Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 32 — Treasury of David

Titel
Een psalm van David, een Maschil. Dat David deze prachtige, evangelische psalm schreef, blijkt niet alleen uit het opschrift. Ook de apostel Paulus zegt het, in Romeinen 4:6-8: “Gelijk ook David den mens zalig spreekt, welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken”, enzovoort. Waarschijnlijk kwam er na zijn diepe berouw over die zware zonde een zalige vrede over hem. Die vrede bracht hem ertoe zijn hart uit te storten in dit zachte, uitgelezen lied. Als we de gebeurtenissen op volgorde zetten, lijkt deze psalm te volgen op psalm 51.
Maschil is een woord dat we nog niet eerder tegenkwamen. Het wijst erop dat dit een psalm is om van te leren. De ervaring van één gelovige is voor anderen een rijke school. Ze laat zien waar de kudde haar sporen heeft getrokken, en zo troost en leidt ze de zwakken. Misschien was het hier juist belangrijk dat woord voorop te zetten. Twijfelende gelovigen zouden anders kunnen denken dat dit lied alleen over David zelf gaat. Nu mogen ze het als een les van de Geest van God op zichzelf betrekken. In psalm 51 beloofde David om overtreders de wegen van de Heere te leren. Hier doet hij dat, en hij doet het heel overtuigend. Grotius denkt dat deze psalm bedoeld was om gezongen te worden op de jaarlijkse Joodse verzoendag, wanneer het hele volk samen zijn zonden beleed.
Indeling
Bij het lezen vonden wij de volgende indeling het handigst. Eerst de zaligspreking van de vergevenen, Psalm 32:1-2. Dan Davids persoonlijke belijdenis, Psalm 32:3-5, en de toepassing van zijn geval op anderen, Psalm 32:6-7. In Psalm 32:8-9 hoort de vergevene de stem van God. De psalm sluit af met een woord voor elk van de twee grote groepen mensen, Psalm 32:10-11.
Uitleg
Vers 1
“Welgelukzalig.” Net als de bergrede op de berg begint deze psalm met zaligsprekingen. Het is al de tweede psalm die zo begint. Psalm 1 laat zien wat heilige gelukzaligheid oplevert. Psalm 32 vertelt tot in de details hoe ze ontstaat. Psalm 1 toont de boom die volgroeid is, deze psalm laat zien hoe hij geplant en begoten wordt. Wie in psalm 1 Gods boek leest, staat hier smekend voor Gods troon, aangenomen en verhoord.
“Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven is.” Hij is nú gelukzalig, en hij blijft het altijd. Hij kan nog zo arm zijn, of ziek, of bedroefd: hij is écht gelukzalig. Niets op aarde is zo kostbaar als vergevende barmhartigheid, want het is de enige en zekere weg naar geluk. Wat een onuitsprekelijke vreugde is het om uit de mond van Gods eigen Geest de woorden “absolvo te” te horen: ik spreek u vrij! Deze gelukzaligheid wordt hier niet toegezegd aan een man die ijverig de wet hield, want dan zou ze ons nooit bereiken. Ze is voor wie de wet overtrad en uit rijke, vrije genade vergeven is. Zelfgerechtige farizeeën hebben er geen deel aan.
Over de verloren zoon die thuiskomt, klinkt hier het woord van welkom. De muziek en de dans beginnen. Een volle, onmiddellijke vergeving van overtreding, die nooit meer wordt teruggenomen, verandert de hel van de arme zondaar in een hemel. De erfgenaam van de toorn mag nu delen in de zegen.
Het woord dat met “vergeven” is vertaald, betekent in de grondtekst: opgenomen of weggenomen, zoals je een last optilt of een hindernis uit de weg ruimt. Wat een opluchting is dat, wat een last die van je schouders valt! Onze Zaligmaker moest een zweet van bloed doorstaan om onze last te dragen. Ja, het kostte Hem Zijn leven om die last helemaal weg te dragen. Simson droeg de poorten van Gaza weg, maar wat stelde dat voor naast het gewicht dat Jezus voor ons droeg?
“Wiens zonde bedekt is.” Door God bedekt, zoals de ark werd bedekt door het verzoendeksel, zoals Noach werd beschut tegen de zondvloed, zoals de Egyptenaren werden bedekt door de diepten van de zee. Wat voor een bedekking moet dat zijn: ze verbergt voorgoed alle vuiligheid van vlees en geest voor het oog van de alziende God! Wie de zonde ooit in haar afschuwelijke lelijkheid heeft gezien, weet hoe gelukkig het is haar nooit meer te zien. Christus’ verzoening is het zoenoffer, de bedekking, het einde van de zonde. Waar ze wordt gezien en vertrouwd, weet de ziel zich aangenomen in de Geliefde. Zo geniet ze een bewuste gelukzaligheid, een voorproef van de hemel.
Uit de tekst blijkt dat een mens kan weten dat hem vergeven is. Wat zou de gelukzaligheid zijn van een vergeving die je niet kent? Het is dus duidelijk iets wat je kunt weten, want het is de grond van onze troost.
Vers 2
“Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent.” Het woord “gelukzalig” staat in het meervoud: o, die gelukzaligheden! Dubbele vreugde, bundels vol geluk, bergen van verrukking! Let op de drie woorden die zo vaak onze ongehoorzaamheid beschrijven: overtreding, zonde en ongerechtigheid. Samen zijn ze de driekoppige hond bij de poorten van de hel. Maar onze heerlijke Heere heeft zijn geblaf voorgoed de mond gesnoerd, althans tegenover Zijn eigen gelovigen. De drieheid van de zonde is overwonnen door de Drie-eenheid van de hemel.
Niet-toerekenen hoort tot het wezen van vergeving. De gelovige zondigt, maar zijn zonde wordt niet meegeteld. Ze wordt hem niet toegerekend. Sommige godgeleerden schuimbekken van woede tegen de toegerekende gerechtigheid. Laat ons het geluk gegeven zijn dat onze zonde ons niet wordt toegerekend, en laat ons, in de woorden van Paulus, ontvangen: “de rechtvaardigheid … zonder werken”. Werkelijk gelukzalig is wie een plaatsvervanger heeft die voor hem staat, en op wiens rekening al zijn schulden mogen worden gezet.
“En in wiens geest geen bedrog is.” Wie vergeven is, heeft altijd geleerd eerlijk te zijn: tegenover zichzelf, tegenover zijn zonde en tegenover zijn God. Vergeving is geen schijn. De vrede die ze geeft, komt niet voort uit goochelen met je geweten. Zelfbedrog en huichelarij maken niet gelukkig. Ze kunnen de ziel met prettige dromen verdoven op weg naar de hel, maar naar de hemel van ware vrede kunnen ze hun slachtoffer nooit brengen. Vrij van schuld, vrij van bedrog! Wie van schuld is vrijgesproken, wordt ook van de leugen losgemaakt en heilig gemaakt.
Een leugenaar is geen vergeven ziel. Verraad, dubbelhartigheid, haarkloverij en veinzerij zijn kenmerken van de kinderen van de duivel. Wie van zonde is schoongewassen, is oprecht, eerlijk, eenvoudig en kinderlijk. Voor gladjanussen met hun plannetjes, trucs, draaierijen en smoesjes bestaat er geen gelukzaligheid. Ze zijn te bang dat het uitkomt om zich op hun gemak te voelen. Hun huis staat op de rand van een vulkaan, en eeuwige ondergang wacht hen.
Let op de drie woorden die de zonde beschrijven en de drie woorden die de vergeving uitdrukken. Weeg ze goed en let op wat ze betekenen. (Zie de aantekening aan het einde.)
Verzen 3-5
David vertelt ons nu wat hij zelf heeft meegemaakt. Niemand onderwijst zo doeltreffend als iemand die getuigt van wat hij persoonlijk heeft gekend en gevoeld. Wie schrijft zoals de spin, die haar draad uit haar eigen lijf spint, schrijft goed.
Vers 3
“Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd.” Toen ik uit nalatigheid mijn zonde niet beleed, of het uit wanhoop niet durfde, werden mijn beenderen oud. Dat zijn de stevige pijlers van mijn lichaam, het sterkste deel van mijn gestel. Ze begonnen te verzwakken en af te takelen, want mijn verdriet was zo hevig dat het mijn gezondheid ondermijnde en mijn levenskracht vernietigde. Wat een dodelijke zaak is de zonde, wat een vernietigende kracht! Het is een pestachtige ziekte, een vuur in de beenderen! Als we onze zonde smoren, woedt ze van binnen door. Als een zweer die zich vormt, zwelt ze vreselijk op en doet vreselijk pijn.
“In mijn brullen den gansen dag.” Wat zijn belijdenis betreft zweeg hij, maar zijn verdriet zweeg niet. Afgrijzen over zijn grote schuld dreef David tot eindeloos klagen. Zijn stem leek ten slotte niet meer op de verstaanbare taal van een mens. Ze zat zo vol zuchten en kreunen dat ze klonk als het hese brullen van een gewond dier.
Alleen wie het heeft doorgemaakt, kent de pijn van een schuldbesef dat je overtuigt van je zonde. De pijnbank, het rad en de vlammende brandstapel zijn een verlichting vergeleken bij de Tofet die een schuldig geweten in je borst aansteekt. Je kunt beter alle ziekten verdragen waar een mens aan kan lijden, dan liggen onder het verpletterende besef van de toorn van de almachtige God. De Spaanse inquisitie met al haar martelwerktuigen stelde niets voor naast het verhoor dat het geweten in het hart houdt.
Vers 4
“Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij.” Gods vinger kan ons al verpletteren. Wat moet dan Zijn hand doen, en dan nog zwaar en onophoudelijk drukkend! Wie onder de schrik van zijn geweten zit, heeft ’s nachts weinig rust. De akelige gedachten van overdag volgen hem naar zijn slaapkamer en spoken door zijn dromen, of hij ligt wakker in een koud zweet van angst. Gods hand is een grote hulp als ze optilt, maar ze is angstaanjagend als ze neerdrukt. Liever een wereld op je schouder, zoals Atlas, dan Gods hand op je hart, zoals David.
“Mijn sap werd veranderd in zomerdroogten.” Het levenssap van zijn ziel was opgedroogd, en uit medeleven leek ook zijn lichaam beroofd van het vocht dat het nodig had. De olie was bijna op in de lamp van zijn leven, en de vlam flikkerde alsof ze elk ogenblik kon doven. Onbeleden zonde werkte als een scherp gif. Ze liet de bron van zijn kracht opdrogen en maakte hem tot een boom die door de bliksem is getroffen, of een plant die verdord is in de brandende zon van de tropen. Wee de arme ziel die haar zonde heeft leren kennen maar haar Zaligmaker vergeet! Zo’n ziel kent geen rust. Het gaat haar werkelijk zwaar.
“Sela.” Het was tijd om van melodie te veranderen. De tonen liggen heel laag op de toonladder, en door zo’n harde behandeling zijn de snaren van de harp ontstemd. Het volgende vers zal vast in een andere toonsoort staan, of een blijder onderwerp bezingen.
Vers 5
“Mijn zonde maakte ik U bekend.” Na lang aarzelen bedacht het gebroken hart wat het meteen had moeten doen: het legde zijn borst bloot voor de Heere. Je moet het mes in de zweer zetten die zich vormt, voordat er verlichting kan komen. Het minste wat we kunnen doen als we vergeven willen worden, is onze fout toegeven. Wie daarvoor te trots is, verdient dubbele straf.
“En mijn ongerechtigheid bedekte ik niet.” We moeten de schuld belijden, en niet alleen het feit dat we gezondigd hebben. Het is zinloos haar te verbergen, want God kent haar door en door. Haar erkennen is juist goed voor ons, want een volledige belijdenis maakt het hart zacht en nederig. We moeten de geheimen van onze ziel zo ver mogelijk onthullen, de verborgen schat van Achan opgraven en onze zonden naar gewicht en maat aan het licht brengen.
“Ik zeide.” Dit was zijn vaste besluit, en hij ging het doen. “Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE.” Niet aan mijn medemensen of aan de hogepriester, maar aan Jehova. Zelfs in die dagen vol zinnebeelden keken de gelovigen alleen naar God voor verlossing van de ondraaglijke last van de zonde. Hoeveel te meer nu, nu de beelden en schaduwen zijn verdwenen bij het opkomen van de dageraad! Wanneer de ziel besluit zich neer te werpen en schuld te bekennen, is de vrijspraak dichtbij. Daarom lezen we: “En Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde.”
Niet alleen de zonde zelf werd vergeven, maar ook de ongerechtigheid ervan. Het gif van haar schuld werd weggenomen, en wel meteen, zodra de erkenning was uitgesproken. Gods vergevingen zijn diep en grondig. Het mes van de barmhartigheid snijdt het kwade onkruid van de zonde bij de wortel af. “Sela.” Opnieuw is een pauze nodig, want hier haast je je niet overheen.
Sta stil, mijn ziel, aanbid in diep ontzag,
Verwonder u: Hij heeft u lief, dag aan dag!
Genade nam mij op in het getal
Van ‘t huis des Heilands, dat Hem eeuwig loven zal.
Halleluja! Mijn hart verheft zich nu,
En zingt, o Heer, vol dankbaarheid voor U!
Vers 6
“Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd.” Bedoelt de psalmist dat anderen hoop krijgen door Gods barmhartigheid, dan is zijn getuigenis waar. Opmerkelijke gebedsverhoringen wekken andere godvruchtigen sterk op om te bidden. Als de één een gouden klomp vindt, krijgen anderen zin om te gaan graven. Dat onze ervaring anderen helpt, moet ons verzoenen met wat we hebben doorgemaakt. Zonder twijfel heeft Davids voorbeeld duizenden aangezet om de Heere met hoopvolle moed te zoeken, terwijl ze zonder zo’n bemoediging in wanhoop hadden kunnen sterven.
Misschien bedoelde de psalmist ook dat alle godvruchtige zielen om déze gunst, of om zoiets, zouden zoeken. Ook dat kunnen wij bevestigen: iedereen in wiens hart de godsvrucht regeert, zal God op dezelfde manier naderen als hij. De genadetroon is voor iedereen de weg naar de hemel. Niemand die ooit in de hemel komt, komt daar aan zonder haar.
Er is echter een vaste tijd om te bidden, en daarna baat het niet meer. Tussen de tijd van de zonde en de dag van de straf regeert de barmhartigheid. Dan kun je God nog vinden. Maar als het vonnis eenmaal is uitgesproken, is smeken nutteloos, want de veroordeelde ziel zal de Heere niet meer vinden. O beste lezer, veracht de aangename tijd niet en verspil de dag van het heil niet! De godvruchtigen bidden terwijl de Heere heeft beloofd te antwoorden. De goddelozen stellen hun gebed uit tot de Heer des huizes is opgestaan en de deur heeft gesloten. Dan komen ze te laat met kloppen. Wat een zegen als we geleid worden de Heere te zoeken voordat de grote, verslindende watervloeden uit hun holen springen. Want als ze dan komen, zijn wij veilig.
“Ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken.” De vloeden komen, de golven razen en slingeren zich op als de golven van de Atlantische Oceaan. Draaikolken en waterhozen zijn er aan alle kanten. Maar wie bidt, staat op veilige afstand, volkomen beschermd tegen alle kwaad. David kende waarschijnlijk vooral die grote overstromingen op het land, waarbij bruisende stromen de bedding vullen van rivieren die anders bijna droog staan. Zulk overstromend water richtte vaak grote schade aan. Het kon, zoals bij de Kison, hele legers wegspoelen. Van plotselinge, overweldigende rampen, hier in een beeld voorgesteld, wordt wie echt smeekt zeker veilig bewaard. Wie van de zonde is gered, hoeft verder niets te vrezen.
Vers 7
“Gij zijt mij een Verberging.” Dit vers bestaat uit korte, krachtige zinnen, maar er zit een wereld aan betekenis in. Persoonlijke aanspraken op onze God zijn de vreugde van het geestelijk leven. Je hand op de Heere leggen met het stevige, persoonlijke woordje “mijn” is genot ten volle. Let erop: dezelfde man die in vers 4 gebukt ging onder Gods aanwezigheid, vindt hier een schuilplaats bij Hem. Zie wat eerlijke belijdenis en volle vergeving vermogen! Door het evangelie van de plaatsvervanging is Hij onze toevlucht geworden Die anders onze Rechter was geweest.
“Gij behoedt mij voor benauwdheid.” Benauwdheid doet mij geen echt kwaad als de Heere met mij is. Ze zal mij zelfs veel opleveren, zoals de vijl die de roest wegneemt maar het metaal heel laat. Let op de drie tijden. Het droevige verleden hebben we gezien. De laatste zin was een blije tegenwoordige tijd, deze is een vrolijke toekomst.
“Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding.” Wat een gouden zin! De man is omringd door zang, ingesloten door dansende barmhartigheden die allemaal de overwinningen van de genade verkondigen. Er zit geen gat in de kring, die sluit hem helemaal in. Aan alle kanten hoort hij muziek. Voor hem slaat de hoop op de cimbalen, achter hem roert de dankbaarheid de tamboerijn. Rechts en links, boven en beneden is de lucht vol vreugde. En dat alles voor dezelfde man die een paar weken geleden nog de hele dag brulde! Wat een verandering! Wat een wonder! Wat heeft de genade al gedaan, en wat kan ze nog doen!
“Sela.” Een pauze was nodig. Zo’n verbazingwekkende liefde moet je overdenken. En zulke grote vreugde vraagt om stille aandacht, want woorden schieten tekort om haar uit te drukken.
Vers 8
“Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult.” Nu spreekt de Heere Zelf. Hij geeft de dichter hiermee antwoord op zijn gebed. Onze Zaligmaker is onze Leraar! De Heere vindt het niet te min om Zijn kinderen persoonlijk te leren hoe ze oprecht door het leven gaan. Zijn heilige Woord en de waarschuwende stem van de Heilige Geest wijzen de gelovige elke dag de weg.
We krijgen vergeving niet om daarna lekker onze eigen lusten te volgen. We krijgen haar om in heiligheid op te groeien en klaargemaakt te worden voor de volmaaktheid. Zo’n opvoeding uit de hemel hoort bij de zegeningen van het verbond, waarvan onze aanneming als kind ons de zekerheid geeft: “Al uw kinderen zullen van den HEERE geleerd zijn.” Leren door te doen is het beste onderwijs. Driemaal gelukkig zijn zij die nooit aan de voeten van Gamaliël hebben gezeten en niets weten van Aristoteles en de wijsbegeerte van de scholen, maar die toch geleerd hebben het Lam te volgen, waar Het ook heen gaat.
“Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn.” Een knecht let op de ogen van zijn meester. Een knik of een knipoog is genoeg. Zo moeten ook wij reageren op de kleinste wenk van onze Meester. We hebben geen donderslagen nodig om onze hardnekkige luiheid wakker te schudden. Een fluistering en een liefdevolle aanraking moeten volstaan. De Heere is de grote Opzichter, Wiens oog in Zijn leiding van de wereld alles overziet. Het is goed om schapen van Zijn weide te zijn, en om de leiding van Zijn wijsheid te volgen.
Vers 9
“Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft.” Verstand maakt het verschil tussen een mens en een redeloos dier. Laten we dus niet doen alsof we dat verstand niet hebben, want dan zijn we op ons zwakst. Mensen horen naar raad te luisteren en klaar te staan om te gaan waar de wijsheid hen heen wijst. Helaas, we moeten gewaarschuwd worden tegen domheid van het hart, want we vallen er maar al te gemakkelijk in. We zouden als de engelen moeten zijn, en toch worden we zo snel als de beesten.
“Welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.” Het is bijzonder triest dat we zo vaak hard aangepakt moeten worden voordat we luisteren. We zouden als een veertje in de wind moeten zijn, dat zich licht laat meevoeren door de adem van de Heilige Geest. In plaats daarvan liggen we als zware blokken hout, en we verroeren ons niet, terwijl we de hemel zelf voor ogen hebben. De scherpe gebitten van het lijden laten zien hoe hardmuilig we zijn. De teugels van zwakheid verraden hoe koppig en eigenzinnig we ons gedragen. Als er niet zoveel ezel in ons zat, zouden we niet als muilezels behandeld worden. Wie dwarsligt, moet verwachten dat hij strak aan de teugel wordt gehouden.
O, dat we de Heere toch gewillig mochten gehoorzamen! Dan krijgen we niet, zoals de eigenzinnige knecht, vele slagen. Calvijn vertaalt de laatste woorden zo: “Opdat zij niet tegen U achteruitslaan.” Dat is een waarschijnlijkere en natuurlijkere vertaling. Toegegeven, de passage is duister, maar de algemene gedachte is dat niet.
Vers 10
“De goddeloze heeft veel smarten.” Net als eigenwijze paarden en muilezels krijgen zij veel striemen en builen. Hier en straks in de eeuwigheid is het lot van de goddelozen niet om naar te verlangen. Hun vreugde is maar kort. Hun verdriet groeit en rijpt. Wie zonde zaait, maait zware schoven verdriet, en dat oogsten ze in overvloed. Pijn in het geweten, bittere teleurstelling en angst: dat is het vaste erfdeel van de zondaar in dit leven. Daarna volgen eeuwig spijt en wanhoop. Wie nu opschept over zondig vermaak, moet denken aan het “zal zijn” van de toekomst en zich laten waarschuwen.
“Maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.” Geloof staat hier tegenover goddeloosheid, omdat het de bron van alle deugd is. Geloof in God verjaagt de zorgen van het leven als een toverspreuk. Wie dat geloof heeft, leeft in een dampkring van genade, omringd door de lijfwacht van Gods barmhartigheid. Mogen we van de Heere de gave krijgen om op elk moment te geloven in Gods barmhartigheid, zelfs als we niets van Zijn werk kunnen zien. Want voor wie gelooft, is barmhartigheid even allesomvattend als Gods alwetendheid. Elke gedachte en elke daad van God is ermee doordrenkt, als met een heerlijk parfum. De goddelozen hebben een korf vol wespen om zich heen: veel smarten. Maar wij hebben een zwerm bijen om ons heen, die honing voor ons verzamelen.
Vers 11
“Verblijdt u in den HEERE.” Blij zijn is niet alleen ons voorrecht, maar ook onze plicht. Wat een royale God dienen we! Hij maakt het zelfs tot een onderdeel van onze gehoorzaamheid dat we blij zijn. Wat is ons opstandige mopperen en morren dan zondig! En hoe vanzelfsprekend is het dat iemand die vergeving kreeg, blij is! We lezen over een man die bij de voet van het schavot stierf van louter vreugde, toen hij de genade van zijn koning ontving. En wij zouden de vrije genade van de Koning der koningen ontvangen en toch wegkwijnen in onverontschuldigbaar verdriet?
“In den HEERE.” Dit is de richtlijn die onze blijdschap beschermt tegen lichtzinnigheid. We zijn niet blij in de zonde en zoeken onze troost niet in koren, wijn en olie. In onze God ligt de tuin van vreugde voor onze ziel. Dat er een God is, en zo’n God, en dat Hij de onze is, voor eeuwig, onze Vader en onze verzoende Heere: dat is stof genoeg voor een psalm van vervoerde vreugde die nooit ophoudt.
“En verheugt u, gij rechtvaardigen!” Verdubbel je vreugde, galm na galm. God heeft Zijn zangers gekleed in de witte gewaden van heiligheid. Laat hen hun blije stemmen dus niet inhouden. Laat hen luid zingen en juichen, als mensen die een enorme buit vinden. “En zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!” Ons geluk moet je kunnen zien. Een koude, armzalige liefde dooft vaak het edele vuur van de vreugde. Mensen fluisteren hun lofzangen netjes, terwijl een hartelijke uitbarsting van gezang veel natuurlijker zou zijn.
Vermoedelijk wordt de kerk van nu, uit verlangen naar overdreven fatsoen, te kunstmatig. De kreten van zoekenden en het gejuich van gelovigen zouden worden gesmoord als ze in onze samenkomsten klonken. Dat is misschien beter dan wilde dweepzucht, maar het gevaar is aan beide kanten even groot. Wij zelf worden diep geraakt door een beetje heilige overdaad. Als vrome mensen in hun blijdschap de nauwe grenzen van het betamelijke overschrijden, kijken we hen niet, zoals Michal, de dochter van Saul, met een spottend hart aan.
Let erop hoe de vergevenen worden beschreven: oprecht, rechtvaardig en zonder bedrog. Iemand kan veel fouten hebben en toch gered worden, maar een vals hart is overal het teken van verloren zijn. Een man met slinkse, onbetrouwbare wegen, met een kromme en sluwe aard, is niet gered en wordt dat waarschijnlijk ook nooit. De grond waarin genade wordt gezaaid en die dan een oogst geeft, mag vol onkruid zitten en verwilderd zijn, maar onze Heere zegt dat zij eerlijk en goed is. Wij hebben gezien dat mensen met een dubbele tong en listige wegen van alle mensen de minste kans hebben om gered te worden. Waar genade komt, zet ze de mens weer recht, in het lood. Ze bevrijdt hem van het dubbelgevouwen zijn door slechtheid, het verdraaid zijn door sluwheid en het kromme van oneerlijkheid.
Lezer, wat een heerlijke psalm! Heb je bij het lezen een erfdeel kunnen opeisen in het goede land? Als dat zo is, vertel anderen dan over de weg naar redding.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Opschrift
Het woord Maschil staat boven dertien psalmen. Onze vertalers durfden in de tekst niet meer te doen dan het woord gewoon in Nederlandse letters over te nemen. In de kantlijn hebben ze het wel vertaald, zoals de Geneefse vertaling vóór hen al deed: “om onderwijs te geven”. Het zou te ver gaan om te beweren dat deze uitleg boven elke twijfel verheven is. Sommige goede kenners van het Hebreeuws hebben er bezwaar tegen. Onze waardige vertalers deden dus misschien verstandig het onvertaald te laten. Toch heeft de uitleg uit de kantlijn, die de oudste is, ook het grootste gezag achter zich. Ze past opvallend goed bij de inhoud van psalm 32, het eerste voorbeeld waarin het woord wordt gebruikt, want deze psalm is bij uitstek leerzaam. Hij wil de ziel die overtuigd is van zonde leren hoe ze vrede met God krijgt en omringd wordt door liederen van bevrijding. — William Binnie, D.D., in “The Psalms: Their History, Teachings, and Use”, 1870.
Gehele psalm
Dit is een leerpsalm. David leert zondaars zich te bekeren met zijn woorden, nadat hij hen door zijn voorbeeld had leren zondigen. Dit is kennis voor iedereen, en we moeten haar allemaal leren: vorsten, priesters, volk, mannen, vrouwen, kinderen, ambachtslieden. Ik zeg: allen moeten naar deze school, want zonder deze les is alle andere les nutteloos.
Maar ter zake. Het is een kenmerk van een echte boeteling dat hij, als hij voor anderen een struikelblok is geweest, net zo ijverig is om hen door zijn bekering op te richten als hij hun schade deed door zijn zonde. Ik reken niemand echt berouwvol die zich schaamt om zondaars bekering te leren uit zijn eigen ervaring. De Samaritaanse vrouw liet na haar bekering haar emmer bij de put staan, ging de stad in en zei: “Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb.” En onze Zaligmaker zegt tegen Petrus: “Als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.” Johannes 4:29; Lukas 22:32. Ook Paulus schaamt zich na zijn bekering niet om zichzelf de voornaamste van alle zondaars te noemen. Hij leert anderen zich van hun zonden te bekeren door zich te bekeren van de zijne. Gelukkig, driewerf gelukkig is de man die net zoveel kan opbouwen als hij heeft afgebroken. — Archibald Symson.
Gehele psalm
Over Luther wordt verteld dat hem op een dag werd gevraagd welke psalmen de beste waren. Hij antwoordde: “Psalmi Paulini”. Toen zijn vrienden wilden weten welke dat dan waren, zei hij: “De 32e, de 51e, de 130e en de 143e. Want ze leren allemaal dat de vergeving van onze zonden zonder de wet en zonder werken komt tot de mens die gelooft. Daarom noem ik ze de Paulinische psalmen. En David zingt: ‘Bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt’. Dat is precies wat Paulus zegt: ‘God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn.’ Romeinen 11:32. Zo kan dus niemand roemen op zijn eigen gerechtigheid. Die woorden, ‘Opdat Gij gevreesd wordt’, vegen alle verdienste weg. Ze leren ons ons hoofd te ontbloten voor God en te belijden: gratia est, non meritum: remissio, non satisfactio. Het is louter vergeving, helemaal geen verdienste.” — Luthers Tafelgesprekken.
Gehele psalm
Sommigen beweren dat deze psalm vroeger op de verzoendag werd gezongen. — Robert Leighton.
De boetepsalmen. Galilei werd door de Inquisitie in Rome gevangengezet, omdat hij het stelsel van Copernicus verdedigde. Als boete moest hij drie jaar lang elke week de Zeven Boetepsalmen opzeggen. Dit was bedoeld om hem een soort schuldbekentenis af te dwingen, en hem te laten erkennen dat zijn vonnis rechtvaardig was. Daar zat zeker slimheid in, en eigenlijk ook humor, al maakte het de onrechtvaardigheid (of dwaasheid) van de hele handelwijze alleen maar groter. Anders is het moeilijk te begrijpen welk idee van pijn of straf de goede vaders konden verbinden aan een godsdienstige oefening als deze. Die kon voor hun gevangene immers alleen maar prettig en troostend zijn. — M. Montague, in “The Seven Penitential Psalms in Verse … with an Appendix and Notes”, 1844.
Vers 1
“Welgelukzalig.” Dit kan ook betekenen: O gelukkige mens; of: O, wat een geluk heeft die man! Zo wordt het hoogste en meest volkomen geluk aangeduid. Net zoals de olifant, om zijn enorme omvang aan te geven, in het meervoud wordt genoemd: Behemoth. — Robert Leighton.
Vers 1
Let op: dit is, na de allereerste psalm, de eerste psalm die met gelukzaligheid begint. In de eerste psalm zien we de zegen van de onschuld, of liever van Hem Die als Enige onschuldig was. Hier zien we de zegen van de bekering, de gelukkigste staat na die van zondeloosheid. — Lorinus, in Neale’s Commentary.
Vers 1
Welgelukzalig is de mens, zegt David, wiens zonden vergeven zijn. Hij maakt de vergeving van zonden dus tot het ware geluk. Er bestaat geen echt geluk behalve dat wat we genieten, en geluk kunnen we pas genieten als we het voelen. Het voelen kan pas als iemand weet dat hij het bezit. En hij kan het niet weten als hij twijfelt of hij het heeft of niet. Daarom is twijfel aan de vergeving van zonden in strijd met ware gelukzaligheid, en niets anders dan een pijniging van het geweten. Want iemand kan niet twijfelen of zijn zonden vergeven zijn, of hij schrikt meteen, tenzij zijn geweten met een gloeiend ijzer is dichtgeschroeid. Alleen al de gedachte aan zijn zonde zal hem grote angst aanjagen. De vrees voor de eeuwige dood en de schrik voor Gods oordeel komen hem dan voor de geest, en alleen al het overdenken daarvan is vreselijk. — William Perkins.
Vers 1
“Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.” Zorg dat je zonden verborgen worden. Er is een manier om zonde te bedekken die een vloek blijkt. Spreuken 28:13: “Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn.” Je kunt haar bedekken door haar niet te belijden, of, nog erger, door haar te ontkennen. Dat was de bedekking van Gehazi: zonde bedekken met een leugen. Je kunt haar ook bedekken door jezelf ervan vrij te pleiten. Ik heb dit niet gedaan; of: ik deed er geen kwaad mee. Al deze bedekkingen zijn slecht. Wie zijn zonde zo bedekt, zal niet voorspoedig zijn. Maar er is ook een gezegende bedekking van zonde. Vergeving van zonde is dat ze uit het zicht wordt weggeborgen, en dat is de gelukzaligheid. — Richard Alleine.
Vers 1
“Wiens overtreding vergeven is.” We kunnen de ziel in slaap wiegen met vleselijk genot, maar de werking van die opium is snel voorbij. Al die vreugde is niet meer dan gestolen water en in het geheim gegeten brood. Het is een armzalige, trieste vrede die het daglicht en de beproeving niet durft te trotseren. Een paar ernstige, nuchtere gedachten aan God en de wereld die komt, verstoren haar al. Maar als de zonde eenmaal vergeven is, heb je werkelijk echte vreugde. “Wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven.” Mattheüs 9:2. — Thomas Manton.
Vers 1
“Vergeven.” De heilige David laat ons aan het begin van deze psalm zien waarin ware gelukzaligheid bestaat. Niet in schoonheid, eer en rijkdom (de drie-eenheid van de wereld), maar in de vergeving van zonde. Het Hebreeuwse woord voor vergeven betekent: uit het gezicht wegdragen. Dat past goed bij Jeremia 50:20: “In die dagen en te dier tijd, spreekt de HEERE, zal Israels ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zullen niet gevonden worden.” Dit is een zegen die we nooit helemaal kunnen bevatten, en een zegen die de basis legt voor alle andere barmhartigheid. Ik werp er maar een korte blik op en stel er vijf stellingen over op.
- Vergeving is een daad van Gods vrije genade. Het Griekse woord voor vergeven verraadt waar vergeving vandaan komt. Ze komt niet voort uit iets wat in ons zit, maar is puur het gevolg van vrije genade. Jesaja 43:25: “Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil.” Wanneer een schuldeiser een schuldenaar vergeeft, doet hij dat om niet. Paulus roept uit: “Mij is barmhartigheid geschied.” 1 Timotheüs 1:13. Het Griekse woord betekent: “ik ben overdekt met barmhartigheid”. Wie vergeven is, is helemaal met barmhartigheid bestrooid. Wanneer de Heere een zondaar vergeeft, betaalt Hij geen schuld, maar schenkt Hij een erfenis.
- God neemt bij het vergeven van zonde zowel de schuld als de straf weg. De schuld roept om gerechtigheid. Nauwelijks had Adam van de appel gegeten, of hij zag het vlammende zwaard en hoorde de vloek. Maar in de vergeving is God mild voor de zondaar. Het is alsof Hij tegen hem zegt: Je bent weliswaar in de handen van Mijn gerechtigheid gevallen en hebt de dood verdiend, maar Ik zal je toch vrijspreken, en wat je ten laste is gelegd, wordt kwijtgescholden.
- Vergeving van zonde komt door het bloed van Christus. Vrije genade is de drijfveer, en het bloed van Christus is wat die vergeving verdient. “Zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving.” Hebreeën 9:22. Gods gerechtigheid eiste vergelding, óf op de zondaar óf op de borg. Elke vergeving is gekocht met bloed.
- Voordat zonde wordt vergeven, moet je er berouw over hebben. Bekering en vergeving horen daarom bij elkaar. “In Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden.” Lukas 24:47. Dat wil niet zeggen dat bekering vergeving verdient, zoals de Rooms-katholieken denken. Het bloed van Christus moet eerst onze tranen reinigen. Maar bekering is wel een voorwaarde, al is ze nooit de oorzaak. Wie zich over zijn zonde heeft vernederd, waardeert Gods vergevende barmhartigheid des te meer.
- Heeft God een zonde eenmaal vergeven, dan brengt Hij haar nooit meer ter sprake. Jeremia 31:34. De Heere sluit als het ware een akte van kwijtschelding. Hij werpt ons onze vroegere onvriendelijkheid niet voor de voeten en komt ons niet achterna met een schuldbewijs dat allang is vernietigd. “Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen.” Micha 7:19. Zonde wordt niet weggegooid als een kurk die weer komt bovendrijven, maar als lood dat naar de bodem zinkt. Laten we ons allemaal inspannen voor deze zegen van het verbond! — Thomas Watson.
Vers 1
“De zonde is bedekt.” Wie gelukkig wil zijn, heeft iets nodig om zijn zonden voor Gods ogen te verbergen en te bedekken. En niets ter wereld kan dat, behalve Christus en Zijn gerechtigheid. Zij worden afgebeeld in de ark van het verbond. Het deksel daarvan was van goud en heette het verzoendeksel. Net zoals dat deksel de tafelen in de ark bedekte, bedekt God onze zonden tegenover die tafelen. Zo liet ook de wolk die de Israëlieten in de woestijn bedekte zien dat God ons beschermt tegen het gevaar van onze zonden. — Thomas Taylor, “David’s Learning: or the Way to True Happiness”, 1617.
Vers 1
“Zonde bedekt.” Deze bedekking wijst op een naaktheid en een vuilheid die verborgen moeten worden. Dat is de zonde, want zij bezoedelt ons en maakt ons naakt. Waarom, vraagt Mozes aan Aäron, hebt u het volk naakt gemaakt? Exodus 32:25. De kleren van onze eigen verdiensten zijn te kort en kunnen ons niet bedekken. We moeten daarom de verdiensten van Christus Jezus lenen, en de mantel van Zijn gerechtigheid, zodat die ons tot een kleed wordt, zoals die leren kleding die God voor Adam en Eva maakte na hun val. Kleren zijn bedoeld om onze naaktheid te bedekken, ons te beschermen tegen slecht weer en ons te sieren. Zo dient ook de bemiddeling van onze Zaligmaker om onze naaktheid te bedekken, zodat Gods toorn ons niet treft. Hij is de “witte klederen” waarmee wij gekleed moeten zijn, zodat onze vuile naaktheid niet zichtbaar wordt. Hij beschermt ons tegen de satan, want Hij is “machtig te verlossen”, enzovoort. En Hij is een sieraad dat ons tooit, want Hij is dat “bruiloftskleed”: “Doet aan den Heere Jezus Christus.” Openbaring 3:18; Jesaja 63:1; Mattheüs 22:11; Romeinen 13:14. — Archibald Symson.
Vers 1
Waar vergeving over gaat, wordt met verschillende woorden aangeduid: ongerechtigheid, overtreding en zonde. Zo gaat het ook in het recht. Daar stapelt men veel woorden met bijna dezelfde betekenis op elkaar om een akte of wettelijk stuk breder en krachtiger te maken. Ik wijs hier liever op, omdat God precies dezelfde woorden gebruikt wanneer Hij Zijn Naam uitroept, in Exodus 34:7: “Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft.” Dat is dus de betekenis van deze uitdrukking. Maar waarom legt de heilige man Gods er zoveel nadruk en kracht in? “Welgelukzalig is de mens!” en nog eens: “Welgelukzalig is de mens!” Dat doet hij deels vanwege zijn eigen geval. David wist hoe zoet het is als zonde vergeven wordt. Hij had de bitterheid van de zonde in zijn eigen ziel gevoeld, tot zijn bloed opdroogde. Daarom spreekt hij zijn gevoel van vergeving uit in de levendigste woorden. Deels doet hij het ook voor de mensen voor wie dit onderwijs werd geschreven. Zij mochten het niet zien als iets lichts en onbelangrijks, maar moesten goed beseffen hoe kostbaar zo’n groot voorrecht is. Gelukkig, ja driemaal gelukkig zijn zij die vergeving van hun zonden hebben gekregen en rechtvaardiging door Jezus Christus. — Thomas Manton.
Verzen 1-2
In deze verzen komen vier kwaden voor: 1. Overtreding, (Hebr.) pesha. 2. Zonde, (Hebr.) chataah. 3. Ongerechtigheid, (Hebr.) avon. 4. Bedrog, (Hebr.) remiyah. Het eerste woord betekent een grens overschrijden, doen wat verboden is. Het tweede betekent het doel missen, niet doen wat geboden was. Vaak drukt het woord ook zondigheid uit, dus de zonde in onze aard, die in ons leven tot overtreding leidt. Het derde betekent wat van zijn juiste weg of plaats is afgeraakt, alles wat moreel verwrongen of verdraaid is. Ongerechtigheid is dus wat tegen billijkheid en gerechtigheid ingaat. Het vierde betekent bedrog, misleiding, arglist en dergelijke. Om deze kwaden weg te nemen worden drie handelingen genoemd: vergeven, bedekken en niet toerekenen.
- Overtreding, (Hebr.) pesha, moet vergeven worden, (Hebr.) nesui, dat wil zeggen weggedragen, namelijk door een plaatsvervangend offer. Want zonde dragen of wegdragen houdt altijd dat in.
- Zonde, (Hebr.) chataah, moet bedekt worden, (Hebr.) kesui, dus voor het oog verborgen. Ze is weerzinwekkend en gruwelijk en moet uit het zicht verdwijnen.
- Ongerechtigheid, (Hebr.) avon, wat verdraaid of verwrongen is, mag niet worden toegerekend, (Hebr.) lo yachshobh, dus niet op iemands rekening worden gezet.
- Bedrog, (Hebr.) remiyah, moet uit de ziel worden uitgewist. “In wiens geest geen bedrog is.”
Neem een mens wiens overtreding vergeven is. Zijn zonde is verborgen, want God heeft haar als een molensteen in de diepten van de zee geworpen. Zijn ongerechtigheid en verdraaidheid worden hem niet aangerekend. En zijn bedrog, dat valse en uitermate boze hart, is uitgewist: het is leeggemaakt van zonde en gevuld met gerechtigheid. Zo iemand is noodzakelijk een gelukkig mens. — Adam Clarke.
Verzen 1-2
Overtreding. Weerspannigheid. Sommigen denken hierbij aan zonden van nalatigheid en zonden van daad.
Zonde. Sommigen denken hierbij aan de innerlijke neigingen, begeerten en bewegingen waardoor de ziel afwijkt van Gods wet, en die de directe oorzaak zijn van uiterlijke zonden.
Ongerechtigheid. Dit wijst op de erfzonde, de wortel van alles.
Levatus, vergeven, verlicht, betekent wegnemen, dragen, wegdragen. In de Bijbel worden vooral twee woorden gebruikt voor vergeving: verzoenen, en dragen of wegdragen. Het ene woord noemt de manier waarop het gebeurt, namelijk verzoening. Het andere noemt het gevolg van die verzoening: het wegdragen. Het ene wijst op de oorzaak die de vergeving verdient, het andere op wat daaruit volgt.
Bedekt. Dit zinspeelt op hoe de Egyptenaren in de Rode Zee bedekt werden. Menochius denkt dat het zinspeelt op de manier waarop de Hebreeën schreven. Hij meent dat dit dezelfde was als bij de Romeinen: schrijven met een griffel op was, dat over tafelen was uitgespreid. Wilden ze iets uitwissen, dan streken ze de was glad en trokken die over de oude letters heen, zodat die bedekt werden. Zo komt het overeen met de uitdrukking “zonde uitdelgen”, net zoals het in de andere zinspeling overeenkomt met “zonde in de diepten der zee werpen”.
Toerekenen. Niet op rekening zetten. Zonde is een afval van de wet, en zo wordt ze vergeven. Ze is aanstootgevend voor Gods heiligheid, en zo wordt ze bedekt. Ze is een schuld die de mens in een strafschuld verstrikt, en zo wordt ze niet toegerekend. Alle drie wijzen ze op de zekerheid, de omvang en de volkomenheid van de vergeving. De drie woorden voor zonde die hier staan, zijn dezelfde als die God gebruikt wanneer Hij Zijn Naam bekendmaakt. — Stephen Charnock.
Verzen 1-2, 6-7
Wie is gelukzalig? Niet wie zijn zonde bedekt, verbergt en niet belijdt. Zolang David in die toestand was, was hij ellendig. Er was bedrog in zijn geest, Psalm 32:2, en ellende in zijn hart. Zijn beenderen werden zelfs oud en zijn sap droogde op als in de zomerdroogte, Psalm 32:3-4. Wie is dan gelukzalig? Wie zonder zonde is, wie niet zondigt, wie de borst waarop hij rust niet meer bedroeft met zijn zonde. Dat is gelukzaligheid in de hoogste graad, en het hoogste bestanddeel ervan is het geluk van de hemel. Het betekent zijn zoals God, en volkomen, gewillig, volledig en volmaakt gehoorzamen, met de gehoorzaamheid van het hart, van ons hele wezen. Dat is gelukzalig zijn boven alle gelukzaligheid.
Maar wie is gelukzalig onder hen die leven in een wereld van zonde, door zonde omringd zijn en zelf zondaars zijn? Hij wiens overtreding vergeven is, wiens zonde bedekt is, wie de Heere de ongerechtigheid niet toerekent. En dat voelt vooral hij zo, die zich enigszins kan indenken hoe het daarvóór met Davids ziel gesteld was, Psalm 32:3-4. Ach, in wat een ellendige toestand verkeerde de psalmist vóór deze gelukzaligheid! Wat moet de zonde zijn geestelijke vermogens hebben verduisterd en verdoofd, dat er bedrog kon zitten in de geest van iemand die elders kon uitroepen: “Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij”, een weg van pijn of smart, een weg van zonde die daar zeker toe leidt. Psalm 139:23-24.
Wat een droevige toestand van de ziel was de zijne! Hij brulde de hele dag, en toch zweeg hij tegenover God. Hij had geen hart om zijn hart voor God te openen en was stom voor Hem. Niet omdat hij zich overgaf aan Gods wil, niet omdat hij de straf voor zijn ongerechtigheid aanvaardde, Leviticus 26:43, en niet in ware belijdenis, met een eerlijke en oprechte erkenning van zijn ongerechtigheid aan Hem tegen wie hij die had begaan. “Ik zweeg”: niet alleen dat ik stil was, maar “ik hield stil”, vastberaden, volhardend. Ik hield vol, ondanks alle herinneringen aan eerdere barmhartigheid, ondanks de verwijten van mijn geweten en de angst van mijn hart. Ik hield vol, ondanks dat “Uw hand dag en nacht zwaar op mij was”. Ondanks dat “mijn sap”, alles wat geestelijk was in mij, mijn levensgeest, alles wat sprak van geestelijk leven in mijn ziel, opgedroogd en verdwenen leek. Ja, Heere, ondanks dit alles hield ik vol.
Maar Nathan kwam. U zond hem. Hij was een bode vol bestraffing, vol trouw, maar ook vol liefde. Hij kwam met Uw woord, en het woord van een Koning heeft macht. Ik erkende mijn zonde tegenover hem en bedekte mijn ongerechtigheid niet, maar dat was weinig. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en tot U was mijn belijdenis gericht. “Mijn zonde maakte ik U bekend.” Ik zei plechtig dat ik het zou doen, en ik deed het. Ik beleed mijn overtreding voor de Heere, “en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde.”
“Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven is.” Kijk naar de man die gelukzalig is. Gelukzalig in de toestand van zijn gemoed: een geest zonder bedrog, een verbrijzeld hart, vrucht van de Geest van genade. Gelukzalig in de vergeving van een God Die vergeeft. Die vergeving is volmaakt en volledig, er ontbreekt niets aan. Dat wordt aangeduid doordat de zonde “bedekt” is en de ongerechtigheid door de Heere niet “toegerekend” wordt. En gelukzalig ook in de zegeningen die daarop volgen.
“Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding.” Onder de holte van die hand die eens zo zwaar op mij was, kan ik nu rusten. U bent mijn Verberging. Ik vrees U niet meer. Nee, ik woon in U als in mijn huis en mijn hoge toren, mijn schuilplaats, mijn veiligheid, mijn thuis. Veilig in Uw liefde! Welke benauwdheid mij ook te wachten staat (en door de mond van Nathan, Uw knecht, hebt U verklaard dat er benauwdheid voor mij zou zijn), toch zal ik bewaard blijven. Ja, meer nog: U zult mij zo volkomen verlossen, dat ik geloof dat U mij zult omringen met de armen van Uw barmhartigheid, zodat er gezangen van dankbare lof opklinken voor Uw genadig ingrijpen.
Zie het geluk van iemand aan wie God vergeeft! Geen wonder dat de psalmist daaraan toevoegt: “Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken.” Het is alsof hij zegt: na deze genadige manier waarop U met mij hebt gehandeld, zullen ongetwijfeld allen die U echt liefhebben en vrezen, ieder heilige, U “aanbidden” zodra ze horen hoe U met mij bent omgegaan. Door mijn voorbeeld aangemoedigd zal hij niet zwijgen zoals ik dwaas en zondig deed. Hij zal belijden en voor U smeken, want U bent te “vinden”. U hebt zo wonderlijk laten zien dat U dat bent voor allen die U werkelijk zoeken.
Er is immers een plaats waar U te vinden bent: ik leg mijn hand op het offerdier en kijk door dat offerdier heen naar Hem, het beloofde Zaad. Er is ook een tijd waarin U te vinden bent. Die is verklaard in Uw woord en geopenbaard doordat Uw genade mijn hart in stilte tot U trok. En de onwil zit niet bij U, maar bij Uw zondige schepsel dat niet tot U wil komen. “Hierom zal U ieder heilige aanbidden.” Dan zullen de watervloeden, hoe diep ook, hoe woest de stroom en hoe onstuimig de vaart, hem niet eens naderen, laat staan overweldigen. — James Harrington Evans, M.A., 1785-1849.
Vers 2
“Dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent.” Aben Ezra omschrijft het zo: wiens zonden God niet in gedachten houdt. Hij let er niet op om ze voor het gericht te brengen, maar behandelt ze alsof ze er niet waren. De woorden ou me logizetai betekenen: hij telt ze niet mee, rekent ze niet door, eist er geen strafschuld voor. Voor ons is de vergeving helemaal gratis, want onze Borg heeft het hele werk van het betalen van het losgeld op Zich genomen. Zijn lijden is onze straffeloosheid, Zijn verbintenis onze vrijheid en Zijn tuchtiging onze vrede. Daarom zegt de profeet: “De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.” — Robert Leighton.
Vers 2
“En in wiens geest geen bedrog is.” Als een heilige in nood is, zit zijn geweten soms vol Schriftwoorden waarop het zijn oordeel baseert, maar die het heel slecht uitlegt. O, zegt de arme ziel, deze plaats is tegen mij! “Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.” Hier, zegt hij, staat een beschrijving van een oprechte ziel: iemand in wiens geest geen bedrog is. Maar ik vind veel bedrog in mij, dus ik ben niet die oprechte. Dat is een zeer zwakke, ja valse gevolgtrekking. Een geest zonder bedrog betekent niet een mens die geen enkele bedrieglijkheid en huichelarij meer in zijn hart heeft. Zonder zonde zijn en zonder bedrog zijn is in deze strikte zin hetzelfde, en dat voorrecht is hier op aarde alleen voor de Heere Christus, 1 Petrus 2:22: “Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden.”
Als we dezelfde uitdrukking dus bij heiligen tegenkomen, zoals bij Levi, Maleachi 2:6: “Er werd geen onrecht in zijn lippen gevonden”; en bij Nathanaël, Johannes 1:48: “Zie, waarlijk een Israeliet, in welken geen bedrog is!”, dan moeten we haar in een lagere zin verstaan, die past bij hun onvolmaakte staat hier beneden. We mogen niet wat hier op aarde alleen de kroon van Christus was, en in de hemel het gewaad van de verheerlijkte heilige is, leggen op de zwakke christen die hier nog strijdt, niet alleen met een duivel buiten zich, maar ook met een lichaam van de zonde in zich.
Veeg je ogen maar weer af, arme ziel. Als je zulke plaatsen leest, waarin de Geest van God zo hoog en met zoveel overdrijving spreekt over de genade van Zijn heiligen, dan zul je zien dat Hij niet beweert dat hun genade volmaakt is, vrij van elke vermenging met zonde. Hij wil veeleer arme, neerslachtige zielen troosten en hun twijfelende harten tegenspreken. Door de aanwezigheid van huichelarij zijn zij geneigd hun oprechtheid te negeren, alsof die helemaal niet bestond. Daarom toont Hij Zijn hoge achting voor hun geringe genade, door erover te spreken alsof ze volmaakt was en hun huichelarij er niet was. — William Gurnall.
Vers 2
“In wiens geest geen bedrog is.” Is de vergeving eenmaal echt binnengekomen, dan durft de gelovige eerlijk te zijn tegenover God. Hij hoeft zich niet meer te verschuilen achter bedrog. Dat is de vrijheid van wie vergeven is. Wie zou niet al zijn schulden op tafel leggen, als hij zeker weet dat een ander ze betaalt? Wie zou zijn kwaal niet noemen, als hij weet dat hij genezen wordt? Het ware geloof weet niet alleen dat bedrog tegenover God onmogelijk is, maar ook dat het niet meer nodig is. De gelovige heeft niets te verbergen. Hij ziet zichzelf zoals hij voor God staat: ontkleed, opengelegd en bloot. En wie heeft geleerd zichzelf te zien zoals hij is, heeft ook geleerd God te zien zoals Hij Zich laat kennen.
Er is geen bedrog in de geest van iemand die door het geloof gerechtvaardigd is. Bij die rechtvaardiging is de waarheid immers in zijn binnenste gelegd. Er is ook geen bedrog in de geest van wie zichzelf eerlijk ziet in het licht van Gods waarheid. Die waarheid laat hem meteen zien dat hij in Christus volkomen rechtvaardig is voor God, en dat hij in zichzelf de voornaamste van de zondaars is. Zo iemand weet dat hij niet van zichzelf is. Hij is duur gekocht en moet daarom God eren. Er is geen bedrog in de geest van wie er werkelijk op uit is Christus te verheerlijken en niet zichzelf.
Maar wie nog niet helemaal oprecht is tegenover Christus en zichzelf nog niet helemaal heeft losgelaten, kan wél bedrog in zich dragen. Hij is dan meer bezig met zijn eigen gedachten dan met de eer van Christus. Is de waarheid, de eer en de heerlijkheid van Christus echter zijn hoogste zorg, dan mag hij zichzelf buiten beschouwing laten. Dan kan hij, net als Christus, zich overgeven “aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt”. — J. W. Reeve, M.A., in “Lectures on the Thirty-second Psalm”, 1860.
Vers 2
“Geen bedrog.” Oprechtheid is de eigenschap waaraan de vergevende barmhartigheid vastzit. Het is waar dat Christus al onze zonden en tekorten bedekt. Maar Zijn mantelslip spreidt Hij alleen uit over de oprechte ziel. “Welgelukzalig is hij, … wiens zonde bedekt is. Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent.” Daar twijfelt niemand aan. Maar wie is die mens? De volgende woorden noemen zijn naam: “En in wiens geest geen bedrog is.”
De gerechtigheid van Christus is het kleed dat de naaktheid en de schande van onze ongerechtigheid bedekt. Het geloof is de genade die dat kleed aantrekt. Maar welk geloof? Alleen het ongeveinsde geloof, zoals Paulus het noemt. 2 Timotheüs 1:5. “Ziedaar water,” zei de kamerling, “wat verhindert mij gedoopt te worden?” Handelingen 8:36. Let nu op het antwoord van Filippus in Handelingen 8:37: “Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd.” Hij bedoelde: alleen een huichelachtig hart kan je tegenhouden. Alleen wie een vals hart heeft, vindt de deur van de barmhartigheid dicht. Het ware geloof staat die deur wijd open. — William Gurnall.
Vers 2
Bedrog. Het bedrog van de geest is een innerlijk bederf in de ziel van de mens. Daardoor gaat hij oneerlijk met zichzelf om voor het aangezicht van God, als het om zijn zaligheid gaat. — Thomas Taylor.
Vers 3
“Mijn beenderen werden verouderd.” God speelt niet met de zonden van Zijn uitverkorenen. Uiterlijk gaat Hij zelfs harder met hen om en straft Hij hen strenger dan de verworpenen. Davids nood en pijn waren deels uiterlijk en deels innerlijk. Uiterlijk noem ik wat zijn lichaam trof, innerlijk wat zijn geweten trof. In het lichaam waren er kwellingen en pijnen. Soms tastten ze het vlees aan, en dat was nog het minst erg. Soms tastten ze de beenderen aan, en dat was zwaarder, ja bijna ondraaglijk, zoals de ervaring leert. Zo zwaar kan God hun zonde laten wegen.
Zo betaalt God ons rechtvaardig terug: als we onze kracht aan de zonde verspillen, neemt Hij haar weg en maakt Hij ons zwak. Simson verkwistte zijn kracht aan Delila, maar hoe zwak werd hij daarna! Laten we dus leren dat God ons beenderen en kracht gegeven heeft voor iets anders. We moeten Hem ermee dienen, en ze niet verspillen in dienst van de duivel. — Archibald Symson.
Vers 3
“Mijn beenderen werden verouderd.” Met de beenderen wordt de kracht van het lichaam bedoeld, en ook de innerlijke kracht en levendigheid van de ziel. Het besef van zonde en de schrik voor het oordeel breken het hart van een oprechte boeteling. Zolang hij naar zijn zonde kijkt, die de dood verdient, ziet hij zijn Rechter klaarstaan om het vonnis uit te spreken. Hij ziet de hel openstaan om hem op te nemen, en de boze engelen, Gods beulen, vlakbij om hem erheen te slepen. Dat breekt een mens van binnen. — Samuel Page, in “David’s Broken Heart”, 1646.
Vers 3
“Mijn beenderen werden verouderd door mijn brullen den gansen dag.” David rouwt hier niet alleen om zijn zonde zoals een mens dat doet. Hij brult als een gewond dier. Hij lijkt meer thuis in een woestijn om uit te schreeuwen dan in een binnenkamer om te huilen. Op andere momenten kan hij zijn bed ’s nachts “doornat maken”. Nu “brult” hij de hele dag. Hij kreunt dus niet zachtjes, hij schreeuwt het uit. Op andere momenten is zijn “sap veranderd in zomerdroogten”. Nu zijn het zijn “beenderen”, de pijlers van zijn huis, die beven en verouderen. — Alexander Carmichael, 1677.
Vers 4
“Uw hand.” Dat is dus een tuchtigende hand, waarmee God Zijn eigen kinderen slaat en geselt. Het besef van Gods macht, die straft of tuchtigt, heet hier Gods hand. Zo ook in 1 Samuël 5:11: de hand van God was zeer zwaar in Ekron vanwege de ark. Het is een zware hand, naar het voorbeeld van mensen: wie slaat, legt zijn hand immers zwaarder neer dan normaal. Hieruit leren we drie dingen. Ten eerste: alle ellende is Gods hand. Ten tweede: God legt Zijn hand vaak zwaar op Zijn dierbare kinderen. Ten derde: God laat Zijn zware hand vaak dag en nacht op hen rusten. — Thomas Taylor.
Vers 4
“Mijn sap werd veranderd in zomerdroogten.” Deze woorden kunnen ook nog iets anders betekenen. We mogen aannemen dat de psalmist hier doelt op geestelijke droogte. Dan gaat het om een ziel die uitgedroogd is. — Charles H. Bingham, B.A., in “Lectures on the Thirty-second Psalm”, 1836.
Vers 4
“Mijn sap werd veranderd in zomerdroogten.” De zomer loopt van half augustus tot half november. De hitte is hevig en bijna niet te verdragen… Tot het begin of het midden van september valt er geen bui, want regen is in de zomer even zeldzaam als sneeuw… Het dorre gras op de velden vat soms vlam en veroorzaakt verwoestende branden. De verschroeide aarde springt open en scheurt uiteen in kloven. — John Eadie, D.D., LL.D., in “Biblical Cyclopaedia”, 1868.
Vers 4
“Zomerdroogten.” Dr. Russell beschrijft het weer in Aleppo, dat veel op dat van Judea lijkt. Hij zegt dat het groen van de lente vóór half mei verdwijnt. Vóór het einde van die maand is het hele land zo verschroeid en kaal dat je je nauwelijks kunt voorstellen dat er iets groeit. Er zijn maar heel weinig planten die sterk genoeg zijn om de hevige hitte te doorstaan. — Thomas Harmer, “Observations”, 1775.
Vers 4
“Zomerdroogten.” In de twaalf jaar van 1846 tot 1859 vielen er in Jeruzalem tussen mei en oktober maar twee lichte buien. Eén in juli 1858 en één in juni 1859. Een half jaar lang dus bijna geen druppel, jaar na jaar. — Dr. Whitty, “Water Supply of Jerusalem”, aangehaald in Kitto’s Cyclopaedia.
Vers 4
Als God hen die Hij genegen is al zo hard slaat, hoe scherp en hard zal Hij dan slaan wie Hij niet genegen is. Daar mogen we eens goed over nadenken. — Gregorius.
Verzen 4-5
Als onze overtredingen geen muggen waren, maar kamelen, dan moet ons verdriet geen druppel zijn, maar een oceaan. Scharlakenrode zonden vragen om bloedige tranen. En als Petrus zwaar zondigt, moet hij bitter wenen. Is je vroegere leven dus een koord van ongerechtigheid geweest, gedraaid uit vele draden? Een geschrift vol grote vlekken, een levensweg bevlekt met allerlei zware zonden? Belijd dan vaker en buig dieper. Vast dubbel zo veel en bid driemaal zo veel. Stort je tranen uit en zucht diep. Kortom: erken je schuld telkens opnieuw en met nadruk. Toch zeg ik hier, zoals de apostel in een ander geval: “Opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben.” Want als je oprecht en gepast berouw toont, zal Gods goedheid je je zonden vergeven. — Nathanael Hardy.
Vers 5
“Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet.” Wie God vreest, is openhartig over zijn zonden. De huichelaar versluiert en smoort zijn zonde. Hij wil de zonde niet wegnemen (abscindere), maar verbergen (abscondere). Hij lijkt op een patiënt met een walgelijke ziekte, die liever sterft dan zijn ziekte toe te geven. Maar de oprechtheid van de godvrezende blijkt hieruit: hij belijdt zijn zonde en schaamt zich ervoor. “Zie ik, ik heb gezondigd, en ik, ik heb onrecht gehandeld.” 2 Samuël 24:17.
Ja, een kind van God belijdt zijn zonde heel concreet. Een onoprechte christen belijdt zonde in het groot: hij geeft toe dat hij in het algemeen een zondaar is. David wijst daarentegen als het ware met zijn vinger naar de zere plek: “gedaan, dat kwaad is in Uw ogen”, Psalm 51:6. Hij zegt niet: ik heb kwaad gedaan, maar: dít kwaad. Let op dat verschil. Hij wijst op zijn bloedschuld. — Thomas Watson.
Vers 5
“Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde.” Wees je eigen aanklager door je zonden vrijuit te belijden. Peccavi pater, zoals het verloren kind zei: “Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u.” In de rechtszaal van de hemel gaat het namelijk anders dan bij onze aardse rechtbanken. Bij mensen effent een vrijwillige bekentenis de weg naar een veroordeling. Bij God stemt de zondaar zijn Rechter juist milder, naarmate hij zijn overtreding dieper betreurt. Als overtreding tegen God roept de zonde onvermijdelijk om gerechtigheid. Maar als ze eenmaal een wond voor de ziel is, beweegt ze Hem tot genade en zachtmoedigheid.
Zo kreeg David, die zijn zonden nog maar net had besloten te belijden, meteen een vrijspraak te horen. Daarom geldt: Tu agnosce, et Dominus ignoscet (Augustinus). Wees eerlijk in het belijden, dan is God trouw in het vergeven. 1 Johannes 1:9. Laat de confessio peccati alleen een professio desinendi zijn (Hilarius): je erkenning van je zonde moet een belofte zijn om ermee te stoppen. Dan kun je erop bouwen. “Die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen.” Spreuken 28:13. — Isaac Craven, preek te Paul’s Cross, 1630.
Vers 5
“Ik zal belijdenis … doen.” Mensen die gerechtvaardigd zijn en vergeving van hun zonden hebben, moeten hun zonde toch nog aan God belijden… Over dit punt zijn veel vragen te beantwoorden. De eerste vraag is: waarom moeten gerechtvaardigden, aan wie vergeven is, hun zonde toch in het verborgene aan God belijden? Daar zijn zes redenen voor. Laten we ze een voor een bekijken.
Ten eerste moeten ze hun zonde aan God belijden, omdat een heilige belijdenis de zondaar veel verlichting en een diepe, heilige rust in zijn gemoed geeft. Verzwegen en gekoesterde schuld brengt schrik en angst over het geweten. Ten tweede hoort God het graag wanneer Zijn eigen volk klaagt en belijdt. Op je gezicht liggen is de beste houding en het rouwkleed het beste gewaad, daar heeft God behagen in.
Een derde reden is dat belijdenis van zonde helpt om het hart op te wekken tot sterke en ernstige smeking tot God (zie Psalm 32:6). Belijdenis is voor de ziel wat de slijpsteen is voor het mes: ze maakt het scherp en geeft het een snede. Zo werkt ook de belijdenis van zonde. Als je je kwaad aan God belijdt, slijp je daarmee je smeking en geef je haar een snede. Wie zijn zonde maar oppervlakkig belijdt, bidt maar flauwtjes.
Een vierde reden is dat belijdenis van zonde een heilige verbrijzeling en een Godzalig leedwezen in het hart teweegbrengt. Psalm 38:19. Verklaring werkt doorsteking. Zonde belijden is niets anders dan de zonde op het geweten laten terugkaatsen. Dat veroorzaakt blozen en schaamte op het gezicht en pijn in het hart.
Een vijfde reden is dat verborgen belijdenis van zonde God veel eer geeft. Ze eert Gods gerechtigheid: ik belijd mijn zonde en erken dat God mij terecht mag verdoemen om mijn zonde. Ze eert Gods barmhartigheid: ik belijd mijn zonde, en toch kan barmhartigheid mij redden. Ze eert Gods alwetendheid: door mijn zonde te belijden erken ik dat God mijn zonde kent.
Een zesde reden waarom gerechtvaardigden hun zonde aan God moeten belijden, is dat een heilige belijdenis de zonde bitter maakt en Christus dierbaar voor hen. Dat gebeurt wanneer iemand door zijn belijdenis de zonde op zijn geweten laat terugkaatsen. — Samengevat uit Christopher Love, “Soul’s Cordial”, 1683.
Vers 5
“Ik zeide: Ik zal belijdenis … doen …; en Gij vergaaft.” Het blijft een waarheid, en een grote, dat vergeving onlosmakelijk aan belijdenis verbonden is. Tantum valent tres syllabae PEC-CA-VI, zegt Sint Augustinus. Zo groot is de kracht van die drie lettergrepen in het Latijn, of drie woorden in het Nederlands, wanneer ze met een verbrijzeld hart worden uitgesproken: “Ik heb gezondigd.” Drie woordjes, en toch zo krachtig. — Nathanael Hardy.
Vers 5
“Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde.” Deze zonde was hoogstwaarschijnlijk zijn overspel met Bathséba en de moord op Uria. Om Gods vergevende barmhartigheid nog luisterrijker te laten uitkomen, zegt David nu dat God niet alleen zijn zonde vergaf, maar de ongerechtigheid van zijn zonde. En wat was dat? Let goed op. Stellig het ergste dat van die samengestelde zonde te zeggen valt: er zat zoveel huichelarij in. Hij heeft er jammerlijk mee gegoocheld tegenover God en mensen. Dat, ik twijfel er niet aan, was de ongerechtigheid van zijn zonde. Het kleurde die zonde donkerder dan het bloed dat hij vergoot.
En dat geldt des te meer — daar leg ik de nadruk op — omdat God Zelf, als Hij de gruwelijkheid van deze zonde wil laten zien, dat blijkbaar meer doet om de huichelarij in de daad dan om de daad zelf. Dat blijkt uit het getuigenis over deze heilige man in 1 Koningen 15:5: “Omdat David gedaan had wat recht was in de ogen des HEEREN, en niet geweken was van alles, wat Hij hem geboden had, al de dagen zijns levens, dan alleen in de zaak van Uria, den Hethiet.”
Waren er dan geen andere misstappen die David beging? Betuigt de Geest van God door deze uitzondering Zijn goedkeuring over alles wat David verder ooit deed? Nee, zeker niet. De Geest van God vermeldt ook andere zonden die deze uitstekende dienstknecht van de HEERE overkwamen. Maar die zijn hier allemaal verdronken, en de genoemde zonde is de enige vlek op zijn leven. Maar waarom? Stellig omdat er in deze ene zonde minder oprechtheid was, ja méér huichelarij dan in al zijn andere zonden bij elkaar. Want in die andere fouten was David weliswaar fout in wat hij deed, maar zijn hart was toch rechter in de manier waarop hij het deed.
Hier werd zijn oprechtheid pijnlijk gewond. Niet tot ze helemaal te gronde ging, maar wel zo dat ze lange tijd bewusteloos lag, wat haar werking betreft. En de wond ging werkelijk heel diep, want de genade werd doorstoken waarin het levensbloed van alle andere genaden stroomde. We zien dus dat God reden heeft om dit te doen. Zijn barmhartigheid dreef Hem, ja, Zijn verbond verplichtte Hem om Zijn kind niet aan deze wond te laten sterven. Toch genas Hij haar zó dat er een litteken op de plek bleef, een merkteken op de zonde. Zo kunnen anderen zien hoe afschuwelijk huichelarij voor God is. Dat litteken blijft. — William Gurnall.
Vers 5
“Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde.” We moeten letten op wát er vergeven wordt en op hóé God vergeeft. Eerst het eerste. Wat vergeven wordt, is de ongerechtigheid van zijn zonde. Er wordt gediscussieerd over wat hier met ongerechtigheid bedoeld is: culpa of paena, schuld of straf. Sommigen denken aan paena en menen dat dit woord zinspeelt op de boodschap van Nathan. Daarin hield God de zwaarste slag van Zijn toorn tegen, maar bleef Hij toch een deel van de straf aanhouden: in het sterven van het kind, en doordat Hij toeliet dat Absalom in opstand kwam en de bijvrouwen van koning David onteerde. Zo ziet Theodoretus het: Deus non condigna paena Davidem punivit.
Anderen denken aan culpa. Zij menen dat deze uitdrukking de schuld versterkt, alsof er met deze woorden superbia defendens wordt bedoeld, of taciturnitas celans, of impietas contra Deum assurgens, of een andere dergelijke grote schuld. Ik keur die meningen niet af, want ze kunnen heel goed naast elkaar bestaan. Toch denk ik dat de uitdrukking terugverwijst naar het woord dat in de belijdenis stond. De beleden zonde was (Hebr.), en dit is niets anders dan een ontleding van dat woord. Want (Hebr.), wat is dat, woord voor woord, anders dan de verkeerdheid van mijn afdwaling?
(Hebr.) is een afdwaling van het doel of het teken waarop we mikken. Alle mensen mikken op geluk, maar de meesten dwalen ervan af, omdat ze niet geleid worden door de wet die ernaartoe leidt. Het overtreden van die wet heet (Hebr.). Sommigen dwalen af uit pure onwetendheid, en zij overtreden alleen de wet. Anderen doen het uit koppigheid, omdat ze zich niet aan de Wetgever willen onderwerpen. De zonde van die mensen heet verkeerdheid, en van God wordt hier gezegd dat Hij die vergeeft. David heeft dus niet méér tegen zichzelf beleden dan God in Zijn vergeving insluit.
God mag onze wens gerust te boven gaan. Hij blijft er nooit bij achter, als het gaat om ons geestelijke en eeuwige goed. Zoals Hij geen zondaar uitsluit die belijdt, zo wijst Hij ook geen enkele zonde af die beleden wordt. — Arthur Lake.
Vers 6
“Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd”, enz. Zó is God dus! Wie zou dan nog aarzelen of uitstellen om naar Hem terug te keren? Elk verstandig en vroom mens zal dan toch zonder dralen tot zo’n zachtmoedige, vriendelijke Heer roepen. Hij zal tot Hem bidden zolang Hij nog te vermurwen is, of, zoals het Hebreeuws zegt, “in een tijd van vinden”. Want wie vergeving belooft, belooft die niet voor morgen. Er zijn tempora fandi: vaste tijden waarop Hij te spreken is, een bepaalde dag van vergeving en genade. Wie die dag uit dwaze koppigheid minacht of uit luiheid laat verstrijken, wordt terecht meegesleurd door eeuwige macht en ellende. Hij moet wel omkomen in de zondvloed van Gods toorn, want hij heeft de ark van de redding die klaarstond, bespot en afgewezen. Wie daarin binnengaat, is veilig, terwijl de wereld vergaat. — Robert Leighton.
Vers 6
“Hierom zal U ieder heilige aanbidden”, zegt David. Hierom! Waarom dan? Om zijn zonden. En wie is het die bidt? Niet de grootste goddelozen, maar juist de godvrezenden hebben daar reden toe. En wat moet hij bidden? Zeker om nieuwe vergeving, om meer genade en om de voltooiing van de heerlijkheid. We kunnen niet zeggen dat we geen zonde hebben. Laten we dan met David bidden: “Ga niet in het gericht met Uw knecht.”
Let op de dubbele nadruk. Het gaat niet om ab hoste (vanwege een vijand), maar om a servo (vanwege een knecht). Hoewel hij Gods knecht was, wilde hij toch niet dat God met hem in het gericht zou gaan. En dan nog dit: ne intres, “ga er niet in”. Hij vreest al het binnengaan in het gericht zelf en bidt daartegen. Niet alleen: ga niet verder, maar: ga er zelfs niet in. — Nathanael Hardy.
Vers 6
“Hierom zal U ieder heilige.” Hier krijgen we iets te horen wat in Davids levensverhaal niet staat. Meestal denkt men dat hij na zijn zware val gevoelloos en afgestompt bleef, totdat Nathan hem terechtwees. Daar wordt vaak mee bewezen hoe zonde het hart hard maakt. Maar het lag heel anders. Al die tijd werd hij van binnen gekweld, dag in dag uit. Toch wilde hij zich niet voor God vernederen en zich niet voor mensen schuldig verklaren, zoals hij had moeten doen. Hij zweeg. Hij probeerde zijn angst te boven te komen met tijd, met verzachtende woorden en met uitvluchten. Maar zijn angst onderdrukken en verbergen knaagde niet alleen aan zijn vrede, maar ook aan zijn gezondheid, en bracht zelfs zijn leven in gevaar.
Eindelijk werd hij tot diep berouw gebracht. Hij beleed zijn schuld zonder voorbehoud en wierp zich op Gods ontferming. “Hierom zal U ieder heilige aanbidden.” We zien hier niet alleen dat alle godvrezenden bidden, maar ook dat ieder van hen om vergeving bidt. Dat is juist wat onze Zaligmaker Zijn discipelen leert: “Wanneer gij bidt, zo zegt: … vergeef ons onze zonden.” En dit bidden gaat niet alleen over het bekendmaken van vergevende barmhartigheid, zoals sommigen menen, maar over het daadwerkelijk schenken ervan. — William Jay.
Vers 6
“Heilige.” Een godzalig mens lijkt op God. Hij oordeelt zoals God oordeelt, hij kijkt naar de dingen zoals God ernaar kijkt, en hij heeft een gezindheid die bij God past. Hij is “der goddelijke natuur deelachtig”. 2 Petr. 1:4. Een godzalig mens draagt Gods naam en beeld: godzaligheid is gelijkenis met God. — Thomas Watson.
Vers 6
“Vindenstijd.” Er zijn momenten waarop een daad, als je haar dan doet, zoeter smaakt en de deur opent voor een betere ontvangst. Spr. 25:11: “Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.” In het Hebreeuws staat: een woord, gesproken op zijn wielen. Het juiste moment is dus als een wiel: het brengt woorden met groot voordeel naar hun doel. Met daden is het net zo. Wat op zijn tijd gebeurt, is mooi en aangenaam. Wat is het welkom als God een land op tijd regen geeft! Een boom die op zijn tijd vrucht draagt, is een lust voor het oog.
Zo is het ook een vreugde voor de Heere Christus wanneer engelen of mensen iets op het juiste ogenblik doen. Er zijn gepaste tijden die we beter niet kunnen missen: als we ze voorbij laten gaan, worden onze daden onaantrekkelijk en bereiken ze hun doel niet. “Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd.” Er zijn tijden, als we de wijsheid hebben ze te herkennen, waarin het gebed op zijn plaats is, welkom en krachtig. — William Greenhill.
Vers 6
“Ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken” (Engels: zeker, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet naderen). Wat een wonderlijke dingen heeft het gebed in het verleden al gedaan! Het gebed bracht hagelstenen uit de hemel om vijf koningen met hun legers te verslaan. Het gebed sloot de vensters van de hemel, zodat het niet regende, en opende ze weer, zodat de aarde haar opbrengst gaf. Het gebed hield de snelle loop van de zon tegen en liet haar vijftien graden teruggaan. Het gebed hield Gods handen vast, zodat Hij niet kon slaan toen Hij Zijn volk wilde straffen. Het gebed wierp, zonder enige andere hulp of middelen, de sterke muren van Jericho omver. Het gebed verdeelde de zee, zodat haar golven de Israëlieten niet konden bereiken. En hier redt het de gelovige uit alle gevaren van deze wereld.
“Ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken.” De kern van de zaak is deze: geen ramp van deze wereld, geen moeite in dit leven, geen schrik van de dood en geen schuldgevoel over zonde is zo groot, of een godzalig mens zal er dankzij zijn geloof en zijn behoud in Christus goed doorheen waden. Want hoe het met andere dingen ook gaat, in zijn ziel heeft hij steeds zo’n troost, in zijn geweten zo’n bemoediging en in zijn hart zo’n hemel, omdat hij weet dat hij met God verzoend is en door het geloof rechtvaardig is verklaard, dat “ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken”.
Om dat beter te laten zien, vraag ik u twee dingen op te merken: het gevaar en de redding. Het gevaar staat in de woorden “in een overloop van grote wateren”. Daarin worden de moeiten die een godvrezende in dit leven treffen, eerst vergeleken met wateren, dan met grote wateren en ten derde met een overloop van grote wateren. De redding staat in de woorden “ja, … zullen zij hem niet aanraken”. Ook die redding heeft drie trappen. Ten eerste: “zullen zij … niet aanraken”. Ten tweede: “hem”, “zullen zij hem niet aanraken”. En dan: “ja” (Engels: zeker), “ja, … zullen zij hem niet aanraken”. — Thomas Playfere.
Vers 6
“De overloop van grote wateren.” De moeiten van de gelovigen worden met water vergeleken. Vuur en water kennen geen genade, zeggen we wel. Maar van de twee is water het ergst. Elk vuur kan met water geblust worden, maar wanneer water eenmaal woest wordt, kan geen mensenmacht het tegenhouden. Bovendien zijn onze beproevingen, die wateren zijn, “grote wateren”. Het spreekwoord zegt: “Een ongeluk komt zelden alleen.” Zoals wateren met velen tegelijk komen aanrollen en aanspoelen, zo komen ook de ellenden van dit leven. — Thomas Playfere.
Vers 6
“Overloop van grote wateren.” Wij zijn niet vertrouwd met het plotseling overstromen van uitgedroogde beekbeddingen. Daarom begrijpen we zelden de volle kracht van enkele van de treffendste beelden in het Oude en Nieuwe Testament. — W. J. Conybeare en J. S. Howson, in “Life and Epistles of St. Paul”.
Vers 6
“In de overloop”, enz. Hij kan wel nat worden, doorweekt zelfs, zoals Paulus bij de schipbreuk, maar hij verdrinkt niet in die overloop van grote wateren. Hoe groot ze ook zijn, ze hebben hun grenzen. — Joseph Trapp.
Vers 6
“Hem.” Dit woordje mogen we in geen geval weglaten. Het helpt ons een zwaar bezwaar te beantwoorden. Want iemand kan zeggen: veel heilige mensen hebben hun bezittingen verloren, hebben zware lichamelijke pijn geleden en zijn ook in hun gemoed bedroefd geweest. Hoe kan het dan dat de “overloop van grote wateren” niet bij hen in de buurt is gekomen? Het woord “hem” helpt ons met het antwoord.
Zelfs de wijsgeren vonden dat hun bezittingen hen niet méér toebehoorden dan, met alle respect gezegd, de afknipsels van hun nagels. Toen Zeno hoorde dat hij alles wat hij had op zee kwijt was, zei hij alleen: “Je hebt het uitstekend gedaan, Fortuin, door mij niets te laten dan mijn mantel.” Een ander, Anaxarchus, zei tegen de beul toen de tiran Nicocreon beval hem in een vijzel dood te slaan: “Sla en stamp zo lang als je wilt op Anaxarchus’ zak of tas” (zo noemde hij zijn eigen lichaam), “maar Anaxarchus zelf kun je niet raken.” Toch hielden deze mannen, die zo weinig gaven om hun bezit en hun lichaam, hun geest des te hoger in eer. De geest van een mens is hemzelf, zeggen zij.
Zo zei Julius Caesar tegen de stuurman Amyclas, toen die doodsbang was voor de storm: “Wat is er, lage kerel, waarom ben je bang? Weet je niet dat je Caesar bij je draagt?” Alsof hij wilde zeggen: Caesars lichaam kan best verdrinken, zoals dat van ieder ander, maar zijn geest, zijn grootmoedigheid, zijn moed en zijn standvastigheid kunnen nooit verdrinken. Zover kwam de wijsbegeerte. Maar de godgeleerdheid gaat nog een stap verder. De wijsbegeerte bepaalt wat een mens is aan de hand van zijn verstand en de morele deugden van de geest. De godgeleerdheid bepaalt een christen aan de hand van zijn geloof en zijn verbondenheid met Christus.
Augustinus zegt het uitstekend: “Waaraan sterft de ziel? Eraan dat het geloof er niet in is. Waaraan sterft het lichaam? Eraan dat er geen ziel in is. Het geloof is dus de ziel van je ziel.” Als we willen weten wat een gelovig mens is, moeten we hem dus niet omschrijven aan de hand van zijn natuurlijke ziel, als redelijk wezen, maar aan de hand van de ziel van zijn ziel: zijn geloof. En dan beantwoorden we het bezwaar gemakkelijk. Een vloed kan wel in de buurt komen van de bezittingen van een gelovige, van zijn lichaam en van zijn redelijke ziel. Maar bij zijn geloof, dat wil zeggen bij hem, kan hij nooit komen. — Thomas Playfere.
Vers 6
Weinig verzen in de Psalmen zijn moeilijker te begrijpen dan dit, en over geen enkel vers verschillen de uitleggers zo sterk van mening. “Hierom.” Sommigen menen dat het betekent: aangemoedigd door dit voorbeeld, want na zo’n schandelijke val heeft God zo bereidwillig vergeven. Anderen zeggen: hierom, dat wil zeggen gewaarschuwd door dit voorbeeld, zullen de heiligen bidden dat ze niet mogen vallen zoals David viel. Welke van de twee verklaringen ook de juiste is, uit deze tekst redeneren ze terecht dat een christen in dit leven nooit een toestand van volstrekte en blijvende volmaaktheid kan bereiken. — Lorinus en Cajetanus (1469-1534), aangehaald door Neale.
Vers 7
“Gij zijt mij een Verberging.” David zegt niet alleen: “Gij zijt een verberging”, alsof U er één van velen bent. Hij zegt ook niet: “de verberging”, alsof U de enige bent. Hij zegt: “Gij zijt mij een Verberging” (Engels: Gij zijt mijn verberging). Daarin zit de hele voortreffelijkheid van de tekst, de hele kracht ervan. “Hij is de mijne”, zegt David. “Ik heb het aanbod van Zijn zaligheid aangenomen. Ik heb me persoonlijk tot Hem gewend. Als zondaar heb ik me geborgen in Zijn liefde en ontferming. Ik heb me onder Zijn vleugels gezet. Ik heb me gehuld in het kleed van Zijn gerechtigheid. En nu ben ik veilig.” “Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.” Dat is deel en lot hebben in de zaak, met andere woorden: het verzoeningswerk van de Zaligmaker persoonlijk als eigen winst ontvangen.
Wat een verschil tussen een geloof dat je toepast en een geloof dat alleen in de leer blijft! Mensen vertellen ons dat ze de leer geloven, dat ze de waarheid erkennen en onze belijdenis onderschrijven. En ze zeggen dat het voorhouden van Christus als enige hulp en veiligheid van de zondaar hun alleen vertelt wat ze allang weten. Volg nu de gedachte die het beeld in onze tekst ons aanreikt, en zie hoe dwaas en gevaarlijk zulk gedrag is. Stel dat een reiziger op een kale, open heide wordt overvallen door een naderende storm. Hij zoekt beschutting. Maar als hij een plek ziet om zich tegen de storm te verbergen, blijft hij dan staan en zegt: “Ik zie dat daar een schuilplaats is, dus ik kan blijven waar ik ben”? Natuurlijk niet! Hij gaat erheen. Hij rent om aan de stormwind en het noodweer te ontkomen. Het was al een “verberging”, maar het werd pas zijn verberging toen hij erin liep en veilig was. Was hij er niet in gegaan, dan had die plek, hoeveel duizend andere reizigers ze ook beschermd had, voor hem net zo goed niet kunnen bestaan.
Wie ziet aan dit eenvoudige voorbeeld niet meteen dat de zegeningen van het evangelie alleen zegeningen zijn doordat ze door de ziel worden aangenomen? De arts kan alleen genezen als je naar hem toe gaat. Het geneesmiddel helpt alleen als je het inneemt. Geld maakt je alleen rijk als je het bezit. En de koopman uit de gelijkenis was er niets rijker op geworden als hij had ontdekt dat er een “parel van grote waarde” bestond, maar die niet de zijne had gemaakt. Zo is het ook met de zaligheid van het evangelie. Is Christus de “balsem in Gilead”? Gebruik dan het middel. Is Hij de “heelmeester aldaar”? Ga dan naar Hem toe. Is Hij de “parel van grote waarde”? Verkoop alles wat je hebt en koop haar. En is Hij de “verberging”? Loop erin en wees veilig. Er zal geen vaste blijdschap en vrede in je hart zijn, totdat Hij jouw “verberging” is. — Fountain Elwin, 1842.
Vers 7
“Gij zijt mij een Verberging.” Waarschijnlijk is dit een toespeling op de vrijstad. — Adam Clarke.
Vers 7
“Verberging.” Kirke White heeft op dit woord een prachtige hymne geschreven, die begint met: “Awake, sweet harp of Judah, wake.” We hebben geen ruimte om haar hier af te drukken, maar ze staat in “Our Own Hymn Book”, nr. 381.
Vers 7
“Gij behoedt mij voor benauwdheid.” Als we tevreden zijn met het woord dat onze vertalers hier kozen, benauwdheid, dan moeten we rusten in een van twee betekenissen. Of God zal de Zijnen zo met standvastigheid wapenen en bekleden dat wat anderen benauwt, hén niet benauwt. Dan geldt: “gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig”. “Als onbekenden, en nochtans bekend; als stervenden, en ziet, wij leven; … als droevig zijnde, doch altijd blijde; als arm, doch velen rijk makende; als niets hebbende, en nochtans alles bezittende.” 2 Kor. 1:5; 6:9-10. God gebruikt namelijk beide wegen ten bate van Zijn knechten. Soms legt Hij de werking stil van wat hen zou moeten pijnigen, zoals Hij de woede van de leeuwen stillegde voor Daniël en de hitte van het vuur in de oven voor de anderen. Soms werkt Hij een heilige verdoving en ongevoeligheid in de lijdende zelf. Zo was Laurentius op het vuur niet alleen geduldig maar zelfs vrolijk en schertsend terwijl hij lag te braden. En van veel andere martelaren lezen we dat ze minder bewogen en minder geraakt waren door hun pijniging dan hun beulen of vervolgers. Wat anderen benauwde, benauwde hen nooit.
Of de uitdrukking heeft deze betekenis: zij worden wél door hun benauwdheden benauwd, en God laat hen zover delen in het gewone menselijke lot dat ze die voelen. Maar Hij bewaart hen zo dat de benauwdheid hen nooit zal omverwerpen en nooit zal laten wegzinken in moedeloosheid of wantrouwen tegenover Zijn barmhartigheid. Ze zullen stormen meemaken, maar met een stevig en sterk schip onder de voeten. Ze zullen donder en bliksem voelen, maar kransen van zegevierend laurier zullen hen beschermen. Ze zullen met hoon en verachting in de aarde getrapt worden, maar zoals zaad wordt begraven om zich te vermenigvuldigen tot meer. Zover reikt de hulp die dit woord van onze vertalers aan onze godsvrucht geeft: U zult mij voor benauwdheid behoeden, U zult mij ongevoelig ervoor maken, of U zult mij erin overwinnaar maken. — John Donne.
Vers 7
“Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding.” In deze woorden klimt de profeet David stap voor stap hoger. Hij gaat verder dan wat hij eerder zei over zijn vertrouwen op God. Eerst zei hij dat God zijn schuilplaats was. Daarna dat Hij hem in de benauwdheid zou bewaren. En nu, ten derde, zegt hij dat de HEERE hem blij zou maken. Hij zou zegevieren over zijn nood en over zijn vijanden. Hij zou niet langer door benauwdheden omringd worden, maar door barmhartigheid, waar hij ook kijkt… Leer Gods goedheid ook persoonlijk te erkennen, zoals David hier doet: “Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding.” Zeg niet alleen van anderen dat God goed voor hen is, zoals voor Abraham, Izak en Jakob. Denk ook niet alleen aan Zijn redding van Noach, Daniël en Lot. Belijd ook Zijn barmhartigheid aan jou en Zijn redding van jezelf, zoals Paulus: “Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” Gal. 2:20. Dat wakkert de dankbaarheid enorm aan, want dan voel je dat het jóu geldt. Erken je alleen dat God in Zichzelf goed is, of goed voor anderen, maar niet voor jou? Dan ga je mopperen en klagen. — Thomas Taylor.
Vers 7
“Gij omringt mij.” Dit woord laat zien dat we van alle kanten door benauwdheden belegerd worden, maar ook van alle kanten omringd zijn door troost en redding. Onze kruisen worden dagelijks zwaarder, maar dag na dag groeit ook onze vertroosting. We worden van alle kanten aangevallen en van alle kanten verdedigd. Daarom moeten ook wij Gods lof van alle kanten laten klinken, zonder ons in te houden, zoals David zegt: “Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is.” Ps. 103:1. — Archibald Symson.
Vers 7
“Gezangen van bevrijding.” David is niet tevreden met alleen dank. Hij wil er gezang bij hebben. Zo zien we hoe strak alle snaren van zijn hart gespannen staan, tot ze bijna trillen. Hij kan zich niet inhouden, zo overweldigd is hij door Gods barmhartigheid aan Zijn gemeente en door de vele keren dat God haar gered heeft. Veel mensen zingen Gods lof met een halfopen mond. Thuis zingen ze luidkeels elk vies straatliedje, maar in de kerk houden ze zich, ik verzeker het u, zo in dat ze hun eigen stem nauwelijks horen. Ik denk dat ze zich schamen om Gods lof uit te roepen en te laten zien. Of ze zijn bang God doof te maken met hun harde zang. David deed het anders. Hij zette alles in wat hij had, al zijn krachten, van binnen en van buiten, om zijn God te loven. — Archibald Symson.
Vers 8
“Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult.” Niemand dan God Zelf kan zoveel op Zich nemen als deze tekst belooft. Er zit hier namelijk geloof in, een rechtzetten van ons verstand: “Ik zal u onderwijzen.” In de grondtekst staat zelfs iets meer dan onze vertaling weergeeft. Daar staat: Intelligere faciam te, Ik zal u doen verstaan. Een mens kan anderen onderwijzen, maar alleen God kan ons doen verstaan. En let op die woorden Faciam te: Ik zal u, u, doen verstaan. Het werk is van de HEERE, het verstaan is van de mens. God werkt namelijk niet zo in een mens als de duivel werkte in afgoden, in pythonissae en ventriloquae, in bezetenen. Zij werkten niet vrijwillig mee met wat de duivel deed, maar ondergingen het volkomen passief. God werkt zo in de mens dat Hij de mens ook zelf laat meewerken. Faciam te, Ik zal u doen verstaan: het gebeurt door Mij, maar het gebeurt in u. De kracht die de daad richt is van God, de daad zelf is van de mens.
Faciam te, zegt God: Ik zal u, u, ieder afzonderlijk persoon doen verstaan. Dat volgt uit dit ene, verdelende woordje ‘u’, dat niemand uitzondert en niemand buitensluit. Ik zal ieder mens aan wie Ik onderwijs aanbied, ontvankelijk maken voor dat onderwijs. Neemt hij het niet aan, dan ligt dat alleen aan hem en niet aan Mij. Dit eerste deel is dus onderwijs de credendis, over wat we moeten geloven omdat God ons verstand richt.
Dan volgt een tweede deel, met meer bijzonder onderwijs: Docebo, “Ik zal u leren”, en wel in via, “op den weg”. God leert ons niet alleen welke weg het is, zodat je hem vindt. Hij leert ons ook in via, hoe je de weg moet houden als je erop bent. Hij leert ons niet alleen ut gradiaris, dat je erop zult lopen en niet in slaap zult vallen, maar ook quomodo gradieris, dat je erop zult lopen en niet zult afdwalen. Dit tweede deel is dus onderricht de agendis, over wat je moet doen nu je verstand eerst gericht en tot geloof gebracht is.
Tot slot is er in de laatste woorden van de tekst, “Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn”, een derde deel. Dat is een bevestiging door voortdurende waakzaamheid van God. Hij zal ons overwegen en over ons beraadslagen, want dat betekent het grondwoord. Hij laat ons niet over aan toeval of lot, alsof we maar ergens belandden. Nee, Hij laat ons ook niet over aan Zijn algemene voorzienigheid, waardoor alle schepselen in het algemeen onder Zijn bescherming en bestuur staan. Hij zal ons wegen, ons overwegen, ons bestuderen. En dat doet Hij met Zijn oog, het scherpste en gevoeligste orgaan dat we kennen. Het voelt als eerste dat er iets mis is en zet Hem zo snel aan om ons terecht te brengen. Dit derde deel is dus onderwijs de sperandis: het gaat altijd over de toekomst, over de standvastigheid en volharding van Gods goedheid voor ons. Tot het einde toe en in het einde zal Hij ons met Zijn oog leiden. Alleen als Gods oog kan worden uitgestoken, kunnen wij uit Zijn zicht en Zijn zorg raken.
Zo staat alles in deze zeekaart, in deze kaart, in deze onderwijzing, in deze tekst. Onze lading, dat is wat we over God moeten geloven. Onze reis, dat is hoe we onze koers moeten bepalen en sturen, dus ons gedrag en onze wandel in het huisgezin van de gelovigen. En onze haven, dat is onze zekerheid dat we aankomen in het hemelse Jeruzalem. — John Donne.
Vers 8
Deze driedubbele herhaling, “Ik zal u onderwijzen, Ik zal u leren, Ik zal raad geven”, leert ons drie kenmerken van een goede leraar. Ten eerste: hij laat het volk de weg naar de zaligheid begrijpen. Ten tweede: hij gaat hun voor. Ten derde: hij waakt over hen en over hun wegen. — Archibald Symson.
Vers 8
“De weg.” Vergelijk deze weg eens met alle andere wegen. Dan word je alerter om hem te gaan en erop te blijven. Ten eerste is dit de koningsweg, waarop we bescherming beloofd hebben gekregen. Ps. 91:11. Ten tweede zijn Gods wegen de zuiverste van allemaal. 2 Sam. 22:31. Ten derde zijn Gods wegen de rechtste, en daarom ook de kortste. Hos. 14:10. Ten vierde zijn Gods wegen de lichtste en de vrolijkste. Spr. 3:17. Nu Gods wegen dus de veiligste, zuiverste, rechtste, kortste en lichtste zijn, moeten we er ook zorgvuldig op wandelen. — Samengevat uit Thomas Taylor.
Vers 8
“Mijn oog zal op u zijn.” We lezen in de natuurlijke historie (Een recensent merkt op dat de natuurlijke historie die wij aanhalen slecht is. Wij antwoorden dat het veranderen ervan de toespelingen zou bederven, en dat wij een boek maken voor volwassenen, niet voor kinderen. Wie goed bij zijn verstand is, zal tegenwoordig de fabels niet meer geloven die vroeger voor feiten doorgingen.) over sommige dieren, Qui solo oculorum aspectu fovent ova (Plinius), dat ze hun eieren uitbroeden door er alleen naar te kijken. Wat kan Gods oog dan niet in ons voortbrengen en uitbroeden, als Hij ons zo aankijkt! Plus est quod probatur aspectu, quam quod sermone (Ambrosius). Iemand kan met woorden prijzen en toch met zijn gezicht afkeuren. Zijn woord geeft ons goede voornemens. Maar als God Zijn oog op ons laat rusten, is dat nog meer: dan keurt Hij ons goed. Hij is immers een God met reine ogen, en de goddelozen kan Hij niet aanzien. “Een land, dat de HEERE, uw God, bezorgt; de ogen des HEEREN, uws Gods, zijn gedurig daarop, van het begin des jaars tot het einde des jaars.” Deut. 11:12. Wat een vrolijke lente en wat een vruchtbare herfst heeft de ziel die Gods oog steeds op zich heeft! Gods oog op mij maakt van middernacht middag. Het maakt van de Steenbok de Kreeft, en van de winterzonnewende de zomerzonnewende. Gods oog heiligt alle verduisteringen van oneer, en doet meer dan dat: het verheerlijkt ze. Het maakt van zwaarmoedigheid vrolijkheid, van wantrouwen zekerheid, en het verandert de achterdocht van de bedroefde ziel in onfeilbaarheid…
Dit leiden met Zijn oog heeft twee grote gevolgen: bekering tot Hem en vereniging met Hem. Ten eerste werkt Zijn oog op het onze. Zijn oog draait het onze naar Hem toe, zodat wij naar Hem kijken. Dat wordt steeds uitgedrukt met een Ecce: “Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen.” Zijn oog roept het onze om dat te zien. Daarna roept ons oog het Zijne om onze blije bereidwilligheid op te merken… Een goed geschilderd portret kijkt altijd naar wie ernaar kijkt. Zo keert ook dit beeld van God in onze ziel zich naar Hem toe, doordat Hij Zich naar ons keert. Dan kunnen we dus onmogelijk iets lelijks of onbetamelijks doen in Zijn aanwezigheid…
Het tweede grote gevolg van Zijn leiden met Zijn oog is dat het ons met Zichzelf verenigt. Als Hij Zijn oog op ons vestigt en aanvaardt dat het onze zich naar Hem keert, dan “bewaart” Hij ons als de “oogappel” van Zijn oog. Zach. 2:8 … Dat zijn de twee grote gevolgen: Zijn oog keert ons eerst naar Zichzelf toe, en keert ons dan in Zichzelf. Eerst draait Zijn oog het onze naar Hem. Daarna maakt het ons één met Hem. Onze verdrukkingen worden dan op Zijn lijdzaamheid gelegd, en onze onteringen zullen Hem krenken. We kunnen niet veiliger zijn dan door de Zijnen te zijn. Maar zo zijn wij niet alleen de Zijnen, ook Hij is de onze. Tegen elke vervolger zal Hij, ter wille van ieder van de Zijnen, zeggen: Cur me? Waarom vervolgt u Mij? Hij is alle macht en kan ons beschermen. En hier maakt Hij Zichzelf helemaal oog, het tederste deel, dat het gevoeligst is voor onze druk. — Samengevat uit John Donne.
Vers 8
“Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn” (Engels: Ik zal u met Mijn oog leiden). De kanttekening zegt: “Ik zal u raad geven, Mijn oog zal op u zijn.” Daarmee geeft de kanttekening de zin van het Hebreeuws goed weer. Letterlijk staat er: “Ik zal u raad geven; Mijn ogen zullen op u zijn.” De Wette vertaalt: “Mijn oog zal op u gericht zijn.” Het beeld is dat van iemand die een ander vertelt welke weg hij moet nemen om ergens te komen, en erbij zegt dat hij hem in het oog zal houden. Hij zal hem niet laten verdwalen. — Albert Barnes.
Vers 8
“Mijn oog.” We kunnen Gods barmhartigheden zien als de stralen van het oog van de Almachtige, op het moment dat het licht van Zijn aangezicht over ons wordt opgeheven. Door zo’n oog wordt iemand geleid als hij door die barmhartigheden tot zijn Maker wordt getrokken en aan Hem verbonden wordt. Maar, helaas! Weigeren we ons door Zijn oog te laten leiden, dan moet Hij ons met de hand dwingen. Misbruiken we Zijn barmhartigheden, vergeten we de Gever en brengen we Hem niet dankbaar de hulde van onze liefde? Dan geeft Hij ons, uit liefde voor onze ziel, juist rampspoed en benauwdheid. Klaag dus niet dat er zoveel verdriet in je leven is. Bedenk liever hoeveel ervan je zelf, met opzet, over je afgeroepen hebt.
Luister naar de stem van God: “Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn” (Engels: Ik zal u leiden met Mijn oog). Mijn oog, waarvan de blik alles verguldt wat mooi is, waarvan het licht alle duisternis verdrijft, elk gevaar afwendt en alle geluk uitstrooit. Waarom ben je dan zo verontrust? Waarom komen “de vrees, en de kuil” zo vaak over je? Waarom verdwijnt de ene zegen na de andere uit je kring? En waarom lijkt God met jou om te gaan als met eigenzinnige en weerspannige mensen, bij wie elke zachtheid verloren zou zijn? Ach! Wil je rekenschap geven van de vele barmhartigheden die voorbij zijn gegaan? Wil je de barmhartigheden die je nog resten, bewaard zien? Onderzoek dan hoe vaak je tot nu toe tekortgeschoten bent. En probeer voortaan ijveriger te zijn in het gehoorzamen van een vermaning die ons oproept ons te laten leiden door de zachte glans van Zijn oog. Het harde dwingen van het bit is alleen nodig als onze hardnekkigheid dat onvermijdelijk maakt. — Henry Melvill.
Vers 9
“Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel”, enzovoort. Hoeveel mensen worden krankzinnig door één oorzaak: wilde, razende begeerten! De profeet Jeremia vergelijkt Israël in Jer. 2:23-24 met een “snelle kemelin, die haar wegen verdraait”, en met “een woudezelin, gewend in de woestijn, naar den lust harer ziel schept zij den wind”. “Weest niet”, zei de psalmist, “gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit.” Mensen hebben verstand en dieren niet. Toch kunnen we, als de razernij van de begeerte hun zinnen overweldigt, de woorden van de profeet over hen uitspreken: “Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft.” En daarom geldt ook: “De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan.” Ps. 49:21. Had het bit van Gods regerende voorzienigheid hun razernij niet in toom gehouden, dan hadden ze het zadel van de rede afgeworpen en de natuur zelf in het gezicht geschopt. — Thomas Adams.
Vers 9
“Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel”, enzovoort. Op grond van de verschillende aard van deze twee dieren hebben de kerkvaders en andere uitleggers verschillende verklaringen gegeven, of in elk geval verschillende toespelingen gemaakt. Zo wijzen zij erop dat een paard en een muilezel iedere ruiter en iedere last aannemen, zonder onderscheid, zonder overleg of nadenken. Ze vragen nooit of hun ruiter edel of laag is, en ook niet of hun lading goud is voor de schatkist of wortels voor de markt. Diezelfde onverschilligheid zien die uitleggers bij de gewoontezondaar ten opzichte van elke zonde. Of hij nu zondigt voor het genot, voor de winst of alleen voor het gezelschap: hij zondigt altijd, zonder te vragen waarom of waarvoor.
Bij de muilezel letten ze erop dat een van zijn ouders lager van afkomst is dan de ander. Hij lijkt op de slechtste van de twee en heeft meer van de ezel dan van het paard in zich. Zo vinden ze ook bij ons dat al onze daden en gedachten meer naar het lagere deel van de aarde smaken dan naar de hemel. Sint Hiëronymus ziet in het paard felheid en overhaasting afgebeeld, en in de muilezel luiheid. Sint Augustinus voert deze twee eigenschappen ver door. Volgens hem staat de felheid van het paard voor de heidenen, die ver van de kennis van het christendom af liepen. De traagheid van de muilezel staat dan voor de Joden, die er niet zo snel toe kwamen als hun vroegere hulpmiddelen hen uitnodigden het aan te nemen. Ze zijn ver gegaan in deze toespelingen en toepassingen, en ze hadden nog verder kunnen gaan als ze gewild hadden. Wie een dier en een zondaar met elkaar wil vergelijken, heeft ruimte genoeg, zoals op open zee. En vaak zal hij onderweg ontdekken dat het dier de betere mens is. — John Donne.
Vers 9
“Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel”, enzovoort. Waarom is een gebroken been bij een paard ongeneeslijk, terwijl het bij een mens gemakkelijk geneest? Een paard laat zich niets aanraden en begrijpt niet dat het zich moet laten behandelen. Het wil zich niet door de hoefsmid laten helpen. Is zijn been gezet, dan trapt, slaat en schopt het om zich heen. Door zijn onbezonnen vurigheid wringt het alles weer los, want elk verband ziet het als boeien en ketenen. Een mens daarentegen geeft zich gewillig over aan de heelmeester, die zijn been verbindt en hem zegt wat hij moet doen. Liever zit hij een paar dagen vast dan dat hij zijn hele leven mankt. “Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft”, maar “de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk” in u. Jak. 1:4. — Thomas Fuller.
Vers 9
“Gebit en toom.” (Hebr.) De LXX geeft het eerste woord weer met (Gr.) en het tweede met (Gr.). Het woord (Gr.) staat voor het ijzer van het gewone bit, dat een paard in de mond krijgt: het gebit of de kinketting. Maar (Gr.) was iets anders, een soort muilkorf. Die deed men om bij kwaadaardige paarden of muilezels, zodat ze niet konden bijten. Volgens Xenophon konden de dieren dan wel ademhalen, maar bleef de bek dicht en konden ze dus niet bijten. De vakterm voor dit hulpmiddel ken ik niet, dus ik noem het een muilkorf.
Het werkwoord (Hebr.) komt uit de krijgskunst en betekent: naderen als een vijand, om aan te vallen. Het “naderen” waar het hier om gaat, is dus geen vriendelijk komen, maar een naderen met kwade bedoelingen. De psalmist vermaant zijn metgezellen om zich te schikken naar het onderwijs en de leiding die de hemel genadig belooft. Ze moeten niet opstandig worden als die slecht afgerichte veulens, die je met een gewoon bit niet in bedwang krijgt. Zit er geen muilkorf om hun kaken, dan vallen zij de ruiter aan wanneer hij opstijgt, of de stalknecht wanneer hij hen naar de wei of naar de stal brengt. — Samuel Horsley.
Vers 9
“Opdat het tot u niet genake.” Deze gewone vertaling van de zinsnede zou goed passen bij een wild dier. Maar bij een muilezel of een paard kunnen de woorden alleen dit betekenen: ze volgen of gehoorzamen je niet uit zichzelf. Je moet hen voortdurend dwingen, zowel met drang als met bedwang. — J. A. Alexander.
Vers 9
“Weest niet gelijk een paard of muilezel, die geen verstand hebben, en wier tooi een toom en gebit is, om hen te bedwingen: zij komen niet uit zichzelf tot u.” — Charles Carter, in “The Book of Psalms”, 1869. Een nieuwe vertaling.
Vers 10
“Die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.” In een cirkel ligt het middelpunt, en vandaar lopen alle lijnen naar de rand. Zo is het ook met een goede christen, die zijn leven rond God draait: God is zijn omtrek. Alles wat hij denkt, zegt of doet, wijst immers naar Christus, door Wie hij van alle kanten omringd is. — Robert Cawdray.
Vers 10
“De goedertierenheid zal hem omringen.” Hij zal omgeven zijn met goedertierenheid, zoals we omgeven zijn door lucht of zonlicht. Overal vindt hij goedertierenheid en gunst, waar hij ook heen gaat: thuis en in den vreemde, overdag en ’s nachts, in gezelschap en in eenzaamheid, in ziekte en in gezondheid, in leven en in sterven, in de tijd en in de eeuwigheid. Hij zal zijn weg gaan te midden van goedertierenheden. Hij zal sterven te midden van goedertierenheden. En in een betere wereld zal hij leven te midden van eeuwige goedertierenheden. — Albert Barnes.
Vers 10
“Let goed op die tekst”, zei Richard Adkins tegen zijn kleinzoon Abel, die hem de tweeëndertigste psalm voorlas. “Let goed op die tekst: ‘Die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.’ Als jongen las ik hem en geloofde ik hem. Nu lees ik hem op mijn oude dag, God zij dank, en weet ik dat hij waar is. O Abel, het is een gezegende zaak om midden in de vreugden en de zorgen van de wereld op den HEERE te vertrouwen.” — “The Christian Treasury”, 1848.
Vers 11
“Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!” Deze oproep bestaat uit drie delen. Ten eerste: waartoe de dichter oproept, namelijk om blij te zijn. Ten tweede: wie hij oproept, namelijk de rechtvaardigen en de oprechten. Ten derde: de grens die hij stelt, namelijk “in den HEERE”. Driemaal spoort hij hen aan: verblijdt u, verheugt u en zingt vrolijk. En zoals hij eerder een drievoudige zegen noemde, zo noemt hij nu ook een drievoudige blijdschap.
Hierbij zijn twee dingen belangrijk om te zien. Ten eerste onze traagheid. We zijn als luie paarden, die voor geestelijke dingen veel sporen en prikkels nodig hebben. Voor aardse dingen zijn we juist al veel te gretig, daar hoeft niemand ons toe aan te sporen. Die trekken ons uit onszelf al aan. In geestelijke dingen vallen we echter in diepe slaap en worden we bij de eerste roep niet wakker. Mensen die gedronken hebben, moeten vaak wakker geschud worden om het licht te zien. Zo moeten ook mensen die dronken zijn van de genoegens van de zonde, zoals Nazianzenus zegt, met allerlei aansporingen gewekt worden. Dezelfde profeet verdubbelt in de volgende psalm zijn aansporingen om dezelfde reden. En de apostel zegt tot de Filippenzen: “Verblijdt u in den Heere te allen tijd; wederom zeg ik: Verblijdt u”, Fil. 4:4.
Let er ook op dat deze oproep steeds sterker wordt. Het woord “verblijdt u” betekent in de grondtekst eigenlijk een innerlijke, hartelijke blijdschap, omdat iets begeerlijks of goeds er is of op zijn minst verwacht wordt. Het woord “verheugt u” laat onze blijdschap zien in een uiterlijk gebaar. Soms wordt het zelfs voor dansen gebruikt, zoals: “De heuvelen zijn aangegord met verheuging” (Engels: de heuvelen springen van vreugde). Ps. 65:13. Het woord “zingt vrolijk” betekent: juichen van blijdschap, zoals de tong van de stomme zal zingen.
Deze opklimming leert ons hoe geestelijke blijdschap werkt. Ze groeit in ons trede voor trede, steeds verder, tot ze de volheid van alle blijdschap bereikt. Die wordt door het laatste woord aangeduid, dat als het ware een zegetocht en gejuich na de overwinning inhoudt. Echt boetvaardig zijn dus zij die de zonde en de satan in hun geestelijke strijd hebben overwonnen, en die over hen hebben gezegevierd als over verslagen vijanden. — Archibald Symson.
Vers 11
“Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen.” Er is op aarde geen blijder mens dan een gelovige. Zult u zeggen dat mensen plezier scheppen in hun zonden? Of dat zij daar blij van worden? Dat is de blijdschap van de duivel zelf. Of dat ze zich verheugen over volle schuren en volle beurzen? Dat is de blijdschap van de dwaas. Of dat ze zich verheugen in wijn, dat wil zeggen in alle lekkernijen die het gehemelte strelen? Dat is een blijdschap van gekken, een waanzinnige vreugde. Lees en geloof wat er staat in Pred. 2:3. Sterker nog: lees het hele boek, van het eerste tot het elfde vers, maar vooral dat hoofdstuk. Het is de goddelijkste wijsheid die er ooit was of ooit zal zijn. — Christopher Fowler (1610-1678), in “Morning Exercises”.
Vers 11
“Zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte.” De dichter Carpani vroeg zijn vriend Haydn eens waarom zijn kerkmuziek zo vrolijk klonk. De grote componist gaf toen een prachtig antwoord. “Ik kan het”, zei hij, “niet anders maken. Ik schrijf wat ik voel. Als ik aan God denk, is mijn hart zo vol blijdschap dat de noten als het ware dansen en uit mijn pen springen. En omdat God mij een vrolijk hart heeft gegeven, zal het mij wel vergeven worden dat ik Hem met een vrolijke geest dien.” — John Whitecross, “Anecdotes”.
Vers 11
De zinnelijke mens grijpt misschien meteen toe wanneer er staat: Verblijdt u. Maar zodra er bij staat: in den HEERE, laat hij los. Anderen kunnen het woord “verblijdt u” niet eens horen, door de baren en golven van de onrustige zee van deze wereld. Juist zij moeten zich er stevig aan vastklampen, wanneer er bij staat: Verblijdt u in den HEERE. — Henry Airay.
Vers 11
O, zing voor deze Koning, stralend in Zijn pracht,
Prijs Zijn verheven Naam met heel uw kracht!
Laat hart en stem als zilverklokken klinken,
En laat de troost van deze dag diep in uw ziele zinken.
— Kinwellmersh, aangehaald door A. Moody Stuart.
Vers 11
De beroemde Tullius vertelt over Syracuse dat er in het hele jaar geen dag zo stormachtig en onstuimig was, dat de inwoners niet af en toe een glimp van de zon opvingen. Hetzelfde mogen we met recht en op goede gronden zeggen van al die psalmen van David waarin zijn klachten zich opstapelen en waarin zijn angst en druk het zwaarst wegen. Er is er geen één die zo helemaal overtrokken is met de zwarte duisternis van wanhoop, of we ontdekken er hier en daar een draad van troost in, een uiting van zijn geloof en zijn hoop op God.
Vinden we hem aan het begin van een psalm rusteloos in zijn bewegingen, als Noachs duif boven het stijgende water, dan zien we hem aan het slot toch terugkeren als diezelfde duif, met een olijftak in de snavel, om neer te strijken op de ark. Zien we hem in een andere psalm wankelen midden in zijn benauwdheid, onder de macht van vleselijke angst, dan zien we hem ook weer overeind komen. Hij put dan argumenten uit het geloof, dat veel hoger uitkijkt dan dat de angstige ingevingen van het vlees het kunnen schokken. En zien we hem een andere keer als een boot die ronddrijft, heen en weer geslingerd door wisselende winden en woeste golven, dan merken we toch dat al dat rollen en stampen hem naar de vaste oever voert, waar hij ten slotte in vrede en veiligheid voor anker gaat. — William Spurstowe.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1
Evangelische zegeningen. Neem de eerste psalm samen met de tweeëndertigste, en laat zien hoe leer en praktijk daar harmonisch samengaan. Of neem de eerste, de tweeëndertigste en de eenenveertigste, en laat zien hoe we gaan van het lezen van het Woord, naar het ervaren van de kracht ervan, en van daaruit naar een liefdevol leven te midden van mensen.
Vers 1
Evangelische gelukzaligheid. 1. De toestand waarin de ontvanger oorspronkelijk verkeert.
- De aard van het voordeel dat hij ontvangt.
- De weg waarlangs het tot hem kwam.
- De middelen waardoor wij het kunnen krijgen.
Verzen 1-2
Wat zonde is, en op welke manieren vergeving komt.
Vers 2
Niet-toerekening, een opmerkelijke leer. Bewijs haar, leg haar uit en pas haar toe.
Vers 2
“Geen bedrog.” Het oprechte hart van een vergeven mens.
Vers 3
Ons verdriet voor onszelf houden. De natuurlijke neiging daartoe door schuchterheid en wanhoop; het gevaar ervan; manieren om verdriet te uiten; wat ons daarbij kan bemoedigen; de gezegende mens die bereid is een belijdenis aan te horen. Wie zwijgend treurt, lijdt het meest.
Verzen 3-4
“Schrikwekkende overtuiging en zachte trekkingen.” Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 313.
Vers 4
Het verdriet van een ziel die van zonde overtuigd is. Dag en nacht, van God, zwaar, uitputtend, verwoestend.
Vers 4 (laatste zinsdeel)
Geestelijke droogte.
Vers 5
De genadige gevolgen van een volledige belijdenis; of: belijdenis en vrijspraak, uitgelegd vanuit de Schrift.
Vers 6
Het portret van de godvrezende mens, getekend met een potlood van de Schrift. — Thomas Watson.
Vers 6
De ervaring van één, de bemoediging van allen.
Vers 6 (eerste zinsdeel)
De dag van genade, en hoe we die goed gebruiken.
Vers 6 (gehele vers)
Vergeving van zonde is de waarborg dat er nog meer goedertierenheden zullen volgen.
Vers 6 (laatste zinsdeel)
Dreigende benauwdheden, schitterende verlossingen.
Vers 6 (laatste zinsdeel)
Het geluk van de gelovigen. — Thomas Playfere.
Vers 7
Gevaar gevoeld, toevlucht gekend, bezit opgeëist, blijdschap beleefd.
Vers 7 (eerste zin)
Christus, een schuilplaats tegen zonde, satan en verdriet, in de dood en in het oordeel.
Vers 7 (tweede zin)
Benauwdheden waarvoor heiligen bewaard zullen blijven.
Vers 7 (laatste zin)
De kring van het lied: wie trekt de kring, wat is de omtrek, wie staat in het middelpunt.
Vers 7
“Gezangen van bevrijding.” Bevrijding van schuld, hel, dood, vijanden, twijfels, verzoekingen, ongelukken, samenzweringen, enzovoort. De goddelijke schoolmeester, Zijn leerlingen, hun lessen, hun tuchtigingen en hun beloningen.
Vers 8
De kracht van het oog. — Henry Melvill. Hij probeert hierin, helaas tevergeefs, de kinderdoop en het bisschoppelijk bestuur te bewijzen. Hij geeft toe dat de Schrift die niet met zoveel woorden leert, maar zegt dat ze er met het goddelijke oog als het ware op wijst.
Vers 9
Gods gebitten en tomen, de muilezels die ze nodig hebben, en redenen waarom wij niet bij hen mogen horen.
Vers 9
In hoeverre we in ons handelen beter zijn dan paarden en muilezels, en in hoeverre slechter.
Vers 10
De vele smarten die uit de zonde voortkomen. De goedertierenheid die het leven van de gelovige omringt, ook in zijn moeilijkste tijden. Het deel van de goddelozen en het lot van de gelovigen.
Vers 11
De blijdschap van een gelovige. Haar bron: “in den HEERE”. Haar levendigheid: “zingt vrolijk”. Haar passendheid: ze wordt geboden. Haar mooie gevolgen en haar overvloedige redenen.
Vers 11
Oprecht van hart, een leerzame omschrijving. Niet horizontaal of kruipend, niet gebogen en niet scheef, maar loodrecht van hart.
Werken over de tweeëndertigste psalm
This treatyse concernynge the fruytful sonnges of David the Kynge & prophete in the seuen penytencyall psalmes. Deuyded in seuen sermons was made and compyled by the ryght reuerent fader In god Juhau fyssher doctore of dyuynyte & bysshop of Rochester at the exortacyo and sterynge of the most excellet princesse Margarete contesse of Rychemont and Derby & moder to our souerayne lorde Kynge henry the VII.
(Zonder datum, maar in de B.M. Cat. aangeduid als 1509. Een uitgave in 8 delen heeft op het titelblad: An. M.D.J.A.)
David’s Learning, or Way to True Happiness: in a Commentarie upon the 32 Psalme. Preached and now published by Thomas Taylor, late fellow of Christ’s College in Cambridge. London: 1617. David’s Teares. Door Sir John Hayward, Knight, Doctor of Lawe. London. Gedrukt door John Bell. 1623. Over Psalm VI, XXXII en CXXX.
Meditations on Psalm XXXII. in Archbishop Leighton’s Works. In the Works of John Donne: Sermons on Psalm XXXII. Deel II, III. Alford’s Edition.
A Godly and Fruitful Exposition on the Thirty-second Psalme, the Third of the Penitentials; in A Sacred Septenarie; or, a Godly and Fruitful Exposition on the Seven Psalmes of Repentance. Door Mr. Archibald Symson, wijlen predikant van de gemeente te Dalkeeth in Schotland. 1638.
Meditations and Disquisitions upon the 32 Psalme, in Meditations and Disquisitions upon the Seven Psalmes of David, commonly called the Penitential Psalmes. Door Sir Richard Baker, Knight. 1639.
Lectures on the Thirty-second Psalm. Door Charles H. Bingham, B.A., Curate of Hale Magna. 1836.
Lectures on the Thirty-second Psalm, preached in Portman Chapel, Baker Street, during Lent, 1859. Door the Rev. J. W. Reeve, M.A., Minister of the Chapel. 1859.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas