Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 33 — Treasury of David

Titel
Dit loflied heeft geen opschrift en noemt de schrijver niet. Volgens Dickson wil dat ons leren “de Heilige Schrift helemaal te zien als door God ingegeven, en haar niet hoger te schatten vanwege de mensen die haar hebben opgeschreven.”
Onderwerp en indeling
Het onderwerp van dit heilige lied is de lof van Jehova. Eerst worden de rechtvaardigen opgeroepen Hem te prijzen (Ps. 33:1-3). Daarna volgen de redenen: het voortreffelijke karakter van God (Ps. 33:4-5) en Zijn majesteit in de schepping (Ps. 33:6-7). Alle mensen krijgen de oproep ontzag te hebben voor Jehova, want Hij voert Zijn plannen uit in Zijn bestuur van de wereld (Ps. 33:8-11). Dan wordt Zijn volk gelukkig geprezen (Ps. 33:12). Vervolgens bezingt de dichter Gods alwetendheid, Zijn almacht en Zijn zorg voor Zijn volk, en hij zet dat af tegen de machteloosheid van een arm van vlees (Ps. 33:13-19). De psalm eindigt met een warme uiting van vertrouwen (Ps. 33:20-21) en een ernstig gebed (Ps. 33:22).
Uitleg
Vers 1
“Zingt vrolijk in den HEERE.” Blijdschap is de ziel van lofprijzing. Als we ons in God verheugen, verheffen we Hem echt, ook al komt er geen enkele toon over onze lippen. Dat God bestaat, dat Hij zo’n God is en dat Hij onze God is, de onze voor eeuwig en altijd: het hoort in ons een blijdschap te wekken die nooit ophoudt en overstroomt. Blij zijn met aardse gemakken is gevaarlijk, blij zijn met onszelf is dwaas, blij zijn in de zonde is noodlottig, maar blij zijn in God is hemels. Wie een dubbele hemel wil hebben, moet hier beneden al beginnen te juichen, net zoals zij daarboven.
“Gij rechtvaardigen!” Dit is vooral jullie taak. Jullie hebben meer reden tot dank, en jullie geestelijke natuur is veel beter voor dit werk gemaakt. Wees dus de eersten in deze blije dienst. Ook rechtvaardigen zijn niet altijd blij. Ook zij moeten worden opgewekt om van hun voorrechten te genieten.
“Lof betaamt den oprechten.” God let op wat gepast is. Wanneer heiligen hun zangkleed dragen, staan ze mooi in de ogen van de HEERE. Een harp past bij een hand die met bloed is gewassen. Geen sieraad staat een heilig gezicht mooier dan heilige lofprijzing. Maar uit de mond van onvergeven zangers, die er hun beroep van maken, past lof niet: het is als een gouden ring in de neus van een varken. Kromme harten maken kromme muziek, maar de oprechten zijn het vermaak van de HEERE. Lof is het kleed van de heiligen in de hemel. Het is passend dat ze het hier beneden alvast passen.
Vers 2
“Looft den HEERE met de harp.” Mensen hebben alle hulp nodig die ze kunnen krijgen om tot lofprijzing te komen. Dat is wat we kunnen leren van de muziekinstrumenten in de tijd van het Oude Testament. Israël zat nog op school en gebruikte kinderlijke hulpmiddelen om te leren. Nu Jezus ons geestelijk volwassen maakt, kunnen wij muziek maken zonder snaren en pijpen.
Wij vinden die instrumenten niet geschikt voor de eredienst, omdat ze de eenvoud ervan kunnen schaden. Maar we beweren niet dat ze verboden zijn. Als een George Herbert of een Maarten Luther God beter kan aanbidden met goed gestemde instrumenten, wie zal hun dat recht dan betwisten? Wij hebben ze niet nodig; ze zouden onze lofprijzing eerder hinderen dan helpen. Maar als anderen er anders over denken, leven zij dan niet in de vrijheid van het evangelie?
“Psalmzingt Hem.” Dit is de mooiste en beste muziek. Geen instrument haalt het bij de menselijke stem. Als hulp bij het zingen is een instrument alleen te dulden, want toetsen en snaren loven de HEERE niet.
“Met de luit, en het tiensnarig instrument.” De HEERE moet een volle octaaf hebben, want alle tonen zijn de Zijne en alle muziek hoort Hem toe. Waar verschillende instrumenten worden genoemd, leren we dat we God moeten prijzen met alle krachten die we hebben.
Vers 3
“Zingt Hem een nieuw lied.” Elk loflied moet tot Hem gericht zijn. Zingen om het zingen is niets waard. We moeten onze hulde naar de Koning brengen en haar niet in de wind slaan. Denken de meeste aanbidders daaraan? Onze gaven moeten we echt gebruiken wanneer we de HEERE groot maken, zodat we niet zonder nadenken in het oude spoor blijven lopen. We moeten van elke lofzang een nieuw lied maken. Het is veel waard de aanbidding fris te houden, en in het verborgene is het onmisbaar. Laten we geen oude, versleten lof brengen, maar leven, ziel en hart in elk lied leggen. Elke dag krijgen we nieuwe barmhartigheid, en elke dag zien we nieuwe schoonheid in het werk en het woord van onze Heere.
“Speelt wel.” Het is bedroevend om God slordig te horen prijzen. Hij verdient het beste wat we hebben. Elke christen moet proberen te zingen zoals het hoort, zodat hij maat en toon kan houden met de gemeente. De mooiste melodieën en de zuiverste stemmen, met de mooiste woorden, zijn nog te weinig voor de HEERE, onze God. Laten we Hem geen hinkende rijmpjes aanbieden, op schurende melodieën en gegromd door valse stemmen.
“Met vrolijk geschal.” Hartelijkheid moet in de eredienst opvallen. Netjes gefluister is hier oneerbiedig. Het is niet zo dat de HEERE ons niet kan horen. Het ligt gewoon voor de hand dat grote vreugde zich zo luid mogelijk uit. Mensen juichen als ze hun koningen zien. Zouden wij dan de Zoon van David geen luid hosanna brengen?
Vers 4
“Want des HEEREN woord is recht.” Wat Hij heeft vastgesteld in de natuur, in de zedelijke orde en in het geestelijk leven, is recht. Dat geldt vooral voor Zijn vleesgeworden Woord, Die “De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID” is. Alles wat God heeft bepaald, moet goed, rechtvaardig en voortreffelijk zijn. Er zit geen enkele scheur in Gods heelal, behalve wat de zonde heeft aangericht. Zijn gebiedende woord maakte alles goed. Kijken we naar Zijn belovende woord en denken we aan Zijn trouw, dan hebben we alle reden tot blijdschap en dankbaarheid!
“En al Zijn werk getrouw.” Zijn werk stroomt voort uit Zijn woord en blijft eraan trouw. Hij doet niets verkeerds en zegt niets verkeerds. In daad en woord blijft Hij Zichzelf gelijk en altijd volkomen waar. Er is geen leugen in Gods woord en geen schijn in Zijn werken. In schepping, voorzienigheid en openbaring heerst onvermengde waarheid. De waarheid doen, en niet alleen uitspreken, is goddelijk. Laten Gods kinderen hun beginselen nooit loslaten in hun gedrag, net zomin als in hun hart. Wat een God dienen wij! Hoe meer we van Hem weten, hoe meer ons betere zelf Zijn schitterende voortreffelijkheid beaamt. Zelfs als Hij ons bezoekt met pijn, past dat bij Zijn betrouwbare woord.
“Waarom zou ik klagen in pijn of in leed?
Hij zei het vooraf, zodat ik het weet:
Wie erven zal al Zijn hemelse goed,
Moet Hem door het lijden navolgen, voet voor voet.”
God schrijft met een pen die nooit een vlek maakt. Hij spreekt met een tong die nooit uitglijdt en werkt met een hand die nooit tekortschiet. Zegen Zijn naam.
Vers 5
“Hij heeft gerechtigheid en gericht lief.” Recht in theorie en recht in de praktijk: Hij heeft ze allebei innig lief. Hij keurt het ware en rechtvaardige niet alleen goed. Zijn diepste wezen verheugt zich erin. Gods karakter is een zee, en elke druppel daarvan zou voor Zijn volk een bron van lofprijzing moeten worden. De gerechtigheid van Jezus is de Vader bijzonder dierbaar, en Hij heeft vreugde in iedereen aan wie die gerechtigheid wordt toegerekend. De zonde daarentegen is de HEERE oneindig weerzinwekkend. Wee wie erin sterft! Als Hij in hen geen gerechtigheid ziet, zal Hij rechtvaardig met hen handelen, en dan volgt een streng en definitief oordeel.
“De aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.” Kom maar hierheen, sterrenkundigen, aardkundigen, natuuronderzoekers, plantkundigen, scheikundigen, mijnwerkers, ja, jullie allemaal die Gods werken bestuderen. Al jullie waarheidsgetrouwe verhalen bevestigen deze uitspraak. Van de mug in de zonnestraal tot de leviathan in de oceaan: alle schepselen erkennen de milde hand van hun Schepper. Zelfs de woestijn zonder paden gloeit van een onontdekte barmhartigheid, en in de grotten van de oceaan liggen schatten van liefde verborgen. De aarde had even vol schrik kunnen zijn als vol genade. In plaats daarvan wemelt en overstroomt ze van goedheid. Wie dat niet ziet en er toch in leeft, zoals een vis in het water, verdient te sterven. Als de aarde al zo vol barmhartigheid is, hoe zal dan de hemel zijn, waar de goedheid al haar stralen bundelt?
Vers 6
“Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt.” De hemel van de engelen, de sterrenhemel en het uitspansel boven ons: ze werden allemaal door één woord geroepen om te bestaan. En als we nu eens zeggen: door het Woord? “Zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.”
Het is opvallend dat in het volgende zinsdeel de Geest wordt genoemd: “en door den Geest Zijns monds al hun heir.” Het woord voor adem is hetzelfde woord dat elders met Geest wordt vertaald. Zo werken de drie personen van de Godheid samen bij het scheppen van alles. Wat is het eenvoudig voor de HEERE om de zwaarste hemellichamen en de glorierijkste engelen te maken! Eén woord, één adem was genoeg. Voor God is het scheppen van het heelal even gemakkelijk als ademhalen voor een mens. Nee, nog veel gemakkelijker, want de mens ademt niet uit zichzelf. Hij leent de adem in zijn neus van zijn Maker.
Uit dit vers kunnen we ook opmaken dat de inrichting van alle dingen voortkomt uit oneindige wijsheid, want “Zijn woord” kan ook Zijn beschikking en besluit betekenen. Een wijs en barmhartig Woord heeft alles geordend, en een levende Geest houdt heel de schepping van Jehova in stand.
Vers 7
“Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop.” Eens lagen de wateren verspreid, als graan dat over een dorsvloer is uitgestrooid. Nu zijn ze op één plaats bijeengebracht als een hoop. Wie anders kon ze in één bedding verzamelen dan hun grote Heer, op Wiens bevel de wateren wegvluchtten? Het wonder van de Rode Zee herhaalt zich elke dag in de natuur. De zee die nu door de aantrekkingskracht van zon en maan de kust opdringt, zou het land snel verslinden als Gods besluit haar niet binnen grenzen hield.
“Hij stelt den afgronden schatkameren.” De diepten van de oceaan zijn Gods grote kelders en voorraadkamers voor dit onstuimige element. Enorme hoeveelheden water liggen verborgen in de ingewanden van de aarde, en daaruit ontspringen onze bronnen en waterputten. Wat een barmhartige voorziening voor een dringende behoefte! Kan de tekst ook niet wijzen op de wolken en de voorraadschuren van hagel, sneeuw en regen? Dat zijn schatten van barmhartige rijkdom voor de velden van de aarde. Al dat water ligt niet opgestapeld als in een rommelkamer, maar in schatkamers, klaar voor later nuttig gebruik.
Zo blijkt overvloedige tederheid uit de vooruitziende blik van onze hemelse Jozef, Wiens graanschuren al gevuld zijn voor de tijd dat de aarde in nood zit. Deze voorraden hadden, zoals ooit gebeurde, munitie van wraak kunnen zijn. Nu zijn ze een deel van de proviand van de barmhartigheid.
Vers 8
“Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen.” Niet alleen Joden, maar ook heidenen. De psalmist werd niet verblind door vooroordelen over zijn eigen volk. Hij wilde de aanbidding van Jehova niet beperken tot het nageslacht van Abraham. Hij verwacht eerbetoon zelfs van volken ver weg. Als zij niet genoeg onderwezen zijn om te kunnen loven, laten ze dan in elk geval ontzag hebben. Er zit een eenvoudiger soort aanbidding in het beven waarmee iemand, zonder dat hij het wil, de grenzeloze macht van de God van de donder erkent.
Een tartende godslasteraar hoort niet thuis in een wereld die vol tekenen staat van Gods macht en Godheid. Nergens op aarde is een plek waar je een synagoge van het atheïsme zou kunnen bouwen, en er is geen mens bij wie het passend is Gods naam te ontheiligen.
“Laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.” Laat hen hun afgoden achterlaten en met eerbied opzien naar de enige levende God. Wat hier als wens klinkt, kan ook als profetie worden gelezen: de aanbidding van God zal nog algemeen worden.
Vers 9
“Want Hij spreekt, en het is er.” De schepping was de vrucht van één woord. Jehova zei: “Daar zij licht!” en daar werd licht. De daden van de HEERE zijn verheven door hun gemak en hun directheid.
“Wat woord is dit?” Dat was de verbaasde vraag van lang geleden, en het kan ook de onze zijn tot op de dag van vandaag.
“Hij gebiedt, en het staat er.” Uit niets kwam de schepping tevoorschijn, en ze werd in het bestaan bevestigd. Dezelfde macht die haar in het begin oprichtte, laat het heelal nu blijven bestaan. Misschien merken wij het niet op, maar het in stand houden toont even grote, verheven macht als het scheppen. Gelukkig de mens die heeft geleerd zijn alles te laten steunen op het vaste woord van Hem Die de hemelen bouwde!
Vers 10
“De HEERE vernietigt den raad der heidenen.” Terwijl Zijn eigen wil gebeurt, zorgt Hij ervoor dat Hij de eigenzinnigheid van Zijn vijanden voor is. Nog voordat zij tot daden komen, verslaat Hij hen al in de raadzaal. En als zij, goed bewapend met sluwheid, ten aanval trekken, maakt Hij hun streken ongedaan en laat Hij hun veelbelovende plannen op niets uitlopen. Niet alleen de dwaasheid van de heidenen, maar ook hun wijsheid zal wijken voor de kracht van het kruis van Jezus. Wat een troost is dat voor wie moet werken waar spitsvondige redeneringen en wijsbegeerte, ten onrechte zo genoemd, tegenover de waarheid zoals die in Jezus is worden geplaatst!
“Hij breekt de gedachten der volken.” Hun vervolgingen, lasteringen en leugens zijn als stuifzwammen die tegen een granieten muur worden gegooid: ze bereiken helemaal niets. De HEERE heeft het kwaad in Zijn hand en haalt er goed uit. Gods zaak komt nooit in gevaar. Oneindige wijsheid is de sluwheid van de hel te slim af, en grenzeloze macht houdt satanische boosheid in toom.
Vers 11
“De raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid.” Hij verandert Zijn voornemen niet, Zijn besluit wordt niet verijdeld en Zijn plannen worden volbracht. God heeft een voorbestemming volgens de raad van Zijn wil, en geen enkel plan van Zijn vijanden kan Zijn besluit ook maar een moment dwarsbomen. De voornemens van mensen worden heen en weer geblazen als de draad van de herfstspin of het dons van de distel. Maar Gods eeuwige voornemens zijn vaster dan de aarde.
“De gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht.” Mensen komen en gaan, zonen volgen hun vaders naar het graf, maar God blijft onverstoord, rustig en ononderbroken doorgaan, en brengt wat Hij heeft bepaald met onfeilbare zekerheid tot stand. Niemand kan verwachten dat zijn wil of plan van eeuw tot eeuw wordt uitgevoerd. De wijsheid van het ene tijdperk is de dwaasheid van het volgende. Maar de wijsheid van de HEERE is altijd wijs, en Zijn plannen lopen door van eeuw tot eeuw.
Zijn macht om Zijn voornemens uit te voeren is door het verstrijken van de jaren niet minder geworden. Hij Die ooit onbeperkt heerste over Farao in Egypte, is vandaag geen haar minder de Koning der koningen en Heere der heren. Nog steeds rollen Zijn wagenwielen voort in koninklijke grootheid, en niemand kan Zijn eeuwige wil ook maar een ogenblik weerstaan.
Vers 12
“Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is.” Israël was gelukkig in de aanbidding van de enige ware God. Het was de zaligheid van het uitverkoren volk dat Jehova Zich aan hen had bekendgemaakt. Anderen wierpen zich in het stof voor hun afgoden, maar het uitverkoren volk werd opgetild door een geestelijke godsdienst. Die bracht hen bij de God Die je niet kunt zien en leerde hen op Hem te vertrouwen. Wie op de HEERE vertrouwt, is gezegend in de ruimste en diepste zin, en niemand kan die zegen terugdraaien.
“Het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.” De verkiezing ligt onder alles. Gods keuze komt eerst. Niemand neemt Jehova als zijn God aan voordat Hij hem tot Zijn volk heeft aangenomen. Wat een veredelende keuze is dit! We zijn uitgekozen voor een hoge staat en voor een verheven doel. We zijn gemaakt tot het bijzondere bezit en het vermaak van de HEERE, onze God. Nu we zo gezegend zijn, laten we ons verblijden in ons deel. En laten we de wereld door ons leven laten zien dat wij een heerlijke Meester dienen.
Vers 13
“De HEERE schouwt uit den hemel.” De HEERE wordt voorgesteld als Iemand Die boven woont en naar beneden kijkt. Hij ziet alles, maar let in het bijzonder op wie op Hem vertrouwen en zorgt voor hen. Het is een van onze kostbaarste voorrechten dat we altijd onder het oog van onze Vader zijn en nooit uit het zicht van onze beste Vriend.
“Hij ziet alle mensenkinderen.” Alle zonen van Adam worden even goed bewaakt als Adam zelf, hun eenzame stamvader in de hof. Van de bevroren pool tot de brandende evenaar, op heuvels en in dalen, in hutten en in paleizen: Gods oog ziet alle leden van de mensenfamilie even scherp.
Vers 14
“Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.” Hier komt dezelfde gedachte nog eens terug, en dat is goed. Ze verdient het herhaald te worden en we hebben het nodig, want niemand vergeet dit zo snel als de mens. Zoals belangrijke mannen aan hun raam zitten en de menigte beneden in de gaten houden, zo kijkt ook de HEERE neer. Hij houdt Zijn verantwoordelijke schepselen scherp in het oog en vergeet niets van wat Hij ziet.
Vers 15
“Hij formeert hun aller hart.” Dat wil zeggen: elk hart wordt op dezelfde manier door de HEERE gevormd, het hart van een koning net zo goed als dat van een bedelaar. De tekst zegt niet dat God alle harten van meet af aan gelijk heeft gemaakt. Dat zou ook nauwelijks waar zijn, want mensen verschillen enorm van aard en karakter. Wat de tekst wél zegt: iedereen heeft zijn leven op dezelfde manier van de Schepper gekregen, en niemand heeft dus reden om op zichzelf te bogen. Heeft een pot soms reden om zichzelf te prijzen waar de pottenbakker bij staat?
“Hij let op al hun werken.” God ziet wat mensen doen niet zomaar voorbij. Hij weegt het en velt er een oordeel over, ook al zwijgt Hij nu nog. Achter het gedrag dat iedereen kan zien, leest Hij het verborgen doel. Wat er goed uitziet, haalt Hij uit elkaar tot Hij ziet waaruit het echt bestaat. Dit alles wijst vooruit naar een oordeel, een dag van afrekening, waarin wat God over ons gedacht heeft zal worden uitgemeten in geluk of in verdriet. Let dus op je wegen, mens, want God let erop!
Vers 16
“Een koning wordt niet behouden door een groot heir.” Menselijke macht is schijn, en wie erop bouwt, wordt bedrogen. Dicht opeengepakte rijen gewapende mannen konden een rijk niet overeind houden. Ze konden zelfs het leven van hun eigen vorst niet redden, als de hemel had besloten dat het rijk moest vallen. De alziende God behoedt de armste van Zijn volk, ook als die alleen staat zonder vrienden. Maar tienduizend gewapende mannen geven geen veiligheid aan iemand die God aan zijn ondergang overlaat.
“Een held wordt niet gered door grote kracht.” Een dappere oudgediende is niet alleen niet in staat anderen te beschermen, hij kan zichzelf niet eens redden. Als zijn laatste uur komt, helpen zijn sterke armen hem niet en zijn snelle benen ook niet. De zwakste gelovige woont veilig in de schaduw van Jehova’s troon, terwijl de machtigste zondaar elk uur gevaar loopt. Waarom hebben we het toch zo vaak over onze legers en onze helden? Alleen de HEERE heeft kracht. Laat dan ook Hem alleen de lof ontvangen.
Vers 17
“Het paard feilt ter overwinning.” In het Oosten bestond een leger vooral uit paarden en strijdwagens met sikkels aan de wielen. Toch noemt de psalmdichter ze een leugen, een vertrouwen dat ons bedriegt. Is een ridder op zijn moedige strijdros dan niet veilig, door te vechten of door te vluchten? Nee. Zijn paard brengt hem juist in gevaar, of verplettert hem als het valt. “En bevrijdt niet door zijn grote sterkte.” Zo zijn de sterkste verdedigingswerken minder dan niets, op het moment dat we ze het hardst nodig hebben. Alleen God mogen we vertrouwen en aanbidden.
Sanherib met heel zijn ruiterij was geen partij voor één engel van de HEERE. Farao’s paarden en wagens joegen de gezalfde van de HEERE tevergeefs na. Zo zullen alle machten van de aarde en de hel die zich tegen Hem opstellen, volledig verslagen worden als ze opstaan tegen de HEERE en Zijn uitverkorenen.
Vers 18
“Ziet.” Want dit is een groter wonder dan alle legers en paarden, en een veiliger houvast dan wagens of schilden. “Des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen.” Dat oog, vol bijzondere zorg, is hun eer en hun bescherming. Niemand kan hen overvallen, want hun hemelse wachter ziet de plannen van hun vijanden aankomen en neemt maatregelen ertegen. Wie God vreest, hoeft niets anders te vrezen. Laten zij hun geloofsoog op Hem richten, dan blijft Zijn liefdevolle oog altijd op hen rusten.
“Op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.” Je zou denken dat dit een bescheiden teken van genade is. Toch is het een echt teken. Ook nederige hoop krijgt haar deel, net als een dapper geloof. Zeg, mijn ziel, is dit geen aanmoediging voor je? Hoop je niet op de goedertierenheid van God in Christus Jezus? Dan rust het oog van de Vader net zo goed op jou als op de oudste zoon van het gezin. Deze zachte woorden zijn als zacht brood. Ze zijn bedoeld voor kinderen in het geloof, die nog babyvoeding nodig hebben.
Vers 19
“Om hun ziel van den dood te redden.” De hand van de HEERE gaat samen met Zijn oog. Wie Hij genadig aankijkt, beschermt Hij met Zijn almacht. Redding en herstel staan als een omheining rond het leven van de gelovigen. De dood kan hen niet aanraken, tot de Koning Zijn bevel heeft getekend en hem toestemming geeft. En zelfs dan raakt hij hen niet zozeer om te sterven als wel om onsterfelijk te worden. Hij doodt niet ons, maar onze sterfelijkheid.
“En om hen bij het leven te houden in den honger.” Zelfs de magere hongersnood heeft een meester boven zich. Ergens heeft God meel en olie klaarstaan voor Zijn Elia’s. “Voed u met getrouwigheid” (Engels: voorwaar, gij zult gevoed worden): zo zorgt God voor de man of vrouw van geloof. Hij Die de mensen bewaart, laat de ziel van de rechtvaardige niet versmachten. Menselijke macht verliest van de honger, maar God helpt juist als het erop aankomt. Juist als de nood het hoogst is, laat Hij Zijn mildheid zien. Gelovige, wacht in alle gewone, aardse dingen op je God. Zijn oog rust op je, en Zijn hand blijft niet lang weg.
Vers 20
“Onze ziel verbeidt den HEERE.” Hier zeggen de mensen die God vrezen dat ze rekenen op Hem, over Wie de psalm zo mooi zingt. Wachten is een belangrijke les. Rustig verwachten, geduldig hopen en met een eenvoudig hart vertrouwen: dat hoort bij het mooiste wat een christen heeft geleerd. Onze ziel, ons hele leven, moet aan God vastzitten. We vertrouwen Hem niet met wat kleinigheden. We vertrouwen Hem met alles wat we hebben en zijn.
“Hij is onze Hulp en ons Schild.” Onze hulp bij ons werk, ons schild in gevaar. De HEERE antwoordt Zijn volk op alles. Hij is hun alles in allen. Let op de drie keer dat het woord “onze” in de tekst staat. Die kleine woorden houden vast en zijn kostbaar. Je christen-zijn wordt pas echt als het persoonlijk van jou is. Al het andere is maar praatjes.
Vers 21
“Want ons hart is in Hem verblijd.” Wat in het eerste vers werd aangeraden en opgedragen, wordt hier aan de HEERE voorgelegd. Wij die vertrouwen kunnen niet anders dan blij zijn. Het diepste van ons moet juichen in onze trouwe God. “Omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.” De wortel van het geloof draagt op zijn tijd de bloem van de vreugde. Twijfel brengt verdriet voort, vertrouwen schenkt blijdschap.
Vers 22
Hier staat een ruim en veelomvattend gebed om de psalm mee af te sluiten. Het is een beroep op barmhartigheid, en die hebben ook blije gelovigen nodig. Het beroep wordt gedaan op de manier waarop de HEERE het wil horen.
“U geschiede naar uw geloof”, zegt de Meester, en Hij blijft niet onder de maat die Hij Zelf heeft gekozen. Maar toch, Meester, geef ons meer dan dit als onze hoop zwak is, en zegen ons veel verder dan wat we bidden of zelfs maar bedenken.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Dit is een dankzegging van de zegevierende kerk in de laatste eeuwen, voor haar uiteindelijke bevrijding, doordat de Antichrist en zijn legers worden verslagen. — Samuel Horsley.
Gehele psalm
Laten we de heilige man even volgen in zijn gedachten. Zijn psalm heeft niet de schoolse vorm, waarin een schrijver zich aan vaste regels houdt, nauwkeurig een filosofische methode volgt, beginselen neerlegt en daar conclusies uit trekt. Toch stelt hij beginselen vast, en wel de beste om ons een verheven beeld van de Schepper te geven. Over de werken en eigenschappen van God spreekt hij nauwkeuriger dan de grootste wijsgeren ooit gedaan hebben.
Wat hebben de wijsgeren de oorsprong van de wereld ongerijmd behandeld! Hoe weinigen hebben hier overtuigend over nagedacht, terwijl het toch zo’n belangrijk onderwerp is! Onze profeet lost deze zware vraag op met één enkel beginsel. En wat nog opmerkelijker is: dit beginsel, dat zo edel is uitgedrukt, brengt het duidelijkste bewijs mee. Het beginsel is dit: “Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir”, Ps. 33:6.
Dit is de meest redelijke uitleg die ooit van de schepping van de wereld is gegeven. De wereld is het werk van een wil die uit zichzelf werkt. Alleen dit beginsel verklaart dat ze er is. De eenvoudigste dingen in de natuur zijn al genoeg om ons hiernaartoe te leiden. Of mijn wil werkt uit zichzelf, of er is een ander wezen wiens wil uit zichzelf werkt. Wat ik van mezelf zeg, zeg ik ook van mijn ouders. En wat ik van mijn ouders zeg, zeg ik van mijn verdere voorouders en van alle beperkte schepselen aan wie zij hun bestaan te danken hebben.
Zeker is het óf zo dat beperkte wezens een wil hebben die uit zichzelf werkt, en dat is onmogelijk om aan te nemen, want een beperkt schepsel met zo’n wil is een tegenspraak. Óf, zeg ik, er is een Eerste Oorzaak Die zo’n wil heeft. En dat er zo’n Wezen is, is het beginsel van de psalmdichter: “Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.”
Hebben de wijsgeren niet overtuigend gesproken over de oorsprong van de wereld, over haar bestuur hebben ze net zo onzeker gesproken. De psalmdichter beslist ook deze vraag met groot gemak, met één beginsel dat uit het vorige volgt en, net als dat, zijn bewijs meebrengt. “De HEERE schouwt uit den hemel, … Hij let op al hun werken”, Ps. 33:13-15. Dit is de leer van de voorzienigheid. En waar rust die leer op? Op dit beginsel: God “formeert hun aller hart”, Ps. 33:15.
Let even op de kracht van deze redenering, broeders. De leer van de voorzienigheid, in deze woorden uitgesproken: “God let op de werken van de inwoners der aarde”, volgt noodzakelijk uit zijn beginsel: “God formeert hun aller hart”. En dit beginsel volgt noodzakelijk uit wat de psalmdichter eerder had gezegd om de oorsprong van de wereld te verklaren. Ja, uit de leer van God als Schepper van de mensen volgt dat Hij ook hun opziener is, hun leidsman, hun beloner en hun Rechter.
Een van de bezwaren die het sterkst lijken tegen de leer van de voorzienigheid, zet de grootheid van God tegenover de nietigheid van de mens. Hoe kan zo’n onbeduidend schepsel als de mens een voorwerp zijn van de zorg en aandacht van zo’n verheven Wezen als God? Geen bezwaar lijkt sterker te zijn, of zo te zien moeilijker te weerleggen. De afstand tussen het kleinste insect en de machtigste vorst, die kruipend gedierte vertrapt en doodmaakt zonder er een gedachte aan te wijden, is nog maar een zwak beeld van de afstand tussen God en de mens. Als een vorst te hoog staat om op de bewegingen van mieren of wormen te letten, zich met hun daden te bemoeien en hen te straffen of te belonen, dan lijkt daaruit te volgen dat God Zichzelf zou verlagen als Hij de mensheid, die oneindig veel lager staat, zou gadeslaan, leiden, straffen en belonen.
Toch is één feit genoeg om dit bezwaar te beantwoorden: God heeft de mensheid geschapen. Verlaagt God Zichzelf meer door te besturen dan door te scheppen? Wie kan zichzelf wijsmaken dat een wijs Wezen verstandige schepselen vermogens gaf om kennis en deugd te verwerven, zonder te willen dat ze zich daarvoor inspannen? Of wie kan zich voorstellen dat een wijs Wezen, dat wil dat Zijn verstandige schepselen kennis en deugd verwerven, hen niet zal straffen als ze dat nalaten? En dat Hij met Zijn weldaden niet zal laten zien dat Hij hun pogingen goedkeurt?
Wijsgeren zonder licht hebben de eigenschappen van God net zo duister behandeld als Zijn werken. De ‘zedelijke eigenschappen’ van God, zoals de scholen ze noemen, waren geheimen die zij niet konden ontsluiten. Je kunt ze in twee groepen verdelen: eigenschappen van goedheid en eigenschappen van gerechtigheid.
Wijsgeren die dit onderscheid aannamen, hebben meestal als vanzelfsprekend genomen wat ze hadden moeten bewijzen. Ze verzamelden in hun gedachten alle volmaaktheden en brachten die samen onder één voorwerp, dat ze een volmaakt wezen noemden. Ze veronderstelden zonder bewijs dat zo’n volmaakt wezen bestond, en schreven er zonder bewijs alles aan toe wat zij als volmaaktheid zagen.
De psalmdichter laat langs een betrouwbaardere weg zien dat er een God is, Die hoogst rechtvaardig is en hoogst goed. Wie een redelijk mens wil overtuigen van Gods rechtvaardigheid en goedheid, moet dezelfde weg volgen als wij volgen om Zijn bestaan te bewijzen. Willen we aantonen dat God bestaat, dan zeggen we: er zijn schepselen, dus er is een Schepper. Op dezelfde manier zeggen we, als we willen aantonen dat een schepsel rechtvaardig en goed is: er zijn goedheid en rechtvaardigheid in schepselen, dus Hij van Wie ze hun bestaan hebben, is een rechtvaardig en goed Wezen.
Zo redeneert de psalmdichter in deze psalm: “Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN”, Ps. 33:5. Dat betekent: kun je naar het werk van de Schepper kijken zonder te merken dat Hij goed is? Dat kan niet. En de werken van de natuur die Gods goedheid laten zien, bewijzen ook Zijn rechtvaardigheid. God heeft ons namelijk zo gemaakt dat we de gaven van Zijn goedheid niet kunnen genieten zonder ons te houden aan de wetten van Zijn gerechtigheid. Het geluk van iemand die zijn genoegen haalt uit het breken van de wetten van de eerlijkheid, is een geluk met geweld. Het houdt niet lang stand. En de welvaart van een volk of instelling die op onrecht rust, is een gebouw dat met zijn fundament snel zal wegzakken en verdwijnen.
Maar wat we vooral willen opmerken, is dat de voortreffelijke beginselen van de psalmdichter over God geen losse bespiegelingen zijn. Het zijn waarheden waaruit hij praktische conclusies trekt. Hij wil dat hun invloed verder reikt dan gewone mensen, tot aan wetgevers en veroveraars. Als je naar het gedrag van mensen kijkt, zou je denken dat de conclusies uit deze leerstellingen alleen het gewone volk aangaan. Je zou denken dat wetgevers en veroveraars een eigen zedenleer hebben en boven de regels staan waaraan anderen zich moeten onderwerpen. Onze profeet dacht daar anders over.
Wat zijn zijn staatkundige grondregels? Ze zitten allemaal in deze woorden: “Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft”, Ps. 33:12. Wat zijn zijn krijgskundige grondregels? Ook die zitten allemaal in deze woorden: “Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht; het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte”, Ps. 33:16-17.
Wie legt deze grondregels voor? Een kluizenaar die nooit op het toneel van de wereld is verschenen? Of een man zonder de gaven die je nodig hebt om daar te schitteren? Nee. Het is een van de wijste koningen en een van de stoutmoedigste en bekwaamste veldheren. Het is een man die God Zelf heeft uitgekozen om Zijn uitverkoren volk te regeren en legers aan te voeren die de hardnekkigste veldslagen hebben gevochten en de grootste overwinningen hebben behaald.
Als ik het stelsel van de psalmdichter verder zou uitleggen, dan kon ik laten zien dat hij op grond van de natuur terecht de leer van de voorzienigheid afleidde, en op grond van de schepping de leer van Gods zedelijke eigenschappen. Op dezelfde manier mocht hij uit die leerstellingen, samen met die van de voorzienigheid en de werken van de schepping, concluderen dat geen veroveraar of wetgever echt gelukkig kan zijn, behalve wie handelt volgens de wetten van de rechtvaardige en goede Allerhoogste. — James Saurin.
Vers 1
“Zingt vrolijk in den HEERE, gij rechtvaardigen.” Juich, rechtvaardigen, in Jehova! Volgens de taalgeleerden betekent het Hebreeuwse werkwoord oorspronkelijk: dansen van blijdschap. Het is dus een heel sterke uitdrukking voor de levendigste vreugde. — J. A. Alexander.
Vers 1
“Verblijdt u, o gij rechtvaardigen.” Zoek die blijdschap niet in jezelf, want dat is niet veilig, maar in de HEERE. — Augustinus.
Vers 1
“Lof betaamt den oprechten.” Lof past alleen bij mensen die God vrezen. Een goddeloos mens die zich met Gods lof tooit, lijkt op een mesthoop vol bloemen. Lof uit de mond van een zondaar is als een orakel uit de mond van een dwaas. Wat is het misplaatst dat hij God prijst, terwijl heel zijn leven God onteert! Een goddeloze die rustig blijft zondigen en dan toch God looft, is even ongepast als een woekeraar die praat over leven uit geloof, of de duivel die de Schrift aanhaalt. Alleen wie God vreest, is geschikt om voor te zingen in Gods lof. Die lof heet ook “het gewaad des lofs”. Jes. 61:3. En dat gewaad staat alleen een heilige mooi. — Thomas Watson.
Vers 1
Deze psalm hangt samen met de vorige. Zijn openingswoord is een sleutelwoord dat de oproep herhaalt waarmee die vorige psalm eindigde: “Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!” — Christopher Wordsworth.
Vers 1
Wie behagen heeft in God, behaagt ook God. — Augustinus.
Vers 2
“Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument.” Hier lezen we in het boek der Psalmen voor het eerst over muziekinstrumenten. Opvallend is dat de oude kerkvaders er bijna allemaal tegen protesteren dat ze in de kerk worden gebruikt. In de Oosterse kerk zijn ze tot op de dag van vandaag verboden. En toch is het zingen daar, naar het oordeel van iedereen, oneindig veel mooier dan alles wat je in het Westen hoort. — J. M. Neale.
Vers 2
“Harp; luit”, enz. Onze kerk gebruikt geen muziekinstrumenten, zoals harpen en luiten, om God te loven. Zo wil ze niet de indruk wekken dat ze weer joods wordt. — Thomas van Aquino.
Alleen aan de Joden werd het toegestaan, net als het offer, omdat hun ziel zo zwaar en ruw was. God kwam hun zwakheid tegemoet, want ze waren nog maar kort geleden van de afgoden losgemaakt. Maar nu mogen wij in plaats van orgels ons eigen lichaam gebruiken om Hem te loven. — Chrysostomus.
Bij de Joden, in hun kindertijd, hoorde zang met instrumentale muziek erbij. In de christelijke kerken nam men dat niet over. Daar gebruikte men alleen eenvoudig gezang. — Justinus Martyr.
Vers 2 (laatste zinsdeel)
Er staat dat David God prees op een instrument met tien snaren. Hij zou nooit hebben verteld hoeveel snaren het waren, als hij ze niet allemaal had gebruikt. God heeft ons allemaal een lichaam gegeven, als het ware een instrument met vele snaren. Denken wij dan dat het muziek genoeg is om maar één snaar aan te slaan en Hem alleen met onze tong aan te roepen? Nee, nee! Wanneer de stille klank van het hart door heilige gedachten, de schelle klank van de tong door heilige woorden en de luide klank van de handen door vrome daden samen opklinken, dan is dat Gods concert. Alleen die muziek beweegt Hem. — Sir Richard Baker.
Vers 3
“Zingt Hem.” I. Zingen is de muziek van de natuur. De Schrift zegt ons dat de bergen zingen (Jes. 55:12), dat de dalen zingen (Ps. 65:13) en dat de bomen van het woud zingen (1 Kron. 16:33). Ook de lucht is een muziekzaal: de vogels laten er hun melodieën horen.
II. Zingen is de muziek van de verordeningen. Augustinus vertelt dat hij, toen hij in Milaan kwam en het volk hoorde zingen, in de kerk huilde van vreugde om die aangename melodie. Beza belijdt dat hij zich bij zijn eerste bezoek aan de gemeente buitengewoon getroost voelde toen hij hen de eenennegentigste psalm hoorde zingen, en dat de klank ervan daarna in zijn hart bleef. De rabbijnen vertellen dat de Joden na het Paasfeest de honderdelfde psalm en de vijf daarna zongen. En onze Zaligmaker en Zijn apostelen zongen een lofzang meteen na het gezegende Avondmaal. Matth. 26:30.
III. Zingen is de muziek van de heiligen. (1.) Ze hebben die plicht vervuld in hun grootste aantallen. Ps. 149:1-2. (2.) In hun grootste nood. Jes. 26:19. (3.) In hun grootste vlucht. Jes. 42:10-11. (4.) In hun grootste verlossingen. (5.) In hun grootste overvloed. Jes. 65:14. Door al die wisselende tijden heen was zingen hun vaste plicht én hun vreugde. En het past ook echt dat de heiligen en knechten van God hun blijdschap en lofprijs uitzingen voor de almachtige HEERE: elke eigenschap van Hem kan hun lied en hun melodie geven.
IV. Zingen is de muziek van de engelen. Job zegt ons: “de morgensterren te zamen vrolijk zongen”. Job 38:7. Die “morgensterren” zijn volgens Pineda de engelen. De Chaldeeuwse parafrase is het daarmee eens en noemt ze aciem angelorum, een heir van engelen. Toen dit hemelse heir werd gezonden om de geboorte van onze dierbaarste Jezus aan te kondigen, gaf het zijn boodschap ook op zo’n verheven manier door. Luk. 2:13. Het Grieks zegt dat ze lovend hun boodschap brachten, in een lofzang, terwijl de hele schare engelen één muzikaal koor vormde. Ja, in de hemel klinkt de blijde muziek van de engelen. Daar zingen ze hallelujah’s voor de Allerhoogste en voor het Lam, Dat op de troon zit. Openb. 5:11.
V. Zingen is de muziek van de hemel. De heerlijke heiligen en engelen zetten daar hun lof op deze manier in en vormen samen één harmonie in hun gelukzaligheid. Dit is de muziek van de bruidskamer. De heiligen die hier hun psalmen instemden, zingen nu hun hallelujah’s in een luidere toon. Ze verwoorden hun vreugde, die ze hier nooit helemaal konden uitdrukken. Hier worstelden ze met slaperige harten en stamelende tongen. In de heerlijkheid is dat alles weggenomen en blijft er niets over dat hun blijde viering nog kan storen. — John Wells, in “Morning Exercises”.
Vers 3
“Een nieuw lied.” Dat kan op verschillende manieren worden bedoeld, en elke manier is de moeite waard. Het kan een nieuwe, pas gemaakte compositie zijn, vanwege recente weldaden. Of het gaat om voortdurend nieuwe liederen, het ene na het andere, naarmate wie Gods werken aandachtig bestudeert dagelijks nieuwe stof vindt voor goddelijke lof. Nieuw kan ook betekenen: altijd fris en vol leven, steeds vernieuwd bij elke nieuwe gelegenheid. Zoals Job zegt: “Mijn heerlijkheid was nieuw bij mij, en mijn boog veranderde zich in mijn hand.” Of het betekent: niet gewoon maar zeldzaam en uitgelezen, zoals de nieuwe naam in Openb. 2:17 en het nieuwe gebod in Joh. 13:34.
Of het wijst op de tijd van het evangelie, met een nieuw verbond (Hebr. 8:8), een nieuw Jeruzalem (Openb. 21:2), een nieuw mens (Ef. 2:15) en alle dingen nieuw (2 Kor. 5:17). Ook kan het nieuw heten omdat de inhoud ervan onbekend is bij de mensen. Zo staat in Openb. 14:3: “Zij zongen als een nieuw gezang”, en niemand kon dat gezang leren behalve de honderd vier en veertig duizend, die van de aarde gekocht waren. Tot slot kan nieuw het tegenovergestelde van oud zijn: het lied van Mozes is oud, en dat van het Lam is nieuw. — Martin Geier (1614-1681), in “Poli Synopsis Criticorum”.
Vers 3
“Zingt Hem een nieuw lied.” Leg het oude af, want je kent het nieuwe lied. Een nieuw mens, een Nieuw Testament, een nieuw lied. Een nieuw lied past niet bij oude mensen. Niemand leert het behalve nieuwe mensen: mensen die door genade zijn vernieuwd en bevrijd van het oude, en die nu bij het Nieuwe Testament horen, dat het koninkrijk der hemelen is. — Augustinus.
Vers 3
Een nieuw lied: dat wil zeggen, gezongen met die gloed van gevoel die nieuwe dingen gewoonlijk meebrengen. Of altijd nieuw, omdat Gods genaden nooit verouderen. Of gezongen vanuit de drang van deze nieuwe geest van genade, die minder let op de oude weldaden van de schepping dan op de nieuwe weldaad van de verlossing in Christus, Die alle dingen nieuw maakt. Ps. 40:3; 96:1; Openb. 5:9; 14:3. — Johannes Diodati.
Vers 3
“Zingt Hem een nieuw lied.” Het is een treurig teken van verval in de kerk wanneer niemand zich nog aan de oproep houdt om een nieuw lied te zingen. Dan is de grootste zorg nodig om te voorkomen dat de oude liederen in vergetelheid raken. — E. W. Hengstenberg.
Vers 3
“Speelt wel.” God op de juiste manier loven is geen gemakkelijke zaak. Het moet gebeuren corde, ore, opere: met hart, mond en daad, met het allerbeste van het beste. — John Trapp.
Vers 4
“Des HEEREN woord is recht.” Daarmee kan Zijn belovende woord aan de kerk bedoeld zijn. Of de goddelijke openbaring aan alle mensen, die voorhoudt wat we moeten geloven, hopen en doen. Of Gods besluiten en Zijn straffende oordelen. Of Gods hele raad en bestel in de schepping en in het bestuur van de wereld. “Is recht” betekent: zonder gebrek of dwaling. “Recht” is het tegenovergestelde van krom; het betekent waar of zeker. — Johannes de Pineda (1577-1637); D. H. Mollerus (1639), en anderen, in “Synopsis”.
Vers 4
“Al Zijn werk getrouw.”
De waarheid spreekt uit elke tere bloem,
Zowel als in Gods meest verheven roem;
Zij is de stem van eeuwen en natuur,
De strenge waarschuwer op ieder uur.
Al wat bestaat getuigt: de verre ster,
De gouden zon, de wind van heinde en ver;
De waarheid, dat is God in majesteit,
Die overal is, tot in eeuwigheid!
— William Thomas Bacon.
Vers 5
“De aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.” Denk eens aan het verbazingwekkende aantal mensen dat voortdurend eten, kleding en elk genoegen dat ze kennen van moeder aarde krijgt. Dan zien we hoe mild de natuur haar gaven uitdeelt. En het zijn niet alleen mensen. Ook ontelbaar veel levende wezens naast hen, bewoners van de lucht, het water en het land, hebben het dagelijks aan de natuur te danken dat ze te eten hebben. Zelfs de dieren die wij zelf verzorgen, leven nog altijd van de aarde, want het gras dat de natuur uit zichzelf laat groeien, is hun voornaamste voedsel. Het hele geslacht van de vissen redt zich heel goed zonder enige hulp van ons, afgezien van de vissen die mensen voor hun plezier voeren.
De vogelsoort die misschien het meest wordt veracht en het talrijkst is, is de mus. Wat mussen nodig hebben om te leven, is ongelooflijk veel, maar de natuur zorgt dat ze te eten krijgen. En toch zijn ze maar het kleinste deel van haar kinderen. Zo enorm is het aantal insecten dat er eeuwen kunnen voorbijgaan voordat we zelfs maar hun soorten en klassen kennen. Wat een verscheidenheid aan soorten vliegen speelt er in de lucht! Het bloed dat de mug van ons neemt, is voor die dieren maar toevallig voedsel. We mogen aannemen dat er voor elke mug die ervan leeft, miljoenen zijn die nooit mensenbloed of het bloed van enig ander dier hebben geproefd. Waarvan kunnen al die schepsels leven? Misschien zit er in elke handvol aarde levende insecten. We ontdekken ze in elke druppel water. Hoe ze zich vermenigvuldigen en waarvan ze bestaan, is onbegrijpelijk.
De natuur is zo vruchtbaar in kinderen, en ze is net zo vruchtbaar in middelen om hen te voeden. Of liever: het is de God van de natuur Die in haar schoot die onuitputtelijke voorraad rijkdommen heeft uitgestort. Hij zorgt voor elk schepsel, voor voedsel én voor een woning. Voor hen laat Hij het gras en de andere kruiden groeien, en Hij laat ieder zijn eigen voedsel uitkiezen. Hoe gering veel schepsels ons ook lijken, Hij voedt en helpt ze allemaal.
O Almachtige God, wat is Uw grootheid openbaar! U doet wat de krachten van heel de mensheid samen nooit zouden kunnen. U hebt leven, adem en bestaan gegeven aan alle schepselen die in de lucht, in het water en op het land leven. Dan zult U voor Uw gelovige volk toch zeker doen wat U voor dieren en insecten doet!
Als we vol twijfel en angst zijn, laten we dan denken aan de raven die de HEERE voedt wanneer ze roepen. Laat hen, en alle andere schepselen waar de mens niet voor zorgt, ons de kunst van de tevredenheid leren. De grote Maker van de natuur kent al onze behoeften. Laten we elke zorg op Hem werpen, want Hij zorgt voor ons. En mogen we vrijmoedig komen tot den troon der genade, in geloof en oprechtheid, om barmhartigheid te verkrijgen en genade te vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd. — Christopher Christian Sturm.
Vers 5
“De aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.” Wie de waardeloze bewoners van de aarde hoort klagen, zou denken dat God kwaad uitdeelt en geen goed. Maar onderzoek je het werk van Zijn hand, dan draagt alles het stempel van barmhartigheid. Er is geen plek waar Zijn goedheid niet zichtbaar wordt. Gods overvloeiende goedertierenheid vult de aarde. Zelfs de ongerechtigheid van mensen is zelden een hindernis voor Zijn goedheid: Hij laat Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. — Adam Clarke.
Vers 5
“De goedertierenheid des HEEREN.” Als we spreken over Gods heerlijke volmaaktheden, mag Zijn goedheid nooit ontbreken. Al Zijn volmaaktheden zijn Zijn heerlijkheid, maar juist de goedheid wordt zo in het bijzonder genoemd. Toen Mozes, de man van God, vurig verlangde een grootse vertoning van de heerlijkheid van Jehova te zien, antwoordde de HEERE op zijn verzoek: “Ik zal al Mijn goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan.” Daarmee gaf Hij te kennen dat Hij Zelf Zijn goedheid als Zijn heerlijkheid beschouwde. Ex. 33:19; 34:7. Die goedheid omvat de barmhartigheid, genade, lankmoedigheid en waarheid die daarna worden genoemd.
Als ze ellendigen verlicht, heet het barmhartigheid. Als ze gunsten schenkt aan wie die niet verdient, is het genade. Als ze geduld heeft met tergende opstandelingen, is het lankmoedigheid. Als ze beloofde zegeningen geeft, is het waarheid. Als ze voorziet in de nood van behoeftige wezens, is het mildheid. De goedheid van God is een zeer veelomvattend begrip. Ze omvat alle vormen van Zijn goedheid jegens mensen, of we hen nu zien als schepselen, als zondaars of als gelovigen. — George Burder, 1838.
Vers 5
“De goedertierenheid des HEEREN.” Als het Hem had behaagd, had Hij alles wat we proefden bitter kunnen maken, alles wat we zagen weerzinwekkend, alles wat we aanraakten een angel, elke geur een stank en elk geluid een wanklank. — William Paley, D.D., 1743-1805.
Vers 6
“Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.” Het Hebreeuwse woord betekent hier niet ‘geest’ maar ‘adem’. Dat blijkt duidelijk uit de woorden “Zijns monds” (vergelijk Jes. 11:4) en uit de parallel met ‘woord’. Een eenvoudig woord is een eenvoudige adem. Samen staan ze tegenover inspanning, zwoegen en het gebruik van middelen en werktuigen, waarzonder de zwakke mens niets tot volmaaktheid kan brengen. Dan zijn er nog de verwante teksten: “Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus.” Job 27:3. “De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt.” Job 33:4. “Neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof. Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen.” Ps. 104:29-30.
Aan de andere kant kan de uitleg die dit woord zou verklaren zonder naar de Geest Gods te verwijzen, niet juist zijn. In het scheppingsverhaal, waar dit vers net als vers 7 en 9 in het algemeen naar verwijst, wordt de schepping beschreven als het werk van Gods Geest en Zijn Woord. Eerst zweefde de Geest Gods over het vlak van de wateren, daarna sprak God. We mogen ook aannemen dat de Geest en de kracht van God hier worden voorgesteld met het beeld van de adem, omdat adem bij de mens het eerste teken van leven is. — E. W. Hengstenberg.
Vers 6
“Door het Woord des HEEREN.” Dat kan worden verstaan van het Woord als Persoon, het hypostatische Woord, zoals Johannes ons leert. Joh. 1:1. — (Johannes Coccejus), 1603-1669.
Dit is een voorbeeld van het oude gezegde dat Grotius Christus nergens vindt, terwijl Coccejus Christus overal vindt. — C. H. S.
Vers 6
Laat iemand een wereld maken, en hij zal een God zijn, zegt Augustinus. Daarom zet de kerk het geloof in God de Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, als allereerste artikel in haar Geloofsbelijdenis. — John Weemse.
Verzen 6, 9
Bij God is doen hetzelfde als zeggen, uitvoeren hetzelfde als beloven. Het is even gemakkelijk voor Hem, Hij is even bereid en even in staat om het ene te doen als het andere. Tussen Gods zeggen en doen zit niet zo’n afstand als bij mensen. Zijn zeggen is doen: “Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.” “Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt.” “De wereld door het woord Gods is toebereid.” Hebr. 11:3. In Zijn woord zit almacht, zowel bij een gebod als bij een belofte. Daarom heet het “het woord Zijner kracht”. Hebr. 1:3. Eén woord van Hem kan in een ogenblik meer doen dan de verenigde krachten van hemel en aarde in de eeuwigheid kunnen doen.
Als we dit goed overwegen, verdwijnen in één keer de voornaamste ontmoedigingen die het levende werk van het geloof belemmeren. Want wat ondermijnt ons vertrouwen dat beloften worden vervuld, anders dan dat we de vervulling onzeker of moeilijk vinden, of toekomstig en ver weg? Het geloof mag hieruit besluiten dat de vervulling zeker, gemakkelijk en nabij is. — David Clarkson.
Vers 7
“Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop”, enzovoort. “De vergadering der wateren noemde Hij zeeen.” Gen. 1:10. Dit rusteloze, onberekenbare element moest, net als alle andere elementen, onder een wet worden gesteld en binnen vaste grenzen worden gehouden. Alleen zo kon er een bewoonbare aarde zijn voor de mens en voor alle schepselen om hem heen. Daarom zingt de psalmist: “Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.”
Die grens liet Gods dienaren niet los en vervulde hen met verwondering. Ze keken vanaf de oever, net zoals wij, en onder invloed van een bekende wet leken de golven in hun zwellende deining wel de hemel zelf te raken. Het leek zelfs alsof ze zó veel hoger lagen dan de kust, dat ze elk moment uit hun bedding konden breken en over het land konden stromen. Precies die indruk hebben wij, gewone mensen, ondanks al onze wetenschap nog steeds, als we er eerlijk over zijn.
De profeten keken zoals wij kijken, met hetzelfde gevoel. Wat is dit allemaal wonderlijk, dachten zij! Een lage, nietige zandwal is Jehova’s middel om de diepte in toom te houden. “Die der zee het zand tot een paal gesteld heb, met een eeuwige inzetting, dat zij daarover niet zal gaan; ofschoon haar golven zich bewegen, zo zullen zij toch niet vermogen, ofschoon zij bruisen, zo zullen zij toch daarover niet gaan.” Jer. 5:22. — John Duns, D.D., in “Science and Christian Thought”, 1868.
Vers 7
“De wateren der zee.” Van alles wat ik ooit heb gezien, maakt niets zo’n diepe indruk op mijn verbeelding als de zee of de oceaan. Zelfs bij volkomen windstilte kan ik de deining van die enorme watermassa niet zien zonder een diep en aangenaam gevoel van verbazing. Maar als een storm de zee heeft opgezweept en je aan alle kanten niets anders ziet dan schuimende golven en drijvende bergen, dan kan ik die heerlijke huivering niet in woorden vatten.
Een woeste, onstuimige oceaan is, denk ik, voor wie erop vaart het grootste wat hij in beweging kan zien. Daarom schenkt hij zijn verbeelding een van de hoogste genoegens die uit grootsheid kunnen voortkomen. Ik moet bekennen dat ik deze wereld van vloeibare stof niet kan overzien zonder te denken aan de hand die haar als eerste uitgoot en er een passend bed voor maakte.
Zo’n aanblik roept in mijn gedachten vanzelf het denkbeeld van een Almachtig Wezen, en overtuigt mij van Zijn bestaan net zo sterk als een wijsgerig bewijs. De verbeelding zet het verstand in beweging. Door de grootsheid van wat we zien, roept ze de gedachte op aan een Wezen Dat door tijd noch ruimte wordt begrensd. — “The Spectator”.
Vers 7
“Als op een hoop.” Hier wordt vloeistof behandeld alsof het vaste stof is, alsof het gewoon een stapel is. Dat is een duidelijke toespeling op Ex. 15:8. “Afgronden” zijn massa’s water. Het hoofdpunt van deze beschrijving is de manier waarop God met die geweldige watermassa’s omgaat, zoals mensen vaste dingen van doorsnee grootte hanteren. Hij stapelt de golven op en bergt ze weg, zoals je stenen of tarwe zou opslaan. — J. A. Alexander.
Vers 7
De enorme watermassa’s die tot dan toe het hele oppervlak van de aardbol hadden bedekt, werden op de derde scheppingsdag in een kleinere ruimte samengebracht. Grote stukken van de ondergedompelde aarde kwamen weer boven water en werden bewoonbaar… Het water werd voor het grootste deel op één geweldige plaats verzameld, in plaats van over heel het aardoppervlak verspreid te liggen. Zo zien we het vandaag nog steeds voor ons. De verschillende grote zeeën en oceanen vormen in feite maar één watermassa, die in verschillende streken met verschillende namen wordt aangeduid, zoals de Atlantische, Stille, Indische en Zuidelijke Oceaan. — George Bush, over Gen. 1:9.
Vers 8
“Laat de ganse aarde.” Want wie zou er nog aan twijfelen dat God op aarde alles kan doen wat Hij wil, nu Hij zelfs de ontembare zee heeft getemd? — Hugo Grotius, 1583-1645.
Vers 8
“Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen”, enzovoort. Laten ze niemand anders vrezen in plaats van Hem, en niets anders ook. Raast er een wild dier? Vrees God. Ligt er een slang op de loer? Vrees God. Haat een mens je? Vrees God. Valt de duivel je aan? Vrees God. Want heel de schepping staat onder Hem, Die je geboden wordt te vrezen. — Augustinus.
Vers 9
“Hij spreekt, en het is er.” Zoals wij in het Latijn zeggen: Dictum factum, gezegd, gedaan, zonder dat er ook maar enig uitstel tussen kwam. — Hugo Grotius.
Vers 9
“Hij spreekt, en het is er.” De schepselen zijn dus geen uitvloeisels van Gods natuur, maar het werk van Zijn wil, de vrucht van Zijn inzicht, Zijn plan en Zijn raad. — William Binnie, D.D.
Vers 10
“De HEERE vernietigt den raad der heidenen”, enzovoort. Hoe harder de Farizeeën van vroeger, en hun opvolgers, de prelaten van kort geleden, de waarheid tegenwerkten, hoe sterker de waarheid zegevierde. De Hervorming in Duitsland kreeg juist door het verzet van de papisten een flinke duw vooruit.
Twee koningen schreven (naast velen anderen) tegen Luther: Hendrik VIII van Engeland en Ludovicus van Hongarije. Hun koninklijke titel, die zo in de twist werd ingebracht, maakte mensen nieuwsgieriger om de zaak zelf te onderzoeken. En het gevolg was dat er bij veel mensen een algemene neiging ontstond tot Luthers opvattingen. — Richard Younge’s “Christian Library”, 1655.
Vers 11
“De raad des HEEREN.” Let op het contrast tussen de raad der heidenen in het vorige vers en de raad des HEEREN in dit vers. — C. H. S.
Vers 11
“De gedachten.” Dit is hetzelfde woord als “gedachten” in het vorige vers. — William de Burgh, D.D., bij dit vers.
Vers 11
De raderen in een horloge of klok draaien tegen elkaar in: het ene gaat naar links, het andere naar rechts. Toch dienen ze allemaal het doel van de maker: de tijd aanwijzen of de klok laten slaan. Zo kan het in de wereld soms lijken alsof Gods voorzienigheid tegen Zijn beloften ingaat. De een gaat deze weg, de ander die. Goede mensen gaan naar de ene kant, goddelozen naar de andere. Toch voeren uiteindelijk allemaal, zonder uitzondering, Gods wil uit en komen ze samen in het voornemen van God, de grote Schepper van alle dingen. — Richard Sibbes.
Vers 11 (laatste zinsdeel)
Denk niet, broeders, dat God gaat zitten nadenken over wat Hij moet doen, en overlegt of Hij iets wel of niet zal doen, omdat er staat: “de gedachten Zijns harten”. Zo’n traagheid hoort bij u, o mens. — Augustinus.
Vers 12
“Welgelukzalig … dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.” Iemand kan zijn naam in de kronieken hebben staan en toch verloren gaan. Zijn naam kan in duurzaam marmer zijn uitgehouwen en hij toch vergaan. Hij kan op een gedenkteken zo groot als een Kolossus staan en toch een schande zijn. Zijn naam kan boven de poort van het gasthuis zijn geschreven en hij toch naar de hel varen. Hij kan zijn naam vooraan op zijn eigen huis hebben gezet en toch zien dat een ander erin komt wonen.
Dit alles zijn maar krabbels, geschreven in het stof of op het water, waar de letters verdwijnen zodra ze zijn gezet. Het bewijst al evenmin dat iemand gelukkig is dan de dwaas kon bewijzen dat hij Pontius Pilatus was, omdat diens naam in de Geloofsbelijdenis staat. De ware troost is deze: dat iemand met volle zekerheid in zijn eigen ziel kan besluiten dat zijn naam is geschreven in de eeuwige bladen van de hemel, in het boek van Gods verkiezing. Dat boek zal nooit worden opgerold in de donkere bladen van de duisternis, maar blijft leesbaar tot in alle eeuwigheid. — Thomas Adams.
Vers 12
“Het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.” Sommigen lezen: Het volk dat Hem tot hun erfdeel heeft verkozen. Dat komt op hetzelfde neer. Zie Deut. 26:17-19. — John Trapp.
Vers 12
Het is een geluk om je te mogen verbinden met iemand die groter is dan jijzelf. Een bedelaar als beschermer is niets waard, want hij heeft geen macht. Maar iedereen zoekt de gunst van een vorst. Daarom wordt gezegd: Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is. — Joseph Symonds.
Vers 12
Niemand moet denken dat mensen zo’n groot goed krijgen door eigen inspanning en ijver. Daarom leert David ons uitdrukkelijk dat het uit de bron van Gods genadige, verkiezende liefde voortkomt dat wij tot Gods volk worden gerekend. — Johannes Calvijn.
Vers 12
Ik heb de grote mannen van de wereld en de goede mannen van de wereld wel eens vergeleken met de medeklinkers en de klinkers in het alfabet. De medeklinkers zijn het talrijkst en het grootst. Ze nemen de meeste ruimte in en dragen de grootste massa. Maar geloof me: de klinkers zijn, hoewel ze de minste en de kleinste van alle letters zijn, het nuttigst. Ze geven het meeste geluid van allemaal, want zonder klinkers is er geen uitspraak.
O geliefden, de grote mannen van de wereld nemen ruimte in en spelen zich op boven anderen, maar het blijven slechts medeklinkers, voor het grootste deel een gezelschap van stomme medeklinkers. De goede mannen zijn de klinkers, die bij elke wending het nuttigst en het belangrijkst zijn. Een goed man om met zijn gebeden te helpen. Een goed man om met zijn raad bij te staan. Een goed man om met zijn gezag tussenbeide te komen.
Dit is het verlies dat wij beklagen: we hebben een goed man verloren. De dood heeft een klinker uitgewist, en ik vrees dat het er erg stil zal zijn waar hij ontbreekt. Stilte in het bed, stilte in het huis, stilte in de winkel, stilte in de kerk, stilte in de gemeente. Want hij was overal een klinker, een goed man in elk opzicht. — John Kitchin, M.A., in een lijkrede, 1660.
Vers 15
“Hij formeert hun aller hart.” Als toelichting op deze passage, zoals ze in onze vertaling staat, voegen wij het volgende toe: “Alle omstandigheden bewijzen samen dat de mensheid niet bestaat uit soorten die wezenlijk van elkaar verschillen. Er was integendeel oorspronkelijk maar één soort. Nadat die zich over het hele aardoppervlak had vermenigvuldigd en verspreid, onderging ze verschillende veranderingen door de invloed van klimaat, voedsel, levenswijze, ziekten en vermenging van ongelijke individuen.
Die veranderingen vielen eerst niet zo op en brachten alleen individuele variëteiten voort. Later werden die variëteiten specifieker, omdat de voortdurende werking van dezelfde oorzaken ze algemener, duidelijker en duurzamer maakte. En ze worden van generatie op generatie doorgegeven.” — G. L. Leclerc, graaf van Buffon, 1707-1788.
Vers 15
De Schepper van alle dingen formeert hun harten gelijk, allemaal op dezelfde manier. Het Hebreeuwse woord betekent: tegelijk, in één keer. Het wijst erop dat de harten van alle mensen, hoe groot de kloof van tijd of plaats tussen hen ook is, in hun oorspronkelijke neigingen precies zo gelijk zijn alsof ze allemaal op hetzelfde ogenblik gevormd waren. Wij hebben de aanbidding van een God nodig, en dus een of andere godsdienst. We kunnen die niet van ons afschudden, hoe graag we dat misschien ook zouden willen. — William Pinke, 1631.
Vers 15 (laatste zinsdeel)
Twee mensen geven aan de armen. De een zoekt zijn loon in de hemel, de ander de lof van mensen. Jij ziet in die twee één ding, God ziet er twee. Want Hij begrijpt en kent wat van binnen leeft. Hun doel ziet Hij, hun lage bedoelingen ziet Hij. Hij verstaat al hun werken. — Augustinus.
Vers 16
“Een koning wordt niet behouden door een groot heir.” Bij de slag bij Arbela telden de Perzische legers tussen de vijfhonderdduizend en een miljoen man. Toch werden ze volledig op de vlucht gejaagd door Alexanders troepen van maar vijftigduizend, en de eens zo machtige Darius was al snel verslagen. Napoleon voerde meer dan een half miljoen man naar Rusland:
“Geen heir zo talrijk en zo wreed in strijd
Werd ooit door Brennus of de Scyth Timoer geleid.”
Maar de verschrikkelijke winter liet van dat leger slechts een wrak over, en zijn leider was al snel een gevangene op de eenzame rots van Sint-Helena. Zo is dit vers door heel de geschiedenis heen steeds opnieuw bewaarheid. De sterkste bataljons smelten als sneeuwvlokken als God tegen hen is. — C. H. S.
Vers 16
“Een held”, of een reus, zoals Goliath. Zoals zelfs de beste zwemmers kunnen verdrinken, zo kan ook de sterkste bezwijken. — John Trapp.
Verzen 16-17
“Geen veldheer, hoe dicht zijn lansen ook staan,
Kan de ondergang van zijn helden weerstaan;
Vergeefs is het briesen van ‘t strijdbare paard:
Te zwak is zijn kracht, zijn ruiter wordt niet bewaard.”
— Richard Mant.
Verzen 16-17
Alle menselijke macht, hoe groot ook, is zwak en schiet tekort. Eerder zagen we dat hetzelfde geldt voor alle menselijk verstand. — J. J. Stewart Perowne.
Verzen 16-17
Denk aan een reiziger in een storm, die van zijn weg afwijkt om beschutting te zoeken. Hij gaat naar een mooie, wijd uitgespreide eik en gaat met zijn rug tegen de stam onder de takken staan. Daar vindt hij een poosje goede verlichting tegen het slechte weer. Maar dan komt er plotseling een windvlaag die een hoofdtak afscheurt. Die valt op de arme reiziger, die bij de boom toevlucht zocht, en verminkt hem of doet hem pijn.
Zo gaat het ook met niet weinigen die in de wereld veel moeilijkheden en allerlei kwellingen ontmoeten. Ze wijken van hun eigen weg af, en al te vaak ook van de weg van God, om onder de vleugel van een of andere grote man te komen. Misschien vinden ze daar een tijd lang hulp en beschutting. Maar na een tijd stort die grote man zelf halsoverkop neer, van zijn vroegere hoogte van gunst of eer. Dan worden zij ook ter verantwoording geroepen en met hem ten val gebracht, terwijl ze anders lang genoeg op eigen benen hadden kunnen staan, als ze niet hadden vertrouwd op zo’n arm van vlees, zo’n gebroken staf die hen teleurstelde. — Thomas Gataker.
Vers 17
“Het paard.” Als de kracht van paarden van God komt, of Zijn gave is (Job 39:19), vertrouw dan niet op de kracht van paarden. Gebruik de kracht van paarden gerust, maar vertrouw er niet op. Als je vertrouwt op de kracht die God aan paarden heeft gegeven, maak je ze tot je god. Hoe vaak verbiedt God ons dan te vertrouwen op de kracht van paarden! Hij weet dat wij geneigd zijn te vertrouwen op alles wat sterk is, al is het maar een dier. “Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte.” Het is alsof God zegt: je denkt dat een paard je kan redden, maar weet dat het een ijdel ding is, waar je niets aan hebt.
En als de psalmist zegt: “Het paard feilt”, bedoelt hij dat niet van een zwak paard, maar van een paard met de grootst denkbare kracht. Zo’n paard is ijdel als het erom gaat een mens te redden, en bevrijdt niemand door zijn sterkte. Daarom zegt de HEERE het ook in Hos. 1:7, toen Hij Zijn volk grote verlossingen beloofde en wilde voorkomen dat ze die van de kracht van paarden zouden verwachten: “Ik zal ze verlossen door den HEERE, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren.” Het is alsof Hij hun zei: kijk niet uit naar de kracht van schepselen om erdoor gered te worden. Een paard zal ijdel zijn om je te redden, en Ik kan je doeltreffend redden zonder paarden, en Ik zal het doen. — Joseph Caryl.
Verzen 17-20
De mens beseft dat het hem aan aardse zegeningen ontbreekt. Hij blijft ze achternajagen met overdreven zorg, ijver en kwelling, totdat hij leert dat God voor hem zal zorgen. Als iemand grote vrienden heeft op wie hij kan leunen, zeggen wij: zulke mensen hoeven zich geen zorgen te maken, ze weten dat die en die voor hen zal zorgen. Maar vraag iemand die nooit stopt met zwoegen en zorgen: waarom put je jezelf zo uit? Dan antwoordt hij: ik moet het wel doen, ik heb niemand dan mijzelf om op te vertrouwen.
Zo volgt Christus de bezorgdheid van Zijn discipelen terug tot aan de deur waar ze vandaan komt: hun ongeloof, waardoor ze niet bedachten dat onze hemelse Vader voor hen zorgde. Geen enkele bezitting in het heden, hoe groot ook, kan het hart van onrust bevrijden, want alles kan vergaan en verdwijnen. We zullen de last van de zorg nooit van onze eigen schouders werpen, totdat we door het geloof leren haar op de HEERE te werpen, Wiens oog ten goede over ons is.
Wie God niet tot steun van zijn ziel maakt voor uiterlijke dingen, zal nooit afstand doen van vleselijke steunpilaren. Wie God niet tot zijn sterkte maakt, zal vertrouwen op de menigte van zijn rijkdom, wijsheid, vrienden of kracht. Het hart van de mens weet dat hij zichzelf niet kan onderhouden als niets hem steunt. Daarom zoekt hij een of andere stut om op te leunen, echt of vals, degelijk of verrot. “Wee dengenen, die in Egypte om hulp aftrekken, en steunen op paarden, en vertrouwen op wagenen, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig zijn; en zien niet op den Heilige Israels, en zoeken den HEERE niet.” — John Ball.
Vers 18
“Ziet”, enz. Tot nu toe liet de dichter zien hoe God voor alle mensen zorgt. Nu gaat hij over naar een bijzonder bewijs daarvan: Gods zorg voor Zijn kerk. Hij leidt haar op wonderlijke wijze, verdedigt haar en beschermt haar in alle gevaren en aanvallen. Om te zorgen dat we dit zeker opmerken, begint hij met een uitroep: “Ziet!” — Adam Clarke.
Vers 18
“Des HEEREN oog is over.” Kijk eens naar de zon. Op haar gewone baan werpt zij licht en warmte over de hele wereld, en zij schijnt met dezelfde kracht op goede en kwade mensen. Maar vang haar stralen op in een brandglas, en dan steekt zij alleen dát ene voorwerp in brand en laat alles om zich heen ongemoeid. Zo kijkt God in de schepping met een algemene liefde naar al Zijn werken: erant omnia valde bona, zij waren Hem zeer welgevallig.
Maar o, wanneer het Hem behaagt de stralen van Zijn liefde te richten op Zijn uitverkorenen in Christus, dan gaan hun harten in hen branden en komen hun gevoelens in vuur en vlam te staan. Anderen worden maar een beetje verwarmd en krijgen slechts een glimp van Gods algemene genade over zich heen. — Richard Holdsworth, 1651.
Vers 18
“Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.” Wat een bemoedigend kenmerk! Wie zich niet kan meten met de grote voorbeelden van het geloof, mag toch zeker weten dat hij “God vreest en op Zijn goedertierenheid hoopt”.
Sommigen verbazen zich over deze combinatie. Zij denken dat vrees en hoop niet bij elkaar passen. Toch wandelden de eerste christenen “in de vreze des Heeren, en de vertroosting des Heiligen Geestes”. Men kan menen dat de vrees de hoop schaadt, of de hoop de vrees. Maar in werkelijkheid helpen zij elkaar. Zij zijn nooit zo mooi, en nooit zo krachtig, als wanneer zij met elkaar zijn vermengd.
De vrees versterkt de hoop. Zij laat zien dat de hoop echt is, en zij houdt ons weg van een los en nonchalant leven, dat altijd onze vrede en vreugde zou aantasten. En de hoop is op haar beurt een vriend van de vrees. Want nooit zien we God zo schitterend, en nooit is Hij zo waard dat we ons helemaal aan Hem geven, als wanneer we hopen op Zijn goedertierenheid.
Hoe zekerder we zijn van Zijn gunst, hoe meer we zullen vragen: “Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?” Hoe meer zullen we huiveren bij de gedachte dat we Hem kunnen kwetsen en bedroeven. En hoe vaker zullen we op onze knieën blijven bidden: “Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser!” De hoop heet “een levende hoop”. Christenen weten uit ervaring dat zij op al hun overtuigingen en plichten dezelfde uitwerking heeft als de lente op velden en tuinen. — William Jay.
Vers 18
“Die op Zijn goedertierenheid hopen.” Kun je geen zekerheid krijgen? Maak dan zoveel mogelijk gebruik van de gronden waarop je toch hoop op behoud kunt bouwen. Die waarschijnlijke gronden zou je voor de hele wereld niet willen ruilen. Misschien is je hart niet vol blijdschap over Gods liefde. Maar je ogen zijn vol tranen en je ziel is vol verdriet over je zonde. Zou je dan willen ruilen met een huichelaar, met de rijkste man zonder genade?
Ik wil niet dat je je tevreden neerlegt bij een waarschijnlijkheid. Dank God er toch voor dat je die hebt. Is het niets dat iemand die de hel stellig verdiend heeft, een kans heeft om eraan te ontkomen? Zou het voor de verdoemden geen kleine verlichting zijn in hun kwelling, als zij maar een stevige kans hadden om gered te worden? Juist het gemis van elke hoop maakt hun lot zo zwaar.
Als je ziek bent, vraag je de arts: “Dokter, wat denkt u van mij? Blijf ik leven of ga ik dood?” Antwoordt hij dan: “Het is niet zeker, maar er is goede hoop. Waarschijnlijk komt u erdoorheen en knapt u weer op”, dan is dat een houvast voor je in je ziekte. — Thomas Doolittle, M.A. (1630-1707), in “Morning Exercises”.
Vers 18
Ook de zwakste gelovige, de geringste van de heiligen, heeft reden om te hopen. Het evangelie is zo opgezet, het verbond zo geordend, en God heeft zo ruim voorzien, dat iedereen “goede hoop in genade” kan hebben, 2 Thess. 2:16. Wie dit kenmerk draagt, mag hopen, wordt daartoe aangemoedigd, ja, krijgt het zelfs bevolen. Gods vreugde in hun hopen is even groot als hun eigen troost daarin. — Samuel Doolittle, “Righteous Man’s Hope in Death”, 1693.
Verzen 18-19
Bij het beleg van La Rochelle hielden de inwoners bijna vijftien maanden lang met ongekende dapperheid stand. De honger dreef hen tot het uiterste. Ze moesten hun toevlucht nemen tot het vlees van paarden, ezels, muilezels, honden, katten, ratten en muizen. Eén enkele schepel graan zou zijn verkocht voor een bedrag dat in het geld van onze tijd ongeveer vijfentwintig pond sterling bedraagt. Toch waren er veel voorbeelden van grote vrijgevigheid onder de bewoners. Sommigen gaven hun gaven zo in het geheim dat hun namen nooit bekend zijn geworden. Over een van hen wordt het volgende verteld.
“De heer de la Goute, een eretitulair advocaat van de koning, had een zuster. Zij was de weduwe van een koopman die Prosni heette, een zeer godvrezende en weldadige vrouw. Toen de hongersnood erger werd dan ooit, hielp zij de armen royaal met wat zij op dat moment over had. Haar schoonzuster, de vrouw van haar broer De la Goute, dacht er anders over. Zij verweet haar dit gedrag en vroeg boos: ‘Wat ga je doen als alles op is?’ Het antwoord was: ‘Mijn zuster, de Heere zal voor mij zorgen.’
Het beleg ging door en de honger richtte vreselijke verwoestingen aan. De arme weduwe Prosni, die vier kinderen had, kwam in grote nood, want al haar voorraad was op. Zij ging naar haar schoonzuster om hulp te vragen. Maar in plaats van haar te troosten, verweet die haar dat zij niet vooruit had gedacht. Spottend voegde zij eraan toe dat de weduwe, nu zij het met al haar grote geloof en mooie woorden zo goed had klaargespeeld om arm te worden, maar moest afwachten of ‘de Heere voor haar zou zorgen’, zoals zij had gezegd. Dan moest Hij het maar op Zijn tijd doen.
Die woorden kwamen diep binnen. De arme weduwe Prosni ging diepbedroefd naar huis, vastbesloten de dood geduldig tegemoet te zien. Maar toen zij thuiskwam, ontvingen haar kinderen haar met blije harten en stralende gezichten. Ze vertelden dat er een man bij de deur was geweest, een volslagen vreemde. Het was al laat toen hij klopte. Zodra de deur openging, had hij een zak van ongeveer twee schepels tarwe naar binnen gegooid. Toen was hij zonder een woord te zeggen plotseling weggegaan.
De weduwe Prosni kon haar eigen ogen nauwelijks geloven. Met een overstromend, dankbaar hart voor haar goedgunstige weldoener rende zij zo snel als haar uitgehongerde lichaam toeliet naar haar schoonzuster. Zodra zij haar zag, riep zij luid: ‘Mijn zuster, de Heere heeft voor mij gezorgd!’ Meer zei zij niet. Zij keerde terug naar huis. Dankzij deze onverwachte hulp, die zo op tijd kwam, kon zij zichzelf en haar gezin onderhouden tot het einde van het beleg. Zij heeft nooit geweten aan wie zij deze tijdige en barmhartige hulp te danken had.” — “The Biblical Treasury”, deel 4.
Vers 20
“Onze ziel verbeidt den HEERE.” Let op de nadruk die in het woord ziel ligt. Het is een gewone uitdrukking bij de Hebreeën, maar zij drukt toch een diepe betrokkenheid uit. Het is alsof de gelovigen zeggen: wij vertrouwen oprecht op God met ons hele hart, want voor ons is Hij schild en hulp. — Johannes Calvijn.
Vers 20
“Onze ziel.” Er staat niet: onze zielen, maar: onze ziel, alsof zij samen maar één ziel hadden. En wat zegt God door de profeet? “Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven.” Zo riepen ook de twee leerlingen op weg naar Emmaüs, toen het hun plotseling duidelijk werd: “Was ons hart niet brandende in ons?” En zo zegt het begin van het evangelie: “De menigte van degenen, die geloofden, was een hart en een ziel.”
Je hebt vast weleens gezien dat een paar waterdruppels op tafel in één druppel samenvloeien zodra ze elkaar raken. Als christenen elkaar beter kenden, zouden zij zo gemakkelijk één worden. — William Jay.
Vers 20
“Hij is onze Hulp.” Antigonus, koning van Syrië, stond op het punt een zeeslag te leveren bij het eiland Andros. Hij stuurde een eskader vooruit om te bespieden wat zijn vijanden deden en hoe sterk zij waren. Het bericht kwam terug dat zij meer schepen hadden dan hij, en beter bemande. “Wat?” zei Antigonus. “Dat kan niet. Quam multis meipsum opponis? Hoeveel schepen tel je mij dan?” Hij bedoelde dat het gewicht van een veldheer opweegt tegen dat van velen, zeker als hij moed en ervaring bezit.
En waar vind je moed en ervaring, als niet bij God? Hij is de HEERE der heirscharen. Alleen bij Hem is kracht en macht om Israël uit al zijn nood te redden. Hij kan het, Hij wil het, Hij zál het doen. Hij is wijs van hart en machtig in kracht. Behalve Hem is er geen Zaligmaker en geen bevrijder. Hij is een schild voor de rechtvaardigen, kracht voor de zwakken, een toevlucht voor de onderdrukten. Hij is instar omnium, alles in allen. En wie is Hem gelijk in heel de wereld? — John Spencer.
Vers 20
Er is een prachtig verhaal over een jongeman die op zee in een woeste storm terechtkwam. Alle passagiers waren radeloos van angst. Alleen hij was vrolijk. Toen men hem vroeg waarom, antwoordde hij: “Omdat de loods van het schip mijn vader is, en ik weet dat mijn vader voor mij zal zorgen.”
De grote en wijze God, Die onze Vader is, heeft van alle eeuwigheid vastgesteld hoe alle oorlogen zullen aflopen en wat de uitkomst van alle moeilijkheden zal zijn. Hij is onze loods en Hij zit aan het roer. Ook als het schip van kerk of staat bijna zinkt, wees dan getroost: onze Loods zorgt voor ons. In het lagerhuis op aarde gebeurt niets wat niet eerst in het hogerhuis in de hemel is besloten. Alle kleinere raderen worden bestuurd en geleid door het grootste.
Worden niet vijf mussen verkocht voor een duit, zegt Christus? Eén mus is dus nog geen halve duit waard. En niemand zal voor een halve duit meer kwaad meemaken dan God van alle eeuwigheid heeft bepaald. — Edmund Calamy.
Vers 22
“Gelijk als wij op U hopen.” Dat is niet naar enige verdienste van henzelf, maar naar de mate van genade: de genade van de hoop die God hun had geschonken. Hij had hen aangemoedigd die hoop op Hem te richten, in de verwachting genade en barmhartigheid bij Hem te vinden. — John Gill.
Wenken voor de dorpsprediker
Gehele psalm
Deze psalm is een dankpsalm. De inhoud is als volgt:
- Een oproep om God te loven, Ps. 33:1-3.
- De redenen die dit een plicht maken, Ps. 33:4-19.
- Het vertrouwen van Gods volk op Zijn naam, hun geluk en hun bede, Ps. 33:20-22.
— Adam Clarke.
Vers 1
Zich verblijden: dat is de ziel van de lofprijzing. De HEERE: een bron van blijdschap. Het karakter van de lovende: onmisbaar voor echte vreugde.
Vers 1 (laatste zinsdeel)
Lof past bij ons. Welke lof? Lof die je hoort, die voortkomt uit overdenking, en die bij ons dagelijks leven hoort. Waarom? Zij past zoals vleugels bij een engel: we stijgen ermee op. Zoals bloemen bij een boom: zij zijn onze vrucht. Zoals een mantel bij een priester: zij is ons ambt. Zoals lang haar bij een vrouw: zij is onze schoonheid. Zoals een kroon bij een koning: zij is onze hoogste eer. Wanneer? Altijd, maar vooral te midden van godslastering, vervolging, ziekte, armoede en dood. Van wie? Niet van goddelozen, huichelaars of onnadenkende mensen. Zonder lofprijs zijn we ons mooiste sieraad kwijt.
Vers 2
Muziek met instrumenten. Mag dat? Is het nuttig? Zo ja, hoe gebruik je het, waar liggen de grenzen en welke regels gelden? Een preek om de zang in de gemeente te verbeteren.
Vers 3 (eerste zinsdeel)
Onze plicht om onze samenkomsten fris te houden. In onze gemeentezang horen frisheid, vakmanschap en hartelijkheid samen te gaan.
Vers 4
Gods woord en Gods werken: hoe zij recht zijn, hoe zij bij elkaar passen, en hoe wij beide beter leren zien.
Vers 4 (eerste zinsdeel)
Het Woord: leerstellig, bevelend, geschiedkundig, profetisch, vol beloften en vol ervaring. Altijd recht, dat wil zeggen vrij van dwaling en van kwaad.
Vers 4 (tweede zinsdeel)
Gods werk in de schepping, in Zijn bestuur en in Zijn genade, altijd in overeenstemming met de waarheid. Zijn afkeer van alles wat maar schijn is.
Verzen 4-5
Een viervoudige reden om te loven: de waarheid, de trouw, de gerechtigheid en de goedheid van God.
- Want des HEEREN woord is recht.
- Al Zijn werk geschiedt in trouw.
- Hij heeft gerechtigheid en gericht lief.
- De aarde is vol van Zijn goedertierenheid.
— Adam Clarke.
Vers 5
Gerechtigheid en goedheid: beide even duidelijk te zien in alles wat God doet.
Vers 5 (laatste zinsdeel)
Een thema zonder weerga voor wie scherp kijkt en goed kan spreken.
Vers 6
De kracht van het Woord en van de Geest, in de oude en in de nieuwe schepping.
Vers 7
Gods heerschappij over krachten die vernietigen en over krachten die herstellen.
Vers 7
De voorraadkamers van de Grote Landman.
Vers 8
Redenen voor aanbidding door alle mensen, wat haar in de weg staat, wat we ervan mogen verwachten en wat onze eigen plicht is.
Vers 8 (laatste zinsdeel)
Ontzag: de ziel van de aanbidding.
Vers 9
Het onweerstaanbare woord van Jehova: in de schepping, in de roeping van Zijn volk, in hun troost en redding, en in hun intocht in de heerlijkheid.
Vers 10
Ontwikkelde, filosofisch aangelegde heidenen die de zending kan bereiken.
Verzen 10-11
De raadsbesluiten die tegenover elkaar staan.
Vers 11
De eeuwigheid, onveranderlijkheid, werkzaamheid en wijsheid van Gods besluiten. Gods plannen zijn “de gedachten Zijns harten”. Daarom zijn zij wijs, en nog meer: vol liefde.
Vers 12
Twee keuzes, gemaakt door een gelukkig volk en een genadige God, en wat die gelukkig opleveren. Het geluk van de kerk van God. Gods vreugde in Zijn volk, en hun vreugde in Hem.
Vers 13
Gods alwetendheid en wat wij daarvan leren.
Verzen 13-15
De leer van Gods voorzienigheid.
Vers 15
Hoe God het hart van mensen kent en hun daden beoordeelt. Hoe gelijk de mensen aan elkaar zijn.
Verzen 16-18
Hoe dwaas het is om op mensen te vertrouwen, en hoe veilig wie op God vertrouwt.
Vers 18
Hopen op Gods goedertierenheid: de valse en de ware vorm van die hoop uit elkaar houden.
Vers 18
- De ogen van Gods kennis rusten op hen.
- De ogen van Zijn liefde rusten op hen.
- De ogen van Zijn voorzienigheid rusten op hen.
— William Jay.
Vers 19
Leven in tijden van honger, zowel lichamelijke als geestelijke. Vooral de honger naar innerlijke hoop en naar zelfgemaakte, wettische bevrediging.
Vers 20
Wachten op de HEERE houdt in:
- Overtuiging: de zekerheid dat de HEERE het hoogste goed is.
- Verlangen: dat blijkt uit hongeren en dorsten naar gerechtigheid.
- Hoop.
- Geduld: God is nooit traag met Zijn belofte.
— William Jay.
Vers 20 (eerste zinsdeel)
De houding van de gelovige, elk uur van de dag.
Vers 21
Blijdschap: de vrucht die uit geloof voortkomt.
Vers 22
Een gebed alleen voor gelovigen.
Vers 22
Maat voor maat: genade naar de mate van het geloof.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas