Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 18 — Treasury of David

121 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

“Voor den opperzangmeester, een psalm van David, de knecht des HEEREN, die de woorden dezes lieds tot den HEERE gesproken heeft, ten dage, als de HEERE hem gered had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul.”

Van deze psalm bestaat nog een andere versie, met opvallende afwijkingen (2 Samuël 22). Dat doet vermoeden dat David haar op verschillende momenten zong, telkens wanneer hij terugkeek op zijn eigen wonderlijke levensweg en overal Gods genadige hand in opmerkte. Net als Addisons lied dat begint met “When all thy mercies, O my God” is dit het lied van een dankbaar hart, overweldigd als het terugkijkt op Gods rijke en wonderbare barmhartigheid. We noemen haar De dankbare terugblik.

Let op de titel. David is op dat moment koning, en toch noemt hij zichzelf “de knecht des HEEREN”. Van zijn koningschap zegt hij geen woord. Daaruit maken we op dat hij het een hogere eer vond om knecht van de Heere te zijn dan om koning van Juda te heten. En terecht! Als begaafd dichter diende hij de Heere door deze psalm te schrijven voor de eredienst in Zijn huis. Het is geen gering werk om dat heerlijke onderdeel van de eredienst te leiden of te verbeteren: het zingen van de lof van de Heere. Wat zou het mooi zijn als meer muzikaal en dichterlijk talent aan Hem werd toegewijd! En als onze koorleiders echt geschikt waren om de godvruchtige, geestelijke psalmzang toe te vertrouwen!

Merk ook op dat de woorden van dit lied niet bedoeld waren om de smaak van mensen te strelen. Ze werden gesproken tot Jehova. Wat zou het goed zijn als we bij ons zingen, en bij alle andere heilige bezigheden, eenvoudiger oog hadden voor de eer van de Heere! Weinig waard is de lof die niet uitsluitend en van harte tot de Heere gericht is. David kon in zijn dankbaarheid zo rechtstreeks zijn, want hij had alles aan zijn God te danken. Op de dag van zijn verlossing had hij niemand te bedanken dan de Heere, Wiens rechterhand hem had bewaard. Ook wij moeten beseffen dat we aan God, en aan God álléén, onze grootste schuld van eer en dankzegging verschuldigd zijn.

Wanneer we bedenken dat het derde en het vijftigste vers allebei in het Nieuwe Testament worden aangehaald (Hebreeën 2:13; Romeinen 15:9) als woorden van de Heere Jezus, dan is het duidelijk: hier is Iemand groter dan David! Lezer, u hebt onze hulp hierbij niet nodig. Kent u Jezus, dan vindt u Hem moeiteloos terug in Zijn lijden, Zijn verlossing en Zijn zegetochten, door deze hele wonderbare psalm heen.

Indeling

De verzen 2 tot en met 4 vormen het voorwoord, de inleiding, waarin het besluit wordt uitgesproken om God te zegenen. In de verzen 5 tot en met 20 wordt Gods reddende barmhartigheid op dichterlijke wijze verheven. Daarna getuigt de gelukkige zanger in vers 21 tot en met 29 dat God rechtvaardig heeft gehandeld door hem zo te begunstigen. Vol dankbare vreugde schetst hij nogmaals zijn verlossing en voorziet hij toekomstige overwinningen (vers 30-46). Tot slot spreekt hij, met een duidelijk profetisch vergezicht, over de heerlijke zegepralen van de Messias, Davids Zaad en de Gezalfde van de Heere.

Uitleg

Vers 2

“Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE.” Met een sterke, hartelijke genegenheid zal ik mij aan U vastklampen, als een kind aan zijn vader of moeder, of een bruid aan haar bruidegom. Het woord is buitengewoon krachtig: dit is liefde van de diepste soort. “Ik zal U hartelijk liefhebben, met mijn binnenste ingewanden.” Hier spreekt een vast, onwrikbaar besluit om te blijven in de nauwste, innigste verbondenheid met de Allerhoogste.

Onze drie-enige God verdient de warmste liefde van al onze harten. Vader, Zoon en Geest hebben elk hun aanspraak op onze liefde. Het plechtige voornemen om nooit meer op te houden met liefhebben, vloeit vanzelf voort uit de gloed van genegenheid die er nu is. Overhaaste besluiten zijn verkeerd, maar dit besluit is, genomen in de kracht van God, juist zeer wijs en passend.

“Mijn Sterkte.” Onze God is de kracht van ons leven, van onze genaden, van onze werken, van onze hoop, van onze strijd, van onze overwinningen. Dit vers komt in 2 Samuël 22 helemaal niet voor. Het is een uiterst waardevolle toevoeging, een sieraad dat boven alles en na alles is geplaatst, als de top van de tempel, de spits van de piramide. Want de liefde blijft de kroon op alle genaden.

Vers 3

“De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg.” David woonde te midden van de rotsen en bergvestingen van Judea en was zo aan de boosaardigheid van Saul ontkomen. Hier vergelijkt hij zijn God met zo’n schuilplaats, zo’n veilige toevlucht. Gelovigen vinden in hun God vaak een schuilplaats voor ruziënde tongen en voor de woede van de storm van tegenspoed. De kloven van de Rots der eeuwen zijn veilige woonplaatsen.

“Mijn Uithelper”: Hij springt tussenbeide in het uur van mijn gevaar. Wanneer Gods mensen bijna gegrepen zijn, worden ze uit de hand van de machtigen gered door Hem Die nog machtiger is. Deze titel “Uithelper” bevat vele preken en is het meer dan waard dat elke ervaren gelovige erover nadenkt.

“Mijn God.” Dat is alle goede dingen in één! Er ligt een grenzeloze rijkdom in deze uitdrukking. Ze betekent: mijn blijvende, onveranderlijke, oneindige, eeuwige goed. Wie waarachtig “mijn God” kan zeggen, mag er gerust aan toevoegen: “mijn hemel, mijn alles.”

“Mijn Rots” (Engels: “mijn sterkte”). Dit woord betekent eigenlijk “mijn rots”, in de zin van kracht en onbeweeglijkheid: mijn zekere, onveranderlijke, eeuwige vertrouwen en steun. Het woord rots komt dus tweemaal voor, maar het is geen herhaling. De eerste keer is het een rots om je in te verbergen, hier is het een rots van vastheid en onveranderlijkheid. “Op Welken ik betrouw.” Het geloof moet worden geoefend, anders leren we de kostbaarheid van God nooit echt kennen. En God moet het voorwerp van het geloof zijn, anders is het geloof louter aanmatiging.

“Mijn Schild”: het weert de slagen van mijn vijand af en beschut mij tegen pijl en zwaard. De Heere geeft Zijn krijgers zowel wapens om aan te vallen als wapens om zich te verdedigen. Onze wapenkamer is tot de nok toe gevuld, zodat niemand ongewapend ten strijde hoeft te trekken. “De Hoorn mijns heils”: Hij stelt mij in staat mijn vijanden neer te stoten en met heilige jubel over hen te zegevieren. “Mijn Hoog Vertrek”: een burcht, hoog op een rotsachtige top, buiten het bereik van mijn vijanden. Van die hoogte kijk ik zonder angst neer op hun woede, en overzie ik een wijds landschap van barmhartigheid, dat zelfs reikt tot het goede land aan gene zijde van de Jordaan.

Hier staan veel woorden, maar niet één te veel, geen enkel is overbodig. We zouden elk ervan met vrucht kunnen onderzoeken, als we daar de tijd voor hadden. Vatten we alles samen, dan kunnen we met Calvijn besluiten dat David de gelovigen hier van top tot teen uitrust.

Vers 4

In dit vers neemt de blije dichter zich voor om de Heere in blijde zang aan te roepen. Hij vertrouwt er rotsvast op dat zijn God in alle toekomstige strijd even goed voor hem zal zorgen als in het verleden. Het is goed om tot God te bidden als tot Iemand Die het waard is om geprezen te worden, want dan bidden we blij en vol vertrouwen. Voel ik dat ik de Heere kan zegenen, en doe ik dat ook, voor al Zijn goedheid uit het verleden? Dan durf ik grote dingen van Hem te vragen.

Dat woordje “Zo” (Engels: “zo zal ik verlost worden van mijn vijanden”; SV: “en werd verlost van mijn vijanden”) zegt veel, véél zelfs. Zingend behouden worden is waarlijk behouden zijn! Velen worden gered onder tranen en twijfel. Maar David had zo’n geloof dat hij zingend kon strijden, en de slag kon winnen met een lied nog op zijn lippen. Wat een geluk om nieuwe barmhartigheid te ontvangen met een hart dat al ontroerd is door alle barmhartigheid die we eerder kregen! En wat een geluk om nieuwe beproevingen tegemoet te gaan met een vertrouwen dat rust op wat we al van Gods liefde hebben ervaren!

“Geen vrees en geen twijfel, want Christus staat ons bij;
straks sterven wij juichend: ‘De Heere zal voorzien.’”

Vers 5-20

In de meest dichterlijke taal beschrijft de psalmist nu hoe hij Jehova’s reddende macht heeft ervaren. In al haar schatkamers bezit de dichtkunst geen juweel dat schitterender is dan dit sonnet van de volgende verzen. De smart, de noodkreet, de nederdaling van de Goddelijke en de redding van de verdrukte: alles is hier gezet op muziek die gouden harpen waardig is.

De Messias, onze Zaligmaker, is duidelijk, nog meer dan David of enig ander gelovige, het hoofdonderwerp van dit lied. Terwijl we het bestudeerden, groeide onze overtuiging dat elke regel hier zijn diepste en verste vervulling in Hem vindt. Maar omdat we ons commentaar niet buiten redelijke grenzen willen laten uitdijen, laten we het aan de godvruchtige lezer over om deze heel gemakkelijke toepassing zelf te maken op onze Heere, Die eens zo diep verdrukt werd en nu zegeviert.

Vers 5

“Banden des doods hadden mij omvangen.” Als een wrede overwinnaar scheen de dood de koorden van de pijn om hem heen te slingeren. Hij was omringd en ingesloten door dreigende gevaren van de meest ijzingwekkende soort. Hij leek op een zeeman die door de storm is geteisterd en door verschrikkelijke branding op de rotsen wordt gedreven, een branding zo wit als de tanden van de dood. Wat een treurige toestand voor een man naar Gods hart! Maar zo gaat Jehova nu eenmaal met Zijn zonen om.

“Beken Belials verschrikten mij.” Stromen van goddeloosheid dreigden alle godsdienst te overspoelen en de hoop van de godvruchtige mee te sleuren, als iets dat men bespot en veracht. Die dreiging werd zo reëel dat zelfs de held die Goliath velde, begon te vrezen. Het stevigste schip komt soms in nood wanneer de stormduivel rondwaart. De moedigste man, die doorgaans het beste verwacht, kan soms het ergste vrezen.

Geliefde lezer, wie deze regels schrijft, heeft beter dan de meeste mensen leren kennen wat dit vers betekent. Hij voelt zich geneigd te wenen en toch te zingen terwijl hij schrijft over een tekst die zijn eigen ervaring zo treffend beschrijft. In de nacht van de tragische ramp in de Surrey Music Hall werden de stromen van Belial losgelaten. Wat een groot deel van de pers daarna schreef, was uiterst kwaadaardig en goddeloos. Onze ziel was bevreesd toen we daar stonden, omringd door de smarten des doods en de lasteringen van wrede mensen.

Maar o, wat een barmhartigheid zat er in dit alles! Wat een honing van goedheid heeft onze Heere uit deze leeuw van verdrukking weten te halen! Zeker, God heeft mij gehoord, en Hij heeft mij verhoord! Verkeert u in een kwade situatie? Beste vriend, leer van onze ervaring om te vertrouwen op de Heere Jehova, Die Zijn uitverkorenen niet verlaat.

Vers 6

“Banden der hel omringden mij.” Van alle kanten blaften de hellehonden woedend. Een kordon van duivels omsingelde de opgejaagde man van God, en elke ontsnappingsroute was afgesloten. Satan weet onze kusten te blokkeren met de ijzeren oorlogsschepen van het leed. Maar God zij gedankt: de haven van het gebed ligt nog open! De genade kan de blokkade doorbreken, met boodschappen van de aarde naar de hemel, en met zegeningen als antwoord terug van de hemel naar de aarde.

“Strikken des doods bejegenden mij.” De oude vijand jaagt op zijn prooi, niet alleen met de honden uit het helse hondenhok, maar ook met de strikken van dodelijke list. De netten werden steeds strakker aangetrokken, tot de samengetrokken kring de gevangene elke mogelijkheid tot ontsnappen ontnam:

De koorden der hel hielden mij strak omwonden,
mijn voeten waren door strikken des doods gebonden.

Hopelozer kon het niet met deze goede man. Zo wanhopig was zijn situatie, zo volkomen uitzichtloos, dat alleen een almachtige arm hem nog van dienst kon zijn. Als we de vier beelden volgen die hij gebruikt, dan was hij gebonden als een misdadiger vlak voor de terechtstelling, overweldigd als een schipbreukeling, omsingeld en met de rug tegen de muur als een opgejaagd hert, en gevangen in een net als een sidderend vogeltje. Wat voor schrik en wat voor nood kon er nog meer samenkomen op één arm en weerloos hoofd?

Vers 7

“Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God.” (Engels: “In mijn benauwdheid riep ik den HEERE aan, en schreeuwde tot mijn God.”) Het gebed is die achterdeur die openblijft, zelfs wanneer de stad door de vijand hard wordt belegerd. Het is de weg omhoog uit de put van wanhoop, waarheen de geestelijke mijnwerker meteen vlucht wanneer de wateren van beneden op hem losbarsten. Zie hoe hij eerst roept en daarna schreeuwt: het gebed wordt heviger naarmate het vordert.

Merk ook op dat hij God eerst aanroept met de naam Jehova en dan overgaat op een vertrouwelijker naam, “mijn God”. Zo groeit het geloof door oefening: Hij Die we eerst als Heere zagen, blijkt al spoedig onze God in het verbond. Het is nooit een slecht moment om te bidden, hoe donker de omstandigheden ook zijn. Geen nood mag ons ervan weerhouden het goddelijke geneesmiddel van de smeking te gebruiken. Boven het gedruis van de woedende golven van de dood en het geblaf van de honden van de hel uit zal de zwakste roep van een waar gelovige in de hemel worden gehoord.

“Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.” Hoog daarboven, binnen de met juwelen bezette muren en door de poorten van parel, werd de roep van de lijdende smekeling gehoord. Engelenmuziek en serafijnenharmonie waren niet in staat die nederige roep te overstemmen of ook maar te schaden. De Koning hoorde haar in Zijn paleis van ondraaglijk licht, en leende een gewillig oor aan de roep van Zijn eigen geliefde kind.

O, geëerd gebed, dat zo door het bloed van Jezus kan doordringen tot de oren en het hart van de Godheid Zelf! De stem en de roep worden rechtstreeks door de Heere gehoord. Ze hoeven niet via heiligen en middelaars te gaan. “Mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren”: het gebed werkt bij God onmiddellijk en persoonlijk. We mogen roepen met vertrouwvolle, vertrouwelijke aandrang, terwijl onze Vader Zelf luistert.

Vers 8

Tussen de roep en het antwoord lag geen grote tussenruimte. De Heere vertraagt Zijn belofte niet, maar is snel om Zijn verdrukten te redden. David heeft de heerlijke openbaringen van God voor zijn geestesoog: in Egypte, bij de Sinaï, en bij verschillende gelegenheden aan Jozua en de richters. Hij overweegt dat zijn eigen geval dezelfde heerlijkheid van macht en goedheid laat zien. Daarom kan hij de beschrijvingen van vroegere openbaringen van Gods majesteit overnemen in zijn lofzang.

“Toen daverde en beefde de aarde.” Zie hoe zelfs de meest vaste en onbeweeglijke dingen de kracht van het smeken voelen. Gebed heeft huizen doen schudden, gevangenisdeuren geopend en dappere harten doen beven. Het gebed luidt de alarmklok, en de Heer des huizes staat op om te redden, terwijl alles onder Zijn voetstap schudt.

“En de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.” Hij Die de pijlers van de wereld heeft gevestigd, kan ze in hun voegen laten schommelen en de hoekstenen van de schepping omhoog laten wippen. De gigantische wortels van de torenhoge bergen worden losgerukt wanneer de Heere Zich in toorn roert om de vijanden van Zijn volk neer te slaan. Hoe zou de nietige mens het tegen God kunnen uithouden, als de bergen zelf beven van angst? Laat de grootspreker niet dromen dat zijn huidige, valse vertrouwen hem zal dragen op de vreselijke dag van de toorn.

Vers 9

“Rook ging op van Zijn neus.” Een hevige oosterse manier om onstuimige toorn uit te drukken. Door sterke gemoedsbeweging wordt de adem uit de neusgaten verhit. Het beeld toont ons daarom de almachtige Verlosser Die rook uitstoot in de hitte van Zijn toorn en de onstuimigheid van Zijn ijver. Niets maakt God zo toornig als onrecht dat Zijn kinderen wordt aangedaan. Wie u aanraakt, raakt de appel van Mijn oog aan.

God is niet onderworpen aan de hartstochten die Zijn schepselen beheersen. Maar omdat Hij handelt met alle energie en snelheid van iemand die toornig is, wordt Hij hier voorgesteld in dichterlijke beeldspraak die bij ons menselijk verstand past. Het openen van Zijn lippen is genoeg om Zijn vijanden te vernietigen: “en een vuur uit Zijn mond verteerde.” Dit vuur was niet van voorbijgaande aard, maar bestendig en blijvend: “Kolen werden daarvan aangestoken.”

De hele passage wil Gods nederdaling beschrijven om Zijn kind te hulp te komen, vergezeld van aardbeving en onweer. Bij de majesteit van Zijn verschijning schudt de aarde, pakken de wolken samen als rook, en verteert de bliksem als laaiend vuur, waarmee de wereld in brand wordt gezet. Wat een grootsheid van beschrijving, wat een majestueus tafereel! Bisschop Mant geeft het vers zeer voortreffelijk als volgt in rijm weer:

Uit Zijn ziedende neus steeg rook omhoog,
uit Zijn mond sloeg een verterende vlam;
gloeiende kolen en schichten van vuur
verkondigden de toorn die van Hem kwam.

Vers 10

Midden in de schrik van de storm kwam Jehova, de Wreker, naar beneden en liet de hemelboog onder Zijn voet doorbuigen. “En Hij boog den hemel, en daalde neder.” Hij kwam haastig, en alles wat Zijn vaart belemmerde, trapte Hij omver. De dikste duisternis verborg Zijn pracht: “en donkerheid was onder Zijn voeten.” Hij streed in de dichte dampen, als een krijger in wolken van rook en stof, en trof de harten van Zijn vijanden met het scherpe zwaard van Zijn wraak. Duisternis is voor God geen belemmering. Haar dichtste somberheid maakt Hij tot Zijn tent en verborgen paviljoen.

Zie toch hoe het gebed aarde en hemel in beweging brengt, en stormen opwekt om in een oogwenk de vijanden van Gods Israël omver te werpen! Het stond slecht met David voordat hij bad, maar het stond veel slechter met zijn vijanden zodra zijn smeking naar de hemel was opgestegen. Een vertrouwend hart keert de rollen om ten opzichte van zijn vijanden door Gods hulp in te roepen. Moet ik dan per se een vijand hebben? Laat hij dan in elk geval geen man des gebeds zijn. Anders heeft hij mij met zijn God, Die hij in de twist te hulp roept, spoedig de baas.

Vers 11

Wat een onnavolgbare grootsheid ligt er in dit vers! In het Mozaïsche stelsel worden de cherubs herhaaldelijk afgebeeld als de wagen van God. Daarom schrijft Milton in zijn “Paradise Lost” over de grote Vader:

“Hij reed, gedragen op de vleugels der cherubs,
in Zijn heerlijkheid als Vader ver de chaos in”.

We wagen ons niet aan speculaties over het geheimzinnige en veelbetwiste onderwerp van de cherubs. Het volstaat om eenvoudig op te merken dat engelen ongetwijfeld onze wachters en dienende vrienden zijn, en dat zij al hun krachten inspannen om de redding van de verdrukten te bespoedigen. “Hij voer op een cherub, en vloog.” Ook de natuur stelt al haar krachten ter beschikking om ons te helpen; zelfs de machten van de lucht staan in Zijn dienst: “ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.” Is barmhartigheid Zijn boodschap, dan komt de Heere vliegend aan. Maar wanneer Hij zondaars tot bekering wil winnen, aarzelt Hij lang.

De vlucht die hier wordt getekend is even majestueus als snel. “Wijd en zijd vliegend” is het woord van Sternhold, en hij zit er niet ver naast. Zoals de adelaar met uitgespreide vleugels in rustige grootsheid zweeft, zonder heftig geklapwiek en zonder inspanning, zo snelt de Heere met de majesteit van Zijn almacht de Zijnen te hulp.

Vers 12

De storm trok dicht. Uit de wolken, die stromen regen uitgoten, werd een geheime binnenkamer gebouwd voor de onzienlijke maar wonderen werkende God. “Gehuld in ondoordringbare schaduw” zag het geloof Hem; geen enkel ander oog kon door “wolken des hemels” heen kijken. Gezegend is het duister dat mijn God omhult! Mag ik Hem niet zien, dan is het toch zoet te weten dat Hij in het verborgene werkt aan mijn eeuwig heil. Zelfs een dwaas kan geloven dat God buiten is wanneer de zon schijnt en alles stil is. Het geloof is wijzer: het onderscheidt Hem midden in het vreselijke duister en in de dreigende storm.

Vers 13

Plotseling werd het vreselijke geschut van de hemel afgevuurd! Het schitterende licht van de bliksem overstraalde de wolken, alsof er een heerlijkheid uitging van Hem Die Zich in het wolkenpaviljoen verborg. Salvo’s van hagelstenen en vurige kolen werden op de vijand neergeslingerd. De bliksems leken de wolken open te splijten en in lichterlaaie te zetten. Daarna joegen hagelstenen en vlokken vuur, met flitsen van ontzagwekkende grootsheid, de mensenkinderen schrik aan.

Vers 14

Over al die pracht van de storm rolde de vreselijke donder. “En de HEERE donderde in den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem.” Wat een passende begeleiding bij de vlammen van de wraak! Hoe zullen mensen het kunnen verdragen als ze het ten slotte horen, gericht tot henzelf als aankondiging van hun ondergang? Nu al zit hun hart in hun keel wanneer ze het slechts van verre horen rommelen! In al die schrik vond David stof voor een lied. Zo vindt elke gelovige zelfs in de verschrikkingen van God een onderwerp voor heilige lof. “Hagel en vurige kolen” worden tweemaal genoemd, om te laten zien hoe vast ze in de hand van God liggen en dat het de wapens van de hemel zijn voor Zijn wraak.

Horne merkt op dat “elk onweer ons moet herinneren aan dat vertoon van macht en wraak, dat hierna de algemene opstanding zal vergezellen.” Maar moet het ons, naast alle ontzag, niet ook de werkelijke macht verzekeren van Hem Die onze Vader en onze Vriend is? Moet het ons niet gerust doen zijn over onze veiligheid, nu Hij onze veldslagen voor ons strijdt? De vorst van de macht der lucht is snel verdreven wanneer de cherubenwagen door zijn gebied raast. Laten de legioenen van de hel ons dus niet bang maken. Hij Die met ons is, is meer dan allen die tegen ons zijn.

Vers 15

Als gevorkte pijlen schoten de bliksems naar de scharen van de vijand, en al snel “verstrooide” Hij “ze”. Wat zijn grootsprekende zondaars toch lafaards zodra Jehova de strijd met hen aangaat! Ze zijn groot in de mond en verachten Zijn woorden, maar wanneer er geslagen wordt, nemen ze razendsnel de benen. Met de glinsterende vlammen en de felle bliksemstralen “verschrikte” Hij “ze.” God zit nooit verlegen om wapens. Wee wie het aan de stok krijgt met zijn Maker! Gods pijlen missen hun doel nooit: ze zijn met bliksem gevederd en hebben weerhaken van eeuwige dood. Vlucht, o zondaar, naar de rots van de toevlucht, voordat deze pijlen zich in je ziel vastzetten!

Vers 16

Zo overweldigend was de schok van Gods aanval, in volle wapenrusting, dat de orde van de natuur werd omgekeerd en de bodems van rivieren en zeeën blootkwamen. “De diepe kolken der wateren werden gezien.” De diepe, holle ingewanden van de aarde werden omhooggeheven, tot “de gronden der wereld werden ontdekt.” Wat zal Jehova’s “schelden” dan niet teweegbrengen! Als “het geblaas des winds van Uw neus”, o Heere, al zo angstaanjagend is, wat moet Uw arm dan wel zijn! Het is zinloos dat mensen iets proberen te verbergen voor Hem, Wiens woord de diepte openrukt en de deuren van de aarde uit hun hengsels tilt. Zinloos is alle hoop op verzet, want één fluistering van Zijn stem laat de hele aarde sidderen in kruipende angst.

Vers 17

En nu komt de redding! Haar Auteur is goddelijk: “Hij zond.” Haar werk is hemels: “van de hoogte.” En wonderbaar is de verlossing zelf: “Hij trok mij op uit grote wateren.” Als een tweede Mozes werd David hier uit het water opgehaald. Alle gelovigen lijken zo op hun Heere, Wiens doop in vele wateren van benauwdheid en in Zijn eigen bloed ons heeft gered van de toekomende toorn. Geen vloed van kwaad kan de mens verdrinken wiens God boven die vloeden troont en hun woede in toom houdt.

Vers 18

Zijn we gered? Dan moeten we God alle eer geven. Dat doen we door onze eigen zwakheid te erkennen en te bedenken hoe machtig de verslagen vijand was. Elke wending in de strijd laat Gods macht des te sterker schitteren. Onze grote geestelijke tegenstander is werkelijk een “sterken vijand”, veel te sterk voor zwakke, arme schepselen als wij. Toch heeft God ons tot hier toe bevrijd, en Hij zal dat blijven doen tot het einde. Juist onze zwakheid is een reden voor goddelijke hulp. Bedenk eens hoeveel kracht er schuilt in dat ene woordje “omdat” in de tekst!

Vers 19

Het was een kwade dag, een dag van rampspoed, en zijn vijanden buitten die wreed uit. Met sluwe middelen probeerden ze hem volledig te gronde te richten. En toch kon David zeggen: “maar de HEERE was mij tot een Steunsel.” Wat een gezegend “maar” is dit! Het hakt de Gordiaanse knoop door en maakt de honderdkoppige hydra dood. Wie zijn steun bij Jehova heeft gevonden, hoeft niet te vrezen dat de redding uitblijft.

Vers 20

“En Hij voerde mij uit in de ruimte.” Jozef kwijnde een tijd weg in de gevangenis, maar kwam daarna in het paleis. En vanuit de spelonk van Adullam besteeg David de troon. Zoet is het genot na de pijn, en zoet is de rust na de strijd! Verruiming is des te heerlijker na een tijd van knellende armoede en droevige opsluiting. Belegerde zielen genieten van de brede velden van de belofte, wanneer God de vijand verdrijft en de poorten van de omsingelde stad openzet. De Heere laat Zijn werk niet half gedaan. Heeft Hij de vijand op de vlucht gejaagd, dan leidt Hij de gevangene uit in vrijheid. Ruim is het bezit van de gelovige in Jezus, en ruim is zijn plaats. Er hoeft geen grens te zijn aan zijn vrede, want er is geen grens aan zijn voorrecht.

“Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.” Vrije genade ligt aan de grondslag. Dat staat vast: graven we diep genoeg, dan is soevereine genade de waarheid die we op de bodem van elke put van barmhartigheid vinden. Diepzeevisserij in de oceaan van goddelijke mildheid brengt altijd de parels van verkiezende, onderscheidende liefde boven. Waarom Jehova lust aan ons zou hebben, is een vraag zonder antwoord, een verborgenheid die zelfs engelen niet kunnen doorgronden. Maar dat Hij lust heeft aan Zijn geliefden, staat vast. Het is de vruchtbare wortel van gunsten die even talrijk als kostbaar zijn. Gelovige, ga even zitten en laat de leerzame zin die nu voor ons ligt diep tot je doordringen. Leer de onveroorzaakte liefde van God te zien als de oorzaak van alle goedertierenheid waarin wij mogen delen.

Vers 21

“De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid.” Zien we deze psalm als een profetie over de Messias, dan begrijpen we gemakkelijk waarom hier zo sterk over gerechtigheid wordt gesproken, want Zijn klederen waren wit als sneeuw. Maar als woorden van David hebben ze velen in verwarring gebracht. Toch is de zaak bij nader inzien volkomen duidelijk. Rekken we de woorden niet verder op dan bedoeld is, dan hoeft er geen enkele moeilijkheid te ontstaan.

De beschikkingen van Gods genade zijn in de volste mate soeverein en staan los van menselijke verdienste. Toch merken we in Gods leiding van het leven vaak een regel van gerechtigheid op: wie onrecht is aangedaan, krijgt uiteindelijk recht, en de rechtvaardigen worden ten slotte verlost. Davids vroege moeiten kwamen voort uit de goddeloze boosaardigheid van de afgunstige Saul, die zijn vervolging zeker voortzette onder het mom van beschuldigingen tegen het karakter van “den man naar Gods hart.” David verklaart dat die beschuldigingen volkomen onwaar waren. Hij houdt vol dat hij een gerechtigheid bezat die hem uit genade was geschonken, en dat de Heere die genadig had beloond, ondanks al zijn lasteraars. Voor God was de man naar Gods hart een nederige zondaar. Maar tegenover zijn lasteraars kon hij met open gelaat spreken over “de reinigheid mijner handen” en over de gerechtigheid van zijn leven.

Wie voor een menselijke rechtbank zijn onschuld niet kan bepleiten, weet maar weinig van de heiligmakende kracht van Gods genade. Er schuilt geen eigengerechtigheid in een eerlijk man die weet dat hij eerlijk is. Ook niet in zijn geloof dat God hem in Zijn voorzienigheid beloont voor die eerlijkheid, want dat is vaak gewoon een duidelijk feit. Maar het zou wél eigengerechtigheid zijn als we zulke gedachten overbrachten van Gods wereldbestuur naar het geestelijk koninkrijk. Want daar regeert de genade niet alleen oppermachtig, maar ook alléén, als het gaat om het uitdelen van Gods gunsten. Het is geen tegenstelling tot de leer van de zaligheid uit genade, en geen enkel bewijs van een Farizeïsche geest, wanneer een genadig mens die belasterd wordt, krachtig zijn oprechtheid handhaaft en zijn karakter flink verdedigt.

Een godvruchtig man heeft een rein geweten en weet dat hij oprecht is. Moet hij zijn eigen bewustzijn loochenen en het werk van de Heilige Geest verachten door zich huichelachtig slechter voor te doen dan hij is? Een godvruchtig man acht zijn oprechtheid zeer hoog, anders zou hij helemaal geen godvruchtig man zijn. Moet hij hoogmoedig heten omdat hij het juweel van een eerbaar karakter niet zomaar wil kwijtraken? Een godvruchtig man kan zien dat in Gods voorzienigheid oprechtheid en waarheid op den duur zeker hun eigen beloning brengen. Mag hij, wanneer hij die beloning in zijn eigen geval ziet geschonken, de Heere er niet voor prijzen? Ja, moet hij niet veeleer de getrouwheid en goedheid van zijn God verkondigen? Lees de reeks uitdrukkingen in dit en de volgende verzen als het lied van een goed geweten, dat een storm van smaad, vervolging en lastering veilig heeft doorstaan. Dan hoeven we de schrijver niet te verwijten dat hij zijn eigen goede karakter te hoog aanslaat.

Vers 22

Hier klinkt opnieuw de verzekering dat hij zuiver is, nu zowel bevestigend als ontkennend. Er is een “ik heb” en een “ben … niet”, en beide horen thuis in een waarlijk geheiligd leven: dwingende en weerhoudende genade nemen elk hun deel. Deze woorden tekenen de heilige als een reiziger die zorgvuldig “des HEEREN wegen” bewandelt. Hij verlaat het verordende pad niet “goddelooslijk”, dat wil zeggen: opzettelijk, willens en wetens, hardnekkig en uitdagend. Op dat pad schenkt God de pelgrim Zijn gunstige tegenwoordigheid. Let op wat er besloten ligt in de woorden “en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan”: David leefde gewoonlijk in gemeenschap met God. Hij kende Hem als zijn eigen God, van Wie hij kon spreken als “mijn God.” God wijkt nooit van Zijn volk af. Laten zij zich dus hoeden om van Hem af te wijken.

Vers 23

“Want al Zijn rechten waren voor mij.” Gods woord, Zijn karakter en Zijn handelen moeten altijd voor onze ogen staan. We moeten ze leren kennen, overdenken en met ontzag benaderen. Wij mensen vergeten wat ze liever niet willen onthouden, maar de gelovige bewondert de uitnemende eigenschappen van de Allerhoogste met liefde en verrukking. We moeten het beeld van God zó voortdurend voor ons houden dat we er, ieder naar zijn mate, aan gelijkvormig worden. Die innerlijke liefde tot het recht moet de drijfveer zijn van christelijke oprechtheid in onze openbare wandel. Laat de bron gevuld zijn met liefde tot heiligheid, dan zullen de stromen die eruit voortkomen zuiver en genadig zijn.

“En Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.” Wie de Schrift uit zijn gedachten bant, kan er zeker van zijn dat ze zijn wandel niet meer beïnvloedt. Afvalligen beginnen met stoffige Bijbels en eindigen met vuile kleren.

Vers 24

“Maar ik was oprecht bij Hem.” Hier wordt oprechtheid opgeëist, een oprechtheid die voor Gods rechterstoel als echt zou doorgaan. Wat kwade mensen ook van hem dachten, David voelde dat hij de goedkeuring van zijn God had. Bovendien waagt hij het zich te beroepen op zijn vrijheid van die ene grote zonde die hem zo gemakkelijk omringde: “ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.” Het is een heel genadig teken wanneer de hevigste kanten van onze natuur goed worden bewaakt. Breekt de zwakste schakel van de keten niet, dan zijn de sterkere veilig genoeg.

Davids onstuimige aard had hem ertoe kunnen brengen Saul te doden toen die in zijn macht was. Maar de genade stelde hem in staat zijn handen schoon te houden van het bloed van zijn vijand. Wat een wonder was dat, en wat verdient het het om met zoveel dankbaarheid te worden vastgelegd als in deze verzen! Op een van deze dagen zal het ons een zoete hartsterking zijn onze zelfverloochening te herdenken en God te zegenen dat we die konden opbrengen.

Vers 25

Eerst schenkt God ons heiligheid, en dán beloont Hij ons ervoor. Wij zijn Zijn maaksel, vaten gemaakt tot eer. En is zo’n vat eenmaal klaar, dan wordt het de eer niet onthouden, al komt die in werkelijkheid helemaal toe aan de Pottenbakker, op Wiens schijf het vat gevormd is. De prijs gaat naar de bloem op de tentoonstelling, maar de tuinman heeft haar gekweekt. Het kind wint de prijs van de schoolmeester, maar de ware eer voor zijn opleiding komt de meester toe, ook al deelt die de beloning uit in plaats van haar te ontvangen.

Vers 26

Wat de Heere in zijn eigen leven deed, brengt de dankbare zanger op de gewone regel van Gods zedelijk bestuur. Hij is rechtvaardig in Zijn omgang met de mensenkinderen en geeft ieder mens maat voor maat terug. “Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht.” Ieder krijgt zijn vlees gewogen op zijn eigen weegschaal, zijn koren gemeten in zijn eigen korenmaat, en zijn land opgemeten met zijn eigen meetlat. Er is geen eerlijker regel, geen regel die goddeloze mensen meer doet huiveren en geen regel die eervoller is voor wie mild geeft. Wat zouden mensen snel hun lichte gewichten weggooien en hun te korte maten breken, als ze maar konden geloven dat ze uiteindelijk zelf de dupe worden van hun boeventrucs!

Let erop dat zelfs de barmhartigen barmhartigheid nodig hebben. Hoeveel we ook weggeven aan de armen, hoeveel we onze vijanden ook vergeven: het ontslaat ons nooit van onze behoefte aan barmhartigheid. Heere, wees mij zondaar genadig.

Vers 27

“Bij den reine houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar.” (Engels: “met den verkeerde zult Gij U verkeerd betonen.”) De verkeerdheid van de zondaar is zondig en opstandig. De enige zin waarin die term op de Allerheiligste God kan worden toegepast, is die van rechterlijke tegenstand en strengheid. De Rechter der ganse aarde zal dan tegen de overtreder in gaan en hem laten zien dat niet alle dingen dienstbaar gemaakt hoeven te worden aan goddeloze grillen en eigenzinnige inbeeldingen. Calvijn zegt treffend: “Deze beestachtige en monsterlijke domheid van mensen dwingt God nieuwe uitdrukkingswijzen te bedenken en Zichzelf als het ware met een ander karakter te bekleden. Een soortgelijke zin vinden we in Leviticus 26:21-24, waar God zegt: ‘En zo gij met Mij in tegenheid wandelen zult, … zo zal Ik ook met u in tegenheid wandelen’ (of verkeerd, of ruw, of op goed geluk met u). Het is alsof Hij wilde zeggen dat hun halsstarrigheid en koppigheid Hem van Zijn kant Zijn gewone lankmoedigheid en zachtmoedigheid zou doen vergeten, en Hem roekeloos of op goed geluk tegen hen zou doen aanvallen. Zo zien we wat de koppigen ten slotte winnen met hun verstoktheid: God verhardt Zichzelf nog meer om hen te verbrijzelen, en als zij van steen zijn, laat Hij hen voelen dat Hij de hardheid van ijzer heeft.”

De Joodse overlevering zei dat het manna smaakte naar ieders mond. Zeker is dat God Zich aan ieder afzonderlijk mens toont naar diens karakter.

Vers 28

“Want Gij verlost het bedrukte volk.” Wat een troostrijke belofte voor de armen van geest! Hun geestelijke pijn is zo diep dat geen mens haar kan verzachten. Alleen een goddelijke hand kan dat. Zichzelf redden kunnen ze niet, en anderen kunnen het ook niet voor hen doen. Maar God zál hen redden.

“Maar de hoge ogen vernedert Gij.” Wie vol minachting op anderen neerkijkt, wordt zelf over niet al te lange tijd met minachting bekeken. De Heere moet niets hebben van een hoogmoedig oog. Wat een reden voor berouw en diepe nederigheid! Het is zoveel beter om zelf nederig te zijn, dan God uit te dagen ons in Zijn toorn te vernederen!

Let ook op dit opvallende detail: veel zinnen in dit gedeelte staan in de toekomende tijd. Ze spreken dus over wat nog komen gaat. Wat worden we daardoor krachtig herinnerd aan de grote, eeuwige toekomst! Onze vreugde of droefheid van vandaag mag niet zwaarder wegen dan die toekomst.

Vers 29

“Want Gij doet mijn lamp lichten.” Zelfs de kinderen van de dag hebben soms kaarslicht nodig. Juist in het donkerste uur gaat er licht op: er wordt een kaars aangestoken. Dat is een troost die we gerust mogen gebruiken, zonder dat we onszelf iets wijsmaken. Het is immers onze eigen kaars. Toch zorgt God Zelf voor het heilige vuur waarmee die kaars gaat branden. Onze bewijzen van Gods werk in ons zijn echt van ons, maar het troostrijke licht ervan komt van boven. Een kaars die God heeft aangestoken, kan de duivel nooit uitblazen.

Niet elke kaars brandt. Zo zijn er ook genaden die ons nu nog geen troost geven. Toch is het goed om kaarsen te hebben die later kunnen worden aangestoken. En het is goed om genaden te bezitten die ons nog hartverwarmende bewijzen kunnen geven.

Het beeld in dit hele vers is gebouwd op het akelige van de duisternis en het heerlijke van het licht: “het licht is zoet, en het is den ogen goed de zon te aanschouwen.” Zo haalt ook de nabijheid van de Heere alle somberheid van het verdriet weg. Dan kan de gelovige zich verheugen met een overweldigend grote vreugde. Het aansteken van de lamp is een gezellig moment op een winteravond. Maar als God het licht van Zijn gezicht over ons laat opgaan, zijn we nóg veel gelukkiger.

Men zegt dat arme mensen in Egypte zichzelf brood onthouden om olie voor hun lamp te kopen. Zo hoeven ze niet in het donker te zitten. Wij zouden net zo gemakkelijk al onze aardse troost kunnen missen, als het licht van Gods liefde onze ziel maar onafgebroken mocht verblijden.

Vers 30-46

Sommige herhalingen zijn geen lege herhalingen. Een tweede gedachte over Gods barmhartigheid is vaak de beste, en dat is ook hier zo. Wijn wordt sterker en zoeter als hij op zijn droesem ligt. Zo groeit ook onze dankbaarheid naarmate we langer nadenken over Gods goedheid. De verzen die we nu gaan bekijken zijn de rijpe vrucht van een dankbaar hart. Wat hun inhoud betreft zijn het gouden appels, en wat hun taal betreft liggen ze in zilveren schalen. Ze laten ons zien hoe de gelovige overwinning na overwinning behaalt, en hoe zijn vijanden in verwarring raken.

Vers 30

“Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.” Of we onze vijand nu in het open veld ontmoeten, of hem besluipen terwijl hij zich achter de muren van een stad verschuilt: door Gods genade winnen we in beide gevallen. Sluit hij ons in met levende legers, of omringt hij ons met stenen muren? Dan komen we met dezelfde zekerheid vrij. Zulke krachtstukken hebben we al verricht. We hebben ons rennend een weg gebaand door heerscharen van moeilijkheden, en met één sprong het onmogelijke bedwongen.

Gods strijders mogen er dus op rekenen dat ze elke soort strijd leren kennen. Door de kracht van het geloof moeten ze ook vastbesloten zijn om zich als mannen te gedragen. Maar ze moeten er heel zorgvuldig op letten dat ze al hun lauweren aan de voeten van Jehova leggen. Elk van hen moet zeggen: “door mijn God” heb ik deze dappere daad verricht. Onze spolia optima, de beste oorlogsbuit en de trofeeën van onze strijd, dragen we hierbij op aan de God der Legerscharen. Aan Hem schrijven we alle heerlijkheid en kracht toe.

Vers 31

“Gods weg is volmaakt.” Gods handelen met Zijn volk is ver verheven boven elke fout en elke dwaling. Alles wat Hij doet straalt van gerechtigheid, waarheid, tederheid, barmhartigheid en heiligheid. Elke weg van God is op zichzelf volkomen, en al Zijn wegen samen zijn zonder weerga in harmonie en goedheid. Is het niet buitengewoon troostrijk om te geloven dat Hij Die is begonnen ons te zegenen, ook Zijn werk zal afmaken? Want al Zijn wegen zijn “volmaakt.”

Ook Gods “rede” verdient een lofzang. “De rede des HEEREN is doorlouterd”, zoals zilver dat in de oven is gelouterd. De leerstukken zijn schitterend, de geboden zuiver, de beloften betrouwbaar. De hele openbaring zit boordevol genade en waarheid. David heeft het beproefd, duizenden hebben het beproefd, wij hebben het beproefd — en het heeft ons nooit teleurgesteld.

Eerst werden Gods weg en Gods woord geprezen. Dan was het passend dat nu de Heere Zelf werd verheerlijkt. Daarom volgt: “Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.” Geen beproefd harnas en geen koperen schild beschermt een soldaat zo goed als de God van het verbond Zijn strijdende volk Israël beschermt. Hij Zelf is het schild van wie op Hem vertrouwen. Wat een gedachte! Wat een vrede mag elke ziel genieten die op Hem vertrouwt!

Vers 32

Nu David zijn God heeft genoemd, begint zijn hart te branden en vonken zijn woorden. Hij daagt hemel en aarde uit: zoek maar een ander wezen dat naast Jehova aanbidding of vertrouwen verdient! Zijn God is, zoals Matthew Henry zegt, een Onvergelijkelijke, Eén van Zijn soort. De afgoden van de heidenen wil hij niet eens noemen. Zodra het over de Godheid gaat, blaast hij ze allemaal uit als niets.

“Want wie is God, behalve de HEERE?” Wie anders schept, onderhoudt, ziet vooruit en bestuurt alles? Wie is, behalve Hij, volmaakt in elke eigenschap en heerlijk in elke daad? Voor wie anders dan Jehova moeten schepselen zich buigen? Wie anders mag hun dienst en hun liefde opeisen? “En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?” Waar kunnen we een hoop vestigen die blijft? Waar vindt de ziel rust? Waar is een vaste grond te vinden? Waar is kracht te vinden? Alleen in de Heere Jehova vinden we rust en toevlucht, nergens anders.

Vers 33

De overwinnaar kijkt vol vreugde terug op de hele wapenrusting waarin hij streed en won. Hij prijst de Heere voor elk onderdeel ervan. De gordel om zijn heupen verdient het eerste couplet: “Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.” Omgord met kracht uit de hemel was de krijger vol vuur, ver boven alle menselijke macht uit. Zonder die wonderlijke gordel was hij zwak en slap geweest, met verlamde krachten en een verspreid leger. Maar omgord met de gordel van de waarheid voelde hij zich vastberaden in zijn doel, moedig in zijn durven en gebundeld in zijn kracht. Zo werd zijn weg één groot succes, en zo weinig verstoord door rampzalige nederlagen dat hij “volkomen” kon heten.

Zijn wij meer dan overwinnaars gemaakt over de zonde? Is ons leven tot nu toe zo geweest als bij het evangelie past? Laten we dan alle eer geven aan Hem Die ons omgordde met Zijn eigen onuitputtelijke kracht. Zo bleven we ongeslagen in de strijd en onvermoeid onderweg als pelgrims.

Vers 34

Een goddelijke hand had de voeten van de overwinnaar geschoeid. Daarom gaat de volgende toon over die voeten. “Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten.” Toen David zijn vijanden najoeg, was hij zo licht en snel als een jonge ree. Maar hij schept geen behagen in de benen van een mens. Die snelheid schrijft hij alleen aan de Heere toe. Zijn onze gedachten vlug en onze geesten snel, als de wagens van Amminadib? Laten we dan nooit vergeten dat de hand van onze Allerliefste ons deze uitgelezen gunst heeft gegeven.

David beklom onneembare vestingen en bleef bewaard voor uitglijden. Hij mocht staan op plaatsen waar een wilde geit amper een houvast vindt. Daarin werd Gods bewarende barmhartigheid zichtbaar. Ook wij hebben onze hoogten gekend: hoogten van eer, van dienst, van verzoeking en van gevaar. Tot nu toe zijn we voor vallen behoed. Breng de harp erbij, en laten we net zo blij danken als de psalmist! Waren we gevallen, dan zouden onze klachten verschrikkelijk zijn geweest. Nu we zijn blijven staan, moet onze dankbaarheid gloeien.

Vers 35

“Hij leert mijn handen ten strijde.” Dapperheid en vaardigheid met de wapens worden hier dankbaar erkend als gevolg van onderwijs van God. David brengt geen offer op het altaar van zijn eigen ik voor zijn aangeboren handigheid of aangeleerde bekwaamheid. Hij ziet alle moed in de strijd als een geschenk van de gunst van de hemel. Daarom brengt hij zijn dank aan de Gever. De Heilige Geest is de grote exercitiemeester van de soldaten van de hemel.

“Zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.” Waarschijnlijk is een koperen boog bedoeld. Zulke bogen kon je nauwelijks met alleen je armen spannen. De boogschutter moest zijn voet te hulp nemen. Het was dus een geweldig krachtstuk om een boog zo ver door te buigen dat hij in tweeën brak. Het gaat hier om de boog van de vijanden. David rukte hem niet alleen uit hun handen, maar maakte hem ook nutteloos door hem stuk te breken. Zo vernietigde Jezus niet alleen de vurige ingevingen van Satan. Hij brak ook de argumenten waarmee Satan ze afschoot, doordat Hij de Heilige Schrift tegen hem gebruikte. Op dezelfde manier kunnen ook wij zo’n overwinning behalen: de boog breken en de speer doorsnijden met de scherpe kant van de geopenbaarde waarheid.

Waarschijnlijk had David van nature een sterk lichaam. Nog waarschijnlijker is dat hij, net als Simson, soms met meer dan gewone kracht werd bekleed. Hoe het ook zij: de eer van zijn krachtstukken geeft hij helemaal aan zijn God. Laten we de Heere nooit op een goddeloze manier beroven van wat Hem toekomt. Laten we Hem trouw de eer geven die bij Zijn naam hoort.

Vers 36

“Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven.” Bovenal moeten wij het schild van het geloof opnemen, want niets anders kan de vurige pijlen van Satan doven. Dit schild is van hemelse makelij. Het is altijd een rechtstreeks geschenk van God Zelf. Het is het kanaal, het teken, de waarborg en het onderpand van een volmaakt heil.

“Uw rechterhand heeft mij ondersteund.” Door Gods bewarende genade krijgen we steun die we niet zien, en tegelijk helpt de Voorzienigheid ons vriendelijk op een manier die we wél zien. We zijn zulke kleine kinderen dat we niet op eigen kracht kunnen staan. Maar als de rechterhand van de Heere ons ondersteunt, zijn we als koperen zuilen die niet te verplaatsen zijn.

“Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.” Er bestaan verschillende lezingen van deze zin. Het woord kan ook vertaald worden met: “Uw goedheid heeft mij groot gemaakt.” David zag veel welwillendheid in wat God voor hem deed. Zijn grootheid schreef hij dankbaar niet toe aan zijn eigen goedheid, maar aan de goedheid van God. “Uw voorzienigheid” is een andere lezing, en dat is eigenlijk niets anders dan goedheid in daden. Goedheid is de knop waarvan de voorzienigheid de bloem is. Of: goedheid is het zaad waarvan de voorzienigheid de oogst is. Sommigen vertalen: “Uw hulp”, wat slechts een ander woord is voor voorzienigheid, de trouwe bondgenoot van de heiligen, die hen bijstaat in de dienst aan hun Heere.

Volgens enkele geleerde uitleggers betekent de tekst: “Uw nederigheid heeft mij groot gemaakt.” “Uw neerbuigendheid” kan misschien dienen als een samenvattende lezing, waarin de gedachten zitten die we al noemden, en ook die van nederigheid. Doordat God Zichzelf klein maakt, worden wij groot gemaakt. Wij zijn zo klein dat we onder Zijn voeten vertrapt zouden worden, als God Zijn grootheid zou tonen zonder Zich te bukken. Maar God moet Zich bukken om de hemel te zien en Zich buigen om te zien wat de engelen doen. Hij ziet naar de nederigen en gebrokenen om, en maakt hen groot.

Zo luiden de vertalingen van de gangbare grondtekst. Maar er zijn ook heel andere lezingen. De Septuaginta bijvoorbeeld leest: “Uw tucht” — Uw vaderlijke bestraffing — “heeft mij groot gemaakt.” De Chaldeeuwse omschrijving leest: “Uw woord heeft mij vermeerderd.” Toch blijft de gedachte dezelfde. David schrijft al zijn eigen grootheid toe aan de neerbuigende goedheid en genade van zijn Vader in de hemel. Laten we allemaal dit gevoel in ons hart hebben. Laten we belijden dat we alle goedheid en grootheid die God ons ook heeft gegeven, als kronen aan Zijn voeten moeten werpen, terwijl we uitroepen: “Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.”

Vers 37

“Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij.” Voor David lag een effen pad open naar ruime landerijen en legerplaatsen. Hij hoefde niet langer over smalle bergpaadjes te sluipen en zich te verstoppen in de spleten en hoeken van grotten. Nu kon hij de vlakten doorkruisen en wonen onder zijn eigen wijnstok en vijgenboom.

Het is een grote barmhartigheid om in de volle vrijheid en ruimte van het christelijk leven te worden gebracht. Maar het is een nog grotere gunst om in die vrijheid waardig te mogen leven, en niet met onze voeten uit te glijden, hoe wijd het pad ook is. Op de rotsen van de verdrukking blijven staan, dat komt door Gods genadige steun. Maar diezelfde hulp is net zo hard nodig in de weelderige vlakten van voorspoed.

Vers 38

Als de heiligen zo wonderlijk worden bewaard, voorspelt dat weinig goeds voor hun tegenstanders. De Amalekieten dachten dat ze met hun buit veilig weg waren. Maar toen Davids God hem leidde bij de achtervolging, werden ze snel ingehaald en in stukken gehouwen. Als God met ons is, slaan zonden en smarten op de vlucht. Dan wordt elke vorm van kwaad “verteerd” door de kracht van de genade. Wat een edel en indrukwekkend beeld geven dit vers en de volgende ons van de overwinningen van onze heerlijke Heere Jezus!

Vers 39

Onze geestelijke vijanden worden volledig vernietigd. We mogen juichen over zonde, dood en hel, want onze zegevierende Heere heeft ze voor ons ontwapend en machteloos gemaakt. Moge Hij hun genadig ook in ons zo’n nederlaag bezorgen!

Vers 40 en 41

We kunnen het niet vaak genoeg doen: al onze overwinningen toeschrijven aan de God van onze zaligheid. Het is waar dat we moeten worstelen met onze geestelijke tegenstanders. Maar de zege is veel meer van de Heere dan van ons. We mogen niet pochen als eerzuchtige jagers naar ijdele roem. Wel mogen we juichen als bereidwillige, gelovige werktuigen in de hand van de Heere, die Zijn grote plannen door ons uitvoert.

Vers 42

“Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.” Bidden is zo’n opmerkelijk wapen dat zelfs de goddelozen er in hun wanhoop hun toevlucht toe nemen. Slechte mensen hebben God aangeroepen tegen Gods eigen knechten, maar het was allemaal tevergeefs. Het koninkrijk van de hemel is niet verdeeld, en God helpt Zijn vijanden nooit ten koste van Zijn vrienden. Er zijn gebeden tot God die niet beter zijn dan lastering. Ze brengen geen troostend antwoord, maar maken de Heere juist nog bozer.

Stel dat ik iemand zou vragen om zijn eigen kind te verwonden of te doden, om mijn kwaadaardigheid te bevredigen. Zou hij die belediging van zijn menselijkheid niet verafschuwen? Hoeveel minder zal Jehova dan luisteren naar de wrede wensen van de vijanden van Zijn gemeente! Zij durven te bidden om haar ondergang, en noemen haar bestaan scheuring en haar leer ketterij!

Vers 43

De nederlaag van de volken die tegen koning David vochten was zo totaal dat ze eruitzagen als poeder in een vijzel, fijngestampt. Hun macht was in stukken gebroken. Ze werden zo zwak als stof in de wind en zo gewoon als de modder op straat. Zo machteloos en laag zijn de vijanden van God nu geworden door de overwinning van de Zoon van David aan het kruis. Sta op, o mijn ziel, en ga je vijanden tegemoet! Ze hebben een dodelijke klap gekregen en zullen vallen voor jouw moedige opmars.

“De hel en mijn zonden weerstaan mijn loop,
maar hel en zonde zijn verslagen vijanden;
mijn Jezus nagelde ze aan Zijn kruis
en zong de zege toen Hij uit de dood opstond.”

Vers 44

“Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks.” Twist binnen je eigen kring is heel moeilijk om mee om te gaan. Een burgeroorlog is oorlog in zijn ellendigste vorm. Als er van binnen eensgezindheid heerst, is dat een reden voor de warmste dankbaarheid. David prijst Jehova hier voor de eenheid en vrede die in zijn rijk te zien waren. En als wij vrede hebben in de drie koninkrijken van onze geest, ziel en lichaam, zijn we het aan Jehova verplicht Hem een lied te zingen. Ook eenheid in een gemeente moet zeker dezelfde dankbaarheid wekken.

“Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.” De volken in de buurt bogen zich onder het gezag van de vorst van Juda. O, wanneer zullen alle landen koning Jezus aanbidden en Hem dienen met heilige vreugde? Hier is zeker veel meer van Jezus te zien dan van David. Zendelingen kunnen rijke bemoediging putten uit de uitdrukkelijke verklaring dat heidense landen het Hoofdschap van de Gekruisigde zullen erkennen.

Vers 45

“Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.” Zo snel werd de aanvoerder die eerst nog moest vechten voor zijn leven een beroemd overwinnaar. En zo snel kunnen ook onze zegepralen komen. Maar we praten liever over Jezus. Vaak neemt een hart het evangelie meteen aan, terwijl je dat helemaal niet verwacht. Mensen die de boodschap nooit eerder hoorden, worden gegrepen door het allereerste woord en gehoorzamen. Anderen kennen de blijde klank allang, en juist hen maakt het onderwijs eerder hard dan zacht. Wat treurig!

Soms slaat Gods genade over als vuur in droge stoppels, en wordt een heel volk in één dag geboren. “Liefde op het eerste gezicht” is niets bijzonders wanneer Jezus de vrijer is! Hij kan zonder opschepperij Caesars bericht schrijven: Veni, vidi, vici. Het evangelie is soms nauwelijks gehoord of het wordt al geloofd. Wat een aanmoediging om de boodschap van het kruis overal te verspreiden!

Vers 46

“Vreemden zijn vervallen.” Net als dorre bladeren en verschroeide bomen houden onze vijanden, en de vijanden van Christus, geen sap en kracht meer over. Wie een vreemdeling is voor Jezus, is een vreemdeling voor elk blijvend geluk. Wie zich niet wil laten laven door de rivier des levens, verwelkt binnen de kortste keren.

“En hebben gesidderd uit hun sloten.” Vanuit hun schuilplaatsen in de bergen kropen de heidenen vol angst tevoorschijn om de koning van Israël trouw te zweren. Zo komen ook arme zondaars buigend naar de Zaligmaker, Christus de Heere. Ze verlaten de burchten van hun eigen zelfvertrouwen en de holen van hun vleselijke gerustheid. Onze zonden hebben zich in ons vlees en bloed ingegraven als in onneembare vestingen. Toch worden ze verdreven, door de heiligende kracht van de Heilige Geest. Dan dienen we de Heere met een eenvoudig, ongedeeld hart.

Zo rondt de lieflijke zanger zijn beschrijving af. Hij kijkt terug op overwinningen van vroeger en ziet blij uit naar zegepralen die nog moeten komen. Dan richt hij zich weer rechtstreeks tot zijn genadige God en aanbidt Hem.

Vers 47

“De HEERE leeft.” Zijn leven komt nergens vandaan, want het is wezenlijk, onafhankelijk en eeuwig. We dienen geen levenloze, verzonnen of stervende god! Hij alleen bezit onsterfelijkheid. Laten we als trouwe onderdanen roepen: Leef voort, o God! Lang leve de Koning der koningen! Omdat U onsterfelijk bent, wijden wij ons opnieuw aan U. Zoals de Heere onze God leeft, zo willen wij leven voor Hem.

“En geloofd zij mijn Rotssteen.” Hij is de grond van onze hoop. Laat Hij dan ook het onderwerp van onze lofzang zijn. Onze harten zegenen de Heere en verheffen Hem met heilige liefde.

Jehova leeft! Geloofd zij mijn Rotssteen,
en hoog verheven de God van mijn heil!

“En verhoogd zij de God mijns heils.” Hij is onze Zaligmaker, en daarom moet de Heere meer dan ooit worden geëerd. We moeten overal vertellen over het verbond en het kruis: de verkiezing door de Vader, de verlossing door de Zoon en de wedergeboorte door de Geest. Wie ons redt van het verderf dat we verdienden, moet ons heel dierbaar zijn. In de hemel zingen ze: “Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.” Diezelfde muziek hoort ook te klinken waar de heiligen hier op aarde samenkomen.

Vers 48

“De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt.” Genieten van persoonlijke wraak is ongeheiligd en slecht. Maar David zag zichzelf als het werktuig waarmee de vijanden van God en van Zijn volk hun straf kregen. Had hij zich niet verheugd over het succes dat hem was geschonken, dan had hij terecht een standje verdiend.

Dat zondaars omkomen, is op zichzelf een pijnlijke gedachte. Maar dat de wet van de Heere wordt gehandhaafd tegenover wie haar overtreden, geeft een godvrezend mens reden tot dankbaarheid. Toch mogen we nooit vergeten dat wraak niet van ons is. Wraak komt de Heere toe. Hij is daarbij zo rechtvaardig en tegelijk zo geduldig dat we haar gerust aan Hem kunnen overlaten.

Vers 49

Alle vijanden, en vooral die ene die zich door zijn geweld onderscheidde, moesten de Gezalfde des Heeren loslaten. Hij werd bewaard. Uiteindelijk regeerde hij met eer boven Saul en alle andere tegenstanders uit. Hetzelfde einde wacht elke heilige. Want Jezus, Die Zich diep bukte en door mensen gering werd geacht, is nu hoog verheven boven alle overheden en machten.

Vers 50

Paulus haalt dit vers aan (Romeinen 15:9): “En de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen.” Dat is een duidelijk bewijs dat hier Davids Heere aan het woord is. Maar ook David zelf is hier te zien, als voorbeeld van een heilige ziel die zich op God beroemt, zelfs als goddeloze mensen erbij zijn.

Wie zijn die verachters van God, dat wij voor hen onze mond zouden houden? We zingen voor onze God, of ze het nu leuk vinden of niet, en dringen hun de kennis van Zijn goedheid op. Te veel beleefdheid tegenover verraders kan verraad zijn aan onze Koning.

Vers 51

In dit slotvers breekt de dankbaarheid door. De dichter giet er een overvloed aan woorden over uit en bezingt zijn grote vreugde. “Die de verlossingen Zijns konings groot maakt.” Het woord “verlossingen” staat in het meervoud, om te laten zien hoe rijk en volledig dit heil is. Het woord “groot” past er goed bij, als we bedenken waarvan, waartoe en op welke manier wij behouden worden.

Al die barmhartigheid krijgen we in onze Koning, de Gezalfde des Heeren. Waarlijk gezegend zijn zij die als Zijn nageslacht mogen verwachten dat barmhartigheid tot in eeuwigheid wordt opgebouwd. De Heere was trouw aan David, de koning van toen. Hij zal Zijn verbond met de geestelijke David dan zeker niet verbreken. Dat zou nog veel dieper de eer van Zijn kroon en Zijn karakter aantasten.

De Psalm eindigt in dezelfde liefdevolle geest waarmee zij begon. Gelukkig zijn zij die kunnen blijven zingen van liefde tot liefde, zoals de pelgrims van kracht tot kracht verder trokken.

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Gehele psalm

Zo kunnen we de hoofdgedachte van de psalm samenvatten: het is een prachtig danklied. Het begint met een jubelende lofprijs op de glorieuze volmaaktheden van God, Wiens hulp de dichter zo vaak heeft ervaren. Hij beschrijft, of liever: hij tekent zijn gevaren, de macht van zijn vijanden en zijn plotselinge redding. Ook laat hij de woede en de macht zien van zijn goddelijke Verlosser, die zichtbaar worden in hun ondergang.

En hij schildert dit alles in zulke levendige kleuren dat we tijdens het lezen de bliksem lijken te zien, de donder horen en de aardbeving voelen. Daarna vertelt hij over zijn overwinningen, zo dat het lijkt alsof we er zelf bij waren en meestrijden. Hij voorspelt een rijk dat zich ver uitstrekt en sluit af met een verheven uiting van dankbare aanbidding voor Jehova, de Bron van al zijn verlossingen en zegepralen.

De stijl is bij uitstek welsprekend en dichterlijk, verheven en vol ongewone beeldspraak. Het is de natuurlijke taal van een mens met de allerhoogste geestesgaven, door God Zelf ingegeven, diep geraakt door bijzondere weldaden van God en vervuld van de meest verheven gedachten over Gods karakter en Zijn leiding. — John Brown, D.D., 1853.

Gehele psalm

Kitto schrijft in “The Pictorial Bible” bij 2 Samuël 22 de volgende aantekening: “Dit is dezelfde psalm als Psalm 18. . . . De rabbijnen tellen vierenzeventig verschillen tussen de twee afschriften, de meeste heel klein. Die zijn waarschijnlijk ontstaan doordat David het gedicht, zo denken zij, in zijn jeugd schreef en er in zijn latere jaren nog eens aan werkte, toen hij het naar de opperzangmeester stuurde. Het afschrift dat wij hier voor ons hebben, is dan vanzelfsprekend het oudste.”

Gehele psalm

Michaëlis vindt Psalm 18 kunstmatiger en minder echt ontzagwekkend dan de lofzangen van Mozes. Qua opbouw mag dat zo zijn, maar zeker niet qua geest. Velen met ons zien in deze psalm een van de prachtigste lyrische uitbarstingen van de hele Schrift. Het lijkt alsof de dichter zijn pen heeft gedoopt in “den glans, die voor Hem was”, zo levendig beschrijft hij hoe God neerdaalt.

Misschien zegt iemand dat de oplossing het probleem nauwelijks waard is. Zou God ooit neerdalen om David van zijn vijanden te redden? Wie dat zegt, begrijpt de geest van het oude Israël niet. In hun ogen hoefde God niet uit de hemel af te komen. Hij was dichtbij. Een wolkje als een mensenhand kon Hem verbergen, en één kreet of één blik kon Hem doen komen. En waarom zou Davids verbeelding Hem, toen Hij kwam, geen wapenrusting aandoen die bij Zijn grootheid past, in wolken vol vurige kolen? Als Hij dan toch zou neerdalen, waarom dan niet met pracht en praal?

Hoe groot deze psalm is, blijkt hieruit: bijna elke vertaling heeft haar kracht overleefd, en zelfs rijmelarij kreeg er vleugels van en werd goddelijk. Zelfs Sternhold en Hopkins worden door haar vurige wervelwind opgetild, gezuiverd en met echte kracht aangeraakt. Daarna smijt de wind hen weer neer, hulpeloos en hijgend, op hun oude vertrouwde weiland.

Misschien zit de grote aantrekkingskracht van Psalm 18, los van de poëzie van het neerdalen, in het prachtige, fijne spel tussen “ik” en “U”. We hebben gezegd dat het parallellisme de sleutel is tot het Hebreeuwse lied. Dat parallellisme zien we hier tussen David en God, tussen de verloste en de Verlosser, mooi volgehouden in de hele psalm. “Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!” “Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is.” “Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.” “Gij doet mijn lamp lichten.” “Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven.” “Gij omgorddet mij met kracht ten strijde.” “Gij gaaft mij den nek mijner vijanden.” “Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen.”

Er is scherpzinnig beweerd dat het bestaan van het “ik” onvermijdelijk, als een tegenpool, de gedachte aan een “U” oproept. De persoonlijkheid van de mens zou dan de persoonlijkheid van God bewijzen. Hoe dat ook zij, nergens is Davids besef van die persoonlijkheid zo sterk als hier. Hij lijkt Degene aan wie hij zijn dank en aanbidding richt niet alleen te zien, maar ook te voelen en aan te raken. — George Gilfillan, in “The Bards of the Bible”, 1852.

Gehele psalm

Wie wijs wil worden, moet de Spreuken lezen. Wie heilig wil leven, moet de Psalmen lezen. Elke regel in dit boek ademt bijzondere heiligheid. Deze Psalm staat vooraan, maar is als een van de laatste geschreven, zoals het voorwoord ons verzekert. Zij is nagelaten als samenvatting van Davids hele levensgeschiedenis. Zij staat tweemaal in de Schrift (2 Samuël 22 en in dit boek der Psalmen), vanwege haar uitnemendheid en zoetheid. Kennelijk moeten we er dubbel op letten.

De heilige David was bijna aan de overkant. Met een dankbaar hart kijkt hij hier terug op zijn gevaren en verlossingen van vroeger, en hij schrijft deze Psalm om de Heere te loven. Het is alsof ieder van u die op leeftijd is gekomen, zijn leven overziet en Gods wonderbare goedheid en zorg opmerkt. Ga dan zitten en schrijf een bescheiden gedenkboek over de meest opvallende barmhartigheden die u kreeg, tot troost voor uzelf en voor wie na u komt. Dat is een uitstekende gewoonte! Wat zou het u troosten om te lezen hoe goed uw God was voor uw vader of grootvader, die gestorven en heengegaan zijn! Zo zouden uw kinderen zich in de Heere verheugen als ze lezen hoe goed Hij voor u was.

Een beter voorbeeld dan de heilige David kunt u daarvoor niet hebben. Hij schreef deze Psalm toen hij zevenenzestig jaar oud was. De meeste van zijn zorgen lagen achter hem en hij stond bijna klaar voor de reis naar zijn Vader in de hemel. Toen besloot hij dit goede getuigenis over zichzelf op aarde achter te laten. Let er, bid ik u, op hoe hij begint. Hij zet voor zichzelf geen zegeteken op, maar jubelt over zijn God: “Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!” Zoals Gods liefde het begin is van al onze barmhartigheden, zo moet liefde voor God het eind en de vrucht ervan zijn. Zoals de stroom ons naar de bron brengt, zo moeten alle gaven van God ons naar de Gever brengen. Heere, U hebt mij van ziekte gered: “ik zal U hartelijk liefhebben.” Van dood en hel: “ik zal U hartelijk liefhebben.” Mij hebt U genade en troost gegeven: “ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!”

Hij heeft dan alle mooie namen die hij kon bedenken op God gestapeld (vers 3). Want de ware heilige denkt dat hij nooit te goed over God of te slecht over zichzelf kan spreken. Pas daarna begint hij zijn verhaal.

  1. Hij vertelt over zijn gevaren (vers 5 en 6): “Banden des doods”, “beken Belials”, “Banden der hel.” Hel en aarde zijn tegen elke heilige samengespannen. Ze bezorgen hem in deze wereld genoeg ellende, als ze hem niet kunnen weghouden van een betere.
  2. Hij vertelt waar hij zijn toevlucht zocht: in ernstig gebed tot God (vers 7): “Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God.” Als onze gebeden vurige, aanhoudende kreten zijn, hebben ze effect: “mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.” Een moeder blijft rustig bezig zolang het kind alleen maar zeurt. Maar zodra het zijn stem verheft, elke zenuw spant en uit alle macht schreeuwt, gooit zij alles opzij en geeft het wat het wil. Zolang onze gebeden slechts gefluister zijn, kan onze God rustig blijven zitten. Maar zodra wij beginnen te roepen: “Nu zal Ik opstaan, zegt de HEERE.”
  3. Hij vertelt over zijn redding (vers 8 tot 20), door de machtige en ontzagwekkende arm van de Heere. In verheven taal wordt Hij opgevoerd om Zijn knecht te helpen, alsof Hij hemel en aarde liever door elkaar zou gooien dan Zijn kind aan de klauwen van de leeuw over te laten.
  4. Hij vertelt waarom God zo genadig met hem omging (vers 21 en volgende). Hij was een rechtvaardig mens en had een rechtvaardige zaak. Daarom keert hij zich tot God en zegt: U hebt met mij gedaan zoals U gewoonlijk doet: “bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht.” — Richard Steele in “Plain Discourse upon Uprightness”, 1670.

Gehele psalm

Soms verkwikt en troost de Heere het hart van Zijn volk met vrolijke, nieuw leven gevende gebeurtenissen, zowel openbare als persoonlijke. Er zijn tijden waarin God ons optilt, net zoals er tijden zijn waarin Zijn hand ons neerhaalt. Het toneel verandert. De omstandigheden zijn blij en bemoedigend, de winter lijkt voorbij, en de rouwkleren gaan uit. En dan, ach, wat een zoete vergoeding krijgen genadige, hemelsgezinde zielen!

Verheft God hen door voorspoed? Dan verheffen zij op hun beurt hun God met lofzangen. Zie de titel en vers 2-4 van Psalm 18. Zo deden Mozes en het volk met hem (Exodus 15), toen God hen van Farao had verlost. Wat hebben zij Hem hoog geprezen in een danklied dat door zijn bevalligheid en geestelijke diepte een beeld is geworden van de lofzangen die de heiligen in heerlijkheid aan God brengen. Openbaring 15:1. — John Flavel.

Titel

“De knecht des HEEREN.” Die naam werd gegeven aan Mozes (Jozua 1:1, 13, 15 en op negen andere plaatsen in dat boek) en aan Jozua (Jozua 24:29; Richteren 2:8). Aan niemand anders dan David werd hij gegeven (hier en in de titel van Psalm 36). Vergelijk Handelingen 13:36, uphreteoas. Dat zegt veel. Het herinnert ons aan de plaats die David had in de geschiedenis van Israël. Hij was de aangewezen opvolger van Mozes en Jozua, die de macht van Israël uitbreidden over het hele gebied dat God hun beloofd had. — W. Kay, 1871.

Titel

Deze Psalm heet een shirah (een lied) en is Davids lofzang aan God omdat Hij hem van al zijn vijanden verloste (zie de titel en 2 Samuël 22, hierboven). Zij staat op een passende plek in deze groep Psalmen, die gaan over opstanding na lijden. Zij heet een Psalm van David, “de knecht des HEEREN”, en is zo verbonden met een andere psalm over verlossing, Psalm 36. — Christopher Wordsworth.

Vers 2

“Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE.” Het woord waarmee de psalmist zijn volle liefde uitdrukt, betekent als zelfstandig naamwoord een baarmoeder. Het wijst op een liefde die uit het diepste van een mens komt (Hebr. matrix): uit zijn ingewanden, uit de bodem van zijn hart, zoals wij dat zeggen. Daarom wordt het vaak gebruikt voor medelijden en ontferming die diep in het binnenste gevoeld worden. Sommigen vertalen de uitdrukking dan ook zo: “Uit mijn binnenste ingewanden zal ik U liefhebben, o Heere.”

Om te laten zien hoe volledig en vurig zijn liefde voor God is, zegt hij vaak dat hij Gods geboden zeer liefheeft. Vol verwondering zegt hij: “Hoe lief heb ik Uw wet! … Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud. … ik heb ze zeer lief” (Psalm 119:97, 127, 167). Daarom zegt hij tot God: “Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb” (vers 159). — William Gouge, 1575-1653.

Vers 2

“Ik zal U hartelijk liefhebben.” Zo innig, zo teder als een moeder het kind liefheeft dat uit haar eigen schoot is geboren. — Aantekeningen van de Westminster-synode, 1651.

Vers 2, 3

God heeft Zichzelf als het ware weggegeven aan de gelovigen. Let goed op wat David zegt. Hij zegt niet: ‘God zal mij het heil geven.’ Nee, hij zegt: Hij is “de Hoorn mijns heils.” God Zelf is de zaligheid van Zijn volk, Hij Zelf is hun deel! Zonder God zou het heil hun weinig zeggen. Voor de heiligen is het een groter geluk om God te hebben dan om het heil te hebben. Valse en vleselijke mensen kunnen heel veel verlangen naar zaligheid uitspreken, want zaligheid, hemel en heerlijkheid klinken hun mooi in de oren. Maar naar God en Jezus Christus gaat hun hart nooit uit. Het heil is hun lief, maar een Zaligmaker hebben zij niet nodig.

Waar het geloof zich het meest op richt, is God Zelf. Hij zal mijn heil zijn! Laat mij Hem maar hebben, dan heb ik heil genoeg. Hij is mijn leven, Hij is mijn troost, Hij is mijn rijkdom, Hij is mijn eer, Hij is mijn alles. Zo ging Davids hart rechtstreeks naar God Zelf uit, en zo spreekt hij het ook uit: “Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte! De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek.”

Voor de heilige David was het kostbaarder dat God zijn sterkte wás dan dat God hem sterkte gaf. Kostbaarder dat God zijn Uithelper was dan dat hij zelf geholpen werd. Kostbaarder dat God zijn burg, zijn schild, zijn hoorn en zijn hoog vertrek was dan dat hij alleen de gevolgen daarvan mocht ontvangen. Zo behaagt het David, en zo behaagt het alle heiligen: het is hun meer waard dat God hun heil is, voor nu en voor altijd, dan dat Hij hen redt. De heiligen kijken eerst naar God Zelf, en pas daarna naar alles wat van God komt. — Joseph Caryl.

Vers 2, 3

David spreekt als iemand die vol vurige liefde is voor God. Hij tooit Hem met belijdenissen van lof, en zijn mond stroomt over van de lof van de Heere. Dat zien we aan de overvloed van woorden waarmee hij Hem looft, aan deze overvloed, deze rijkdom aan heilige woorden die zomaar uit zijn hart opwelt. — Edward Marbury.

Vers 3

“De HEERE is mijn Steenrots.” Een rots die moeilijk te beklimmen is, geeft een goede schuilplaats wanneer vervolgers ons op de hielen zitten. Zo is God de veilige toevlucht voor iedereen die in nood naar Hem toe vlucht om bij Hem hulp te zoeken. — Robert Cawdray.

Vers 3

“Mijn Uithelper.” Wie zich in zo’n ontoegankelijke schuilplaats had teruggetrokken, moest zich soms door de honger overgeven aan zijn vijand, die beneden op de loer lag. Maar Jehova geeft niet alleen veiligheid, Hij geeft ook vrijheid! Hij beschermt de Zijnen als het ware in een onneembare schuilplaats, en laat hen tegelijk veilig weer naar buiten gaan. — Jarchi.

Vers 3

“De Hoorn mijns heils.” Waarop dit beeld precies zinspeelt, weten we niet zeker. Sommigen denken aan de hoorns van dieren, waarmee zij zich verdedigen en hun vijanden aanvallen. David zou dan zeggen: “God is voor mij en doet voor mij wat hun hoorns voor hen doen.” Anderen wijzen op het welbekende feit dat krijgers gewoon waren hoorns, of versieringen in de vorm van hoorns, op hun helmen te dragen. De hoorn staat dan voor de helm, en “de helm des heils” betekent zoveel als “een helm die redt en beschermt.”

Weer anderen denken aan de hoeken of handvatten van het altaar in het voorhof van de tabernakel of de tempel, die de hoorns van het altaar worden genoemd. En nog anderen denken aan het hoogste punt van een hoge, steile berg, dat wij de top noemen. In het Hebreeuws wordt het woord hoorn zeker ook voor een berg gebruikt, zoals in Jesaja 5:1. Een zeer vruchtbare berg heet daar een hoorn van olie. De strekking blijft in wezen dezelfde, welke van deze uitleggingen we ook kiezen. Zelf ben ik, door het verband met “schild” of “rondas”, geneigd de tweede uitleg het meest waarschijnlijk te vinden. Dat sluit aan bij hetzelfde denkbeeld in Psalm 140:8: “Gij hebt mijn hoofd bedekt” – en U zult bedekken – “ten dage der wapening.” — John Brown.

Vers 3

“De Hoorn mijns heils.” Hoorns zijn bekende beelden van kracht en macht, bij heilige én gewone schrijvers. Het beeld komt van gehoornde dieren, die dichters vaak als vergelijking gebruiken, en wier kracht, bij aanval of verdediging, vooral in hun hoorns zit.

Bruce vertelt over een heel opvallend hoofdsieraad dat de landvoogden van de provincies in Abessinië dragen. Het is een grote, brede band die om het voorhoofd wordt gelegd en achter het hoofd wordt dichtgeknoopt. Midden op die band zit een hoorn: een kegelvormig stuk verguld zilver van ongeveer vier duim lang, bijna zoals onze gewone kaarsendovers. Het heet kirn, oftewel hoorn, en wordt alleen gedragen bij een legerschouw of parade na een overwinning. Bruce denkt dat dit gebruik, zoals meer Abessijnse gewoonten, van de Hebreeën is overgenomen. Volgens hem wordt er in de Schrift op vele plaatsen op gezinspeeld, in uitdrukkingen als “de hoorn opheffen”, “de hoorn verhogen” en dergelijke. — Richard Mant.

Vers 3

“De HEERE is … mijn Hoog Vertrek.” Stel dat iemand naar een toren rent, maar die toren is zwak en onbruikbaar: geen mannen, geen munitie, een bouwvallige, wankele toren. Of stel dat hij wel een sterke, degelijke toren kiest, maar bij gevaar niet naar die toren gaat en gewoon blijft zitten. Of dat hij niet blijft zitten, maar er rustig naartoe slentert. Dan kan het gevaar hem inhalen, grijpen, overvallen en afsnijden voordat hij onder het dak van de toren is. Wie echt veilig wil zijn, moet dus niet alleen een sterke toren kiezen. Hij moet er ook naartoe gaan, ja, erin rennen! Maar rennen alleen beschermt een mens niet, als de toren niet sterk is. . . .

David had zijn toren bereikt, en in die toren stond donderend geschut, klaar voor gebruik. David stak het aan door te bidden, vers 7: “Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.” Kijk: hier bidt David, en daarmee geeft hij vuur aan de kanonnen. En wat gebeurde er toen? Dat lezen we direct daarna. Zie vers 8, 9, 14 en 15: “Toen daverde en beefde de aarde”, enzovoort. “Rook ging op van Zijn neus”, enzovoort. “En de HEERE donderde in den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen. En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.”

In Davids tijd waren geweren en kanonnen nog niet eens uitgevonden. En toch deden Davids gebeden, in déze toren, hem net zoveel dienst tegen zijn vijanden als al het geschut van de wereld ooit heeft gedaan. David had donderend geschut en bracht zijn vijanden daarmee in verwarring, lang voordat er buskruit en geweren bestonden.

Bekend en gedenkwaardig is het verhaal van het christelijke legioen in het leger van Marcus Aurelius. Het leger van de vijand zat in grote nood, en die christensoldaten kregen door hun gebeden niet alleen regen, die het uitgeputte leger weer opfriste, maar ook hagel vermengd met bliksemstralen tegen hun vijanden. Daarom eerde de keizer hen met de naam Legio fulminatrix, het Donderende Legioen. Zij gebruikten Davids kanon tegen de vijand en vuurden dat donderende geschut af met hun gebeden, tot verwarring van hun vijanden. — Jeremiah Dyke in “Righteous Man’s Tower”, 1639.

Vers 3

“Mijn Hoog Vertrek.” De vogels van de hemel vliegen hoog op om aan de netten en strikken van de vogelvangers te ontkomen. Zo moeten ook wij, als wij veilig willen zijn, naar God vluchten om de ontelbare strikken van de verzoeking te ontlopen. Dan stijgen we op, ver boven de verdorvenheid, de leugenachtige ijdelheden en de listige streken van de wereld. — Robert Cawdray.

Vers 4

“Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is.” Bidden en God aanroepen moeten altijd en overal samengaan met lofprijzing en dankzegging. Zo wordt ons gebed het middel waarmee het geloof het goede uit God put: het goede waarvan het weet dat het bij Hem te vinden is en dat Hij beloofd heeft. — David Dickson.

Vers 4

“En werd verlost van mijn vijanden.” Wie tot God komt zoals het hoort, zal niet tevergeefs roepen. Het juiste soort gebed is het krachtigste middel dat de aarde kent. — William S. Plumer.

Vers 5

“Banden des doods.” Het is juist het kenmerk van de hemel dat hij het land der levenden is. Dit hele aardse leven is hooguit de schaduw des doods, de poort des doods, de smarten des doods, de strikken des doods, de verschrikkingen des doods, de kamers des doods, het vonnis des doods, de geur des doods, de bediening des doods, de weg des doods. — Matthew Griffith, 1634.

Vers 5

“Banden des doods hadden mij omvangen.” Het is niet makkelijk om met zekerheid vast te stellen wat met de “banden” of “koorden” des doods wordt bedoeld. Het kan hetzelfde zijn als “de banden waarmee de doden gebonden zijn”. Dan is omringd zijn door de banden des doods niets anders dan een beeldspraak voor dood zijn.

Het kan ook de banden betekenen waarin iemand wordt vastgebonden terwijl hij een gewelddadige dood tegemoet gaat. Die banden maken zijn dood onvermijdelijk, want hij kan niet meer ontsnappen. Sommigen denken dat hier wordt gezinspeeld op een oude manier om wilde dieren te vangen. Een flink stuk land werd met stevige touwen omheind. Dan werd de kring langzaam kleiner, tot het wild zo opgesloten zat dat het een makkelijke prooi voor de jager werd. Dat waren de koorden des doods: ze maakten de dood van het dier zeker.

Op onze Heere is de uitdrukking in beide betekenissen van toepassing, dus beide verklaringen zijn mogelijk. Maar “de beken” van goddeloosheid, of de goddelozen, worden afgebeeld als iets wat Hem angst aanjoeg nadat Hij al door de koorden des doods was omringd. Omdat dat zo is, ben ik geneigd de uitdrukking in de laatste van die twee betekenissen te verstaan. — John Brown.

Vers 5

“De beken.” Geen beeld komt bij de heilige dichters vaker voor dan dat van vreselijke, onverwachte rampen als overweldigend water. De Hebreeën kenden dit beeld bijzonder goed en vonden het heel gewoon, want het kwam rechtstreeks uit hun eigen land en hun eigen gewoonten. Ze hadden altijd de Jordaan voor ogen, die elk jaar buiten haar oevers trad. Dat gebeurde wanneer tegen de zomer de sneeuw van de Libanon en de bergen eromheen smolt en plotseling in stromen naar beneden stortte, zodat de stroom van de rivier aanzwol.

Bovendien kent heel het land Palestina, hoewel er weinig rivieren het hele jaar door stromen, door zijn bergachtige karakter talloze bergstromen, die na de regentijden door de smalle dalen naar beneden razen. Andere dichters gebruiken dit beeld ook, en kennen het goed. Maar voor de Hebreeën was het bijzonder vertrouwd, als het ware een beeld uit hun eigen huis en leven. Daarom gebruikten zij het ook veel vaker en vrijer. — Robert Lowth (bisschop), 1710-1787.

Vers 6

“Strikken des doods bejegenden mij.” Het woord “strikken” wijst op vallen of lussen zoals die voor vogels en wilde dieren worden neergelegd. Het Engelse woord “prevent” is sinds het ontstaan van onze geautoriseerde bijbelvertaling van betekenis veranderd. De oorspronkelijke betekenis is “voorafgaan”. — John Brown.

Vers 7

“Als mij bange was.” Luister maar eens goed naar Davids harp: je hoort er evenveel treurmuziek als vreugdeliederen. En het penseel van de Heilige Geest heeft meer moeite gedaan om de verdrukkingen van Job te schilderen dan de gelukzaligheden van Salomo. Voorspoed is niet zonder veel angst en bitterheid, en tegenspoed is niet zonder troost en hoop.

Denk aan naaldwerk en borduurwerk: een levendig motief op een donkere, plechtige ondergrond is mooier dan een somber, zwaarmoedig motief op een lichte ondergrond. Oordeel dus over de vreugde van het hart naar de vreugde van het oog. Deugd is zeker als kostbare geuren: het meest geurig wanneer ze worden fijngedrukt. Want voorspoed laat de ondeugd het best zien, maar tegenspoed laat de deugd het best zien. — Francis Bacon, Baron van Verulam, enzovoort, 1561-1626.

Vers 7

“Riep ik den HEERE aan, en riep.” Bidden is geen kwestie van welsprekendheid maar van ernst. Het zit niet in het beschrijven van onze hulpeloosheid, maar in het voélen ervan. Het is de roep van het geloof, gericht tot het oor van de barmhartigheid. — Hannah More, 1745-1833.

Vers 7

“Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis” (Engels: tempel), enzovoort. De aedilen, de kamerheren van de Romeinen, hielden hun deuren altijd open voor iedereen die een verzoek of een klacht had en vrij bij hen wilde binnenkomen. “Gods barmhartigheidsdeuren staan wijd open voor de gebeden van Zijn gelovig volk.” De Perzische koningen daarentegen rekenden het tot hun dwaze eer om zelfs hun grootste onderdanen de toegang te ontzeggen. Het was de dood om hen ongeroepen te naderen. Zelfs Ester was bang om voor de koning te verschijnen.

Maar de Koning van de hemel laat Zich zien aan Zijn volk. Hij roept Zijn bruid met: “toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen”, enzovoort. En Hij wijst haar nalatigheid hierin aan als de oorzaak van haar zielsziekte. De deur van de tabernakel was niet van hard of afsluitend materiaal gemaakt, maar was een voorhang, waar men gemakkelijk doorheen kon gaan. In de tempel mocht niemand dichtbij komen om te aanbidden, behalve de hogepriester; de anderen bleven buiten, in het buitenste voorhof. Maar nu is Gods volk een koninkrijk van priesters, en er wordt van hen gezegd dat zij aanbidden in de tempel en bij het altaar. Openbaring 11:1.

“Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs”; “laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.” Hebreeën 10:22; 4:16. — Charles Bradbury in “Cabinet of Jewels”, 1785.

Vers 7

O, wat is het waar dat “het geloof veilig is wanneer het in gevaar verkeert, en in gevaar wanneer het zich veilig voelt; en dat het gebed vurig is in nood, maar in blijde en voorspoedige tijden, zo niet helemaal koud en dood, dan toch lauw.” O, wat zijn benauwdheden dan gelukkig, als ze ons gemoed ervan weerhouden zich uit te storten over aardse dingen en zich met het slijk te vermengen! Als ze onze omgang met de hemel verdiepen en onze liefde voor het hemelse aanwakkeren. Want zonder die liefde verdient wat wij leven noemen eerder de naam dood! — Robert Leighton, D.D.

Vers 7, 8

Het gebed van één enkele heilige heeft soms wonderbaarlijke gevolgen: “Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren. Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.” Wat kan dan een donderend legioen van zulke biddende zielen niet doen!

Van Luther werd gezegd: iste vir potuit cum Deo quicquid voluit, die man kon van God krijgen wat hij maar wilde. Zijn vijanden voelden het gewicht van zijn gebeden heel zwaar, en de kerk van God plukte er de vruchten van. De koningin van Schotland verklaarde dat zij banger was voor de gebeden van de heer Knox dan voor een leger van tienduizend man. Dit waren machtige worstelaars met God, hoezeer hun vijanden hen ook verachtten en zwartmaakten. Er komt een tijd dat God de gebeden zal verhoren van Zijn volk, dat voortdurend in Zijn oren roept: “Hoe lang, Heere, hoe lang?” — John Flavel.

Vers 8

“Toen daverde en beefde de aarde.” Het Hebreeuwse woord betekent: hevig bewegen of schudden, zodat alles op zijn grondvesten trilt. Het wordt ook gebruikt voor het waggelen en zwaaien van een dronkaard. Jeremia 25:16. — John Morison, bij deze plaats.

Vers 8

Laat geen schijnbare onmogelijkheden je doen twijfelen aan wat God in Zijn genadige woorden heeft toegezegd. Ook al zie je niet hoe het kan gebeuren, het is genoeg dat God heeft gezegd dat Hij het zal doen. Er is geen hindernis voor de beloofde zaligheid waar wij bang voor hoeven te zijn. Hij is de God van deze zaligheid en de Auteur van de belofte. Hij zal Zelf de weg banen voor Zijn eigen werk, zodat “alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden.” Lukas 3:5. De dalen mogen zo diep zijn dat we de bodem niet kunnen zien, en de bergen zo hoog dat we de toppen niet kunnen zien: God weet precies hoe Hij het ene moet ophogen en het andere moet effenen. Jesaja 63:1: “Ik ben het, Die in gerechtigheid (of getrouwheid) spreek, Die machtig ben te verlossen.”

Als er iets is dat het koninkrijk van Christus zou kunnen tegenhouden, dan is het ons ongeloof. Maar Hij zal komen, ook al vindt Hij geen geloof op aarde. Zie Romeinen 3:3. Gooi je vertrouwen niet weg omdat Hij Zijn vervulling uitstelt. Gods wegen met ons lijken soms dwars te lopen en heen en weer te gaan, maar je hebt een zeker en betrouwbaar woord waarop je kunt steunen. Beloften kunnen een tijdlang vertraagd lijken, maar uiteindelijk kunnen ze nooit worden verijdeld.

Waag het niet zo’n gedachte in jezelf toe te laten als in Psalm 77:9: “Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht?” Het bestaan van God kan net zo goed ophouden als Gods belofte kan falen. Wat niet op jouw tijd komt, zal op Zijn tijd versneld worden, en die tijd is altijd de beste. Beschuldig Hem niet van traagheid, Hem Die gezegd heeft: “Ik kom haastiglijk.” Dat betekent: Hij komt zodra alles klaar en rijp is voor Zijn verschijning. “De Heere vertraagt de belofte niet” (2 Petrus 3:9): dat is even waar als dat Hij Zich nooit schuldig maakt aan het breken van Zijn belofte. Wacht dus, hoe lang Hij ook wegblijft, en blijf verwachten. Geef het wachten niet op, blijf uitkijken! Gods hart is niet veranderd, ook al is Zijn aangezicht verborgen. En gebeden worden niet teruggegooid, ook al worden ze niet meteen verhoord. — Timothy Cruso.

Vers 8, 9

De vulkanische verschijnselen in Palestina roepen een vraag op waarover we, wetenschappelijk gezien, te weinig gegevens hebben om er iets zinnigs over te zeggen. Toch bieden de geschiedenis en de letterkunde van dit volk genoeg aanwijzingen dat er zo’n werking aan de gang was. Het Jordaandal, met zijn kale woestenij én zijn weelderige plantengroei, was één aanhoudend onheilsteken. Uit zijn spleten en scheuren vertakten zich, zelfs tot diep in het binnenland van Judea, de angstaanjagende verschijnselen van – zo niet de vulkaan – dan toch zeker de aardbeving.

Welke gevolgen ze hadden op de plekken waar ze toesloegen, zal blijken naarmate we verder komen. Maar de sporen die ze in het blijvende levensgevoel van het volk hebben achtergelaten, moeten we hier al opmerken. De geschriften van de psalmisten en profeten wemelen van zulke verwijzingen, ook al ziet een vluchtige lezer ze over het hoofd. Net als de bodem van hun land golven en woelen die geschriften werkelijk op en neer, als een aarde die nooit tot rust komt, en worstelen ze met de vurige stuiptrekkingen die onder het oppervlak gloeien. — Arthur Penrhyn Stanley.

Vers 8-10

Toen Jezus aan het kruis hing, kwam er een bovennatuurlijke duisternis “over de gehele aarde”. En zodra Hij Zijn geest had gegeven, “scheurde het voorhangsel des tempels in tweeen, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden. En de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt; en uit de graven uitgegaan zijnde, na Zijn opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen.” — John Brown.

Vers 8-10

Op de nacht dat de Idumeeërs voor Jeruzalem lagen, brak er een geweldige storm los, met felle winden, zeer hevige regens, bliksem na bliksem, verschrikkelijke donderslagen en het diepe gebrul van de schuddende aarde. Het was duidelijk dat het heelal van slag raakte door de slachting onder de mensen. Je kon dus wel vermoeden dat dit tekenen waren van een geweldige ramp. . . .

Op de dag van Pinksteren gingen de priesters ’s nachts, zoals gewoonlijk, de binnentempel binnen om hun dienst te verrichten. Zij vertelden dat ze eerst een schudding en een gedruis opmerkten, en daarna een plotselinge stem: “Laat ons van hier gaan.” . . .

Enkele dagen na het feest der ongezuurde broden werd er een vreemd, bijna ongelooflijk schouwspel gezien. Ik denk dat men het voor een louter verzinsel zou houden, als het niet verteld werd door mensen die het met eigen ogen hadden gezien, en als de ellende die erop volgde niet zo precies bij de tekenen had gepast. Vóór zonsondergang zag men namelijk, hoog in de lucht boven het hele land, wagens en gewapende legerafdelingen die snel door de wolken trokken en de stad omsingelden. — Flavius Josephus, 37-103.

Vers 9

“Rook ging op van Zijn neus” (Hebr. woorden). Of liever: er steeg iets op in Zijn neus, want zo luiden de woorden letterlijk vertaald. Mensen in de oudheid zochten de zetel van de toorn in de neus, of de neusgaten. Wanneer de toorn namelijk gloeit en woedt, verraadt hij zich als het ware door een verhitte, heftige ademstoot die eruit voortkomt. — Samuel Chandler, D.D., F.R. and A.S.S., 1766.

Vers 9-20

David roept hier alle kracht van de dichterlijke beeldspraak te hulp om de wonderen van zijn verlossingen passend te beschrijven. Hij wil zeggen dat ze zo onmiskenbaar waren als de tekenen van hemel en aarde, zo plotseling en krachtig als de verschijnselen in de natuur die schrikbarend over stervelingen komen. Omdat verlossing zijn thema was, had hij zijn beeld ook kunnen ontlenen aan de vredige verschijnselen van de hemel. Maar de mens let meer op de hemel in toorn dan in zegen, en hij staat meer stil bij God wanneer Die in de storm op aarde neerdaalt dan wanneer Hij Zich in de regenboog laat zien. Daarom schildert David hoe God Zich genadig neerbuigt als een onweer.

Om de schoonheid en waarheid van dit beeld volledig te waarderen, moeten we proberen de volle kracht van een oosters onweer te beseffen, zoals Psalm 29 die beschrijft. Eén bliksemschicht gaat aan de ontlading vooraf — dat is de bedoeling van de kolen in vers 9. De wolken naderen de bergtoppen — de hemelen buigen zich, zoals vers 10 zegt. De storm schudt zijn vleugels. Gehuld in dikke wolken als in een tent daalt God neer op de aarde. Hagel (die oosterse stormen niet zelden vergezelt) en bliksem breken los uit de zwarte wolken, en door hun optrekkende lagen heen zien we de vurige pracht die de Heere van de natuur verbergt.

Hij spreekt, en de donder is Zijn stem. Hij schiet, en bliksemflitsen zijn Zijn pijlen. Bij Zijn bestraffing, bij de felle stoot van Zijn adem, deinst de aarde terug — de zee schuimt op en haar bodem komt bloot te liggen — het land barst open en de grondslagen van de wereld liggen onthuld. En zie! Een arm van verlossing schiet uit de zwarte wolken tevoorschijn, en het verwoestende vuur grijpt de ellendige die uit de diepte had geroepen, trekt hem omhoog en redt hem van al zijn vijanden!

Ja, de hand des Heeren heeft wonderbare dingen gedaan in Davids leven. Maar alleen het oog des geloofs kon daarin steeds Gods hand ontdekken. Duizenden mensen wier ervaring van Gods reddende hand niet minder opvallend is dan die van David, blijven steken bij de krachten van de natuur. In plaats van de knie te buigen voor de Algenadige God, stellen zij zich tevreden met koude harten hun bewondering uit te spreken over de wisselende gebeurtenissen in het leven van mensen. — Augustus F. Tholuck, D.D., Ph.D. — 1856.

Vers 10

“En Hij boog den hemel, en daalde neder.” In een onweer zakken de wolken lager naar de aarde, van de bergen naar de dalen. De psalmist neemt dit beeld over, dat zo bij zulke gelegenheden hoort, om Gods nabije komst ten oordeel te beschrijven (Psalm 144:5 en verder; Hebreeën 3:6). “En donkerheid was onder Zijn voeten.” Hier zien we de verschrikkingen van de storm aanzwellen en Zijn komst steeds dichterbij schuiven. Maar God Zelf is nog niet geopenbaard: er is duisternis onder Zijn voeten.

Dikke duisternis ging mee met Gods nederdaling op de berg Sinaï (Exodus 20:21; Deuteronomium 4:11). Ze omhult ook Zijn troon, om de overweldigende majesteit van de Godheid voor ons te verhullen. Psalm 97:2. Maar terwijl deze duisternis het komende oordeel verbergt, kondigt ze tegelijk droefheid en angst aan voor hen die Zijn toorn zullen voelen. Lukas 21:25, 26. — W. Wilson, in loc.

Vers 10-12

—

Hij boog ook de hemelen
en daalde neder;
donkere wolken
waren onder Zijn voeten.

Hij reed op een cherub
en vloog daarop;
ja, op de snelle vleugelen van den wind
ijlde Hij voort.

Duisternis maakte Hij tot Zijn schuilplaats;
rondom Hem, als een tent,
waren donkere wateren
en dikke wolken van het uitspansel.

Vrij vertaald uit Schotse berijming, 1649.

Vers 10-13

—

Toen Hij nederdaalde, boog de hemel zich ter aarde,
en somber rolde het duister onder Zijn voeten;
Hij besteeg een gouden, gevleugelde cherub
en reed voort op de vleugels van de storm.

Het duister maakte Hij tot Zijn verborgen woning;
dichte nevels en zware, druipende wolken
legde Hij rondom Zich heen;
maar de glans van Zijn tegenwoordigheid dreef ze uiteen,
en daaruit stortten in stromen neer
gloeiende kolen en hagelstenen.

— George Sandys (1577–1643)

Vers 11

“Cherub.” De Hebreeuwse naam is verwant aan het woord Rechub, een wagen. Dat woord staat in Psalm 104:3 in bijna dezelfde zin als hier “cherub”. Ook de cherubs worden een wagen genoemd (1 Kronieken 28:18), en Gods engelen zijn Zijn wagens (Psalm 68:18). Op deze plaats lijken juist zij bedoeld te zijn. Van engelen wordt immers gezegd dat zij vliegen (Daniël 9:21), en de cherubs hadden vleugels (Exodus 25:20); de apostel noemt hen “cherubijnen der heerlijkheid” (Hebreeën 9:5).

In Psalm 80:2 wordt van God gezegd dat Hij “tussen de cherubim zit” (Engels: op de cherubs zit), zoals Hij hier op hen rijdt. En “een cherub” kan staan voor velen, of voor alle cherubs, zoals “wagen” staat voor wagens in Psalm 68:18. — Henry Ainsworth.

Vers 11

“Cherubs.” De “cherub” had de gezichten van een mens, een leeuw, een stier en een adelaar. Daarin kwamen als het ware de intelligentie, de majesteit, de kracht en het leven van de natuur samen, en daarom was hij een zinnebeeld van de krachten van de natuur. Wanneer machtige elementen, zoals in een storm, God dienen, wordt gezegd: “Hij voer op een cherub.” — Augustus F. Tholuck.

Vers 11

“Cherub.”—

“Hij reed verheven op de vleugels van de cherub
door het kristallen uitspansel.”

— John Milton.

Vers 11

Wanneer God komt om Zijn vijanden te straffen en Zijn volk te redden, verrast niets Zijn vrienden of vijanden zo sterk als de bewonderenswaardige snelheid waarmee Hij beweegt en handelt: Hij vliegt “op de vleugelen des winds.” — William S. Plumer.

Vers 11

De geïnspireerde dichter brengt elke omstandigheid in zijn verhaal die de pracht van Jehova’s nederdaling op Zijn vijanden kan verhogen. Het is niet genoeg dat de hemelen zich onder Hem buigen en dat wolken van duisternis in verschrikkelijke majesteit onder Zijn voeten voortrollen. Ook legioenen cherubs dragen gewillig Zijn troon, en snel als de lucht vliegt Hij “op de vleugelen des winds.” In dit overweldigende tafereel zien we alles verschijnen wat bij het ontzagwekkende verzoendeksel hoort: op de gebogen hemelen rijdt de wolkenwagen verheven voort, en de winden des hemels dragen hem majestueus mee. — J. Morison.

Vers 13

“Vurige kolen.” Het Hebreeuwse woord betekent levende, gloeiende kolen. Waar de bliksem insloeg, verteerde hij alles wat voor hem lag en brandde hij wat hij aanraakte tot gloeiende sintels. — Samuel Chandler.

Vers 15

“En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze”, enzovoort. O, dat u die nu nog vreemdelingen voor God bent, deze dingen toch eens wilde overwegen! O, dat u toch eens bedacht wat voor strijd dit kan zijn, nu de strijders zo ongelijk zijn! Sta stil, o zon, in het dal Ajalon, totdat de Heere Zich op Zijn vijanden gewroken heeft! Verzamel u, o sterren, en strijd in uw banen tegen die ellendige zondaars die oorlog hebben gevoerd tegen hun Maker! Zet uw machtige kanonnen in stelling, schiet enorme hagelstenen neer, pijlen van vuur en gloeiende bliksemstralen! O, wat vallen de gewonden! Hoe talrijk zijn de verslagenen des Heeren, menigten in het Dal der Beslissing, want de dag des Heeren is verschrikkelijk!

Zie Gods vijanden bij duizenden vallen, zie de kleren rollen in het bloed, hoor het stampen van Zijn verschrikkelijke krijgers: de bergen zijn bedekt met paarden en wagens van vuur. Gods soldaten rennen van de ene plaats naar de andere, de vlammende zwaarden in hun hand, gewapend met Gods gerechtigheid, ijver, macht en verontwaardiging! O, wat een vreselijke slachting wordt er aangericht! Miljoenen, miljoenen vallen; ze zijn niet in staat stand te houden. Niet één van hen kan nog zijn hand opheffen, hun hart begeeft het, bleekheid en beven hebben de dapperste van allen overmand. De boog des Heeren is sterk. Van het bloed der verslagenen, van het vet der machtigen keert de boog des Heeren niet terug, en het zwaard des Almachtigen komt niet ledig weder. Wat vallen de machtigen in deze strijd! Een hete strijd inderdaad, waarin niemand ontkomt!

Wie is Deze, Die van Edom komt, met besprenkelde klederen van Bozra? Die heerlijk is in Zijn gewaad, en Uw klederen als van hem die in de wijnpers treedt? “Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; … en Ik heb hun kracht ter aarde doen nederdalen.” De hand des Heeren zal bekend worden, de macht van de machtige Jehova zal gevoeld worden, en Zijn gramschap tegen Zijn vijanden. Want zie, Hij zal komen met vuur en met wagens als een wervelwind, om Zijn toorn te vergelden met grimmigheid en Zijn schelding met vlammen van vuur. Met vuur en met Zijn zwaard zal Hij twisten met alle vlees, en de verslagenen des Heeren zullen velen zijn. De heiligen zullen uitgaan en de dode lichamen zien van de mannen die tegen Mij hebben overtreden. Want hun worm zal niet sterven, noch hun vuur uitgeblust worden, en zij zullen een gruwel zijn voor alle vlees.

Over de goddelozen zal Hij strikken, vuur en zwavel laten regenen, en een verschrikkelijk onweer. Dit zal het deel van hun beker zijn! Dit is het, tegen God te strijden! Dit is het, de Heere der heirscharen te tarten! — James Janeway.

Vers 15

“Hij vermenigvuldigde de bliksemen.” (Hebr.) LXX astrapas eplèthunen. Fulgura multiplicavit, zegt de Vulgaat, en zo lezen alle vertalingen: Hij vermenigvuldigde Zijn bliksemstralen, of schoot ze kort na elkaar af, de ene na de andere. Dat is ook precies wat het woord eigenlijk betekent.

(Hebr.) “En verschrikte ze” (Engels: en verwarde hen), zoals wij het woord vertalen. Of liever, naar ik meen: “en deed hen smelten” — namelijk de hemelen. — Samuel Chandler.

Vers 15 (laatste zinsnede)

Er staat geschreven “vernietigde hen”, omdat de Heilige Geest door de mond van Zijn profeet de boze geesten naar wie Hij verwijst zelfs niet bij name wilde noemen. — Euthymius Zigabenus (1125), aangehaald door J. M. Neale.

Vers 16

“De gronden der wereld werden ontdekt.” Dat wil zeggen: het geweld van de aardbeving reet zulke diepe, brede kloven en spleten open, dat men bijna de grondslagen zelf zou kunnen zien. Of, zoals Jona ze noemt, de bodems, of liever de uiteinden van de bergen, op de bodem van de zee. Jona 2:6. — Samuel Chandler.

Vers 16

De Heere greep in en maakte Zijn tegenwoordigheid even onmiskenbaar kenbaar als toen de wateren van de zee door een sterke oostenwind werden teruggedreven en de diepte in droog land veranderde (Exodus 14:21, 22). Zo kregen de Israëlieten een veilige doortocht uit hun slavernij, terwijl de Egyptenaren verdronken. — Henry Hammond.

Vers 17

“Hij zond van de hoogte”, enzovoort. Hij “zond” engelen, of hulp op een andere manier. — Matthew Poole.

Vers 17

“Hij nam.” Gods greep valt niet te breken en niet los te wrikken. Niemand kan Zijn uitverkorenen uit Zijn hand rukken. — William S. Plumer.

Vers 17

“Hij trok mij op uit grote wateren.” Dit slaat terug op Mozes, die “uit het water getogen” werd en daarom Mosjeh heette (Exodus 2:10). Het woord Masjah, dat David hier gebruikt, komt nergens anders in de Schrift voor. “Wateren” betekent moeiten, en soms ook menigten van volk. — H. Ainsworth.

Vers 19

“Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals.” Dat wil zeggen: ze overvielen mij plotseling, onverhoeds, toen ik onvoorbereid en hulpeloos was. Ze hadden mij zeker vernietigd, als God mij niet had gedragen en overeind gehouden terwijl ik dreigde om te komen. God was voor de psalmist (Hebr.) een staf om hem te ondersteunen. Wat de staf is voor iemand die op het punt staat te vallen, het middel om hem overeind te helpen en te behoeden, dat was God voor David in zijn uiterste nood.

Meer dan eens bewaarde Hij hem voor Saul, op momenten dat David zelf zijn ondergang door diens hand bijna onvermijdelijk achtte. Zie 1 Samuël 23:26, 27. — Samuel Chandler.

Vers 19

“Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij tot een Steunsel.” Hendrik de Achtste had bitter tegen Luther gesproken en geschreven. Luthers antwoord luidde: “Zeg de Hendriks, de bisschoppen, de Turken en de duivel zelf dat ze maar doen wat ze kunnen. Wij zijn de kinderen van het koninkrijk en aanbidden de ware God, Die zij, en zulke mensen als zij, hebben bespuwd en gekruisigd.” Zo moedig dachten ook veel martelaren. Basilius verzekert dat de eerste heiligen in hun lijden zoveel moed en vertrouwen hadden, dat vele heidenen christen werden toen zij die heldhaftige ijver en standvastigheid zagen. — Charles Bradbury.

Vers 21

“De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.” We moeten voet bij stuk houden en voor onszelf opkomen tegen elk onrechtvaardig oordeel. Het is goed om altijd met vuur op te komen voor een goede zaak, of die nu rechtstreeks en uitsluitend Gods eer betreft, of de goede naam van onze broeders of van onszelf.

Beroemd willen zijn in de wereld, zoals die reuzen in de oude wereld (Genesis 6:4), mannen van naam, of, zoals de grondtekst het zegt, mannen van name, is een zeer grote ijdelheid. Maar onze goede naam beschermen en bewaren is een grote en noodzakelijke plicht, en daar mogen we niet lichtvaardig over denken. — Joseph Caryl.

Vers 22

“Ik ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.” Dat wil zeggen: niet met een bewust voornemen en een vast besluit van het hart om op de weg van de zonde door te gaan. Dát is het kenmerk van oprechtheid, en daaraan herkennen we haar. Een mens kan best door een verzoeking worden overvallen en meegesleept, maar nooit met het besluit om God te verlaten en zich aan de zonde vast te klampen of er rustig in te blijven liggen. Hij zal er niet gerust in wegdommelen, haar niet ontzien en haar geen ruimte geven.

Want precies dát is goddeloos tegen God handelen: een gedeeld hart en een dubbele blik hebben, naar twee dingen tegelijk kijken, half naar God en half naar de zonde. God willen houden, maar ook een stukje zonde willen behouden. Zo zijn alle huichelaars in de wereld. Ze kijken niet op God alleen, hoe vroom ze zich ook voordoen. Altijd kijken ze naar iets anders náást God. Herodes had ontzag voor Johannes, maar nog meer ontzag voor zijn Herodias. De jongeling in het evangelie komt naar Christus en houdt tegelijk zijn bezit in de gaten. Judas volgde Christus en bleef intussen een oogje houden op de beurs. Dát, en niets anders, is goddeloos van God afwijken. — William Strong, 1650.

Vers 22 (laatste zinsnede)

Een godvruchtig mens kan een bepaald gebod telkens weer tegen beter weten in overtreden. Toch laat zijn kennis hem nooit zover gaan dat hij het durft te wagen, willens en wetens, het genadeverbond met God te verbreken en van Hem af te wijken. Is hij zo ver in een zonde doorgegaan dat hij begint te beseffen dat hij met God moet breken en Hem zal verliezen als hij nog verder gaat, dan houdt dat besef hem tegen. Het stuit hem en brengt hem terug.

Aanmatigend kan hij een zondige daad tegen beter weten in wel bedrijven (zelden, en altijd tot zijn eigen schade). Hij denkt dan dat één daad het verbond nog niet verbreekt, dat daarmee niet alle vriendschap en liefde tussen God en hem op het spel staan, dat hij zijn deel in de staat van genade of God Zelf er niet geheel door verliest, al kan hij wel denken dat God boos op hem zou zijn. Maar als hij zichzelf in die zonde zou gaan toestaan en er steeds weer mee zou doorgaan, dan weet hij: het verbond wordt verbroken, want het kan niet samengaan met genade. Zodra dit besef komt, en sterk komt, kan hij er niet meer tegenin zondigen. Want dat zou betekenen dat hij de Heere verwerpt en goddeloos van Hem afwijkt. Dat doet hij niet, want dat zou hij nooit durven.

Zo was het ook bij David zelf. Hij zondigde zwaar en aanmatigend, en toch zegt hij: “Ik ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.” Dat wil zeggen: ik ben niet zover van Hem afgedwaald dat ik doorging, terwijl ik wist dat ik mijn aandeel in Hem daarmee geheel zou verliezen. Nee! Want Hij is mijn God. Daarin ligt de overweging die hem ervan weerhield van Hem af te wijken. Zo zegt de gemeente in Psalm 44:18: “Nochtans hebben wij U niet vergeten, noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond.” Veel daden die Hem mishagen kunnen onopgemerkt voorbijgaan en worden aangedurfd. Maar als de heilige ziel denkt dat het verbond op het spel staat, dat zij en God volkomen moeten scheiden en alles afbreken, dan gaat zij nooit zo ver. — Thomas Goodwin.

Vers 23, 24

Een onoprechte ziel slaat eenvoudig geen acht op een voorschrift dat zich tegen zijn eigen bijzondere zonde keert. Zo’n voorschrift telt voor hem niet mee; het geldt als een blanco regel. Hij legt het terzijde en wil er niet aan denken, behalve wanneer het geweten hem er nu en dan aan herinnert, of hij wil of niet. Zo gaat het niet bij een mens in wie oprechtheid woont. Het voorschrift dat het meest ingaat tegen de zonde waartoe hij zelf het sterkst neigt, probeert hij net zo goed te gehoorzamen als elk ander.

Een onoprechte ziel neemt maar zoveel van Gods inzettingen als richtlijn voor zijn leven aan als hem en de tijd uitkomt, en geen jota meer. Voorschriften die zijn bijzondere verdorvenheden aantasten, of in deze tijd niet in de smaak vallen en hem zo aan lijden blootstellen, ontwijkt hij en schuift hij weg, zoals David hier zegt. Net als de verdorven Schriftgeleerden en Farizeeën noemt hij ze “minste geboden”: kleinigheden waar je niet op hoeft te letten. Christus veroordeelde die verdorvenheid rechtuit met deze ironische woorden: “Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, … die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.”

Godvruchtige oprechtheid maakt geen onderscheid tussen grootste en kleinste voorschriften van God. Ze legt ze allemaal als levensregel voor een mens neer en maakt de ziel vol ijver om ze alle te onderhouden. “Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.” Psalm 119:6. — Nicholas Lockyer, 1649.

Vers 24

“Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.” Hij Die zegt: “Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands”, wordt door de apostel in het tiende hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën met Jezus Christus gelijkgesteld. Diezelfde Persoon zegt ook (vers 13): “Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.”

En in de eenenveertigste psalm zegt Hij, van Wie geldt: “de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven” (wat onze Heere in het dertiende hoofdstuk van het evangelie van Johannes op Zichzelf toepast), in vers 5: “O HEERE! wees mij genadig; genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.” Ik ben schuldig “tegen U.” Hoe kan dat samengaan met Zijn oprechtheid? Dat is de vraag die hier opkomt.

De moeilijkheid verdwijnt door een onmiskenbaar waar beginsel, het beginsel dat het christendom méér dan wat ook zijn eigen karakter geeft: “Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt”, en: “de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem”, Zijn rechtvaardigen Knecht, “doen aanlopen.” In deze zin hadden “kwaden, tot zonder getal toe,” Hem “omgeven”. De ongerechtigheden die op Hem werden gelegd, “de Zijne” gemaakt wat hun aansprakelijkheid betreft, kregen Hem in hun greep door goddelijke beschikking. In de zin van culpa, verwijtbaarheid, had Hij geen zonde. In de zin van reatus, aansprakelijkheid voor de strafrechtelijke gevolgen van de zonde, had nooit iemand zoveel zonde te dragen als Hij. “Hij veler zonden gedragen heeft.” — John Brown.

Vers 24

“Maar ik was oprecht bij Hem.” Hieruit merken we drie dingen op. Ten eerste: een godvruchtig mens kan een oprecht en volkomen hart hebben, zelfs te midden van de onvolkomenheid van zijn wegen. Ten tweede: wie oprecht is, geldt in Gods rekening als een volmaakt mens. Oprechtheid is de waarheid van alle genade, het hoogste punt dat we hier kunnen bereiken. Ten derde: oprechtheid van hart geeft een mens vrijmoedigheid, zelfs in Gods tegenwoordigheid, ondanks vele tekortkomingen.

Van de Heere staat dat Hij “in Zijn engelen klaarheid gesteld” heeft (Engels: Zijn engelen dwaasheid ten laste legt), “hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen”? Job 4. Neem David. Zijn geloof had gefaald, hij had gezegd: “Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen”, en zijn tong was gewankeld tegenover Abimelech, de priester. Drie of vier verschillende leugens had hij verteld. En toch kan David tegen God zeggen dat hij ondanks alles oprecht bij Hem was.

Het is een wonderlijke vrijmoedigheid die de heiligen bij God hebben, krachtens het nieuwe verbond. Op de laatste dag zullen al hun zonden openbaar worden gemaakt als een doorgehaald schuldbewijs, zodat ze zich afvragen hoe ze ernaar zullen kunnen kijken zonder te blozen. Maar dezelfde Geest der kindschap die hun dan volmaakte vrijmoedigheid zal geven, geeft hun die ook nu al, in dit leven, in grote mate. Daarom kunnen ze zeggen: “Noch hoogte, noch diepte”, enzovoort, niets “ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus.” — William Strong.

Vers 24

“Ik was oprecht”, enzovoort. Een oprecht christen staat zichzelf geen enkele bekende zonde toe. Hij durft de verboden vrucht niet aan te raken. Genesis 39:9: “hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!” Al is het een zonde die bij zijn aard hoort, toch onterft hij haar. Iedereen helt meer over naar de ene zonde dan naar de andere. Zoals in het lichaam één lichaamssap overheerst, en zoals in de korf één koningsbij is, zo is er in het hart één meesterzonde. Er is één zonde die een mens niet alleen nabij is als het kleed, maar dierbaar als het rechteroog.

Deze zonde is Satans hoofdvesting. Daar ligt al zijn kracht. We kunnen zijn buitenwerken, de grove zonden, wel neerhalen, maar als we hem deze vesting van de zonde die bij onze aard hoort laten houden, heeft hij precies wat hij wil. De duivel kan een mens even stevig vasthouden aan deze ene schakel als aan een hele keten van ondeugden. De vogelaar heeft de vogel vast genoeg aan één vleugel. Maar een oprecht christen geeft zich niet over aan deze zonde: “Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.” Hij grijpt het offermes van de dodelijking en steekt het dwars door zijn dierbaarste zonde heen.

Herodes deed heel veel dingen, maar één zonde was hem zo dierbaar dat hij liever de profeet liet onthoofden dan van die zonde afstand te doen. Herodes wilde de deur openhouden voor zijn bloedschande. Een oprecht hart is niet alleen boos op de zonde (en dat laat nog verzoening toe), het haat de zonde. En als het dit serpent in zijn boezem ziet kruipen, haat het dat des te feller naarmate het dichterbij komt. — Thomas Watson.

Vers 24

“Ik wachtte mij.” Zichzelf bewaren, zegt hij! Wie heeft de mens ooit tot zijn eigen bewaarder gemaakt? Het is de Heere Die zijn Bewaarder is. Hij is de Bewaarder van Israël en de Behouder van de mens. Als een mens zichzelf niet eens voor droefheid kan behoeden, hoe zou hij zichzelf dan voor zonde kunnen behoeden?

Bij onze eerste bekering werkt God inderdaad op ons zoals Hij deed op de aarde, of op Adams lichaam in het paradijs, voordat Hij er een ziel in blies en het tot een levend schepsel maakte. Het is dezelfde macht die Christus bij Lazarus in zijn graf liet zien, want wij zijn “dood … door de misdaden en de zonden”. Maar eenmaal levend moet een mens uit zichzelf wandelen en handelen. De Heere wil dat we met Hem samenwerken, want we zijn op Christus gebouwd, niet als dode stenen, maar als “levende stenen.” 1 Petrus 2:5. De genade waardoor wij levend zijn gemaakt is de Zijne, en de kracht is de Zijne. En toch doen wij het ook, door Zijn genade: ille facit ut nos faciamus, quae praecepit (Augustinus). — William Strong.

Vers 24

“Ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.” Het is mogelijk ons te hoeden voor dezelfde zonden als David. Hij betuigt hier van zichzelf een grote oprechtheid: hij had zich gewacht voor die ongerechtigheid waartoe hij sterk werd verzocht en waarin hij gemakkelijk kon vallen. De weg die de heilige David volgde wijst ons het eerste en beste middel. Dat is: door standvastig en vurig gebed Gods hulp en de voortdurende bijstand van Zijn Heilige Geest af te smeken. God moet ons niet alleen behoeden voor het vallen erin, maar zelfs ons hart afkeren van de neiging ernaartoe, en ons helpen onze dwaasheid en ons gevaar te zien.

Want helaas! We zijn niet in staat onszelf te helpen, zelfs niet om een goede gedachte te denken, laat staan een kwade neiging of een sterke verzoeking te weerstaan. Maar “onze bekwaamheid is uit God”. “Het is God (zegt de psalmist hier), Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt”: vers 33. . . . Verder moeten we zorgen dat we alles mijden wat ons waarschijnlijk zal verstrikken, en elke gelegenheid ontwijken die ons gemakkelijk kan overmeesteren. Anders haakt het ene aan het andere vast en zitten we in de strik voordat we het gevaar vermoeden. — Henry Dove, 1690.

Vers 24

“Mijn ongerechtigheid.” Iemands lievelingszonde kan veranderen als zijn omstandigheden veranderen, of door een gelegenheid die zich voordoet. Wat de zonde van Saul en Jehu was voordat zij tot de kroon kwamen, weten we niet. Maar zeker is wel waarin hun begeerte zich daarna uitleefde: het vestigen van een koninkrijk voor hun nageslacht. Wulpsheid kan zomaar de lieveling van iemands jeugd zijn, en wereldsgezindheid de lieveling van zijn ouderdom. Wie tot eer wordt verheven en kansen krijgt die hij vroeger niet had, ziet zijn begeerte soms een andere bedding kiezen, nu er een gelegenheid is waarop hij vroeger nooit had gerekend. — William Strong.

Vers 24

“Mijn ongerechtigheid.” Er is een bijzondere zonde waartoe men meer geneigd is dan tot een andere, een zonde waarvan men met nadruk kan zeggen: dát is “mijn ongerechtigheid”. Men kan er met de vinger op wijzen en zeggen: “Die is het.” . . . . Sommige zonden lokken sterker dan andere, door de verschillende beroepen of levenswijzen die mensen kiezen. Leven ze aan het hof, dan hoef ik u niet te vertellen welke verzoekingen en strikken er voor allerlei zonden zijn, en hoe groot het gevaar is erin te vallen, tenzij uw geloften aan de deugd en een tedere eerbied voor de eer die van God alleen komt u oprecht houden. Zijn ze in het leger ingeschreven, dan verleidt dat hen tot roof en geweld, tot verwaarlozing van Gods dienst en tot goddeloosheid.

Drijven ze handel en koophandel, dan komen ze grotere lokkingen tegen tot liegen en bedriegen, overvragen en onrechtvaardig handelen. Het geheim van sommige beroepen, zoals slechte mensen ze uitoefenen, is zelfs een regelrechte “verborgenheid der ongerechtigheid”. Bij de landbouw ligt de verleiding in bezorgdheid over de dingen van de wereld, wantrouwen jegens Gods voorzienigheid of morren ertegen. Ja, ik zou van harte wensen dat het allerheiligste beroep hierop een uitzondering kon zijn. Maar Paulus vertelt ons dat zelfs in zijn dagen “Sommigen prediken ook wel Christus door nijd en twist”, sommigen alleen om vuile winst, net zoals “sommigen ook door goedwilligheid.” Filippenzen 1:15. — Henry Dove.

Vers 24

“Mijn ongerechtigheid.” De werkelijke heerschappij van de zonde berust meestal bij één bijzondere meesterlust. Die is als de onderkoning over alle andere zonden in de ziel. Als hoogste leenheer gebiedt hij ze allemaal en maakt hij ze dienstbaar en ondergeschikt aan zich. Dit hangt af van gewoonte, roeping, aard, vermogens, betrekkingen en van de verschillende bedelingen van de Geest van God. Want hoewel God niet de auteur van de zonde is, is Hij wel de ordenaar ervan.

Zo is het precies die weg van zonde en dood die een mens voor zichzelf kiest. Hij heeft rondgekeken over alle genoegens van de wereld, en zijn eigen verdorven neiging kiest voor hem de weg die hij met de grootste zoetheid, tevredenheid en lust kan volgen, als datgene waarin het geluk van zijn leven ligt. Zoals er in het lichaam bij ieder mens een overheersend lichaamssap is, zo is dat ook in het lichaam der zonde. Zoals bij de natuurlijke mens alle vermogens aanwezig zijn, maar sommige bij de een levendiger en krachtiger zijn dan bij de ander (de een is geestiger, de ander sterker, weer een ander scherp van gezicht, een vierde heeft een vlug oor, een vijfde een rappe tong, enzovoort), zo is het ook bij de oude mens.

In een onwedergeboren mens is alle macht van de zonde aanwezig, maar bij de een is ze behendiger in de ene richting dan in de andere. Zoals mensen bij de keuze van een beroep meer neigen naar het ene dan naar het andere, zo gaat het ook bij de keuze van genoegens. En zoals het is met de eetlust naar voedsel, zo is het met de begeerte, die niets anders is dan de eetlust van het schepsel, verdorven tot een zondig voorwerp. — William Strong.

Vers 24

Groei in dodelijking. . . . Mensen kunnen zichzelf bedriegen wanneer ze hun vooruitgang hierin afmeten aan het overwinnen van lusten waartoe hun natuur toch al niet zo geneigd is. De zekerste weg is te oordelen naar de afname van iemands boezemzonde. Zo beoordeelde David zijn oprechtheid naar zijn “ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid”, en zo kan een mens zijn groei in oprechtheid beoordelen.

Wanneer artsen over een uitteringsziekte van het hele lichaam willen oordelen, letten ze niet op het wegvallen van één bepaald deel, zoals het vlees in het gezicht alleen. Zo’n afname in één deel kan een andere oorzaak hebben. Ze oordelen naar het slinken van de spieren van de handen, of van armen en dijen, enzovoort, want dat zijn de vastere delen van het lichaam. Zo oordelen artsen ook over andere ziekten, en over het afnemen ervan: ze letten op het verminderen van de verschijnselen die kenmerkend zijn voor de ziekte, en er eigen en bijzonder aan zijn.

Zo wordt ook de voortgang van de overwinningen van een veroveraar in het koninkrijk van een vijand niet afgemeten aan het innemen of verbranden van enkele dorpen of gehuchten, maar aan het innemen van de vestingen en sterkste bolwerken, aan de grond die hij op de hoofdmacht heeft gewonnen en aan de troepen die hij van het hoofdleger heeft afgesneden. Doe hetzelfde bij de afname van uw lusten en uw overwinning erop. — Thomas Goodwin.

Vers 24

Laten we nooit vergeten: de genade van God gaat ons voor, zodat we een goede wil krijgen, en Zij werkt in ons zodra die wil er is, zodat we ook echt iets bereiken. Toch rekenen we tevergeefs op Gods voortdurende hulp als we zelf niet ijverig ons best doen. Hij staat onze zwakheid bij, maar Hij bedoelt daarmee zeker niet onze luiheid aan te moedigen. Daarom moeten ook wij arbeiden, zoals de apostel het zegt in Kolossenzen 1:29: “Waartoe ik ook arbeide, strijdende naar Zijn werking, die in mij werkt met kracht.” — Henry Dove.

Vers 25-27

Tussen zonden en de straffen die daarvan het loon zijn, kunt u een verband zien. U kunt zeggen: “Déze zonde bracht déze verdrukking voort; wat lijkt de zoon op de vader!” Zo kunt u ook een verband zien tussen uw gebeden en uw wandel met God aan de ene kant, en Gods antwoorden en Zijn handelen met u aan de andere kant. Dat zag David ook, en hij zei: “Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen”, enzovoort. Zijn woorden wijzen op een zekere gelijkenis, een overeenkomst.

Neem bijvoorbeeld dit. Hoe meer bijbedoelingen en vleselijke verlangens u in uw gebed had, en hoe meer u die vermengde met uw heilige verlangens, en hoe minder ijver en vurigheid er in uw gebeden te vinden was, des te meer zult u waarschijnlijk bitterheid vermengd vinden met de barmhartigheid wanneer die u wordt geschonken. Er zit dan ook zoveel onvolkomenheid en gebrek aan troost in. Zo zegt David in dezelfde psalm (vers 26, 27): “Bij den reine houdt Gij U rein.” Zuivere gebeden brengen zuivere zegeningen; en omgekeerd: “bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar” (Engels: met den verkeerde zult Gij U verkeerd betonen).

En nog iets. Soms werd u in het bidden slap en koud. Dan zag u hoe de zaak zelf ook afkoelde en achteruitging. Net zoals toen de handen van Mozes omlaag zonken: Amalek kreeg de overhand. Maar toen ze weer omhoog gingen, had Israël de betere. Exodus 17:12. God liet hem een verband zien, en daaruit bleek dat zijn gebed het middel tot de overwinning was.

Soms merkt iemand in het bidden dat zijn zaak blijft steken en niet verdergaat zoals hij verwachtte. Dat komt doordat hij niet meer zo’n royaal loon geeft als vroeger, zoals een cliënt dat aan zijn advocaat doet: hij bestookt God niet meer en dringt niet meer bij Hem aan. Maar zodra hij zich weer opgewekt voelde om te bidden, ging alles weer goed. Daaraan kan hij duidelijk zien dat het zijn gebed was dat God hoorde en waar Hij acht op sloeg.

Zo ook wanneer iemand in een zaak heuvels en dalen ziet: vaak mooie hoop, dan weer alles neergeslagen, en tenslotte komt de zaak toch tot stand. Laat hij dan eens terugkijken op zijn gebeden en zich afvragen wat daar gebeurde. Hebt u niet precies zo met God gehandeld? U had ernstig gebeden en meende de zaak al gewonnen te hebben, en toen verwoestte u alles weer door er een of andere zonde tussen te brengen, en zo telkens opnieuw? Hierin wil God dat u een verband opmerkt. Het kan u helpen te onderscheiden hoe en wanneer uw gebeden worden verhoord en door bidden iets wordt verkregen, want God handelt zo met u in een vaste verhouding tot uw gebeden. — Thomas Goodwin.

Vers 25-28

Denk aan de zon. Voor gezonde ogen, zonder enige ziekte, is zij heerlijk en weldadig. Maar voor diezelfde ogen, wanneer zij zwak, pijnlijk en teer zijn, is zij heel lastig en schadelijk. En toch blijft de zon altijd precies dezelfde als tevoren. Zo is het ook met God. Altijd heeft Hij Zich vriendelijk en mild getoond aan wie goed en teerhartig zijn tegenover Zijn heiligen, en barmhartig zijn voor wie barmhartigheid bewijzen.

Maar wanneer diezelfde mensen in goddeloosheid vervallen en vol beestachtige wreedheid worden, dan toont de Heere Zich zeer toornig en vertoornd. En toch is Hij van eeuwigheid tot eeuwigheid één en dezelfde onveranderlijke God. — Robert Cawdray.

Vers 26

“Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht.”

“Een oprechte.” Datzelfde woord wordt vaak vertaald met “volmaakt”. Zo iemand is door en door goed, al is hij niet volkomen. Het is niet iemand die godsdienst speelt, maar iemand die een godsdienstig mens is. Hij is volmaakt, omdat hij dat wil zijn. Zo heet Noach ook (Genesis 6:9): “Noach was een rechtvaardig, oprecht (dat wil zeggen: volmaakt) man in zijn geslachten.” Hij was een goed man in een kwade eeuw. Hij was als een gloeiende vonk vuur in een zee van water, en dát is volmaakte goedheid.

Daarom blijft de Heilige Geest zo aan zijn naam hangen, alsof Hij niet kon ophouden. Dat is trouwens een scherpzinnige opmerking van een prediker. Kijk maar naar vers 8: “Maar Noach vond genade in de ogen des HEEREN. Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God. En Noach gewon drie zonen” Noach, Noach, Noach! Ik houd van de klank van uw naam. Zo zijn ook al uw namen kostbaar voor God, hoewel mensen ze haten, als de naam van God u maar dierbaar en zoet is.

Het woord wordt soms ook vertaald met “oprecht”, in de betekenis van gewoon en rechtuit. Genesis 25:27: Jakob was (in het Hebreeuws) “een oprechte”, dat wil zeggen een rechtschapen man, “wonende in tenten.” Ezau was “een man, verstandig op de jacht”, maar Jakob was een eenvoudig man zonder franje of opsmuk. Je kon zijn hart gewoon aan zijn tong aflezen. Alleen die ene keer niet, toen Rebekka hem een listig kunstje in zijn hoofd praatte. Verder was hij een zeer “oprecht”, rechtdoorzee man. Kortom: het woord betekent een eenvoudig, hartelijk, ongeveinsd en nauwgezet mens. Dát is de man naar wie wij zoeken.

“Man.” De Hebreeën laten dit zelfstandig naamwoord vaak als het ware verdrinken in het bijvoeglijke. Maar hier geeft de Heilige Geest ons een woord, en wat voor een uitgelezen woord: het betekent een sterke, dappere man. Datzelfde woord staat in Psalm 45:4: “o Held!” Daar wordt onze Heere Christus bedoeld, een zeer sterke en dappere Man, Die de toorn van God, de boosaardigheid van de duivel en de zonde van de mens recht in het gezicht kon zien en er zegevierend uit kon komen. De Nederlanders vertalen deze zinsnede in 2 Samuël 22 dan ook zo: “bij den oprechten held houdt Gij U oprecht.”

Als je de woorden letterlijk weergeeft, komt er dit te staan: een man van oprechtheid. Van welke kant je hem ook bekijkt, hij is een oprecht man. Hij is als een evenwichtige dobbelsteen: gooi hem welke kant je maar wilt, hij zal vierkant en recht blijken te zijn. Het is een stijve en sterke man, in staat om zowel de lusten van binnen als de verzoekingen van buiten te vertrappen. Een Athanasius contra mundum, een Luther contra Romam. Dit is een man met een uitnemende geest, en zo iemand is onze oprechte man.

“Houdt Gij U oprecht” (Engels: Gij zult U oprecht betonen), of: “Gij zult oprecht met hem zijn.” In het Hebreeuws staat voor al deze zes woorden één enkel woord: “Gij zult het oprecht met hem doen.” Handelen mensen rechtuit met God, dan handelt Hij rechtuit met hen. Wie oprecht is in het vervullen van zijn plicht, zal God oprecht vinden in het vervullen van Zijn beloften. Het is Gods manier om mensen te behandelen zoals zij Hem behandelen. Hebt u het plan Hem te behagen? Dan heeft Hij het plan u te behagen. Geeft u Hem weerklank wanneer Hij roept? Dan geeft Hij u weerklank wanneer u roept.

Maar aan de andere kant: wil iemand met God worstelen, dan zal Hij met hem worstelen. Speelt u een dubbelspel met Hem, nu eens hard, dan weer zacht, en wandelt u verkeerd tegenover Hem? Dan krijgt u evenveel terug als u brengt. Tergt u Hem met eindeloze zonden? Dan zal Hij u achtervolgen met eindeloze kwellingen. Wilt u zondigen in tuo aeterno, dan zult u moeten lijden in suo aeterno. Zo zal ieder mens gelijk met gelijk terugvinden. . . .

Een oprecht hart is enkelvoudig, zonder verdeeldheid. Voor een huichelaar bestaan “vele goden en vele heren”, en voor elk daarvan moet hij een hart hebben. Maar voor de oprechte is er maar één God de Vader en één Heere Jezus Christus, en één hart is genoeg om hen beiden te dienen. Wie zijn hart op de schepselen zet, moet voor elk schepsel een hart hebben, en juist die verdeeldheid van zijn hart wordt zijn ondergang. Hosea 10:2. Wereldse winst klopt aan de deur: hij moet een hart voor haar hebben. Vleselijke genoegens dienen zich aan: ook voor hen moet hij een hart hebben. Zondige eerbewijzen verschijnen: ook zij eisen een hart op. Necessariorum numerus parvus, opinionum nullus: het aantal noodzakelijke dingen is klein, het aantal onnodige ijdelheden eindeloos. De oprechte man heeft God gekozen en heeft genoeg. — Richard Steele.

Vers 26

“Bij den goedertierene”, enzovoort. Op de vloer van Jupiters zaal staan twee vaten met gaven. Het ene bevat goede gaven of zegeningen, het andere kwade gaven of plagen. Zo sprak Homerus, ten onrechte, over Jupiter. Maar van de ware God, Jehova, kan het wel degelijk gezegd worden: Hij houdt twee bekers in Zijn hand, de ene vol vertroostingen, de andere vol kruisen, en die schenkt Hij zonder aanzien des persoons uit over goeden en kwaden. “Bij den goedertierene (of barmhartige) houdt Gij U goedertieren, … maar bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar” (Engels: met den verkeerde, verkeerd).

Dit maakt God nu niet tot de bewerker van het kwaad, maar van gerechtigheid, en die is goed. Quorum Deus non est auctor, eorum est justus ultor, zegt Augustinus: “God is niet de bewerker van de zonde, maar Hij straft de zondaar rechtvaardig.” — Miles Smith (Bisschop), 1632.

Vers 27

“Bij den reine houdt Gij U rein”, enzovoort. Maar neemt de Heere dan de kleur aan van iedereen die Hij ontmoet? Verandert Hij van gemoedsaard zodra het gezelschap verandert? Dát is de zwakheid van de zondige mens. Hij bij Wie geen veranderlijkheid is, noch schaduw van omkering, kan zoiets niet doen. God is rein en oprecht jegens de onreinen en huichelaars, net zoals jegens de reinen en oprechten, en Zijn daden laten zien dat Hij zo is.

God toont Zich verkeerd met den verkeerde wanneer Hij met hem handelt zoals Hij gezegd heeft dat Hij met den verkeerde zal handelen: door hen af te wijzen en te verwerpen. God toont Zich rein met den reine wanneer Hij met hen handelt zoals Hij gezegd heeft dat Hij zal doen: door hen te horen en aan te nemen. Er is niets in reinheid en oprechtheid dat barmhartigheid verdient. Toch kunnen wij zonder die twee geen barmhartigheid verwachten. Onze vertroostingen steunen niet op onze genaden, maar zijn de vruchten en gevolgen ervan. — Joseph Caryl.

Vers 27

“Den verkeerde.” Net als in de eerste belofte staan hier de twee strijders tegenover elkaar: het zaad der vrouw en de slang. Aan de ene kant de Goedgunstige en Milde, de Volmaakte, de Reine. Aan de andere kant de verkeerde, wiens werken Hij kwam vernietigen, en die er zijn grote levenswerk van maakte Hem te slim af te zijn, Hem Die hij vreesde. De letterlijke betekenis van het woord is “kronkelig” of “krom”. Beide gedachten die dat beeld vanzelf oproept, verkeerdheid én sluwheid, passen uitstekend bij “de oude slang, welke genaamd wordt duivel.” Uit het slot van de zin leid ik af dat er geen twijfel over kan bestaan: het laatste is de bedoeling. God kan nooit verkeerd met iemand handelen. Maar Hij is de wijzen te slim af, en vangt de listigen in hun eigen list. — John Brown.

Vers 27

“Bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar.” In de wortel betekent het Hebreeuwse woord: iets wringen of draaien, zoals worstelaars hun lichaam wringen en keren. Daarom wordt het overdrachtelijk vaak vertaald met worstelen. Een listig man draait en wringt zich in het worstelen immers in alle bochten, en werkt zich in en uit, om op wat voor manier dan ook een voordeel op zijn tegenstander te behalen. Uw sluwe koppen, uw geslepen mensen, worden daarom treffend met dit woord getekend. Het zijn worstelaars die zich keren en wringen, en op de loer liggen voor elk voordeel. Zoals wij zeggen: ze “liggen op de vang.”

Je weet nooit waar je met zulke mensen aan toe bent, of wat ze bedoelen, ook als ze het duidelijkst spreken of het plechtigst zweren. Menen we hun gezicht te zien, dan zien we slechts hun masker. Al hun beloften en al hun daden zijn verhuld onder een vermomming. . . .

En dit woord wordt op de Heere Zelf toegepast: “bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar.” Dat betekent: willen mensen zich winden en keren, denken ze anderen te kunnen vangen, of zelfs de Heere Zelf te misleiden met streken en kunstgrepen van vernuft, dan zal de Heere hen op hun eigen terrein ontmoeten en beantwoorden. Hij kan even snel keren als zij. Hij kan Zich zetten in zulke ingewikkelde doolhoven van oneindige wijsheid en heilige list, dat zelfs de slimste worstelaar of duikelaar van hen allen erin verstrikt raakt en gevangen wordt. Hij zal de Kretenzers kretensiseren en de verdringers van Zijn volk verdringen. — Joseph Caryl.

Vers 27

“Bewijst Gij U een Worstelaar.” Dit beeld komt van de worstelaars en wijst op iemand die zich kronkelt tegen een tegenstander. Vergelijk Deuteronomium 32:5: “Het is een verkeerd en verdraaid geslacht.” Dat zijn precies dezelfde twee woorden als in onze tekst. Het tweede houdt in dat ze zich kronkelden en wrongen zoals worstelaars die heen en weer zwaaien en zich de andere kant op draaien zodra iemand meent hen hier of daar te pakken te hebben. Maar niets van dit alles zal hen redden van de straf. God zal hen zeker ontmoeten, Zijn Woord zal hen grijpen, en hun zonden zullen hen vinden. — John Trapp.

Vers 28

“Het bedrukte volk.” Het woord dat met “bedrukt” is weergegeven, betekent eigenlijk “arm” of “nooddruftig”. De mensen over wie het gaat zijn duidelijk verdrukten, want zij moeten behouden en verlost worden. Maar het bijvoeglijk naamwoord dat hun hier wordt gegeven, wijst minder op hun verdrukking dan op hun armoede.

De armen worden hier bovendien niet tegenover de rijken gesteld, maar tegenover de hoogmoedigen. Dat is immers de betekenis van het beeld “de hoge ogen”. Daarom lijkt het duidelijk dat de verwijzing gaat naar die armen die onze Heere noemt “armen van geest”, ook al is het grote geheel van de bedoelde groep altijd te vinden onder de betrekkelijk “armen dezer wereld.” — John Brown.

Vers 28

“Hoge ogen”: dat zijn de hoogmoedigen. Het optrekken van de wenkbrauwen is een natuurlijk teken van die ondeugd. Psalm 101:5; Spreuken 6:17. — John Diodati.

Vers 29

“Want Gij doet mijn lamp lichten”, enzovoort. De psalmist spreekt hier over kunstlicht, over “een kaars” of “lamp”. Men heeft gemeend dat dit wordt toegelicht door een gebruik in Egypte: men liet daar nooit het huis zonder licht, maar liet de lampen zelfs de hele nacht branden. De allerarmsten sneden liever iets van hun eten af dan dat ze dit verzuimden.

Als dit het oude gebruik was, niet alleen in Egypte maar ook in de buurlanden Arabië en Judea, dan kan “het aansteken van de lamp” in deze passage een bijzondere toespeling bevatten. In de parallelle passage, 2 Samuël 22:29, wordt Jehova, zoals hierboven, figuurlijk de “lamp” van de psalmist genoemd. — Richard Mant.

Vers 29 (eerste zinsnede)

“Want Gij doet” — wanneer niemand anders het kan. Let er ook op hoe de psalmist hier, en vaak elders, begint met te spreken óver God en eindigt met te spreken tót Hem. Zo ook de bruid in het Hooglied: “Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn.” — Dionysius de Karthuizer (1471), aangehaald door J. M. Neale.

Vers 30

“Want met U loop ik door een bende”, enzovoort. David schrijft zijn overwinningen toe aan God. Hij verklaart dat hij onder Gods leiding door de wiggen, de falanxen van zijn vijanden was heengebroken en hun versterkte steden stormenderhand had ingenomen. Zo zien we dat hij, hoewel hij een dapper krijger was en bedreven in de wapens, zichzelf niets aanmatigt. — Johannes Calvijn.

Vers 30

“Met mijn God spring ik over een muur”; of: “een fort ingenomen.” — Henry Hammond.

Vers 30

“Spring ik over een muur.” Dit verwijst waarschijnlijk naar de inneming van een opmerkelijke stad door het beklimmen van haar wallen. — John Kitto, in “The Pictorial Bible.”

Vers 32

“Want wie is God, behalve de HEERE?” Hier komt in de Psalmen voor het eerst de naam Eloah voor, weergegeven met God. Hij staat meer dan vijftig keer in de Schriften, maar slechts vier keer in de Psalmen. Het is het enkelvoud van Elohim. Velen hebben gemeend dat deze naam in het bijzonder verwijst naar God als voorwerp van godsdienstige aanbidding. Op deze plaats kan die gedachte best op de voorgrond staan. — William S. Plumer.

Vers 33

“Het is God, Die mij met kracht omgordt.” Een van de weinige stukken oosterse kleding die ik in het Oosten droeg, was de gordel. Die was van groot nut als steun voor het lichaam tijdens de lange, vermoeiende kameelritten door de woestijn. De steun en kracht die ik zo ontving, gaven mij een duidelijker beeld dan ik tevoren had van wat de psalmist bedoelt. — John Anderson, in “Bible Light from Bible Lands”, 1856.

Vers 34

“Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten.” Hij geeft Zijn kerk dus snelheid en souplesse. Augustinus legt het zo uit: transcendendo spinosa, et umbrosa implacamenta hujus saeculi. Dat wil zeggen: zij gaat lichtvoetig door de doornen en de schaduwen van deze wereld, over alles wat haar in de weg ligt. “Hij zal mij doen treden op mijn hoogten.” David zegt: “Hij stelt mij op mijn hoogten.” Kijk maar naar David zoals hij toen was, toen hij deze psalm schreef. God had hem net gered uit de hand van al zijn vijanden en uit de hand van Saul. Toen zette God hem op hoge plaatsen. Hij vestigde zijn koninkrijk en bevestigde hem op de troon van Saul. — Edward Marbury.

Vers 34

“Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden” (Hebreeuwse woorden). In de oudheid gold snelheid als een van de eigenschappen van een held. Achilles wordt geprezen als “podas ôkus”, de snelvoetige. Vergilius laat zijn Nisus bijna ongeloofwaardig snel zijn: “Et ventis et fulminis ocior alis.” En de mannen Gods die naar David kwamen, “kloeke helden, krijgslieden ten oorlog, toegerust met rondas en schild”, hadden volgens de Schrift “aangezichten der leeuwen” en waren “als de reeen op de bergen in snelheid”. 1 Kronieken 12:8. Over Asaël lezen we dat hij “licht op zijn voeten, als een der reeen, die in het veld zijn” (2 Samuël 2:18). En ook Saul lijkt “de ree” te worden genoemd (in de Engelse vertaling “het sieraad” van Israël). 2 Samuël 1:19.

Men zegt wel dat de poten van de hinde rechter zijn dan die van de bok en dat zij sneller is dan hij. Daar is echter te weinig bewijs voor. Gataker geeft de echte verklaring: “De vrouwelijke vorm wordt vaak gebruikt voor de hele soort.” Dat gebeurt in het Hebreeuws wel vaker. Zo staat “de ezelin” duidelijk voor alle ezels. Genesis 12:16; Job 1:3; 42:12.

Sommigen (met Bochart, Hierozoicon, P. i. L. ii. c. 17, voorop) denken dat het gaat om de bijzondere hardheid van de hoef van de ree. Daardoor loopt zij stevig en zonder uit te glijden over de ruwste en rotsachtigste plekken. Vergilius noemt de hinde “aeripedem”, koperen voet. Anderen denken meer aan haar wendbaarheid en snelheid. Niets belet ons om aan te nemen dat beide eigenschappen van de hindenvoeten bedoeld zijn. — John Brown.

Vers 34

“Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden”, enzovoort. Hij zorgt dat ik stevig sta op de hellingen van bergen en rotsen. Die dienden van oudsher als vestingen in oorlogstijd. De poten van het schaap, de geit en het hert zijn heel geschikt om op zulke plaatsen vaste grond onder de voeten te houden. De heer Merrick haalt hier een passend stuk aan uit Xenophon, Lib. de Venatione: (Grieks). Kijk ook naar Psalm 104:18. Daar wordt dezelfde eigenschap, het zeker staan op rotsen en steile kliffen, aan de wilde geit toegeschreven. — Stephen Street, M.A., in loc., 1790.

Vers 35

“Hij leert mijn handen ten strijde”, enzovoort. Aan Hem heb ik al mijn krijgskunst te danken, en alle kracht en moed die ik bezit. Mijn kracht is zo groot dat ik niet alleen “een stalen boog” kan spannen, maar hem zelfs kan breken. — Matthew Poole.

Vers 35

“Staal.” Het woord dat in de Engelse geautoriseerde vertaling zo is weergegeven, betekent eigenlijk “koper” (Hebr.). Of de Hebreeën wisten hoe je ijzer tot staal kon harden, is twijfelachtig. Sommigen hebben het “ijzer van het noorden” van Jeremia 15:12 voor staal gehouden, maar dat is allerminst zeker. Het kan ook gewoon een betere soort ijzer zijn geweest. — William Lindsay Alexander, in “Kitto’s Cyclopaedia.”

Vers 35

Een machtige boog spannen gold als een teken van grote kracht en vaardigheid, en van veel bloedvergieten.

“Zo spande de grote meester de machtige boog,
moeiteloos spande hij hem. De ene hand hief omhoog
de buigende horens, de andere beproefde de pees.”

Alexander Pope, 1688-1744, Vertaling van Homerus.

Vers 38, 39

—

O, ik weet nog de dag
dat God mij met één enkel woord deed zeggen:
„Mijn vertrouwen is in den HEERE”;
toen versloeg mijn ziel wel duizend vijanden
en vreesde niets van al wat tegen mij opstond.

— William Cowper (1731–1800)

Vers 39

“Ik doorstak hen”, enzovoort. Groter is Hij Die in ons is dan hij die tegen ons is, en God zal de satan spoedig onder onze voeten verbrijzelen. Romeinen 16:20. — W. Wilson.

Vers 39-41

Ook al heeft de hartstocht ons lichaam in zijn macht, “Bezit uw zielen in uw lijdzaamheid.” Door onze belijdenis zijn we gebonden aan een leven als soldaat. Patiendo vincimus: door te lijden overwinnen we. Onze moeiten komen tot een einde, onze overwinning blijft eeuwig! Luister naar Davids zegezang: “Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten. … Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden. En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden”, enzovoort.

Zij krijgen wonden voor hun wonden, en wie de armen vertrapten, wordt door de armen vertrapt. De Heere zal hen aan ons onderwerpen die ons graag onder zich hadden gehad. Even hebben zij boven onze hoofden gereden, maar eens staan wij voorgoed op hun nekken. Dat is de beloning voor nederig geduld en vertrouwvolle hoop! — Thomas Adams.

Vers 40

“Goed omgord” betekende in het Grieks en het Latijn net als in het Hebreeuws zoveel als “goed gewapend”. — Alexander Geddes, LL.D., 1737-1802.

Vers 42

“Zij riepen, maar er was geen verlosser” (Engels: zij zullen roepen, maar er zal niemand zijn die hen helpt), enzovoort. Er zijn genoeg trieste voorbeelden die laten zien dat deze profetie klopt. Van Ezau staat geschreven dat “hij vond geen plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht.” Hebreeën 12:17. Antiochus beloofde in zijn laatste ziekte “dat hij zelf ook een Jood zou worden, de hele bewoonde wereld zou doortrekken en de macht Gods zou verkondigen”. Toch, zo gaat de geschiedschrijver verder, “hield al zijn moeite niet op, want het rechtvaardige oordeel Gods was over hem gekomen.” 2 Makkabeeën 9:17, 18.

Het best past bij deze tekst echter wat over Saul geschreven staat: “En Saul vraagde den HEERE; maar de HEERE antwoordde hem niet; noch door dromen, noch door de urim, noch door de profeten.” 1 Samuël 28:6. Daarom waarschuwt de profeet ons: “Geeft eer den HEERE, uw God, eer dat Hij het duister maakt, en eer uw voeten zich stoten aan de schemerende bergen” (Jeremia 13:16). Sauls voeten stootten zich immers echt aan de donkere bergen van Gilboa.

“Zij riepen … tot den HEERE”, maar, zoals terecht is opgemerkt, niet door een Middelaar. Zij roepen Hem aan in hun eigen naam en vanwege hun eigen verdiensten, en dan roepen zij tevergeefs. — Johannes Lorinus (1569-1634), en Remigius (900), aangehaald door J. M. Neale.

Vers 42

“Tot den HEERE.” In grote nood drijft de natuur mensen ertoe om omhoog te kijken naar hulp. Maar dat is alleen het gebed van het vlees dat verlichting zoekt, niet van de Geest die om genade vraagt. Zulke mensen halen pas voordeel uit hun rampen als ze nergens anders meer hulp van verwachten. Daarom luistert God niet naar hen. In Samuël staat: “Zij zagen uit, maar er was geen verlosser.” Dat wil zeggen: als zij nog een andere uitweg hadden gezien, had God nooit iets van hen gehoord. — John Trapp.

Vers 43

“Ik ruimde hen weg als slijk der straten”, of beter gezegd: “van de straten.” In het Oosten gooit men al het huisvuil en afval gewoon op straat. Alles wat enigszins eetbaar is, ruimen vogels en honden snel op, en de rest droogt in de zon uit. Iemand wegwerpen als het vuil van de straat is dus een sterk beeld van minachting en afwijzing. — John Kitto.

Vers 44, 45

Wie deze woorden letterlijk op David betrekt, zal zien dat ze nog veel beter bij Jezus Christus passen. Hij is gered uit de twisten van het Joodse volk. Hun tegenstand tegen de verkondiging van het evangelie was verschrikkelijk. Daarna werd Hij hoofd van de heidenen. Dat was een vreemd volk dat Hij vroeger niet als het Zijne had erkend. Toch gehoorzaamde het Hem met verbazingwekkende bereidheid, zodra het Zijn stem hoorde. — Louis Isaac le Maistre de Sacy, 1613-1684.

Vers 46

Het eerste zinsdeel is vrij eenvoudig: “Vreemden zijn vervallen”, dat wil zeggen: “langzaam verwelken en verdwijnen.” Het tweede zinsdeel is erg moeilijk: “En hebben gesidderd uit hun sloten.” Een Joodse schriftgeleerde legt uit: “Zij zullen bang zijn voor de gevangenissen waarin ik hen zal gooien en opgesloten houden” (Jarchi). Een ander: “Zij zullen trillen in hun kastelen, waar ze zich uit angst voor mij hebben teruggetrokken.” Weer een ander (Abenezra): “Zij zullen zich overgeven vanuit hun vestingen.”

De algemene strekking is duidelijk genoeg: de bedoelde groep staat volkomen machteloos en verslagen. Welke gebeurtenis hier bedoeld wordt? Als we de weergave van onze vertalers volgen, kan de betekenis zijn: “De heidenen, die zich nu meestal hebben teruggetrokken in dorpen en afgelegen streken, zullen langzaam wegkwijnen en met angst toezien hoe hun godsdienst helemaal uitsterft.” Dat komt precies overeen met de geschiedenis.

Lezen we met sommige uitleggers: “De vreemden zullen verdwijnen en bevreesd zijn vanwege hun gevangenissen”, dan kan het betekenen: “dat mensen die zich maar schijnbaar onderwierpen, openlijk zouden afvallen zodra er vervolging om het Woord zou komen.” Ook dat zou met de feiten kloppen. De eerste uitleg lijkt mij de meest waarschijnlijke. — John Brown.

Vers 47

“De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God mijns heils!” Laten we met elkaar dit lied als afsluiting van onze lofprijzing zingen. Vreugden sterven, genot sterft, de wereld sterft. Maar “De HEERE leeft”! Mijn vlees is als zand. Mijn lichamelijke leven, mijn kracht en mijn glorie zijn als een woord dat in het zand is geschreven. Maar “geloofd zij mijn Rotssteen”! Het eerste duurt maar een ogenblik; Deze blijft in eeuwigheid. Over dat andere komt de vloek en die verslindt het; over Deze komen eeuwige zegeningen. Laat uiterlijke verlossingen maar verdwijnen, laat de verlosten maar gekruisigd worden. “Verhoogd zij de God” van onze verlossingen! Deze Heere is mijn Rots, deze God is mijn Heil. — Peter Sterry, 1649.

Vers 47

“De HEERE leeft.” Waarom zet u niet die ene God tegenover alle legers van kwaad om u heen? Waarom vindt u niet meer vreugde in God, nu u minder aan het schepsel hebt om blij mee te zijn? Waarom beroemt u zich niet in uw God? Waarom loopt u niet trots rond met uw hoop op God en uw verwachtingen van Hem? Ziet u niet hoe jonge erfgenamen van grote bezittingen zich daarnaar gedragen en hun geld uitgeven? Waarom zou u dan, als zoon van de Koning van de hemel, van dag tot dag mager en haveloos rondlopen, alsof u geen cent waard was? O mensen, leef van uw erfdeel! Neem het uzelf kwalijk dat u onder uw stand leeft. Er zijn grote en kostbare beloften, rijke barmhartigheid die ons rijk maakt. U kunt rekenen op alles wat God te bieden heeft, want Hij is meer dan genoeg. U kunt niemand anders dan uzelf iets verwijten als u tekortschiet of moedeloos bent.

Een vrouw, in de kern echt godvrezend, had een kind begraven en zat alleen in haar verdriet. Toch hield zij haar hart omhoog met de woorden: “God leeft.” Toen zij afscheid had genomen van nog een kind, zei zij het nog krachtiger: “Vertroostingen sterven, maar God leeft.” Ten slotte stierf haar dierbare man, en zij zat er bedrukt en helemaal overstelpt van verdriet bij. Een klein kind dat haar nog restte, had gehoord wat zij eerder had gezegd om zichzelf te troosten. Het kwam naar haar toe en vroeg: “Is God dood, moeder? Is God dood?” Dat ging haar door het hart. Door Gods zegen kwam haar vroegere vertrouwen terug in haar God, Die een levende God is.

Doe daarom zelf hetzelfde: spreek uzelf streng toe. Vraag aan uw moedeloze geest, midden in de zware uiterlijke verdrietigheden: leeft God niet? Waarom leeft uw ziel dan niet weer op? Waarom sterft uw hart in u als vertroostingen sterven? Kan een levende God uw wegkwijnende hoop niet dragen? Zo, christenen, weerlegt uw ontmoedigde en verontruste geest zoals David deed. — Oliver Heywood in “Sure Mercies of David”, 1672.

Vers 48

“De God, Die mij volkomen wraak geeft.” Mijnheer, dit is niets anders dan de hand van God. Alleen Hem komt de eer toe, en die mag Hij met niemand delen. De Generaal heeft u met alle trouw en eer gediend. De beste aanbeveling die ik hem kan geven is dat ik durf te zeggen: hij schrijft alles aan God toe en zou liever ten onder gaan dan zichzelf iets toe te eigenen. — Geschreven aan de Voorzitter van het Lagerhuis, na de slag bij Naseby, 14 juni 1645, door Oliver Cromwell.

Vers 50

Koning David bewonder ik veel meer in het koor dan in het legerkamp. Ik bewonder hem meer wanneer ik hem hoor zingen als de lieflijke zanger van Israël, dan wanneer ik hem zie vechten als de dappere krijger van Israël. Want als hij vocht, overwon hij alle anderen. Maar als hij zong en zich verlustigde, overwon hij zichzelf. — Thomas Playfere.

Wenken voor de dorpsprediker

Vers 2

Liefdes besluit, liefdes logica, liefdes beproevingen, liefdes overwinningen. James Hervey heeft twee preken over “Liefde tot God” op deze tekst gehouden.

Vers 3

Hoeveel heerlijks Jehova voor Zijn volk is en betekent.

Vers 3

God als het alles-toereikende erfdeel van Zijn volk. — C. Simeon’s Works, deel 5, blz. 85.

Vers 4

Een vastbesloten gebed, een lofoffer dat wordt gebracht en een uitkomst die wij tegemoet zien.

Vers 5-7

Wat een bedrukte ziel doormaakt, geschilderd als een tafereel, en waarheen zij vlucht wanneer de nood het hoogst is.

Vers 6 (eerste zinsnede)

Hoe het is gesteld met een ziel die door de zonde overtuigd is.

Vers 6 (tweede zinsnede)

Hoe strikken en verzoekingen door satanische list zo worden gelegd dat zij ons te vlug af zijn of de weg versperren.

Vers 7

Wanneer en hoe het gebed wordt gebeden, gehoord en verhoord.

Vers 8

Alles wat beeft wanneer een toornende God nabij is.

Vers 11

Hemelse en aardse krachten die allemaal Gods plannen dienen.

Vers 12

Het duister waarin Jehova Zich hult. Waarom doet Hij dat? Wanneer? En wat volgt er dan? Enzovoort.

Vers 14

“Hagel en vurige kolen.” Het ontzagwekkende ervan en hoe dat zich verhoudt tot Jehova.

Vers 17

De christen is, evenals Mozes, “een uit het water getogene”. Het hele vers is een edel thema en laat zich verhelderen met het leven van Mozes.

Vers 18

Het zegelied van de heilige, gezongen over de satan en over alle andere vijanden.

Vers 18 (laatste zinsnede)

Een vreemde maar deugdelijke reden om op Gods hulp te rekenen.

Vers 19

De “list” van de vijand: “Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals.” De vijand in ketenen gelegd. “Maar de HEERE was mij tot een Steunsel.”

Vers 20

Waarom er genade is, en welke plaats zij haar uitverkorenen geeft.

Vers 22

Een onberispelijk leven: waaraan het wordt gemeten, waaruit het voortkomt, wat het oplevert en welke gevaren het kent.

Vers 23

Waarom wij over heilige dingen moeten nadenken, en hoe goddeloos het is ze achteloos te laten liggen.

Vers 24

Het oprechte hart en zijn lievelingszonde. W. Strong’s Sermons.

Vers 24

Peccata in deliciis; een verhandeling over boezemzonden. P. Newcome.

Vers 24

De onfeilbare proef op de oprechtheid. Dr. Bates.

Vers 26

Hoe rechtvaardig God handelt. — C. Simeon.

Vers 27

Echo’s te horen in Gods voorzienigheid, in Zijn genade en in Zijn oordeel.

Vers 28

Troost voor wie nederig is, en ondergang voor wie hoogmoedig is.

Vers 28 (tweede zinsnede)

Het neerhalen van hoge ogen, op een wijze van genade en gerechtigheid, onder heiligen en onder zondaars, enzovoort. Een ruim thema.

Vers 29

Een troostrijke hoop voor wie in een troosteloze toestand verkeert.

Vers 30

Heldendaden van het geloof verhaald: hun verscheidenheid, hun moeilijkheid op zichzelf, het gemak waarmee ze worden volbracht, hun volledigheid, het feit dat ze ongestraft blijven en hun afhankelijkheid van Gods werking.

Vers 31

Gods weg, Gods woord en de strijd van God.

Vers 32

Een uitdaging die wordt geslingerd.

I. Gericht aan de goden: de wereld, het genot, enzovoort. Welke van hen verdient die naam?

II. Gericht aan de rotsen: zelfvertrouwen, bijgeloof, enzovoort. Op welke daarvan kunnen wij bouwen?

Vers 34-36

Beproevende posities, genadige aanpassingen, sierlijke prestaties, veilige woonplaats, dankbare erkenning.

Vers 36

“Het schild Uws heils.” Wat is het? Geloof. Waar komt het vandaan? “Hebt Gij … gegeven.” Wat geeft het zekerheid van? “Heils.” Wie hebben het ontvangen?

Vers 36

Zie “Spurgeon’s Sermons”, No. 683, “Divine Gentleness Acknowledged.”

Vers 37

Gods welwillendheid, zichtbaar in de manier waarop Hij ons levenslot regelt.

Vers 40

De Roodkruisridder, in wapenrusting klaar voor de strijd.

Vers 42

Gebeden die niets uitrichten, zowel op aarde als in de hel.

Vers 43

De vaste ondergang van het kwaad, en uiteindelijk zijn schande en verderf.

Vers 44 (laatste zinsnede)

Onze natuurlijke en zondige afstand tot Christus is geen belemmering voor de genade.

Vers 45

Het evangelie dat op sommige plaatsen snel vooruitgaat en op andere traag. Ernstige overwegingen.

Vers 47

De levende God, en hoe we Hem moeten zegenen en verhogen.

Vers 51

De grootheid van het heil, “de verlossingen … groot maakt”; haar kanaal, “Zijns konings”; en haar duurzaamheid, “tot in eeuwigheid.”

Werken over de achttiende psalm

Er bestaat een “Uitleg” van deze psalm in “A Critical History of the Life of David. By Samuel Chandler, D.D., F.R., and A.S.S.”, 1766. 2 dln., 8vo.

The Sufferings and Glories of the Messiah: an Exposition of Psalm XVIII., and Isaiah 52:13; 53:12. By John Brown, D.D., 1853.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas