Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 35 — Treasury of David

Titel
Een psalm van David. Meer weten we niet over dit lied. Toch lijkt de inhoud zelf te wijzen op de onrustige jaren waarin Saul David over berg en dal achternajoeg. Toen waren er genoeg mensen die de wrede koning naar de mond praatten en David, die niets misdaan had, zwartmaakten. Het kan ook uit Davids oude dag komen, toen het land telkens weer in opstand kwam. De hele psalm is een beroep op de hemel, gedaan door iemand met een moedig hart en een zuiver geweten, die door onderdrukking en kwaadaardigheid tot het uiterste is getergd. Zonder twijfel kunnen we in dit lied met het oog van het geloof Davids Heere herkennen.
Indeling
Het makkelijkst verdelen we deze psalm in drie delen. Klacht, gebed en belofte van lofprijs keren namelijk drie keer terug, bijna op dezelfde manier. Zo bad ook onze Heere in de hof drie keer met dezelfde woorden. Het eerste deel loopt van vers 1 tot en met 10, het tweede van vers 11 tot en met 18 en het laatste van vers 19 tot het einde. Elk deel sluit af met een toon van dankbaar zingen.
Uitleg
Vers 1
“Twist, HEERE! met mijn twisters.” Pleit tegen wie tegen mij pleit. Twist met wie met mij twist. Strijd tegen wie met mij strijd voert. Als ze hun zaak in de rechtszaal bepleiten, HEERE, ga hen daar dan tegemoet en versla hen met hun eigen wapens. Elke heilige van God mag dit verwachten: de Voorspraak van de heiligen komt de aanklager van de broeders tegemoet.
“Strijd met mijn bestrijders.” Proberen mijn tegenstanders het ook met geweld, en niet alleen met bedrog? Overwin hen dan. Zet Uw kracht tegenover de hunne. Jezus doet dit voor al Zijn geliefden. Hij is voor hen zowel de Voorbidder als de Kampioen. Welke hulp ze ook nodig hebben, ze krijgen die van Hem. En hoe ze ook worden aangevallen, ze worden doeltreffend verdedigd.
Laten we dus onze zaak altijd in de hand van de HEERE leggen. Mensen kunnen ons niet echt helpen, maar als de hemel ingrijpt, werkt dat altijd. Wat David hier als gunst vraagt, mogen alle heiligen als belofte lezen. In het gericht krijgen ze een goddelijke Voorspraak en in de strijd een goddelijke bescherming.
Vers 2
“Grijp het schild en de rondas, en sta op tot mijn hulp.” In een levendig beeld zien we de HEERE als een strijder die gewapend uittrekt en Zichzelf tussen Zijn knecht en diens vijanden opstelt. Met de twee verdedigingswapens, het grote schild en het kleine, kunnen de grotere en de kleinere beschermingen van Gods leiding in ons leven bedoeld zijn. Dat de HEERE opstaat, betekent dat Hij Zijn knecht in het uur van gevaar met hart en ziel beschermt. Dit dichterlijke beeld laat zien hoe sterk de psalmist besefte dat God bestaat en machtig is. Hij zag Hem als een echte Persoon, Die werkelijk voor Zijn bedrukte kind in actie komt.
Vers 3
“En breng de spies voort, en sluit den weg toe, mijn vervolgers tegemoet.” Voordat de vijand dichtbij komt om te vechten, kan de HEERE hem al wegduwen, als met een lange speer. Onheil op afstand houden is geen geringe daad van goedheid. Denk aan een dappere krijger die met zijn lans een bergpas afsluit en een heel leger tegenhoudt, tot zijn zwakkere broeders veilig weg zijn. Zo houdt de HEERE de vijanden van de gelovige vaak op afstand, tot die man weer op adem is gekomen of zelfs helemaal is ontkomen. Vaak geeft Hij de vijanden van Sion ander werk te doen, en zo geeft Hij Zijn kerk rust. Wat een prachtig gedachtebeeld: Jehova verspert de weg van de vervolgers, houdt hen op de punt van Zijn speer en geeft de opgejaagde heilige tijd om aan hun vervolging te ontsnappen!
“Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.” De HEERE houdt de vijand niet alleen op afstand. Hij kan ook het hart van Zijn knecht tot rust brengen, door met Zijn eigen mond uitdrukkelijk te beloven dat hij veilig is en veilig zal blijven onder Zijn almachtige vleugel. Als je door het vuur van de vervolging gaat, is niets zo kostbaar als de innerlijke zekerheid dat je in God veilig bent. Eén woord van de HEERE neemt al onze angst weg.
Vers 4
“Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken.” Hier zit niets gemeens in. De belasterde man verlangt gewoon naar gerechtigheid, en dat is een natuurlijk en terecht verlangen. Geleid door Gods goede Geest kondigt de psalmist aan dat alle haters van de rechtvaardigen voorgoed in verwarring zullen raken. Wie het evangelie tegenwerkt, zal beschaamd uitkomen. Zelfs de meest tederhartige christen zou het niet anders willen. Als we zondaars als mensen zien, houden we van hen en zoeken we hun beste. Maar als we hen zien als vijanden van God, kunnen we alleen met afschuw aan hen denken en verlangen we trouw naar het mislukken van hun plannen. Geen trouwe onderdaan kan opstandelingen het beste toewensen.
Overgevoelige mensen vinden de taal hier misschien te sterk. Maar diep in hun hart wensen alle goede mensen onruststokers hetzelfde toe: dat hun plannen in rook opgaan.
Vers 5
“Laat hen worden als kaf voor den wind.” Ze waren snel genoeg met aanvallen, laat ze dan ook snel zijn met vluchten. Laat hun eigen angst en de alarmbellen van hun geweten hen zo ontzenuwen dat het zachtste briesje van narigheid hen al heen en weer blaast. Goddeloze mensen hebben geen gewicht en geen houvast. Ze zijn lichtzinnig en missen elke vastheid. Het is dan ook maar eerlijk dat wie zichzelf tot kaf maakt, ook als kaf wordt behandeld. Wanneer dit woord bij mensen zonder genade in vervulling gaat, zullen ze het afschuwelijk vinden om eeuwig zonder rust te zijn: zonder vrede van hart, zonder steun voor de ziel, opgejaagd van angst naar angst en van ellende naar ellende.
“En de Engel des HEEREN drijve hen weg.” Gevallen engelen zullen hen achtervolgen en goede engelen zullen hen kwellen. Wie plezier heeft in vervolging, zal zelf door wrekende geesten worden vervolgd. Kijk eens naar het hele toneel zoals de psalmist het schildert. De woedende vijand wordt eerst op afstand gehouden en dan teruggedreven. Daarna slaat hij halsoverkop op de vlucht, achternagezeten door vurige boden aan wie hij niet kan ontkomen. Zijn pad wordt donker en gevaarlijk, en zijn ondergang is overweldigend.
Vers 6
“Hun weg zij duister en gans slibberig.” Wat een verschrikkingen komen hier samen! Geen licht, geen houvast en een felle wreker op hun hielen! Wat staat de vijanden van God te wachten! Vandaag mogen ze nog razen en tieren, maar hoe snel zal hun toestand veranderen!
“En de Engel des HEEREN vervolge hen.” Hij zit hen, zoals we zeggen, op de hielen. Nooit wijkt Hij opzij. Als een trouwe deurwaarder reikt Hij hun het bevel van de wraak uit en neemt Hij hen gevangen in naam van onwrikbare gerechtigheid. Wee, wee, wee hun die het volk van God aanraken! Hun ondergang komt snel en zeker.
Vers 7
In dit vers brengt de psalmist de kern van zijn aanklacht tegen de dienaren van de duivel naar voren. “Want zij hebben zonder oorzaak”, dat wil zeggen: zonder dat ik hen iets heb aangedaan, hen heb aangevallen of getart. Uit zuivere, eigen boosaardigheid hebben ze “de groeve van hun net voor mij verborgen”, zoals mensen met list en bedrog op wild jagen. Onschuldige mensen zijn vaak ten val gebracht door de strikken die voor hen waren gezet. Ze liepen er zo argeloos in als dieren die in een verborgen kuil struikelen en als in een net gevangen worden.
Het is niet niks als je kunt voelen dat de vijandschap tegen je onverdiend is en dat je het niet zelf hebt uitgelokt met opzettelijk onrecht. Twee keer zegt David in één vers dat zijn tegenstanders “zonder oorzaak” tegen hem samenspanden. Netten maken en kuilen graven kost tijd en moeite. Toch doen de goddelozen dat graag, als ze daarmee maar het volk van God ten val kunnen brengen. Eerlijk vechten past bij eervolle mannen. De aanvallers van Gods kerk kiezen liever gemene, laaghartige plannen, en daarmee laten ze zien wie ze zijn en van wie ze afstammen. We moeten allemaal op onze hoede zijn, want strikken en valkuilen zijn nog steeds de lievelingswapens van de machten van het kwaad.
Vers 8
“De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete.” Deze geweldige verwensing gaat vaak in vervulling. Gods oordelen komen vaak plotseling en zijn onmiskenbaar. De dood stapt het huis van de vervolger binnen zonder eerst op de deur te kloppen. De bliksem van het oordeel schiet uit zijn schuilplaats, en met één slag liggen de goddelozen voor altijd verbrijzeld.
“En zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.” God past vaak, op de wonderlijkste manier, de regel “oog voor oog” toe. Mensen zetten een val en klemmen er hun eigen vingers in. Ze gooien stenen omhoog en die komen op hun eigen hoofd terecht. Hoe vaak is Satan zichzelf te slim af en brandt hij zijn vingers aan zijn eigen kolen! Dit zal ongetwijfeld een van de zwaarste pijnen van de hel zijn: dat mensen zichzelf kwellen met wat ooit de geliefde plannen van hun opstandige geest waren. Ze vloeken en worden vervloekt. Ze trappen tegen de prikkels en verscheuren zichzelf. Ze spuwen stromen vuur, en dat verbrandt hen van binnen en van buiten.
Vers 9
“Zo zal mijn ziel zich verheugen in den HEERE.” Nu hij zo is gered, brengt David de volle eer toe aan de Rechter Die recht doet. Hij brengt geen offer van eigen roem aan zijn eigen dappere arm; hij wendt zich resoluut af van de spot en de tegenstand van zijn belagers. In plaats daarvan richt hij zijn oog op de Levende God, vindt in Hem een diepe, ongebroken vreugde en geniet met heel zijn ziel van Zijn heilrijke nabijheid.
“Zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.” We juichen niet om de ondergang van anderen, maar om de redding die God ons heeft gegeven. Een verhoord gebed moet altijd tot lofprijs leiden. Het zou goed zijn als we onze heilige blijdschap duidelijker lieten merken. Wie dankbare gevoelens onderdrukt, berooft God.
Vers 10
Alsof de tong alleen niet genoeg is om God te zegenen, laat David elk lichaamsdeel meespreken: “Al mijn beenderen zullen zeggen: HEERE, wie is U gelijk!” Zijn hele lichaam zou hij van dankbaarheid willen laten klinken. De beenderen die mijn vijanden zouden breken, zullen nu God loven. Ieder van hen brengt zijn bijdrage en roemt dat niemand zo voortreffelijk is als Jehova, de Redder van Zijn volk. Zelfs als ik tot op het bot versleten ben, zal mijn skelet nog de HEERE groot maken: “U, Die den ellendige redt van dien, die sterker is dan hij, en den ellendige en nooddruftige van zijn berover.”
God is de kampioen, de echte ridder die rondtrekt om alle onderdrukten te helpen. Waar zoveel neerbuigende liefde, gerechtigheid, goedheid, macht en medelijden zijn, horen de verhevenste liederen gezongen te worden.
Kom, beste lezer, ben jij niet verlost van zonde, Satan en dood? Wil je de Verlosser dan niet zegenen? Je was arm en zwak, maar op Zijn tijd zocht Christus je op en maakte Hij je vrij. Maak de HEERE vandaag groot en spreek goed over Zijn naam.
Vers 11
“Wrevelige getuigen staan er op.” Dit is de oude list van de goddelozen. We moeten ons niet verbazen als die ook tegen ons wordt gebruikt, net zoals tegen onze Meester. Om Saul te behagen waren er altijd mannen te vinden die laag genoeg waren om David aan te klagen.
“Hetgeen ik niet weet, eisen zij van mij.” Hij had zelfs geen gedachte aan oproer. Hij was trouw, bijna tot overdreven toe. Toch beschuldigden ze hem ervan dat hij samenspande tegen de gezalfde van de HEERE. Hij was niet alleen onschuldig. Hij wist zelfs niets van de schuld waarvan ze hem beschuldigden. Het is goed als onze handen zo schoon zijn dat er geen spoortje vuil aan zit.
Vers 12
“Zij vergelden mij kwaad voor goed.” Dit is duivels. Maar mensen hebben deze les van de oude Verwoester goed geleerd en passen haar perfect toe. “De beroving mijner ziel.” Ze ontnamen hem zijn troost en hadden zelfs zijn leven genomen als God niet op bijzondere wijze had ingegrepen. De goddelozen zouden de rechtvaardigen tot op hun ziel kaalplukken, want ze kennen geen medelijden. Menselijke boosheid heeft alleen de grenzen die God Zelf wil stellen.
Vers 13
“Mij aangaande daarentegen, als zij krank waren, was een zak mijn kleed.” David was een man met medeleven. Toen Saul ziek was, rouwde hij en trok hij de rouwkleren aan, alsof Saul een naaste, dierbare vriend was. Zijn hart was bedroefd om zijn zieke meester.
“Ik kwelde mijn ziel met vasten.” Hij bad voor zijn vijand en maakte de ziekte van de lijder tot de zijne. Hij pleitte en beleed zijn schuld alsof zijn eigen zonde dit kwaad had veroorzaakt. Dat laat zien hoe edel David was, en het maakt de laaghartigheid van zijn huidige vervolgers nog groter.
“En mijn gebed keerde weder in mijn boezem.” Gebed gaat nooit verloren. Als het hen niet zegent voor wie we bidden, zegent het wel degene die bidt. Wolken regenen niet altijd neer op de plek waar het water is opgestegen, maar ergens komen ze toch neer. Zo laten ook smeekgebeden ergens hun regen van barmhartigheid vallen. Als onze duif onder onze vijanden geen rustplaats voor haar voet vindt, vliegt ze terug naar onze borst en brengt ze een olijftak van vrede in haar snavel mee. Wat een scherp contrast in deze hele psalm tussen de rechtvaardige en zijn vijanden! We moeten ons ernstig inspannen om die scheidslijn breed en duidelijk te houden.
Vers 14
“Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware.” Ik wachtte hem trouw op, troostte hem liefdevol en leefde diep met hem mee. Hier kan David de dagen bedoelen waarop hij harp speelde en daarmee de boze geest van Saul verdreef.
“Ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.” Hij boog zijn hoofd, zoals rouwenden doen. Het diepste menselijke verdriet is wat hij voelde toen zij in nood zaten. Meestal houden we het meest van onze moeder, en haar verlies voelen we het scherpst. Zo groot was Davids verdriet.
Hoe weinig belijders van het geloof hebben tegenwoordig zoveel innerlijk mededogen! En toch hoort er onder het evangelie veel meer tedere liefde te zijn dan onder de wet. Hadden we meer warme liefde voor de mensheid en zorg voor haar ontelbare kwalen, dan konden we veel nuttiger zijn. We zouden zeker oneindig meer op Christus lijken. “Die het beste bidt, heeft het meest lief.”
Vers 15
“Maar als ik hinkte, waren zij verblijd.” Toen ik struikelde, vonden ze het heerlijk. Mijn kreupelheid was een spelletje voor hen. Het gevaar was nabij en ze zongen liederen over mijn verwachte nederlaag. Wat zijn goddelozen blij als ze een goed mens zien hinken! “Nu”, zeggen ze, “gaat hij ten val komen.”
“En verzamelden zich”, als wouwen en gieren rond een stervend schaap. Mijn ondergang was hun gezamenlijke vreugde en mijn verdriet hun vermaak, dus kwamen ze bijeen om feest te vieren. Ze staken de koppen bij elkaar om te bedenken wat ze zouden doen, en hun tongen om te bedriegen.
“Zij verzamelden zich tot mij als geslagenen.” Kerels die een pak slaag verdienden, schurken die de zweep dik verdiend hadden, kwamen samen om kwaad te smeden en hielden vergaderingen in donkere hoekjes. Als straathonden rond een zieke leeuw beledigden en bespotten deze gemene ellendelingen iemand voor wie ze eens bang waren geweest. Zelfs de kreupelen strompelden naar buiten om zich bij het boosaardige gezelschap aan te sluiten. Wat zijn de machten van het kwaad eensgezind! Wat dienen mensen de duivel van harte! En niemand haakt af omdat hij niet over grote gaven beschikt!
“Ik merkte niets.” Het gebeurde allemaal achter mijn rug. Wat kan de wereld een drukte maken, terwijl degene die het allemaal veroorzaakt heeft misschien niet eens weet dat hij aanstoot heeft gegeven.
“Zij scheurden hun klederen, en zwegen niet stil” (Engels: zij scheurden mij, en hielden niet op). Het is zo’n heerlijk werkje om het karakter van een goed mens aan flarden te scheuren, dat lasteraars er niet meer mee willen ophouden zodra ze eenmaal begonnen zijn. Een troep honden die hun prooi verscheurt, stelt niets voor naast een stel kwaadaardige roddelaars die de goede naam van een achtenswaardig man verscheuren. Dat liefhebbers van het evangelie in onze tijd niet worden verscheurd en toegetakeld zoals in de oude dagen van koningin Maria, komt door Gods leiding en niet doordat mensen zachter zijn geworden.
Vers 16
“Onder de huichelende spotachtige tafelbroeders knersten zij over mij met hun tanden.” Denk aan beroepsnarren die rond een feestmaal staan te grijnzen om de gasten te vermaken. Zo maakten deze mannen er hun werk van om de goede man belachelijk te maken. Niet uit vrolijkheid, maar uit felle haat die nooit genoeg kreeg. Het waren koekspotters: mensen die voor een stuk brood bereid zijn te spotten. Deze ingehuurde schurken zaten David achterna om zelf hun buik te vullen aan Sauls tafel. Bovendien koesterden ze diep vanbinnen wrok tegen de zoon van Isaï, omdat hij een beter mens was dan zijzelf.
Onze Heere had deze woorden met het volste recht kunnen gebruiken! Vergeten we niet dat we hier Hem getekend zien Die door de mensen veracht en verworpen werd. Golgotha en het ruwe gepeupel rond het kruis staan ons als het ware voor ogen.
Vers 17
“HEERE! hoe lang zult Gij toezien?” Waarom blijft U maar kijken? Waarom bent U zo achteloos tegenover Uw knecht? Laat het U koud? Kan het U niet schelen dat we vergaan? Zo mogen we met de HEERE praten. Hij staat die openhartigheid toe. Er is een tijd voor onze verlossing. Maar als we ongeduldig zijn, lijkt die tijd vaak maar niet te komen. Toch heeft Gods wijsheid het uur vastgesteld, en niets zal het uitstellen.
“Breng mijn ziel weder van hunlieder verwoestingen.” Maak mij vrij van hun vele plannen en hun steeds nieuwe aanvallen. “Mijn eenzame”: mijn dierbare, enige, kostbare ziel. Red die, HEERE, “van de jonge leeuwen”. Zijn vijanden waren fel, sluw en sterk als jonge leeuwen. Alleen God kon hem uit hun muil redden. Daarom wendt hij zich tot Hem.
Vers 18
“Zo zal ik U loven in de grote gemeente.” Bijzondere reddingen moeten we opschrijven en overal vertellen. Alle heiligen moeten horen hoe goed de HEERE is. Dit onderwerp verdient de grootste menigte. Wat een gelovige met God meemaakt, is de moeite waard voor het hele heelal. De meeste mensen maken hun verdriet openbaar. Goede mensen horen hun weldaden luid uit te roepen.
“Onder machtig veel volks zal ik U prijzen.” Onder vrienden en vijanden zal ik de God van mijn zaligheid groot maken. Lofprijzing, persoonlijk en openlijk, lofprijzing die nooit ophoudt: dat hoort elke dag opnieuw naar de Koning van de hemel op te stijgen. Zo eindigt Davids gebed voor de tweede keer in lofprijzing. Zo hoort elk gebed te eindigen.
Vers 19
David bidt vurig dat zijn vijanden, die geen enkele reden hebben voor hun vijandschap, ook geen reden mogen krijgen om te juichen over zijn dwaasheid, zijn zonde of zijn ondergang. “Noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten.” Dat knipogen was het gemene teken waarmee ze elkaar feliciteerden met de val van hun slachtoffer. Misschien hoorde het ook bij de hatelijke gebaren waarmee ze staarden naar de man die ze minachtten. Haat uitlokken is het kenmerk van de goddelozen. Zonder reden gehaat worden is het lot van de rechtvaardigen. God is van nature de Beschermer van iedereen die onrecht wordt aangedaan, en Hij is de vijand van alle onderdrukkers.
Vers 20
“Want zij spreken niet van vrede.” Ze houden niet van vrede, hoe zouden ze die dan kunnen spreken? Ze zijn zelf zulke onruststokers dat ze anderen niet als vredelievend kunnen zien. Waar het hart vol van is, loopt de mond van over. Mensen die oproer stoken, beschuldigen anderen van opstand. “Zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land.” David wilde niets liever dan een rustig burger zijn. Zij deden hun best om hem tot rebel te maken. Hij kon niets goed doen, want alles wat hij deed werd verdraaid.
Dit is een oude list van de vijand: goede mensen brandmerken met een S.S. op hun wangen, als zaaiers van oproer, terwijl zij altijd een onschuldig volkje zijn geweest, schapen te midden van wolven. Wie kwaad wil, heeft snel een aanleiding gevonden. Gewetenloze partijgangers durfden zelfs Jezus ervan te beschuldigen dat Hij de keizer van zijn troon wilde stoten. Hoeveel eerder beschuldigen ze dan Zijn huisgezin! Ook nu worden mensen die opkomen voor de koninklijke rechten van Koning Jezus uitgemaakt voor vijanden van de kerk, voorstanders van het pausdom, vrienden van atheïsten, gelijkmakers, rode republikeinen, en wat al niet meer. Billingsgate en Babylon hebben de handen ineengeslagen.
Vers 21
“En zij sperren hun mond wijd op tegen mij.” Alsof ze hem in één keer wilden inslikken. Grote leugens hebben nu eenmaal een wijde mond nodig. Ze kennen geen grenzen in hun schandelijke beschuldigingen. Ze gooien er een enorme hoeveelheid smaad uit, in de hoop dat er van al dat vuil wel iets blijft hangen. “Zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien!” Wat zijn ze blij met een fout of een tegenslag. Of ze zweren dat ze kwaad hebben gezien waar helemaal geen kwaad was.
Boosaardigheid heeft maar één oog. Ze is blind voor alle goede dingen in haar vijand. Ogen zien meestal wat het hart graag wil zien. Wie een stofje in zijn oog heeft, ziet een vlek in de zon. Wat lijkt een mens op een ezel als hij balkt over andermans ongeluk! En wat lijkt hij op een duivel als hij een hyenalach laat horen over de misstappen van een goed mens! Boosaardigheid is dwaasheid. Als ze een feest viert, zijn haar toon en haar gebaren veel erger dan alle malle streken en vermommingen van de Heer van de wanorde.
Vers 22
“HEERE! Gij hebt het gezien.” Hier is troost. Onze hemelse Vader kent al ons verdriet. Zijn alwetendheid is de kaars van de heilige die nooit uitgaat. Een vader kijkt niet lang toe terwijl zijn kind wordt mishandeld. Zou God dan Zijn eigen uitverkorenen niet wreken? “Zwijg niet.” Weer Uw vijanden en de mijne de mond, HEERE. Eén woord is genoeg. Zuiver mijn naam, troost mijn hart.
“HEERE! wees niet verre van mij.” Loop met mij door de smeltoven. Sta naast mij aan de schandpaal. Gods zoete nabijheid is de goddelijke hartversterking voor wie vervolgd wordt. Zijn pijnlijke afwezigheid zou voor hen de diepste ellende zijn.
Vers 23
“Ontwaak en word wakker.” Wees op Uw hoede. Laat zien dat U geen onverschillig getuige bent van al deze schande. “Tot mijn recht.” Neem de scepter ter hand en roep de grote rechtszitting bijeen. Houd de gerechtigheid hoog en wreek het onrecht. Draal niet, zoals mensen die slapen. “Mijn God en HEERE! tot mijn twistzaak.” David eist de nabijheid van zijn God op. Hij houdt Hem met beide handen vast en legt zijn zaak neer bij de rechtvaardige Rechter. Hij smeekt dat zijn zaak wordt aangebracht, gehoord en beoordeeld, en dat het vonnis wordt uitgesproken. Wat is het goed voor een mens als zijn geweten zo zuiver is dat hij zo’n beroep durft te doen.
Vers 24
Het beroep wordt hier herhaald. De eiser voelt dat de vreugde van zijn beschuldigers nog maar kort zal duren, zodra eerlijke gerechtigheid regeert. Het onrecht van de onderdrukkers, de hoon van de hoogmoedige, de grimas van de dwaas: alles, alles houdt op wanneer de rechtvaardige HEERE op de rechterstoel gaat zitten.
Vers 25
“Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!” Laat hun prooi hun ontglippen, nu hun monden al open staan om haar te verslinden. Voor de machten van het kwaad zijn de heiligen een te dierbaar hapje. God geeft Zijn schapen niet prijs aan de wolfskaken van de vervolgers. Net als ze hun fluiten stemmen om hun overwinning te vieren, zullen ze aan de andere kant van hun mond leren lachen. Ze zijn veel te zeker van zichzelf en veel te opschepperig. Ze rekenen buiten de waard. Ze hebben geen flauw idee hoe hun plannen zullen eindigen. Hun vogel zal gevlogen zijn, en zijzelf zitten in de val.
Het gebed in deze tekst is een belofte. Nog voordat de goddelozen een juichrede kunnen uitspreken, worden ze teleurgesteld. Wat ze in hun hart zeggen, wordt hun voor de mond weggenomen. Hun wensen lopen op niets uit, en hun gemene streken komen aan het licht.
Vers 26
Hier zien we waar al het harde werk en alle sluwe plannen van de vijanden van de HEERE op uitlopen, voor eeuwig. God maakt weinig van hen over, ook al zijn zij het “die zich tegen mij groot maken”. Hij zet hen te schande omdat zij Zijn volk te schande hebben gezet. Hij brengt hen in verwarring omdat zij verwarring hebben gezaaid. Hij rukt hun mooie kleren van het lijf en geeft hun een armzalig pak van schande. Al hun gejuich verandert Hij in huilen, wenen en tandengeknars. Echt, de heiligen kunnen het zich veroorloven te wachten.
Vers 27
“Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid.” Ook wie hem geen echte hulp konden bieden, maar hem in hun hart goedgezind waren, wil David door de HEERE rijkelijk beloond zien. Mensen met een zacht hart hechten veel waarde aan de goede wensen en gebeden van Gods volk. Ook Jezus waardeert hen wier hart bij Zijn zaak is. De dag komt dat allen die aan de kant van Christus staan een overwinningskreet zullen aanheffen. Want het gevecht zal keren, en de vijanden van de waarheid worden op de vlucht gejaagd.
“En laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij de HEERE.” David wil dat hun blijdschap dienstbaar is aan Gods eer. Ze moeten niet juichen tot lof van David, maar tot eer van Jehova. Zulk gejuich mag voortduren, door de tijd heen en tot in de eeuwigheid.
“Die lust heeft tot den vrede Zijns knechts!” Zij erkenden David als knecht van de HEERE, en zagen met vreugde hoe goed de HEERE voor hem was. We kunnen geen mooiere titel hebben dan “knecht van God”. En er is geen grotere beloning dan dat onze Meester plezier heeft in ons welzijn. Wat echte voorspoed is, kunnen we zelf niet altijd het beste inschatten. Laten we dat aan Jezus overlaten. Hij zal niet nalaten alles zo te besturen dat het ons tot het grootste goed strekt.
“Al Zijn heiligen zullen met vreugde belijden
Dat wat Hij doet het beste is, in alle tijden.”
Vers 28
Hier wordt onophoudelijke lofprijzing beloofd aan de rechtvaardige en genadige God. Van de morgen tot de avond zal de dankbare tong spreken, zingen en de HEERE verheerlijken. Was het maar zo dat wij allemaal zo’n besluit zouden uitvoeren!
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Bonar geeft deze psalm als opschrift: “De vreselijke uitspraak van de Rechtvaardige over hen die Hem zonder oorzaak haten.” Daarbij maakt hij de volgende opmerkingen:
“Door de eindeloze dag van de eeuwigheid heen zal de Heere Jezus Zelf de ‘lof’ van de Vader uitspreken. Hij zal nadruk leggen op Zijn ‘gerechtigheid’: de gerechtigheid die zal zijn getoond, zowel in het vonnis over wie de aangeboden Verlosser haatten, als in de redding van wie Hem aannamen. Daar is niets bij waar de Zijnen niet volledig achter kunnen staan. Zeker niet op die dag, wanneer hun blik op gerechtigheid veel helderder en ruimer zal zijn dan nu.
Op die dag zullen we begrijpen hoe Samuël Agag in stukken kon hakken. En hoe de godvrezende legers van Israël in Kanaän man, vrouw en kind op Gods bevel helemaal konden uitroeien. We zullen dan niet alleen kunnen instemmen met het vonnis: ‘Laat hen beschaamd … worden’, enzovoort. We zullen zelfs ‘Amen, Halleluja’ zingen boven de rook van de pijniging. Openb. 19:1-2. Nu al zouden we tot op zekere hoogte elk vers van deze psalm kunnen gebruiken in de geest waarin de Rechter het uitspreekt, omdat we onszelf zien als Zijn bijzitters bij het oordeel over de wereld. 1 Kor. 6:2. In elk geval zullen we hem kunnen gebruiken op die dag, wanneer alles wat hier staat geschreven is vervuld.” — Andrew A. Bonar.
Vers 1
“Twist, HEERE! met mijn twisters.” 1. Veroordeelt de wereld je om je ijver in de dienst van God? Spot ze smadelijk met je zorg om goede werken vol te houden? Schaamt ze zich niet om je te belasteren met het verwijt dat je het te nauw neemt, een ingebeelde eigenaardigheid hebt, of een farizeïsche huichelaar bent? Maar als je geweten je al die tijd niet veroordeelt, als het is rechtgezet door het heilige Woord van God, als je Zijn eer zoekt in je streven naar je eigen zaligheid en je niet schaart aan de kant van de onruststokers in de kerk, ga dan door, goede christen, met je godsvrucht. Ontmoedig jezelf niet in je lofwaardige pogingen. Bedenk met troost dat de HEERE je rechter is (1 Kor. 4:4), met een scio cui crediderim: “ik weet, Wien ik geloofd heb”. 2 Tim. 1:12.
- Word je ten onrechte veroordeeld in de dwalende rechtbanken van mensen? Zijn waarheid en rechtvaardigheid van hun plaats geraakt? Wordt eerlijkheid verwaarloosd en wordt de arme overweldigd? Houd dan nog even geduld en vat nieuwe moed. Er is een God Die de onschuld van je zaak ziet. Bij Hem mag je je laatste beroep indienen: “Twist, HEERE! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders.”
Of 3. Word je op een andere manier onrecht aangedaan door kwaadwillende mensen? En ben je te arm om een schadevergoeding te eisen? Onderdrukt een Nimrod je? Bedriegt een Laban je? Knijpt een inhalige huisbaas je uit? Neem de zaak dan toch niet in eigen hand door het met ongeoorloofde middelen te proberen. Maak jezelf geen rechter in je eigen zaak, omdat het recht niet meteen komt. Denk liever vaak aan wat de apostel zijn Thessalonicenzen leerde: “Het recht is bij God verdrukking te vergelden dengenen, die u verdrukken.” — Isaac Craven, preek te Paul’s Cross, 1630.
Vers 1
“Twist”, enzovoort. Letterlijker: procedeer, HEERE, met hen die tegen mij procederen. Strijd tegen hen die met mij strijden. Dat betekent: neem wraak voor mij op mijn tegenstanders. — Daniel Cresswell, D.D., F.R.S., in “The Psalms of David according to the Book of Common Prayer: with Critical and Explanatory Notes”, 1843.
Vers 2
“Het schild en de rondas.” Het woord dat hier met “schild” is vertaald, is in de Hebreeuwse tekst (Hebr.) magen: een klein, kort schild dat alleen bedoeld was om je te verdedigen. Het woord dat met “rondas” is vertaald, is (Hebr.) tsinnah. Dat was twee keer zo zwaar als de magen en werd door het voetvolk gedragen. De magen was lichter en handiger en werd gebruikt door de ruiterij. De tsinnah kwam overeen met de scutum van de Romeinen, en de magen met hun clypeus. Het woord tsinnah staat voor het soort schild waarvan het midden een grote knop had, bekroond met een dolk. In de oude oorlogvoering was dat schild erg bruikbaar, zowel om je te verdedigen als om aan te vallen. — James Anderson, aantekening bij Calvijn op deze plaats.
Vers 3
“Breng de spies voort, en sluit den weg toe.” In de dagen van Saul en David was de speer een geliefd wapen. (Zie 1 Kron. 11.) Een dapper man die een nauwe doorgang moedig verdedigt, kan met niets dan zijn lans een achtervolgend leger tegenhouden. Zo geeft hij zijn vrienden tijd om te ontkomen. In de oosterse oorlogvoering werden opmerkelijke heldendaden van die soort verricht. David zou graag willen dat zijn God zijn heldhaftige verdediger werd en zijn vijanden liet stilstaan. — C. H. S.
Vers 3
“Breng voort”, of, zoals de Hebreeuwse uitdrukking luidt, ontbloot. Dat wil zeggen: trek uit de schede. Hetzelfde geldt voor het zwaard. Ex. 15:9; Lev. 26:33. — Henry Ainsworth.
Vers 3
“Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.” Let op twee dingen. Ten eerste: een mens kan zekerheid over zijn zaligheid werkelijk krijgen. David zou nooit bidden om iets wat onmogelijk is. En Petrus zou ons nooit een opdracht geven die niemand kan uitvoeren. Hij schrijft in 2 Petr. 1:10: “Benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken.” Om de schreeuwende monden van alle muggenzifters te stoppen, geeft Paulus er zelf het bewijs: “Kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt.” 2 Kor. 13:5. Wij kunnen dus weten dat Christus in ons is. Is Christus in ons, dan zijn wij in Christus. En zijn wij in Christus, dan kan niemand ons veroordelen, want (Rom. 8:1): “Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn.”
Dat die zekerheid mogelijk is, neem ik hier dus als vaststaand aan. Waar het mij om gaat, is dat wij haar ook echt zélf zeker maken. De papisten ontkennen dit en leren het tegendeel: zaligheid kun je nooit zeker weten. Veel plezier ermee, met hun armzalige en hooploze leer! Wat God voor velen zo gemakkelijk heeft gemaakt, maken zij voor iedereen onmogelijk. Daarom zeg ik met de woorden van Jakob: “Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad.” Gen. 49:6.
Ten tweede: ook de beste heiligen hebben ernaar verlangd hun zaligheid zeker te maken. David wist het al, en toch smeekt hij om nog méér zekerheid. “Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt” (Psalm 41:12); en toch bidt hij hier nog steeds: dic animae, “Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.” Een mens kan nooit te zeker zijn van zijn weg naar de hemel. — Thomas Adams.
Vers 3
“Zeg tot mijn ziel.”
- God kan met Zijn eigen stem spreken. Zo gaf Hij Abraham zekerheid: “Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.” Gen. 15:1. Als God troost toespreekt, laat de hel dan maar brullen van schrik. 2. Hij kan spreken door Zijn werken. Echte daden van barmhartigheid bewijzen ons dat wij in Zijn gunst staan en niet veroordeeld zullen worden. “Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.”
- Hij kan spreken door Zijn Zoon. “Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” Matth. 11:28.
- Hij kan spreken door Zijn Schrift. Dit is Gods brief aan ons, Zijn open brieven, waarin Hij ons alle voorrechten van de zaligheid schenkt. Een uitnodiging voor iedereen, een algemeen si quis: “Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.”
- Hij kan spreken door Zijn dienaren, aan wie Hij “de bediening der verzoening” heeft toevertrouwd. 2 Kor. 5:18.
- En Hij spreekt het door Zijn Geest. Hij “heeft den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!” Gal. 4:6.
Door al deze stemmen zegt God tot Zijn uitverkorenen: “Ik ben uw Heil.” … “Mijn.” Geen pijn is zo scherp als de pijn van de ziel, en ook geen troost is zo diep als de troost van de ziel … Laten we dus veel waarde hechten aan dit woordje “Mijn”. Luther zegt dat er grote godgeleerdheid schuilt in voornaamwoorden. Weten dat God sommigen zal redden, is een geloof dat zelfs duivels hebben. Ook de verworpenen kunnen geloven dat er een boek der verkiezing bestaat. Maar God heeft hun nooit gezegd dat hun namen daarin geschreven staan.
De hongerige bedelaar bij de poort van het feestgebouw ruikt het heerlijke eten, maar de heer van het huis zegt niet tegen hem: “Dit is voor u klaargezet.” Het is een schrale troost voor een dakloze ellendeling om door een mooie stad te lopen en al die prachtige gebouwen te zien, als hij niet kan zeggen: Haec mea domus, hier heb ik een plek. De pracht van die schitterende stad Jeruzalem, gebouwd van saffieren, smaragden, chrysolieten en dergelijke kostbare stenen, met fundamenten en muren van zuiver goud (Openb. 21), geeft een ziel geen enkele troost, tenzij hij kan zeggen: Mea civitas, daar heb ik een woning. De alles overtreffende verdiensten van Christus doen je geen goed, tenzij Hij, tua pars et portio, jouw Zaligmaker is. Gelukkige ziel die met de psalmdichter kan zeggen: “De HEERE is mijn deel!” Laten wij allemaal olie in onze lampen hebben. Anders moeten wij straks kopen, bedelen of lenen, en worden we buitengesloten zoals de dwaze maagden, niet waardig om binnen te gaan. Bid daarom: “HEERE, zeg tot onze ziel: Ik ben uw Heil.”
… Wie? Wat? Aan wie? Wanneer? Wie? De HEERE! David bidt tot de HEERE, en dat is een goede keuze, want er is geen redding bij iemand anders. “Het heeft u bedorven, o Israel! want in Mij is uw hulp.” Hos. 13:9. De wereld laat ons in de steek, het vlees laat ons in de steek, de duivel maakt ons kapot. Alleen de HEERE redt. Wat? Zaligheid. Een kostbaar goed, het verlangen van ieder mens. Ik geef je een heerschappij, zegt God tegen Ezau. Ik geef je een koninkrijk, zegt God tegen Saul. Ik geef je een apostelschap, zegt God tegen Judas. Maar: Ik wil je zaligheid zijn, zegt Hij tegen David, en tegen niemand anders dan heiligen.
Aan wie? “Uw Heil.” Niet alleen dat van anderen, maar ook “uw”. Een mens en een christen zijn twee verschillende schepselen. Iemand kan een mens zijn die verstand heeft en uiterlijke zegeningen, maar alleen wie geloof heeft en deel aan de zaligheid van Christus, is een christen. God is overvloedige zaligheid, maar het komt niet vaak voor dat iemand een cui vindt: een ‘aan wie’. Veel van de hemel gaat verloren omdat er geen hand is die hem vastgrijpt. Wanneer? Nú: “Ik ben.” Sum, non sufficit quod ero: ‘ik ben’, want ‘ik zal zijn’ is niet genoeg. Voor Israël in gevangenschap is het een troost dat God zegt: Ero tua redemptio, Ik zal je verlossen. Maar de zekerheid die het geweten tot rust brengt, is deze: “Ik ben uw Heil.” Zoals God tot Abraham zei: “Vrees niet; want Ik ben met u.” Uitgestelde hoop maakt het hart ziek. Wat God ons ook nog niet heeft verzekerd, laten we Hem vooral bidden dit niet uit te stellen: “HEERE, zeg tot onze ziel: Ik ben uw Heil.” — Samengevat uit Thomas Adams.
Vers 4
“Laat hen beschaamd en te schande worden.” Hier begint David met zijn verwensingen. Toch spreekt hij ze niet uit als vloeken, zegt Theodoretus, maar liever als profetie. Als wij ooit op ons nemen om zo te verwensen (en in sommige gevallen mag dat), moeten wij goed opletten. Ten eerste moet onze zaak rechtvaardig zijn. Ten tweede mogen we het niet doen uit persoonlijke wraak, maar alleen voor de eer van God. En ten derde mogen we geen enkele lettergreep van deze aard uitspreken, behalve onder leiding van Gods goede Geest. — John Trapp.
Verzen 4-8, 26
Hoe moeten wij zulke gebeden om wraak verklaren? We vinden ze vooral in vier psalmen: de zevende, de vijfendertigste, de negenenzestigste en de honderdnegende. De verwensingen daarin lopen op tot een vreselijk hoogtepunt. In de laatste psalm zijn er maar liefst dertig banvloeken geteld. Zijn dit slechts uitbarstingen van hartstochtelijk en ongeheiligd gevoel? Of zijn ze de rechtmatige uiting van rechtvaardige verontwaardiging? Zijn ze te verontschuldigen als gedreven door “de geest van Elia”, een geest die zeker niet onheilig is, maar toch ver afstaat van de zachtmoedigheid en vriendelijkheid van Christus? Of zijn het vaste vormen waarin godsvrucht zich kan uiten? Zijn ze alleen Joods, of kunnen ze ook christelijk zijn?
Zoals bekend heeft onwetende kieskeurigheid velen doen terugdeinzen voor het lezen van deze psalmen. Veel mensen merkten dat hun lippen aarzelden wanneer ze in de gemeente werden gevraagd ze mee te bidden. Ze spraken ze uit met ingehouden adem en een twijfelend hart, of legden ze uit op een manier die ver van de letterlijke tekst afwijkt. Sommigen probeerden ze met een meer verlicht geweten in overeenstemming te brengen door deze woorden niet als wens op te vatten, maar als voorspelling. Maar de Hebreeuwse wensvorm, die duidelijk te onderscheiden is van de gewone toekomende tijd, sluit deze uitweg volstrekt uit. Anderen zien in deze woorden uitdrukkingen die we mogen gebruiken in de strijd van de ziel tegen geestelijke vijanden. En tot slot verdedigen sommigen ze als uiting van rechtvaardige ijver voor Gods eer. Zij herinneren ons eraan dat we zulke ijver misschien niet delen, niet omdat onze godsdienst zuiverder is, maar omdat onze harten kouder zijn.
De echte oorzaak van de moeilijkheid ligt hierin dat we het wezenlijke verschil tussen het Oude en het Nieuwe Testament over het hoofd zien of vergeten. De oudere bedeling was in elk opzicht strenger dan de nieuwe. De geest van Elia was geen kwade geest, maar het was niet de geest van Christus. “De Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden.” Luk. 9:56. Door Hem krijgen Zijn discipelen deel aan dezelfde geest. Maar dat was niet de geest van de oudere bedeling.
Het Joodse volk was opgevoed in een strengere school. Het was gestaald en verhard door een tucht die het had verplicht tot een uitroeiingsoorlog tegen de afgodendienaars. Hoe noodzakelijk die tucht ook mocht zijn, ze bevorderde de zachtere deugden niet. We kunnen ons voorstellen hoe zelfs een rechtvaardig man onder zo’n tucht taal kon gebruiken die ons onnodig wraakzuchtig voorkomt. Hij voelde het als zijn plicht om het kwaad overal uit te roeien waar hij het zag, en hij vereenzelvigde zijn eigen vijanden met de vijanden van Jehova. Voor mensen die zo waren opgevoed en onderwezen, was wat wij “godsdienstige verdraagzaamheid” noemen niet alleen verkeerd, maar volstrekt ondenkbaar.
Het kan best waar zijn dat wraak in het Oude Testament even rechtstreeks wordt verboden als in het Nieuwe, bijvoorbeeld in Lev. 19:18: “Gij zult niet wreken”, enz. Al staat daar zelfs een beperking bij: “tegen de kinderen uws volks”. En het is even waar dat we ook in het Nieuwe Testament voorbeelden van verwensingen vinden. Paulus zegt bijvoorbeeld (2 Tim. 4:14): “Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaads betoond; de Heere vergelde hem naar zijn werken.” Of hij roept uit (Hand. 23:3): “God zal u slaan, gij gewitte wand!” Of: “Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking.” Maar zelfs deze uitspraken verschillen sterk van de gevarieerde, doordachte, zorgvuldig opgebouwde en gedetailleerde banvloeken van de Psalmen. En de aanklachten van onze Heere, waar Hengstenberg naar verwijst, zijn allesbehalve gelijkwaardig. Het zijn geen vloeken over personen, maar plechtige uitspraken van de grote waarheid: “Indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan.”
Maar wat men ook zegt over afzonderlijke teksten: de algemene toon in de twee verbonden is ontegenzeglijk verschillend. Dat ontkennen is niet Mozes eren, maar Christus onteren. Matth. 5:43; Matth. 19:8. Aan de andere kant mogen we niet vergeten dat deze verwensingen niet voortkomen uit een hartstochtelijk verlangen naar persoonlijke wraak. De zanger ziet in zijn vijanden ongetwijfeld de vijanden van God en van Zijn kerk. Wie niet met hem is, is tegen God. En omdat de ijver voor Gods huis hem verteert, bidt hij dat alle werkers der ongerechtigheid worden uitgeroeid. Zijn verontwaardiging is dus rechtvaardig, ook al komt ze ons verkeerd gericht voor, of overdreven in de manier waarop ze wordt uitgesproken.
Nog iets: een donkere wolk onttrok Gods oordeel in de toekomstige wereld aan het zicht van de heiligen van het Oude Testament. Dat kan worden aangevoerd als verontschuldiging voor hun verlangen om Hem hier al wraak te zien nemen op Zijn vijanden. Hoe diep de vraag naar Gods gerechtigheid hun gemoed bezighield, blijkt uit tal van plaatsen in de Psalmen. Zij verlangden ernaar die gerechtigheid zichtbaar te zien. Naar hun idee kon ze alleen zichtbaar worden in de duidelijke verhoging van de rechtvaardigen en de duidelijke ondergang van de goddelozen hier op aarde. Met hun blik steeds gericht op vergelding in dit leven konden ze daarom zelfs de ondergang van de goddelozen wensen en erom bidden. De verschrikkelijke dingen van de toekomstige wereld waren grotendeels voor hun ogen verborgen. Hadden ze die kunnen zien, dan had hun gebed zeker niet geluid: “De Engel des HEEREN vervolge hen”, of “Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens”. Dan hadden ze eerder gebeden met Hem Die aan het kruis hing: “Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen.” — J. J. Stewart Perowne.
Verzen 4, 8, 26
David was zo vrij van wraakzucht als maar weinig mensen in het openbare leven. Zijn gedrag tegenover Saul toonde van begin tot eind een bijzonder edele geest, ver verwijderd van wraaklust. De zachtmoedigheid waarmee hij de bittere verwijten van Simeï verdroeg, getuigde van dezelfde geest, toen hij de troon al had bestegen. …… Overzie je Davids hele loopbaan met verstand en billijkheid, dan houd je de indruk over van een man met een zo zachtmoedig en verzoenlijk karakter als maar ooit samenging met zo’n sterke wil en zulke heftige hartstochten. Zelfs in de hitte van plotselinge woede liet hij zich niet gauw meeslepen tot daden van wraak.
Dan zou het toch vreemd en onverklaarbaar zijn geweest als hij zich minder meester over zijn eigen geest had getoond in gedichten die hij schreef in stille tijden van afzondering en omgang met God. Zeker omdat juist deze gedichten een scherp besef uitdrukken van de gruwelijkheid van de zonde die hem werd aangewreven. Over zijn onverzoenlijke vijanden kan hij zeggen: “Mij aangaande daarentegen, als zij krank waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijn boezem. Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.” Psalm 35:13-14. En ook: “HEERE, mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijn handen is; indien ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered die mij zonder oorzaak benauwde!) Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde.” Psalm 7:4-6. Je moet echt twee keer nadenken voordat je aan de verwensingen een uitleg geeft die ze volstrekt in strijd brengt met deze betuigingen, die bijna in dezelfde adem werden uitgesproken. — William Binnie, D.D.
Vers 5
“Als kaf.” Letterlijk: “Als het distelpluis.” — John Morison.
Vers 6
“Hun weg zij duister en gans slibberig.” Wat een vreselijke weg! Alleen al duisternis: wie is daar niet bang voor? Alleen al een gladde weg: wie mijdt die niet? Hoe wil je lopen op een weg die donker en glad is? Waar zet je je voet neer? Deze twee kwalen zijn de grote straffen voor mensen: duisternis, dat is onwetendheid, en een glibberige weg, dat is overdaad en genotzucht. “Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des HEEREN vervolge hen”, zodat zij niet kunnen blijven staan. Want wie op een donkere, gladde weg ziet dat hij zal vallen zodra hij zijn voet verzet, en geen licht voor zijn voeten heeft, besluit misschien te wachten tot het licht wordt. Maar hier is de Engel des HEEREN, Die hen achtervolgt. — Augustinus.
Vers 6
“Slibberig.” In de kanttekening, zoals in het Hebreeuws: slibberigheid. Dit voegt nog meer verschrikking toe aan het beeld. Het is niet alleen een donkere weg, maar ook een weg die door de regen glad is geworden. Op zo’n weg lopen zij elk moment gevaar uit te glijden en naar beneden te storten, een afgrond in waar zij omkomen. — Albert Barnes.
Vers 7
“Zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen.” Het is alsof David zegt: zij hebben een kuil gegraven, de opening ervan met een net bedekt en zo verborgen, zodat ik erover zou lopen en erin zou vallen. — Kimchi.
Vers 8
“De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete.” Je kunt hierbij denken aan een storm, zoals een zuidenwind die in de landen van het Oosten opsteekt. Zo’n storm komt volkomen onverwacht, woedt heftig en laat verwoesting achter. — John Gill.
Vers 8
“Zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.” Door Achitofel touw genoeg te geven, behoedde de HEERE David voor de ondergang. Wie verbaast zich er nog over dat Goliath met zijn eigen zwaard werd gedood? Of dat de trotse Haman de paardentoom van Mordechai moest vasthouden en voor hem moest uitroepen dat de koning hem eer wilde bewijzen? Slechte mensen worden vernietigd door hun eigen daden. Elke pijl die ze op de rechtvaardigen afschieten, valt terug op hun eigen hoofd. Maxentius bouwde een valse brug om Constantijn te laten verdrinken, maar verdronk zelf. Hendrik III van Frankrijk werd doodgestoken in dezelfde kamer waar hij had meegeholpen aan het wrede bloedbad onder de Franse protestanten. En zijn broer Karel IX, die zich verlustigde in het bloed van de heiligen, kreeg bloed te drinken, want hij had het verdiend. God heeft er een gewoonte van gemaakt vervolgers te vangen in de strikken en kuilen die ze voor Zijn volk hadden gelegd. Vele duizenden hebben dat in ons land ondervonden. Rome en haar bondgenoten leggen vandaag nog steeds strikken en vallen en graven kuilen voor de rechtvaardigen, die liever op de brandstapel gaan dan zich voor hun Baäl te buigen. Maar wacht maar even, en huil, en wacht dan nog een korte tijd, want het duurt niet lang meer. Dan zul je zien dat de HEERE hen vangt in dezelfde strikken en kuilen die zij voor Zijn volk hebben gelegd en gegraven. — Samengevat uit Thomas Brooks.
Vers 8
“Zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven.” Dwaas, die je plannen tegenover de plannen van de Allerhoogste stelt! Wie kwaad smeedt tegen een ander, valt uiteindelijk in zijn eigen kuil. Zelfs de slimste zit gevangen in wat hij voor een ander had klaargezet. Maar oprechte deugd, recht als de hoge palm, groeit juist sterker als ze onder druk staat. — Pietro Metastasio, 1698-1782.
Vers 9
“Zo zal mijn ziel zich verheugen in den HEERE”, enz. Sommige mensen danken hun redding uit gevaar aan het toeval, anderen aan hun eigen kunnen, en maar weinigen, als er al iemand is, geven God er de volle eer voor. David zegt hier dat hij de goedheid van God niet zal vergeten. Mijn ziel, zegt hij, zal zich verheugen. Niet in een redding waarvan zij de schenker niet kent, maar in het heil van God. Om het nog sterker te zeggen, geeft hij zijn beenderen de opdracht om Gods heerlijkheid bekend te maken. Het is alsof zijn tong hem niet genoeg is. Hij zet elk deel van zijn lichaam in voor het werk om Gods lof uit te dragen. Zijn manier van spreken is overdreven, maar juist zo laat hij zonder huichelarij zien hoe sterk zijn liefde tot God was. Hij wilde dus zijn spieren en beenderen gebruiken om te verkondigen hoe echt en waar zijn geloof was. — Johannes Calvijn.
Vers 10
“Al mijn beenderen”, enz. Deze woorden schilderen levendig het hoogste geluk dat de hele ziel en het hele lichaam kunnen ervaren en openlijk laten zien. David noemt zijn ziel (Ps. 35:9) en al zijn beenderen als deelnemers aan de vreugde. Zo laat hij merken dat hij zich met zijn hele hart én met zijn hele lichaam zal verheugen, tot in de kleinste hoek van zijn bestaan. Zijn blijdschap zal geen gewone blijdschap zijn, maar van de hoogste orde, zó groot dat elk afzonderlijk bot Gods lof zingt. — Hermann Venema, 1697-1787.
Vers 10
“Al mijn beenderen.” In de Schrift worden gevoelens meestal aan de ingewanden toegeschreven. De beenderen gelden meestal als werkloos en gevoelloos. Alleen hier en in Ps. 51:10, op die twee plaatsen en nergens anders, wordt juichende blijdschap aan de beenderen toegekend. Uit ervaring weten we dat onze ingewanden meetrillen met onze hartstochtelijke opwinding. Maar we merken niets van onze beenderen die meevoelen. De uitdrukking is dus zeer dichterlijk. Ze zegt dat de bedoelde vreugde ver boven gewoon, alledaags genot uitgaat. Ze zou zo diep zijn dat zelfs het meest ongevoelige deel van ons lichaam eraan meedoet. Toch zit er in deze dichterlijke taal vast en zeker een kern van waarheid. We merken het misschien niet, maar elk stukje bot en elke spier leeft werkelijk mee met onze geestelijke toestand, net zoals de gevoeliger organen die er duidelijker door worden geraakt. — C. H. S. Gedachten naar aanleiding van een passage in “Biblical Psychology” van Franz Delitzsch.
Vers 10
“Al mijn beenderen.” Dat betekent: alle kracht en energie die ik in mij heb, zal ik gebruiken om Uw lof te vieren. Of anders: ik ben zo arm geworden dat ik alleen nog maar huid en beenderen over heb, en toch laat ik het werk niet na. — John Trapp.
Vers 10
Mijn beenderen scheuren door mijn huid, en toch prijzen al mijn beenderen Hem. “Ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.” — Thomas Halyburton, 1674-1711.
Vers 11
“Hetgeen ik niet weet, eisen zij van mij.” Je zult misschien vragen: waarom laat God goddeloze mensen de godvrezenden zulke dingen verwijten waaraan ze part noch deel hebben? God kan dat toch voorkomen als Hij wil? Hij kan de monden van de goddelozen sluiten, zodat ze niets meer tegen Zijn kinderen kunnen zeggen. Het antwoord is: alle dingen werken mee ten goede voor wie God liefhebben, en dat geldt ook hiervoor. God laat het toe voor het goede van Zijn volk, en zo laat Hij de verwachtingen van de goddelozen op niets uitlopen. Zij willen de godvrezenden kwaad doen, maar God maakt er iets goeds van. Jozef zei tot zijn broers: “Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht.” Zo kunnen ook wij zeggen tegen wie Gods volk vals beschuldigen: jullie wilden het volk van God kwaad doen, maar God maakt er iets goeds van. Dat goede is vijfvoudig.
Ten eerste maakt God Zijn volk er nederig door. Hij brengt hen ertoe zichzelf eerlijk te onderzoeken en uit te zoeken wat er mis is. Ze zijn dan wel vrij van de misdaad waarvan ze beschuldigd worden, maar ze vragen zich toch af of er niet iets anders is dat tussen God en hen in staat. Ze doorzoeken hun hart, ze gaan bescheidener door het leven en ze houden zich dichter bij de HEERE.
Ten tweede brengt God hen hierdoor vaker op hun knieën. Ze zoeken Hem, ze leggen hun zaak voor Hem neer en vragen dat Hij hun onschuld aan het licht brengt. Hoe vaak sprak de profeet met God als de goddelozen hem vals beschuldigden! Hoe vaak bracht hij zijn klacht naar de troon van genade, met de smeekbede dat God zijn zaak wilde bepleiten en hem dicht bij Zijn weg wilde houden, zodat de goddelozen zich niet zouden verheugen over zijn val! Zo gaat het ook als Gods volk ziet waar de goddelozen op uit zijn. Hun vreugde is om de godvrezenden in een bepaalde zonde te zien vallen. Dan zullen de godvrezenden vol ernst bidden met David: HEERE, leid mij in het rechte pad, vanwege mijn belagers. Dan smeken ze God vurig om hen te bewaren voor juist die zonde waarin de goddelozen hen willen zien vallen. Zo komt er nog een tweede goed uit voort.
Ten derde gebruikt God de smaad van de goddelozen als een geneesmiddel dat de kwaal voorkomt. De godvrezenden hebben nog steeds een onvernieuwde natuur, naast de vernieuwde. Als God hen even aan zichzelf overliet, zouden ze zichzelf niet kunnen behoeden. Dan zouden ze kunnen vallen in de zonde die de goddelozen hun verwijten. Elk kind van God dat vals wordt beschuldigd, kan dan ook zeggen: het is Gods barmhartigheid dat ik niet in die zonde ben gevallen waarvan men mij beschuldigde. God gebruikt de tongen van goddeloze mensen als waarschuwing tegen zo’n zonde. Als ze zien hoe de goddelozen zich verheugen over een leugen die ze zelf hebben bedacht, denken ze: als de goddelozen zich al zonder reden zo verheugen, wat zouden ze dan doen als ze echt reden hadden? Met Gods hulp zal dit me altijd een waarschuwing zijn om voor die zonde op mijn hoede te zijn. Ik zal er in de toekomst meer tegen bidden dan ik tot nu toe deed. Ik zal er ook meer tegen waken. Met Gods hulp krijgen ze nooit meer reden om zich op die manier over mij te verheugen. Ik ben er stellig van overtuigd dat menig kind van God uit eigen ervaring kan zeggen: ik had nooit zo veel tegen zo’n zonde gebeden en gewaakt als God de tongen van goddeloze mensen niet als geneesmiddel om de kwaal te voorkomen had gebruikt. Ik kende mijn eigen hart niet. Ik had in die of die zonde kunnen vallen, als God mijn weg niet op deze manier met doornen had afgezet. En dat is het derde goede dat eruit voortkomt.
Ten vierde oefent God hierdoor de genadegaven van Zijn volk, zodat die sterker worden. Hij laat hen zowel kwaad gerucht als goed gerucht ondergaan. Zo beproeft Hij of ze Hem in elke omstandigheid trouw blijven, zoals in Psalm 44:16-18.
Ten vijfde leert God hen hierdoor hoe ze over anderen moeten oordelen als die vals worden beschuldigd. Voortaan nemen ze geen vals gerucht over hun naaste meer zomaar aan. Ze willen eerst de waarheid van een zaak kennen voordat ze haar geloven. En ze weten hoe ze anderen in dezelfde situatie kunnen troosten. Zo maakt God er iets goeds van. Zo maakt God de goddelozen tot een dienaar van Zijn volk, juist in wat de goddelozen denken dat het meeste onrecht doet. Want Hij gebruikt de goddelozen als roede en als doek om de roest van de genadegaven van Zijn volk af te schuren en hun zorgeloosheid te corrigeren. Als de roede haar taak heeft gedaan, wordt ze in het vuur gegooid. Zo zie je hoe God de valse beschuldigingen van de goddelozen tegen Zijn volk ten goede keert. — Zefanja Smyth, preek “The Malignant’s Plot”, 1647.
Vers 12
“Zij vergelden mij kwaad voor goed.” David had Goliath gedood en tienduizenden Filistijnen verslagen. Zo had hij zijn koning en zijn land gered, en dat was een groot goed. Toch benijdden Saul en zijn hovelingen hem en probeerden ze hem te doden. Op dezelfde manier ontving onze Heere Jezus Christus smaad en vervolging als dank voor al het goede dat Hij de Joden deed. Hij genas hun lichamen van ziekten en predikte hun het evangelie tot heil van hun zielen. Uiteindelijk kreeg Hij de schandelijke dood aan het kruis. Zo wordt ook Zijn volk behandeld. Maar dit is een kwaad dat niet ongestraft zal blijven; zie Spr. 17:13. — John Gill.
Vers 12
“De beroving mijner ziel.” Ze roofden niet zijn goederen, maar de troost van zijn ziel. Ze maakten zijn ziel kinderloos (dat is het woord), als een weduwe die de kinderen verliest in wie ze vreugde en steun vond. Het was hun niet genoeg om alleen zijn bezit te beschadigen. Ze wilden de mens zelf ruïneren door hun onverdiende boosaardigheid. Ze vielen zijn naam, zijn goede faam en zijn eer aan, die hem even dierbaar waren als zijn zonen en dochters, of zelfs als zijn eigen ziel. Aangevallen worden met laster doet de ziel altijd pijn. Het brengt een mens in een strijdhouding, bedreigt zijn gemoedsrust, verstoort het genot van stille overpeinzing en onderbreekt gemakkelijk zijn gemeenschap met God. Zo wordt ons geestelijke leven beroofd en lijdt het schade. — C. H. S.
Vers 13
“Mijn gebed keerde weder in mijn boezem”, of: werd op mijn boezem gericht. Er zijn veel uitleggingen van deze plaats. Van al die verklaringen lijkt mij de uitleg het waarschijnlijkst die ze afleidt van de houding van iemand die aanbidt. Die stond met zijn hoofd gebogen naar zijn borst. Zo wendde hij zijn aandacht af van alles om zich heen en bracht hij zijn verdrietige en ernstige verzoeken voor alsof ze op zijn eigen boezem waren gericht. Zo’n houding bij het bidden is gebruikelijk bij zowel Joden als moslims. — Koehler in Reporter. Lit. Orient.; en Reland, de Relig. Mohammedica, aangehaald door Walford bij deze plaats.
Vers 13 (laatste zinsdeel)
We kunnen het ook zo lezen: laat mijn gebed in mijn boezem terugkeren. Dat wil zeggen: ik wens hun niet méér kwaad toe dan mijzelf, want ik had hen liever goed gedaan. Laat mij van God evenveel goeds ontvangen als ik voor hen heb gebeden. Zie Ps. 79:12. — Henry Ainsworth.
Vers 14
“Over zijn moeder.” In een oosters huishouden zijn er meestal meerdere vrouwen. Daarom zijn zonen daar gewoonlijk veel meer gehecht aan hun moeder dan aan hun vader. Hun vader moeten ze delen met een grote groep halfbroers, die hen benijden of op wie ze zelf jaloers zijn. Maar hun moeder is helemaal van hen. Bij haar groeien ze op in hun kindertijd. Zij kiest in hun jeugd hun partij in de vele twisten van de harem. En als ze volwassen zijn, houden ze op hun beurt intens veel van haar. Daarom is hun rouw bij haar dood van de bitterste soort. — C. H. S.
Vers 14
“Zijn moeder.” Aan Mohammed werd eens gevraagd welke verwant het meest recht heeft op onze liefde en eerbied. Hij antwoordde zonder aarzelen: “De moeder, de moeder, de moeder.”
Vers 14 (laatste zinsdeel)
Zijn moeder beweent: hij rouwt bij haar begrafenis. In dit geval zijn de gevoelens het sterkst. Daarom mochten de priesters wél rouwen om zulke naaste familieleden. Lev. 21:1-3. — Henry Ainsworth.
Vers 15
“Maar als ik hinkte, waren zij verblijd”, enz. Roem niet in de ondergang van je naaste. De vuurvlieg springt en danst in het vuur en vindt het heerlijk. Zo verheugen veel goddeloze mensen zich in het lijden van anderen. Wie zich verheugt in andermans lijden, is ziek van de ziekte van de duivel. Maar de HEERE verlosse jullie allemaal van die ziekte, om jullie zielen. Het is treurig om spottend te praten over mensen die God heeft vernederd. Het is hoge goddeloosheid om te triomferen over mensen aan wie God een beker van verbijstering te drinken heeft gegeven. Wie de ondergang van hun naaste tot onderwerp maken van hun heimelijke maaltijd of openlijke jubel, mogen vrezen dat de droesem zelf van Gods toorn voor hen bewaard wordt. Het is ook slecht en harteloos om op de harp te spelen omdat anderen hun harpen aan de wilgen moesten hangen.
We moeten niet bidden zoals de man in het treurspel: laat het rampen regenen! Ook niet zoals de gnosticus van Clemens: geef mij rampen, zodat ik erin mag roemen. Een groter bewijs van een goddeloos hart bestaat er niet dan dat iemand vrolijk is omdat anderen in ellende zitten. “Die zich verblijdt in het verderf” (dat is: in het verderf van anderen), “zal niet onschuldig zijn.” Spr. 17:5. Als God werkelijk God is, zullen mensen die onze ellende toejuichen in plaats van ze te beklagen, zeker de zwaarste straffen krijgen. Want zij zondigen niet alleen tegen de wet van de genade, maar ook tegen de wet van de natuur zelf. Die leert mensen mee te leven met wie in ellende zijn, en zich niet over hun ellende te verheugen. O mensen, maak andermans rouw niet tot jouw muziek, en andermans tranen niet tot jouw wijn! Anders word je uiteindelijk dronken van de wijn van verbijstering. — Thomas Brooks.
Vers 15
“Maar als ik hinkte, waren zij verblijd”, enz. Wat een wonderbaarlijke profetie van het kruis! Alleen de tweeëntwintigste psalm gaat haar voor, en misschien zelfs die niet. Nog dichter bij de geschiedenis komen we als we de Vulgaat volgen: de gesels werden tegen mij verzameld. Zo ploegden ook op Uw rug, o Heere Jezus, de ploegers en trokken zij lange voren. Kostbare voren voor ons! Daarin wordt geduld gezaaid voor dit leven en heerlijkheid voor het leven dat komt. Daarin wordt hoop gezaaid die niet beschaamt, en liefde die door vele wateren niet geblust kan worden. “Als geslagenen” (Engels: de verworpenen). Hier horen ook de allerslechtste verworpenen bij: zij die zeiden: “O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de anderen mensen”, en die de arme zondares voor de Heere brachten met hun: “Mozes heeft ons in de wet geboden, dat dezulken gestenigd zullen worden.” “Mij bespottend met open mond.” Is het niet verbazingwekkend dat de overpriesters en schriftgeleerden de profetie heel goed kenden en haar toch zo hebben vervuld dat van hen geschreven staat: “Die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden”? — Lodewijk van Granada, 1504-1588.
Vers 15
“Maar als ik hinkte, waren zij verblijd.” Mensen worden vaak week als ze de rampen van hun vijanden zien. Dan houden ze op met haten en vervolgen, want die vijanden hebben het al zwaar genoeg. Bij Davids vroegere vrienden was het precies andersom. Toen zij hem terneergeslagen en bedrukt zagen, werden ze er juist door aangezet om woedend en schaamteloos op hem af te stormen. Zo wreed en fel was de geest die hen dreef. — Johannes Calvijn.
Vers 15
“Als geslagenen” (Engels: de verworpenen). Dat zijn de verworpenen zelf (Gebedenboek-vertaling). Het Hebreeuwse woord Nechim komt van een werkwoord dat “geslagen worden” betekent. Daarom geeft de Septuaginta het weer met gesels. Met Hiëronymus kunnen we het ook vertalen met “slagers”, en dan kan het betekenen: met de tong geslagen. Vergelijk Jer. 18:18. Volgens Buxtorf is er nog een andere betekenis: de kromme benen, de kreupelen. Zo staat het in 2 Sam. 4:4 en 9:3. Daarvandaan komt ook de bijnaam Necho, die een van de Farao’s kreeg omdat hij hinkte bij het lopen. Onze vertalers lijken het woord in deze laatste betekenis te hebben opgevat, als een uitdrukking van minachting. — Daniel Cresswell.
Vers 15
David had laten zien hoeveel medeleven hij had met zijn vijanden toen zij het moeilijk hadden (Ps. 35:14). Nu laat hij meteen zien hoe weinig medeleven zijn vijanden met hem hadden toen hij het moeilijk had. Liever gezegd: hoe barbaars wreed ze waren. “Geslagenen” (Engels: verworpenen) zijn verachtelijke mensen, geslagen in hun bezit en hun goede naam. Ja, vaak zijn het mensen die als slaven of slechte knechten worden geslagen met knuppels of zwepen. Een geleerd vertaler geeft de psalm dan ook zo weer: De geslagenen verzamelden zich tegen mij. Dat wil zeggen: gemene lieden die het verdienen om geslagen en afgeranseld te worden. — Joseph Caryl.
Vers 16
“Onder de huichelende spotachtige tafelbroeders.” Sommige mensen kunnen alleen vrolijk zijn als ze de spot drijven met de Schrift. Willen ze even wat afleiding, dan moeten de heiligen het gespreksonderwerp zijn! Over het woord van God maken ze hun ruwe grappen. Dat is hun tijdverdrijf boven hun bekers, aan de tafel in de kroeg. Wat zijn ze snel met hun beledigende opmerkingen! Ze hebben de taal van hun vader geleerd. Het zijn aanklagers van de broeders, en hun manier van praten verraadt dat ze bij de hel horen. Je weet dat je in het gewone leven vaak aan iemands spraak hoort uit welk land hij komt, omdat bijna elk land zijn eigen manier van spreken heeft. Zo is het hier ook. Deze spotters met de godsdienst laten ons aan hun hellentaal horen waar ze vandaan komen. Misschien hebben ze een beetje geestigheid, en die tooien ze zwierig op met welsprekend gespot. O, wat zijn ze vlug en scherp als het over dit onderwerp gaat! Deze spottende Ismaëlieten zitten op de stoel van de duivel, een stukje boven hun broeders in de ongerechtigheid, als de meest verdienstelijken voor die plaats. En bij mensen die zo ver in de zonde gaan dat ze er de spot mee drijven en met heiligheid spelen, is er minder reden om te hopen dat ze tot behoud zullen komen dan bij anderen. Wie spot met wat ernstig is, en dat nog met plezier ook, is al een heel eind op weg naar de hel. Dit zal de HEERE op Zijn tijd bezoeken. Want Hij weet wie zij zijn, die Hem zo onteren door te smaden wie bij Hem horen. — Oliver Heywood.
Vers 16
“Huichelende spotachtige tafelbroeders.” (Hebr.) Dit is zeer moeilijk. Het woord (Hebr.) betekent in 1 Kon. 17:12 “een koek”. Dat is de enige andere plaats waar het voorkomt. Gesenius en anderen leggen (Hebr.) daarom uit als: klaplopers aan de tafels van de rijken (letterlijk “koekspotters”). Zij moesten de gasten vermaken met geestigheden en potsenmakerij, en kregen als beloning hun maaltijd. Het Grieks kende daarvoor (Gr.) en (Gr.), en het middeleeuwse Latijn de buccellarii. In dat geval betekenen de woorden: “Onder de goddeloosten.” — J. J. Stewart Perowne. (Is ons woord klaploper niet enigszins te vergelijken met deze koeketers van vroeger? — C. H. S.)
Vers 16
“Huichelende spotachtige tafelbroeders.” David maakt de zonde van die spottende gezellen nog zwaarder. Zij maakten hem tot hun tafelgesprek en vonden hun maaltijd pas smakelijk als hij gekruid was met een zoute grap over hem. Daarom noemt hij hen “huichelende spotachtige tafelbroeders”: ze deden het listig. Ze verpakten hun hoon in zulke woorden dat wie niet goed oplette, kon denken dat ze hem juist toejuichten. Sommigen hebben geleerd hoe je prijst om de diepste minachting te tonen voor mensen die je bitter haat. Deze huichelende spotters verdienen de eerste stoel, vóór alle andere spotters. — William Gurnall.
Vers 16
“Spotachtige tafelbroeders.” Wist men op een feest dat er iemand aanwezig of afwezig was die de gastheer niet mocht, dan was het gebruikelijk dat de gasten “de spot met hen dreven” en er sarcastisch over praatten. Dat zijn de “huichelende spotachtige tafelbroeders.” — John Gadsby.
Vers 17
Zodra Satan ziet dat we dwalen, rent hij meteen naar God met een klacht. Hij dient aanklachten tegen ons in bij de sterrenkamer van de hemel. Daar zou het er slecht voor ons uitzien, als de Grote Lord Kanselier van de vrede er niet was: onze Voorspraak Jezus Christus. God bewaart al onze tranen in een fles en schrijft zelfs de zuchten van onze heilige hartstocht op in een boek. Zo houdt Satan ook een lijst bij van onze zonden en eist hij gerechtigheid tegen ons. Was God als een mens, vol hartstochten, of liet Hij Zich leiden door de ingevingen van een gewone pleitbezorger, dan was er geen hoop voor ons. Maar Hij luistert liever naar één zoon van de waarheid dan naar tienduizend vaders van de leugen. Het maakt niet uit wat de eiser in zijn aanklacht schrijft, als de rechter vrijspreekt. Door verraad hebben we ons bezit verspeeld, en de bemoeizieke duivel eist ons op. Maar er is Eén Die tussenbeide treedt en wijst op een eerdere schenking, door belofte én door koop. “HEERE, breng mijn ziel weder van hunlieder verwoestingen, mijn eenzame van de jonge leeuwen.” Heere Jezus, eis wat van U is! Laat Satan niet met geweld of bedrog bezit nemen van wat U met Uw eigen bloed hebt gekocht. — Thomas Adams.
Vers 17
“Mijn eenzame.” In Poole’s Synopsis leggen de geleerden deze naam voor de ziel zo uit: mijn enige, mijn eenzame, verlaten, verstoten, zonder menselijke hoop. Zo staat de ziel ervoor onder zware druk. Zie Ps. 22:21. “Van de jonge leeuwen.” Daniël in de kuil bevond zich letterlijk waar David zich geestelijk bevond. Hij zat opgesloten tussen felle, wrede en woedende dieren, en was zelf weerloos. Hij had geen wapen behalve het gebed en geen helper behalve de HEERE. Gods volk kan blootstaan aan de leeuwen van de hel, en hun gebrul kan hen diep schrikken. Maar de ziel die hun “eenzame” is, is ook Gods dierbare, en daarom zal ze gered worden. — C. H. S.
Vers 19
“Wenken met de ogen.” Met blijdschap in hun ogen laten zien dat ze blij zijn met mijn ongeluk. — Franciscus Vatablus, 1545.
Vers 19
“Wenken met de ogen.” Dit was een teken dat kwaadwillende mensen elkaar gaven als hun boze plan gelukt was. Ze knepen dan spottend hun ogen naar elkaar samen. Het Hebreeuwse woord heeft in het Nederlands geen goede vertaling. — Benjamin Weiss.
Vers 21
“Ons oog heeft het gezien.” Oog voor ogen. Het lijkt wel alsof alle goddelozen zo met elkaar verbonden zijn dat ze samen maar één oog, één hart en één hoofd hebben. — John Trapp.
Vers 21
Toch, heiligen, maak deze dingen niet bekend aan goddeloze mensen. Fluister ze zachtjes tegen elkaar, met vrees en beven. Anders hoort een of andere onheilige ellendeling het en vat hij als aanmoediging op wat alleen als waarschuwing bedoeld was. Het gebeurt maar al te vaak dat de ergste zondaars de grove misstappen van Gods dierbaarste heiligen aanvoeren als verontschuldiging, of beter gezegd als vrijbrief. Zo beschouwt de dronkaard de heilige Noach als een drinkmaatje, en legt hij daarmee zijn schande nog erger bloot dan Cham ooit deed. Zo haalt de onreine zinnenmens David erbij en roept hem aan als beschermheer van zijn losbandigheid. Als er iets is dat de volmaakte vreugde van de heiligen in de hemel nog kan overschaduwen, dan is het dit: dat goddeloze en zondige mensen hun namen en voorbeelden, tot grote oneer van God, gebruiken om hun grofste zonden en goddeloosheid te rechtvaardigen. Maar die mensen moeten weten: God heeft deze heiligen in Zijn kerk neergezet als gedenktekens van Zijn barmhartigheid. Ze laten nederige en boetvaardige zondaars zien hoe grote zonden Hij kan vergeven. Maar wie zich hierdoor juist stoutmoedig maakt in de zonde, wordt door God niet als gedenkteken van barmhartigheid neergezet, maar als zoutpilaar. — Ezechiël Hopkins (bisschop).
Vers 21
Wie blij is met de val van een ander, is blij met de overwinning van de duivel. — Ambrosius, aangehaald in Nichol’s Proverbs.
Verzen 21, 22
Zij sperren tegen mij hun mond wijd open,
En roepen: „Ha, ha! Het ging zoals wij hoopten!”
Maar U, o HEERE, ziet hun doen en laten;
Zwijg niet, blijf niet ver, wil mij niet verlaten!
— Sir John Davies.
Vers 23
“Mijn God en HEERE!” (Engels: mijn God en mijn Heere). Dit was de kreet van Thomas toen hij de wonden van Jezus zag. Als hij onze Heere niet voor goddelijk hield, dan kent David hier ook geen Godheid toe aan Jehova. Want er is geen verschil, behalve in de volgorde van de woorden en de taal waarin ze gesproken werden. De betekenis is dezelfde. Wat een woorden zijn dit! Met twee ogen ziet David Jehova in twee kanten en toch als één. Met twee handen grijpt hij Hem vast in het dubbele “mijn” voor één hart, want het woord is maar één. Op beide knieën buigt hij voor Hem om Hem in diepe eerbied te aanbidden. Terecht riep Nouet, toen hij de woorden van Thomas uitlegde, uit: “O, zoet woord! Ik zal het zeggen mijn hele leven lang. Ik zal het zeggen in het uur van mijn dood. Ik zal het zeggen in de eeuwigheid.” — C. H. S.
Vers 24
“HEERE, mijn God!” O Jehova, mijn God! Hier is nog zo’n kostbaar woord. David neemt Jehova als zijn God, tegenover mensen die afgoden, rijkdom of hun eigen lusten tot hun god maken. David eist alles op wat er in de grote Ik ben is. Zelfs nu hij Hem als rechter ziet, legt hij de hand van het geloof op zijn God. Hij deinst niet terug, zelfs niet voor de gloed van Zijn gerechtigheid. Het is een edel woord, een machtige uiting van geloof. Wie dit woordje “mijn” uit het diepst van zijn ziel kan zeggen in zo’n situatie, mag al zijn vijanden uitlachen. — C. H. S.
Vers 25
“Laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!” En zelfs als ze het konden, zouden ze net als de walvis van Jona hun feestmaal snel zat zijn. Een levend kind van God is gemakkelijker op te slokken dan te verteren door de boosheid van de hel. — C. H. S.
Vers 27
Kijk hoe de harten van de heiligen zijn uitgegaan naar hun vervolgers, tegen wie ze strijden. Gebeden zijn de wapens waar de heiligen in tijden van vervolging steeds naar hebben gegrepen. De Romeinen zaten ooit zo diep in de nood dat ze de wapens uit de tempels van hun goden moesten halen om tegen hun vijanden te vechten. Zo overwonnen ze die. Zo is het ook met Gods volk: als verdrukking en vervolging hen hard bedringen, hebben ze hun toevlucht genomen tot gebeden en tranen. Daarmee hebben ze hun vervolgers overwonnen. — Thomas Brooks.
Vers 28
“Mijn tong zal vermelden Uw gerechtigheid, en Uw lof den gansen dag.” Kijk, ik heb nu wat langer gesproken, en je bent moe. Wie houdt het vol om God den gansen dag te prijzen? Ik wijs je een middel waarmee je God den gansen dag kunt prijzen, als je wilt. Wat je ook doet, doe het goed, en je hebt God geprezen. Zing je een lofzang, dan prijs je God. Maar wat doet je tong, als je hart Hem niet ook prijst? Ben je gestopt met lofzangen en weggegaan om te rusten? Wees niet dronken, en je hebt God geprezen. Ga je slapen? Sta niet op om kwaad te doen, en je hebt God geprezen. Doe je zaken? Pleeg geen onrecht, en je hebt God geprezen. Bewerk je je akker? Zoek geen ruzie, en je hebt God geprezen. Maak je klaar om God den gansen dag te prijzen, met een onschuldig werk. — Augustinus.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1
Jezus, onze Voorspraak en Kampioen. Onze vriend in de rechtbanken van de hemel en in de gevechten op aarde.
Vers 2
Jezus, gewapend als de verdediger van de getrouwen.
Vers 3
Vijanden op afstand gehouden. Hoe de HEERE dat doet, en hoe gelukkig het ons maakt.
Vers 3 (laatste zinsdeel)
Volle zekerheid. Een zekerheid die stellig, persoonlijk, geestelijk, actueel, goddelijk en volledig is, en die komt door een woord van God.
Vers 3 (laatste zinsdeel)
De hemel zeker gemaakt. — Preek van Thomas Adams.
Vers 4
De eeuwige verwarring van de duivel.
Vers 6
De schrikwekkende pelgrimstocht van de goddelozen.
Vers 6
Drie gevaren op het pad van de goddelozen: hun weg is donker van onwetendheid en glibberig van verleiding, en achter hen loopt de wreker.
Vers 8
Verwoesting die hem overvalt zonder dat hij het weet: een vreselijk onderwerp.
Vers 9
Blijdschap in God en in Zijn heil.
Vers 10
Een God zonder weerga en Zijn genade zonder weerga: dat zijn de thema’s. Een ervaren hart, door en door levend gemaakt: dat is de zanger. En hieruit komt muziek zonder weerga: de muziek van een verbrijzelde harp.
Vers 11
De gemeenheid, wreedheid en zondigheid van laster, en hoe gewoon die is.
Vers 12
Hoe een ziel beroofd kan worden.
Vers 13
Christelijk medegevoel, zelfs met de weerspannigen.
Vers 13 (laatste zinsdeel)
Het persoonlijke voordeel van voorbede.
Verzen 13-14
Medelijden met de zieken. — C. Simeon.
Vers 15
De schandelijke samenzwering van mensen tegen onze Heere Jezus in Zijn lijden.
Vers 17
De grens van Gods geduld.
Vers 18
De plicht, het geluk en het juiste moment van openbare lofprijzing.
Vers 22
Gods alwetendheid ingeroepen, een woord gezocht, Zijn aanwezigheid gevraagd, Zijn optreden afgesmeekt, vertrouwen als beroep aangevoerd.
Vers 25
Het vermaak van de goddeloze en de toevlucht van de rechtvaardige.
Vers 26
De kleding van de veroordeelde goddelozen: “met schaamte en schande bekleed”, enz.
Vers 27 (laatste zinsdeel)
Wat is die voorspoed waarin de HEERE lust heeft?
Vers 28
Een gezegend thema, een passende tong, eindeloos spreken.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas