd te sterven, zoals de bijl van de houthakker zal bewijzen. In de edele boom die zich koning van het bos noemt, zie je de grootheid van de goddelozen van nu. Wacht maar even. Dan zul je je verbazen over de verandering, als het hout wordt weggesleept en zelfs de wortel uit de grond wordt gerukt.
Vers 36
“Maar hij ging door.” Boom en mens zijn allebei verdwenen, de mensenzoon even zeker als het kind van het bos. Wat maakt de dood een schoon schip! “En zie, hij was er niet meer.” Tot verbazing van iedereen was de grote man weg: zijn landgoederen verkocht, zijn bedrijf failliet, zijn huis in vreemde handen, zijn naam vergeten, en dat allemaal in een paar maanden.
“En ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.” Vraag je uit nieuwsgierigheid naar de goddelozen, dan hebben ze geen spoor nagelaten. Als vogels van onheil: niemand wil aan hen terugdenken. Sommige van de nederigste gelovigen zijn juist onsterfelijk geworden. Hun namen blijven in de gemeente heerlijk geuren. Van de knapste ongelovigen en lasteraars worden de namen na een paar jaar nauwelijks nog genoemd. Mensen die gisteren in ieders mond waren, zijn morgen vergeten. Want alleen deugd is onsterfelijk.
Vers 37
“Let op den vrome, en zie naar den oprechte.” Je hebt met verbazing gezien hoe de goddelozen ten val kwamen. Richt je aandacht nu op de oprecht godvruchtige mens en let op het gezegende verschil. Goede mensen zijn mensen van betekenis, en het is de moeite waard hen te bestuderen. Oprechte mensen zijn wonderen van genade, en het bekijken waard.
“Want het einde van dien man zal vrede zijn.” Wie de vrede zoekt, krijgt een vredig einde. Vrede zonder einde komt uiteindelijk bij de man van God. Zijn weg mag ruw zijn, maar hij brengt hem thuis. Bij gelovigen mag het ’s ochtends regenen, ’s middags donderen en in de namiddag met bakken uit de hemel komen, maar het klaart op voordat de zon ondergaat. De strijd kan duren tot ons laatste uur, maar dan horen we er voorgoed niets meer van.
Vers 38
“Maar de overtreders worden te zamen verdelgd.” Wie samen in opstand komt, wacht samen het verderf. “Het einde der goddelozen wordt uitgeroeid.” Hun tijd wordt verkort, hun geluk komt tot een eind, hun hoop verdort voorgoed en hun terechtstelling komt sneller. Hun zonden korten hun heden af. Ze leven niet eens de helft van hun dagen uit. Ze hebben geen toekomst die de moeite waard is, terwijl de rechtvaardigen hun toekomst zien als hun echte erfdeel.
Vers 39
“Doch het heil der rechtvaardigen is van den HEERE.” Dit is gezonde leer. Het is het merg van het evangelie van de vrije genade, dat we niet aan onszelf te danken hebben. Met “heil” is verlossing van elke soort bedoeld. Niet alleen de redding die ons uiteindelijk in de heerlijkheid brengt, maar ook alle kleinere reddingen onderweg. Die komen allemaal van de HEERE, en van Hem alleen. Laat Hij de eer krijgen van hen aan wie Hij heil schenkt. “Hun Sterkte ter tijd van benauwdheid.” Benauwdheid werpt de goddelozen omver, maar de rechtvaardigen drijft ze alleen naar hun sterke Helper, Die er blij mee is hen te ondersteunen.
Vers 40
“En de HEERE zal hen helpen.” In alle tijden die komen zal Jehova opstaan voor Zijn uitverkorenen. Onze grote Bondgenoot brengt Zijn legers naar voren in de hitte van de strijd. “En zal hen bevrijden”: Hij bevrijdt hen van de goddelozen. Zoals Hij Daniël uit de leeuwen redde, zo beschermt Hij Zijn geliefden tegen hun vijanden. Ze hoeven zich dus niet op te winden en niet moedeloos te worden.
“En zal ze behouden; want zij betrouwen op Hem.” Het geloof zorgt voor de veiligheid van de uitverkorenen. Het is het kenmerk van de schapen, waaraan ze van de bokken worden onderscheiden. Niet hun verdienste, maar hun geloof maakt het verschil. Dat is wat hen kenmerkt. Wie zou de weg van het geloof niet willen gaan? Wie werkelijk in God gelooft, windt zich niet langer op over de schijnbare onregelmatigheden van dit leven. Hij weet in alle rust zeker, ook als hij het niet begrijpt, dat wat raadselachtig is, toch rechtvaardig is, en dat wat hard lijkt, ongetwijfeld uit barmhartigheid is bestemd.
Zo eindigt de psalm met een toon die het begin tegenspreekt en het doodsklokje luidt over de onheilige onrust waarmee hij begon. Gelukkig zijn zij die zich zo uit een sombere stemming kunnen zingen naar een toestand vol genade.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
De rechtvaardigen worden in Christus bewaard, op een bijzondere manier en in een eigen veiligheid. In de zevenendertigste psalm wordt dit uitvoerig en uitstekend behandeld, zowel met rechtstreeks bewijs als met antwoorden op alle gebruikelijke bezwaren tegen hun veiligheid. Dat zij bewaard worden, staat vast in Ps. 37:3, 17, 23, 25, 32. De bezwaren die worden beantwoord, zijn talrijk.
Bezwaar 1. Goddeloze mensen bloeien. Oplossing. Een rechtvaardige hoeft daar nooit over te treuren, want “als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen.” Ps. 37:2.
Bezwaar 2. Rechtvaardige mensen zitten in nood. Oplossing — Ps. 37:6. De nacht van hun tegenspoed verandert in het licht van voorspoed. Net zo zeker als ze midden in de nacht kunnen geloven dat het weer dag wordt, mogen ze overtuigd zijn dat er troost en verlossing komen wanneer kruisen op hen drukken.
Bezwaar 3. Maar er worden zware aanslagen tegen de rechtvaardigen beraamd. Ze worden met grote boosaardigheid vervolgd en hun ondergang lijkt bijna een feit. Oplossing — Ps. 37:12-15. De Heere ziet alle plannen van goddeloze mensen en lacht om hun kwaadaardige en dwaze kwaadwilligheid. Terwijl zij druk bezig zijn de rechtvaardigen te vernietigen en hopen een dag tegen hen te winnen, ziet de Heere “dat zijn dag komt”: een dag van verderf, een dag van groot oordeel en eeuwige ellende. Hun boog zal gebroken worden, en het zwaard dat zij hebben getrokken zal in hun eigen hart dringen.
Bezwaar 4. Maar de rechtvaardigen hebben maar weinig middelen. Oplossing — Ps. 37:16-17. “Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen. Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.”
Bezwaar 5. Moeilijke tijden zullen hen waarschijnlijk treffen. Oplossing — Ps. 37:19. “Zij zullen niet beschaamd worden in den kwade tijd, en in de dagen des hongers zullen zij verzadigd worden.”
Bezwaar 6. Maar de goddelozen worden steeds vetter en slagen erin de rechtvaardigen te kwellen. Oplossing — Ps. 37:20. Het klopt, de goddelozen zijn vet, maar het is alleen “het kostelijkste der lammeren”. Hun voorspoed smelt spoedig weg. Zoals ze als rook zijn in het kwellen van de godvruchtigen, zo zijn ze als rook in het verdwijnen.
Bezwaar 7. Maar de rechtvaardigen vallen toch. Oplossing — Ps. 37:24. Ook als hij valt, valt hij niet voorgoed en niet helemaal, want hij “wordt niet weggeworpen”. Bovendien houdt Gods voorzienigheid hem vast bij elke val van de rechtvaardigen.
Bezwaar 8. We zien sommige goddeloze mensen die niet in tegenspoed vallen, maar tot hun sterfdag voorspoed hebben. Oplossing — Ps. 37:28. Ook dan geldt: “het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid.”
Bezwaar 9. Maar sommige goddeloze mensen zijn nog sterk en breiden zich ook uit in hun nageslacht. Oplossing — Ps. 37:35-36. Let erop dat deze “zich uitbreidende laurierbomen” vaak “spoedig voorbijgaan”. Zij en hun huizen worden soms “geheel uitgeroeid”.
Bezwaar 10. Maar oprechte mensen dragen vele en langdurige kruisen. Oplossing — Ps. 37:37. Toch geldt: “het einde van dien man zal vrede zijn.”
Bezwaar 11. Maar niemand staat voor de godvruchtigen op als zij in het nauw komen. Oplossing — Ps. 37:39-40. “Hun heil is van den HEERE”. Hij is hun sterkte, Hij zal hen helpen en bevrijden, enzovoort. Willen we zo bevrijd worden, dan moeten we op het volgende letten:
- We mogen niet ondankbaar mopperen tegen Gods voorzienigheid, Ps. 37:1. 2. We moeten “op den HEERE vertrouwen en het goede doen”, Ps. 37:3. 3. We moeten “ons in den HEERE verlustigen” en ons genoegen niet in aardse dingen zoeken, Ps. 37:4. 4. We moeten “onze wegen op God wentelen”, Ps. 37:5. 5. We moeten geduld en een nederige gezindheid zoeken, Ps. 37:7-11. 6. We moeten oprecht leven, Ps. 37:14. 7. We moeten barmhartig zijn, Ps. 37:25-26. 8. We moeten “rechte dingen spreken” en “de wet in ons hart krijgen”, Ps. 37:30-31. 9. We moeten “onze weg houden”, “op God wachten” en geen slechte middelen gebruiken. — Nicolas Byfield.
Gehele psalm
Deze psalm mag je wel noemen: de sterkedrank van de goede mens in slechte tijden, een heilzame pleister op de pest van ontevredenheid, of een uitgelezen tegengif tegen het gif van ongeduld. — Nathaniel Hardy, in een lijkpreek, 1649.
Gehele psalm
Door zijn opbouw doet deze psalm sterk denken aan de korte, krachtige spreuken uit het boek Spreuken. Er staat geen gebed in en ook geen directe verwijzing naar Davids eigen vervolging of nood. Het is eerder de stem van gezonde, praktische wijsheid en godsvrucht, uit de mond van ervaring en ouderdom. We kunnen ons voorstellen dat een oudste van de gemeente of een gezinshoofd zo spreekt, zittend met zijn gezin om zich heen, dat luistert naar zijn ernstige en liefdevolle vermaningen. — Barton Bouchier.
Gehele psalm
Deze psalm is een van de alfabetische psalmen. Tertullianus noemt hem “Providentiae speculum”, Isidorus “Potio contra murmur”, en Luther “Vestis piorum”. — Christopher Wordsworth.
Vers 1
Erger je niet, of ontvlam niet. Brand jezelf niet op door toorn of verdriet. — John Diodati.
Vers 1
Benijd hen niet, enzovoort. Koningin Elizabeth benijdde de melkmeid toen zij zelf in de gevangenis zat. Had zij geweten welk een roemrijke regering zij daarna nog vierenveertig jaar zou hebben, dan had ze haar niet benijd. Zo hoeft ook een godvrezend mens, al zit hij in ellende, een goddeloos mens niet te benijden in de bloei van al zijn voorspoed en vrolijkheid, als hij bedenkt wat hij in handen heeft, en nog meer wat hij in hoop heeft. — John Trapp.
Vers 1
Zou je het geen dwaasheid vinden als iemand die erfgenaam is van vele duizenden per jaar een toneelspeler benijdt die als een koning is gekleed, maar geen erfgenaam is van één voet land? Hij heeft wel de gestalte, de eer en de kleding van een koning of edelman, maar is op datzelfde ogenblik een echte bedelaar en niets waard. Zo is het ook met goddeloze mensen. Ze zijn schitterend gekleed en leven heerlijk, missen niets en hebben meer dan hun hart kan wensen. Toch zijn ze alleen bezitters. De godvruchtige christen is de erfgenaam. Wat heeft al hun voorspoed hun te bieden? Hij versnelt alleen hun ondergang, en dus niet hun beloning. De os die op het land werkt, leeft langer dan de os in de weide. Door hem daar te zetten, komt zijn slacht alleen maar dichterbij. En als God goddeloze mensen in vette weiden zet, op plaatsen van eer en macht, is het alleen om hun ondergang te bespoedigen. Laat daarom niemand zich opwinden over boosdoeners, of afgunstig zijn op de voorspoed van de goddelozen. Want de kaars van de goddelozen zal in eeuwige duisternis worden gezet. Zij worden spoedig afgesneden en verdorren als groen kruid. — Ludovic de Carbone, aangehaald door John Spencer.
Vers 2
Als gras zullen zij haast worden afgesneden (Engels: neergemaaid): met een zeis, en dan nog in één enkele slag. — Thomas Wilcocks.
Vers 2
Afvallen (Engels: verdorren). Wat een bitter woord! Wie het hoort, die zal het niet snel vergeten: de oren gaan hem ervan tuiten. Wat een onverdraaglijk vonnis: zondaars worden van alles wat goed is beroofd en in alle ellende gestort. De Heere vervloekte eens een vijgenboom, en meteen verdorde niet alleen het loof, maar ook de stam en de wortel helemaal. Zo krachtig zal ook die vreselijke vloek van de laatste dag zijn. Op wie hij ook valt, die verschroeit hij zo en snijdt hij zo af van Gods genade, dat zij nooit meer iets goeds kunnen doen, zeggen, denken of hopen. — Thomas Tymme.
Vers 2
De groene grasscheutjes. Geen boom geeft ons rijpere vruchten van geduld dan de lage struiken van het korte mensenleven. Want als die vreetzieke kanker van afgunst op de voorspoed van de goddelozen je gemoed heeft overwoekerd, een kwaal waartegen zelfs heiligen geen schuilplaats hebben, haal dan uit deze apotheek een tegengif, een middel dat echt werkt. Of je tijd is te kort om het nog te zien, of de hunne is te kort om ervan te genieten. “Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen”, Ps. 73:18. “In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf”, Job 21:13. Als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen. — Edmund Layfield, in zijn preek “The Mappe of Man’s Mortality and Vanity”, 1630.
Vers 2
Soms verdorren de goddelozen als groen kruid in hun lente. Ze vallen als ze net opkomen en gaan ten onder bij de start van hun kwaadaardige plannen. Maar bereiken ze wel hun volle wasdom en worden ze groot, dan groeien ze alleen toe naar de oogst, het geschikte moment om afgesneden te worden. — Robert Mossom.
Vers 3
Let goed op het dubbele gebod: vertrouw én doe. Zo hoort het, en zo is de goede volgorde: die twee gaan samen. Het één brengt voort, het ander bewijst. De belofte geldt voor allebei. — C.H.S.
Vers 3
“Bewoon de aarde” (Engels: “zo zult gij in het land wonen”), enz. Je krijgt een plek om te wonen, een rustige plek, en je krijgt je onderhoud, een goed onderhoud. “Voed u met getrouwigheid” (Engels: “waarlijk, gij zult gevoed worden”). Sommige vertalers lezen: je zult door het geloof gevoed worden. Van de rechtvaardigen wordt immers gezegd dat zij door het geloof leven, en het is goed leven, goed eten, van de beloften. Ja, je zult gevoed worden, zoals Elia in de hongersnood, met wat je nodig hebt. God Zelf is een herder, een voeder voor allen die op Hem vertrouwen, Ps. 23:1. — Matthew Henry.
Vers 3
“Bewoon de aarde” (Engels: “zo zult gij in het land wonen”), enz. Het land Kanaän gold als het toppunt van aards geluk en als beeld van het hemelse geluk. Verzorgd worden in het land van de HEERE, ons dagelijks brood daar ontvangen, daar wonen onder Zijn bescherming, vlak bij Zijn verordeningen en te midden van Zijn volk: meer kon een oprechte Israëliet niet wensen. — Thomas Scott (1744-1821) bij deze plaats.
Vers 3
“Voed u” (Engels: “gij zult gevoed worden”). Een uitdrukking die is ontleend aan vee dat veilig graast, onder de leiding en hoede van een goede herder. — Henry Ainsworth.
Vers 3
“Voed u” (Engels: “gij zult gevoed worden”). Gevoed in overvloed. — Thomas Secker (aartsbisschop), 1768.
Vers 3
Gevoed, en dat in veiligheid. — John Parkhurst.
Vers 4
Let op jouw deel en op Gods deel. Vind jij je vreugde in Hem, dan zal Hij geven. — C.H.S.
Vers 4
Wat ademen deze woorden veel genade en liefde: “Verlustig u in den HEERE!” Eerder werd ons aangeraden op Hem te vertrouwen. Nu dit erbij komt, is toch duidelijk dat het om jouw gemak en jouw rust te doen is! Past het om zoveel goedheid achteloos te ontvangen? En Hij vindt Zelf vermaak in jou. Ik zeg dit tegen mensen van wie dat mag worden aangenomen. Het wordt trouwens zonder beperking gezegd: “Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen”, Spr. 8:31. Bedenk wie Hij is en wie jij bent. Sta verbaasd, en geef je over. Waar vind je anders vermaak? Welk ding kun je noemen dat de plaats van God kan innemen, of dat voor jou in Zijn plaats kan staan? En wie zou zich in Hem moeten verlustigen, als jullie het niet doen: Zijn vrienden, Zijn zonen, mensen uit Zijn eigen huis?
Bedenk ook hoeveel leven en kracht het je zal geven, en dat “de blijdschap des HEEREN, die is uw sterkte”, Neh. 8:11. Hoe opgewekt zet je dan je weg voort, en hoe gemakkelijk doe je alle andere taken van je leven nu! Je moet Hem toch dienen. Durf je eraan te denken Zijn juk af te werpen? Hoe wenselijk is het dan om vermaak te vinden in Hem Die ik moet dienen! Alleen dat maakt mijn dienst aangenaam voor Hem en licht voor mijzelf. Verder is dit een vreugde die niemand je kan afnemen. Andere dingen waar je plezier in hebt, verdwijnen dag na dag. Mensen noch duivels, geen van beide, kunnen je ooit beletten je in God te verlustigen, als je hart er maar toe geneigd is.
Ben je nooit zover gekomen dat je plezier vond in iemand of iets waar je eerst een afkeer van had? Iemand die je onrecht had aangedaan, kon je later misschien toch voor zich winnen met zijn vriendelijkheid. Noem me dan één reden waarom jij je tegenover de gezegende God moeilijker zou opstellen. Hij heeft je nooit onrecht gedaan, en Zijn weg met jou liet steeds zoveel goede wil zien! Bedenk ook dat je leven op aarde je blootstelt aan veel lijden en moeite. Als je je niet in Hem verlustigt, ontkom je daar nooit zeker aan, want het zijn dingen die alle mensen overkomen. Verlustig je je wel in Hem, dan kun je ze gemakkelijk dragen. En denk ook ernstig aan dit, en leg het niet terzijde: je moet sterven. Dat kun je op geen enkele manier ontlopen. Hoe draaglijk en hoe prettig zal het dan zijn om te denken aan het gaan naar Hem, met Wie je al eerder in zalige gemeenschap hebt geleefd! En hoe vreselijk om te verschijnen voor Hem aan Wie je eigen hart je zal aanklagen dat je een afkerige vreemdeling bent geweest, ondanks al Zijn aandringen en lokken! — John Howe, in zijn “Treatise of Delight in God”.
Vers 4
In het vorige deel hebben we de woorden “Verlustig u in den HEERE” ruimer opgevat dan ze op het eerste gezicht lijken te betekenen. We verstaan ze niet alleen als een oproep tot die ene daad van vreugde, die rechtstreeks op God Zelf gericht is. We begrijpen ze als de hele som van elke heilige en godsdienstige omgang met God, voor zover die verrukkelijk is, of doortrokken van vreugde (als het ware overal mee besprenkeld). Om dezelfde reden vatten we er ook al ons andere doen en laten onder, voor zover de godsdienst daar invloed op heeft. Ik twijfel er niet aan dat wie goed heeft nagedacht over wat er gezegd is, deze ruime opvatting heel redelijk zal vinden. Ook de letter van de tekst zelf laat haar heel goed toe, zoals we ter verdere rechtvaardiging kunnen aanvoeren.
Want het woordje dat wij vertalen met “in” (in den HEERE) heeft niet alleen die betekenis. Het kan ook betekenen: met, door, naast, voor, of in aanwezigheid van. Het is alsof er staat: “Kom en ga zitten bij God, trek je terug bij Hem, en vind je vermaak in de genoegens die er zijn in Zijn nabijheid en omgang, in het wandelen met Hem, en in het afleggen van je weg als voor Hem en onder Zijn ogen.” Zo kun je bijvoorbeeld van iemand zeggen dat hij zich vermaakt met een vriend die onder zijn dak komt. Behalve het persoonlijke gesprek met die vriend geniet hij ruimschoots van al het onthaal, het gerief en de voorraad die hij graag met hem deelt. En hij heeft de voldoening die een bezadigd mens vindt in het zien van de regels en de orde van een goed bestuurd huis. — John Howe.
Vers 4
“Zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.” Het zal je gaan zoals je zelf wilt, zo vriendelijk is Hij. Van Luther wordt gezegd dat hij van de almachtige God kon krijgen wat hij wilde. Wat kan een gunsteling, een lieveling aan het hof, die de koninklijke zorg van zijn vorst geniet, niet van hem gedaan krijgen? — John Trapp.
Vers 4
“De begeerten uws harten.” Alle verlangens van dit geestelijke zaad zijn van de aard van dit zaad: ze zijn wezenlijk, en ze zullen iets wezenlijks ontmoeten. Alle verlangens van de natuurlijke mens, ook die naar God, naar Christus en naar gerechtigheid, zullen met hem verbranden en vergaan. Ze zijn immers niet de waarheid zelf, ze komen niet uit de waarheid en ze kunnen de waarheid niet bereiken. Maar alle verlangens van deze geest zullen leven met de Geest van God, in rust en voldoening voor eeuwig. — John Pennington, 1656.
Vers 4
Wat God begeert en wat de rechtvaardigen begeren, valt samen. Ze zijn eensgezind in hun verlangen. — John Bunyan.
Vers 5
“Wentel uw weg op den HEERE”, enz. Soms dragen we zelf de last van onze zaken, en worden we geplaagd door zorgen en tegenslag, en door afgunst op goddelozen die het beter doen dan wij. Dan is het beste middel om eerst onze plicht te doen, zo goed we kunnen met de middelen die we hebben. Daarna leggen we de zorg voor de afloop bij God neer, zoals de boer doet wanneer hij zijn land geëgd heeft. Laat de last op God rusten en neem hem niet weer van Hem terug. Breng liever ons gemoed tot rust, vastbesloten de oogst goed te aanvaarden zoals Hij die zal sturen. — David Dickson.
Vers 5
De Vulgaat geeft “Wentel uw weg op den HEERE” weer als Revela viam Domino: openbaar uw weg. Sint Ambrosius verstond dat als het openbaren van onze zonden aan God. Het is inderdaad onmogelijk ze toe te dekken, want Hij ziet alles, dus waarom zouden we onze zonden niet bekennen? Verberg niet wat God allang weet en wat Hij je graag zelf wil laten vertellen. Het is een heel slecht ambt om de secretaris van de duivel te zijn. O, verbreek je verbond met Satan door zijn geheimen, jouw zonden, aan God te openbaren. — Nathaniel Hardy.
Vers 5
“Wentel uw weg op.” Kantlijn en Hebreeuws: “Rol uw weg op”, zoals iemand een last die hij zelf niet kan dragen op de schouder legt van iemand die sterker is dan hij. — William De Burgh, D.D., in “A Commentary on the Book of Psalms. Dublin:” 1860.
Vers 5
Let ook hier weer op het dubbele: wentel én vertrouw. — C.H.S.
Vers 5
“Hij zal het maken.” Stel dat een moeilijk werkstuk wordt toevertrouwd aan een leerjongen, als eerste proef van zijn kunnen. Dan zijn de omstanders terecht bang dat zijn jonge, onervaren hand er niets van terechtbrengt. Maar is de werker een oude meester in het vak, dan is niemand bang. Zijn bekwame hand kan opnieuw doen wat ze zo vaak tot tevredenheid van alle omstanders heeft gedaan. Was onze God een beginneling in de grote kunst om de wereld te regeren, en de kerk daarbinnen, en had Hij tot nu toe nooit enig bewijs gegeven van Zijn oneindige wijsheid, macht en goedheid, door de verschrikkelijkste gebeurtenissen te laten uitlopen op heil en vreugde voor Zijn heiligen, dan zouden we inderdaad ontzet kunnen zijn telkens als we wegzinken in gevaren waarin de streken van onze vijanden ons vaak tot over de oren storten.
Maar de Heere heeft in het verleden zoveel bewijzen gegeven van Zijn onbetwiste vakkennis en van Zijn volkomen zekere wil om alle menselijke zaken te sturen, tot Zijn eigen eer en tot het werkelijke goed van allen die Hem liefhebben. Het zou dan van ons een goddeloze en onvergeeflijke liefdeloosheid zijn om het einde te wantrouwen van elk werk dat Hij begonnen is. — Robert Baylie, in zijn preek voor het Lagerhuis, 1643.
Verzen 5, 7
Beveel aan God uw wegen, En al uw lief en leed;
Hem, Die de hemelkringen En d’ aardse paden meet.
Hij Die de sterren richt, De winden en de storm,
Die alle dingen leidt Naar Zijn volmaakte norm.
Al zou de macht der hel zich Verbinden in verzet,
Zij breekt van Zijn besluiten geen enkel woord of wet.
Wat God in Zijn beraad van eeuwigheid besloot,
Blijft eeuwig vast en goed, hoe groot de helse nood.
Laat moedeloosheid varen, O ziel, door smart verslagen,
Al dreigen woeste golven u ook weg te vagen.
Uw Vader is nabij, Blijf lijdzaam in de hoop;
Uw vreugde is gewis na d’ angstige levensloop.
Weg met dat ongelovig, dat bitter, dwars gemor;
Leen aan de twijfelzucht niet langer meer uw oor.
De HEERE zit als Koning op Zijn verheven troon;
Zijn hoog en eeuwig plan Gaat door geen macht teloor.
Vertrouw met vast geloof op uw almachtig Heer,
Dan ziet u spoedig Zijn verlossing en Zijn eer.
Eens ziet u helder in de reden van uw smart:
Waarom de weg naar ‘t heil zo zwaar viel voor uw hart.
Sla dan uw ogen op naar ‘t hemels, heilig licht,
Waar God, op Wie u hoopt, Zijn liefde op u richt.
Hij geeft de zegepalm aan elk die overwint,
Waar eeuwig ‘t heilig loflied van alle verlosten klinkt!
— Paul Gerhard (1606-1676), vertaald door Frances Elizabeth Cox, in “Hymns from the German”, 1864.
Vers 6
“En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht”, enz. Word je beschuldigd van kwade plannen, laat je dan ook daardoor niet verontrusten. Je goede naam kan een tijd lang verduisterd worden door laster en valse beschuldigingen, zoals de zon door nevel en wolken. Maar zoals de zon die uiteindelijk allemaal verdrijft, zo zal ook jouw oprechtheid tevoorschijn komen en even helder schijnen als de zon op het middaguur. — Symon Patrick.
Vers 7
“Zwijg den HEERE, en verbeid Hem.” In het oorspronkelijke staan twee woorden die zowel het voorrecht als de plicht uitdrukken om op Christus te rusten. Het eerste woord duidt een staat van berusting aan waarin het geschreeuw van het geweten verstomt en de onrust van de geest bedaart. Het tweede woord betekent de verkwikking en rust van een vermoeide pelgrim die aan het eind van zijn reis aankomt en voor het leven een veilige, gerieflijke en ruime woning krijgt. — James Hervey.
Vers 7
“Zwijg den HEERE, en verbeid Hem.” Stel je iemand voor die met een zware last boven zijn krachten over een steil en hobbelig pad heeft gezwoegd. Dan merkt hij ineens dat de last van hem wordt afgenomen en overgedragen aan een ander, van wie hij weet dat die ruim sterk genoeg is voor de taak, en op wiens medegevoel hij veilig kan rekenen. Wat zal hij anders voelen dan volmaakte rust, kalm vertrouwen en blije vrijheid, terwijl ze samen verdergaan? Dat is het geluk van het wentelen van onze zorg op de Heere. In onze zwakheid rusten we op een hogere kracht, in verlegenheid en twijfel op een hogere wijsheid. In alle tijden van beproeving en zwaar werk mogen we leunen op de zekerheid van Zijn volmaakte medegevoel.
Het woord dat hier met rust is vertaald, betekent letterlijk: wees stil voor den HEERE. Met je blik op Hem gericht laat je alle ongelovige gedachten tot bedaren komen. Zulke gedachten steken de kop op en woekeren in een klagende geest, wanneer die alleen haar moeilijkheden ziet en God er niet in, en de nevels van de aarde de eeuwige sterren van de hemel voor haar ogen verbergen. Dan kan ze, zoals Jakob, somber zeggen: “Al deze dingen zijn tegen mij.” Of, zoals Elia, moedeloos: “Het is genoeg; neem nu, HEERE, mijn ziel.” Of, zoals Jona, knorrig: “Billijk is mijn toorn ontstoken.” Bij al zulke donkere, ongelovige ingevingen moet het hart zwijgen, stil zijn en weten dat Hij God is. Zwijgen over het morren, maar niet zwijgen in het gebed. In die heilige, peinzende stilte keert het hart zich juist om met Hem te spreken.
Wat is dat “rusten in God” eigenlijk anders dan de natuurlijke beweging en opwaartse blik van de geest naar Hem toe? Je legt al je smarten en angsten bij Hem neer, en voelt je daarbij sterker, geduldiger en vol hoop! Dat houdt in dat we bereid zijn Hem voor ons te laten kiezen, en dat we overtuigd zijn dat het regelen van alles wat ons aangaat veiliger is in Zijn handen dan in de onze.
Enkele praktische opmerkingen. 1. Ons “rustig wachten” op de Heere gaat alleen over de beproevingen die Hij Zelf zendt. Het gaat niet over de moeilijkheden die zelfs christenen zichzelf vaak op de hals halen. Er is verschil tussen lasten die op de weg van de plicht op ons afkomen en lasten die ontstaan doordat we op andere wegen verdwalen. De eerste kunnen we op de Heere werpen. Bij de tweede kan het onze straf zijn dat we ze lang moeten dragen en er zelfs door gekneusd raken.
- De plicht die hier wordt opgelegd, geldt voor ons héle leven. We geven allemaal toe dat geduldig wachten nodig is bij de grote beproevingen. Maar we zien minder snel dat het net zo nodig is bij kleine, dagelijkse ergernissen die elke dag weer terugkomen. Toch zijn ook die een toets voor ons geloof, precies zoals de grote.
- Dit rusten in God zegt iets over iemands geestelijke toestand. Er is een bijzonder inzicht voor nodig, een nieuw gevoel dat in de ziel geopend moet worden, voordat onze gevallen natuur het kan begrijpen of er zelfs maar naar kan verlangen. — James D. Burns, M.A.
Vers 7 (eerste zinsdeel)
“Houd u stil”, zo kunnen we het ook vertalen. Dit is het moeilijkste gebod dat een mens ooit gekregen heeft. Zelfs het zwaarste gebod om iets te doen stelt niets voor naast deze opdracht om niets te doen. — Hiëronymus.
Vers 7 (eerste zinsdeel)
Het Hebreeuwse woord dat hier met “stil” vertaald is, is (owr), dom. Het Engelse woord dumb (stom) lijkt daarvan afgeleid te zijn. De stilte die hier gevraagd wordt, is het tegenovergestelde van morren en klagen. — James Anderson, in Calvijns Commentaar.
Vers 7
Let ook hier weer op het tweetal plichten: rust en wacht.
Vers 7
Die listige aanslagen uitvoert. Zet dit eens naast Gods “het maken” in vers 5. Het verdriet komt doordat de goddelozen hun doel lijken te bereiken. De troost is dat ook wíj ons doel zullen bereiken, en wel op de allerbeste manier: door God Zelf. — C.H.S.
Vers 8
Verlaat de grimmigheid. Grimmigheid is toorn die tot een hogere graad is opgevoerd. Die moeten we des te meer mijden en ontlopen, omdat ze helemaal niet past bij het karakter van een goed mens. “Ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.” Je kunt kwaad doen door te ontbranden over de voorspoed van goddeloze mensen. Je kunt ook kwaad doen door hen na te volgen en te doen wat zij doen, in de hoop net zo voorspoedig te worden als zij. — John Gill.
Vers 9
“Zij zullen de aarde erfelijk bezitten.” De dichter bedoelt dat zij zo zullen leven dat Gods zegen hen volgt, zelfs tot in het graf. — Johannes Calvijn.
Vers 10
“Gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.” Dat wil zeggen: hij wordt met wortel en tak uitgerukt. — Arthur Jackson.
Vers 10
“Gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen” (Engels: “zijn plaats … zal er niet zijn”). Zelfs het land waar hij thuis was, en waarop hij een onaantastbaar recht had, is niet langer zijn plaats. Het is in andere handen overgegaan. Niets van alles wat hij op aarde had, is nog van hem. Hij is zo arm als de ellendigste bedelaar die van aalmoezen moest leven. — William S. Plumer.
Vers 10
De pauw is een prachtige vogel. Hij geniet ervan als hij de sierlijke waaier ziet die zijn mooie staartveren vormen. Hij gaat zitten en bekijkt elk deel ervan. Maar zodra hij naar zijn poten kijkt, die hij zwart en lelijk vindt, laat hij met groot misnoegen zijn pronkveren zakken en lijkt hij te treuren.
Zo gaat het met velen, dat weten ze uit eigen ervaring. Als ze zichzelf zien baden in rijkdom en eer, gaan ze zich beroemen en worden ze erg ingenomen met zichzelf. Ze prijzen hun geluk en bewonderen zichzelf. Ze smeden plannen en nemen zich voor om in de jaren die komen nog veel te bereiken. Dit jaar, zeggen ze, nemen we dit ambt op ons, en volgend jaar dat. Daarna krijgen we het bestuur over die en die provincie. Dan bouwen we een paleis in die en die stad, met lusthoven erbij en wijngaarden. Zo maken ze van tevoren een heel ruime rekening.
Maar als ze maar één keer naar hun voeten keken! Als ze maar eens dachten aan de korte duur van hun leven, zo vluchtig en wisselvallig! Hoe snel zouden ze dan hun trotse veren laten vallen. Ze zouden hun hoogmoed opgeven en hun plannen, hun gedachten, hun leven en hun manier van doen veranderen. — Thomas Tymme.
Vers 11
“De zachtmoedigen … zullen de aarde erfelijk bezitten.” Intussen bezitten zij, en alleen zij, de aarde van nu, terwijl ze op weg zijn naar het koninkrijk der hemelen. Dat komt doordat ze nederig en opgewekt zijn en tevreden met wat hun goede God hun heeft toegewezen. Ze hebben geen onrustige, morrende, kwellende gedachten dat ze beter verdienen. Ze ergeren zich ook niet als ze anderen meer eer of rijkdom zien bezitten dan hun wijze God hun als deel heeft gegeven. Ze bezitten wat ze hebben in zachtmoedige, tevreden rust. Het is een rust die zelfs hun dromen aangenaam maakt, voor God en voor henzelf. — Isaak Walton (1593-1683), in “The Complete Angler”.
Vers 11
De zachtmoedigen. “Wat is uw Liefste meer dan een ander liefste?” Dat wordt tegen de bruid gezegd. Zo kunnen we ook vragen: wat is zachtmoedigheid meer dan andere deugden? We kunnen zeggen dat hier een synecdoche speciei staat: één bijzondere deugd genomen voor het geheel, één deugd voor alle andere. Of het gevolg wordt genoemd in plaats van de oorzaak, want zachtmoedigheid is een van de voornaamste en belangrijkste onderdelen van de heiligheid.
Maar als ik een gissing mag wagen: in deze belofte lijkt de Heilige Geest tegelijk de toestand van de gemeente te laten zien en haar te troosten. Zij wordt van alle kanten hard bestookt en heeft deze deugd daarom meer nodig dan enige andere. Daarom stemt de Geest de beloning af op de deugd. Zo koestert Hij die deugd in ons en verheft Hij haar, met de belofte van iets wat al onze verwachtingen te boven gaat: de erfenis van de aarde.
En wat is eigenlijk een passender beloning voor zachtmoedigheid? Wat is gepaster en rechtvaardiger dan dit? Er zijn mensen die het aambeeld zijn geweest waarop het onrecht insloeg, viri perpessitii, zoals Seneca over Socrates zegt, mannen van groot verdragen. Ze lieten niet alleen hun bezittingen door onderdrukking en onrecht van zich afrukken, maar ook hun goede naam verwonden door het scherpe scheermes van de achterklap. Ze doorstonden de schok van alles spectantibus similes, met het geduld van een toeschouwer. Zij worden nu opgericht en getroost met de belofte van wat hun zachtmoedigheid aan de plundering prijsgaf. En door Gods voorzienigheid, die er vermaak in schept de gang van de wereld te dwarsbomen, worden zij erfgenamen van juist die bezittingen die de hand van het geweld hun ontrukt heeft. — Anthony Farindon, B.D., 1596-1658.
Vers 11
Niet de heetgebakerde, bedrijvige geesten die zich voor de wereld uitsloven zullen haar krijgen, maar de zachtmoedigen. Zij worden van hoek naar hoek gejaagd en mogen bijna nergens rustig blijven. Juist déze aarde, waarvan zij het meest beroofd lijken, zullen zij alleen hebben en genieten. Als de Heere haar de moeite waard gemaakt heeft om te bezitten, zal niemand haar hebben behalve zij. “Zij zullen de aarde erfelijk bezitten.” “De aarde is des HEEREN”; dit zijn de kinderen van de HEERE, en zij zullen deze aarde erven. Zodra de Heere haar in Zijn eigen bezit en genot neemt, volgen zij Hem op in het bezit en genot ervan. Het is hun recht, en het gaat als recht op hen over, als erfenis. Het is het recht van de HEERE, en het gaat door de Heere op hen over als hun recht.
Ze kunnen haar nog niet hebben, want de Heere heeft haar nog niet. Maar wanneer de Heere haar heeft, gaat ze rechtmatig op hen over. Deze vervloekte aarde zullen ze nooit krijgen. Maar als ze in de handen van de HEERE is genomen en door de HEERE is gezegend, dan zal ze van hen zijn. Dan wordt ze geërfd door de kinderen van de zegen. — John Pennington.
Vers 11
“En zich verlustigen over groten vrede.” Wanneer de heerlijkheid van de HEERE de aarde bedekt, alle koninkrijken van deze wereld de koninkrijken van de Vorst des Vredes zijn geworden en de boze is uitgeroeid, dan mogen we zeker vrede in rijke overvloed verwachten. — W. Wilson.
Verzen 12-13
Merk op hoe het gebaar van de goddelozen, het knarsetanden, hun wordt teruggegeven in het smalende lachen van de HEERE om hun plannen. Ook hun complotten worden ondermijnd door het einde van alle complotten, dat de Heere kent, ook al willen zij daar met opzet niets van weten. — C.H.S.
Vers 13
“De Heere belacht hem”, enz. De dichter lijkt heel kil voor onze troost in het verdriet te zorgen, want hij stelt God voor als Iemand Die alleen maar lacht. Maar als God onze redding zo hoog waardeert, waarom zet Hij Zich dan niet in om de woede van onze vijanden tegen te houden en hun krachtig weerstand te bieden?
We weten dat dit, zoals al gezegd is bij Psalm 2:4, een passende beproeving van ons geduld is: God treedt niet meteen op, gewapend om de goddelozen te verslaan, maar knijpt een tijd lang een oogje dicht en houdt Zijn hand in. Ons vlees zou immers nog steeds gaan morren en klagen, en willen weten waarom God de goddelozen alleen maar uitlacht en hun niet liever Zijn straf laat voelen. Daarom wordt de reden erbij gegeven: Hij ziet dat de dag van hun ondergang nabij is. “Want Hij ziet, dat zijn dag komt.” — Johannes Calvijn.
Vers 13
“Want Hij ziet, dat zijn dag komt.” Hij lacht om zulke arme wormen, die zich zo groot maken op de aarde en zo hooghartig doen in hun onmacht, terwijl het toch zo snel met hen gedaan zal zijn. — Berleburger Bijbel, aangehaald door E.W. Hengstenberg.
Vers 13
“Want Hij ziet, dat zijn dag komt.” Zijn sombere dag, de dag van zijn dood, die ook de dag van zijn oordeel zal zijn. — John Trapp.
Verzen 14-15
De tong is een zwaard en een boog die haar pijlen afschiet, bittere woorden zelfs, tegen de nederigen en oprechten, tegen Jezus en Zijn discipelen. Maar dit zijn niet de enige wapens die tegen hen getrokken zijn. Iedereen weet hoe de boosaardigheid van de Joden op hun eigen hoofd terugviel, al nemen weinigen het ter harte en zien het als een voorbeeld dat ons wordt voorgehouden. — George Horne.
Verzen 14-15
Hoe dichter de goddelozen erbij zijn om het volk van de HEERE kwaad te doen, hoe dichter het onheil bij hén is. — David Dickson.
Vers 16
“Het weinige, dat de rechtvaardige heeft”, enz. Dat is beter, en wel om deze redenen:
- De goddelozen verrijken zich vaak met oneerlijke middelen en hebben daar veel kwelling en moeite van. Zo stapelen ze bovendien toorn voor zichzelf op, voor de dag van de toorn. De rechtvaardigen hebben met hun weinige, eerlijk verkregen bezit juist veel gemoedsrust, met daarbij de hoop op de hemel.
- De rechtvaardigen gebruiken hun bezit goed en worden er beter van. De goddelozen misbruiken het hunne op allerlei manieren en worden er in veel opzichten slechter van.
- De rechtvaardigen ontvangen wat ze hebben van dag tot dag als gaven van God en als onderpanden van Zijn vaderlijke liefde en zorg voor hen. Zo is het voor hen als manna uit de hemel. Daardoor genieten ze veel zoete troost en zijn ze volkomen tevreden met wat ze hebben. De goddelozen kennen niets van deze vreugde of tevredenheid in hun rijkdom.
- God zorgt door Zijn zegen er meestal voor dat wat de rechtvaardigen hebben meer goed voor hen doet dan de overvloed van de goddelozen. Wat eenvoudig eten maakt hen gezonder en sterker dan de goddelozen met al hun overvloed.
- De goddeloze geniet zijn rijkdom niet lang, de rechtvaardige wel. En dit past inderdaad het best bij de woorden die nu volgen. — Arthur Jackson.
Vers 16
Wie Christus niet kent, mag de uiterlijke weldaden gebruiken, maar je kunt eigenlijk niet zeggen dat hij er ook van geniet. Hij lijkt er de baas over te zijn, maar in werkelijkheid is hij er de dienaar van. Voor de buitenwereld is hij bezitter, maar in zijn hart is hij slaaf. Hij dient zijn bezit terwijl hij er schijnbaar over beschikt. Bij hem is het niet dominari, maar servire: hij heeft er niet de heerschappij over, maar is eraan verslaafd.
Zijn gebruik is ook niet echt troostrijk. Hij kan zich troost inbeelden, maar zijn troost is slechts verbeelding. Ze komt uit een andere bron dan er op aarde te graven valt. Ware, degelijke troost is alleen het deel van wie de gerechtigheid van Christus als hun deel hebben. Zij mogen elk tijdelijk genot zien als een teken van eeuwige liefde, als een onderpand en voorschot van eeuwige heerlijkheid. Dat mogen ze, omdat ze het mogen ontvangen als de aankoop van het bloed en de gerechtigheid van Christus. Ja, hier is de bron van troost, de fontein van die troost die beter is dan het leven.
O, wat een troost is het om in elk genot de zoetheid van Christus’ liefde te proeven! Als we kunnen zeggen: “Christus heeft mij liefgehad en Zichzelf voor mij overgegeven, opdat ik deze zegeningen zou genieten”, o, wat verhoogt dat de waarde van elke gewone weldaad! De gerechtigheid van Christus, die volbracht is, het hoogste bewijs van Zijn liefde, heeft dit voor mij gekocht! Op die grond is waar wat de psalmist zegt: “Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.” Wie alleen voedsel en kleding heeft, heeft in dit opzicht meer dan wie het Turkse rijk bezit of het goud van Indië. Hij heeft in zijn weinige meer reden tot troost dan zij in al het hunne. — David Clarkson.
Vers 16
Ook al was je bezit klein, het zou toch met liefde geurig zijn. Dat klontje suiker in je beker zou de drank zoet maken, hoe klein ook. Het water dat van de heuvels van sommige Molukse eilanden stroomt, smaakt naar de kaneel en de kruidnagel die daar groeien. Zo zou ook je gave, al was het maar water, smaken naar de goede wil en de bijzondere genade van de Gever. Je weinige, met de vreze des HEEREN, zou beter zijn dan de rijkdom van vele goddeloze mensen.
Een klein ringetje met een zeer kostbare diamant erin is veel meer waard dan veel grote ringen zonder diamant. Zo zou ook je bezit, al was het maar een penning, verbonden zijn met het kostbare juweel van die liefde die beter is dan het leven. Je zou het genieten op grond van een bijzondere belofte, en daardoor is het oneindig veel meer waard dan de duizenden en miljoenen van anderen. Die zijn alleen uit algemene mildheid geschonken en worden alleen door een algemene voorzienigheid genoten. — George Swinnock.
Vers 16
Een goddeloos mens kan zijn lichaam niet met lucht vullen en zijn kist niet met genade. Net zo min kan hij zijn hart vullen met rijkdom. Het gaat hem als met een schip. Zo’n schip kan zó zwaar beladen zijn met zilver en goud dat het bijna zinkt, en toch heeft het binnenin nog ruimte voor tienmaal zoveel. Zo is het ook met een vrek. Hij heeft genoeg om onder te zinken, maar nooit genoeg om tevreden te zijn.
Daarom is de conclusie van de psalmist zo opvallend: het weinige dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed van veel goddelozen. Hij zegt er niet bij hoeveel goddelozen. Want denk maar aan zoveel als je wilt, aan álle goddelozen zelfs: het weinige van de rechtvaardige is in heel veel opzichten beter dan al hun schatten bij elkaar. De koning van Spanje was verreweg de machtigste vorst van de christenheid. Zijn rijk was zo groot dat hij met recht kon zeggen dat de zon nooit onderging boven zijn land. Toch koos hij als wapenspreuk: Totus non sufficit orbis, ‘De hele wereld is niet genoeg’. God zegt ons door Salomo: “In het huis des rechtvaardigen is een grote schat”, Spr. 15:6. En dat terwijl er in zo’n huis vaak nauwelijks een goed bed is om op te liggen of een stoel om op te zitten.
Er komt zeker een tijd dat de rijkste goddelozen die ooit geleefd hebben, glashelder zullen zien dat hun schuld veel kleiner was geweest, en hun lot in alle eeuwigheid minder ellendig, als ze zo arm waren geweest dat ze hun hele leven van deur tot deur om brood hadden moeten bedelen.
Met de zegeningen van dit leven is het als met geparfumeerde handschoenen. Als ze rijkelijk met parfum zijn ingewreven, is de geur veel kostbaarder dan het leer waarvan ze zijn gemaakt. Zo maken niet de aardse zegeningen op zichzelf ons werkelijk rijk. Het is de zoete liefde van God in Christus waarmee ze doordrenkt zijn, en die maakt ze tot echte zegeningen die hun naam waard zijn. Alle zegeningen van wie de keuze van Maria hebben gemaakt, zijn zo doortrokken van geur: al het gerstebrood dat ze eten, hoe grof ook; alle kleren die ze dragen, hoe armoedig ook; en al het andere wat ze in dit leven ontvangen. Het komt allemaal voort uit dezelfde zoete liefde van God, waardoor Hij bewogen werd Jezus Christus aan hen te schenken tot hun redding. Rom. 8:32. — John Glascock, uit de preek “Mary’s Choice”, 1659.
Verzen 16-17
Een beetje met een zegen is beter dan een heleboel met een vloek. Een beetje met een zegen is beter dan een hele wereld vol genot. Een pond met een zegen is beter dan duizend onder een vloek. Een zwarte korst met een zegen is beter dan een feestmaal onder een vloek. De nalezing met een zegen is beter dan de hele oogst onder een vloek. Een druppel barmhartigheid met een zegen is beter dan een zee van barmhartigheid onder een vloek. De kruimels van Lazarus met een zegen waren beter dan de lekkernijen van de rijke man onder een vloek. Het weinige van Jakob, met een zegen, was beter voor hem dan het grote bezit van Ezau, dat onder een vloek stond.
Kruimels met een zegen zijn altijd beter dan manna en kwartels met een vloek. Een schrale tafel met een zegen is beter dan een volle tafel met een strik erin. Een kaalgesleten jas met een zegen is beter dan een purperen mantel onder een vloek. Een hol, een grot, een kuil, een schuur, een hoekje bij de haard met een zegen is beter dan een prachtig paleis onder een vloek. Een wollen muts met een zegen is beter dan een gouden kroon onder een vloek. Misschien begreep die keizer dat ook wel. Hij keek eens met tranen in zijn ogen naar zijn kroon en zei: “Als je de zorgen kende die onder deze kroon schuilgaan, zou je je er nooit voor bukken om haar op te rapen.”
Waarom zou een christen dan niet tevreden zijn met weinig, terwijl dat weinige hem tot zegen zal zijn? Izaäk ploegt het land en zaait zijn zaad, en God zegent hem met honderdvoud. Kaïn ploegt het land en zaait zijn zaad, maar de aarde ligt onder een vloek voor hem en heeft opdracht hem haar kracht niet te geven. O, laat een christen daarom nooit mopperen omdat hij maar weinig heeft. Laat hij liever zonder ophouden die God zegenen Die zijn weinige heeft gezegend, het nu zegent en het altijd zal blijven zegenen. — Thomas Brooks.
Vers 17
Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de HEERE ondersteunt (of schraagt) de rechtvaardigen. Met de ‘armen’ van de goddelozen bedoelen we hun kracht, hun moed, hun macht, hun slimheid, hun rijkdom en hun overvloed. Dat zijn de armen waarmee zij zichzelf in de wereld overeind en staande houden. Die armen zullen verbroken worden. En juist dán, als ze gebroken zijn, zal God de rechtvaardigen ondersteunen. Dat betekent dat God voor Zijn rechtvaardigen een bron van goedheid zal zijn die nooit ophoudt over te stromen. Ze zullen dus nooit gebrek lijden, ook al zijn rondom hen alle bronnen van de goddelozen opgedroogd. — Thomas Brooks.
Vers 18
De HEERE kent de dagen der oprechten. Hij bewaart hun dagen en legt ze voor hen weg, in veiligheid. Dat is namelijk het oorspronkelijke beeld achter het Hebreeuwse woord (edy). — John Fry.
Vers 18
De HEERE kent de dagen der oprechten, en de boosaardigheid van mensen kan ze niet verkorten. — W. Wilson.
Vers 20
Als het kostelijkste der lammeren. Als de glans van vette schapen, die uiteindelijk toch geslacht worden. — Targum.
Vers 20
Als het kostelijkste der lammeren (Engels: het vet der lammeren). Het vet van de offers op het altaar werd door het vuur verteerd, tot het in rook opging. Dat was een beeld van Gods rechtvaardige wraak over zondaars. Zo zullen de goddelozen een offer worden voor Gods gerechtigheid. Ze worden verdelgd door het vuur van Zijn toorn. — Thomas Scott.
Vers 20
Met den rook zullen zij verdwijnen. “Wat heeft onze hoogmoed ons gebracht? Wat heeft het pronken met onze rijkdom ons opgeleverd?” Dat zullen de zondaars zeggen die in de hel zijn. Want de hoop van de goddelozen is als droog distelpluis dat de wind meeneemt. Ze is als dun schuim die over de golven wegspoelt, als rook die de wind heen en weer jaagt, als de herinnering aan een gast die maar één dag bleef. — Wouter van Stoelwijk, 1541.
Vers 21
Geeft niet weder. Dat wil zeggen: hij kan door zijn nood niet terugbetalen wat hij heeft geleend. Vergelijk Deut. 28:12. Een Jood in zo’n toestand werd de lijfeigene van zijn schuldeisers. Vergelijk 2 Kon. 4:1. — Daniel Cresswell.
Vers 22
God belooft dat de kinderen van Zijn volk de aarde zullen erven. Het kind van een pachter die zijn pacht netjes betaalde, wordt niet van de hoeve gezet. — John Glascock.
Vers 23
De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd. Als deze Loods het op Zich neemt om hun koers uit te zetten, zal hun schip nooit op de rotsen te pletter slaan, op een zandbank lopen of lek raken en in zee zinken. Hij brengt hen zeker veilig in hun haven.
Er was eens iemand die geen christen was. Toch zal niemand ontkennen dat hij goede godgeleerdheid sprak, want hij zei: “Wie God als zijn Vriend kiest, trekt veilig door een woestijn vol roofdieren. Hij komt veilig door deze wereld, want alleen wie God als gids heeft, is veilig.” (Arr. Epist. 27) Klinkt dat niet een beetje als David zelf in Ps. 37:23? Hij verwachtte immers nooit in de heerlijkheid te komen, tenzij Gods raad hem leidde. Als een arme heiden zo kon spreken, en goede reden zag om God te vertrouwen en Zijn trouw te bewonderen (dat doet hij vaak, en Seneca ook, die Gods trouw verdedigt in alles wat Hij met de besten onder de mensen doet, in al hun lijden en terwijl het de goddelozen voor de wind gaat), wat zal dan de christen zeggen die naar de hemel onderweg is? Hij heeft zoveel van Gods trouw ervaren: in het verhoren van zijn gebeden, in het vervullen van Zijn beloften en in het voorzien in al zijn noden. — James Janeway.
Vers 23
En Hij heeft lust aan zijn weg. Let op: in vers 4 krijgen wij de opdracht ons in den HEERE te verlustigen. Hier verlustigt Hij Zich in ons. En zoals onze weg hier Zijn vreugde is, zo krijgen wij in vers 34 de opdracht: “Houd Zijn weg.” Die tegenstellingen leren ons veel. — C.H.S.
Verzen 23-24
Wat een vreemde woorden voor ons! Alle stappen zijn tot in de kleinste details geregeld, en dat door een Almachtige, Die Zich “verlustigt” in de goedheid van de weg van de goede mens. En toch ligt de conclusie voor de hand: de goede mens kan vallen, en zijn God en Gids kan erbij staan, toekijken en het toelaten! Laten we bij deze verzen nog een of twee verwijzingen voegen. Die kunnen ons helpen de overtuiging in ons hart vast te zetten dat het kind van God kan vallen en toch een kind van God blijft. Ze kunnen ook iets verklaren van de reden waarom dit bij hun levensweg hoort. Het is door God bepaald of alleen toegelaten, maar het hoort in elk geval bij de “rechten weg” waarlangs Hij hen leidt “tot een stad ter woning”. Ps. 107:7.
Aan het einde van Hizkia’s goede en voorspoedige leven lezen we: “als de gezanten der vorsten van Babel … bij hem waren, verliet hem God, om hem te verzoeken, om te weten al wat in zijn hart was”, 2 Kron. 32:31. En in Daniëls profetie over de laatste dagen staat in Dan. 11:35: “En van de leraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen, en wit te maken.” In de twee verzen daarvoor staan ook waardevolle details over zulke vallen. We lezen welke hulp God hun zal geven. We lezen met welke vleierij de wereld hen zal blijven bestoken, zodat ze moeilijk weer opstaan. We lezen welke moeiten hun val over hen brengt, als een smeltoven. En we lezen dat hun hoge positie (leraars van velen) hen niet zal redden van de beproeving die ze nodig hebben. Ook de vastgestelde tijd staat erbij, en het doel dat God voor ogen heeft. Zo is het hier ook. Er staat dat de goede mens kan vallen. Maar daarbij hoort de kostbare belofte dat hij niet helemaal wordt neergeworpen. — Mary B.M. Duncan, in “Under the Shadow”, 1867.
Vers 24
Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, enz. Zo troost de Geest ons en geeft Hij antwoord op de gedachten die iemand in stilte kan hebben: “Ik heb toch wel gezien dat de rechtvaardige onder de voet wordt gelopen en dat de goddelozen zijn zaak in het stof trappen.” Nee, antwoordt Hij, lief kind. Stel dat hij valt. Dan blijft hij toch niet zo liggen om weggegooid te worden. Hij moet weer overeind, al twijfelt de hele wereld daaraan. Want God grijpt hem bij de hand en richt hem weer op. — Maarten Luther.
Vers 24
Als hij valt, dat wil zeggen als iemand die moedeloos was, zo wordt hij niet weggeworpen, namelijk helemaal, of voor eeuwig van God, 2 Kor. 4:9. “Want de HEERE ondersteunt zijn hand.” Dat betekent: Zijn kracht en macht houden hem staande, zodat hij niet volledig afvalt. Dat zouden wij zó snel doen als God niet met ons was. — Thomas Wilcocks.
Vers 24
Een mens die vergeving en rechtvaardiging heeft ontvangen door het geloof in Christus, kan in zware zonden vallen. Dat gebeurt soms ook. Toch krijgen die zonden nooit zoveel macht dat ze de vergeving ongedaan maken en hem terugbrengen in de toestand van iemand die niet gerechtvaardigd is. Als hij valt, wordt hij niet weggeworpen, want de HEERE ondersteunt zijn hand! De tekst spreekt over een goed mens, vergeven en gerechtvaardigd. Hij kan vallen. Maar hoe diep? Weg uit de vergeving en de rechtvaardiging? Nee, want dan zou hij helemaal vallen en onder Gods hand neergeworpen worden. De tekst zegt juist: hij zal niet geheel worden neergeworpen, want de HEERE ondersteunt zijn hand. Of, zoals Montanus de woorden vertaalt: de HEERE ondersteunt zijn handen, en Hij laat hem niet wegzinken in zo’n toestand. Anders zou de zonde over hem heersen. Maar Rom. 6:14 zegt: “Want de zonde zal over u niet heersen.” Volgens Rom. 8:2 zijn gerechtvaardigden vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. En volgens Rom. 8:30 zijn zij die God voorbestemd, geroepen, gerechtvaardigd en verheerlijkt heeft, zo aan elkaar geschakeld dat hun keten niet te breken is. Als zij zondigen, hebben zij “een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden.” 1 Joh. 2:1-2. — William Greenhill.
Vers 25
Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten (hij zegt niet: ik heb de rechtvaardige nooit zien lijden, maar: ik heb hem nooit zien verlaten of in de steek gelaten in zijn verdrukking), noch zijn zaad zoekende brood. Dat laatste voegt hij toe omdat bedelen om brood, zeker in het gemenebest Israël en onder de Joden, een teken was van volslagen verlatenheid. God had hun wel gezegd dat zij de armen altijd bij zich zouden hebben, maar Hij had ook uitdrukkelijk bepaald dat er geen bedelaar onder hen mocht zijn. Daarom zegt David: ik heb de rechtvaardigen nooit zo verlaten gezien dat ze van bedelen moesten leven.
Misschien zegt iemand dat David zelf bedelde, want hij vroeg brood aan Abimelech en aan Nabal. Mijn antwoord is: er bestaat een goede regel, en die lost deze vraag op. Een tijdelijke nood en een plotselinge tegenslag maken nog geen bedelaar. We kunnen niet zeggen dat David een bedelaar was of zijn brood bedelde, omdat hij eens in nood zat en Abimelech om brood vroeg, en in een tweede nood iemand naar Nabal stuurde. In zulke plotselinge omstandigheden kan zelfs de rijkste man van de wereld gedwongen zijn om een stuk brood te vragen. Een goed mens kan in zulk gebrek raken. Maar goede mensen blijven er zelden in steken, en meestal helemaal niet. — Joseph Caryl.
Vers 25
Ik heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood. Misschien werpt iemand tegen dat veel rechtvaardige mensen arm zijn geweest. Maar hier gaat het over een rechtvaardig, liefdadig mens. Dat blijkt uit het volgende vers: “Den gansen dag ontfermt hij zich, en leent; en zijn zaad is tot zegening.” En wie heeft zo iemand, of zijn kinderen, ooit in zulke armoede gezien dat hij om brood moest bedelen? Onze Zaligmaker Christus gaf vierduizend mensen te eten met zeven broden en een paar visjes. Allen werden verzadigd, en er bleven zeven manden vol brokken over. Sint Augustinus merkt daarbij op: crescit dum impenditur victus, sic eleemosyna si indigentibus erogetur. Dat betekent: het voedsel groeide terwijl het werd uitgedeeld, en zo gaat het ook met een aalmoes die aan de armen wordt gegeven. — Michael Jermin.
Vers 25
Maar heb niet gezien, enz. Ik geloof dat dit in alle gevallen letterlijk waar is. Ik ben zelf inmiddels grijs. Ik heb in verschillende landen gereisd en vaak de gelegenheid gehad om gelovige mensen in alle omstandigheden te zien en te spreken. Voor zover ik weet, heb ik nooit een geval gezien dat het tegendeel bewees. Ik heb nooit rechtvaardigen verlaten gezien, en ook geen kinderen van rechtvaardigen die om hun brood bedelden. God schenkt eer aan allen die Hem vrezen. Zo zorgzaam is Hij voor hen en voor hun nageslacht. — Adam Clarke.
Vers 25
Zoekende brood. Daarmee wordt niet bedoeld dat iemand ooit in nood om hulp vraagt. Zo vroeg David zelf brood aan Abimelech, 1 Sam. 21:3, en vroegen hij en zijn krijgslieden bij Nabal om wat levensmiddelen, 1 Sam. 25:8. Het gaat om een leven van voortdurend bedelen van deur tot deur. Dat wordt als een vloek over de goddelozen uitgesproken, Ps. 109:10: “Dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen.” Ook volgt hieruit niet dat de rechtvaardige of zijn kinderen nooit zo diep in de ellende terechtkomen. Het betekent alleen dat het zo zelden gebeurt dat David het in al zijn dagen nooit gezien had. — Arthur Jackson.
Vers 25
Wat de psalmist hier opmerkt, geldt in de regel. Er zijn wel uitzonderingen, zoals het gezin van Eli. Maar dat kwam doordat hij zelf als rechtvaardig man tekortschoot. Bovendien weten we dat Gods beloften hun doel niet bereiken wanneer mensen de middelen laten liggen die voor de vervulling nodig zijn (zie Gen. 18:19). Sommigen vinden dat dit vers een toelichting kan gebruiken en vertalen de laatste zinsnede zo: “Noch zijn zaad (wordt verlaten, ook al) bedelt het om brood.” — David Davidson, in “The Pocket Commentary”, 1836.
Vers 25
Dit is een algemene waarneming. Je mag haar niet opvatten alsof ze in elk afzonderlijk geval opgaat. Toch is het naar mijn overtuiging een feit dat directe kinderen van werkelijk godvrezende mensen heel zelden, misschien nooit, in zulke bittere armoede terechtkomen. Het gebeurt alleen als ze er zelf om hebben gevraagd, door grote onvoorzichtigheid of een losbandig leven. — William Walford.
Vers 25
Hier vertelt David wat hij zelf heeft meegemaakt (zoals Psalm 119 grotendeels uit zulke ervaringen bestaat). Als anderen het anders hebben ervaren, is dat niet vreemd: koningen letten nu eenmaal zelden op bedelaars. — John Trapp.
Verzen 25-26
Veel mensen maken zich zorgen over hoe het met hun kinderen moet gaan als zijzelf er niet meer zijn. Maar ze staan er niet bij stil hoe God voor hén zorgde toen ze zelf nog kind waren. Is de arm van de HEERE soms te kort geworden? Nam Hij je niet weg van je moeders borst, en werd Hij niet je Vader toen je ouders je (zoals de psalmist zegt) in de steek lieten? Kan die barmhartigheid, die je zelf hebt ervaren, je er dan niet van overtuigen dat Hij ook de jouwen niet zal verlaten? Is het niet zo: “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid”? David zegt: “Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten.” Dat nemen we aan. Maar er is meer: “noch zijn zaad zoekende brood.”
Veel wantrouwige vaders zijn zo bezorgd over hun nageslacht dat ze zichzelf, zolang ze leven, laten uithongeren en hun ziel in gevaar brengen, alleen maar om hun kinderen rijk achter te laten. Tegen zo’n vader wordt terecht gezegd: Dives es haeredi, pauper inopsque tibi. Hij lijkt op een veel te goedhartige kloek, die haar kuikens voert en zichzelf laat verhongeren. Als woeker, bedrog, onderdrukking of afpersing hun kinderen rijk kunnen maken, dan zullen die niet arm zijn, denken ze.
Wat een dwaasheid! Ze zijn bang dat hun kinderen ongelukkig worden en kiezen toch precies de weg die hen ongelukkig maakt. Want ze laten hun kinderen niet zozeer hun bezit na als wel hun kwaad. Ze erven de zonden van hun vaders even zeker als hun land: “Dat God Zijn geweld weglegt, voor Zijn kinderen”, Job 21:19 (Engels: “God bewaart zijn ongerechtigheid voor zijn kinderen: en zijn nageslacht zal een stuk brood missen”).
Maar de goede man is barmhartig en leent uit, en zijn zaad is gezegend. Wat volgens de wereldse mens zijn kinderen arm zal maken, zal volgens God de kinderen van de goede man juist rijk maken. Het gebod koppelt een belofte van barmhartigheid aan gehoorzaamheid. Die belofte blijft niet beperkt tot de gehoorzame zelf, maar reikt door tot zijn nageslacht, zelfs tot in duizend geslachten, Ex. 20:6.
Vertrouw je kinderen daarom aan Christus toe. Je vrienden kunnen je laten vallen, de woeker kent op de duur geen vervaldatum meer, onderdrukking wordt naar de hel verwezen, jijzelf bent tot stof vergaan en de hele wereld is veranderd en tot as verbrand. Toch is dan nog steeds “Jezus Christus … gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.” — Thomas Adams.
Vers 26
“Den gansen dag ontfermt hij zich, en leent; en zijn zaad is tot zegening.” De goede man is barmhartig voor zichzelf, want barmhartigheid begint, net als liefdadigheid, thuis. Hij is niet bang om goed te eten omdat hij kinderen heeft. Hij is ook barmhartig voor anderen: hij leent en doet goed aan wie hij maar kan, en zijn kinderen varen daar des te beter bij. Let erop: hoe meer hij geeft en leent in werken van barmhartigheid, hoe beter het zijn kinderen gaat. Kinderen zijn namelijk altijd het best verzorgd als hun ouders zo denken. Zulke ouders vertrouwen hun kinderen liever aan God toe dan aan rijkdom. Ze hebben hun hoop hierop gevestigd: ook al sterven zij, God leeft.
Stel dat één van die rijke, ongelukkige ouders (die zichzelf afknijpt en uitmergelt om van zijn zoon een heer te maken, jawel) uit de dood opstond en zag hoe Salomo’s spreuk aan hemzelf in vervulling ging: “Hij gewint een zoon, en er is niet met al in zijn hand.” Ik ben ervan overtuigd dat dit besef zijn ziel net zo zou kwellen als welke lichamelijke pijn ook, zelfs in de hel zelf. O, denk hierover na, jullie die nu leven en het bij anderen zien. En onthoud ook: als je bezit onrechtmatig is verkregen of slecht beheerd wordt, kan het je kinderen net zo vergaan wanneer jij er niet meer bent. Zij voelen het dan, ook al zie jij het niet. — Matthew Griffith.
Vers 28
“Want de HEERE … zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard.” Hoe dan? Zij sterven toch net als anderen? Let op de tegenstelling, dan wordt het duidelijk: “In eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid.” Ze worden bewaard in hun nageslacht. Kinderen zijn de ouders, vermenigvuldigd en voortgezet. Het is nodosa aeternitas, een geknoopte eeuwigheid: wanneer het leven van de vader ten einde is gelopen, wordt er een knoop gelegd en spint het kind de draad verder.
Ik geef toe dat tijdelijke zegeningen, zoals een lang leven en de belofte van gelukkige kinderen, in die bedeling van het verbond duidelijker zichtbaar waren. Toch zorgt God nog steeds voor de kinderen van Zijn volk. Veel beloften die bij het evangelie horen, lopen die kant op, en nog steeds is de dienst aan God de zekerste weg om een geslacht te vestigen, net zoals de zonde de snelste weg is om het uit te roeien. Pakt het niet altijd zo uit, dan toch meestal. Bovendien zijn wij geen bevoegde rechters over Gods beschikkingen op dit gebied. We zien Gods voorzienigheid maar in stukken en kunnen ze niet aan elkaar passen. Maar op de dag van het oordeel, wanneer het hele weefsel van Gods handelen voor ons wordt uitgespreid, zullen we helder begrijpen hoe de kinderen van Zijn knechten blijven bestaan en hoe hun zaad bevestigd wordt. Ps. 102:29. — Thomas Manton.
Vers 29
“De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten.” Het is duidelijk dat er nadruk ligt op het herhalen van dezelfde belofte in dezelfde woorden. Daarom had ze overal op dezelfde manier vertaald moeten worden: Ps. 37:9, 11, 22, 29, 34. En het lijdt geen twijfel dat hier verwezen wordt naar de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde van Jes. 65:17 en 2 Petr. 3:13. — W. Wilson.
Vers 29
“De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten”, enz. Vergelijk Matth. 5:5. Neem deze waarheid uit de Bijbel goed ter harte: later zullen alleen de rechtvaardigen de aarde bezitten. Het duizendjarig rijk geeft hier een vollediger uitleg van. — T.C. Barth.
Vers 31
“De wet zijns Gods is in zijn hart”, enz. Een kudde schapen die niet gedreven wil worden, schiet bij elke zijstraat de weg uit, de een naar links, de ander naar rechts. Zo gaat het ook met een onwillig hart: de ene gedachte schiet deze kant op, de andere die kant, en het is een kunst om ze erdoorheen te krijgen. Maar een gewillig hart, een hart dat klaarstaat voor elk goed werk, gaat kaarsrecht vooruit en vindt zijn vreugde in de HEERE. — Richard Steele.
Vers 31 (eerste zinsdeel)
Zo iemand heeft een Bijbel in zijn hoofd en een tweede in zijn hart. Hij draagt een goede schat in zich en haalt daar goede dingen uit tevoorschijn. — John Trapp.
Verzen 32-33
De Joden belaagden die Rechtvaardige elke dag en elk uur. Ze zochten Hem te doden en deden het ook. Maar Jehova liet Hem niet in hun handen. Hij bewees Zijn onschuld door Hem uit de doden op te wekken. — George Horne.
Vers 34
“Wacht op den HEERE”, enz. Wie werkelijk op God vertrouwt, wacht op Gods tijd, gebruikt Gods middelen en gaat Gods weg, ook als die een omweg lijkt. Zo iemand verwaarloost zijn ziel niet uit haast; hij weet dat haast hier alleen maar vertraging oplevert. Hij stapt ook niet af van de weg die heilig en rechtvaardig is, ook al zou hij daardoor een verlies of een moeilijke tijd kunnen ontlopen, of er een aantrekkelijk voordeel mee kunnen behalen. Echt geloof leunt op God en houdt daarom Zijn weg.
Er zijn aanwijzingen dat iemand God zijn bezit niet toevertrouwt. Hij wil niet royaal zijn voor de verbreiding en de eer van het evangelie. Hij vreest armoede of tegenspoed meer dan de zonde. Hij maakt zich meer zorgen om de dingen van de wereld dan om zijn ziel. Hij kiest bochtige of verdachte wegen om zijn bezit te krijgen, te vergroten of veilig te stellen. Of hij is niet scherp en waakzaam, zodat zijn zorgen voor de wereld (als hij daar veel mee bezig is) buitensporig worden. Wie zo leeft, vertrouwt God niet voor zijn bezit. En wie God niet vertrouwt voor zijn bezit, vertrouwt Hem, wat hij ook zelf denkt of beweert, evenmin voor zijn ziel en zijn behoud. Zijn hoop op de hemel en op zaligheid is dan niets anders dan overmoed. — David Clarkson.
Vers 34
“Wacht op den HEERE.” Bind Hem niet aan een dag. Wek de Beminde niet voordat het Hem behaagt. — John Trapp.
Vers 34
“Wacht … houd.” Laten we er tijdens het wachten voor oppassen dat we gaan weifelen. Wijk geen stap af van Gods weg, ook al ligt er een leeuw op de weg. Ontloop geen plicht om veilig te blijven. Blijf op Gods hoofdweg, de goede oude weg, Jer. 6:16, de weg die met heiligheid is geplaveid. “En aldaar zal een verheven baan en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden.” Jes. 35:8. Mijd kromme paden. Pas op dat je niet naar links afbuigt, anders word je straks aan de linkerhand gezet. De zonde doorkruist onze verwachtingen en verspert ons de weg. Je kunt net zo goed de hemel in de hel verwachten te vinden als op een zondige weg. — Thomas Watson.
Vers 35
Groene inlandse boom. De Griekse vertaling van het Oude Testament (de LXX) vertaalt (Hebr.) alsof er (Hebr.) stond: “Als de ceder van de Libanon.” Maar volgens Delitzsch betekent (Hebr.) een edele houtboom, die in eeuwen van groei een reusachtige stam en een schaduwrijke, koepelvormige kroon heeft gekregen.
Vers 35
Als een groene inlandse boom (Engels: groene laurierboom). De vertaling in de kantlijn, “een boom die in zijn eigen grond groeit”, is ongetwijfeld de juiste. Wie de Engelse Bijbel leest, denkt bij deze plaats meestal aan de laurier (Prunus laurocerasus), de kerslaurier uit onze tuinen. Maar die plant hoort bij een heel andere familie. De laurierkers en de Portugese laurier zijn door hun groeivorm en hun altijdgroene bladeren erg sierlijk in het struikgewas. Ze behoren tot een onderfamilie (Drupaceae, Lind.) van de rozenfamilie (Rosaceae). De echte laurierboom, die weelderig bloeit in Zuid-Europa, is het toonbeeld van de laurierfamilie (Lauraceae).
Meerdere omstandigheden maken het onwaarschijnlijk dat de echte laurierboom het Hebreeuwse esrach weergeeft. Er is geen bewijs dat hij in Palestina ooit zo veel voorkwam dat de psalmist hem zou kiezen voor een vergelijking in een lied voor gewoon volksgebruik. Hij komt er wel voor, maar vooral langs de rand van de oostkust van de Grote Zee. Het zwaarste bezwaar tegen de gedachte dat de koninklijke dichter de laurier bedoelde, vinden we in de psalm zelf. Nadat hij de boom heeft genoemd in de regels hierboven, voegt hij toe: “Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.”
Dat beeld past niet bij een altijdgroene plant die langzaam groeit en pas als hij volwassen is meer dan dertig voet hoog wordt. De woorden vragen om een snelgroeiende boom op een grond die ongewoon gunstig is voor zijn groei. Zo geplant, en opschietend in rust en zonneschijn, trekt hij alle blikken. Maar wanneer de storm erover losbarst en de krachtige wind heerszuchtig door zijn takken jaagt, houdt hij geen stand. Met wortel en al uitgerukt, en met hout dat nu nagenoeg waardeloos is, wordt hij, net als Abrahams doden, uit het zicht begraven. Zo gaat het ook met de goddeloze. Hij werd gezocht en kon niet gevonden worden. — John Duns, D.D., F.R.S.E., in “Biblical Natural Science”.
Vers 35
Wij zien geen kracht in wat dr. Duns opmerkt. Sterker nog: als er geen andere redenen waren om de vertaling te verkiezen die Wilson in de volgende aantekening geeft, dan zouden we juist des te meer reden zien om bij de laurierboom te blijven. Dat was een boom die lang stond en altijd groen bleef. Zo lijken ook de voorspoedige goddelozen. Het ziet ernaar uit dat hun geluk eeuwig zal duren. Toch merken wie Gods leiding in het leven zorgvuldig gadeslaan met heilig ontzag op dat de goddelijke gerechtigheid hun glorie afkapt en dat ze volkomen vergaan. — C.H.S.
Vers 35
“Ik heb gezien een gewelddrijvende goddeloze” (schrikwekkend, woest, gewelddadig), “die zich uitbreidde als een groene inlandse boom” (een boom in zijn geboortegrond, krachtig en weelderig, die nooit is verplant). Een treffend beeld van de goddeloze wereldmens: stevig geworteld in aardse dingen, in zijn geboortegrond. In zijn voorspoed is hij hoogmoedig en overmoedig geworden, zonder angst of zorg dat het ooit zal omslaan. — William Wilson.
Vers 35
“Als een groene inlandse boom”, een boom die alleen maar bladeren voortbrengt en geen vrucht. — Matthew Henry.
Vers 35
“Ik heb gezien een gewelddrijvende goddeloze”, zegt David, “die zich uitbreidde als een groene inlandse boom” (Engels: “als een groene laurierboom”). Maar waarom een groene laurierboom? Omdat die in de winter, wanneer alle andere bomen kaal en dor zijn (zoals de wijnstok, de vijgenboom en de appelboom, die veel nuttiger zijn), toch even groen blijft als in de zomer. Zo gaat het met goddeloze mensen wanneer de kinderen van God in de stormen van vervolging, verdrukking en ellende verdord lijken, als het ware dood. Al die tijd bloeien de goddelozen en zien ze er in de ogen van de wereld groen uit. Ze rollen in wereldse rijkdom, maar dat is hun verderf. Ze worden vet, maar voor de dag van de slachting. Zo ging het met Hofni en Pinehas: de Heere gaf hun genoeg en liet hen doorgaan en voorspoedig zijn in hun goddeloosheid. Maar waarom? Omdat Hij hen wilde verdelgen. — J. Gore’s preek in St. Paul’s, 1633.
Verzen 35-36
— Heden schiet hij
de tedere bladeren van zijn hoop uit;
morgen bloeit hij open
en draagt zijn blozende eer in volle pracht.
Dan komt de derde dag een vorst, een dodende vorst;
En terwijl hij, de goedige, argeloze man, vast meent
Dat zijn grootheid aan het rijpen is,
Bijt die vorst hem de wortel af,
En dan valt hij, zoals ik nu val.
— William Shakespeare, in Hendrik VIII.
Verzen 36-37
De havik vliegt hoog en wordt hoog gewaardeerd. Hij zit op een stok, met de rinkelende belletjes van aanmoediging omgehangen, en wordt gedragen op de vuist van zijn meester. Maar als hij dood is en over de stok is geplukt, wordt hij als waardeloos op de mesthoop gegooid. De hen scharrelt in het stof en krijgt tijdens haar leven geen enkele beloning. Maar als ze dood is, komt ze als een uitgelezen gerecht op de tafel van haar meester.
Zo worden goddeloze mensen meestal op hoge plaatsen gezet en gedijen ze in dit leven, terwijl goede mensen kruipend met hun mond in het stof liggen, als de minsten van de wereld. Maar wanneer ze eenmaal dood zijn, wordt de een in de kerker van de hel geworpen en de ander verheven tot het koninkrijk van de hemel. De een ligt in Abrahams schoot, terwijl de ander wordt gepijnigd met de duivel en zijn engelen. — Thomas Westfield, D.D., 1644.
Vers 37
“Let op … en zie.” Herodotus vertelt over een gewoonte bij de Ethiopiërs: ze zetten de lichamen van gestorven vrienden in glazen grafkisten, zodat voorbijgangers hun gestalte konden zien. Hoe overbodig die gewoonte ook was, het is zonder twijfel niet meer dan billijk dat de godvrezende trekken van wie in den Heere sterven, aan de levenden worden voorgehouden in de spiegel van de kunst. Lof na de dood is immers de beloning van een godsdienstig leven. Goede werken zijn juwelen die je niet in een kast opsluit, maar voor iedereen zichtbaar tentoonstelt.
Als Christus wilde dat de naam van Maria tot aan het einde van de wereld in het evangelie herdacht zou worden om één doos zalf die zij op Zijn hoofd uitgoot, dan kunnen we ons niet voorstellen dat Hij de vele vrome en liefdadige daden van Zijn knechten in vergetelheid wilde laten begraven. Lees de Schriften, en je zult nauwelijks een godvruchtig mens vinden die zonder eervol grafschrift in zijn graf is gelegd. Kijk naar de kerkvaders, en je ziet dat zij het gewoon waren de dood van goede mensen te eren door hun verdiende lof te geven. — Nathaniel Hardy.
Vers 37
Den vrome (Engels: de volmaakte), enz. — Theologen maken terecht onderscheid tussen twee soorten volmaaktheid: de absolute en de vergelijkende (absoluta en comparata). Absoluut volmaakt is alleen wat nergens iets tekortkomt, zodat het echt goed genoemd kan worden. Zo is alleen Hij perfectus, Die infactus is: Hij is niet gemaakt. God heeft alles gemaakt en is Zelf door niemand gemaakt. Alleen Hij bezit een volmaaktheid die genoeg heeft aan Zichzelf, in en uit Zichzelf.
Vergelijkend volmaakt is iemand die, hoewel er nog wel iets ontbreekt, toch een volheid heeft naast anderen. In die zin is elke heilige volmaakt naast de goddelozen bij wie hij woont. Zo wordt van Noach gezegd dat hij een volmaakt man was in zijn tijd. Zijn genade, gehouden naast de boosheid van de oude wereld, verdiende best de naam volmaaktheid. Elk oprecht mens is eigenlijk volmaakt naast mensen die openlijk slecht zijn, of die alleen aan de buitenkant goed zijn: besmet met goddeloosheid, of maar bestreken met een laagje heiligheid.
Zo kan ook de ene heilige volmaakt zijn naast een andere: de sterke christen naast de zwakke, want hij gaat hem voor in genade en godsvrucht. Over zulke heiligen spreekt Paulus als hij zegt: “Wij spreken wijsheid onder de volmaakten.” Dat zijn mensen die verder in de genade zijn gekomen dan anderen. Van Benaja staat: “Hij was de heerlijkste van de dertig, maar tot die drie eersten kwam hij niet.” Geen heilige zal ooit de volmaaktheid van de eerste drie bereiken, de gezegende Drie-eenheid. Toch kunnen veel heiligen een eervolle plaats hebben onder de dertig: volmaakt in vergelijking met de mensen om hen heen.
We moeten nog een tweede onderscheid maken: volmaaktheid van buiten en van binnen (extrinseca en intrinseca). Volmaaktheid van buiten heet zo omdat ze ons wordt toegerekend. Elke gelovige heeft daar deel aan door de volmaakte gerechtigheid van Christus, die al zijn gebreken toedekt. Daarom schrijft de schrijver van de Hebreeënbrief: “Met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.” En Paulus zegt tegen de Kolossenzen dat zij “in Hem volmaakt” waren, dat wil zeggen in Christus.
Inderdaad: omnia Dei mandata tunc facta deputantur, quando id quod non fit ignoscitur. Dat betekent: Gods geboden gelden bij God pas als vervuld wanneer ons tekort om Christus’ wil wordt vergeven. De volmaaktheid van een christen, zoals het evangelie die kent, ligt niet in perfectione virtutum, sed remissione vitiorum. Ze zit dus niet in de voltooiing van onze deugden, maar in de vergeving van onze zonden.
Volmaaktheid van binnen heet zo omdat ze in ons woont. Ook hier maakt men, even redelijk als gebruikelijk, een onderscheid: er is perfectio partium et graduum, volmaaktheid van delen en van mate. Iemand heet volmaakt, cui nihil deest eorum quae ad statum salutis necessaria: hij mist geen enkele genade die bij de zaligheid hoort. Of hij heet volmaakt, cui nihil deest in gradibus gratiarum et virtutum: hij schiet niet tekort in de mate van die genaden. Beide soorten worden vaak en terecht uitgelegd met het beeld van een kind en een volwassen man. Het kind heeft alle wezenlijke en samenhangende delen van een mens. De volwassene kan al die delen volledig gebruiken en heeft ze in volle maat. — Nathaniel Hardy.
Vers 37
Het einde. Alle verstandige mensen willen dat het einde van een zaak het beste is. Het is vervelend om twee of drie mijl over goede weg te rijden en daarna honderd mijl door diepe modder te moeten, vooral als het einde slechter is dan de weg. Maar is het begin zwaar, gaat het daarna wat lichter en eindigt de reis goed, dan is alles ruimschoots vergoed. “Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van dien man zal vrede zijn.” Kijk naar hem als hij op weg gaat: hij heeft veel tegenstand. Kijk naar hem onderweg: hij zit vol moeiten. Maar kijk naar de afloop, want het einde van die man is vrede. — Thomas Adams.
Vers 37
Het einde van dien man zal vrede zijn. Laat me uitleggen wat het betekent om in vrede te eindigen, of te sterven. Volgens Euthymius is het eindigen in pace cogitationis: in vrede van het denken, zonder twijfel. Volgens Cyprianus is het eindigen in pace securitatis: in vrede van zekerheid, zonder uiteindelijk te vallen. Volgens Origenes is het eindigen in pace conscientiae: in vrede van het geweten, zonder wanhoop. Volgens de oude Irenaeus is het eindigen in pace mortis: in de vrede van de dood, zonder worsteling.
Verder betekent in vrede eindigen: eindigen in pace Dei, in de vrede van God die alle verstand te boven gaat, dus ver boven wat mensen kunnen begrijpen. Het betekent eindigen in pace proximi, in vrede met onze naasten: er klinkt dan geen geschreeuw of verwijt achter ons aan. En tot slot is het eindigen in pace sui, in vrede met onszelf: er is dan geen innerlijke onrust of verwarring meer die ons kwelt. — Richard Parre.
Vers 37
We kunnen deze tekst in twee delen verdelen. Eerst 1. het kenmerk van de godvrezende, en daarna 2. zijn voorrecht. Zijn kenmerk is volmaaktheid, zijn voorrecht is vrede. Hier zien we het karakter van de heilige en zijn kroon: hij wordt getekend door oprechtheid en eerlijkheid en gekroond met vrede. Hier zien we de weg van de christen en zijn einde, zijn beweging en zijn rust. Zijn weg is heiligheid en zijn einde is gelukzaligheid. Hij beweegt zich op volmaaktheid af, in oprechtheid, en zijn rust is vrede aan het einde van zijn reis. — John Whitlock, in een lijkrede met de titel “The Upright Man and his Happy End” (De oprechte man en zijn gelukkige einde), 1658.
Vers 37
Ik zou tijd tekortkomen om te vertellen hoe christenen sterven. Alleen de pen van de opschrijvende engel, die bij hun sterfbed heeft gestaan en hen naar Abrahams schoot heeft gedragen, kan de ontelbare voorbeelden beschrijven van hun heerlijke heengaan uit deze wereld. Die voorbeelden bevestigen dat de Bijbel waar is. “Ik had nooit kunnen geloven”, zei een stervende heilige, “dat sterven zo heerlijk kon zijn, of dat ik zulke zichten op de hemelse wereld kon hebben als ik nu geniet.”
De gedenkwaardige Melanchthon zong kort voor zijn dood in zijn slaap deze woorden: “Ik … niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods.” Hij leek onrustig. Iemand die bij hem was vroeg of hij nog iets wilde hebben. Hij antwoordde: Aliud nihil nisi coelum — niets anders dan de hemel. — Gardiner Spring.
Vers 37
Wil je goed sterven, leef dan zeker goed. We moeten niet denken dat we de dood van Lazarus kunnen krijgen met het leven van de rijke man. Zo iemand lijkt op de man bij Plutarchus die, zoals hij zei, met Croesus wilde leven maar met Socrates wilde sterven. Nee, de wensen van Bileam zijn dwaas en nutteloos. Christenen, willen jullie goed sterven? Zorg dan dat je goed leeft: qualis vita, finis ita, zoals het leven, zo het einde. Wil je rustig sterven, leef dan ernstig. Wil je getroost sterven, leef dan zoals het hoort. Wil je gelukkig sterven, leef dan heilig. “Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van dien man zal vrede zijn.” — John Kitchin, M.A., 1660.
Vers 38
Het einde der goddelozen wordt uitgeroeid. In deze wereld klimmen de goddelozen vaak zonder enige hindernis of onderbreking, soms onder gejuich en applaus, de gouden treden van eer en promotie op. Maar op de hoogste trede staan ze het gladst, en de top van hun aardse geluk is de kortste en zekerste weg naar de diepste val. Hier op aarde zitten ze als vorsten te paard en galopperen ze razendsnel over de mooie, groene vlakten van overvloed en genot. Maar aan het eind van hun race worden ze ten val gebracht, paard en man, en kopje-onder gesmeten in de put van het verderf. Ze glijden sierlijk over de zee van deze wereld, met volle zeilen, in alle rust en kalmte, rijk beladen. Maar in de helderste zonneschijn, op het moment dat ze het het minst verwachten, zinken ze plotseling en onherstelbaar weg in de afgrond van duisternis en verwoesting. — Robert Bolton.
Vers 40
En de HEERE zal hen helpen. Hij zal, Hij zal, Hij zal. O, wat een welsprekendheid van God! Wat een veiligheid voor de heiligen! Wat een zekerheid van Zijn beloften! — John Trapp.
Luther sluit zijn uitleg van deze psalm af met de woorden: O, wat een schande is onze ontrouw, ons wantrouwen en ons lage ongeloof! We geloven zulke rijke, krachtige en troostende uitspraken van God niet, en grijpen zo snel kleine aanleidingen tot ergernis aan, zodra we maar de boze taal van de goddelozen horen. Help ons, o God, dat we eindelijk tot het ware geloof komen. Amen.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1
De kunst van een rustig gemoed. — W. Jones.
Verzen 1-2
Een veelvoorkomende verleiding, met een dubbel tegengif: kijk naar zondaars in hun sterven en in de hel.
Vers 2
Hoe en wanneer de goddelozen verdwijnen.
Vers 3
- Een verbinding die laat zien wat een heilig leven is.
- Een verbinding die laat zien wat een gelukkig leven is.
Vers 3
De gelovige in beeld gebracht.
- Waarop hij vertrouwt.
- Hoe hij leeft.
- Waar hij woont.
- De zekerheid dat hij te eten krijgt.
Vers 3 (laatste zinsdeel)
Lees het op vier manieren.
- “Zeker gevoed”: de zekerheid dat er voor je gezorgd wordt.
- “Gevoed in waarheid”: de zorg is genoeg voor ziel en lichaam.
- “Gevoed met waarheid”: de zorg is geestelijk van aard.
- “Voed u met waarheid”: onze plicht om zulk voedsel te kiezen.
Vers 4
Leg uit wat de gelovige verlangt en waarin hij vermaak vindt, en laat zien hoe die twee samenhangen.
Verzen 5-6
Het hogere leven.
- Het rust op hartelijke overgave.
- Het wordt vastgehouden door geloof.
- De Heere maakt het steeds verder open.
- Het wordt voltooid in het stralende licht van de middag.
Vers 6
Zoete troost voor heiligen die belasterd worden. Waar hun karakter nu is. Wie het aan het licht zal brengen. Hoe langzaam maar zeker dat gebeurt, en hoe heerlijk het eindigt.
Vers 7
Rust in de HEERE. Wat is dat? Waar? Wanneer? Waarom? Hoe?
Vers 7
Vrede, geduld, jezelf in de hand houden.
Vers 7
Stilte in God. — Bisschop Wilberforce.
Vers 7
Rust in de HEERE.
- Rust in de wil van God, want alles wat Hij wil is goed voor je, het hoogste goed voor je.
- Rust in de liefde van God, en denk vaak na over wat Jezus hierover zegt: “… hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.”
- Rust in de barmhartigheid van God.
- Rust in het woord van God.
- Rust in de verhouding waarin je God tot je weet te staan: Hij is de Vader.
- Rust in de HEERE zoals Hij Zich in Jezus heeft laten zien, jouw God in het verbond. — James Smith.
Vers 8
Een preek voor de knorrigen.
- Stop met de boosheid van nu. Het is waanzin, het is zonde, het houdt onze gebeden tegen, het groeit uit tot kwaadaardigheid en het kan tot nog erger leiden.
- Laat haar voor altijd los. Heb er spijt van, let op je humeur, beteugel je driften, enzovoort.
- Blijf weg van alle gevoelens die erop lijken: knorrigheid, ongeduld, afgunst en dergelijke, want ze leiden tot kwaad.
Vers 9
Hoe de nederigen de echte eigenaars van het land zijn.
Vers 10
- Bedenk wat de zondaar die heen is gegaan, heeft moeten achterlaten: bezittingen, vreugde, eer, plannen, verwachtingen, enzovoort.
- Bedenk waar hij naartoe is gegaan.
- Bedenk of jij hetzelfde lot zult delen.
Verzen 10-11
Schrik voor de goddelozen, troost voor de gelovigen. — A. Farindon.
Vers 11
Het genot van de zachtmoedige, of “de oogst van een rustig oog”.
Vers 14
Een oprechte levenswandel.
- Wat zij buitensluit: het platte en aardse, het kromme en sluwe, het scheve en dreigende.
- Wat zij omvat: de bedoeling, het doel, de taal en de daad.
- Wat zij bereikt: ze staat als een pilaar, ze draagt als een zuil, ze rijst op als een toren, ze siert als een gedenkteken en ze geeft licht als de vuurtoren Pharos.
Vers 15
Hoe het kwaad zichzelf vernietigt.
Vers 16
Hoe je veel kunt maken van weinig.
Verzen 16-17
- De bezitters naast elkaar gezet.
- De bezittingen vergeleken.
- Wie de voorkeur krijgt.
- De redenen uitgelegd.
Vers 17 (laatste zinsdeel)
- De mensen die Hij begunstigt.
- Hun duidelijke behoefte: “ondersteunen”.
- Hun bijzondere gelukzaligheid: “ondersteund” worden, boven de beproeving, in de beproeving en na de beproeving.
- Hun verheven Beschermer.
Vers 18
De troost die we kunnen halen uit de gedachte dat God alles weet. De bezittingen van de rechtvaardige duren eeuwig. Vers 18.
- De personen: “de oprechten”.
- De tijd: “hun dagen”. God kent die. (1) Hij kent ze vriendelijk en genadig. (2) Hij kent hun aantal. (3) Hij kent hun aard.
- Hun aandeel: “hun erfenis zal in eeuwigheid blijven”.
— William Jay.
Vers 18 (laatste zinsdeel)
Wat het is. Hoe zij eraan komen. Hoe lang zij het houden.
Vers 19
Goede woorden voor moeilijke tijden.
Vers 21
Geldzaken als toets van ons karakter.
Vers 22
Gods zegen is het geheim van geluk. Gods ongenade is de kern van ellende.
Verzen 23-24
- Gods voorbestemming.
- Gods welbehagen.
- Gods ondersteuning.
Vers 24
Beproevingen die voorbijgaan.
- Ze zijn te verwachten.
- Ze hebben hun grens.
- Ze hebben hun uitkomst.
- Onze verborgen troost te midden ervan.
Wat kan gebeuren. Wat niet kan gebeuren. Wat zal gebeuren.
Vers 25
Opmerking van een oude waarnemer.
Vers 26
De barmhartige houding van de rechtvaardige, zijn royale daden en zijn rijke beloning.
Vers 26
De zegen over het gezin van de goede man: wat die wel is en wat die niet is.
Vers 27
Wat niet, wat wel en wat beloond wordt.
Vers 28
- Hoeveel liefde de HEERE voor het recht heeft.
- Zijn trouw aan de rechtvaardigen.
- Hun zekere bewaring, dubbel gewaarborgd.
- Het lot van de goddelozen, zo bevestigd.
Vers 29
Kanaän als beeld van de erfenis van de rechtvaardige.
Vers 30
Onze spraak als toets van godsvrucht.
Vers 31
- Het beste.
- Op de beste plaats.
- Met de beste gevolgen.
Verzen 32-33
Onze vijanden, hun diepgewortelde boosaardigheid, en onze bescherming en vrijspraak.
Vers 34
- Een tweevoudige aansporing: (a) Wacht op den HEERE. (b) En houd Zijn weg. Wacht en werk, wacht en wandel, ontvang genade en oefen haar.
- Een tweevoudige belofte: (a) Hij zal u verhogen, zodat u de aarde bezit als erfenis. God is de bron van alle verhoging en eer. (b) U zult zien dat de goddelozen worden uitgeroeid, en zij zullen worden uitgeroeid. — William Jay.
Vers 34
Geduldig geloven, volhardende heiligheid en beloofde verhoging.
Vers 34 (laatste zinsdeel)
Gevoelens die bij godvruchtige mensen opkomen als zij zien welk lot de zondaar treft.
Vers 34 (laatste zinsdeel)
De goddelozen worden vaak uitgeroeid: 1. Al in dit leven, van hun plaats, hun rijkdom en hun vooruitzichten. 2. Bij hun dood worden zij afgesneden van al hun bezittingen en alle troost. 3. Op de laatste dag worden zij afgesneden van “de opstanding des levens”. — William Jay.
Verzen 35-37
Drie onvergetelijke taferelen.
- Het indrukwekkende schouwspel.
- Het verbijsterende verdwijnen.
- Het heerlijke heengaan.
Verzen 39-40
- De leer van de genade in het kort.
- De ervaring van wie genade ontvangt, in een notendop.
- De beloften van de genade samengevat.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas