Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 34 — Treasury of David

64 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

“Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.” Over deze gebeurtenis, die David niet bepaald tot eer strekt, lezen we een kort verslag in 1 Sam. 21:1-15. De psalmist is dankbaar en wil de goedheid van de HEERE vastleggen, want de HEERE schonk hem een redding die hij niet verdiend had. Toch weeft hij geen enkel voorval van zijn ontsnapping in het verhaal. Hij blijft staan bij het grote feit zelf: hij werd verhoord toen het gevaar het grootst was.

Hier kunnen we iets van hem leren. We hoeven onze zonden niet voor anderen uit te venten, zoals sommige ijdele belijders doen. Zij lijken op hun zonden net zo trots als de oude gepensioneerden van Greenwich op hun veldslagen en wonden. David speelde de dwaas met opmerkelijke behendigheid, maar zo’n echte dwaas was hij niet dat hij zijn eigen dwaze streken ging bezingen.

In de grondtekst staat niet dat de psalmist dit lied schreef op het moment van zijn ontsnapping aan Achis, de koning of Abimelech van Gath. Het opschrift zegt dat het lied die gebeurtenis wil herdenken en er ook door werd ingegeven. Het is goed om onze weldaden te merken met fraai gebeitelde gedenktekens. God verdient ons beste handwerk. Vanwege het bijzondere gevaar waaruit hij gered was, deed David erg zijn best met deze psalm. Hij schreef hem met grote regelmaat, bijna precies volgens de letters van het Hebreeuwse alfabet. Het is de tweede alfabetische psalm; de eerste was Psalm 25.

Indeling

De psalm valt in twee grote delen, met de grens aan het einde van Ps. 34:11. Daar heeft de psalmist God zijn lof gebracht en richt hij zich rechtstreeks tot de mensen. De eerste tien verzen vormen een lofzang, de laatste twaalf een preek.

Voor wie het overzicht wil hebben, kunnen we de psalm verder zo indelen. In Ps. 34:2-4 belooft David de HEERE te zegenen en nodigt hij anderen uit om mee te loven. In Ps. 34:5-8 vertelt hij wat hij zelf heeft meegemaakt, en in Ps. 34:9-11 spoort hij de godvrezenden aan om standvastig in het geloof te blijven. In Ps. 34:12-15 volgt een directe vermaning, en daarna geeft hij van Ps. 34:16-23 tot het einde leerstellig onderwijs.

Uitleg

Vers 2

“Ik zal den HEERE loven te aller tijd.” Hier spreekt een man die vastbesloten is: ik zal. Het is zijn eigen, persoonlijke besluit; anderen mogen doen wat ze kunnen. Hij heeft een heldere kop en een brandend hart. Hij weet aan wie de lof toekomt, wat er verschuldigd is, en waarvoor en wanneer. Onze dankbaarheid hoort bij Jehova, niet bij ‘tweede oorzaken’. De HEERE heeft van rechtswege een monopolie op de lof van Zijn schepselen.

Soms herinnert een weldaad ons aan onze eigen zonde, zoals Davids redding uit de hand van de Filistijnse vorst dat zeker deed. Dan mogen we God toch Zijn deel van de eer niet onthouden, alleen omdat ons geweten terecht streng oordeelt over onze rol in de zaak. De haak mocht dan roestig zijn, God zond de vis, en daar danken we Hem voor.

“Te aller tijd”: in elke situatie en onder alle omstandigheden, vóór, tijdens en na de beproevingen, op de heldere dagen van vreugde en in de donkere nachten van angst. David zou nooit uitgeloofd raken, want hij was nooit tevreden met wat hij al gedaan had. Steeds voelde hij dat hij tekortschoot bij wat de HEERE verdient. Gelukkig is de man wiens vingers aan zijn harp gehuwd zijn! Wie God looft voor Zijn weldaden, zal nooit zonder aanleiding zitten om te loven. Het is nooit ongepast om de HEERE te zegenen.

“Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn”: niet alleen in mijn hart, ook in mijn mond. Onze dankbaarheid mag geen stomme zaak zijn. Ze hoort een dochter van de muziek te zijn. Onze tong is onze eer, en ze is er om de heerlijkheid van God te laten zien. Wat een gezegende mondvol is Gods lof! Hoe zoet, hoe zuiverend, hoe geurig! Als mensen hun mond altijd zo vol hadden, zou er geen gemor tegen God zijn en geen kwaad woord over de buurman. Als we dit lekkere hapje voortdurend onder onze tong rolden, zou de bitterheid van de dagelijkse tegenslag opgaan in blijdschap.

God verdient dat we Hem zegenen met ons hart en verheffen met onze mond: goede gedachten in de binnenkamer en goede woorden in de wereld.

Vers 3

“Mijn ziel zal zich beroemen in den HEERE.” Roemen ligt de mens heel natuurlijk. Wanneer we het doen zoals hier, is het des te beter naarmate we er meer aan toegeven. De verheuging in dit vers is geen lege praatjesmakerij. “De ziel” zit erin: het roemen wordt gemeend en gevoeld, nog voordat het wordt uitgesproken. Wat is er veel ruimte om heilig te roemen in Jehova! Zijn persoon, Zijn eigenschappen, Zijn verbond, Zijn beloften, Zijn werken en nog duizend dingen meer: ze zijn allemaal onvergelijkelijk, zonder weerga, zonder gelijke. We mogen ze prijzen zo veel we willen, nooit zal iemand ons kunnen betichten van ijdele, holle taal. Wie deze woorden van uitleg schrijft, heeft zelf niets om op te roemen en veel om over te klagen. Toch zal niemand hem zijn roemen in God beletten zolang hij leeft.

“De zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.” Meestal kunnen zij het niet verdragen als mensen opscheppen. Ze keren zich af van grootspraak en hoogdravende woorden. Maar roemen in de HEERE is iets heel anders: daardoor worden juist de kleinsten getroost en bemoedigd. De zelfverzekerde woorden van beproefde gelovigen zijn een rijke troost voor hun minder ervaren broeders. We moeten met opzet over de goedheid van de HEERE spreken, zodat anderen sterker worden in hun vertrouwen op een getrouwe God.

Vers 4

“Maakt den HEERE met mij groot.” Is deze oproep gericht aan de zachtmoedigen? Dan past hij uitstekend. Wie kan God groot maken, behalve wie zichzelf klein voelt? David vraagt hen om hem te helpen de roem van de HEERE onder de mensenkinderen te vergroten. Jehova is oneindig en kan dus eigenlijk niet groter worden gemaakt. Maar Zijn naam groeit in geopenbaarde heerlijkheid naarmate Hij aan Zijn schepselen bekend wordt, en zo zeggen we dat Hij groot gemaakt wordt.

Het is goed als de ziel merkt dat ze zelf onmachtig is om de HEERE naar waarde te eren, en daarom anderen aanzet tot dit genadige werk. Dat is goed voor de mens zelf en voor zijn metgezellen. Geen lof is groter dan de lof die ons neerwerpt onder het besef van onze eigen nietigheid. Dan rijst Gods genade voor onze ogen op als een of andere onbeklimbare Alp, en zinken wij dieper en dieper weg in heilig ontzag.

“Laat ons Zijn Naam samen verhogen.” Samen aanbidden, met elkaar vergaderd, groeit voort uit een van de natuurlijke drijfveren van het nieuwe leven. In de hemel genieten we daar ten volle van, en de aarde is als de hemel waar het overvloedig gebeurt.

Vers 5

“Ik heb den HEERE gezocht, en Hij heeft mij geantwoord.” David moet er erg verward bij gebeden hebben, en er moet veel zelfgenoegzaamheid in zijn gebed hebben gezeten. Anders zou hij niet zijn toevlucht hebben genomen tot middelen van zo twijfelachtige zedelijkheid als zich gek voordoen en zich gedragen als een krankzinnige. Toch werd zijn arme, hinkende gebed aanvaard, en het bracht hem hulp. Reden te meer om de overvloedige barmhartigheid van de HEERE te vieren.

We mogen God zoeken, zelfs als we gezondigd hebben. Als de zonde de genadetroon kon afsluiten, was het met ons gedaan. Maar het is Gods barmhartigheid dat er gaven zijn, zelfs voor de weerspannigen, en een Voorspraak voor mensen die zondigen.

“En mij uit al mijn vrezen gered.” God maakt er een volmaakt werk van. Hij ruimt onze angsten op én wat ze veroorzaakte, zonder één uitzondering. Eer zij Zijn naam: het gebed veegt het slagveld schoon, doodt alle vijanden en begraaft zelfs hun beenderen.

Let op de ikzucht van dit vers en van de verzen ervoor. We hoeven niet te blozen als we over onszelf spreken, zolang we daarmee echt God willen verheerlijken en onszelf niet willen verhogen. Sommigen zijn hier dwaas kieskeurig in. Zij moeten bedenken dat bescheidenheid die God berooft, hoogst onbescheiden is.

Vers 6

“Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen” (Engels: zij keken naar Hem, en werden verlicht). De psalmist verklaart dat zijn geval helemaal niet uitzonderlijk was. Het kwam voor in het leven van alle gelovigen. Ook zij, stuk voor stuk, klaarden op toen ze naar hun Heere opzagen. Hun gezicht begon te stralen en hun geest werd opgetild.

Wat een bron van zegen kan één blik op de HEERE zijn! In een blik op de Gekruisigde ligt leven, licht, vrijheid, liefde, eigenlijk alles. Nooit keek een gewond hart tevergeefs op naar de goede Heelmeester. Nooit keerde een stervende ziel haar verduisterende oog naar de koperen slang om te ontdekken dat de kracht verdwenen was.

“En hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.” Hun gezichten waren bedekt met blijdschap, niet met een blos van schaamte. Wie op God vertrouwt, hoeft zich niet te schamen voor zijn vertrouwen. Tijd en eeuwigheid zullen allebei zijn steun rechtvaardigen.

Vers 7

“Deze ellendige riep.” Hier komt hij terug op zijn eigen geval. Hij was inderdaad arm, en zo volkomen zonder vrienden dat zijn leven in groot gevaar was. Maar in zijn hart riep hij tot de Beschermer van Zijn volk, en hij vond verlichting. Zijn gebed was een roep: kort en bitter, ernstig en eenvoudig, ongekunsteld en vol smart. Het was de roep van een arme, maar daarom niet minder krachtig in de hemel. Want de HEERE hoorde hem, en door God gehoord worden is gered worden. Zo wordt eraan toegevoegd dat de HEERE hem verloste uit al zijn benauwdheden.

Ineens en helemaal was David van al zijn ellende verlost. De HEERE veegt ons verdriet weg zoals mensen een horzelnest vernietigen, of zoals de wind de nevel verdrijft. Het gebed kan ons net zo gemakkelijk van onze zorgen bevrijden als toen de HEERE de kikvorsen en vliegen van Egypte wegnam, op Mozes’ smeekbede.

Dit vers is het persoonlijke getuigenis van de psalmist zelf: al is hij gestorven, hij spreekt nog. Laat de bedrukte lezer moed vatten en goede moed hebben.

Vers 8

“De Engel des HEEREN.” Dit is de Verbondsengel, de Heere Jezus, aan het hoofd van alle hemelse scharen. Met Zijn leger omringt Hij de woningen van de heiligen. Als ingegraven legers liggen de dienende geesten rondom de uitverkorenen van de HEERE, om hen te dienen en te helpen, te verdedigen en te troosten.

“Legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen.” Aan alle kanten houden krijgers met slapeloze ogen de wacht. De Aanvoerder van dit leger is een Held Wiens kracht niemand kan weerstaan. “En rukt hen uit.” We beseffen nauwelijks hoeveel reddingen in ons leven we te danken hebben aan die onzichtbare handen, die de opdracht hebben ons te dragen, zodat wij onze voet niet aan een steen stoten.

Vers 9

“Smaakt en ziet.” Neem de proef, een innerlijke, persoonlijke proef met de goedheid van God. Je kunt niet zien zonder zelf te proeven. Maar als je proeft, zul je zien, want het verlicht je ogen, net als Jonathans honing. “Dat de HEERE goed is.” Dat kun je alleen echt en persoonlijk weten door het zelf te ervaren.

Daar staat het feestmaal klaar, met zijn ossen en mestkalveren, zijn vette gerechten vol merg en zijn wijn, op de droesem gezuiverd. Maar de zoetheid ervan blijft voor jou volkomen onbekend, tenzij je de zegeningen van de genade tot de jouwe maakt, door er levend, innerlijk en werkelijk deel aan te hebben.

“Welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt.” Geloof is de smaak van de ziel. Wie de HEERE op de proef stelt met zijn vertrouwen, vindt Hem altijd goed en wordt zelf gezegend. De tweede helft van het vers is het argument voor de oproep in de eerste helft.

Vers 10

“Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen.” Betoon Hem kinderlijke, nederige eerbied. Wandel in Zijn wetten, let op Zijn wil, huiver ervoor Hem te mishagen en haast u Hem te dienen. Vrees de woede van mensen niet, en laat u niet tot zonde verleiden door de heftigheid van hun dreigementen. Vrees God, en vrees verder niets.

“Want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.” Jehova laat Zijn trouwe knechten niet verhongeren. Hij geeft misschien geen weelde, maar Zijn belofte verplicht Hem te zorgen voor wat nodig is, en Hij komt niet terug op Zijn woord. Veel grillen en wensen blijven misschien onvervuld, maar echte behoeften zal de HEERE vervullen.

De vreze des HEEREN, ware godsvrucht dus, is niet alleen de plicht van wie zichzelf heiligen noemen. Dat wil zeggen: mensen die zijn afgezonderd en gewijd voor heilige taken. Het is ook hun weg naar veiligheid en troost. “De godzaligheid … hebbende de belofte des tegenwoordigen … levens.” Zelfs als we als honden zouden sterven en er geen hiernamaals bestond, dan nog zou het goed zijn om, voor ons eigen geluk, de HEERE te vrezen. Mensen zoeken een beschermheer in de hoop dat het hun goed gaat. Wie de HEERE der heirscharen tot vriend en beschermer heeft, die gaat het zeker goed.

Vers 11

“De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren.” Ze zijn fel, sluw en sterk, vol jeugdige kracht, en toch huilen ze soms van roofzuchtige honger. Zo komen ook listige, berekenende en onderdrukkende mensen, met al hun scherpzinnigheid en hun gebrek aan scrupules, vaak tekort. Maar eenvoudige gelovigen, die niet durven te doen wat de hebzuchtige leeuwen van de aarde doen, krijgen het voedsel dat bij hen past. God vertrouwen is betere politiek dan de sluwste politici kunnen leren of toepassen.

“Maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.” Echt goede dingen worden niet onthouden aan mensen wier eerste en voornaamste levensdoel het is de HEERE te zoeken. Mensen mogen hen dwazen noemen, maar de HEERE zal bewijzen dat zij wijs zijn. Zij zullen winnen waar de wijsneuzen van de wereld alles kwijtraken, en God zal er de eer voor krijgen.

Vers 12

“Komt, gij, kinderen!” David was krijger en koning, en toch schaamde hij zich niet om kinderen te onderwijzen. Wie de jeugd onderwijst, hoort bij de ware adel. Hun werk is eervol en hun loon zal heerlijk zijn. Misschien hadden de jongens en meisjes van Gath de spot gedreven met David toen hij zogenaamd waanzinnig was. Als dat zo is, probeert hij hier door de opgroeiende generatie te onderwijzen het kwaad goed te maken dat hij eerder had aangericht. Kinderen zijn de meest hoopvolle leerlingen. Wijze mensen die hun overtuiging willen verspreiden, zorgen dat ze het oor van de jeugd winnen.

“Hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren.” Voor zover geloof en ontzag voor God te leren zijn met woorden of door te luisteren, moeten we ze doorgeven. We moeten de beginselen en praktijken van godsvrucht inprenten bij de opgroeiende generatie. Dit vers kan de toespraak zijn van elke zondagsschoolleraar tot zijn klas en van elke ouder tot zijn kinderen. Er zit ook onderricht in over de kunst van het onderwijzen.

We moeten innemend en aantrekkelijk zijn voor de jongeren. We zeggen “kom” tegen hen en stoten hen niet af met harde woorden. We moeten hen losweken van speelgoed en spel en hun gedachten proberen te vullen met betere bezigheden. Want we kunnen hen niet goed onderwijzen zolang hun hoofd vol zit met andere dingen. We moeten altijd op de hoofdzaak aansturen en de vreze des HEEREN in ons onderwijs altijd bovenaan houden. Daarbij mogen we met beleid onszelf in de weegschaal leggen, door te vertellen wat wij zelf hebben ervaren en geloven.

Vers 13

Een leven vol geluk is wat iedereen wil. Wie de jongeren een recept kan geven voor een gelukkig leven, verdient het dat ze hem graag horen. Alleen maar bestaan is nog geen leven. De kunst van het leven, van echt, waarachtig en blij leven, kennen niet alle mensen. Mensen leren hoe ze moeten leven en hoe ze moeten sterven is het doel van al het nuttige godsdienstige onderwijs.

De beloningen van de deugd zijn het lokaas waarmee we de jongeren naar goed gedrag moeten trekken. Terwijl we hen godsvrucht jegens God leren, moeten we ook veel nadruk leggen op eerlijk en fatsoenlijk gedrag jegens de mensen.

Vers 14

“Bewaar uw tong van het kwaad.” Bewaak dat gevaarlijke lichaamsdeel, de tong, met zorgvuldige ijver, zodat ze niets kwaads uitspreekt. Want dat kwaad slaat op jou terug en verpest je levensgenot. Mensen kunnen geen gif spuwen zonder dat een deel van het venijn hun eigen vlees brandt.

“En uw lippen van bedrog te spreken.” Wie gelukkig wil zijn, moet bedrog heel ernstig vermijden. Een sluwe plannenmaker leeft als een spion in het kamp van de vijand: altijd bang om ontmaskerd en terechtgesteld te worden. Zuiver en eerlijk praten houdt het geweten gerust en bevordert zo het geluk. Maar liegen en kwaadspreken vullen ons kussen met doornen en maken het leven tot een voortdurende maalstroom van angst en schaamte.

David had de kronkelige politiek geprobeerd, maar hier veroordeelt hij die. Hij smeekt anderen: als ze lang en goed willen leven, moeten ze de twijfelachtige kunstgrepen van bedrog zorgvuldig mijden.

Vers 15

“Wijk af van het kwaad.” Ga er weg bij vandaan. Het is niet genoeg om alleen je handen ervan af te houden: je moet jezelf ervan losmaken. Ga niet naast een pesthuis wonen. Blijf uit de buurt van het hol van de leeuw en verlaat het nest van de adder. Zorg dat er afstand ligt tussen jou en de verleiding.

“En doe het goede.” Wees daadkrachtig, ijverig en vol energie, en houd vol in het goede. Wie het goede doet, laat het kwaad vanzelf liggen, want het positieve helpt ons ook van het negatieve af. “Zoek den vrede.” Houd er niet alleen van, maar span je met ijver en zorg in om hem te bevorderen. Vrede met God, met je eigen hart en met je medemens: zoek die zoals een koopman een kostbare parel zoekt. Niets maakt ons zelf gelukkiger dan vrede. Ruzie zet de hartstochten in beweging, en die knagen als zuur aan het hart. Woede doodt de mens zelf net zo goed als degene op wie ze gericht is.

“En jaag dien na.” Ga erachteraan, jaag erop met vurig verlangen. Vrede is zo weer weg; niets is moeilijker vast te houden. Doe toch je best, en komt er vijandschap, laat dat dan nooit door jou komen. Loop de vrede achterna als ze voor je op de vlucht is, en neem je vast voor om nooit iemand te worden die op ruzie uit is. De vrede die je zo bevordert, keert terug in je eigen borst en wordt een bron van troost die nooit opdroogt.

Vers 16

“De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen.” Hij kijkt naar hen met instemming en tedere zorg. Ze zijn Hem zo dierbaar dat Hij Zijn ogen niet van hen kan afhouden. Hij waakt over ieder van hen even zorgvuldig en met dezelfde aandacht, alsof er in het hele heelal maar dat ene schepsel was.

“En Zijn oren tot hun geroep.” Zo heeft de HEERE Zijn ogen én Zijn oren op Zijn heiligen gericht. Heel Zijn hart is met hen bezig: als iedereen hen over het hoofd ziet, Hij doet het niet. Hij hoort hun roep meteen, zoals een moeder haar zieke baby altijd hoort. Die roep mag gebroken zijn, klagend, ongelukkig, zwak of vol ongeloof: toch vangt het scherpe oor van de Vader elke toon van klacht of smeking op, en Hij laat Zijn kinderen niet lang op antwoord wachten.

Vers 17

“Het aangezicht des HEEREN is tegen degenen, die kwaad doen.” God staat niet onverschillig tegenover wat zondaars doen. Hij zet Zijn gezicht tegen hen, zoals wij dat noemen, vastbesloten dat zij nergens steun of hulp zullen vinden en dat hun plannen zullen mislukken en worden verslagen. Hij heeft Zich voorgenomen dat de goddelozen niet zullen slagen, en Hij zet Zich met heel Zijn macht in om hen ten val te brengen.

“Om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.” Hij trapt hun vuren uit. Hun eer verandert in schande en hun namen worden vergeten of vervloekt. Volledige ondergang wacht alle goddelozen.

Vers 18

“Zij roepen.” Net als Israël in Egypte roepen ze om hulp onder het zware juk van onderdrukking, of dat nu komt door zonde, verleiding, zorgen of verdriet. “En de HEERE hoort”; Hij is als de nachtwaker die, zodra hij de alarmbel hoort, naar hen toe rent om te helpen wie hem nodig heeft. “En Hij redt hen uit al hun benauwdheden.” Geen enkel net van benauwdheid kan ons zo gevangen houden dat de HEERE ons niet kan bevrijden. Onze zorgen mogen talrijk zijn en ingewikkeld verstrikt, maar door gebed komen we uit alles los, want de HEERE zal Zich sterk tonen voor ons.

Vers 19

“De HEERE is nabij de gebrokenen van harte.” Dat wil zeggen: dichtbij als een vriend, om hen aan te nemen en te troosten. Mensen met een gebroken hart denken dat God ver weg is, terwijl Hij juist het dichtst bij hen is. Hun ogen worden vastgehouden, zodat ze hun beste Vriend niet zien. Hij is echt bij hen en zelfs in hen, maar ze weten het niet. Ze rennen heen en weer en zoeken rust in hun eigen werken, in ervaringen, of in voornemens en besluiten, terwijl de HEERE vlak naast hen staat en één eenvoudige daad van geloof Hem zal laten zien.

“En Hij behoudt de verslagenen van geest.” Wat een gezegend teken ten goede is een berouwvol, treurend hart! Juist wanneer de zondaar zichzelf veroordeelt, spreekt de HEERE hem vrij uit genade. Als wij onze eigen geest tuchtigen, zal de HEERE ons sparen. Wie al pijn heeft van de roede van het geweten, slaat Hij nooit met de roede van het oordeel. Redding hoort bij verbrijzeling.

Vers 20

“Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen.” Zo worden ze gelijk aan Jezus, het Hoofd van hun verbond. De Schrift vleit ons niet zoals sprookjesboeken, met de gedachte dat een goed leven ons voor moeilijkheden behoedt. Integendeel: telkens weer worden we gewaarschuwd dat we verdrukking mogen verwachten zolang we in dit lichaam wonen. Onze zorgen komen uit alle windstreken en zijn even talrijk en even pijnlijk als de muggen in de tropen. Dat is het aardse deel van de uitverkorenen: doornen en distels op hun pad, ja, zelfs erin moeten gaan liggen en hun rust door verdriet verstoord zien.

Maar! Gezegend woordje: wat neemt het de angel uit de zin hiervoor! “Maar uit alle die redt hem de HEERE.” Door hele legers van kwalen heen, hoe dreigend ook, zal Jehova Zijn vrijgekochten ongedeerd en zegevierend leiden. Er komt een einde aan de verdrukking van de gelovige, en ook nog een vrolijk einde. Geen enkele beproeving kan hem zoveel pijn doen als één haar van zijn hoofd, en de smeltoven kan hem geen minuut langer vasthouden zodra de HEERE hem zegt eruit te komen.

Zwaar zou het lot van de rechtvaardigen zijn als deze belofte er niet in zat, als een bosje hennabloesem tussen de doornen. Maar zij maakt alles zoet. Dezelfde HEERE Die de verdrukkingen stuurt, roept ze ook terug als Zijn doel bereikt is. En Hij laat nooit toe dat de felste ervan Zijn geliefden verscheuren en verslinden.

Vers 21

“Hij bewaart al zijn beenderen; niet een van die wordt gebroken.” David was er met schoppen en klappen vanaf gekomen, maar zonder gebroken botten. Echte, blijvende schade overkomt de heiligen niet. De eeuwigheid zal al hun wonden genezen. Hun diepste zelf is veilig. Ze kunnen vleeswonden oplopen, maar geen enkel onderdeel van het wezenlijke bouwwerk van hun bestaan zal worden gebroken.

Dit vers kan gaan over de vele keren dat de heiligen door Gods voorzienigheid worden beschermd. Maar goede mensen hebben net zo goed gebroken ledematen gehad als anderen, dus we kunnen het niet zomaar op het lichaam toepassen. Naar mijn idee moet het geestelijk worden verstaan: ernstig letsel van de ziel wordt voor eeuwig tegengehouden door Gods liefde. Geen been van het geheimvolle lichaam van Christus zal worden gebroken, zoals ook Zijn eigen lichaam ongeschonden bewaard bleef. Gods liefde waakt over elke gelovige zoals ze over Jezus waakte. Geen dodelijke wond zal ons treffen. We zullen in het koninkrijk niet kreupel of verminkt zijn. Als de beproevingen van het leven voorbij zijn, zullen we voor Hem staan zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, bewaard in Christus Jezus en “in de kracht Gods bewaard … door het geloof tot de zaligheid”.

Vers 22

“De boosheid zal den goddeloze doden.” Wat zij zelf tegen anderen inzetten, zal dodelijk voor hen zijn: geen medicijn, maar vergif. Goddeloze mensen hebben maar genoeg touw nodig, dan hangen ze zichzelf op. Hun eigen ongerechtigheid is hun straf. De hel zelf is niets anders dan het kwaad op volle sterkte, dat kwelt wie erin woont. O, gelukkig wie naar Jezus gevlucht zijn en bij Hem schuilen voor hun vroegere zonden! Zij, en alleen zij, ontkomen.

“En die den rechtvaardige haten, zullen schuldig verklaard worden” (Engels: zullen verlaten zijn). Ze haatten het beste gezelschap en zullen er daarom geen hebben. Ze zullen verlaten zijn, kaalgeplunderd, ellendig en wanhopig. God laat de adder zichzelf vergiftigen. Wat een verlatenheid van hart voelen de verdoemden, en wat hebben ze die dubbel en dwars verdiend!

Vers 23

“De HEERE verlost de ziel Zijner knechten”, met een prijs en met kracht, met bloed en met water. Alle hulp die we in ons leven ontvangen, hoe gewoon die ook lijkt, is een deel van de verlossing door kracht; daarom wordt van de HEERE gezegd dat Hij nog altijd verlost. Wie zo is vrijgekocht, hoort bij Hem Die hem gekocht heeft. Dat eist de gerechtigheid en dat vraagt de dankbaarheid. Met blijdschap zullen we Hem dienen, Die ons zo genadig met Zijn bloed koopt en met Zijn kracht bevrijdt.

“En allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden” (Engels: zullen niet verlaten zijn). Geloof is het kenmerk van de vrijgekochten. Overal waar het te zien is, ook bij de kleinste en eenvoudigste van de heiligen, garandeert het de eeuwige redding. Gelovige, je wordt nooit verlaten, nooit aan je lot overgelaten, nooit prijsgegeven aan de ondergang. God, ja, jóuw God, is je beschermer en vriend, en jij hebt het geluk van de hemel.

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Titel

Abimelech was koning van Gath, en dus dezelfde als Achis (1 Sam. 21:10). Of hij had twee namen, of Abimelech was, zo lijkt het, een vaste titel voor alle Filistijnse koningen (zie Gen. 20:2; 26:8), zoals Farao dat was voor de Egyptische koningen en Caesar voor de Romeinse keizers. De naam betekent “vader-koning”, of “mijn vader is koning”, of “koninklijke vader”, omdat koningen de vaders van hun land horen te zijn. Voor deze koning veranderde David zijn gedrag, zijn smaak, zijn zin of zijn verstand: hij deed alsof hij gek was. — John Gill.

Gehele psalm (Deze psalm is alfabetisch.)

De alfabetische psalmen, door de Latijnse kerkvaders psalmi abcedarii genoemd, zijn er negen. Ik vind het jammer dat onze geautoriseerde vertaling, behalve bij Psalm 119, met geen woord over hun bestaan rept. Ik ga niet met Ewald beweren dat een vertaling die het acrostichon wegmoffelt daarom ontrouw is. Wel vind ik dat zo’n bijzondere schrijfstijl op de een of andere manier zichtbaar gemaakt moet worden, en dat het goede doelen dient als hij ook echt in de vertaling wordt nagebootst.

Natuurlijk zijn er moeilijkheden. Het Hebreeuwse alfabet verschilt sterk van alle alfabetten die nu in Europa gebruikt worden. Naast verschillen van meer fundamentele aard heeft het Hebreeuws maar tweeëntwintig letters, tegen onze zesentwintig, en een flink aantal daarvan heeft in ons alfabet geen tegenhanger. Een Hebreeuws acrostichon precies weergeven in een Engelse vertaling is daarom onmogelijk. — William Binnie, D.D.

Gehele psalm

De heer Hapstone heeft in zijn berijmde vertaling geprobeerd het alfabetische karakter van deze psalm na te maken. De letter die bij onze F hoort ontbreekt, en het laatste couplet begint met de letter die bij onze R hoort. Eén vers uit zijn vertaling is genoeg om een indruk te geven:

“Altijd zal ik Jehova’s grote Naam nu loven,
Bestendig klinkt Zijn lof uit mijne mond naar boven;
Constant roemt in Jehova nu mijn ziel verheugd,
Daarom, zachtmoedigen, hoort toe en juicht vol vreugd!”

Vers 2

“Ik zal den HEERE loven te aller tijd.” De martelaar Bradford zei over koningin Maria, die hem in haar wrede genade gevangen hield: “Als de koningin mij wil laten gaan, dank ik haar. Als ze mij in de gevangenis wil laten, dank ik haar. Als ze mij wil laten verbranden, dank ik haar,” enzovoort. Zo spreekt een gelovige ziel: laat God met mij doen wat Hij wil, ik zal dankbaar zijn. — Samuel Clarke, “Mirror”.

Vers 2

Stel dat het hele bouwwerk van de natuur uit zijn voegen raakt. Stel dat alle vrienden en steunpilaren om ons heen vals en bedrieglijk blijken, dat onze wereldse hoop en plannen mislukken, dat bezittingen ons worden afgenomen en dat vloeden van ziekte, armoede en schande onze ziel overspoelen met een woeste golf van nood. Wie God oprecht liefheeft, merkt dat niets hiervan zijn eigenlijke bezit raakt, en ook niet datgene waarnaar hij hijgend verlangt. Daarom trekt hij zich uit dit alles terug bij God, zijn toevlucht en schuilplaats. Daar voelt hij dat zijn Zaligmaker onvergelijkelijk beter is, en meer dan gelijk aan alles wat het hele heelal hem ooit kan bieden of afnemen.

Gods tedere ontferming, Zijn onuitputtelijke volheid en Zijn grote trouw geven hem troost en rust. Zo kan hij, juist als hij bang is, op Hem vertrouwen. Zo horen we ook de heilige psalmist spreken: “Ik zal den HEERE loven te aller tijd; Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn.” — William Dunlop.

Vers 2

Sint Basilius zegt ons dat de lof aan God, wanneer hij eenmaal goed als een zegel in de geest is gedrukt, ons in werkelijkheid voortdurend God doet loven, ook al wordt hij niet altijd in daden omgezet. — J. M. Neale, “Commentary”.

Vers 3

“Mijn ziel zal zich beroemen in den HEERE.” Dit is niet het roemen van de Farizeeër, dat God zo hatelijk vindt en dat de nederigen zo kwetst. Want de nederigen kunnen dit roemen horen en zich erover verheugen. Dat zouden ze nooit doen als het niet paste bij de regels van de nederigheid. Kan er groter roemen bestaan dan te zeggen: “Ik vermag alle dingen”? En toch zit er nederigheid in dit roemen, zodra ik erbij zeg: “door Christus, Die mij kracht geeft.” God houdt dus niet van roemen, maar dit roemen bevalt Hem wel: het eigent ons niets toe en schrijft alles aan Hem toe. — Sir Richard Baker.

Verzen 3-7

Er is iets treffends en moois aan de plotselinge sprongen en het wisselen van personen in deze paar verzen. “Mijn ziel zal zich beroemen”; “de zachtmoedigen zullen het horen”; “ik heb den HEERE gezocht”; “zij hebben op Hem gezien”; “deze ellendige riep.” Juist doordat de uitdrukkingen los van elkaar staan, zit er kracht en schoonheid in. Waren ze netjes met voegwoorden aan elkaar geregen, dan was dat grotendeels verloren gegaan.

Zoals Longinus opmerkt, tonen zulke losse dingen die elkaar toch voortjagen hoe oprecht en hevig het in de geest werkt. Ze lijken de zin misschien te onderbreken of te verstoren, maar ze geven hem juist leven en nadruk. — Samuel Chandler, D.D.

Vers 4

Venema merkt op dat we na de zaak met Achis in 1 Sam. 22:1 lezen: “Zijn broeders hoorden het, en het ganse huis zijns vaders, en kwamen derwaarts tot hem af.” Dat was in de spelonk Adullam. Zij, samen met mensen die schulden hadden en ontevreden waren over Sauls bewind, vormden een bende van vierhonderd man. Aan deze vrienden en kameraden vertelt hij hoe hij ontsnapt is, en hij roept hen op om met één hart en één stem de HEERE te verheffen. — C. H. S.

Vers 5

“Ik heb den HEERE gezocht, en Hij heeft mij geantwoord.” God verwacht eerst van jou te horen, voordat jij van Hem mag verwachten te horen. Als je het gebed inhoudt, is het geen wonder dat de beloofde barmhartigheid wordt achtergehouden. Nadenken over een belofte lijkt op een advocaat die zijn zaak bestudeert voordat hij gaat pleiten. Heb je dus de belofte goed bekeken en je hart ermee ontroerd door haar rijkdom, ga dan snel naar de troon van genade en leg haar voor aan de HEERE. — William Gurnall.

Vers 5

“En mij uit al mijn vrezen gered.” Het zou al een grote gunst zijn geweest om mij uit al mijn benauwdheden te verlossen, maar het is een veel grotere om mij uit al mijn vrezen te verlossen. Het eerste had mij alleen bevrijd van het kwaad van nu; dit tweede beschermt mij tegen het kwaad dat nog komt. Zo geniet ik nu niet alleen innerlijke rust, maar ook veiligheid, een voorrecht dat alleen de godvrezenden hebben.

De goddelozen mogen vrij zijn van benauwdheid, maar zijn ze ook vrij van vrees? Nee. God weet dat ze weliswaar niet in nood verkeren zoals andere mensen, maar toch in meer angst leven dan anderen. Hun schuldgevoel of hun zorg voor de wereld laat hen nooit gerust. Soms zijn ze vrij van de aanval van de koorts, maar ze blijven altijd mopperen. En om de woorden van de dichters te gebruiken: ze voelen niet altijd de zweep van Tisiphone, maar wel altijd haar verschrikkingen.

Nu de HEERE dit voor mij heeft gedaan en mij van al mijn vrezen heeft verlost, heb ik dan geen reden, een goede reden, om Hem groot te maken en Zijn naam te verheffen? — Sir Richard Baker.

Vers 6

“Zij hebben op Hem gezien.” Hoe meer we aan onze Heere denken en hoe minder aan onszelf, hoe beter. Kijken we naar Hem, zoals Hij zit aan de rechterhand van Gods troon, dan blijven ons hoofd en vooral ons hart kalm als we door de diepe wateren van de verdrukking gaan. Daar heb ik vaak aan gedacht als ik bij het oude plaatsje Langholm door het water moest. Keek ik omlaag naar het stromende water, dan werd ik duizelig. Daarom richtte ik mijn blik op een vast punt aan de overkant, en zo kwam ik er gemakkelijk doorheen. — David Smith, 1792-1867.

Vers 7

“Deze ellendige riep.” Waarom roept een mens? Daar zijn drie redenen voor. Allereerst: nood kent geen schaamte. De nijpende nood van Gods kinderen laat zich niet binden door wat netjes of fatsoenlijk heet. Honger kan zich niet schamen. “Ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier”, zegt David, Ps. 55:3; en Hizkia: “Gelijk een kraan of zwaluw, alzo piepte ik; ik kirde als een duif”, Jes. 38:14. “Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente”, Job 30:28.

Ten tweede: God verhoort een gebed alleen als het in Christus wordt opgezonden, en niet omdat het zo vurig is. Toch is vurigheid een hemels ingrediënt van het gebed. Een pijl die met volle kracht is getrokken, treft sneller zijn doel. Daarom noemt de Schrift het bidden van Gods kinderen steeds een roepen. “Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet”, Ps. 22:3. “Des middags zal ik klagen en getier maken”, Ps. 55:18. “Als mij bange was, riep ik den HEERE aan”, Ps. 18:7. “Ik, HEERE! roep tot U”, Ps. 88:14. “Uit de diepten roep ik tot U”, Ps. 130:1. “Uit den buik des grafs schreide ik”, Jona 2:2. “Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen”, Ps. 28:1.

Soms gaat het zelfs verder dan roepen: “Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord”, Job 19:7. “Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed”, Klaagl. 3:8. Hij Die ons allemaal kan leren bidden, de lieve Jezus, bracht “in de dagen Zijns vleses, gebeden en smekingen … met sterke roeping en tranen geofferd”, Hebr. 5:7. Hij bad met een strijdkreet, zo hartstochtelijk en vol overgave.

Ten derde: zulke gebeden zijn zo krachtig dat God ze verhoort. “Deze ellendige riep, en de HEERE hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden”, Ps. 34:7. “Mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren”, Ps. 18:7. Het roepen geeft het gebed vleugels, als een snelle bode die op leven en dood naar het hof wordt gestuurd. “Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered”, Ps. 22:6. “Zij roepen, en de HEERE hoort”, Ps. 34:18. — Samuel Rutherford.

Vers 8

“De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.” Ik ga hier niet uitspitten of engelen zich kunnen samentrekken, of ze in één punt kunnen bestaan en zo met zo’n groot aantal dichter bij elkaar kunnen staan. Ik hoef ook niet te onderzoeken of ze op deze of gene plaats met hun wezen aanwezig zijn, of alleen met hun kracht en werking.

Eén ding mag de godvrezende wel zeker weten: als hij hun hulp nodig heeft, kan hij die in een oogwenk krijgen, ondanks deuren, sloten en grendels. Er is namelijk geen hindernis. Het ligt niet aan hun kracht, want het zijn geesten. Het ligt ook niet aan een gebrek aan goede wil. Het is hun plicht om te helpen, en ze zijn de gelovige ook genegen. Ze verheugen zich al over zijn eerste bekering, Luk. 15:10, en ik durf met vertrouwen te zeggen dat ze altijd met vreugde klaarstaan om iets voor hem te doen.

Over dit onderwerp kan ik enkele woorden van Origenes niet overslaan, zoals ik ze via zijn uitlegger ken. Hij laat de engelen zo spreken: “Als Hij (daarmee bedoelt hij de Zoon van God) neerdaalde, en neerdaalde in een lichaam, en met vlees werd bekleed, en Zijn zwakheden doorstond en voor de mensen stierf, waarom blijven wij dan stilstaan? Kom, laten wij allemaal samen uit de hemel neerdalen.” — Zachary Bogan.

Vers 8

“De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen.” Dit is de eerste keer dat we in het boek Psalmen lezen over engelen die ons dienen. Maar veel kerkvaders begrijpen deze woorden liever van “den Engel van den Grote Raad”. En zo bekeken passen ze prachtig op Hem: Hij is het Die Zijn volk altijd omringt en beschermt. — J. M. Neale.

Vers 8

“De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen”, enz. Hiermee kan twee dingen bedoeld zijn. Het kan gaan om de ongeschapen Engel, de Heere Jezus Christus: de Engel van Gods aangezicht en van het verbond, de Overste der zaligheid, de Leidsman en Bevelhebber van het volk. Zijn zaligheid is voor hen als muren en bolwerken, of als een leger dat hen omringt.

Het kan ook gaan om een geschapen engel. Eén enkele is al genoeg om een hele menigte heiligen te bewaken, want één engel kon in één klap een groot aantal vijanden uitroeien, zoals in 2 Kon. 19:35. Of één engel staat voor velen, want er is een ontelbare schare die aan de kant van Gods volk staat en zich bij hen voegt. Van hen kun je zeggen dat ze zich rondom Gods volk legeren, omdat ze een heir zijn, een leger (zie Gen. 32:1-2; Luk. 2:13). Ze zijn de wachters van de heiligen. Ze komen voor hen op, ze beschermen hen en ze dienen hen ook. — John Gill.

Vers 8

In dit paar psalmen zien we de Engel des HEEREN in twee rollen: als engel van barmhartigheid en ook als engel van oordeel, Ps. 35:6. Je kunt de vierendertigste en vijfendertigste psalm in dit opzicht goed naast elkaar leggen en vergelijken met Handelingen 12. Daar legert de engel des HEEREN zich rondom Petrus en bevrijdt hem, en daar treft hij ook de vervolger Herodes Agrippa. — Christopher Wordsworth, D.D.

Vers 8

“Rondom.” Ter verduidelijking: volgens D’Arvieux slaan de Arabieren hun tenten gewoonlijk in een cirkel op. De vorst staat in het midden, de Arabieren staan om hem heen, maar wel zo dat er een eerbiedige afstand tussen hen blijft. Thevenot beschrijft een Turks legerkamp bij Caïro. Hij let vooral op de ruimte, de versiering en het comfort van de tent van de pasja, en voegt eraan toe: “Rondom de omheining van zijn tent, op een pistoolschot afstand, stonden meer dan tweehonderd tenten. Ze stonden zo dat hun ingangen allemaal naar de tent van de pasja gekeerd waren. Dat is altijd zo, zodat ze hun oog voortdurend op de woning van hun meester kunnen houden en klaarstaan om hem bij te springen als hij wordt aangevallen.” — Richard Mant.

Vers 9

“Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is.” Onze zintuigen komen ons verstand te hulp. Met het sterkste redeneren kun je niet ontdekken hoe zoet honing is. Proef haar, en je merkt het meteen. “Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.” Leef in het licht van de HEERE, en laat je ziel altijd verrukt zijn door Zijn liefde. Haal het merg en het vet eruit dat jouw deel je oplevert. Laat dwazen aan jouw gezicht zien hoe flets hun vlammetjes zijn bij de glans van jouw dag. — Richard Alleine, in “Heaven Opened”, 1665.

Vers 9

“Smaakt en ziet”, enz. Het is niet genoeg dat je het van veraf ziet en het niet hebt, zoals de rijke man. Het is ook niet genoeg dat je het in je hebt en niet proeft, zoals Simsons leeuw veel honing in zich had, maar er niets van proefde. Je moet het hebben én zien, proeven én hebben. “Smaakt en ziet”, zegt de dichter, “dat de HEERE goed is” (Engels: hoe zoet de HEERE is). Want zo geeft Christus Zijn kerk echt niet alleen een blik, maar ook “een smaak” van Zijn zoetheid.

Een blik, dat is waar Hij zegt: “Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien, of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen, de granaatappelbomen uitbotten.” Daar zie je de wijnstok, meer niet. Een smaak, dat is waar Hij zegt: “Ik zou U brengen in mijner moeders huis … ik zou U van specerijwijn te drinken geven, en van het sap van mijn granaatappelen” (Engels: in het huis des wijns). Daar proef je de wijn zelf. De kerk gaat niet alleen naar de wijngaard om de wijn te zien, ze gaat ook naar het wijnhuis om hem te proeven. — Thomas Playfere.

Vers 9

“Smaakt en ziet.” Sommige dingen, vooral in de diepten van het geloofsleven, kun je alleen begrijpen door ze te ervaren. En zelfs dan lukt het niet om ze goed in woorden te vangen. “Smaakt en ziet dat de HEERE goed is.” Eerst komt het genieten, dan pas het inzicht. Of liever: het genieten is het inzicht. Sommige dingen moet je eerst liefhebben, voordat je weet dat ze je liefde waard zijn. Sommige dingen moet je eerst geloven, voordat je begrijpt dat ze je geloof waard zijn. En zelfs daarna, als we een geestelijke waarheid duidelijk voor ogen hebben, kunnen we op de vraag om uitleg misschien alleen antwoorden zoals de wijsgeer aan wie men vroeg: “Wat is God?” Hij zei: “Ik weet het, zolang u het mij niet vraagt.” — Thomas Binney, “Sermons”, 1869.

Vers 9

“Smaakt en ziet.” Laat Gods goede gaven niet smaakloos naar binnen glijden, en laat ze niet boosaardig in vergetelheid raken. Gebruik je smaak: leer ze kennen en denk erover na. — D. H. Mollerus.

Vers 9

Hemel en aarde zijn vol van Gods goedheid. Wij vergeten onze mond en ogen open te doen. Daarom wil de psalmdichter dat we proeven en zien. — August F. Tholuck.

Vers 9

Dat “smaakt en ziet” klinkt voor ons als een uitnodiging voor een overvloedig feestmaal dat al lang klaarstaat, en voor een rijk schouwspel dat open en bloot voor ons ligt. De bevelende wijs is eigenlijk geen welsprekendheid, maar een overtuigend woord. — E. W. Hengstenberg.

Vers 9

Alle geestelijke troost die een gelovige in dit leven kan bereiken, is nog maar een voorproefje van wat komen gaat. — David Dickson.

Vers 9

O proef de HEERE, zie hoe eindeloos zoet Hij is;
Gelukkig wie op Hem vertrouwt: zijn zegen is gewis!

— Sir John Davies, 1569-1626.

Verzen 9-11

Al deze verzen laten prachtig zien hoe vol, hoe passend, hoe volledig en hoe toereikend God in Christus is voor alles wat Zijn volk nodig heeft. En is de vergelijking niet bijzonder mooi? Aan de ene kant staan de honger en roofzucht van de leeuw, en zelfs het onstuimige van de jonge leeuw. Aan de andere kant staan het geduld en het stille wachten van de gelovige. Een leven van geloof vindt in alles voedsel, want het is allemaal in Christus gegrond. De jonge leeuwen mogen en zullen gebrek lijden, want hun vraatzuchtige honger wordt door niets gestild, behalve door wat vleselijk is. — Robert Hawker.

Vers 11

“De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren.” De oude leeuwen laten het voor hen over, als er iets te halen valt. “Maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.” Zoals zij van binnen niets kwaads voelen, zo zullen zij van buiten niets goeds missen. Wie de bovenste bronnen royaal openzet, sluit de onderste nooit helemaal af. Er zal geen zilver ontbreken in Benjamins zak, zolang Jozef het erin kan stoppen. Genade is geen bedelende bezoeker die haar eigen kosten niet kan betalen. Wanneer we het allerhoogste Wezen aanbidden, genieten we ook de allerbeste zegeningen. — William Secker.

Vers 11

Mensen denken vaak dat het leven van een wild dier gelukkig moet zijn, tenminste voor een dier. Ze nemen aan dat de vleeseters en planteneters die nooit onder de heerschappij van de mens zijn gekomen, er beter aan toe zijn dan de tamme viervoeters. Die kopen hun rustiger en veiliger bestaan immers met het dienen van de luxe en de noden van hun menselijke bazen. Maar het tegendeel is waar. Het leven van een roofdier is ellendig, zelfs vanuit het gezichtspunt van de tijger of de luipaard. Ze moeten vaak de pijn van langdurige honger verdragen. En als ze eindelijk voedsel vinden en doden, moeten ze vaak een wanhopige strijd voeren om van hun prooi te kunnen eten.

Bijna elk wild dier laat een schreeuw horen die zo treurig en verlaten klinkt dat de reiziger er meer van wordt aangegrepen dan bang van wordt. Als je ze op de jacht kunt gadeslaan, zie je ze sluipen en snuffelen. Ze lijken allesbehalve “koningen van het woud”. Het zijn arme, terneergeslagen, uitgehongerde stakkers die zich wanhopig afvragen waar hun volgende maaltijd vandaan moet komen. Door vuil voedsel en lang vasten worden ze vreselijk ziek. Heel weinige hebben geen littekens op hun huid, de sporen van verschrikkelijke gevechten. Worden ze oud, dan is hun lot erbarmelijk: hun tanden zijn afgesleten, hun klauwen bot, en in die toestand sterven velen van hen van de honger. Niet de helft van de wilde dieren sterft een natuurlijke dood. Voor zover we kunnen zien, bestaat hun leven uit een lange reeks harde ontberingen, met wanhopige en bloedige gevechten onder elkaar. — Uit de “Daily Telegraph”.

Vers 11

“Die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.” Zulke mensen zullen niets tekortkomen, zegt de dichter, en geen goed ding missen. Daarom moet je er wel één zijn aan wie de belofte is gedaan. En je moet er ook zeker van zijn dat wat beloofd is, werkelijk goed voor je is.

Het is vaak niet goed voor een mens om te baden in aardse zegeningen, zoals sterke drank niet goed is voor zwakke hoofden. Ja, als een goed mens iets tekortkomt, mag hij er zeker van zijn dat het niet goed voor hem is. Dan is het beter dat hij het mist dan dat hij het had. En welk wijs mens klaagt over het ontbreken van iets dat hem, als hij het had, meer zou schaden dan baten? Denk aan een zwaard voor een gek, een mes voor een kind, drank voor iemand met koorts of waterzucht. “Hij zal het goede niet onthouden”, enz. En dat geldt dus ook voor de gebreken zelf, want voor velen zijn die ook goede, ja zeer goede dingen. Ik kan er heel veel noemen.

Geheiligd gebrek is een uitstekend middel om ons tot bekering te brengen en ons leven te laten verbeteren. Het wekt het gebed op en maakt ons los van de liefde voor de wereld. Het houdt ons steeds gereed voor de geestelijke strijd en laat zien of we echte gelovigen zijn of huichelaars. Het behoedt ons voor grotere kwaden van zonde en toekomstige straf. Het maakt ons nederig en meer gelijk aan Christus, ons Hoofd. Het vermeerdert ons geloof, onze blijdschap en dankbaarheid, onze geestelijke wijsheid en ook ons geduld. Dat heb ik uitvoerig aangetoond in een ander geschrift. — Richard Young, in de “Poor’s Advocate”, 1653.

Vers 11

Ik herinner me dat ik, toen ik door het land trok, een arme weduwe tegenkwam wier man bij Bothwell was gevallen. De bloeddorstige soldaten kwamen haar huis plunderen en zeiden dat ze alles zouden meenemen wat ze had. “We laten u niets over”, zeiden ze, “niets om in te stoppen of om aan te trekken.” “Het deert me niet”, zei ze, “ik zal geen gebrek hebben zolang God in de hemelen is.” Dat was nog eens een echte gelovige, daar kun je niets anders van zeggen. — Alexander Peden, preek, 1682.

Vers 11

Overzie hemel en aarde en alles wat erin is. Wat op goede gronden echt goed blijkt te zijn, vraag dat vrijmoedig aan Christus. Zijn liefde zal het niet weigeren. Was het goed voor je geweest als er geen zonde, geen duivel, geen verdrukking en geen verderf bestond, dan zou de liefde van Christus dat meteen afschaffen. Ja, als het bezit van alle koninkrijken van de wereld voor een heilige absoluut goed was, zou de liefde van Christus hem meteen tot heerser over alles kronen. — David Clarkson.

Vers 11 (laatste zinsdeel)

Columba bracht een deel van zijn laatste middag door met het overschrijven van de Psalmen van David. Hij kwam bij die plaats in psalm 34 waar staat: “Die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.” Toen zei hij: “Ik ben aan het einde van een bladzijde gekomen en hier houd ik op. Wat volgt, Ps. 34:12: ‘Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren’, is beter geschikt voor mijn opvolger om over te schrijven dan voor mij. Ik laat het daarom aan Baithen over.”

Zoals altijd werd om middernacht de bel geluid voor de gebeden. Columba haastte zich als eerste naar de kerk. Even later kwam Dermid binnen. Hij vond Columba op zijn knieën in gebed, maar duidelijk stervend. Dermid tilde hem op in zijn armen en liet zijn hoofd tegen zijn borst rusten. Nu kwamen de broeders binnen. Toen ze Columba zo zagen liggen, huilden ze hardop. Columba hoorde hen. Toen deed hij zijn ogen open en probeerde iets te zeggen, maar zijn stem begaf het. Hij hief zijn handen op, alsof hij hen wilde zegenen, en blies meteen daarna zijn geest uit. Zijn gezicht behield in de dood de uitdrukking die het in het leven had gehad, zodat het leek alsof hij alleen maar in slaap was gevallen. — “Story of Columba and his successors”, in de Christian Treasury voor 1848.

Vers 12

“Komt, gij, kinderen!” Venema merkt vooral op dat David zijn vrienden in de spelonk zijn zonen of kinderen noemde. Hij stond immers op het punt hun leraar te worden, en zij zijn leerlingen. Bovendien waren het jonge mannen in de bloei van hun leven, en als zonen zouden zij de bouwers van zijn huis zijn. En ten slotte had hij als hun leider, aan wiens gezag en bevel zij zich onderwierpen, het recht hen als zijn kinderen aan te spreken. — C. H. S.

Vers 12

“Komt, gij, kinderen!” enz. Je kent je aardse ouders, ja, maar doe moeite om ook je hemelse Vader te kennen. Je kent de vaders van je lichaam, ja, maar zet je in om de Vader van je geest te leren kennen. Misschien ken je Horatius’ Oden, Vergilius’ Eclogen en Cicero’s Redevoeringen goed. Maar o, zoek ook inzicht in Davids Psalmen, in Salomo’s Spreuken en in de andere heldere boeken van de Heilige Schrift!

Het manna moest ’s morgens worden verzameld. De oosterse parel ontstaat uit de morgendauw. En zoals de Romeinen zeiden: aurora musis amica, de ochtend is een vriend van de muzen. O, “gedenk aan de Schepper” en leer Hem kennen in de ochtend van je kinderjaren! Toen God hemel en aarde had geschapen, was het eerste wat Hij deed de wereld te sieren met licht en dat van de duisternis te scheiden. Gelukkig het kind over wie het licht van de reddende kennis al vroeg begint op te gaan!

In de wet eiste God de eerstgeborene en de eerstelingen. Zo vraagt Hij ook nu dat we onze eerste dagen aan Hem geven. Het zijn de woorden van de wijsheid: “Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.” Spr. 8:17. Een rabbijn merkt hierbij op dat er in het Hebreeuws een extra letter aan het werkwoord is toegevoegd, en die telt als vijftig. Zijn conclusie: wie vroeg zoekt, krijgt geen twintig- of dertigvoudige, maar een vijftigvoudige, ja, een honderdvoudige vergelding. — Nathanael Hardy.

Vers 12

“Komt, gij, kinderen!” In dit laatste deel van de psalm gaat David kinderen onderwijzen. Hij was een krijgsman en gezalfd om koning te worden, maar hij vond het niet beneden zich. Zijn hoofd zat vol zorgen en zijn handen vol werk, en toch nam hij hart en tijd om jonge mensen uit eigen ervaring goede raad te geven. — Matthew Henry.

Vers 12

Let op twee dingen. I. Wat David van de kinderen verwacht: “Hoort naar mij.” Laat je spel liggen, leg je speelgoed weg en luister naar wat ik je te zeggen heb. Niet alleen naar mij luisteren, maar ook goed opletten en gehoorzamen. II. Wat hij hun wil leren: “des HEEREN vreze”, waarin alle plichten van het geloof besloten liggen.

David was een beroemd musicus, staatsman en soldaat. Toch zegt hij niet tegen zijn kinderen: ik leer je harp spelen, of het zwaard en de speer hanteren, of de boog spannen, of: ik leer je de regels van de staatkunde. Nee, hij zegt: ik zal u des HEEREN vreze leren. Die is beter dan alle kunsten en wetenschappen, beter dan alle brandoffers en slachtoffers. Dat moeten we zelf ernstig willen leren, en onze kinderen ook leren. — Matthew Henry.

Vers 12

“Ik zal u des HEEREN vreze leren.” Ik neem hier de vertaling en omschrijving over uit mijn oude Psalter. Ik doe dat graag, want ik denk dat er een zijdelingse verwijzing in zit naar een zeer ongepaste en ongeheiligde manier van opvoeden. Jonge mensen kregen het hele stelsel van de heidense mythologie te leren, nog voordat iemand hun één gezonde les over de echte godsleer had gegeven. Zo raakte hun geest uiteindelijk vol van heidendom. Het slechte gedrag van goden, godinnen en helden (hier heel passend tirannen genoemd) werd het voorbeeld voor hun eigen gedrag. Van buiten werden ze net zo heidens als ze van binnen al waren.

Vertaling. “Cummes sones lere me: dred of Lard I sal you lere.” Omschrijving. “Cummes, with trauth and luf: sones, qwam I gette in haly lere: beres me. With eres of hert. I sal lere you, noght the fabyls of poets; na the storys of tryauntz; bot the dred of oure Larde, that wyl bring you til the felaghschippe of aungels; and thar in is lyfe.” Ik hoef deze omschrijving niet nog eens te omschrijven. Ze is duidelijk genoeg. — Adam Clarke.

Vers 12

“De vreze des HEEREN.” Bij dit vers staat de Meester der Sententiën stil bij vier soorten vrees: wereldse, slaafse, beginnende en kinderlijke. Wereldse vrees is dat we alleen bang zijn om te zondigen omdat we geen wereldse winst willen mislopen of geen wereldse last willen krijgen. Slaafse vrees is dat we alleen bang zijn voor de helse kwellingen die op de zonde staan. Beginnende vrees is dat we bang zijn het geluk van de hemel te verliezen. Kinderlijke vrees is dat we louter en helemaal bang zijn God te bedroeven, Die we met heel ons hart liefhebben.

“Ik zal u … leren.” Hieruit blijkt dat deze vreze niet iets is wat je in één keer leert. Ze vraagt zorgvuldige studie en een goede meester. Chrysostomus vergelijkt de school van de psalmdichter hier met de bijeenkomst van heidense studenten in hun academie. En Efraïm noemt, met een verwijzing naar deze plaats, de vreze Gods zelf de school van de geest. “Het is alsof hij zegt”, aldus Laurentius Justiniani: “Ik zal u niet de banen van de sterren leren, niet de aard van de dingen, niet de geheimen van de hemel, maar de vreze des HEEREN. Kennis van zulke zaken maakt zonder vreze hoogmoedig. Maar de vreze des HEEREN kan ook zonder zulke kennis redden.”

“Hier”, zegt Cassiodorus, “is geen vrees om te vrezen, maar om lief te hebben. Menselijke vrees zit vol bitterheid, goddelijke vrees vol zoetheid. De ene drijft ons tot slavernij, de andere lokt ons tot vrijheid. De ene is bang voor de gevangenis van de Gehenna, de andere opent het koninkrijk der hemelen.” — J. M. Neale.

Vers 12

“De vreze des HEEREN.” Laat dit daarom, lieve kinderen, jullie belangrijkste zorg en studie zijn. Wat heb je eraan om goed thuis te zijn in Tullius, Vergilius, Homerus en andere wereldse schrijvers, als je het Boek van God niet kent? Wat heb je eraan Grieks en Latijn te hebben geleerd, als je niet tegelijk de taal van Kanaän leert? Wat heb je eraan dat je spreekt volgens de regels van Priscianus en Lily, als je leven en wandel niet passen bij de regels en wetten van het christendom? Wat heb je eraan de schepselen te kennen, als je de Schepper niet kent? Wat heb je eraan te hebben geleerd hoe je hier een tijdje kunt leven, als je verzuimt te leren hoe je hierna eeuwig kunt leven?

Leer God te vrezen en God te dienen, en dan zal God je zegenen. Want “Hij zal zegenen, die den HEERE vrezen, de kleinen met de groten.” Ps. 115:13. — Thomas Gataker, “David’s Instructor”, 1637.

Vers 13

Het is niet zoveel waard om lang te leven, of eeuwig, maar wel om gelukkig te leven. Het trouwe gebed “Leve de koning” (in elke taal) betekent: dat het hem goed mag gaan. Als de psalmist zegt: “Wie is de man, die lust heeft ten leven?”, legt hij zichzelf meteen daarna uit met de woorden “die dagen liefheeft, om het goede te zien” (Engels: goede dagen). Bij de Latijnen betekent vivere, leven, soms net zoveel als valere, het goed hebben. Daarom noemt de Schrift de toestand van de verdoemden een eeuwige dood: hun leven is niets dan voortdurende ellende. En de toestand van de zaligen noemt ze een eeuwig leven: dat is een blijvend wonen in geluk. — Nathanael Hardy.

Vers 13

De waarde van het leven zit niet in de lengte, maar in wat je ermee doet. Soms heeft hij het minst geleefd die het langst heeft geleefd. — Seneca.

Vers 14

“Bewaar uw tong van het kwaad”, enz. Ficinus schreef verhandelingen De sanitate tuenda, over het behouden van een goede gezondheid, een tweede over het herstel van de gezondheid en een derde over het verlengen van het leven. Omdat dat alles niet genoeg is, voegde hij verstandig een vierde toe, over het grijpen van het eeuwige leven. Dat gaat niet zonder het doden van dit aardse lid, een losse en schandelijke tong. “Want uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden”, zegt de Rechter Zelf. Matth. 12:37. Leg Gen. 49:21 naast Deut. 33:23, en je ziet dat goede woorden je geliefd maken bij God en mensen. — John Trapp.

Vers 14

“En uw lippen van bedrog te spreken.” Misschien waarschuwt David ons hier tegen bedrog omdat hij terugdenkt aan zijn eigen zonde, toen hij zijn gedrag veranderde. Wie echt berouw heeft over zijn fouten, waarschuwt anderen om het niet net zo te doen. — Matthew Henry.

Vers 15

“Wijk af van het kwaad”, enz. Dit laat zien dat het kwaad vlak bij de mensen is. Het blijft dicht om hen heen en moet gemeden en ontweken worden. En het gaat om elke soort kwaad: kwade mensen en hun slechte gezelschap, kwade dingen, kwade woorden en werken, en elke schijn van kwaad. De vreze des HEEREN toont zich in het haten van het kwaad en het ervan wegblijven. Spr. 8:13; 16:6. — John Gill.

Vers 15

“Wijk af van het kwaad.” De overige geboden gaan over wat we moeten doen. Het zijn er vier, terwijl de geboden over woorden er maar twee waren. We moeten immers meer in daden zijn dan in woorden. Ze zijn allemaal bevestigend, want een daad hoort niet ontkennend te zijn: dan zou doen niet beter zijn dan niets doen. De eerste twee zijn algemeen, zo algemeen als goed en kwaad. Komen we iets tegen wat kwaad is, dan moeten we ervan wegwijken. Bij het kwaad is er geen aarzelen. — Sir Richard Baker.

Vers 15

“Doe het goede.” Alleen maar niet slecht zijn is niet genoeg om ons recht op de hemel te geven. Sommige mensen in de wereld hebben een godsdienst die helemaal uit ontkenningen bestaat. Ze zijn geen dronkaard, ze zijn geen vloeker, en daarom prijzen ze zichzelf gelukkig. Kijk hoe de Farizeeër opschept, Luk. 18:11: “O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de anderen mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers”, enz. Helaas! Niet schandelijk zijn maakt je nog geen christen, net zomin als een nul een som maakt. We krijgen niet alleen het gebod om van het kwaad af te laten, maar ook om goed te doen.

Het zal een armzalig pleidooi zijn aan het eind: Heere, ik heb mij gewacht voor besmetting met grove zonde. Ik deed geen kwaad. Maar wat goeds is er in u? Voor de knecht in de wijngaard is het niet genoeg dat hij daar geen kwaad doet, de bomen niet breekt en de heggen niet vernielt. Als hij niet in de wijngaard werkt, verliest hij zijn loon. Zo is het voor ons niet genoeg om op de laatste dag te zeggen: we hebben geen kwaad gedaan, we hebben niet in grove zonde geleefd. Maar wat goeds hebben we gedaan in de wijngaard? Waar is de genade die we hebben ontvangen? Kunnen we die niet laten zien, dan verliezen we ons loon en missen we de zaligheid. — Thomas Watson.

Vers 15

“Zoek den vrede, en jaag dien na.” Ja, doe wat goed is, en je hoeft de vrede niet na te jagen: ze zal je vinden zonder dat je zoekt. Augustinus zegt: Fiat justitia, et habebis pacem, leef rechtvaardig en je leeft in vrede. De rust spoort de gerechtigheid op, waar die ook woont. Maar het huis van het kwaad verafschuwt ze. De vrede gaat niet aan tafel waar de genade niet eerst haar vasten heeft gebroken. Laten we de godzaligheid omhelzen, dan geldt: “De vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus.” Fil. 4:7. — Thomas Adams.

Vers 15

“Zoek den vrede, en jaag dien na.” De dingen die we het meest wensen, zijn niet de dingen die het gemakkelijkst te krijgen zijn. Wat is voor de verbeelding aantrekkelijker dan de rust van de vrede? Toch komt deze grote zegen niet uit zichzelf naar ons toe. Ze moet gezocht worden. En ook als we haar zoeken, glipt ze vaak tussen onze vingers door. Ze vliegt weg en moet nagejaagd worden.

  1. Wie vreedzaam wil leven, moet oppassen dat hij geen aanstoot geeft wanneer dat niet nodig is, of wanneer het onschuldig voorkomen kan worden.
  2. Een ander kenmerk van de vreedzame mens is dat hij geen aanstoot neemt. Zeker niet bij kleine dingen, die nauwelijks de aandacht van een wijs mens waard zijn.
  3. Is er toch onnodig aanstoot gegeven of genomen, dan moeten we proberen daar zo snel mogelijk een eind aan te maken. Is er al ruzie begonnen, smoor die dan in de kiem en laat haar niet verder gaan. — Samengevat uit een preek van Dr. Waterland, in J. R. Pitmans “Course of Sermons on the Psalms”, 1846.

Vers 16

“Zijn oren tot hun geroep” (Engels: Zijn oren zijn open voor hun geroep). Het woord “open” staat niet in de grondtekst. Maar de bedoeling is dat Gods oor aandachtig gebogen is, in een voorovergebogen houding, naar het roepen van de rechtvaardigen. Het woord “rechtvaardig” kan hier met nadruk worden opgevat, zoals dat in de Schrift vaak gebeurt, voor een bijzondere, uitgelezen en voortreffelijke soort van gerechtigheid. Wie werkelijk rechtvaardig en waardig zijn, naar hen, zeg ik, is Gods oor toegeneigd. Het buigt en helt naar hen en hun gebeden, zoals Hoogl. 2:14 zegt: “Doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet.” Er bestaat een zekere natuurlijke verbondenheid en lieflijkheid tussen Gods oor en de gebeden, smeekbeden en noodkreten van zo’n rechtvaardige. Joh. 15:7. — John Goodwin.

Vers 16

“Zijn oren tot hun geroep.” In het Hebreeuws staat: zijn tot hun geroep. Of, zoals Petrus het zegt: “Zijn oren tot hun gebed”, 1 Petr. 3:12. Dat laat zien dat God Zijn oren zal neigen naar hun gebeden, ja, tot in hun gebeden, hun zuchten, ook al zijn die zo zwak en flauw dat ze niet tot de oren van de HEERE der heirscharen kunnen doordringen. Klaagl. 3:56. — John Trapp.

Verzen 16-17

“De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.” Vreemden mogen jammeren, we letten nauwelijks op wat hun scheelt, en het is maar de vraag of we hen helpen. Maar als onze eigen kinderen in grote nood roepen, haasten we ons hun te hulp. Onze band met God mag onze hoop wel versterken dat onze wensen verhoord worden. Wie kan roepen: Abba, Vader, mag erop vertrouwen dat zijn verzoek slaagt en dat God met hem zal omgaan als met een zoon. — George Swinnock.

Vers 19

“De HEERE is nabij de gebrokenen van harte.” God is hun nabij (met alle eerbied gezegd). God vindt zoveel genoegen in het gezelschap van zulke mensen dat Hij het niet kan verdragen hen ver van Zich te hebben. Hij wil hen altijd onder Zijn ogen houden. Wat deze gebrokenen betreft: Hij zal er zeker voor zorgen dat Hij hen niet lang verlaat en niet ver bij hen vandaan gaat. Hij staat klaar om hun gebroken botten te zetten en hun wonden te verbinden, zodat ze niet gaan zweren. Misschien doet Hij hun veel pijn voordat de genezing volmaakt is, maar dat is om latere pijn te voorkomen.

Een heelmeester is dwaas en wreed als hij uit angst zijn patiënt pijn te doen de wond nooit onderzoekt, maar er meteen een velletje overheen laat groeien. Een wijs mens vindt degene niet onbarmhartig die hem hevige pijn doet om hem grondig te genezen. Zo doet God soms met Zijn patiënten, als de aard van hun kwaal het vraagt. Maar in elk geval zal Hij nooit uit de buurt zijn wanneer zij Hem het hardst nodig hebben.

Het kan zijn dat zij denken door God vergeten te zijn. Misschien herkennen ze hun Heelmeester niet als Hij bij hen is, en nemen ze hun Vriend voor een vijand. Ze denken dat God ver weg is terwijl Hij vlakbij is. Maar zodra hun ogen opengaan en hun kwaal grotendeels is uitgewerkt, zullen ze met schaamte en dankbaarheid hun dwaling toegeven. Ja, ze belijden uit het diepst van hun ziel dat ze niet de minste vriendelijke blik van God verdienen, maar alleen als vreemdelingen en vijanden behandeld te worden.

Maar God zal hen laten weten dat Hij het liefst handelt zoals Hij Zelf is: als een God van liefde, barmhartigheid en goedheid. Zij zijn de mensen op wie Hij Zijn hart heeft gezet. Hij zal hen aan Zijn borst houden en hen nooit begeven of verlaten. En al achten deze verbrijzelden zichzelf vaak verloren, God zal hen toch redden, en zij zullen een danklied zingen te midden van Zijn verlosten. — James Janeway.

Vers 19

“De HEERE is nabij de gebrokenen van harte”, enzovoort. Sta eens stil bij de voordelen van zo’n gebroken hart. Ik noem er zes. I. Een gebroken hart is God welgevallig en aangenaam: “Een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten.” Ps. 51:19. II. Het maakt veel goed van wat er schort aan je dienst en je plichten: “De offeranden Gods zijn een gebroken geest.” Ps. 51:19.

III. Het maakt van de ziel een passende woning voor God: “Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.” Jes. 57:15. IV. Het brengt God dicht bij mensen: “De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.” Ps. 34:19.

En V. Het legt je open voor de zoete genezing van Christus: “Het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken.” Ezech. 34:16. Wie zou dan niet gebroken willen worden? Dan mag je immers zien hoe Christus’ zachte hand je geneest, en ervaren dat dit zoete woord waar is: “Want Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt de HEERE.” Jer. 30:17.

Ja, VI. Het zet je op de rechte weg naar de hemel, waar al je wonden en builen genezen worden. Want daar staat een boom, Openb. 22:2, wiens bladeren tot genezing der heidenen zijn. Daar hoor je niemand klagen over wonden of builen, want daar is iedereen volkomen genezen. — John Spalding, in “Synaxis Sacra, or a Collection of Sermons”, enzovoort, 1703.

Vers 19

“De HEERE is nabij de gebrokenen van harte”, enzovoort. Wij hebben de neiging mensen over het hoofd te zien, naarmate ze dieper onder ons staan. God let juist des te meer op hen naarmate ze dieper vernederd zijn. Vaten tot eer worden gemaakt van klei die in de kleinste stukjes “gebroken” is. — George Horne.

Vers 19

Gebroken hart… verbrijzelde geest. O, dit is de ellende van alle ellenden, waarover predikers het meest te klagen hebben: mensen zijn niet klaar genoeg voor Jezus Christus. Ze zijn niet genoeg in zichzelf verloren om een Zaligmaker nodig te hebben. “Immers zal een wees bij U ontfermd worden.” Hos. 14:4. Waren we hopelozer, hulpelozer en meer als wezen, dan vonden we meer barmhartigheid bij Jezus Christus.

O, dat God vandaag een of andere ziel wilde wakker schudden die in zonde slaapt! O, dat deze leer, zo ontvouwd, als een donderslag zou inslaan en sommigen van u het binnenste van uzelf liet zien! O arme zondaar, je draagt een ondraaglijke last van zonde en schuld op je ziel, een last die je naar de hel dreigt te drukken, en toch voel je hem niet. Gods toorn hangt boven je hoofd aan de draad van een kort leven. Misschien ben je er geen jaar meer veilig voor, misschien zelfs geen maand, en toch zie je het niet.

Zag je het maar! Dan riep je uit zoals hij op het veld van Bosworth: “Een paard! een paard! een koninkrijk voor een paard!” Zo zou je roepen: Niets dan Christus! niets dan Christus! tienduizend werelden voor Christus! — James Nalton, 1664.

Vers 19

“De verslagenen van geest.” (Hebr.), dakkeey ruach, “de uitgeklopte geest”. In beide woorden zit de hamer er onvermijdelijk bij. Eerst wordt het erts stukgeslagen. Daarna wordt het metaal, als het van het erts is losgemaakt, plat uitgeklopt. Dat doet de lezer denken aan Jer. 23:29: “Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?”

Het in splinters breken en het uitkloppen zijn beelden, en dat geldt ook voor de hamer en de rots. Wat een zware hamer doet die met krachtige hand op een rots neerkomt, dat doet het woord van de HEERE wanneer de Heilige Geest het met Zijn kracht op het hart van de zondaar laat vallen. Een gebroken hart en een verbrijzelde geest zijn twee wezenlijke kenmerken van echte boetvaardigheid. — Adam Clarke.

Vers 20

“Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen”, enzovoort. Onze moeiten mogen talrijk zijn, vreemd van aard en zwaar om te dragen. Toch zijn Gods barmhartigheden nog talrijker, is Zijn wijsheid nog wonderbaarlijker en Zijn macht nog wonderdadiger. Hij redt ons uit ze allemaal. — Thomas Adams.

Vers 20

“Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen”, enzovoort. David zag zijn moeite als het leger van de Arameeërs, 2 Kon. 6:16. Toen keek hij, net als Elisa, terug naar God, en zag dat er Eén bij hem was Die sterker was dan alle tegenstanders samen. Met het oog op zijn verdrukkingen roept hij daarom: Vele zijn de moeiten van de rechtvaardige. Met het oog op de belofte zegt hij: De HEERE verlost hem uit allen.

Zo meet David met zijn eigen voet de toestand van de rechtvaardigen en zegt: Vele zijn de moeiten van de rechtvaardigen. Daarna laat hij aan zijn eigen genezing zien hoe zij moeten worden genezen: De HEERE zal hem uit hen allen verlossen. …Een advocaat kan zijn cliënt alleen verlossen van een conflict, een arts zijn patiënt alleen van een ziekte, een meester zijn knecht alleen van slavernij, maar de HEERE verlost ons van alles.

Toen Mozes de Israëlieten kwam bevrijden, wilde hij geen enkele hoef achterlaten. Zo laat ook de HEERE, wanneer Hij de rechtvaardige komt verlossen, geen enkele moeite achter. Hij Die zegt: “Ik neem al uw ongerechtigheden weg”, zal ook zeggen: “Ik neem al uw zwakheden weg.” — Henry Smith.

Vers 21

“Hij bewaart al zijn beenderen”, en dat waren er heel veel. Misschien (zegt Abenezra hierbij) had David van de Filistijnen zweepslagen gekregen, maar zijn beenderen waren niet gebroken. Dat gold ook voor die van onze Zaligmaker. Joh. 19:36. — John Trapp.

Vers 21

“Al zijn beenderen.” Muis merkt op: “Er staat niet ‘zijn lichaam’, want dat laat Hij wel toe om gekweld te worden. Het bedoelt dat de kwalen van wie God vrezen licht zijn en nauwelijks tot op het bot doordringen.” Maar Geier vindt dit te vernuftig. Hij zegt: “Liever herinnert het been ons aan de wezenlijke delen van het lichaam. Als daar iets mee gebeurt, komt het hele lichaam in gevaar. Het is een spreekwoordelijke uitdrukking, zoals in Matth. 10:30: ‘Ook uw haren des hoofds zijn alle geteld’. Zij drukt uit hoe bijzonder de rechtvaardige wordt beschermd.” Genebrardus zegt: “De beenderen staan, als beeldspraak, voor alle lichaamsdelen.” — Uit Poli Synopsis.

Vers 21

Van het paaslam werd geen been gebroken. Dat wees vooruit naar Jezus, van Wie geschreven staat: “Geen been van Hem zal verbroken worden.” Tegelijk wees het vooruit naar de volkomen bewaring en veiligheid van Christus’ lichaam, de kerk. Zo staat er immers geschreven: “Hij bewaart al zijn beenderen; niet een van die wordt gebroken.” — Andrew A. Bonar’s Commentary on Leviticus.

Vers 21

Christus’ beenderen waren op zichzelf breekbaar, maar al het geweld van de wereld kon ze niet echt breken. God had namelijk vooraf besloten: een been van Hem zal niet verbroken worden. Zo geven we ook toe dat Gods kinderen sterfelijk zijn. Maar geen macht van duivel of mens mag, moet of kan hen doden vóór hun bekering. God heeft hen immers uitgekozen tot het leven, en die keuze moet tot het einde toe worden uitgevoerd. — Thomas Fuller.

Vers 21

Let op een punt van overeenkomst tussen deze psalm en de volgende: de beenderen worden zowel hier als in Ps. 35:10 genoemd. — C. Wordsworth.

Vers 22

“Boosheid.” Verdrukkingen komen in het meervoud, maar ze brengen de rechtvaardige geen ondergang, want de HEERE verlost hem uit ze allemaal. De boosheid staat in het enkelvoud en doodt de goddeloze. Zo wordt het verschil getoond in de manier waarop God met rechtvaardigen en met goddelozen omgaat.

De rechtvaardige mag in veel benauwdheden belanden, de goddeloze krijgt er minder vaak mee te maken. Toch doen die vele de een geen kwaad, ze werken hem juist ten goede. De paar die de goddeloze treffen, of misschien die ene verdrukking in zijn hele leven, betekenen zijn volslagen ondergang. — Henry Hammond.

Vers 22

Zijn eigen binnenste martelt de schuldige met pijn,
Want hoop op beterschap zal er nooit meer zijn;
De tijd is voor altijd voorbij en voorgoed verdwenen,
En laat berouw vindt geen genade, hoe hij ook mag wenen.

— S. Petrus Damianus, 988-1072.

Vers 22

“Zullen schuldig verklaard worden” (Engels: zullen verlaten zijn). In de kanttekening staat: zullen schuldig zijn. Dat is ook de eigenlijke betekenis van het grondwoord (Hebr.). Zij zijn schuldig en verdienen straf. Zo wordt het woord in onze vertaling vaak weergegeven (zie Lev. 4:13, 22). Het draagt in het algemeen het idee van schuld, en van de straf die daaruit voortkomt. — Samuel Chandler, D.D.

Vers 23

De beloften van God aan Zijn kerk en Zijn waarschuwingen tegen de zonde staan opgetekend in het levende boek van Zijn woord. Ze zijn niet verouderd. Geen eeuw zal ze ooit buiten werking stellen of hun volle kracht afnemen. Wat nu als goede mensen en goede zaken onderdrukt worden? De dichter weet in dat geval wat hij zegt:

Informes hiemes reducit Jupiter; idem
Summovet. Non si male nunc, et olim
Sic erit.

Na slecht weer komt goed weer. Het gaat ons nu slecht, maar dat blijft niet altijd zo. Wat nu als vijanden van de godsdienst en parasieten van de samenleving bloeien en floreren, en alles krijgen wat ze willen? Dat hoeft David en Job niet te verontrusten. Beiden zagen een even stralend zonnetje verborgen in een donkere wolk, met daarachter een hele wereld van slecht weer. — Edward Marbury.

Vers 23

De satan kan je niet langer verzoeken dan God hem toestaat. God laat nooit toe dat je boven je vermogen wordt verzocht. Bij de verzoeking geeft Hij ook een goede uitkomst. Je bent geroepen om te strijden onder de banier van Christus Jezus, en in de naam van de HEERE word je in staat gesteld dapper te vechten en te overwinnen. Blijft de satan aanvallen? Dan zegt God: “Mijn genade is u genoeg.” 2 Kor. 12:9. Is je kracht helemaal weg? Dan wordt Gods macht in jou des te groter. Hij heeft je laag gebracht, zodat je niet op jezelf zou vertrouwen maar op de levende HEERE, en zodat alle lof voor de overwinning naar Hem gaat.

Was je kracht gebleven, dan was die niet om op te leunen. Nu ze minder is geworden en verdwenen, is er geen reden tot vrees, want de HEERE zal je steun zijn. In de zwaarste aanvallen en de langste gevechten worden we aangespoord: “Wordt krachtig in den Heere, en in de sterkte Zijner macht.” Houd goede moed, en God zal je een gemakkelijke, een blijde overwinning geven.

De satan verzoekt om je te verontrusten, te ontmoedigen, te verwarren met angst en je tot wanhoop te drijven. Maar als je moed vat om rustig op Gods genade te steunen en te vluchten tot Zijn Naam, dan jaag je hem op de vlucht. Dan heb je de dag al gewonnen. Wacht nog even, en deze donkere nevels en vreselijke stormen trekken weg.

Door deze verzoekingen heeft de HEERE je geleerd je zwakheid te zien, en de boosheid van de satan te doorzien. Hij heeft je geleerd je eigen wijsheid los te laten en Zijn gunst te waarderen, alle dingen hier beneden licht te achten, en barmhartigheid die tot vergeving van zonde reikt hoog te schatten, evenals hemelse gemeenschap en omgang met God. Heeft dit bittere drankje zo goed gewerkt voor je geestelijk welzijn, waarom zou je dan ontsteld zijn? Vertrouw op de HEERE, houd goede moed, en Hij zal je versterken. “De HEERE verlost de ziel Zijner knechten; en allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden.” — John Ball.

Wenken voor de dorpsprediker

Vers 2

Vaste voornemens, ernstige moeilijkheden bij het uitvoeren, hulpmiddelen om ze waar te maken, en de uitstekende gevolgen daarvan. Zes vragen: Wie? “Ik.” Wat? “Zal loven.” Wie? “Den HEERE.” Wanneer? “Te aller tijd.” Hoe? Waarom?

Vers 2

Een handleiding om een stukje hemel op aarde te maken.

Vers 3

De lofwaardige roemer en zijn tevreden gehoor. We mogen roemen op de HEERE: op Hemzelf, op Zijn openbaringen van Zichzelf, op Zijn band met ons, op ons aandeel in Hem, op wat we van Hem verwachten, enzovoort. Het is de plicht van gelovigen om hun ervaring te vertellen, tot voordeel van anderen.

Vers 4

Een uitnodiging om samen te loven.

Vers 4

Het werk van God groot maken, een edele bezigheid.

Vers 5

Belijdenissen van een vrijgekochte ziel. Ze zijn eenvoudig, ze eren God, ze sluiten eigen verdienste uit en ze moedigen anderen aan om ook te zoeken.

Vers 5

Vier stappen: “vrezen”, “gezocht”, “geantwoord”, “gered”.

Vers 6

De kracht van een blik van geloof.

Vers 7

  1. Het erfdeel van de arme: “benauwdheden”.
  2. De vriend van de arme.
  3. De roep van de arme.
  4. De redding van de arme.

Vers 7

De rijkdom van de arme.

De plaats van het gebed in Gods huishouding van genade, ofwel de natuurlijke geschiedenis van barmhartigheid in de ziel.

Vers 8

Castra angelorum, salvatio bonorum.

Vers 8

De dienst van engelen. In welke zin Jezus “de Engel des HEEREN” is.

Vers 9

Ervaring is de enige echte toets van godsdienstige waarheid.

Vers 9

Smaak. Het geheiligde gehemelte, het uitgelezen voedsel, het tevreden oordeel, het hemelse leger.

Vers 10

De gezegende toestand van iemand die God vreest.

Vers 10

Een vrees die vrees verjaagt. Similia similibus curantur.

Vers 11

Leeuwen die gebrek lijden, maar kinderen die verzadigd worden. Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 65.

  1. Hoe je een echte christen herkent: “die den HEERE zoeken”.
  2. De belofte, voorgesteld als een overeenkomst.
  3. De belofte, vervuld.

Vers 11

Wat is een goed ding?

Vers 12

Een koninklijke leraar, zijn jonge leerlingen en zijn manier van onderwijzen: “Komt”. Zijn uitgelezen onderwerp.

Vers 12

Zondagsschoolwerk.

Verzen 13-15

Hoe je het beste van twee werelden krijgt.

Vers 14

Zonden van de tong: het onheil dat ze aanrichten, waar ze vandaan komen en hoe ze genezen worden.

Vers 15 (eerste zinsdeel)

De verhouding tussen de negatieve en de positieve deugden.

Vers 15 (tweede zinsdeel)

De koninklijke jacht. Het wild, de moeilijkheden van de jacht, de jagers, hun methoden en hun beloningen.

Vers 16

Onze oplettende God. Ogen en oren zijn allebei op ons gericht.

Vers 17

De boze mens wordt schaakmat gezet in het leven en vergeten in de dood.

Vers 18

Verdrukkingen en hun drievoudige zegen.

  1. Ze zetten ons aan het bidden.
  2. Ze brengen ons het luisterende oor van de HEERE.
  3. Ze geven ruimte om blij te ervaren hoe we verlost worden.

Vers 19

Hoe dicht God bij gebroken harten is, en hoe zeker hun redding.

Vers 20

Zwart en wit, of vergif en tegengif. Bijzondere mensen, bijzondere beproevingen, bijzondere verlossingen, en bijzonder geloof als plicht.

Vers 21

De echte veiligheid van een gelovige in grote gevaren. Zijn ziel, zijn geestelijk leven, zijn geloof, hoop en liefde, enzovoort. Zijn aandeel in Jezus, zijn aanneming en rechtvaardiging: dit alles wordt bewaard.

Vers 22

De goddeloosheid als haar eigen beul, toegelicht met voorbeelden uit de Bijbel, uit de geschiedenis en van de verlorenen in de hel. Lessen uit dit plechtige feit. De verlaten toestand van iemand met een kwaadaardige geest.

Verzen 22-23

Wie wel en wie niet verlaten zullen zijn.

Vers 23

Verlossing in haar verschillende betekenissen. Geloof in zijn algemene bewaring. De HEERE in Zijn weergaloze heerlijkheid in het werk van de genade.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas