Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 17 — Treasury of David

Titel en onderwerp
Een gebed van David. David zou nooit een man naar Gods hart zijn geweest als hij geen man van het gebed was geweest! In de heilige kunst van het smeken was hij een meester. Wanneer er nood komt, vlucht hij het gebed in, zoals een loods in een zware storm koers zet naar de haven.
Davids gebeden waren zo talrijk dat ze onmogelijk allemaal een datum en een titel konden krijgen. Daarom draagt deze psalm alleen de naam van de dichter, en verder niets. Aan dit lied kleeft nog de lucht van de smeltoven, maar het laatste vers laat zien dat de man die het schreef ongedeerd uit de vlammen is gekomen. In dit klaaglied horen we een beroep op de hemel tegen de vervolging op aarde. Een geestelijk oog kan hier Jezus zien.
Indeling
Duidelijke scheidslijnen tussen de delen zijn er niet. Wij volgen daarom de indeling van die kostbare oude uitlegger, David Dickson. In vers 1-4 vraagt David om recht in het geschil tussen hem en zijn onderdrukkers. In vers 5 en 6 vraagt hij de Heere om genade, zodat hij onder deze beproeving het goede blijft doen. In vers 7-12 zoekt hij bescherming tegen zijn vijanden, die hij levendig schildert. In vers 13 en 14 pleit hij dat hun plannen mislukken. Aan het slot spreekt hij de troostrijkste overtuiging uit: het zal uiteindelijk zeker goed met hem aflopen.
Uitleg
Vers 1
“HEERE! hoor de gerechtigheid.” Wie de slechtste zaak heeft, maakt altijd het meeste lawaai. Daarom is de onderdrukte ziel bang dat haar stem wordt overstemd, en vraagt ze in dit ene vers maar liefst driemaal om gehoor. Het benauwde hart snakt naar het oor van de grote Rechter. Het is er rotsvast van overtuigd dat bij Hem horen en recht doen één en hetzelfde is. Als onze God ons niet kón of niet wílde horen, zou het er treurig met ons voorstaan. En toch zijn er belijders die de genadetroon zo weinig waarderen dat God hen om een heel simpele reden niet verhoort: ze leggen Hem hun zaak gewoon nooit voor.
Wat heb je aan een huis als je toch als een zwerver door de steegjes en over de open velden blijft trekken? Wat heb je aan een genadetroon als je steeds je eigen zaak blijft verdedigen en nooit naar God toe gaat? Het is veel waarschijnlijker dat wij de Heere niet horen dan dat de Heere ons niet hoort.
“Hoor de gerechtigheid” (Engels: hoor het recht). Het is goed als onze zaak op zichzelf deugt en we haar als een rechtmatige zaak kunnen voorleggen, want onze rechtvaardige Rechter zal het recht nooit onrecht aandoen. Maar is onze zaak door onze tekortkomingen bedorven? Dan is het een groot voorrecht dat we ons mogen beroepen op de gerechtigheid van onze Heere Jezus, die daarboven altijd de overhand heeft. Het recht heeft een stem die Jehovah altijd hoort. Als mijn onrecht met alle kracht en woede tegen mij schreeuwt, zal ik de Heere vragen te luisteren naar die nog luidere en sterkere stem van het recht, de stem van de rechten van Zijn dierbare Zoon.
“Hoor, o God, den Rechtvaardige” — dat wil zeggen: “hoor de Messias.” Zo vertaalde Hieronymus het, en bisschop Horsley bewonderde die vertaling. Of ze als vertaling klopt of niet, als pleitgrond past ze uitstekend. Leg het maar voor aan de troon van de rechtvaardige God, zeker wanneer alle andere argumenten niets uitrichten.
“Merk op mijn geschrei.” Hier voelen we hoe heftig en hoe ernstig het de smekeling is te doen. Hij is geen loze prater; hij huilt en klaagt. Wie kan zo’n kreet weerstaan? Een echte, hartelijke, bittere en wanhopige kreet zou bijna een rots kunnen vermurwen. Bij onze hemelse Vader hoeven we dus niet te vrezen dat zo’n kreet niets uitricht. Een kreet is onze eerste levensuiting en in veel opzichten het natuurlijkste van alle menselijke geluiden. Is ons gebed, net als het geroep van een kind, natuurlijker dan verstandig en oprechter dan sierlijk? Dan is het bij God daarom nog niet minder welsprekend. Een kind dat roept, heeft een geweldige macht over het hart van zijn ouder.
“Neem ter ore mijn gebed.” Niet elke herhaling is nutteloos. Dit dubbele aandringen is geen bijgeloof en ook geen holle herhaling. Het lijkt op de steeds opnieuw neerkomende hamerslag die precies dezelfde spijker raakt om hem steviger vast te zetten. Of op een bedelaar die blijft kloppen aan de poort en aan wie je een aalmoes niet kunt weigeren.
“Met onbedriegelijke lippen gesproken.” Oprechtheid is in het gebed onmisbaar. Lippen vol bedrog zijn voor mensen een gruwel, en voor God nog veel meer. In een omgang die zo heilig is als het gebed is huichelarij, hoe klein ook, even noodlottig als dwaas. Schijnvroomheid is dubbele ongerechtigheid. Wie wil veinzen en vleien, kan zijn kunsten beter uitproberen op een dwaas die net zo is als hijzelf. Want de Alziende bedriegen is even onmogelijk als de maan vangen in een net of de zon in een strik lokken. Wie God wil bedriegen, is zelf al het allergrofst bedrogen.
Onze oprechtheid in het gebed is op zichzelf geen verdienste, net zomin als de ernst van een bedelaar op straat. Toch let de Heere erop, om Jezus’ wil, en Hij zal Zijn oor niet lang weigeren aan een eerlijke en vurige smekeling.
Vers 2
“Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan.” Door de sterkende kracht van het gebed is de psalmist nu vrijmoedig geworden. Hij smeekt de Rechter van de hele aarde om uitspraak te doen in zijn zaak. Hij is belasterd, op een gemene en boosaardige manier belasterd. Nu hij zijn zaak voor het hoogste gerechtshof heeft gebracht, wil hij als onschuldig man het onderzoek niet ontlopen. Hij nodigt er zelfs toe uit en vraagt om een oordeel. Geheimhouding vraagt hij niet; hij wil dat de uitkomst aan de wereld bekend wordt. Het vonnis moet meteen worden uitgesproken, en meteen worden uitgevoerd.
In sommige zaken mogen wij net zo vrijmoedig zijn. Maar tenzij we iets beters kunnen aanvoeren dan onze eigen vermeende onschuld, zou het een vreselijke overmoed zijn om het oordeel van een God Die de zonde haat zo uit te dagen. Met Jezus als onze volmaakte en heerlijke gerechtigheid hoeven we niet bang te zijn, ook al zou de dag van het oordeel vandaag nog aanbreken en de hel haar muil voor onze voeten openen. Dan kunnen we met vreugde de waarheid bevestigen van wat onze liederendichter vol heilige trots zingt:
“Vrijmoedig zal ik staan op die grote dag;
want wie zal mij nog iets ten laste leggen?
Door Uw bloed ben ik vrijgesproken
van de vreselijke vloek en schande van de zonde.”
“Laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.” Gelovigen willen geen andere rechter dan God. Ze vragen niet om vrijstelling van het oordeel, en ook niet om een partijdige maatstaf waarmee ze worden gemeten. Nee, onze hoop rust niet op de gedachte dat God ons voortrekt en daarom Zijn wet opzijschuift. We verwachten volgens dezelfde beginselen te worden beoordeeld als alle andere mensen. Maar door het bloed en de gerechtigheid van onze Verlosser komen we ongedeerd door die beproeving heen.
De Heere zal ons eerlijk en rechtvaardig wegen op de weegschaal van Zijn gerechtigheid. Hij gebruikt geen valse gewichten om ons te laten ontsnappen. Met de strengste billijkheid worden die weegschalen bij ons gebruikt, net als bij anderen. Maar omdat onze gezegende Heere Jezus ons alles in allen is, beven wij niet: we zullen niet te licht worden bevonden. David voelde zijn zaak zó zuiver dat hij alleen wenste dat de goddelijke ogen erop zouden rusten. Hij was er zeker van dat de billijkheid hem alles zou geven wat hij nodig had.
Vers 3
“Gij hebt mijn hart geproefd.” Net als Petrus gebruikt David dit argument: “Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb.” Wat een geruststelling is het dat we ons meteen op de Heere kunnen beroepen en onze Rechter kunnen oproepen als getuige voor onze verdediging! “Geliefden! Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God.”
“Gij hebt mijn hart … des nachts bezocht.” Het is alsof hij zegt: “Heere, U bent op elk uur van de dag mijn huis binnengekomen. U hebt mij gezien als niemand anders in de buurt was. U kwam onverwacht bij mij binnen en zag mijn ongedwongen doen en laten, zonder dat ik iets kon voorbereiden. U weet dus of ik wel of niet schuldig ben aan de misdaden waarvan men mij beschuldigt.” Gelukkig de man die zo aan het alwetende oog en aan de alomtegenwoordige Bezoeker kan terugdenken, en in die herinnering troost vindt! Wij hopen dat ook wij onze nachtelijke bezoeken van onze Heere hebben gehad. Ze zijn waarlijk zoet, zo zoet dat de herinnering eraan ons doet verlangen naar nog meer van zulke nederbuigende gemeenschap. Heere, als wij echt huichelaars waren geweest, hadden wij dan zulke gemeenschap met U gekend, of zo’n honger gevoeld naar de hernieuwing ervan?
“Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets.” De psalmist bedoelt zeker niet dat er niets huichelachtigs of slechts in hem was in de zin waarin zijn lasteraars hem beschuldigden. Want als de Heere de besten van Zijn volk in de smeltkroes zou leggen, zou het schuim een vreselijk gezicht zijn en zou het berouw haar sluizen wijd openzetten. Ertsproevers ontdekken de onzuiverheid in het metaal razendsnel. Wanneer de Opperste van alle ertsproevers eindelijk van ons zal zeggen dat Hij niets heeft gevonden, zal dat een heerlijk uur zijn: “Zij zijn onberispelijk voor den troon van God.” Zelfs nu al ziet de Heere, wanneer Hij ons beziet in ons verbondshoofd, geen zonde in Jakob en geen verkeerdheid in Israël. Zelfs de alles doordringende blik van de Alwetendheid ontdekt geen gebrek waar de grote Plaatsvervanger alles bedekt met schoonheid en volmaaktheid.
“Hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet” (Engels: ik ben voornemens dat mijn mond niet zal overtreden). O, wat zijn onze lippen toch een ellende! Zonder een vast besluit houden we ze nooit binnen hun grenzen. Er zijn evenveel ziekten van de tong als van de rest van de mens bij elkaar, en ze zijn hardnekkiger. Handen en voeten kun je binden, maar wie kan de lippen vastketenen? IJzeren banden houden een waanzinnige tegen, maar welke ketenen kunnen de tong bedwingen? Er is méér nodig dan een goed voornemen om dit rusteloze kwaad binnen de perken te houden. Leeuwen temmen en slangen bezweren is niets vergeleken bij het temmen van de tong, want de tong kan geen mens temmen.
Wie onder de leugens van anderen lijdt, moet des te scherper op zichzelf letten. Misschien bracht dat de psalmist ertoe dit heilige voornemen op te schrijven. Daarmee wilde hij ook zeggen dat het niet opzettelijk was als hij zich te veel had verdedigd. Hij wilde zijn lippen immers in alles stemmen op de zoete, eenvoudige muziek van de waarheid. Toch werd David belasterd. Het lijkt wel alsof we daardoor geleerd krijgen dat zelfs de zuiverste onschuld door boosaardigheid wordt bemodderd. Er is geen zonneschijn zonder schaduw, en geen rijpe vrucht die de vogels niet hebben aangepikt.
Vers 4
“Aangaande de handelingen des mensen.” Zolang we tussen mensen leven, worden hun daden ons onder de neus geduwd. Dan zijn we wel gedwongen een hoekje van ons dagboek vrij te houden voor “aangaande de handelingen des mensen”. Volkomen rein zijn van de dode werken van de vleselijke mensheid: dat is het vrome verlangen van zielen die door de Heilige Geest levend zijn gemaakt.
“Ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers” (Engels: des verwoesters). Hij was op de hoofdweg van de Schrift gebleven en had de zijpaden van de boosheid links laten liggen. Wij zouden maar al te snel het voorbeeld van de slechtste mensen volgen als de genade van God Zijn Woord niet inzette als het grote middel tegen het kwaad. De paden van de verwoester hebben ons vaak verleid. Als we zwaar werden getergd en de wrok hoog opliep, werden we ertoe gedreven zelf ook verwoesters te worden. Maar dan dachten we aan het voorbeeld van onze Heere. Hij wilde geen vuur van de hemel op Zijn vijanden laten neerdalen, maar bad zachtmoedig: “Vader, vergeef het hun.”
Alle wegen van de zonde zijn de paden van Satan, de verwoester, van Apollyon of Abaddon: twee woorden die allebei “de verwoester” betekenen. Dwaas zijn zij die hun hart geven aan de oude moordenaar, alleen omdat hij hun boze begeerten even bevredigt. Dat hemelse Boek dat op menige plank ligt te verstoffen, is de enige gids voor wie de verlokkende en verstrikkende dwaalwegen van de zonde wil mijden. Het is ook het beste middel om een jonge pelgrim ervoor te behoeden die gevaarlijke wegen ooit te betreden. We moeten het ene of het andere volgen: het Boek van het leven of de weg van de dood, het woord van de Heilige Geest of de ingeving van de boze geest.
Als bewijs van zijn oprechtheid kon David aanvoeren dat hij geen deel of lot had met de goddelozen op hun verderfelijke wegen. Hoe durven wij onze zaak aan God voor te leggen, als we onze handen niet rein kunnen wassen van elke omgang met de vijanden van de grote Koning?
Vers 5
Het is niet makkelijk om je goed te gedragen als je beproefd wordt. Een kaars is moeilijk brandend te houden als veel afgunstige monden erop blazen. In kwade tijden is gebed bijzonder nodig, en verstandige mensen nemen er meteen hun toevlucht toe. Plato zei tegen een van zijn leerlingen: “Als men kwaad van je spreekt, leef dan zo dat niemand hen zal geloven.” Goede raad, maar hij vertelde er niet bij hoe we dat moeten doen. Hier krijgen we wél een voorschrift, verpakt in een voorbeeld: willen we bewaard blijven, dan moeten we roepen tot de Bewaarder en Gods steun aan onze kant brengen.
“Houdende mijn gangen” (Engels: ondersteun mijn gangen) — zoals een voorzichtige koetsier zijn paard inhoudt als hij een heuvel afrijdt. We hebben allerlei gangen, snelle en langzame, en de weg blijft nooit lang van dezelfde soort. Maar als God onze gangen ondersteunt, kan niets in onze pas of op onze weg ons ten val brengen. Wie eenmaal is gevallen en zijn knieën tot op het bot heeft opengehaald, moet dit gebed nog ijveriger bidden. En wij allen, die door Adams val zo wankel op onze benen staan, moeten het elk uur van de dag bidden. Als een volmaakte vader viel, hoe zou een onvolmaakte zoon dan durven opscheppen?
“In Uw sporen.” Nu hij de paden van Satan had verlaten, bad hij om steun op de paden van God. Wij kunnen het kwade niet laten zonder bij het goede te blijven. Als de korenmaat niet vol tarwe zit, zit hij zó weer vol kaf. Moge de Heere ons, door Zijn ondersteunende genade, in staat stellen om te blijven lopen in alle ordeningen en plichten van ons allerheiligste geloof!
“Opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.” Wat! Wankelen op Gods wegen? Ja, de weg is goed, maar onze voeten zijn slecht en glijden daarom uit, zelfs op de koninklijke heirbaan. Wie verbaast zich als vleselijke mensen uitglijden en vallen op wegen die ze zelf kiezen, wegen die, net als het dal van Siddim, vol dodelijke pekputten zitten? Je kunt over een ordening struikelen net zo goed als over een verzoeking. Jezus Christus Zelf is voor sommigen een steen des aanstoots, en de leerstukken van de genade zijn voor velen een aanleiding tot ergernis geweest. Alleen de genade kan onze gangen ondersteunen op de paden van de waarheid.
Vers 6
“Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God!” U hebt mij altijd verhoord, o mijn Heere, en daarom nader ik Uw altaar opnieuw met het volste vertrouwen. Ervaring is een gezegende leermeester. Wie in uren van nood heeft ervaren hoe trouw God is, mag met grote vrijmoedigheid zijn zaak voor de troon leggen. De put van Bethlehem, waaruit we in vroegere jaren zulke verkwikkende teugen dronken, trekt onze ziel nog altijd. We laten hem niet in de steek voor de gebarsten bakken van deze aarde.
“Neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.” Buig U neer uit de hemel en leg Uw oor aan mijn mond. Geef mij Uw oor helemaal voor mijzelf, zoals mensen zich voorover buigen om geen woord van hun vriend te missen. De psalmist komt hier terug op zijn eerste gebed. Daarmee geeft hij ons het voorbeeld om onze bede telkens opnieuw aan te dringen, tot we de volle zekerheid hebben dat we zijn verhoord.
Vers 7
“Maak Uw weldadigheden wonderbaar” (Engels: betoon Uw wonderbare goedertierenheden). Wonderbaar in haar ouderdom, in haar bijzondere karakter, in haar trouw, in haar onveranderlijkheid, en bovenal wonderbaar in de wonderen die ze verricht. Die wonderbare genade, die ons heeft vrijgekocht met het dierbare bloed van Gods Eniggeboren Zoon, wordt hier te hulp geroepen om ons te redden. Soms blijft die genade verborgen, en daarom staat er: “Betoon haar.” Ze moet zichtbaar worden. Het bewust genieten van Gods liefde, nú, is een onvergelijkelijk sterkend drankje voor bezwijmende harten. Het houdt hen overeind.
Gelovige, wat een gebed is dit! Sta er rustig bij stil en denk er goed over na. O Heere, betoon Uw wonderbare goedertierenheid. Betoon haar aan mijn verstand en neem mijn onwetendheid weg. Betoon haar aan mijn hart en laat mijn dankbaarheid herleven. Betoon haar aan mijn geloof en vernieuw mijn vertrouwen. Betoon haar aan mijn ervaring en verlos mij van al mijn angsten. Het oorspronkelijke woord is hetzelfde als in Psalm 4:4, waar het is vertaald met afgezonderd. De kracht ervan is: onderscheid Uw goedertierenheden, zet ze apart, en scheid het uitgelezenste af om mij te schenken in dit uur van mijn zwaarste verdrukking.
“Gij, Die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan!” (Engels: o Gij, die door Uw rechterhand behoudt hen die op U vertrouwen, van degenen die tegen hen opstaan.) De titel die onze genadige God hier krijgt, geeft enorm veel troost. Hij is de God van het heil. Het is Zijn gewoonte, nu en altijd, om gelovigen te redden. Hij zet Zijn beste en heerlijkste kracht in, Zijn rechterhand van wijsheid en macht, om allen te behouden die zich aan Hem toevertrouwen, van welke rang of stand ook. Gelukkig het geloof dat zo de almachtige bescherming van de hemel weet te winnen! Gezegende God, hoe genadig bent U voor onwaardige stervelingen, als zij maar genade hebben om op U te steunen!
De rechterhand van God staat tussen de heiligen en alle onheil in. God komt nooit middelen tekort; Zijn blote hand is genoeg. Hij werkt zonder hulpmiddelen net zo goed als met hulpmiddelen.
Vers 8
“Bewaar mij als het zwart des oogappels.” Geen onderdeel van ons lichaam is kostbaarder, teerder en beter beschermd dan het oog. En binnen het oog heeft de appel in het midden, de pupil, de meeste bescherming nodig. Het Hebreeuws noemt die zelfs “de dochter van het oog”. Onze alwijze Schepper heeft het oog op een veilige plek gezet. Stevige botten staan eromheen, zoals de bergen rondom Jeruzalem. Hij gaf het ook nog vele vliesjes van binnenuit mee, boven op de haag van de wenkbrauwen, het gordijn van de oogleden en het hekwerk van de wimpers. En Hij legde in ieder mens zo’n groot besef van de waarde van zijn ogen, en zo’n snelle schrik voor gevaar, dat geen enkel lichaamsdeel zo trouw wordt verzorgd als het oog.
Zo, Heere, bewaar U ook mij! Want ik vertrouw erop dat ik één ben met Jezus, en daarom een lid van Zijn geheimvolle lichaam. “Verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen.” Kijk maar naar de moedervogel. Ze beschermt haar kroost helemaal tegen het kwaad, en ondertussen koestert ze het met de warmte van haar eigen hart, door het onder haar vleugels te nemen. Doe dat ook voor mij, God, Die U zo diep voor ons neerbuigt! Ik ben immers Uw kind, en Uw liefde als Vader is volmaakt.
Let op: in het Hebreeuws staat deze laatste bede in de toekomende tijd. Het lijkt alsof de schrijver daarmee wil laten zien dat hij zeker weet te krijgen wat hij zojuist vroeg. Zo hoort het ook bij ons te zijn, zodat we niet twijfelend bidden: onze verwachting moet net zo zeker zijn als ons smeken vurig is.
Vers 9
“Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.” De vijanden van wie David gered wilde worden, waren goddeloze mensen. Dat is hoopgevend voor ons, als onze vijanden ook vijanden van God zijn! Het waren doodsvijanden, mensen die pas tevreden waren als hij dood was. Zo zijn ook de vijanden van de ziel van een gelovige doodsvijanden in de ergste zin. Wie ons geloof aanvalt, zoekt het leven van ons leven. Dodelijke zonden zijn dodelijke vijanden. En welke zonde draagt de dood niet in haar binnenste?
Deze vijanden onderdrukten David. Ze maakten zijn geest tot een woestenij, zoals binnenvallende legers een land kaalplunderen of wilde dieren een streek leegroven. Hij ziet zichzelf als een belegerde stad en klaagt dat zijn vijanden hem insluiten. Moeten wij dan niet haast maken, nu ons overal, op elke weg, dodelijke vijanden de doorgang afsnijden? Zo is onze situatie elke dag: om ons heen loeren gevaren en zonden. O God, bescherm ons tegen hen allemaal!
Vers 10
“Met hun vet besluiten zij zich.” Weelde en gulzigheid maken het hart dik en opgeblazen. Zo’n hart sluit zijn poorten voor elk medelijden en elk redelijk oordeel. Een oud spreekwoord zegt dat volle buiken lege hoofden maken, en nog vaker maken ze lege harten. De weligste onkruiden groeien op de vetste grond. Rijkdom en zelfverwennerij zijn de brandstof waar sommige zonden hun vuur mee voeden. Hoogmoed en overvloed van brood waren de tweelingzonden van Sodom. (Ezechiël 16:49.) Een goedgevoerde havik vergeet zijn meester, en de maan staat het verst van de zon als ze vol is. Eglon liet zien dat een goedgevulde buik geen garantie voor het leven is, zodra God een scherpe boodschap stuurt die rechtstreeks de binnenste delen van het lichaam raakt.
“Met hun mond spreken zij hovaardelijk.” Wie zichzelf aanbidt, heeft geen hart om de Heere te aanbidden. Het hart van de goddeloze zit vol zelfzuchtig genot, en daarom stopt hij zijn mond vol met grootspraak en aanmatiging. Voorspoed en ijdelheid wonen graag samen. Wee de gevoerde os die tegen zijn eigenaar brult: de slachtbijl is dan niet ver weg!
Vers 11
“In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld.” De woede van de goddelozen richt zich niet tegen één gelovige alleen, maar tegen de hele groep. Zij hebben ons omsingeld! Het hele Joodse volk was niet meer dan een hapje voor de hongerige wraak van Haman, en dat alles om één Mordechai. De vorst van de duisternis haat alle heiligen, om hun Meester. Maar de Heere Jezus is één van ons, en daar ligt onze hoop! Hij is de Doorbreker. Hij baant een weg voor ons dwars door de legers die ons omringen.
De haat van de machten van het kwaad houdt nooit op en is vol kracht. Ze houden elke stap in de gaten, in de hoop dat het moment komt waarop ze ons onverwacht kunnen grijpen. Als onze geestelijke tegenstanders ons zo bij elke stap omsingelen, hoe angstvallig moeten wij dan op al onze bewegingen letten, zodat wij nergens in het kwaad verstrikt raken!
“Zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.” Trapp legt dit beeld geestig uit met een stier die zijn slachtoffer gaat aanvallen. Hij laat zijn kop zakken, staart naar de grond en zet dan al zijn kracht in de aanloop die volgt. Waarschijnlijk wijst het op de boosaardige afgunst waarmee de vijand de voetstappen van de rechtvaardigen bewaakt. Het is alsof ze de grond bestuderen waarop die mensen lopen. Ze zoeken een verkeerde voetafdruk om hen voor het verleden aan te klagen, of een struikelblok om in hun toekomstige pad te leggen, zodat ze in de komende dagen ten val komen.
Vers 12
Leeuwen zijn niet gretiger, en hun wegen niet listiger, dan Satan en zijn helpers wanneer zij tegen de kinderen van God ten strijde trekken. De tegenstander dorst naar het bloed van zielen. Al zijn kracht en sluwheid zet hij in om zijn walgelijke honger te stillen. Wij zijn zwak en dwaas als schapen. Maar wij hebben een Herder Die wijs en sterk is. Hij kent de streken van de oude leeuw en is zijn kracht ruimschoots de baas. Daarom zullen wij niet bang zijn, maar rustig en veilig in de schaapskooi blijven.
Toch moeten we ons goed hoeden voor onze loerende vijand! Juist op de stukken van de weg waar wij ons het veiligst voelen, moeten we goed om ons heen kijken. Misschien springt de vijand dan wel plotseling op ons af.
Vers 13
“Sta op, HEERE.” Hoe woester de aanval, hoe vuriger het gebed van de psalmist. Hij kijkt alleen nog naar de Almachtige, en hij voelt: God hoeft maar van de zetel van Zijn geduld op te staan, en het werk is in één keer gedaan. Laat de leeuw maar op ons springen! Als Jehova ertussen komt, hebben wij geen betere verdediging nodig. Zodra God onze vijand in de strijd recht in het gezicht ontmoet, is het gevecht snel gestreden.
“Kom zijn aangezicht voor.” Wees hem voor, ga hem te slim af, loop hem voorbij. Beslis anders dan hij heeft besloten, en laat zijn plannen zo mislukken. “Vel hem neder.” Gooi hem op de grond. Dwing hem op zijn knieën. Laat hem buigen zoals de overwonnene buigt voor de overwinnaar. Wat een heerlijk gezicht zal het zijn om Satan neergeworpen te zien onder de voet van onze glorievolle Heere! Kom snel, dag van heerlijkheid!
“Bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze” (Engels: bevrijd mijn ziel van den goddeloze, die Uw zwaard is). David erkent dat zelfs de goddeloosste en meest onderdrukkende mens onder het bestuur van de Koning der koningen valt en als een zwaard in Gods hand wordt gebruikt. Wat kan een zwaard uitrichten, tenzij er een hand is die het zwaait? Zo zouden de goddelozen ons ook niet kunnen deren, als de Heere hun dat niet toestond. De meeste vertalers zijn het er echter over eens dat dit niet de juiste lezing is. Volgens Calvijn moet er staan: “Bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze.” David zet het zwaard van de Heere dan tegenover menselijke hulp en menselijke verlichting, en hij weet zeker dat hij onder de bescherming van de hemel veilig genoeg is.
Vers 14
Bijna elk woord van dit vers heeft geleerden stof tot debat gegeven, want het is zeer duister. We blijven daarom bij de gewone vertaling, in plaats van de lezer te verwarren met een hele reeks uiteenlopende weergaven.
“Met Uw hand van de lieden” (Engels: van de mensen die Uw hand zijn). Eerst noemde David de goddelozen een zwaard in de hand van zijn Vader. Nu vergelijkt hij hen met die hand zelf. Zo laat hij zien hoe zeker hij ervan is dat God hun geweld net zo moeiteloos kan wegnemen als een mens zijn eigen hand beweegt. Nooit zal Hij Zijn kind doden met Zijn eigen hand. “Van de lieden, die van de wereld zijn”: louter aardwormen. Geen mensen van de toekomende wereld, maar bewoners van dit enge domein van sterfelijkheid, zonder hoop of wens die verder reikt dan de grond waarop zij lopen.
“Welker deel in dit leven is.” Net als de verloren zoon willen zij hun deel nú, en hebben ze geen geduld om op de tijd van hun Vader te wachten. Net als Passie in “De Pelgrimsreis” krijgen zij hun beste dingen eerst, en genieten ze uitbundig van hun korte uurtje. Luther was altijd bang dat hij zijn deel hier op aarde zou ontvangen, en gaf daarom vaak geldbedragen weg die hij cadeau kreeg. Aarde én hemel samen kunnen wij niet kiezen als ons deel. Wijze mensen kiezen wat het langst zal duren.
“Welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat.” Hun zinnelijke honger krijgt de buit waar hij naar snakte. God voert deze zwijnen de schillen waar ze naar hunkeren. Een vrijgevig mens onthoudt zelfs honden hun botten niet, en onze vrijgevige God geeft zelfs Zijn vijanden genoeg om hen te verzadigen, als ze maar niet zo onredelijk waren om nooit genoeg te krijgen. Goud en zilver, weggesloten in de donkere schatkamers van de aarde, krijgen de goddelozen in overvloed, en daarom baden ze in allerlei vleselijke genoegens. Elke hond heeft zijn dag, en zij hebben de hunne. Het lijkt een stralende zomerdag, maar ach, hoe snel verandert hij in nacht!
“De kinderen worden verzadigd.” Dit was hun diepste wens: nageslacht dat hun namen ver over de bladzijden van de geschiedenis zou doorgeven. Ook dat heeft God hun gegeven, zodat zij alles hebben wat een hart maar kan wensen. Wat lijken het benijdenswaardige mensen, met alles erop en eraan! Maar het is slechts schijn!
“Zij laten hun overschot hun kinderkens achter.” Het waren welgedane huisvaders, en toch laten ze geen magere testamenten na. Levend en stervend ontbrak hun niets dan genade, en helaas, dat ene gebrek bederft alles. Binnen de kleine kring van de tijd hadden zij een mooi deel, maar met de eeuwigheid hielden ze in hun berekeningen geen rekening. Ze waren slim met de centen en dwaas met de guldens. Ze dachten aan het heden en vergaten de toekomst. Ze vochten om de schil en verloren de pit.
Wat een raak portret van menig succesvol zakenman of populair politicus, zoals we ze overal om ons heen zien! Op het eerste gezicht schitterend en verleidelijk, maar wat zijn deze armzalige molshoopvreugden naast de heerlijkheid van de toekomende wereld! Zelf, zelf, zelf: al die vreugden beginnen en eindigen in de laagste zelfzucht. Maar o, onze God, hoe rijk zijn zij die bij U beginnen en eindigen! Van alle besmetting en schade die de omgang met wereldse mensen ons zeker zal brengen: verlos ons, o God!
Vers 15
“Maar ik” (Engels: wat mij aangaat). “Ik benijd noch begeer het geluk van deze mensen, maar ik heb voor een deel al en verwacht voor een deel iets veel beters.” Gods aangezicht zien en door dat zien veranderd worden in Zijn beeld, zodat ik deel krijg aan Zijn gerechtigheid: dat is mijn edele eerzucht. Met dat uitzicht geef ik blijmoedig al mijn genoegens van nu op. Mijn verzadiging moet nog komen; ik verwacht haar nu nog niet.
Ik zal een tijdje slapen, maar bij het geluid van de bazuin word ik wakker. Wakker voor eeuwige vreugde, want ik sta op in Uw gelijkenis, o mijn God en Koning! Hier beneden krijgen goede mensen glimpen van heerlijkheid om hun heilige honger te stillen, maar het volle feest ligt voor hen klaar in de hoogste hemel. Naast deze diepe, onuitsprekelijke, eeuwige volheid van vreugde zijn de genoegens van wereldlingen als een glimworm naast de zon, of een druppel uit de emmer naast de oceaan.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Titel
“Een gebed van David.” Omdat veel psalmen uit gebeden bestaan, ligt de vraag voor de hand waarom juist deze psalm zo’n opschrift draagt. Andere psalmen bevatten wel verscheidene gebeden, maar vermengd met andere zaken. Deze is van begin tot eind één smeking. — De Eerbiedwaardige Beda, 672-735.
Vers 1
“Hoor . . . merk op . . . neem ter ore.” Deze driemaal herhaalde bede verraadt een enorme kracht van gevoel en vele tranen. De list van de goddelozen bedroeft en kwelt de geestelijke mens namelijk werkelijk meer dan hun macht en geweld. Open kracht en geweld kunnen wij immers leren kennen, en als wij het gevaar zien aankomen, kunnen wij ons er op de een of andere manier tegen wapenen. — Maarten Luther.
Vers 1
“Met onbedriegelijke lippen gesproken” (Engels: dat niet uitgaat van bedrieglijke lippen). Er bestaan zulke dingen als “bedrieglijke lippen”: een tegenstrijdigheid tussen hart en tong, geschreeuw in de stem en spot in de ziel. Men roept tot God: “Mijn Vader! Gij zijt de leidsman mijner jeugd!”, en toch spreekt en doet men het kwaad, naar al ons vermogen (Jeremia 3:4, 5). Alsof God door kruiperige voorwendsels bedrogen kon worden en, net als de oude Izak, Jakob voor Ezau kon aanzien en zich laten misleiden door de geur van diens kleren! Alsof Hij een door en door zwart hart niet zou herkennen onder een engelengewaad! . . .
Dit is een onwaardige gedachte over God: te menen dat wij met uiterlijke offers, met een luide stem en een vals hart, kunnen boeten voor inwendige zonden en naderende oordelen kunnen afwenden. Alsof God (net als kinderen) zou worden behaagd door het glinsteren van een lege schelp, het rammelen van stenen, het rinkelen van geld: een loze stem en een geroep zonder innerlijke gesteldheid en zonder oprechte bedoeling om te dienen. — Stephen Charnock.
Vers 1
“Met onbedriegelijke lippen.” Het is opmerkelijk dat de adelaar hoog opstijgt, niet met de bedoeling naar de hemel te vliegen, maar om haar prooi te bemachtigen. Zo dragen velen veel schijnbare vroomheid uit door hun ogen naar de hemel op te heffen, maar zij doen het slechts om hun goddeloze, verdoemelijke plannen hier op aarde met meer gemak, veiligheid en lof uit te voeren. Van buiten zijn ze Cato’s, van binnen Nero’s. Als je hen hoort, is niemand beter; onderzoek en toets hen, niemand slechter! Zij hebben Jakobs stem maar Ezaus handen. Zij belijden als heiligen maar bedrijven als Satans. Zij hebben hun lange gebeden maar korte biddingen. Zij zijn als apothekerspotten: van buiten prijkt de titel van een uitstekend geneesmiddel, van binnen zit dodelijk vergif. Gehuichelde heiligheid is hun mantel voor allerlei schurkerij en de vroedvrouw die al hun duivelse plannen ter wereld helpt brengen. — Peter Bales, in Spencers “Things New and Old.”
Vers 1
“Met onbedriegelijke lippen.” Niet alleen een rechtvaardige zaak, maar ook een rechtvaardig gebed wordt aangevoerd als reden waarom God zou moeten horen. Calvijn wijst erop hoe belangrijk het is om het gebed te verbinden met het getuigenis van een goed geweten, zodat wij God niet van Zijn eer beroven door Hem niet alle oordelen toe te vertrouwen.
— J. J. Stewart Perowne.
Vers 1
Al zijn je gebeden nog zo mooi onder woorden gebracht en met alle eerbied uitgesproken, wat je houding betreft: het is allemaal niets als je hart niet bij de zaak is. Want het gebed is niet alleen een werk van het hoofd, de hand of de ogen, maar vooral van het hart. Daarom noemt de Schrift het ook het “uitstorten van de ziel” (1 Samuël 1:15) en het “uitstorten van het hart.” Psalm 62:9. De ziel van het gebed ligt inderdaad in het uitstorten van de ziel voor de Heere. Als je dus tot God nadert in het gebed, doe het dan met hart en ziel. Anders kun je geen zekerheid hebben dat Hij je hoort en aanneemt. Want, zoals Cyprianus zegt: Quomodo te audiri a Deo postulas, etc. Hoe kun je verwachten dat de Heere naar je luistert, als je zelf niet naar jezelf luistert? Of dat Hij je gebeden aanziet, als je zelf niet let op wat je bidt? Zeker, dat gebed dringt niet door tot Gods hart, dat niet doordringt tot ons eigen hart. — Thomas Gouge, 1605-1681.
Vers 2
David roept God aan om de oprechtheid van zijn hart jegens Saul te beoordelen: “Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan.” Van Saul en zijn hovelingen komt een hard vonnis. Zij noemen mij verrader, zij noemen mij opstandeling. Maar, Heere, laat mij niet over aan hun vonnis: “Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan.” Dat zal, ik weet het, een heel ander vonnis zijn dan dat van hen. Want U hebt mij beproefd en getoetst, en U vindt niets in mij. — Jeremiah Burroughs.
Vers 3
“Gij hebt mijn hart geproefd”:
Wat! Het zomaar aannemen en niet beproeven
van welk metaal het gemaakt is? Nee, dat doe Ik niet.
Zou Ik het achteloos laten passeren,
somber lood voor zilver aanzien, blinkend koper
voor zuiver goud? Ach, wat zou daarvan terechtkomen
op de grote dag waarop alles wordt beproefd?
Het zou worden weggeworpen.
Het hart dat gij Mij geeft, moet waarachtig zijn,
door en door gelouterd en bestand tegen het vuur.
Ik begeer niets anders dan wat de vuurproef kan doorstaan.
Niet de glans van de buitenzijde begeer Ik,
waarvan de schone schijn weldra vergaat;
maar de ware kostbaarheid die van binnen schuilt,
die door geen slakken of onedel metaal wordt aangetast.
Schuilt in uw hart een harde, stalen eigen wil
die voor Mij niet buigt en zich niet onderwerpt,
dan alleen in uiterlijke schijn,
in huichelarij met klatergoud omhuld,
dan acht Ik zo’n hart niets, al schijnt het schoon
als de eerste blos van de morgenhemel,
door de stralen van de zon verguld.
Het hart dat in Mijn oven niet smelt,
wanneer het de gloeiende hitte ervan heeft gevoeld,
dat niet zacht wordt en oplost in tranen
van oprecht berouw over zijn zonden,
dat Mijn dreigende stem hoort en toch niet vreest,
is geen hart dat Ik begeer. Is het
een hart van steen, dan is het geen hart voor Mij.
Het hart dat sist zodra het in Mijn oven komt
en Mij de vonken in het aangezicht doet spatten,
dat in vlagen van onvrede en wrevel opstandig wordt,
dat klaagt wanneer zijn eigen wil wordt gebroken,
dat bij het geringste lijden begint te morren
en Mijn vaderlijke kastijding afwijst,
is een hart waaraan Ik Mijn werk niet wil besteden.
* * * * * * * * *
Het hart dat zich in rook hult
en met nevelige schaduwen wil verbergen
hoe leeg en naakt het vanbinnen is, hoe hoog
gij het ook acht,
zal Mijn toets nimmer kunnen doorstaan.
Ik zal het in Mijn oven brengen en daar beproeven
wat het werkelijk is en wat het zal blijken te zijn.
Is het goud, dan zal het gewis
zelfs het hevigste vuur doorstaan,
en Ik haal het er des te zuiverder uit.
Verdrukking kan het louteren, maar niet verteren
het hart waarin Mijn liefde diep geworteld is.
— Francis Quarles.
Vers 3
“Gij hebt mijn hart … des nachts bezocht”, enzovoort. ’s Nachts laat de ziel de zorgen van de wereld los, en dan is zij het meest vrij voor de zaken van God. Juist toen beproefde en bezocht God David. Hij onderzocht en zeefde hem, door hem al zijn wegen en daden uit het verleden weer voor de geest te halen.
En wat was de uitkomst van die toetsing? God vond niets. Daarmee wordt niet bedoeld dat Davids ziel leeg was van alle goeds, of dat er geen kwaad in hem leefde. Nee, bij Zijn onderzoek trof God helemaal niets aan van het kwaad waarvan sommigen hem beschuldigden: geen kwade wil of boos opzet tegen Saul. Over Saul sprak David immers van een rechtvaardige zaak, of van “de gerechtigheid” (vers 1): “HEERE! hoor de gerechtigheid.” — Joseph Caryl.
Vers 3 (derde zinsnede, Nieuwe Vertaling)
“Gij hebt mij gesmolten, en geen slak in mij gevonden.” Hier staat een beeld uit de smeltkroes van de goudsmid: metalen worden gesmolten om ze van alle vreemde bijmengsels te zuiveren. — Geddes.
Vers 3
“Geproefd, des nachts bezocht, … getoetst.” Verdrukking heet nacht, omdat zij ons gewoonlijk met angst verontrust. Maar zij heet ook vuur, omdat zij werkelijk brandt. En door die verdrukking werd ik, toen ik werd onderzocht, rechtvaardig bevonden. — Augustinus.
Vers 3
“Hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet” (Engels: ik ben voornemens dat mijn mond niet zal overtreden). Dus: als u op een berg staat, kijk dan niet weer om naar Sodom, zoals Lots vrouw deed. Als u in de ark bent, vlieg dan niet weer uit naar de wereld, zoals Noachs raaf. Als u goed gewassen bent, keer dan niet terug naar het slijk, zoals het varken doet. Als u rein bent, ren dan niet weer naar uw vuil, zoals de hond. Als u op weg bent naar het land Kanaän, denk dan niet aan de vleespotten van Egypte. Als u optrekt tegen het leger van Midian, drink dan niet van de wateren van Harod. Als u op het dak staat, kom dan niet naar beneden. Als u uw hand aan de ploeg hebt geslagen, kijk dan niet achterom. Gedenk de zonden niet meer die achter u liggen, en keer er nooit naar terug. — Thomas Playfere.
Vers 3, 4, 5
Waar ware genade is, is haat tegen alle zonde, want haat is (Grieks). Kan een mens er nu echt op uit zijn te doen wat hij haat? Nee, dat kan niet! Zijn innerlijke afkeer beschermt hem er beter tegen dan alle uiterlijke hindernissen bij elkaar. Zoals dit innerlijke voornemen van een goed mens zich tegen alle zonde richt, zo richt het zich vooral tegen de zonde die hem zo gemakkelijk omringt.
David lijkt op verschillende plaatsen van nature tot liegen geneigd te zijn, maar daartegen neemt hij een heel bijzonder besluit: (vers 3) “Hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet” (Engels: ik ben voornemens dat mijn mond niet zal overtreden); (Hebr.) — ik heb bedacht de zonde van het liegen te belagen en te onderscheppen, zodra zij een gelegenheid vindt om mij te naderen.
Een goed mens heeft bovendien niet alleen voornemens. Hij probeert die voornemens ook door gebed vast te zetten en te versterken. Zo deed David (vers 5): “Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.” Hij sterkt zichzelf door nieuwe ijver voor zijn plicht op te wekken en gelegenheden tot zonde te mijden (vers 4): “Ik heb mij … gewacht voor de paden des inbrekers.” Een goddeloos mens doet precies het omgekeerde: hij stapt niet uit de weg van de verzoeking, en hij stapt evenmin naar God toe om kracht tegen de verzoeking te ontvangen. — Stephen Charnock.
Vers 4
“Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers” (Engels: des verwoesters): het is alsof hij zegt: Wilt u weten hoe het komt dat ik die goddeloze werken en praktijken ontloop, waartoe mensen zich gewoonlijk de vrijheid nemen? Dat dank ik aan niemand anders dan aan het goede woord van God. Dát raadpleeg ik, en daardoor word ik bewaard voor die vuile wegen waarheen anderen, die het woord niet tot hun verdediging gebruiken, door Satan, de verwoester, worden meegesleurd.
Kunnen we tegen zonde en Satan met een beter wapen optrekken dan het wapen waarmee Christus de verzoeker overwon? En zeker deed Christus dit om ons een voorbeeld te geven: zo moeten wij gewapend te velde trekken tegen onze vijanden. Want Christus had met één straal van Zijn Godheid, als Hij die had willen uitzenden, de stoutmoedige duivel net zo gemakkelijk aan Zijn voeten kunnen leggen als Hij later deed met hen die Hem kwamen aanvallen. Maar Hij verkoos de majesteit van Zijn Godheid te verbergen en Satan dichter bij Zich te laten komen. Zo kon Hij hem met het woord verwarren, en hem een bewijs geven van dat zwaard van Zijn heiligen, dat Hij hun zou nalaten tot verdediging tegen dezelfde vijand.
De duivel wordt afgebeeld door de leviathan (Jesaja 27:1), die God dreigt te straffen met Zijn sterke zwaard. Het gaat hier om die reusachtige vis, de walvis. Geen vis vreest hij zozeer als de zwaardvis, door wie deze grote verslinder van alle andere vissen zo vaak wordt gedood. Na één steek van diens zwaard haast hij zich naar de kust en slaat zich ertegen tot hij sterft.
Zo wordt ook de duivel, de grote verslinder van zielen, zélf overwonnen door het woord. Hij speelt in de zee van deze wereld zoals de leviathan in de wateren, en hij verslindt het grootste deel van de mensheid, zonder dat iemand de macht heeft hem te weerstaan. Maar treft hij een heilige die met dit zwaard is gewapend en geleerd heeft het te gebruiken, dan ontmoet hij — en niet eerder — zijn gelijke. — William Gurnall.
Vers 4
“Naar het woord Uwer lippen”, enzovoort. Het is een grote hulp tegen verzoekingen als we het woord bij de hand hebben, klaar voor gebruik. Het woord heet “Het zwaard des Geestes.” Efeze 6:17. In geestelijke strijd is er niets dat daarmee gelijk staat. Wie in tijden van gevaar op pad gaat, neemt altijd een zwaard mee; zonder zwaard waagt hij zich niet op weg. Wij verkeren in gevaar, en dus moeten wij het zwaard des Geestes leren hanteren. Hoe sneller de Schrift ons ter beschikking staat, des te groter is ons voordeel in strijd en verzoeking. Toen de duivel Christus kwam aanvallen, had Hij de Schrift voor hem gereed, en daarmee overwon Hij de verzoeker.
De deur is voor Satan op slot, en hij vindt niet zo gemakkelijk toegang, wanneer het woord in ons hart is verborgen en op het juiste moment wordt gebruikt. “Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk.” Waar ligt hun kracht? “En het Woord Gods blijft in u, en gij hebt den boze overwonnen.” 1 Johannes 2:14. O, het is een groot voordeel als we het woord niet alleen bij ons hebben, maar in ons, ingeplant in het hart! Is het zo bij ons aanwezig, dan zijn we beter in staat de aanvallen van Satan te weerstaan. Een mens vergeet het woord, of hij verliest zijn liefde ervoor, voordat hij tot zonde kan worden verleid. — Thomas Manton.
Vers 5
“Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.” Heere, hoe groot Sauls toorn tegen mij ook is, laat die toorn, of wat dan ook, mij toch niet van Uw weg brengen. Houd mijn hart dicht bij U en houd mijn paden in Uw weg, stap voor stap. Laat mijn voetstappen niet eens van U afglijden! Want, Heere, zij loeren op mijn struikelen. Vinden zij ook maar de geringste misstap bij mij, dan maken zij er volop gebruik van. En ik ben een arm en zwak schepsel. Help mij daarom, Heere, dat mijn voetstappen niet uitglijden. — Jeremiah Burroughs.
Vers 5
“Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.” Gooi een steen omhoog. Hij stijgt niet verder en blijft ook niet in de lucht hangen zodra de kracht van de werper hem niet meer voortstuwt. Zo staat het met ons. Onze verdorven natuur kan alleen maar omlaag, en de duivel, de wereld en het vlees duwen ons dezelfde kant op. Hoe zouden wij dan groeien in het goede, of standhouden wanneer we verzocht worden, als onze barmhartige en goede God ons niet voortdurend door Zijn Heilige Geest leidt en bestuurt? — Robert Cawdray.
Vers 5
“Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.” Heere, houd mij vast, zodat ik het kan volhouden! U hebt de kroon aan het eind van de wedloop gelegd. Laat mij dan ook de wedloop lopen, opdat ik de kroon mag dragen. Zo bad Beza, en laat dat ook ons eigen gebed zijn: “Heere, voleindig wat U in mij begonnen bent, opdat ik geen schipbreuk lijd wanneer ik bijna in de haven ben.” — Thomas Watson.
Vers 5
In hevige aanvallen en sterke verzoekingen belegert Satan de ziel. Hij schiet zijn vurige pijlen af en gebruikt listen van staatkunde, en hij verbindt zijn pogingen met onze verdorvenheden, als wind met getij. Dan hebben we alle reden om te bidden zoals David dat deed: “Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.” De apostel merkte ook dat hij hulp uit de hemel nodig had toen hij werd aangevallen, en bad daarom “driemaal” dat wat hij vreesde van hem mocht wijken. 2 Korinthe 12.
Christus heeft ons geleerd dagelijks te bidden: “En leid ons niet in verzoeking”, want zij is gevaarlijk. En verzoekingen zijn het gevaarlijkst wanneer zij 1. het meest passend zijn — wanneer Satan aansluit bij onze aard of gesteldheid; 2. voortdurend zijn; 3. komen wanneer de gelegenheid en de macht het grootst zijn. — Joseph Symonds.
Vers 6
“Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort.” Ik heb geroepen, zegt de psalmist, omdat U mij verhoord hebt. Je zou het omgekeerde verwachten: U hebt mij verhoord, omdat ik riep. Toch zegt hij: ik riep, omdat U mij verhoord hebt. Daarmee laat hij zien dat bij God het roepen niet altijd voorafgaat aan het horen, zoals bij ons mensen. God hoort ons niet alleen wanneer wij roepen. Hij hoort ons al vóór wij roepen, en komt ons te hulp. — T. Playfere.
Vers 6
“Ik roep U aan”, enzovoort. Is er een ramp, dan is gebed het beste geneesmiddel. Het is een echt catholicon, een universeel middel tegen elke kwaal. Niet zoals het catholicon van de kwakzalver, dat misschien af en toe aanslaat maar meestal tekortschiet. Dit middel draagt zijn probatum est in vaste bewijzen en onwankelbare ervaring. Het is voorgeschreven en aanbevolen door de wijste, geleerdste, eerlijkste en bekwaamste Arts die er ooit was of ooit zal zijn. Ja, door Hem Die ons leert hoe we moeten dragen wat gedragen moet worden, en hoe we moeten genezen en herstellen wat al is gedragen. — William Gough, 1575-1653.
Vers 6
Ik heb U eerder aangeroepen, daarom, Heere, hoor mij nu. Wat een troost is het als de moeite, zodra zij komt, de raderen van het gebed al ziet draaien! Dan kunnen we met nog veel meer vrijmoedigheid naderen tot den troon der genade. Handelaars doen immers graag een dienst aan wie al lang hun vaste klant is. — Matthew Henry.
Vers 8
“Bewaar mij als het zwart des oogappels.” Hij bidt om verlossing (vers 7): “Maak Uw weldadigheden wonderbaar” aan mij. Heere, mijn nood is wonderbaar; ik weet niet wat ik moet doen of waarheen ik mij moet keren, maar mijn ogen zijn op U gericht. Zoals de nood wonderbaar is, laat dan ook de goedertierenheid van God wonderbaar zijn jegens mij, en “Bewaar mij als het zwart des oogappels.”
O Heere, voor hen ben ik slechts een hond, een verachtelijk schepsel in de ogen van Saul en van allen om hem heen. Maar gezegend zij Uw naam, want ik kan tot U opzien, en ik weet dat ik U dierbaar ben als de appel van Uw oog. Alle heiligen van God zijn God te allen tijde dierbaar, maar de vervolgde heiligen zijn de appel van Gods oog. Als zij Hem ooit dierbaar zijn, dan vooral wanneer zij het hardst worden vervolgd.
Nu zijn zij de appel van Zijn oog. En de appel van een oog is zwak en kan weinig letsel verdragen, maar juist daarom gaat een mens des te teerder met de appel van zijn oog om. De heiligen zijn zwak en hulpeloos in zichzelf, maar de Heere is des te teerder over hen. — Jeremiah Burroughs.
Vers 8
Ziet u hierin niet duidelijk een werk van de voorzienigheid? Het oog is zwak, en daarom heeft Hij het beschermd met oogleden als met deuren. Die gaan open als we het oog nodig hebben, en sluiten zich weer in de slaap. Opdat de wind het niet zou schaden, heeft Hij er wimpers op geplant als een zeef. En boven de ogen heeft Hij de wenkbrauwen gezet als een afdak, zodat het zweet van het hoofd geen kwaad kan doen. — Socrates, in Xenophon.
Vers 9
“Voor het aangezicht der goddelozen”: het is alsof hij zegt: “Zij zijn net zozeer Uw vijanden als de mijne. Zij staan niet méér tegenover mij door hun wreedheid dan tegenover U door hun goddeloosheid. Kom dan tegelijk op voor Uzelf en verlos mij.” — John Howe.
Vers 10
“Met hun vet besluiten zij zich”, of: hun vet heeft hen ingesloten. Dat kan hun ogen betreffen, zodat zij er nauwelijks nog uit kunnen kijken, of hun harten, zodat zij dom en gevoelloos worden en zonder vrees Gods. De uitdrukking wijst op de overvloed van hun rijkdom en de groei van hun macht. Die maakte hen opgeblazen van hoogmoed en ijdelheid, zodat zij God niet vreesden en geen mens ontzagen. Zo omschrijft ook de Targoem het: “hun rijkdommen zijn vermenigvuldigd, hun vet bedekt hen.” — John Gill.
Vers 10
“Met hun vet besluiten zij zich.” Hun wereldse voorspoed blaast hen op, en maakt hen ongevoelig en hard tegenover alle rede en elke gerechtvaardigde vrees. De Schrift spreekt in die zin van een vet gemaakt hart, omdat het vet in de mens geen gevoel heeft, en wie zeer dik is, is minder vatbaar voor de hartstocht van angst. — John Diodati.
Vers 10
“Met hun vet besluiten zij zich.” Als men zegt dat iemand vet is, bedoelt men vaak dat hij uiterst hoogmoedig is. Van wie pompeus praat, zegt men: “Wat kunnen wij doen? tassi kullap inal”, dat wil zeggen: “uit het vet van zijn vlees verklaart hij zichzelf.” Of: “O, het vet van zijn mond! Wat een grootspraak!” Of: “Pas op, kerel! Anders bedwing ik het vet van uw mond.” — J. Roberts, in “Oriental Illustrations”, 1844.
Vers 11
“In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.” Heeft iemand mensen die hem bespieden om een aanleiding tot beschuldiging te vinden bij de koning of bij de groten, dan zegt hij: “Ja, zij zitten om mijn benen en mijn voeten; hun ogen staan altijd open; voortdurend bespieden zij mijn ‘suvadu’, ‘schreden’”. Dat wil zeggen: zij zoeken naar de indruk of de voetafdrukken in de aarde. Daarom waren de ogen van Davids vijanden “ter aarde nederbukkende.” — Joseph Roberts.
Vers 11
“In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld.” Denk aan jagers die wild met een drijfjacht uitroeien: zij sluiten hun prooi in met een grote kring waaruit de slachtoffers niet kunnen ontsnappen. — C. H. S.
Vers 11
“Zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.” De toespeling is waarschijnlijk op de jager die, gebogen over de grond, het spoor volgt van het wild dat hij op de hielen zit. — Commentaar van de Religious Tract Society.
Vers 11
“Zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.” Naar ik meen is dit een toespeling op jagers die met hun neus vlak boven de grond sluipen om de haas op te sporen, of om de afdruk van zijn poot te vinden, wanneer de honden het spoor kwijt zijn en met hun reukzin niets meer kunnen beginnen. — Joseph Caryl.
Vers 12
“Gelijk als een leeuw”, enzovoort. In “Paradise Lost” vinden we een prachtig dichterlijk beeld van de aartsvijand, die om onze eerste ouders heen slingert zodra hij hun geluk heeft gezien en zich voorneemt hen te verderven.
— Om hen heen
Sluipt hij als een leeuw met vurige blik,
dan als een tijger die bij toeval
twee tere reekalfjes ziet spelen in een stille hoek;
hij duikt laag ineen, dan rijst hij weer omhoog
en verandert telkens zijn loerende houding,
als een die zorgvuldig de plek uitkiest
vanwaar hij met één sprong het zekerst
beide tegelijk kan grijpen,
in elke klauw er één.
— John Milton.
Vers 12
We overlegden hoe we het beste in de buurt konden komen van een neushoornkoe, die we op enige afstand onder een boom zagen staan. Toen kwam er plotseling een hele troep impala’s aanstormen, met een prachtige oude leeuwin op hun hielen. We gingen kijken en zagen haar liggen, maar zó plat tegen de grond, kop en al, dat niemand met enige zekerheid een schot kon wagen. Geen enkel moment liet ze ons uit het oog. Toen we bij haar waren, lag ze zo vlak als een bord op de grond; haar kop leek wel op een spil te draaien, want haar waakzame blik volgde ons overal rondom zonder dat haar lichaam ook maar leek te bewegen. Wij verkleinden de kring, in de hoop dat ze zou opstaan en ons een eerlijke kans zou geven op een schot achter de schouder. . . . Ik zocht een boom om in te klimmen, dichtbij genoeg om vrij zeker te kunnen schieten, en was er net mee bezig toen de leeuwin ervandoor ging. — William Charles Baldwin, F.R.G.S., in “African Hunting”, 1863.
Vers 13
“Met Uw zwaard van den goddeloze” (Engels: de goddeloze, die Uw zwaard is). De duivel en zijn werktuigen zijn allebei werktuigen in Gods hand. Daarom worden “de goddelozen” Zijn “zwaard” en Zijn “bijl” genoemd (Psalm 17:13; Jesaja 10:15). Laat het maar aan God over om het ene te hanteren en het andere te gebruiken! Alleen een stuntelaar snijdt en kerft zichzelf in de benen met zijn eigen bijl, en dát zou God doen als Zijn kinderen door de verzoekingen van de satan erger werden. Laat de duivel zijn weg maar kiezen, wat doet het ertoe: God is hem met elk wapen de baas. Probeert hij het met geweld, en valt hij de heiligen aan met vervolging? Dan staat Hij hem als “de Heere der heirscharen” moedig tegemoet en houdt Hij stand. Probeert hij het met politiek en sluwheid? Ook daar is Hij volledig op voorbereid. De duivel en zijn hele raad zijn slechts dwazen vergeleken met God; ja, hun wijsheid is dwaasheid. — William Gurnall.
Vers 13, 14
“Uw zwaard . . . Uw hand.” U kunt hen even gemakkelijk bevelen en sturen als een mens zijn zwaard zwaait of zijn hand beweegt. Zou U dan Uw eigen zwaard, Uw eigen hand, Uw eigen dienstknecht laten omkomen? — J. Howe.
Vers 14 (eerste zinsnede)
Wat zijn de beschikkingen van Gods voorzienigheid toch wonderbaarlijk! Zelfs de goddelozen kan Hij in dienst nemen om het geluk van Zijn heiligen nu, en hun uiteindelijke zaligheid, te dienen. — J. Edwards, M.A., 1856.
Vers 14
“De lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is.” De tijd en deze lage wereld vormen de grens van al hun hopen en vrezen. Van wat voorbij dit leven ligt, hebben zij geen enkel ernstig, gelovig besef. Daarom houdt hen niets tegen om het ergste geweld te plegen, tenzij U hen tegenhoudt. Wie niet in een andere wereld gelooft, voert in déze wereld bereidwillig en zonder aarzelen alle denkbare ellende en rampspoed uit. — John Howe.
Vers 14
“Met Uw hand van de lieden” (Engels: mensen die Uw hand zijn), enzovoort. Wat zullen we hier dan van zeggen? Dat u verontschuldigd bent, omdat God uw zonden gebruikt? Dat uw kwaad geen kwaad meer is, omdat Hij er goed uit oogst? Bedrieg uzelf daarin niet! Hebt u uw Meester en Maker zo’n dienst bewezen, al was het zeven en nog eens zeven jaar, zoals Jakob Laban diende? Dan raakt u uw loon kwijt, en uw dank erbij. Och, was het maar bij dat verlies gebleven! Maar u zult er ook nog een bitter voordeel bij behalen. Het is vruchteloze, ja ellendige dienst die u zo hebt verricht, en ze loont u niets.
Babel zal lange tijd de hamer van de Heere zijn om de volken te verbrijzelen, en daarna zelf verbrijzeld worden. Assur is Zijn roede om Zijn volk te geselen, maar Assur zal nog harder worden gegeseld. Al die hamers, roeden, bijlen, zagen en andere werktuigen worden zelf in het vuur geworpen en tot as verbrand, zodra ze hun taak hebben volbracht, een taak die ze nooit bedoeld hadden. Satan diende God, dat valt niet te ontkennen: bij het kwellen van Job, het ziften van Petrus, het slaan van Paulus, het ombrengen van Judas. En God werkte in dit alles, hetzij om lijdzaamheid te bewijzen, hetzij om geloof te bevestigen, hetzij om kracht te beproeven, hetzij om Zijn gerechtigheid aan te prijzen. Toch is Satan “tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.”
Judas diende God door Zijn gezegende naam eer te bezorgen, tot verlossing van de mensheid zolang de werelden bestaan. Toch was zijn loon een els om zich aan op te hangen, en erger nog: hij hangt in de hel, geslacht na geslacht, in eeuwigheid. Hij had zijn loon, en verloor zijn loon. Wat de priester hem gaf, raakte hij kwijt, en zijn apostelschap ook. Maar hij verwierf de vergelding van eeuwige ellende en ligt in het diepste meer, waar worm en dood zonder ophouden aan hem blijven knagen, eeuwig en altijd. — John King.
Vers 14
“Uw hand.” De hand van God, Zijn tuchtigende of Zijn koesterende hand, is soms een onmiddellijke en soms een middellijke hand. Onmiddellijk is zij wanneer God Zelf tuchtigt, straft of bezoekt, zonder dat er een tweede oorzaak te zien is of tussenbeide komt. Zo bedoelt Satan het blijkbaar wanneer hij zegt (Job 1:11): “Strek nu Uw hand uit”, dat wil zeggen: doe het Uzelf, laat niemand anders Job aanpakken dan U alleen. God zendt zulke rechtstreekse bezoekingen. Een mens wordt getroffen in zijn lichaam, in zijn bezit, op tal van andere manieren, en nergens in de schepping kan hij vinden waar het vandaan komt. Het is een rechtstreekse slag van God Zelf. Hij ziet niet hoe, of langs welke weg, of via welke deur dit kwaad bij hem binnenkwam. Daarom wordt het een scheppen van kwaad genoemd. Jesaja 45:7. “Ik maak den vrede en schep het kwaad.”
Scheppen is maken uit niets: er is niets waaruit het wordt gevormd. Zo brengt God vaak kwaad over een volk of een mens zonder dat er ook maar de schijn is van een tweede oorzaak, zonder stof waaruit het gemaakt is. Het komt als een schepsel, gevormd door de enige hand van God. Soms heet het ook Gods hand wanneer het de hand van een schepsel is. Dan is het Gods hand in de hand van een schepsel; Gods hand als het de hand van goddeloze mensen is; Gods hand als het de hand van Satan is. Zo wordt die plaats vertaald (Psalm 17:13, 14): “Bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze; met Uw hand van de lieden.” (Engels: “van den goddeloze, die Uw zwaard is; van de mensen die Uw hand zijn.”) “Uw hand” kan dus worden verstaan als een werktuig. In die zin is zelfs Satan Gods hand om te straffen, net zoals goddeloze mensen hier Gods hand worden genoemd: “van de mensen die Uw hand zijn.”
Er bestaan weliswaar andere lezingen van deze plaats. Sommigen lezen: bevrijd mij van de mensen door Uw hand, anderen: bevrijd mij van de mensen van Uw hand. Maar onze vertaling kan heel goed de zin van de grondtekst bevatten: “van de mensen die Uw hand zijn.” Zo wordt ook Nebukadnezar, die goddeloze koning, de knecht van God genoemd (Jeremia 43:10): “Ik zal henenzenden, en Nebukadrezar, … Mijn knecht, halen.” God spreekt van hem als Zijn knecht, of als Zijn hand in deze zaak. — Joseph Caryl.
Vers 14
“Van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is.” Het grote aandeel dat de goddelozen in de dingen van deze wereld hebben, kan de rechtvaardigen leren hoe weinig dit in Gods rekening waard is. Want vaak krijgen Zijn vijanden die dingen in overvloed, terwijl Zijn kinderen ze in zo’n mate moeten ontberen. Dat kan nooit komen doordat Hij Zijn vijanden het meest liefheeft of het meest gunstig gezind is. Het komt doordat al deze lagere dingen, in welke mate ze hun ook gegeven worden, in Zijn ogen zo gering zijn dat Zijn uitverkorenen aan de manier waarop Hij ze verdeelt kunnen leren er net zo over te denken als Hij: als geen deel van hun geluk, maar als gewone gunsten aan al Zijn schepselen, goed of kwaad, vijanden of vrienden. — Daniel Wilcox.
Vers 14
“Van de lieden, … welker deel in dit leven is.” God geeft goddeloze mensen hier een deel om hun te laten zien hoe weinig goeds er in al deze dingen zit, en om de wereld te tonen hoe weinig goeds er schuilt in alles wat hier beneden is. Want als het echt veel goeds was, zouden zij het nooit krijgen! Het bewijst dat lichaamskracht niet zo bijzonder is, want een os heeft meer kracht dan u. Het bewijst dat lichamelijke behendigheid niet zo bijzonder is, want een hond heeft meer behendigheid dan u. Het bewijst dat mooie kleren niet zo bijzonder zijn, want een pauw heeft er meer dan u. Het bewijst dat goud en zilver niet zo bijzonder zijn, want de Indianen die God niet kennen, hebben er meer dan u. En als deze dingen echt grote waarde hadden, zou God ze zeker nooit aan goddeloze mensen geven. Een zeker bewijs! Zoals het een bewijs is dat verdrukking in deze wereld geen groot kwaad is, omdat de heiligen zo vaak worden verdrukt, zo is het geen sterk bewijs dat deze wereld veel goeds bevat dat de goddelozen er zo veel van genieten.
Luther zegt iets dergelijks in zijn commentaar op Genesis: “Het Turkse rijk, hoe groot het ook is, is slechts een kruimel die de Heer des huizes, God, de honden toewerpt.” Het hele Turkse rijk, met al zijn grootheid: zó laag schatte Luther het in, en inderdaad, meer is het ook niet. Alle dingen van de wereld laat God in handen van Turken en goddelozen, die Zijn vijanden zijn. Daarmee toont Hij dat er niet veel uitnemends en goeds in zit. Daarom gooit Hij ze lukraak door elkaar over de wereld uit, omdat Hij ze als waardeloos beschouwt. God let er niet zo op of mensen bereid zijn Hem er de eer voor te geven, ja of nee: zij zullen het hebben. Toch laat Hij ze gerust op goed geluk uitgaan. Maar wanneer Hij komt bij Zijn uitgelezen barmhartigheden in Christus, dán verwacht Hij er eer voor te ontvangen. Hij geeft ze nooit aan iemand zonder hem eerst voor te bereiden, zodat die Hem de eer van die barmhartigheden geeft.
Bij anderen ligt het anders. Stelt u zich eens een man voor die wilde appels plukt. Staan er varkens onder de boom, dan jaagt hij ze niet bepaald driftig weg: het zijn maar wilde appels, laat ze die maar hebben. Maar plukt hij een uitgelezen, kostbare vrucht, en komen er varkens onder, dan verjaagt hij ze wél. Met de uiterlijke dingen, de wilde appels, laat de Heere de zwijnen van de wereld gerust komen knorren en ze oprapen. Maar bij Zijn uitgelezen barmhartigheden in Zijn Christus maakt Hij onderscheid. O, dit is kostbare vrucht!
Een smid die ijzer bewerkt, bekommert zich niet om al die vonken en stukjes ijzer die in het rond vliegen. Een goudsmid die goud bewerkt, bewaart elk snippertje en elk stofje goud. Een edelsteenslijper die met kostbare stenen werkt, zal elk stukje zeker bewaren. Een timmerman die alleen hout kapt, let niet zo op de spaanders die in het rond vliegen; bij een edelsteenslijper ligt dat anders. Net zo zijn deze uiterlijke dingen niets meer dan spaanders en vonken, en daarom geeft God altijd een deel ervan aan goddeloze mensen. — Jeremiah Burroughs.
Vers 14
“Van de lieden, … welker deel in dit leven is.” Ik heb over Gregorius gelezen dat hij, toen hij tot hoge ambten werd verheven, verklaarde dat geen enkel Schriftwoord hem zo diep in het hart trof, hem zo deed beven en ontmoedigde als dit: “Kind, gedenk, dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven.” O, wat een verschrikkelijk woord was dat, dat onophoudelijk in zijn oren klonk! Zoals Hiëronymus vertelt over het woord: “Staat op, gij doden, en komt ten oordeel” – nacht en dag meende hij dat het in zijn oren weerklonk. Zo ging het Gregorius, dag in dag uit, met de woorden: “Kind, gedenk, dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven.” Dát was het woord dat dag en nacht in zijn oren klonk, en het liet hem niet los.
O, dat het God mocht behagen mij zo bij te staan, dat ik uit dit Schriftwoord tot u spreek en het in uw oren laat klinken, zelfs als u op uw bed ligt, nadat de preek allang is afgelopen! Dat het dan nog lang in uw oren mag naklinken, en u mag denken dat het in uw oren klinkt: “Van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is.” — Jeremiah Burroughs.
Vers 14
“Welker deel in dit leven is.” De aarde en haar goederen deelt God uit zonder aanzien des persoons, zelfs aan hen die slechts door de schepping Zijn kinderen zijn, en niet door aanneming. Toch is er verschil tussen de voorspoed van de een en van de ander. Die van de een gaat gepaard met angst in het hart (zelfs in het lachen is hun hart bedroefd); die van de ander met blijmoedigheid en vreugde in de Geest. Die van de een is een onderpand van grotere verhoging in de toekomende wereld; die van de ander is hun hele deel, alsof God zegt: “Laat hen dat nemen en niet meer verwachten.” Die van de een gaat gepaard met de zegen van het volk, dat wenst dat zij meer hadden; die van de ander met vloek en haat van mensen die zich eraan ergeren dat zij zoveel hebben. — Miles Smith.
Vers 14
“Welker deel in dit leven is.” Het beste van de goede mens en het slechtste van de slechte liggen besloten in de toekomst, in een erfenis die nog moet komen (Jesaja 3:10, 11). Hier had de rijke man niets anders dan zijn “goed”, maar hierna had hij niets goeds meer. Hier had Lazarus al “het kwade”, maar daarna niets kwaads meer. Wanneer de goede mens sterft, neemt hij afscheid van al het kwaad. Wanneer de kwade mens sterft, neemt hij afscheid van al zijn goederen, en dat was al het goede dat hij had. “En nu wordt hij vertroost, en gij lijdt smarten.” Lukas 16:25. O, wat is het toch droevig om zijn deel van het goede alleen in dit leven te hebben! — Ralph Venning in “Helps to Piety”, 1620-1673.
Vers 14
“Dit leven.” Er is nog iets veel monsterlijkers aan dit schepsel, de mens. Hij is begiftigd met rede en verstand. Hij weet dat dit leven lijkt op een schaduw, een droom, een verhaal dat wordt verteld, een nachtwake, rook, kaf dat de wind verstrooit, een waterbel en meer van zulke vergankelijke dingen. Hij weet óók dat het toekomende leven nooit een einde zal hebben. En toch richt hij heel zijn gemoed het angstvalligst op dit tegenwoordige leven, dat vandaag is en morgen niet meer, terwijl hij over het leven dat eeuwig is niet eens nadenkt. Als dit geen monster is, weet ik niet wat monsterlijk mag heten. — Thomas Tymme.
Vers 14
Wat goddeloze mensen van deze wereld bezitten, is alles wat zij ooit kunnen verwachten. Waarom zouden we hun volle beurzen of opgeblazen titels dan misgunnen? Het is hun hele deel: zij ontvangen nu hun goede dingen. Hebt u voedsel en kleding? Dat is kinderkost, meer niet. Benijd geen goddeloze mensen die pronken met de praal van de wereld. Zij hebben meer dan u, dat is waar, maar het is ook alles wat zij waarschijnlijk zullen krijgen. De psalmist geeft ons een beschrijving van hun toestand: zij zijn mensen dezer wereld, die hun deel hebben in dit leven, en wier buik God vult met Zijn verborgen schat.
Maar u, christen, die niets bezit, bent erfgenaam van de hemel, medeërfgenaam met Jezus Christus, Die erfgenaam is van alle dingen. Er ligt voor u een oneindige massa rijkdommen opgeborgen, zo groot en onmetelijk dat alle sterren van de hemel te weinig zijn om haar te tellen. U hebt dus geen reden om te klagen dat u er kort wordt gehouden, want alles wat God heeft, is van u: voorspoed of tegenspoed, leven of dood, alles is van u. Wat God geeft, is tot uw troost; wat Hij weigert of wegneemt, is tot uw beproeving. Het is bedoeld ter vermeerdering van genaden die oneindig veel genadiger zijn dan welk tijdelijk genot ook.
Ziet u goddeloze en ongodvrezende mensen baden in rijkdom en gemak, terwijl u zelf moet worstelen met de ongemakken en moeilijkheden van een armelijk bestaan? En hebt u daardoor een heilige minachting voor de wereld en haar glans leren kennen? Geloof dan vast dat God u daarin méér heeft gegeven dan wanneer Hij u de wereld zelf had gegeven. — Ezekiel Hopkins.
Vers 14
Dat goddeloze mensen in deze wereld vaak het grootste deel krijgen, daar hoef ik weinig woorden aan vuil te maken. Alle eeuwen sinds het begin van de wereld bevestigen het, en je eigen waarneming kan het, denk ik, bezegelen. Bovendien laat de Schrift het ruimschoots zien. De eerste moordenaar draagt het bezit zelfs in zijn naam: Kaïn betekent zoiets als “bezit”. Genesis 4:8. Loop de hele Schrift maar door. Daar is Jozef, vervolgd door zijn broers, en Ezau, die (zoals Rivet opmerkt bij Genesis 32) een tijdlang in de wereld ver boven Jakob uitstak. Daar zijn de Israëlieten, Gods eigen volk, in gevangenschap, terwijl Farao op de troon zit. Saul regeert en David zit in een spelonk of in de woestijn. Job zit op de mesthoop, Jeremia in de kerker, Daniël in de leeuwenkuil en de kinderen in de oven, terwijl Nebukadnezar op de troon zit.
In het Nieuwe Testament zie je Felix op de rechterstoel en Paulus voor de balie. De rijke man woont in zijn paleis en Lazarus ligt voor zijn poort (Lukas 16:19). De één is gekleed in purper, de ander in lompen en bedekt met zweren. De één viert elke dag feest en leeft in overvloed, de ander verlangt naar de kruimels van die tafel en krijgt ze niet eens. De rijke man heeft een rijk en statig gevolg om zich heen, terwijl Lazarus geen ander gezelschap heeft dan de honden die zijn zweren komen likken. Augustinus en Tertullianus (tegen Marcion, boek 4) menen dat dit alles een ware geschiedenis is van wat werkelijk gebeurd is, al houden anderen het voor een gelijkenis.
Job zegt ons dat “de tenten der verwoesters” soms “rust hebben” (Job 12:6). Die voorspoed beschrijft hij uitvoerig in hoofdstuk 21, van vers 7 tot 14. Hun “vermogen” groeit (vers 7). Hun nageslacht wordt talrijk (vers 8 en 11). Thuis zijn ze veilig (vers 9) en ook buitenshuis gaat het hun voor de wind (vers 10). Ze hebben alle plezier dat ze maar willen (vers 12) en rijkdom naar wens (vers 13). David spreekt hierover uit eigen ervaring. Psalm 37:35; 73:7.
Zo staat het ook in onze tekst. Ze krijgen niet alleen de gewone gunsten, zoals lucht om te ademen en grond om op te lopen. Hun buik wordt gevuld met Gods “verborgen schat”, en dat niet alleen voor henzelf, maar ook voor hun nageslacht: ze “laten hun overschot hun kinderkens achter”. Kortom, in één woord: “welker deel in dit leven is.” — John Frost, 1657.
Vers 14
Een meester of heer betaalt zijn knecht het loon van nu, maar zijn zoon houdt hij tijdens diens minderjarigheid kort met zijn toelage. Die zoon moet immers leren om voor de erfenis op zijn vader te vertrouwen. Zo gaat ook God, de grote Heer van allen, met Zijn slaven om, die Hem dienen voor het loon van enig tijdelijk voordeel. Hun beloning en loon geeft Hij hun nu. Maar voor Zijn kinderen heeft Zijn goedheid een beter deel bepaald, als beloning voor hun vroomheid en gehoorzaamheid. Dat geeft Hij hun als erfenis voor later, en nu nog maar weinig in de hand. Zo leren zij te leven van de belofte en door het geloof te vertrouwen op de goedheid en trouw van hun Vader voor hun hemelse erfenis. Want een christen hoort hier niet door aanschouwen te wandelen maar door geloof (dat is hier zijn werk en zijn plaats), “niet aanmerken de dingen, die men ziet”, enzovoort. 2 Korinthe 4:18. . . . .
Hier komt het rotte fundament aan het licht waarop veel mensen hun hoop op de hemel bouwen. “Zeker”, redeneren velen, “als God mij niet liefhad, zou Hij mij zo’n deel in de wereld niet geven.” Houd jezelf niet voor de gek in een zaak van zo groot belang! Dan kun je net zo goed zeggen dat God Judas liefhad omdat hij de beurs droeg, of de rijke man omdat hij weelderig leefde. En die brullen nu in de hel. — John Frost.
Vers 14
Het woord voor “buik” is misschien door de goddelijke Geest met opzet gekozen. Het wijst erop dat een heel groot deel van de zonde van wereldse, verdorven mensen te maken heeft met het botvieren van lage, vernederende lusten. Ze misbruiken de mildheid van de hemel zelfs om de ketenen van de zinnen vast te klinken om hun ongelukkige zielen. Maar laten ze goed bedenken dat hun zinnelijke afgoderij uiteindelijk zal worden gevolgd door de allerverschrikkelijkste bezoekingen van Gods toorn. — John Morrison.
Vers 14
“Welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat.” Goddeloze mensen kunnen overvloed hebben aan aardse dingen. Ze kunnen de aarde hebben en alles wat daarin is, de aarde en alles wat aards is: hun buik wordt door God Zelf gevuld met verborgen schat. Kostbare dingen zijn meestal verborgen, en alles wat een schat heet, al is het maar aards, heeft iets kostbaars. Verborgen schatten van de aarde vullen de buik van mensen die de schatten van de hemel versmaden en wier ziel nooit zelfs maar een voorproefje van hemelse schatten zal krijgen. Rijkdom en eer zijn het lot van hun erfdeel, terwijl ze geen erfdeel hebben bij hen wier lot heerlijkheid is.
Ze hebben de aarde in hun handen (Job 9:24) en niets van de hemel in hun hart. Ze hebben de macht in de wereld en zijn tegelijk slaven van de wereld. Ze sturen en regeren anderen naar hun wil, terwijl ze zelf door Satan worden vastgehouden naar zíjn wil. Neem er dus geen aanstoot aan en laat je er niet door bedroeven wanneer je de teugels van het bestuur ziet in de handen van mensen die zichzelf niet kunnen besturen, of wanneer je de wereld ziet regeren door hen die het niet waard zijn om in de wereld te leven. — Joseph Caryl.
Vers 14
“Welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat.” Alleen het hart van heiligen wordt gevuld met het “manna, dat verborgen is”, maar de buik van goddelozen wordt vaak gevuld met verborgen schat. Dat wil zeggen: met alle lekkernijen en goede dingen die in aanleg verborgen liggen in de buik en de ingewanden van de aarde en er in werkelijkheid ook uit voortkomen. De Heere staat hun wens in zulke dingen gemakkelijk toe en geeft hun “hun deel”, dat al hun deel is “in dit leven.” Ze zijn immers maar gewone belijders, en zo zijn dit ook maar gewone weldaden, zoals velen van Zijn vijanden ze ontvangen. Die worden alleen vetgemest als ossen voor de slacht en klaargemaakt voor het verderf.
Ware gelukzaligheid, let wel, meet je niet af aan landerijen of huizen, aan goud of zilver. De wereld is een enge grens: zolang we niet voorbij het schepsel komen en onze hoop niet boven deze wereld uit richten, kunnen we niet gelukzalig zijn. Huichelaars willen veel van de wereld en krijgen dat ook. Maar meer zullen ze niet krijgen, hoezeer ze er ook naar lijken te verlangen. — Joseph Caryl.
Vers 14
“Welker buik Gij vervult.” Dat wil zeggen: hun zinnelijke eetlust, want zo wordt dat woord vaak gebruikt (Romeinen 16:18; Filippenzen 3:19). “Met Uw verborgen schat” betekent: met de rijkdommen die God gewoonlijk verbergt in de ingewanden van de aarde of opsluit in de voorraadkamer van Zijn voorzienigheid, en die Hij naar Zijn eigen welbehagen uitdeelt. — John Howe.
Vers 14
“Welker buik Gij vervult”, enzovoort:
Uit Uw verborgen schat, o HEERE,
hebt Gij hun buik gevuld;
hun zonen geeft Gij overvloed,
en wat zij overlaten, erft hun nageslacht.
— Richard Mant.
Vers 14
“De kinderen worden verzadigd.” Zo blijkt het uit wat erop volgt, en zo moet het ook gelezen worden. Het is dus niet zoals sommige afschrijvers van de Zeventig het grof maar gemakkelijk verkeerd lazen, door (Grieks) voor (Grieks) te zetten. Het is alsof David in dit alles zo pleit: “Heere, U hebt die mensen al ruimschoots goed behandeld. Wat hebben ze nog meer nodig? Uit Uw onopgemerkte mildheid hebben ze hun enorm opgezwollen begeerten al genoeg bevredigd gekregen voor hun eigen tijd. En als ze zelf niet langer kunnen leven, leven ze voort in hun nageslacht. Ze laten dan geen vreemden achter, maar hun talrijke kroost, hun erfgenamen. Is het niet genoeg dat hun hebzucht wordt gevoed? Moet ook hun boosaardigheid nog worden gevoed? Hebben ze alles wat ze voor zichzelf maar wenselijk kunnen bedenken, en moeten ze ook nog alles mogen aanrichten wat ze tegen mij kwaadaardig kunnen bedenken?”
Aan deze beschrijving van zijn vijanden laat David, ex opposito, een verslag over zichzelf volgen in dit slot van de psalm. “Maar ik”: hier staat hij op zijn vaste punt. Na enige schijnbare onrust komt zijn geest weer tot rust, nu hij zijn eigen, gelukkiger staat overdenkt. Die zet hij tegenover de hunne en verkiest hij boven de hunne, en wel in de volgende opzichten.
Zij waren goddeloos, hij rechtvaardig: “Ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen.” Hun geluk was wereldlijk en aards, van het soort dat alleen uit de aarde opschiet. Het zijne was hemels en goddelijk, van het soort dat voortvloeit uit het aangezicht en beeld van God. Hun geluk was van nu en tijdelijk, ingesloten binnen dit leven. Het zijne was van straks en eeuwig, om van te genieten wanneer hij zou ontwaken. Hun geluk was onvolledig en gebrekkig, van het soort dat alleen hun dierlijke kant bevredigt en hun buik vult. Het zijne was toereikend en volledig (de eudaimonia tou ounetou . . . . . een geluk van evenredigheid), van het soort dat de mens echt verzadigt. “Ik zal verzadigd worden”, enzovoort. — John Howe.
Vers 14
“De kinderen worden verzadigd.” (Engels: “zij zijn vol van kinderen.”) Kanttekening: hun kinderen zijn verzadigd. De kanttekening geeft waarschijnlijk beter weer wat het Hebreeuws bedoelt dan de tekst. Letterlijk staat er: “verzadigd zijn hun zonen”. Dat wil zeggen: ze hebben genoeg om in de behoeften van hun kinderen te voorzien. De uitdrukking “zij zijn vol van kinderen” klinkt hard en onnatuurlijk, en wordt niet geëist door de grondtekst, noch door de hoofdgedachte van deze passage. De betekenis is gewoon dat ze genoeg hebben voor zichzelf én voor hun kinderen. — Albert Barnes.
Vers 15
“Ik zal Uw aangezicht … aanschouwen.” Kijk ik in het gezicht van een vreemde, dan raakt het mij niet. Maar het gezicht van een vriend verandert het mijne meteen in een levendige, opgewekte uitdrukking. “Ijzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten” (Spreuken 27:17): het geeft scherpte en levendigheid aan zijn blik. De ziel die God liefheeft, opent zich voor Hem. Ze laat Zijn invloed en Zijn indrukken toe, laat zich gemakkelijk vormen en bewerken naar Zijn wil en geeft zich over aan de veranderende kracht van Zijn verschijnende heerlijkheid. Er blijft geen enkel tegenstribbelend beginsel over wanneer de liefde van God erin volmaakt is. En zo overweldigend werkt de eerste aanblik van Zijn heerlijkheid op de ontwakende ziel, dat die haar op hetzelfde ogenblik volmaakt en Hem gelijk maakt. — John Howe.
Vers 15
“Ik zal … aanschouwen”, enzovoort. In deze woorden vinden we het volgende.
- De tijd van zijn volkomen en voltooid geluk: “Als ik zal opwaken.”
- De stof van zijn geluk en de manier waarop hij ervan geniet. De stof en het voorwerp: “Gods aangezicht, of gelijkenis”. De manier van genieten: “Ik zal Uw aangezicht … aanschouwen.”
- Zijn volmaakte gesteldheid en toestand in de staat van geluk: “Ik zal … in gerechtigheid aanschouwen”, met mijn hart volkomen in overeenstemming met de wil van God, de volmaakte en toereikende maatstaf van gerechtigheid.
- De maat van zijn geluk: “Ik zal verzadigd worden.” Mijn geluk zal in maat volledig zijn, zonder gebrek aan iets wat mij gelukkig kan maken. Al mijn begeerten zullen worden verzadigd, en mijn geluk zal wat de duur betreft eeuwig zijn, zonder schaduw of vrees voor verandering. — William Colvill.
Vers 15
David verklaart dat hij, ondanks al het gevaar waarin hij verkeert, vastbesloten is door te gaan op de wegen van God en een genadige uitkomst te verwachten. “Maar ik”, zegt hij, “zal Uw aangezicht … aanschouwen.” Het aangezicht van de koning kan ik niet aanschouwen zonder gevaar voor mijzelf: heel wat mensen komen op mij af om mij te doden, en het is zijn aangezicht dat zij begeren. Maar al kan ik zijn aangezicht niet zien, toch zal ik, Heere, Uw aangezicht aanschouwen. “Ik zal Uw aangezicht … aanschouwen”, en het zal zijn “in gerechtigheid”: ik blijf voortgaan op de wegen van de gerechtigheid.
“En als ik zal opwaken” (want ik geloof dat deze moeiten niet lang zullen duren) zal ik niet in een eeuwige slaap blijven slapen. Nee, ik zal ontwaken en verlost worden, en dan “zal ik verzadigd worden met Uw beeld”. Daar zal Uw heerlijkheid zich aan mij openbaren, en dat zal mij ruimschoots schadeloos stellen voor al de moeite die ik om Uw naam heb geleden, zodat mijn ziel zal zeggen: ik heb genoeg. — Jeremiah Burroughs.
Vers 15
“Ik zal verzadigd worden”, enzovoort. Hoe vol het geluk van de hemel is, zien we pas goed als we het vergelijken met de vreugden en vertroostingen van de Heilige Geest. De Schrift noemt ze sterke vertroostingen (Hebreeën 6:18), volle vreugden (Johannes 15:11), onuitsprekelijke en heerlijke vreugde (1 Petrus 1:8) en overvloedige vertroostingen. 2 Korinthe 1:5. En toch is alle vreugde en vrede die gelovigen in dit leven kennen niet meer dan een druppel naast de oceaan, één enkele tros naast de hele wijnoogst, de tijm of honing aan de dij van één bij naast de hele korf die er boordevol van zit, of het eerste gloren en gluren van de dag naast de heldere middag.
Maar deze proeven van het water, de wijn en de honing van dit hemelse Kanaän, waarmee de Heilige Geest het hart van gelovigen verblijdt, zijn veel aantrekkelijker en bevredigender dan de overvloeiende stromen van alle aardse gelukzaligheid. Wie ze eenmaal heeft geproefd, zegt wat de Samaritaanse vrouw zei: “Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen, om te putten.” Johannes 4:15. Zo vervullen ook de eerste, vroege schemeringen van het hemelse licht de ziel met meer rust en verrukken ze haar met zuiverder vreugde dan de felste zonneschijn van alle wereldse pracht ooit kan doen.
Ik las eens over een godvrezend mens die alleen maar van de hemel droomde. Zo diep drukte die droom zich in zijn verbeelding af, dat hij bij het ontwaken zijn cel niet herkende, nacht van dag niet kon onderscheiden en aan zijn smaak geen olie van wijn. Nog steeds riep hij om zijn visioen en zei: Redde mihi campos floridos, columnam auream, comitem Hieronymum, assistentes angelos: geef mij mijn frisse en geurige velden terug, mijn gouden lichtpilaar, Hiëronymus mijn metgezel, engelen mijn helpers.
Als de hemel al in een droom zulke verrukking wekt dat de zinnen voor mindere dingen als het ware verdrinken en overweldigd worden, welke vervoering en welbehagen moet het dan niet geven om die hemel werkelijk te genieten, voor hen wier hele redelijke begeerte is vervuld en wier lichaam is getooid met zijn eindeloze heerlijkheid? — William Spurstow, 1656.
Vers 15
“Ik zal verzadigd worden.” Heb je wel eens gezien dat de steigers blijven staan terwijl een gebouw van binnen wordt afgewerkt? Toen Michelangelo bezig was dat prachtige bouwwerk, de Sixtijnse Kapel, van binnen te versieren, eiste de oude paus dat de steigers werden weggehaald. Hij wilde met eigen ogen de gloeiende kleuren zien die met zo’n weergaloze vaardigheid werden aangebracht. Geduldig en onvermoeibaar werkte die edele kunstenaar, overdag en bijna ook ’s nachts. Zijn profeten en sibillen, schilderingen vol wonderbare schoonheid en betekenis, kwamen tot leven, tot het werk af was.
Was je de dag vóór de voltooiing die kapel binnengelopen en had je omhoog gekeken, wat had je dan gezien? Palen, planken, touwen, kalk, mortel, slijk en vuil. Maar toen alles af was, kwamen de werklieden en gingen de steigers weg. En hoewel de vloer nog vol puin en rommel lag, leek het toen je opkeek alsof de hemel zelf zich had geopend en je binnenkeek in de voorhoven van God en de engelen.
Zo staan ook rond mensen de steigers nog lang nadat het fresco is begonnen. Wat een wonderbare onthullingen zullen er komen wanneer God dit steigerlichaam wegneemt en laat zien wat je hebt gedaan! Door verdriet en door vreugde; door vreugden die slechts heldere kleuren zijn en door verdriet dat slechts schaduwen van heldere kleuren zijn; door gebed; door de invloeden van het heiligdom; door je genoegens; door je zaken; door tegenspoed; door voorspoed en door mislukking; door wat je vertrouwen versterkte en door wat het brak; door de dingen waarin je je verheugde en de dingen waarover je treurde: door al wat God in je werkt.
Je wordt volmaakt, niet naar wat je zelf bedenkt, maar naar het goddelijke voorbeeld. Jouw portret en het mijne worden nu geschilderd, en met wonderbare streken en invloeden werkt God ons uit naar Zijn eigen ideaal. Bovenop alles wat je voor jezelf doet, is God bezig je aan Hem gelijk te maken.
En dit is de wonderbare verklaring: wanneer je voor God staat en ziet wat er voor je is gedaan, zul je “verzadigd” zijn. O woord, dat eenzaam en dakloos heeft rondgezworven sinds de wereld begon en de morgensterren tezamen van vreugde zongen! Is er ooit een mens van vlees en bloed geweest die op aarde kon staan en zeggen: “Ik ben verzadigd”? Wat betekent het woord eigenlijk? Genoeg gevuld; helemaal vol; in elk deel gevuld.
En wanneer Gods werk voltooid is, zullen wij voor Hem staan. Met het heldere ideaal en de verheerlijkte voorstelling van hemels verlangen op ons, opziend naar God en terugziend op onszelf, zullen wij zeggen: “Ik ben verzadigd.” Want wij zullen Hem gelijk zijn. Amen. Waarom zouden wij niet verzadigd zijn? — Henry Ward Beecher, in “Royal Truths”, 1862.
Vers 15
“Ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.” David heeft het hier over de opstanding. Hij noemt haar een ontwaken, want je weet dat de dood een slaap wordt genoemd: “Die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan.” Even daarvoor sprak hij over mensen die hun geluk zoeken in de genoegens van dit leven. Dat zijn genoegens die bij het lichaam passen, bij de dierlijke kant van ons bestaan. Dat is duidelijk te zien in het veertiende vers: “Met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens achter.” (Engels: “en laten hun de uiterlijke dingen achter.”) Met die uiterlijke dingen bedoelt hij zaken van het lichaam.
“Maar ik”, zegt David, “zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen.” Dát is het geluk van zijn ziel: God zien. “Ik zal verzadigd worden … als ik zal opwaken”, dat wil zeggen: wanneer ik weer opsta, “met Uw beeld.” Hij bedoelt hier niet alleen het beeld van God dat in hemzelf te zien is. Waarom niet? Omdat dát een heilig hart nooit helemaal tevredenstelt. Nee, het gaat om het beeld van de onzienlijke God, en dat is de menselijke natuur van Jezus Christus. Tegenover al die aardse genoegens zal Hij alles in allen voor ons zijn. Hij is een geestelijk wezen. Zijn menselijke natuur is vergeestelijkt en verheerlijkt, en ook onze lichamen zullen op dezelfde manier geestelijk worden gemaakt.
“Het lichaam is … voor den Heere en de Heere voor het lichaam.” Dat geldt wanneer beide zijn opgewekt. Christus is al opgewekt. Hij heeft het ene voor het andere bestemd, dus zal Hij ook onze lichamen opwekken. En als Hij mij opwekt, zegt David, dan hebben andere mensen hier misschien hun buik vol en genieten zij van hun dierlijke genoegens. Maar wanneer ík op de laatste dag ontwaak en dit beeld van U zie, ja, Uw Zoon zie, dán word ik verzadigd: “Ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.” — Thomas Goodwin.
Vers 15
“Ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.” Wat een nood treft de heilige David in deze psalm! Boosaardige lasteraars krenken zijn onschuld. Moordzuchtige vijanden sluiten hem in en zitten achter zijn leven aan. In de dorre woestijn heeft hij gebrek aan bijna alles, terwijl zijn belagers aan het hof van Saul in weelde leven. En toch loopt David onder de last van al die ellende niet rond als een wanhopig of verlaten man. Integendeel: hij legt zijn lot naast het hunne op de weegschaal en meet zich met hen in geluk, juist nu hij er zo slecht aan toe is. Zijn psalm sluit hij af met een triomfantelijke uitroep, waarmee hij zichzelf de verreweg betere man noemt: “Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.”
Zij genieten het gezicht van hun koning, dat is waar. Zijn gunst is als een wolk met late regen, die een rijke oogst vol zegeningen belooft. “Maar ik”, zegt David, “zal het aangezicht van God aanschouwen in gerechtigheid.” Zijn goedertierenheid is beter dan het leven, en Hij is bekleed met al Zijn koninklijke rechten. Hun buik is gevuld met verborgen schatten, want een hand vol gulle mildheid is voor hen geopend. Maar ik heb meer blijdschap in mijn hart gekregen dan zij ooit hadden toen hun koren en wijn vermeerderden. Zij hebben hun deel nu al in handen, als echte mensen van deze wereld. Het mijne heb ik weggelegd in de andere wereld: “Ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.”
In deze woorden zien we het eeuwige geluk van David, en van elke gelovige, in het leven hierna. Het wordt ons in drie punten voorgehouden, als een krachtig tegengif tegen de moeiten en verzoekingen van nu, die voortkomen uit de boosaardigheid van goddeloze mensen tegen Gods kinderen. — William Spurstow.
Vers 15
“Ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.” De heiligen in de hemel zijn nog niet wakker geworden in Gods gelijkenis. De lichamen van de rechtvaardigen slapen nog. Maar op de morgen van de opstanding, wanneer zij ontwaken, zullen zij verzadigd worden.
Denk aan een Romeins veldheer die grote overwinningen had behaald. Hij keerde met zijn soldaten terug naar Rome, ging stilletjes zijn huis binnen en rustte daar uit tot de volgende dag. Dan trok hij de stad uit om haar onder de ogen van iedereen triomfantelijk weer binnen te rijden. Zo gaan de heiligen nu als het ware in stilte de hemel binnen, zonder hun lichamen. Maar op de laatste dag, wanneer hun lichamen ontwaken, stappen zij op hun zegewagens.
Ik zie die geweldige optocht al voor me! Jezus Christus gaat voorop, met vele kronen op Zijn hoofd. In Zijn stralende, heerlijke, onsterfelijke lichaam wijst Hij de weg. Achter Hem volgen de heiligen. Sommigen klappen in hun handen, anderen lokken zoete melodieën uit gouden harpen. Allen trekken zij in triomf naar binnen. En als zij bij de poorten van de hemel komen en de deuren wijd opengaan voor den Koning der heerlijkheid, wat zullen de engelen dan toestromen! Zij dringen samen bij de vensters en op de daken, net als de Romeinen bij hun zegetochten. Ze willen die schitterende stoet zien en de rozen en lelies van de hemel over hen uitstrooien. En zij roepen: “Halleluja, want de Heere, de almachtige God, heeft als Koning geheerst.”
“Ik zal verzadigd worden”: op die heerlijke dag waarop alle engelen van God samenkomen om de triomf van Jezus te zien, en Zijn volk met Hem de overwinning viert. — Spurgeons preken.
Vers 15
“Ik zal verzadigd worden met Uw beeld.” Breng een dorstig mens naar een oceaan van helder water, en hij heeft genoeg. Is er in God genoeg om de engelen te verzadigen? Dan is er zeker genoeg om ons te verzadigen. Onze ziel is beperkt, maar God is oneindig. Hij is een goed dat verzadigt, en toch krijg je bij Hem nooit genoeg van Hem. Uit Zijn aangezicht welt voortdurend nieuwe vreugde op. Ook na miljoenen jaren verlangen verheerlijkte zielen even sterk naar Hem als op het eerste ogenblik. In God is een volheid die verzadigt, en tegelijk zoveel zoetheid dat de ziel blijft verlangen.
God is een heerlijk goed. Het hoogste goed moet de ziel in vervoering brengen. Er moet een verrukkend genot in wonen, de kern van alle vreugde. In Deo quadam dulcedine delectatur anima immo rapitur: de liefde van God laat een oneindige zoetheid in de ziel druppelen, zo onuitsprekelijk en vol van heerlijkheid! Is er al zoveel vreugde in God wanneer we Hem alleen door het geloof zien (1 Petrus 1:8), wat zal dan de vreugde zijn wanneer we Hem zien van aangezicht tot aangezicht! Vonden de heiligen al zoveel genot in God terwijl zij leden, wat een vreugde wacht hen dan wanneer zij worden gekroond! Als vlammen al rozenbedden zijn, wat zal het dan zijn om te rusten aan de borst van Jezus! Wat een rozenbed zal dat wezen!
God is een overtreffend goed. Hij is beter dan alles wat je naast Hem zou willen zetten: beter dan gezondheid, rijkdom en eer. Andere dingen houden het leven in stand, maar Hij schenkt het leven. Wie zou iets op de weegschaal leggen tegenover de Godheid? Wie weegt een veer tegen een berg goud? God gaat alles oneindig ver te boven, veel verder dan de zon een kaarsvlam.
God is een eeuwig goed. Hij is de Oude van dagen, en toch vergaat Hij nooit en wordt Hij niet oud. Daniël 7:9. De vreugde die Hij geeft is eeuwig, en de kroon verwelkt niet. 1 Petrus 5:4. De verheerlijkte ziel zal zich eeuwig in God verkwikken, zich verlustigen in Zijn liefde en zich koesteren in het licht van Zijn aangezicht. We lezen over de rivier van genoegen aan Gods rechterhand. Maar droogt die niet op den duur uit? Nee! Op de bodem ligt een bron die haar voedt. Psalm 36:10. “Bij U is de fontein des levens.” Zo is God het hoogste goed, en Hem eeuwig genieten is de grootste gelukzaligheid die een ziel kan ontvangen. — Thomas Watson.
Vers 15
“Als ik zal opwaken”, enzovoort. Een oprecht christen blijft altijd onderweg. Zijn reis is pas klaar als hij in de hemel is aangekomen. Tot die tijd blijft hij in beweging, in zijn verlangen en in zijn inspanning. Hij is dankbaar voor een klein beetje genade, maar met grote hoeveelheden genade is hij nog niet tevreden. “Ik zal verzadigd worden met Uw beeld”, zegt David, “als ik zal opwaken.” Hij had menig zoet onthaal genoten in het huis van God, in Zijn ordeningen. De Geest van God was de bode die hem menige toegedekte schotel van Gods tafel bracht: innerlijke troost waarvan de wereld niets afwist. En toch heeft David nog niet genoeg. Alleen de hemel kan hem zijn volle teug geven, en daarnaar verlangt hij.
Men vertelt dat de Galliërs, toen zij voor het eerst de wijnen van Italië proefden, zo overweldigd waren door hun lieflijkheid en zoetheid dat ze niet langer tevreden waren met wijn kopen. Nee, ze besloten het land zelf te veroveren waar de druiven groeiden. Zo is het ook met de oprechte ziel. Het is haar niet genoeg om af en toe een druppel genade en troost uit de hemel te proeven, terwijl ze van een afstand handel drijft met God in Zijn ordeningen hier beneden. Ze richt haar gedachten op dat heilige land, die gezegende plaats waar zulke kostbare waren vandaan komen. Want ze wil de wijn van dat koninkrijk drinken, in dat koninkrijk zelf. — William Gurnall.
Vers 15
“Als ik zal opwaken.” Wat een treffende, vanzelfsprekende gelijkenis: ons ontwaken uit de gewone slaap, en het opstaan van de heilige ziel uit de duisternis en verdoving van haar tegenwoordige staat, in het levendmakende licht van Gods nabijheid! Terecht zegt men dat zij al ontwaakt wanneer zij deze duistere streken voor het eerst verlaat en haar drukkende nachtsluier aflegt. Nog volmaakter gebeurt dat op de vreugdevolle morgen van de opstandingsdag. Dan is de sterfelijkheid verslonden door het leven, en zijn alle schaduwen die er nog hingen verdwenen en gevlucht. Hoe vertrouwd en gebruikelijk dit beeld van slapen en ontwaken in de Heilige Schrift is, hoef ik wie de Bijbel kent niet te vertellen.
Deze uitleg past ook goed bij de rest van dit vers. Welke staat past immers zo volledig bij het zien van Gods aangezicht en het verzadigd worden met Zijn gelijkenis als die van de toekomstige gelukzaligheid in de andere wereld? Bovendien wijst de samenhang van dit en het vorige vers ons duidelijk in die richting. Wat valt daarin sterker op dan een bewuste vergelijking, een tegenover elkaar zetten van twee soorten geluk? Het gaat hierom: de goddelozen, die hij mensen van de tijd noemt (zo geeft Pagninus de Hebreeuwse woorden weer: Homines de tempore, en dat betekent ook letterlijk zoiets), hebben hun deel, zegt hij, in dit leven. Het deel van de rechtvaardige, het zijne, verwachtte hij pas te ontvangen wanneer hij zou ontwaken, dat is: pas na dit leven. — John Howe.
Vers 15
Er is een slaap van doodsheid van de geest, waaruit de glans van Gods liefelijk aangezicht een gelovige wakker schudt en de geest van de verbrokenen weer tot leven brengt. En er is een slaap van de lichamelijke dood, waaruit de goedertierenheid van de Heere al de Zijnen zal wekken op de dag van de opstanding. Dan maakt Hij hen zo gelijk aan Zijn eigen heiligheid en heerlijke gelukzaligheid dat zij voor eeuwig volkomen tevreden zijn. Elke gelovige mag deze eerste en tweede redding uit alle benauwdheid verwachten en zichzelf voorspellen: “Ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.” — David Dickson.
Vers 15
Dit vers heeft een drievoudige betekenis. Alleen in Christus, de Eerstgeborene uit de doden, het uitdrukkelijk beeld van Jehovah’s heerlijkheid, zullen de heiligen onsterfelijk en onverderfelijk opstaan en aan de engelen in de hemel gelijk worden. 1. Zij zullen zich diep verlustigen in de heerlijke staat waarin zij opstaan. 2. Zij zullen zich diep verlustigen in Jezus, in Wie en door Wie opstanding en onsterfelijkheid aan het licht zijn gekomen. 3. Zij zullen zich diep verlustigen in het gezegende, verzoende aangezicht van Jehovah, de Vader, Die geen oog van vlees kan zien.
Dát is het verschil tussen de verschijning van God aan Israël op de berg Sinaï en de gelukkige staat waarin de heiligen Hem bij de opstanding zullen aanschouwen. Hoe heerlijk het tafereel op Sinaï ook was, toch zei de Heere tot Israël: “Gij hebt geen gelijkenis (Hebr.) (Temunah) gezien,” of beeld, of aangezicht. David spreekt echter over de geestelijke heerlijkheid van de zegevierende heiligen bij de opstanding. Dan zullen zij Jehovah zien zoals Hij is, en zich voor altijd verheugen in Zijn zaligmakende nabijheid. — Benjamin Weiss, in loc., 1858.
Vers 15
Het eeuwige leven en de zaligheid in de hemel zijn geen waarheid die pas door het evangelie is onthuld. De heiligen van ouds kenden haar goed. Zij zagen haar duidelijk geopenbaard en hielden haar vast in hun geloof. Ze waren er zeker van dat zij eeuwig met God in heerlijkheid zouden leven. “Ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.” Psalm 17:15. “Gij zult mij in heerlijkheid opnemen.” Psalm 73:24. “Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.” Psalm 16:11.
Zij keken uit naar een ander land, waarvan Kanaän slechts een voorbeeld en schaduw was, zoals de apostel laat zien in Hebreeën 11:16. Ze wisten dat er voor de heiligen een eeuwige staat van geluk bestond, net zoals er een eeuwige staat van ellende bestond voor de goddelozen. In die dagen geloofden ze dat al. — Samuel Mather over de “Types”, 1705.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1
De stem van Jezus, onze Gerechtigheid, en onze eigen stem. Werk de gedachte uit dat beide opstijgen tot het oor van de hemel, en let op de eigenschappen van ons gebed zoals de taal van de psalmist die laat zien: ernst, volharding, oprechtheid, enzovoort.
Vers 2
“Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan.”
I. Wanneer het zal komen.
II. Wie het nu durft te ontmoeten.
III. Hoe we dan onder hen kunnen zijn.
Vers 3
“Gij hebt mijn hart geproefd.” Denk aan het metaal, de oven, de smelter, enzovoort.
Vers 3
“Gij hebt … des nachts bezocht.”
I. Een heerlijke Bezoeker.
II. Een begunstigd persoon.
III. Een bijzonder tijdstip.
IV. Een verkwikkende herinnering.
V. Een praktisch gevolg.
Vers 3 (laatste zin)
Overtredingen van de lip, en hoe we die kunnen vermijden.
Vers 4
De heirbaan en de zijpaden: de wereld en de zonde. “De paden des inbrekers” — een veelzeggende naam voor overtreding.
Vers 5
“Houdende.” (Engels: “Ondersteun.”)
I. Wie moet ondersteunen? God.
II. Wat moet Hij ondersteunen? “Mijn gangen.”
III. Wanneer? Nu, in de tegenwoordige tijd.
IV. Waar? Op de weg die God wijst: “In Uw sporen.”
V. Waarom? Met welk doel? “Opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.”
Vers 5
Laten we David eens gadeslaan en van hem leren bidden zoals hij bad: “Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.” (Engels: “Ondersteun mijn gangen in Uw paden.”)
I. Zie eerst zijn loop. Hij spreekt van zijn “gangen.” De godsdienst staat een mens niet toe stil te zitten. Hij spreekt van zijn gangen “in Uw sporen.” Deze zijn drievoudig:
(1). Het pad van Zijn geboden.
(2). Het pad van Zijn ordeningen.
(3). Het pad van Zijn bestuur.
II. Zijn bezorgdheid over deze loop. Het is de taal van (1) overtuiging; (2) vrees; (3) zwakheid; (4) vertrouwen.
— William Jay.
Vers 6
Let op twee woorden, beide groot hoewel klein: “roep” en “verhoort.” Twee personen, de ene klein en de andere groot: “ik” en “Gij, o God.” Twee tijden: het verleden, “ik heb”, en de toekomst, “Gij zult.” (Engels: “Ik heb U aangeroepen, want Gij zult mij verhoren.”) Twee wonderen: dat wij niet méér roepen, en dat God zulke onwaardige gebeden hoort.
Vers 7 (eerste zin)
Zie de Uitleg. Een blik op de goddelijke goedertierenheid, waarnaar de psalmist verlangt.
Vers 7
“Gij, Die verlost”, enzovoort. Over God, de Zaligmaker van de gelovigen.
Vers 8
Twee uiterst veelzeggende zinnebeelden van tederheid en zorg. Het ene toont een levende eenheid, zoals het oog met het lichaam; het andere een liefdevolle verhouding, zoals die tussen de vogel en haar jongen.
Vers 14
“Van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is.” Wie zijn zij? Wat hebben zij? Waar hebben zij het? En wat komt daarna?
Vers 14
“Met Uw hand van de lieden.” (Engels: “Mensen die Uw hand zijn.”) Over de beheersing en het gebruik van goddeloze mensen door Gods voorzienigheid.
Vers 15
Dit is de taal (1) van een man wiens gemoed gevormd is, die voor zichzelf heeft besloten en zijn gedrag niet laat afhangen van de beslissing van anderen. (2) Van een man die opgaat in het leven en grote vooruitzichten voor zich heeft. (3) Het is de taal van een Jood.
Vers 15
Het aanschouwen van Gods aangezicht betekent hier twee dingen.
I. Het genieten van Zijn gunst.
II. Een innige gemeenschap met Hem. — William Jay.
Vers 15
Zie “Spurgeon’s Sermons”, No. 25. Titel: “De hoop op toekomstige zaligheid.” Indeling:
I. De geest van deze uitspraak.
II. De inhoud ervan.
III. De tegenstelling die erin besloten ligt.
Vers 15
God zien en Hem gelijk zijn: het verlangen van de gelovige. — J. Fawcett.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas