Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 19 — Treasury of David

Onderwerp
Het is zinloos te speuren naar het tijdperk waarin dit heerlijke gedicht ontstond, want noch het opschrift noch de inhoud biedt ons daarbij het kleinste houvast. Het opschrift, “Een psalm van David, voor den opperzangmeester”, vertelt ons wel dat David het schreef en dat hij het toevertrouwde aan de leider van de lofzang in het heiligdom, zodat de vergaderde aanbidders het konden zingen.
In zijn jongste jaren, toen de psalmist nog de kudde van zijn vader hoedde, had hij zich verdiept in Gods twee grote boeken: de natuur en de Schrift. Hij was zo diep doorgedrongen in de geest van die twee enige boekdelen in zijn bibliotheek dat hij ze met vroom oordeel naast elkaar kon leggen en tegen elkaar kon afwegen, en zo de uitnemendheid van de Auteur kon verheerlijken zoals die in beide zichtbaar is.
Wat een dwaasheid en goddeloosheid bij mensen die de twee heilige boekdelen niet willen aanvaarden en zich niet verlustigen in dezelfde goddelijke hand die in beide aan het werk is, maar hun hele vernuft verspillen aan het zoeken naar tegenstrijdigheden en onderlinge verschillen! Laten we er zeker van zijn: de ware “Vestiges of Creation” zal Genesis nooit tegenspreken, en een juiste “Cosmos” zal nooit in strijd blijken met het verhaal van Mozes. De wijste is hij die het wereldboek en het Woordboek leest als twee delen van hetzelfde werk, en van beide belijdt: “Mijn Vader schreef ze beide.”
Indeling
Dit lied valt heel duidelijk uiteen in drie delen. De vertalers hebben die treffend aangegeven in het gewone opschrift van onze Bijbel. De schepselen tonen Gods heerlijkheid: vers 2-7. Het Woord toont Zijn genade: vers 8-12. David bidt om genade: vers 13-15. Zo zijn lof en gebed hier met elkaar verweven. Wie hier het werk van God in de wereld buiten zich bezingt, pleit tegelijk voor een genadewerk in zijn eigen binnenste. Het lied beweegt van het wijde heelal naar het kleine menselijke hart.
Uitleg
Vers 2
“De hemelen vertellen Gods eer.” Het boek van de natuur heeft drie bladen: hemel, aarde en zee. De hemel is het eerste en het heerlijkste blad, en met zijn hulp zien we ook de schoonheid van de andere twee. Elk boek zonder zijn eerste bladzijde zou jammerlijk onvolledig zijn. Dat geldt zeker voor die grote Natuurlijke Bijbel, want zijn eerste bladzijden – de zon, de maan en de sterren – werpen licht op de rest van het boekdeel. Zij zijn de sleutels zonder welke alles wat volgt duister en onbegrijpelijk zou blijven. De mens, rechtop lopend, is kennelijk gemaakt om de hemelen te overzien. Wie de schepping begint te lezen bij de sterren, slaat het boek open op de juiste plaats. De eerste bladzijde van Gods natuurboek is nu eenmaal een sterrenhemel.
De hemelen staan in het meervoud vanwege hun verscheidenheid. Er zijn de waterige hemelen met hun wolken in ontelbare vormen, de luchtige hemelen met hun windstilten en stormen, de zonnehemelen met alle heerlijkheden van de dag en de sterrenhemelen met alle wonderen van de nacht. Hoe de Hemel der hemelen moet zijn, is in geen mensenhart opgekomen. Maar juist daar vertelt alles in de eerste plaats de eer Gods. Ieder deel van de schepping bevat meer onderricht dan het menselijk verstand ooit zal uitputten, maar het hemelrijk is bijzonder rijk aan geestelijke kennis.
De hemelen vertellen, of beter: zij zíjn aan het vertellen, want de werkwoordsvormen (deelwoorden) die hier staan wijzen op een getuigenis dat nooit ophoudt. Elk ogenblik, zonder onderbreking, worden Gods bestaan, macht, wijsheid en goedheid rondverteld door de hemelse boodschappers, de heraulten, die van boven op ons neerschijnen. Wie de goddelijke verhevenheid wil vermoeden, moet omhoogstaren in het sterrenwelfsel. Wie zich de oneindigheid wil voorstellen, moet turen in de grenzeloze ruimte. Wie de goddelijke wijsheid wil zien, moet het evenwicht van de hemellichamen overwegen. Wie Gods trouw wil kennen, moet letten op de regelmaat van de planeten. En wie iets wil bevatten van Gods macht, grootheid en majesteit, moet de krachten van de aantrekking schatten, de omvang van de vaste sterren en de glans van heel het hemelse gevolg.
Het is niet zomaar heerlijkheid die de hemelen vertellen, maar “Gods eer”. Zij leveren ons immers zulke onweerlegbare bewijzen voor een bewuste, verstandige, plannende, besturende en regerende Schepper dat geen onbevooroordeeld mens er onovertuigd onder uit kan komen. Het getuigenis van de hemelen is geen vage hint maar een heldere, ondubbelzinnige verklaring, en bovendien een verklaring die nooit verstomt. Toch: wat baat de luidste verklaring een dove, of de duidelijkste aanwijzing iemand die geestelijk blind is? God de Heilige Geest moet ons verlichten. Anders doen alle zonnen van de Melkweg het nooit.
“En het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.” Niet “handig” in de gewone zin van het woord, maar handwerk! Het uitspansel is vol van de werken van de bekwame, scheppende handen van de Heer. Aan de grote scheppende Geest worden handen toegeschreven om Zijn zorg en vakmanschap uit te drukken en om tegemoet te komen aan het armzalige bevattingsvermogen van sterfelijke mensen. Het is vernederend, maar het is waar: we ontdekken dat zelfs de godvruchtigste en meest verheven geesten, wanneer zij hun hoogste gedachten over God willen uitspreken, woorden en beelden moeten gebruiken die aan de aarde zijn ontleend. We zijn kinderen, en ieder van ons moet belijden: “Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind.”
In het uitspansel boven ons laat God als het ware Zijn sterrenvlag wapperen om te tonen dat de Koning thuis is. Hij hangt Zijn wapenschild uit, zodat atheïsten kunnen zien hoe Hij hun aanklachten tegen Hem veracht. Wie naar het uitspansel opkijkt en zichzelf daarna een atheïst noemt, brandmerkt zich op datzelfde ogenblik als een idioot of een leugenaar. Vreemd, en eigenlijk bedroevend, is het dat sommigen die God liefhebben toch bang zijn het boek van de natuur te bestuderen, dat zo duidelijk van God getuigt. De schijngeestelijkheid van sommige gelovigen, die te hemels zijn om de hemelen te beschouwen, heeft de ongelovigen voedsel gegeven voor hun grootspraak dat de natuur de openbaring tegenspreekt. De wijste mensen zijn zij die met heilige ijver de gangen van Jehova opsporen, in de schepping evengoed als in de genade. Alleen dwazen vrezen dat een eerlijke studie van het ene ons geloof in het andere zou schaden. Dr. M’Cosh heeft het goed gezegd:
“Wij hebben er vaak over getreurd dat men de werken van God heeft gesteld tegenover het Woord van God. Zo zijn jaloezieën gewekt, verbreid en levend gehouden, die partijen uit elkaar drijven die in de nauwste eenheid behoorden te leven. Vooral hebben wij het altijd betreurd dat men de natuur heeft proberen te verkleinen om de openbaring te verheffen. Het kwam ons steeds voor als niets anders dan het vernederen van het ene deel van Gods werk in de hoop daarmee een ander deel groter te maken en aan te bevelen. Laat wetenschap en godsdienst niet worden beschouwd als vijandige burchten die elkaar uitdagend aanfronsen, met troepen die dreigend hun wapenrusting zwaaien.
Zij hebben, als zij er maar aan wilden denken, te veel gemeenschappelijke vijanden – onwetendheid en vooroordeel, hartstocht en ondeugd in al hun gedaanten – om hun krachten met recht te verspillen in een zinloze strijd tegen elkaar. De wetenschap heeft een fundament, en de godsdienst ook. Laat hen die fundamenten verenigen, dan wordt de grondslag breder en zijn zij twee afdelingen van één groot gebouw, opgericht tot eer van God. Laat het ene het buitenste voorhof zijn en het andere het binnenste. In het eerste mogen allen kijken, bewonderen en aanbidden. In het tweede mogen zij die geloof hebben knielen, bidden en loven. Laat het ene het heiligdom zijn waar menselijke geleerdheid haar rijkste wierook als offer aan God kan brengen, en het andere het Heilige der heiligen, ervan gescheiden door een voorhangsel dat nu in tweeën is gescheurd. Daar, op een met bloed besprengd verzoendeksel, storten wij de liefde van een verzoend hart uit en horen wij de godsspraken van den levenden God.”
Vers 3
“De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.” Het is alsof de ene dag het verhaal oppakt waar de andere het liet liggen, en elke nacht het wonderlijke verhaal doorgeeft aan de volgende. In de grondtekst klinkt de gedachte van uitstorten en overstromen mee, van spraak die overvloeit. Dagen en nachten zijn dan als een fontein die eeuwig stroomt met de lof van Jehova, zonder ooit droog te vallen. O, mochten we toch vaak uit die hemelse bron drinken en leren de heerlijkheid Gods uit te spreken!
De getuigen daarboven kunnen niet worden gedood en niet tot zwijgen gebracht. Vanaf hun verheven zetels prediken zij zonder ophouden de kennis van God, onbevreesd en onbeïnvloed door het oordeel van mensen. Zelfs de afwisseling van nacht en dag is stilzwijgend welsprekend, want licht en schaduw openbaren evengoed de Onzienlijke. Laat de wisselvalligheden van ons eigen leven hetzelfde doen. Terwijl we de God van onze vreugdedagen zegenen, laten we ook Hem prijzen “Die de psalmen geeft in den nacht”.
De les van dag en nacht is er een die alle mensen zouden moeten leren. Ze hoort thuis in onze gedachten overdag en in onze gedachten ’s nachts: de vlucht van de tijd, het wisselvallige van alles op aarde, de kortheid van vreugde en verdriet, de kostbaarheid van het leven, onze volslagen onmacht om uren terug te roepen die eenmaal voorbij zijn, en de onweerstaanbare nadering van de eeuwigheid. De dag gebiedt ons te werken, de nacht herinnert ons eraan dat we ons moeten voorbereiden op ons laatste uur. De dag zegt: werk voor God! De nacht nodigt ons uit in Hem te rusten. De dag wijst ons op de eindeloze dag die komt, en de nacht waarschuwt ons de eeuwige nacht te ontvluchten. Zo prediken dag en nacht samen, ieder op eigen wijze, dezelfde ernstige les, en wie goed luistert, hoort die elke dag en elke nacht opnieuw.
Vers 4
“Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.” Elk mens kan de stemmen van de sterren horen. De aardbewoners spreken vele talen, maar voor hemelbewoners bestaat er maar één, en die ene kan door ieder gewillig gemoed worden verstaan. Wie wil horen, die hoort het ook echt. Zelfs de laagste heidenen zijn niet te verontschuldigen als zij in de werken die God gemaakt heeft de onzienlijke dingen Gods niet ontdekken. Niemand kan zeggen dat hij het nooit had kunnen weten, want de boodschap ligt voor iedereen open. Zon, maan en sterren zijn Gods rondtrekkende predikers. Het zijn apostelen op reis, die hen bevestigen die de Heere vrezen, en rechters op rondreis, die hen veroordelen die afgoden aanbidden.
De kanttekening geeft een andere weergave, die letterlijker is en minder herhaling bevat: “geen spraak, geen woorden, hun stem wordt niet gehoord”. Dat wil zeggen: hun onderwijs richt zich niet tot het oor en klinkt niet in duidelijke woorden. Het is beeldend, gericht tot het oog en het hart. Het raakt niet aan de zin waardoor het geloof komt, want het geloof is uit het gehoor.
Jezus Christus wordt het Woord genoemd, want Hij laat de Godheid veel duidelijker zien dan alle hemelen samen kunnen. Zij zijn tenslotte maar stomme onderwijzers, die wel wijzen maar niet kunnen spreken. Geen ster en geen zon komt tot een woord. Maar Jezus is het uitdrukkelijk beeld van Jehova’s Persoon, en Zijn naam is het Woord Gods.
Vers 5
“Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld.” Hoewel de hemellichamen zich in plechtige stilte voortbewegen, spreken zij toch kostbare lessen in het oor van de rede. Letterlijke woorden laten zij niet horen, maar hun onderricht is duidelijk genoeg om zo te heten. Horne zegt dat deze uitdrukking een taal van tekens aanduidt. De hemelen spreken dus door hun veelzeggende handelingen en bewegingen. Wat zij te zeggen hebben, zeggen zij zonder één woord. De woorden van de natuur zijn als die van doofstommen, maar de genade vertelt ons helder van de Vader.
Met hun richtsnoer wordt waarschijnlijk de maat van hun gebied bedoeld. Dat gebied is, samen met hun getuigenis, uitgegaan tot het uiterste einde van de bewoonde aarde. Geen levend mens onder het hemelgewelf woont buiten de grenzen van het ambtsgebied (het bisdom) van Gods hofpredikers. Het is gemakkelijk te ontkomen aan het licht van predikers, die als sterren in de rechterhand van den Zoon des mensen zijn. Maar zelfs dan vinden mensen met een nog niet verhard geweten in de stille sterren van de nacht een Nathan die hen aanklaagt, een Jona die hen waarschuwt en een Elia die hen bedreigt. Voor genadige zielen zijn de stemmen van de hemelen nog veel krachtiger. Zij voelen de zoete invloeden van de Plejaden en worden door de heldere banden van Orion naar hun Vader God getrokken.
“Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.” In de hemelen slaat de zon zijn kamp op en trekt als een machtig vorst op zijn glorieuze weg voort. Hij heeft geen vaste woning. Zoals een reiziger zijn tent opslaat en weer verplaatst, zo staat ook deze tent er maar even: straks wordt ze afgebroken en opgerold als een boekrol. Zoals het koninklijk paviljoen midden in het legerkamp stond, zo verschijnt de zon op zijn plaats als een koning te midden van dienende sterren.
Vers 6
“En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer.” Een bruidegom komt schitterend gekleed naar buiten, zijn gezicht straalt van een vreugde die hij meedeelt aan iedereen om hem heen. Zo is de opgaande zon, maar dan in veel machtiger zin. “Zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.” Zoals een kampioen die zich heeft omgord om te rennen opgewekt aan de wedloop begint, zo snelt de zon voort met weergaloze regelmaat en onvermoeibare vaart over zijn aangewezen baan. Voor hem is het louter spel. Hij toont geen teken van inspanning, verslapping of uitputting.
Geen ander schepsel schenkt de aarde zoveel vreugde als haar bruidegom de zon. En niemand, paard noch adelaar, kan ook maar een ogenblik in snelheid wedijveren met die hemelse kampioen. Maar al zijn heerlijkheid is slechts de heerlijkheid Gods. Ook de hoogste glans is bruikleen. Zelfs de zon schijnt in geleend licht van de grote Vader der lichten.
„Gij zon, het oog en de ziel van deze grote wereld,
Erken Hem als uw Meerdere, Die u Zijn licht verleent;
Verkondig Zijn lof op uw eeuwige baan,
Als gij klimt, als gij hoog in de middag staat, en als gij daalt.”
Vers 7
“Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven.” De zon draagt zijn licht naar de uiterste grenzen van de zonnehemelen. Met vaste tred doorkruist hij de dierenriem en onthoudt zijn licht aan niemand die binnen zijn bereik woont. “En niets is verborgen voor haar hitte.” Boven, beneden, rondom: overal werkt de hitte van de zon en niets ontsnapt eraan. De ingewanden van de aarde zijn gevuld met de oeroude opbrengst van de zonnestralen, en zelfs nu nog voelen de diepste spelonken van de aarde hun kracht. Waar het licht buitengesloten is, vinden hitte en andere, subtielere invloeden toch hun weg.
Zonder twijfel is hier een parallel bedoeld tussen de hemel van de genade en de hemel van de natuur. Gods weg van genade is verheven en wijd, en vol van Zijn heerlijkheid. In al haar gedaanten verdient zij bewondering en ijverige studie. Haar lichten en haar schaduwen zijn beide leerzaam. Tot op zekere hoogte is zij aan elk volk verkondigd, en als de tijd daar is, zal zij nog vollediger bekend worden gemaakt tot de einden der aarde. Jezus woont als een zon midden in de openbaring en slaat Zijn tent op onder de mensen in al Zijn helderheid. Als de Bruidegom van Zijn kerk verheugt Hij Zich om Zichzelf aan de mensen te openbaren, en als een kampioen om Zichzelf roem te verwerven. Hij trekt een cirkel van barmhartigheid en zegent de verste hoeken van de aarde. Geen zoekende ziel, hoe vernederd en verdorven ook, zal de troostrijke warmte en zegen van Zijn liefde worden onthouden. Zelfs de dood zal de kracht van Zijn tegenwoordigheid voelen en de lichamen van de heiligen prijsgeven, en deze gevallen aarde zal worden hersteld in haar oorspronkelijke heerlijkheid.
In de drie volgende verzen (8, 9 en 10) hebben we een korte maar leerzame hexapla, een zesvoudige opstelling, met zes beschrijvende titels van het Woord, zes kenmerkende hoedanigheden en zes goddelijke uitwerkingen. Namen, aard en uitwerking zijn daar fraai uiteengezet.
Vers 8
“De wet des HEEREN is volmaakt.” Hiermee bedoelt David niet slechts de wet van Mozes, maar de leer van God, de hele loop en regel van de heilige Schrift. Hij verklaart de leer die God heeft geopenbaard volkomen. En toch had David maar een klein deel van de Schriften, een fragment, en dan nog het donkerste en meest geschiedkundige deel. Als dát al volkomen is, wat moet dan het hele boekdeel zijn? Hoeveel méér dan volkomen is het boek dat de duidelijkste vertoning van goddelijke liefde bevat en ons een open blik geeft op verlossende genade!
Het evangelie is een volledig plan, een wet van genadige zaligheid, die de zondaar in nood alles voorhoudt wat zijn schrijnende behoeften maar kunnen eisen. Er is niets overtolligs en niets weggelaten in het Woord Gods en in het plan van de genade. Waarom proberen mensen dan deze lelie te schilderen en dit gelouterde goud te vergulden? Het evangelie is volkomen in al zijn delen en volkomen als geheel. Er iets aan toevoegen is een misdaad, het veranderen is verraad en er iets van afnemen is diefstal.
“Bekerende de ziel.” Dat betekent: de mens laten terugkeren, hem herstellen op de plek waarvan de zonde hem had weggeslingerd. Het praktische effect van het Woord Gods is dat het de mens keert tot zichzelf, tot zijn God en tot heiligheid. En die wending, die bekering, is niet slechts uiterlijk: “de ziel” wordt bewogen en vernieuwd. Het grote middel tot bekering van zondaars is het Woord Gods. Hoe dichter we er in onze bediening bij blijven, hoe groter de kans dat we succes hebben. Het is Gods Woord, en niet de uitleg die mensen eraan geven, dat kracht krijgt in zielen en hen overweldigt. Wanneer de wet drijft en het evangelie trekt, is de werking verschillend maar het doel hetzelfde. Door Gods Geest wordt de ziel tot toegeven gebracht en roept zij: “Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn.” Beproef de verdorven natuur van de mens met wijsbegeerte en redeneringen, en ze lacht om uw pogingen. Maar het Woord Gods werkt al snel een verandering. Zo dringt het dieper door dan welke redenering ook.
“De getuigenis des HEEREN is gewis.” God getuigt tegen de zonde en voor de gerechtigheid. Hij getuigt van onze val en van ons herstel. Dit getuigenis is duidelijk, beslist en onfeilbaar, en moet als zeker worden aanvaard. Gods getuigenis in Zijn Woord staat zo vast dat we er stevige troost uit kunnen putten voor tijd en eeuwigheid. Geen aanval erop, hoe fel of geraffineerd ook, kan ooit zijn kracht breken. Wat een zegen, wat een rust, dat we in een wereld vol onzekerheden iets zekers hebben om op te rusten! Haastig verlaten we het drijfzand van menselijke bespiegelingen voor de vaste grond van de goddelijke openbaring.
“Den slechten wijsheid gevende.” Nederige, openhartige, leerbare mensen ontvangen het Woord en worden wijs gemaakt tot zaligheid. Wat voor wijzen en verstandigen verborgen is, wordt aan kinderkens geopenbaard. Wie zich laat overreden, wordt wijs, maar de haarklovers blijven dwazen. Als wet of plan bekeert het Woord Gods, en als getuigenis onderricht het. Het is niet genoeg dat we bekeerlingen zijn, we moeten discipelen blijven. En als we de kracht van de waarheid hebben gevoeld, moeten we haar zekerheid blijven bewijzen in onze ervaring. De volkomenheid van het evangelie bekeert, maar de zekerheid ervan sticht. Willen we gesticht worden, dan past het ons niet om uit ongeloof te wankelen bij de belofte. Een betwijfeld evangelie kan ons immers niet wijs maken, maar een waarheid waarvan we zeker zijn, wordt onze vaste grond.
Vers 9
“De bevelen des HEEREN zijn recht.” Zijn voorschriften en besluiten rusten op gerechtigheid. Ze zijn recht, dat wil zeggen: ze sluiten naadloos aan bij het gezonde verstand van de mens. Zoals een goede arts het juiste medicijn voorschrijft en een goede raadsman de juiste raad geeft, zo doet het Boek van God dat ook.
“Verblijdende het hart.” Let op de opklimming! Wie bekeerd was, werd daarna wijs gemaakt, en wordt nu blij gemaakt. De waarheid die het hart recht zet, geeft vervolgens vreugde aan dat rechtgezette hart. Vrije genade brengt vreugde diep in het hart. Aardse vrolijkheid blijft op de lippen hangen en kleurt hooguit het gezicht, maar hemelse vreugde stilt de honger van de ziel en vult al onze geestelijke vermogens tot de rand toe. Er bestaat geen hartversterking die zo troostrijk is als wat uit de fles van de Schrift wordt ingeschonken.
„Trek u terug en lees uw Bijbel, opdat uw hart zich verblijde.”
“Het gebod des HEEREN is zuiver.” Er zit geen dwaling doorheen gemengd en geen vlek van zonde kleeft eraan. Het is onvervalste melk en ongemengde wijn.
“Verlichtende de ogen.” Door haar eigen zuiverheid veegt de Schrift de aardse grofheid weg die ons verstandelijk onderscheidingsvermogen aantast. Of het oog nu dof is geworden van verdriet of van zonde: de Schrift is een bekwame oogarts, en maakt het oog weer helder en scherp. Kijk in de zon en u wordt verblind. Kijk in het licht van de Openbaring, dat nog veel verder gaat dan zonlicht, en uw ogen worden verlicht. De zuiverheid van de sneeuw maakt de Alpenreiziger sneeuwblind, maar de zuiverheid van Gods waarheid werkt juist omgekeerd en geneest de natuurlijke blindheid van de ziel.
Het is de moeite waard om nogmaals op die opklimming te letten. De bekeerling wordt een leerling en daarna een verblijde ziel. Nu krijgt hij ook een onderscheidend oog, en als geestelijk mens onderscheidt hij alle dingen, terwijl hijzelf door niemand wordt onderscheiden.
Vers 10
“De vreze des HEEREN is rein.” Hier wordt de leer van de waarheid beschreven aan de hand van haar geestelijke vrucht: innerlijke godsvrucht, de vreze des Heeren. Die vreze is in zichzelf rein en reinigt ons van de liefde tot de zonde. Ze heiligt het hart waarin ze heerst. Mijnheer Godvrezendheid rust niet voordat elke straat, steeg en gang, ja, elk huis en elke hoek van de stad Mensenziel is schoongeveegd van de Diabolonianen die zich daar verschuilen.
“Bestaande tot in eeuwigheid.” Vuil leidt tot verval, maar reinheid is de grote vijand van bederf. De genade van God in het hart is een zuiver beginsel, en dus ook een blijvend en onverderfelijk beginsel. Het kan een tijdlang worden onderdrukt, maar nooit helemaal worden vernietigd. In het Woord én in het hart zegt de Heere, wanneer Hij schrijft, met Pilatus: “Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.” Zélf zal Hij niets doorhalen, en nog veel minder toestaan dat anderen dat doen.
Gods geopenbaarde wil verandert nooit. Zelfs Jezus kwam niet om af te schaffen maar om te vervullen, en ook de ceremoniële wet is alleen wat haar schaduw betreft veranderd. De werkelijkheid waar zij naar wees, is eeuwig. Als de regeringen van volken wankelen door een omwenteling en oude grondwetten worden ingetrokken, dan is het een troost te weten dat Gods troon niet wankelt en Zijn wet onveranderd blijft.
“De rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.” Samen en afzonderlijk zijn de woorden van de Heere waar. Wat in de details goed is, is in het geheel voortreffelijk. Tegen geen enkele zin afzonderlijk, en ook niet tegen het Boek als geheel, valt iets in te brengen.
Gods rechten, alle tezamen en ieder voor zich, zijn kennelijk rechtvaardig. Ze hebben geen moeizame verontschuldigingen nodig om te worden verdedigd. De rechterlijke uitspraken van Jehova, zoals ze in de wet zijn geopenbaard of in de geschiedenis van Zijn voorzienigheid worden toegelicht, zijn de waarheid zelf. Ze overtuigen elk gemoed dat de waarheid liefheeft. Hun macht is onoverwinnelijk, en hun gerechtigheid is onberispelijk.
Vers 11
“Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud.” Bijbelwaarheid maakt de ziel in de hoogste mate rijk. Het beeld wordt steeds krachtiger naarmate het wordt uitgewerkt: goud, fijn goud, véél fijn goud. Het is goed, beter, best, en dus meer dan goed. Daarom moeten we de waarheid niet alleen begeren met de gretigheid van een vrek, maar met nog veel meer. Geestelijke schatten zijn edeler dan louter stoffelijke rijkdom, en dus moeten we ze met nog grotere ijver zoeken en najagen.
Mensen spreken over massief goud, maar wat is zo massief als massieve waarheid? Uit liefde voor goud wordt genot afgezworen, gemak opgegeven en het leven op het spel gezet. Zullen wij dan niet bereid zijn net zoveel te doen uit liefde voor de waarheid?
“En zoeter dan honig en honigzeem.” Trapp zegt: “Oude mensen zijn allemaal gericht op winst, jonge op genot. Hier is goud voor de een, ja, het fijnste goud in grote hoeveelheid. Hier is honig voor de ander, ja, levende honing die uit de raat druipt.” De genoegens die voortkomen uit een juist begrip van Gods getuigenissen zijn van de heerlijkste soort. Vergeleken daarbij zijn aardse genietingen volkomen verachtelijk. De zoetste vreugden, ja, de zoetste van de zoetste, zijn voor wie Gods waarheid tot zijn erfdeel heeft.
Vers 12
“Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand.” Het Woord waarschuwt ons voor onze plicht, voor het gevaar en voor het geneesmiddel. Op de zee van het leven zouden veel méér schepen vergaan als er geen goddelijke stormseinen waren, die de waakzame op tijd waarschuwen. Onze Bijbel moet onze Mentor zijn, onze Vermaner, ons Memento Mori, onze Herinnering en de Bewaker van ons geweten, die ons waarschuwt.
Helaas nemen maar zo weinig mensen die waarschuwing ter harte, hoe genadig die ook wordt gegeven. Niemand anders dan Gods knechten doet dat, want alleen zij letten op de wil van hun Meester. Gods knechten vinden Zijn dienst niet alleen op zichzelf heerlijk, ze ontvangen er ook een goede vergoeding voor: “In het houden van die is grote loon.” Er is dus loon, en dat is groot! We verdienen weliswaar geen loon als een schuld die moet worden betaald, maar we ontvangen groot loon uit genade. Gods heiligen mogen een tijdlang verliezen, maar uiteindelijk winnen ze glansrijk. En zelfs nu is een rustig geweten op zichzelf al geen gering loon voor gehoorzaamheid. Wie het kruid dat hartenrust heet in zijn boezem draagt, is écht gezegend.
Toch moet het voornaamste loon nog komen, en het woord dat hier staat, wijst daar ook op. Het betekent namelijk ‘hiel’, alsof het loon ons pas toekomt aan het einde van het leven, wanneer het werk is gedaan. Niet terwijl de arbeid nog gaande is, maar wanneer die voorbij is en we de hiel ervan kunnen zien. O, die heerlijkheid die nog moet worden geopenbaard! Het is genoeg om een mens van blijdschap te doen duizelen, alleen al bij het vooruitzicht. Onze lichte verdrukking, die maar voor een ogenblik is, is niet waard te worden vergeleken met de heerlijkheid die aan ons zal geopenbaard worden. Dan pas zullen we de waarde van de Schriften kennen, wanneer we zwemmen in die zee van onuitsprekelijk genot waarheen hun stromen ons voeren, als we ons maar aan hen toevertrouwen.
Vers 13
“Wie zou de afdwalingen verstaan?” Deze vraag is zelf haar antwoord. Ze vraagt eerder om een uitroepteken dan om een vraagteken. Door de wet is de kennis der zonde, en in het licht van de goddelijke waarheid staat de psalmist verbaasd over het aantal en de gruwelijkheid van zijn zonden. Wie het Woord het best kent, kent zichzelf het best. Maar zelfs zo iemand verdwaalt in een doolhof van verwondering over alles wat hij nog niet weet, in plaats van dat hij zich op de berg van gelukwensen kan verheugen over wat hij wel weet.
We hebben wel eens gehoord van een blijspel der vergissingen, maar voor een goed mens is het eerder een treurspel. Veel boeken hebben aan het einde een paar regels errata, maar onze errata zouden net zo dik kunnen zijn als het boek zelf, als we maar verstand genoeg hadden om onze fouten te zien. Augustinus schreef op zijn oude dag een reeks Retractaties. Die van ons zouden een bibliotheek kunnen vullen, als we genoeg genade hadden om van onze dwalingen overtuigd te worden en ze te belijden.
“Reinig mij van de verborgene afdwalingen.” U kunt in mij gebreken zien die voor mijzelf volkomen verborgen zijn. Het zou hopeloos zijn te verwachten dat ik al mijn vlekken zie. Was daarom, o Heere, ook die zonden weg in het verzoenend bloed die mijn geweten niet heeft kunnen ontdekken. Verborgen zonden moeten, net als heimelijke samenzweerders, worden opgespoord, anders kunnen ze dodelijk kwaad doen. Het is goed om er veel over te bidden, want zulke zonden doen hun werk in het donker.
Op het Lateraans Concilie van de Roomse Kerk werd besloten dat elke ware gelovige al zijn zonden, zonder uitzondering, eenmaal per jaar aan de priester moet belijden. Men voegde daar nog de verklaring aan toe dat er geen hoop op vergeving is dan door aan dat besluit te voldoen. Wat is er dwazer dan zo’n besluit? Denken ze dan dat ze hun zonden even makkelijk kunnen opsommen als hun vingers tellen? Als we vergeving van al onze zonden zouden ontvangen door elke zonde die we hebben begaan binnen één uur op te noemen, dan zou niemand van ons de hemel binnengaan. Want naast de zonden die we kennen en kunnen belijden, bestaat er een gigantische massa zonden die net zo goed zonden zijn als de zonden waarover we treuren, maar die verborgen blijven en niet onder ons oog komen.
Als we ogen hadden als die van God, zouden we heel anders over onszelf denken. De overtredingen die wij zien en belijden zijn maar als de kleine monsters die een boer naar de markt brengt, terwijl hij zijn graanschuur thuis vol heeft laten staan. We hebben maar heel weinig zonden die we kunnen opmerken en ontdekken, vergeleken met de zonden die voor onszelf verborgen blijven en door onze medeschepselen niet worden gezien.
Vers 14
“Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen.” Dit ernstige en nederige gebed leert ons dat heiligen in de ergste zonden kunnen vallen, tenzij de genade hen tegenhoudt. Daarom moeten ze waken en bidden, opdat ze niet in verzoeking komen. Ook in de allerbeste mensen zit een natuurlijke neiging tot zonde. Ze moeten worden tegengehouden zoals een paard door het bit, anders storten ze zich erin.
Trotse zonden zijn bijzonder gevaarlijk. Alle zonden zijn grote zonden, maar toch zijn sommige groter dan andere. Elke zonde bevat het hele venijn van de opstand en zit vol van het wezenlijke merg van verraderlijke verwerping van God. Maar er zijn zonden waarin dat wezenlijke kwaad van de opstand zich verder heeft ontwikkeld, en die duidelijker de koperen trots op hun gezicht dragen die de Allerhoogste uitdaagt. Het is verkeerd te denken dat de ene zonde niet groter is dan de andere, alleen omdat alle zonden ons zullen veroordelen. Feit is dat alle overtreding weliswaar ernstig en zondig is, maar dat sommige overtredingen een diepere schaduw van zwartheid hebben, en een dubbel scharlakenrode kleur van misdadigheid, vergeleken met andere. De trotse zonden uit onze tekst zijn de voornaamste en ergste van alle zonden. Ze staan bovenaan en voorop in de lijst van ongerechtigheden.
Opmerkelijk is dat er onder de Joodse wet voor elke soort zonde verzoening was voorzien, op één uitzondering na: “Maar de ziel, die iets gedaan zal hebben met opgeheven hand, … diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk.” En nu, in de christelijke bedeling, is er in het offer van onze gezegende Heere weliswaar een grote en kostbare verzoening voor trotse zonden, waardoor zondaars die zo gedwaald hebben worden gereinigd. Maar trotse zondaars die zonder vergeving sterven, moeten zonder twijfel een dubbel deel verwachten van Gods toorn, en een nog verschrikkelijker deel van de eeuwige straf in de kuil die voor de goddelozen is gegraven.
Daarom is David zo bezorgd en bidt hij zo ernstig dat hij nooit onder de heerschappij van deze reuzenkwaden mag komen. “Dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding.” Hij huivert bij de gedachte aan de onvergeeflijke zonde. Verborgen zonde is een opstapje naar trotse zonde, en trotse zonde is de voorhof van de “zonde tot den dood”. Wie niet opzettelijk zondigt, is goed op weg om onschuldig te zijn, voor zover een arm zondig mens dat kan zijn. Maar wie de duivel uitnodigt hem te verzoeken, staat op een pad dat hem van kwaad tot erger, en van erger tot het ergste voert.
Vers 15
“Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser!” Wat een lieflijk gebed, en zo geestelijk dat het in de christelijke eredienst bijna net zo vaak wordt gebruikt als de apostolische zegenbede. Woorden van de mond zijn bespotting als het hart er niet over nadenkt. De schaal is niets zonder de pit. Maar beide samen zijn nutteloos tenzij ze worden aangenomen, en zelfs als mensen ze aannemen, is het alles ijdelheid als ze niet welgevallig zijn voor het aangezicht van God.
In het gebed moeten we Jehova zien als onze Sterkte Die ons bekwaam maakt en als onze Verlosser Die ons behoudt. Anders bidden we niet goed. Het is ook goed om onze persoonlijke betrokkenheid te voelen, zodat we het woord ‘mijn’ gebruiken, want anders worden onze gebeden belemmerd. De naam van onze Bloedverwant, onze Goël of Verlosser, vormt een gezegend slot van de psalm. Die begon bij de hemelen, maar eindigt bij Hem Wiens heerlijkheid hemel en aarde vervult. Gezegende Bloedverwant, geef ons nu dat we Uw allerzoetste liefde en tederheid op welgevallige wijze mogen overdenken.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Het prachtige landschap waarop het gedicht zinspeelt, is geheel ontleend aan het beschouwen van de natuur in herderlijke afzondering. Het is een beschouwing waaraan men zich overgaf op het middaguur of in de ochtend, wanneer de zon over de horizon trok en met haar glans alle andere hemellichamen overschaduwde. Daarom vormt deze psalm een volmaakt contrast met de achtste psalm, die kennelijk ’s avonds is gemaakt, en moet hij samen met die psalm worden gelezen, omdat hij waarschijnlijk bijna gelijktijdig is geschreven. Beide zijn lofzangen die zijn ontleend aan natuurverschijnselen, en ze passen daarom bijzonder goed bij het leven op het land en bij de herders. — John Mason Good.
Gehele psalm
De wereld lijkt op een godgeleerde school, zegt Plutarchus. En Christus is, zoals de Schrift ons vertelt, onze leraar, Die ons onderwijst door Zijn werken en door Zijn woorden. Aristoteles had immers twee soorten geschriften: de ene soort heette exoterisch en was bedoeld voor zijn gewone toehoorders, de andere heette akroamatisch en was bestemd voor zijn eigen leerlingen en vertrouwde kennissen. Zo heeft ook God twee soorten boeken, zoals David in deze psalm te kennen geeft. Er is het boek van Zijn schepselen, als een gemeenplaatsenboek voor alle mensen in de wereld: “De hemelen vertellen Gods eer”, vers 2-7. En er is het boek van Zijn Schriften, als wetboek voor Zijn huisgenoten, de kerk: “De wet des HEEREN is volmaakt”, vers 8, 9.
Het grote boek van de schepselen in folio kan treffend de herderskalender en het ploegersalfabet worden genoemd. Zelfs de meest onwetenden kunnen daarin lopen en lezen, zoals de profeet het zegt. Het is een open brief, voor iedereen leesbaar, zoals David in onze tekst zegt: “Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld.” “Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.” Want ook al zijn de hemel, de zon in de hemel en het licht in de zon stom, hun stemmen worden toch goed verstaan. Ze onderwijzen duidelijk de eerste beginselen van de godsdienst: dat er een God is, dat deze God maar één God is, en dat deze ene God alle andere dingen oneindig overtreft, zowel in macht als in majesteit.
Universus mundus, zegt iemand kernachtig, nihil aliud est quam Deus explicatus: de hele wereld is niets anders dan God uitgedrukt. Zo ook Paulus in Romeinen 1:20: “Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid.” De hemelen verkondigen dit, het uitspansel toont dit, de dag vertelt dit en de nacht bevestigt dit. Het geluid van de donder roept dit als het ware uit in alle landen, en de woorden van de fluitende wind tot de einden der wereld.
Dat geldt in het bijzonder voor de zon, die als een bruidegom uit zijn slaapkamer uitgaat en zich verheugt als een reus om zijn loop te lopen. Haar lichaam is, zoals wiskundigen met zekerheid hebben overgeleverd, honderdzesenzestig keer groter dan de hele aarde. Toch wordt ze elke dag door de vinger van God over zo’n grote reis gedragen, een loop zo lang dat ze, als ze over het land moest worden afgelegd, elk afzonderlijk uur van de dag tweehonderdvijfentwintig Duitse mijlen zou moeten afleggen. Het is waar dat God voor de zintuigen onbereikbaar is. Toch maakt Hij Zichzelf als het ware zichtbaar in Zijn werken, zoals de goddelijke dichter (Du Bartas) lieflijk zegt:—
“In Zijn werken tast onze hand, ruikt onze neus,
Proeft onze mond Zijn heerlijke gaven;
Hij toont Zich aan ons oog en spreekt tot ons oor
In de geordende loop van de fonkelende hemellichten.”
Zo “vertellen de hemelen” dus. Dat betekent: ze laten de mensen Gods eer verkondigen, door hun prachtige bouw, hun bewegingen en hun invloed. De prediking van de hemelen is op drie manieren indrukwekkend.
- Ze preken zonder ophouden, de hele nacht en de hele dag: vers 3. “De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.” 2. Ze preken in elke taal: vers 4. “Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.” 3. Ze preken in elk deel van de wereld, in elke parochie van elk deel en op elke plek van elke parochie: vers 5. “Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld.” Wat een herders zijn dit! Ze zijn ijverig, want ze preken op elk uur. Ze zijn geleerd, want ze preken in alle talen. En ze zijn katholiek, dat wil zeggen algemeen, want ze preken in alle steden.
Laten wij dan, nu we hier zijn, in deze Universiteit waar de stemmen van zoveel grote doctoren klinken, niet doen als de spijbelaars op andere scholen. Die staren zich zo blind op de poppetjes (de plaatjes of tekeningen in een boek), op de vergulde band en de beschilderde rand, dat ze de tekst en de les zelf vergeten.
Dit is als het ware Gods leesboekje, bedoeld voor alle mensen. Maar Hij heeft ook een ander boek, dat alleen bestemd is voor Zijn eigen huisgenoten, de kerk: “Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israel Zijn inzettingen en Zijn rechten. Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet.” Psalm 147:19, 20. Heidenen lezen alleen in Zijn leesboekje, en dan nog maar half. Christenen kennen Zijn Bijbel van binnen en van buiten.
Dat leesboekje is zeker een goed boek, maar het is niet volledig. Wie het heeft uitgeleerd, moet nog veel meer leren. “De wet des HEEREN” daarentegen, dat is het hele lichaam van de heilige Schriften, is een volkomen richtsnoer voor elke leer die het geloof of de goede zeden raakt. Het is een volmaakte wet, de ziel bekerend, de slechten wijs makend, getrouw, zuiver, recht, en het hart verblijdend, enzovoort. — John Boys.
Gehele psalm
Sint Chrysostomus denkt dat deze psalm voor het grootste deel draait om één hoofdzaak: de goddelijke voorzienigheid ontdekken. Die maakt zich bekend in de bewegingen en banen van de hemellichamen. Daar spreekt de psalmist uitvoerig over, van vers 2 tot en met vers 7. Sint Augustinus denkt daar heel anders over. Volgens hem is Christus het onderwerp van de hele psalm. Zijn persoon wordt vergeleken met de zon, om Zijn voortreffelijkheid en schoonheid. En de loop van Zijn leer werd door Zijn apostelen over de hele wereld verspreid. Daarop doelt Sint Paulus in Romeinen 10:18: “Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan”, enzovoort. De kracht van Zijn evangelie is als de hitte van de zon. Die dringt door tot diep in de aarde, en zo ook tot in de verborgen hoeken van de ziel.
Ik geef toe dat deze beeldende uitleg best past en niet zomaar van tafel mag. Ook de letterlijke uitleg van Sint Chrysostomus valt niet af te wijzen, want ze heeft gewicht. Maar laten we nu alle meningen en gissingen verder laten rusten. Kijken we daar zelf nog eens naar, dan is dit wat de psalm bevat:
- Een dubbele kennis van God. De eerste komt uit het boek van de schepping. Godgeleerden noemen dat de natuurlijke kennis. Er is geen schepsel of het is een blad dat vol staat geschreven met een beschrijving van God. Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid kun je uit de dingen die je ziet leren kennen, zegt de apostel. Romeinen 1:20. En zoals elk schepsel, zo brengen vooral “de hemelen” ons bij de kennis van één God. Zo staat het in vers 2 van deze psalm: “De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.” Het zijn als het ware de schouwburgen van Zijn wijsheid, macht en heerlijkheid.
De tweede kennis komt uit het boek van de Schrift, en die is veel helderder en krachtiger. Met de eerste tasten zelfs heidenen naar een godheid. Met de tweede zien christenen God als het ware met onbedekt gezicht. De letters van dit boek zijn vers, geestelijk, volledig en levend. Gods Woord is het enige middel om God echt te leren kennen. Zie maar eens: zoals het licht van de zon komt, zo is Gods Woord een licht, en daarmee de duidelijkste weg naar Hem Die Zelf het Licht is.
Daarom blijft de psalmist daar zo lang bij stilstaan, en terecht, van vers 8 tot vers 12. Hij slaat dat Woord voor ons open en prijst het op vele manieren en in zijn vele werkingen. Hij prijst zijn volkomenheid, zijn zekerheid en vastheid, zijn rechtvaardigheid, zuiverheid en waarheid. En dan zijn kracht: het is een woord dat bekeert, verlicht, onderwijst en verblijdt. Het is een woord om naar te verlangen, een woord dat waarschuwt en een woord dat beloont.
- Een bijzondere kennis van zichzelf, die uit eigen ervaring groeit. — Zo lijkt het dat David dat Woord, dat hij zo hoog prees, aanbeval op grond van wat hij zelf had meegemaakt. Hij had gemerkt dat het rechtvaardig, heilig, zuiver en onthullend was. Het bracht niet alleen zichtbare en grove overtredingen aan het licht. Net als het zonlicht liet het ook de anders onopgemerkte, verborgen stofdeeltjes van zonden zien die door het huis zweven. Ik bedoel: in de binnenkamers van de ziel. — Obadiah Sedgwick, 1660.
Vers 2
“De hemelen vertellen”, enzovoort. — De grote heiligen van vroeger hielden de natuur scherp in de gaten, met alles wat daarin gebeurt. In elke gebeurtenis zagen ze God aan het werk, en daarom onderzochten ze die graag. Hoe kon het ook anders, want het was hun eigen God? Ze genoten ervan om de wijsheid en weldadigheid te zien van Hem Die ze aanbaden en liefhadden. Ze hadden nog niet geleerd wat wij in deze moderne tijd doen: onbuigzame wetten tussen de Schepper en Zijn werken zetten. Zulke wetten krijgen dan een eigen kracht, en zo wordt God in feite uit Zijn schepping weggeduwd, naar een etherische sfeer ver buiten onze wereld, vol rust en geluk.
Let wel: ik zeg niet dat dit de gewone mening van onze dagen is. Maar het leeft breed in de kerk, en nog meer in de wereld. De scherpste denkers van deze tijd houden inderdaad vol dat een natuurwet niets anders is dan de vaste manier waarop God werkt. Uiteindelijk, zeggen ze, houdt niet de kracht van de wet maar Gods eigen energie heel de natuur in beweging. Hij brengt elke gebeurtenis Zelf teweeg, zeggen ze, rechtstreeks en onmiddellijk, niet van veraf en via omwegen. Elke verandering in de natuur is evengoed Gods werk, alsof het oog van de zinnen Zijn hand de raderen van de natuur kon zien draaien.
Maar de wijsbegeerte van onze tijd mag dan tot die slotsom zijn gekomen, de grote massa van de mensen, ook van de christenen, tast nog altijd rond in het donker van dat mechanische stelsel. Dat schrijft de gang van de natuurlijke wereld toe aan de wetten van de natuur, in plaats van aan de God van de natuur. Als beeldspraak, geven de voorstanders van dit stelsel toe, mag je God wel de maker van natuurlijke gebeurtenissen noemen, omdat Hij in het begin de natuurwetten heeft vastgesteld. Maar dat Hij Zelf direct en onmiddellijk de hand heeft in wat er gebeurt? Daar hebben ze geen idee van. Zien ze zulke gebeurtenissen, dan voelen ze dus niets van de tegenwoordigheid en de werkzame kracht van Jehova.
Maar wat voelden de oude heiligen heel anders, zoals we al zagen! De psalmist kon niet naar de hemel kijken zonder uit te roepen: “De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap. Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.”
Liet hij zijn blik over de aarde gaan, dan riep zijn overvolle hart: “Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.” In zijn ogen was alles vol van God. God was het “Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.” Trok er een onweer langs, dan was dat “het geluid Uws donders”, en “de bliksemen verlichtten de wereld.” Hoorde hij het gebulder en zag hij de rook van de vulkaan, dan was het God: “Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.” — Edward Hitchcock, D.D., LL.D., 1867.
Vers 2
“De hemelen vertellen”, enzovoort. God heeft de mens verstandelijke gaven meegegeven die zich laten ontwikkelen. De mens heeft ze gebruikt om de wonderbare werken van God te bestuderen, zoals het heelal ze laat zien. Zijn eigen woonplaats gaf hem een basislijn, en daarmee heeft hij de hemelen gemeten. Hij vergelijkt zijn eigen lengte met de grootte van de aarde waarop hij woont. Dan vergelijkt hij de aarde met het stelsel waarin ze staat, en de omvang van dat stelsel met de afstand tot de dichtstbijzijnde vaste sterren. Die afstand wordt weer de maat voor andere afstanden die hij waarneemt. En toch komt hij nergens in de buurt van een grens, hoe ver hij ook meet. Hoe ver deze wonderbare werken van de Almachtige reiken, durft niemand te zeggen. De schepping lijkt zich aan alle kanten om ons heen eindeloos uit te strekken; ze heeft “haar middelpunt overal, haar omtrek nergens.” Zulke gedachten, als we er rustig bij stilstaan, brengen ons verstand door hun enorme omvang bijna aan het duizelen.
Maar wat moeten ze onze gedachten verheffen tot hun grote Schepper, als we bedenken dat al deze dingen uit niets zijn gemaakt, door één woord, door de loutere wil van de Godheid! “Laat ze zijn”, zei God, en ze waren. “Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.” “Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.” Psalm 33:6, 9.
Wat een macht moet dat zijn, denk eens even na, een macht die zo werelden op werelden schiep! Werelden waarbij vergeleken de aarde waarop wij wonen wegzinkt in niets. Als we onze gedachten zo opheffen naar de hemelen, naar de maan en de sterren die Hij heeft bereid, dan moeten we wel voelen, als we ooit iets kunnen voelen, hoe ontzagwekkend en onbegrijpelijk Hij is Die ze allemaal vormde. Dan zien we pas goed dat “de hemelen” werkelijk “Gods eer” vertellen en dat het uitspansel “Zijner handen werk” verkondigt. — Temple Chevallier, in “The Hulsean Lectures for 1827.”
Vers 2
Wat heb ik vaak, heel vaak, naar de nachtelijke hemel gestaan te kijken, betoverd en vol ontzag, zelfs toen ik nog niet wist hoe ik hem moest bekijken in zijn eigen majesteit en schoonheid! Zodra mijn blik even en zonder nadenken over het etherische gewelf gleed, doortrokken van het zuiverste blauw en bezaaid met ontelbare sterrenlampen, greep er iets als toverij naar mijn geest. Ik voelde een krachtige, opheffende drang, ik weet niet waarvan, die mij losrukte uit de lage strikken van de ijdelheid en een gloeiend verlangen naar hogere dingen wekte. Het was alsof zelfs de zwijgende sferen mij een dwingende roep toezonden: ‘Laat de lage aarde los! Verlang naar onzichtbare vreugden!’
Voortaan hoop ik, zo neem ik mij voor, die zedelijke uitstraling van de hemelen royaler in me op te nemen, telkens wanneer ik ze op zo’n verstandige wijze bekijk en mijn blik goed gebruik. De sterren, vertrouw ik, zullen niet alleen schijnen maar ook onderwijzen, en zowel het donker van de natuur als het donker in mijn verstand helpen verdrijven. Voor sommige mensen doen ze niet meer dan een fakkel voor hun voeten houden en de schrik van hun nacht verzachten. Voor mij en mijn vrienden mogen ze dienaren van een veel hogere orde zijn, raadgevers van wijsheid en gidsen naar geluk! En dat edeler werk zullen ze zeker doen, als ze ons zachtjes onze weg verlichten naar de kennis van hun aanbeden Maker, als ze ons met hun zilveren stralen de weg wijzen naar Zijn zaligmakende tegenwoordigheid. — James Hervey, A.M., 1713-1758.
Vers 2
Stel je een mens voor die onder de grond leeft en daar alleen te maken heeft met kunstwerken en machines. Breng hem daarna naar het open daglicht, en laat hem de vele heerlijkheden van hemel en aarde zien. Meteen zou hij zeggen dat ze het werk zijn van zo’n Wezen als wij met God bedoelen. — Aristoteles.
Vers 2
Kijken we omhoog naar “de hemelen” en denken we na over de hemellichamen, hoe kunnen we dan nog twijfelen? Moeten we dan niet erkennen dat er een Godheid is, een volmaakt Wezen, een regerende intelligentie die alles bestuurt? Een God Die overal is en alles door Zijn macht richt? Wie dat betwijfelt, kan net zo goed ontkennen dat er een zon is die ons verlicht. Met de tijd verdwijnen alle valse meningen, want de tijd maakt ze kapot, maar bevestigt wat de natuur zelf heeft voortgebracht. Daarom groeien bij ons, net als bij andere volken, de aanbidding van de goden en de heilige gebruiken van de godsdienst elke dag in zuiverheid en omvang. — Cicero.
Vers 2
“De hemelen vertellen Gods eer”, enzovoort. Ze laten Zijn wijsheid, Zijn macht en Zijn goedheid zien. Daarom is er geen enkel schepsel, hoe klein ook, of wij moeten de Schepper erin bewonderen. Denk aan een kamer die rondom met spiegels is behangen, zodat je bij elke draai je eigen gezicht ziet. Zo weerspiegelt ook de hele wereld Gods barmhartigheid en mildheid. Die zijn zichtbaar, maar ze wijzen naar een God Die we niet zien, en naar Zijn onzichtbare eigenschappen. — Anthony Burgess, 1656.
Vers 2
Geen enkele uitverkorene is in dat opzicht zó dwaas dat hij Gods werken en woorden niet wil horen of overdenken, alsof ze hem niet aangingen. God verhoede het! Niemand ter wereld onderzoekt Gods werken met meer ijver, niemand spitst sneller zijn oren om God te horen spreken, dan juist zij die de innerlijke openbaring van de Heilige Geest hebben ontvangen. — Wolfgang Musculus.
Vers 2
Tijdens de Franse revolutie zei Jean Bon Saint-André, de revolutionair uit de Vendée, tegen een boer: “Ik zal al uw kerktorens laten afbreken, opdat u niets meer ziet wat u aan uw oude bijgeloof herinnert.” “Maar”, antwoordde de boer, “de sterren kunt u ons niet afnemen.” — John Bate in “Cyclopaedia of Moral and Religious Truths”, 1865.
Vers 2
“De hemelen vertellen Gods eer” —
Hoe schoon is deze hemelse koepel,
En hoe ontzagwekkend de heuvels wijd en zijd,
Die op Uw bevel als golven zijn opgerezen!
Zal dan de mens, met rede begaafd,
Minder van U getuigen dan zij?
Laat zwijgen wie wil of kan —
Ik zal U loven met vurige stem.
Mijn lippen mogen U vergeten in de drukte van de menigte,
Maar hier kunnen zij U niet vergeten,
Hier, in deze wildernis, waar Gij alles hebt geschapen
Tot Uw eigen heerlijkheid!
— William Wordsworth (1770–1850)
Vers 2
“Het uitspansel verkondigt Zijner handen werk” —
De glinsterende sterren,
Gehoord door het diepe oor van wie peinzend luistert,
Zingen ook in hun middernachtelijke wacht van Hem.
Hij wenkt, en het wordt stil. De storm blaast Zijn toorn;
De donder is Zijn stem, de felle bliksem
Zijn snelle zwaard van gerechtigheid. Raakt Hij ze aan,
Dan vlammen de bergen; Hij doet de vaste aarde beven
En de volken wankelen. En niet alleen hierin —
In alles wat ons omringt, zelfs in het alledaagse,
laat God Zich zien.
— James Thomson
Dit zijn Uw heerlijke werken, Vader van het goede,
Almachtige! Van U is dit wonderbare heelal,
Zo schoon en vol van pracht — hoe onuitsprekelijk schoon zijt Gij!
O Onuitsprekelijke, Die boven deze hemelen troont,
Voor ons onzichtbaar, of slechts vaag te zien
In deze geringste van Uw werken; toch verkondigen zij
Uw goedheid, die alle menselijk denken te boven gaat,
En Uw goddelijke macht.
John Milton.
Vers 2, 3
Om de veelzeggende rijkdom van het Hebreeuws wat vollediger te laten zien, vestig ik de aandacht van mijn lezer graag op de prachtige bewoordingen van de XIX. Psalm. Het tweede en het derde vers kunnen letterlijk zo worden weergegeven:—
“De hemelen vertellen de eer Gods,
het uitspansel vertoont het werk Zijner handen;
dag tot dag doet spraak opwellen,
nacht tot nacht ademt kennis uit.”
Zo blijven de vier onderscheiden woorden van de grondtekst in de vertaling bewaard. En ook het contrast uit het Hebreeuws klinkt door: aan de ene kant de overvloeiende volheid waarmee dag tot dag goddelijk onderricht uitstort, aan de andere kant het zachte gefluister van de stille nacht. — Henry Craik, 1860.
Vers 2-5
Stel dat alle predikers op aarde verstomden en geen enkele menselijke mond de eer van God nog uitdroeg. Dan zouden de hemelen boven ons Zijn majesteit en heerlijkheid nóóit ophouden te verkondigen en uit te roepen. Zij prediken zonder ophouden, dag in dag uit! Hun boodschap gaat immers als een ononderbroken keten door, van dag tot dag en van nacht tot nacht. Zwijgt de ene heraut, dan neemt een ander het woord over. De ene dag laat precies dezelfde taferelen van Zijn heerlijkheid zien als de andere, en de ene nacht dezelfde wonderen van Zijn majesteit.
Soms lijkt de natuur te zwijgen en te rusten, als de zon in al haar glorie het hoogste punt aan de azuurblauwe hemel bereikt. Soms lijkt de wereld een stil feest te vieren, als de sterren ’s nachts het helderst schitteren. Toch spreken zij, zegt de psalmist. Ja, zelfs de heilige stilte is een spraak — als er maar een oor is om haar te horen. — Augustus T. Tholuck.
Vers 2-5
“De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.” Als de hemelen de eer van God vertellen, moeten we goed opletten wát voor eer dat is die zij verkondigen. De hemelen prediken ons elke dag. . . . “Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld.” Zon, maan en sterren zijn predikers; zij zijn er voor iedereen, zij zijn natuurlijke apostelen. De hele wereld is hun opdracht; “hun redenen”, zegt de Psalm, gaan “aan het einde der wereld.” Van hen kunnen we goede leer ontvangen, en vooral de leer uit onze tekst: die van de wijsheid en macht Gods.
Opmerkelijk is ook dat de apostel naar deze tekst uit de Psalm verwijst als bewijs dat het evangelie aan de hele wereld wordt gepredikt. Romeinen 10:18. Het evangelie werpt, net als de zon, zijn stralen uit en giet zijn licht uit over de hele wereld. David zegt in de Psalm: “Hun richtsnoer gaat uit”, enzovoort. Met dat woord laat hij zien dat de hemelen, zo’n kunstig bouwwerk, als het ware gemaakt met meetsnoer en waterpas, de kunde en volmaaktheid van God duidelijk prediken, al gebeurt dat zonder woorden.
Of we kunnen eruit opmaken dat we goddelijke waarheden in de hemelen mogen lezen, als een lijn die een pen tot woorden en zinnen heeft getrokken (het oorspronkelijke woord betekent zowel een meetsnoer als een geschreven lijn). Letters en woorden op papier zijn immers niets anders dan lijnen die tot allerlei vormen of figuren zijn getrokken. Maar de Septuaginta, de vertaling die de apostel aanhaalt, las in plaats van Kavam, hun snoer, het woord Kolam, hun geluid. Misschien las zij het woord verkeerd. Of misschien maakte zij de zin met opzet zachter, zodat hij beter aansloot bij het slot van het vers: “En hun redenen aan het einde der wereld.” — Joseph Caryl.
Vers 2-5
Zoals de zon met haar licht de hele wereld weldadig vertroost, zo reikt Christus, de Zoon van God, Zijn weldaden aan alle mensen aan. Zij hoeven die alleen maar dankbaar te ontvangen en niet koppig en ongehoorzaam af te wijzen. — Robert Cawdray.
Vers 3
“De dag aan den dag”, enzovoort. Wat bedoelt de psalmist precies met de woorden die erop volgen: de ene dag vertelt aan de andere, en de ene nacht bevestigt aan de andere? Woordelijk vertaald is dies diem dicit hetzelfde als dies diem docet. Dat betekent: de ene dag onderwijst de andere. De dag die voorbij is, krijgt les van de dag van vandaag, en elke nieuwe dag brengt nieuwe lessen. Overdag leer je het best door te lezen en met elkaar te praten. ’s Nachts is de stilte juist ideaal om iets te bedenken en erover na te denken. Begrijp je iets vandaag nog niet? Misschien gaat er morgen een licht voor je op. En wat één nacht je niet oplevert, schenkt een andere nacht je misschien wel.
In geestelijke zin (zegt Hieronymus) is Christus die “dag”. Van Zichzelf zegt Hij immers: “Ik ben het licht der wereld.” Zijn twaalf apostelen zijn de twaalf uren van de dag. Door hun mond maakte Christus’ Geest de verborgenheden van onze zaligheid bekend, die in vroeger tijden voor mensen nog niet zo duidelijk waren. Zo wijst “de dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit” erop dat geestelijke mensen dit aan geestelijke mensen vertellen. En “de nacht aan den nacht toont wetenschap” doet denken aan Judas, die in de nacht van hun onwetendheid hetzelfde aan de Joden duidelijk maakte, toen hij zei: “Dien ik zal kussen, Dezelve is het, grijpt Hem.” Mattheüs 26:48. Maar er is ook een andere uitleg. Het Oude Testament, waarin Christus alleen als schaduw te zien is, is dan de nacht. Het Nieuwe Testament, waarin Hij zonneklaar wordt getoond, is de dag. — John Boys.
Vers 3
“De dag aan den dag”, oftewel dag na dag: juist de voortdurende wisseling van dag en nacht legt veel goddelijke kennis bloot. Zo zien we hoe volhardend en standvastig de hemelen prediken: zonder enige onderbreking, zonder ook maar één moment te stoppen. — John Richardson.
Vers 3
“Stort uit” betekent: stort overvloedig uit; “toont” betekent: toont duidelijk en krachtig, zonder dubbelzinnigheid. Job 36:2. Heel wat mensen verstaan die spraak niet, ook al schijnt het volle licht van de evangeliedag op hen. Maar in de nacht van verdrukking en moeite, of wanneer zij hun eigen natuurlijke duisternis gaan inzien, krijgen sommigen juist dié kennis mee waardoor zij de vreugde leren kennen die met de morgen komt. — W. Wilson.
Vers 3
“Toont wetenschap.” Wat de schepping ons te zeggen heeft, komt bij de één rijker aan dan bij de ander, al naar gelang verstand en geestelijke bekwaamheid. Een verhaal over onze grote Engelse kunstschilder maakt dat duidelijk. Hij was bezig aan een van zijn onsterfelijke schilderijen, zo vertelt men, toen een dame van stand over zijn schouder meekeek en zei: “Maar mijnheer Turner, ik zie in de natuur niet alles wat u daar schildert.” “Ach, mevrouw”, antwoordde de schilder, “zou u niet wensen dat u dat ook kon?” — C. H. S.
Vers 4
“Geen spraak”, enzovoort. Ik beleefde een van de schitterendste zonsondergangen die ik ooit heb gezien. De hele aarde was zó stil dat nergens de stem van God of van een mens te horen was. Geen rimpeltje op het water, geen blaadje aan de bomen, zelfs geen grashalm die bewoog. De rotsen aan de overkant vingen de “nagloed” van de zon op en werden, in het korte schemerlicht, zelf weer weerspiegeld in de rivier. Zoiets moois had ik nog nooit gezien.
Nee, ik ga niet beweren dat Gods stem niet werd gehoord! Zij klonk in de stilte zelf even krachtig als in brullende donder, in dit rustige tafereel even krachtig als in rotsen en onbegaanbare kliffen, en nog krachtiger in de hemelen, in het uitspansel en in het schitterende uitzicht om mij heen. Zijn wonderlijke werken getuigden dat Hij dichtbij was, en het was mij te moede alsof de grond onder mijn voeten heilig was. — John Gadsby.
Vers 5
“Hun richtsnoer gaat uit”, enzovoort. “Hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan”, enzovoort. Romeinen 10:18. Ik merk dat het evangelie van Christus Jezus méér met de Psalmen van David te maken heeft dan met de rest van de Bijbel. Bijna alles wat in het Nieuwe Testament staat, brengt ons weer terug naar de Psalmen, waar we het bewijs moeten halen. Zo stuurt de kanttekening mij hier naar de Psalm, en de Psalm stuurt mij hiernaar terug. Dat is een teken dat beide hetzelfde zeggen.
Maar waarom staat er dan niet precies hetzelfde? “Richtsnoer” en “geluid” zijn nu eenmaal niet hetzelfde. Zit hier soms een vergissing? Mijn antwoord: een bewijs uit een tekst putten is één ding, een toespeling maken is iets anders. Soms moeten de evangelisten hun bewijzen voor wat zij schrijven wel uit het Oude Testament halen, anders zouden we hen nooit geloven. Dan moeten zij zeker zijn van hun woorden, wanneer zij zeggen: “Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden, hetgeen van den Heere gesproken is”, enzovoort.
Maar de apostel deed dat hier niet. Hij wilde de Romeinen alleen de wonderbare verbreiding van het evangelie laten zien, en speelde daarvoor in op deze passage van David, die spreekt over “de hemelen”. De profeet vergeleek daarmee de bekendmaking van het Woord: zon, maan en sterren die niet alleen dóór, maar rondom de hele aarde schijnen. Paulus had hetzelfde onderwerp voor ogen. Voor zijn doel gebruikt hij een term die beter past bij de prediking van het evangelie, namelijk het woord “geluid”, in plaats van dat andere woord, “richtsnoer”, dat de beperkingen van de wet uitdrukt.
Beide komen hierin overeen dat er in de hele natuur geen betere vergelijking te vinden is dan “de hemelen”, met hun bewegingen, omwentelingen en invloeden op aardse lichamen. Dat geldt zelfs voor hun verduisteringen, wanneer de ene tekst de andere lijkt te verduisteren, alsof hij door kruising en tegenstand geheel wordt uitgedoofd. Dat is alleen maar schijn voor wie er niets van weet. In zichzelf stemmen zij heerlijk met elkaar overeen. Geen bruidegom kan beter bij zijn bruid passen, noch zich meer verheugen om zijn loop te lopen. Zo komen zij beide hierop uit: de zon heeft nog nooit een volk gezien waar het woord der waarheid in enige mate niet heeft geschenen (de hele wereld, bedenk dat wel, kan nu eenmaal niet precies onder de meridiaan liggen). — William Streat in “The Dividing of the Hoof”, 1654.
Vers 5
“Aan het einde der wereld.” Venantius Fortunatus getuigt elfhonderd jaar geleden van de omzwervingen van de apostel Paulus over de wereld.
Hij kliefde de golven van de oceaan,
Tot waar maar eilanden hun havens bieden,
Tot waar Brittannië zijn baaien opent
En IJslands bevroren kust een veilige ankerplaats geeft.
John Cragge, 1557.
Vers 5
“Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde”, enzovoort. De gegoten zee stond op twaalf ossen. Dat zijn, zoals Paulus het uitlegt, twaalf apostelen (1 Korinthe 9:10). Doordat zij naar vier kanten keken — oost, west, noord en zuid — leerden zij alle volken. Doordat zij met hun drieën tegelijk dezelfde kant op keken, beeldden zij de gezegende Drie-eenheid uit. Zij leerden niet alleen alle volken, maar doopten hen ook in die zee van water, in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
De twee koeien die de ark met de tafelen van de wet droegen, liepen kaarsrecht door en hielden één pad, zonder naar rechts of naar links af te wijken. Deze twaalf ossen daarentegen, die de gegoten zee droegen — beeld van de leer van het evangelie — liepen niet recht en hielden niet één pad, maar sloegen af naar de weg van de heidenen. Ja, zij keken alle kanten uit: oost, west, noord en zuid. En die twee koeien bleven staan en loeiden niet meer toen zij kwamen op de akker van Jozua, die in Beth-Semes woonde, dat is: het huis der zon. Zo werd aangeduid dat alle koeien, kalveren, offers en ceremoniën van de oude wet moesten ophouden en stilstaan wanneer zij bij Jezus kwamen, de ware Jozua, Die in de hemel woont, het ware Beth-Semes.
Maar die twaalf ossen dachten er helemaal niet aan om op te houden met gaan of loeien toen zij bij Christus kwamen. Integendeel: toen gingen zij pas écht veel sneller en loeiden zij veel luider! Zo is nu “hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden der wereld”, en “in dezelve” heeft God Beth-Semes “gesteld”, dat wil zeggen een huis of “een tent … voor de zon.” Zoals de stoffelijke zon door de twaalf tekens van de dierenriem uitgaat van de uiterste delen van de hemel en rondloopt tot het einde ervan weer, zo is ook de geestelijke Zon der gerechtigheid door de twaalf apostelen, als door twaalf tekens, rondom de wereld gedragen. Zo is Hij niet alleen “tot heerlijkheid van Uw volk Israel”, maar ook “een Licht tot verlichting der heidenen”, en “al de einden der aarde zullen zien het heil onzes Gods.” — Thomas Playfere.
Vers 5-7
Ik vind het zeer waarschijnlijk dat de Heilige Geest met deze uitdrukkingen, die Hij het meest rechtstreeks gebruikt voor het opgaan van de zon, het oog heeft op het opgaan van de Zon der gerechtigheid uit het graf, en dat Zijn woorden bij zo’n opvatting passen. Vergeleken met de dag van het evangelie zijn de tijden van het Oude Testament nachttijden, en zo stelt de Schrift ze ook voor. Daarom wordt de nadering van de nieuwtestamentische bedeling in de geboorte van Christus de Opgang uit de hoogte genoemd die de aarde bezoekt (Lukas 1:78): “Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte.” En het begin van de evangelische bedeling, zoals Christus die inluidde, heet het opgaan van de Zon der gerechtigheid. Maleachi 4:2.
Maar let op: die evangelische bedeling begint met de opstanding van Christus. Daarin rijst de Zon der gerechtigheid op van onder de aarde, zoals de zon ’s morgens lijkt te doen, en komt Hij uit als een bruidegom. Hij stond op als de blijde, heerlijke Bruidegom van Zijn gemeente. Want Christus, vooral als de Opgestane, is de eigenlijke Bruidegom of Man van Zijn gemeente, zoals de apostel leert (Romeinen 7:4): “Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.” Hij Die met verachting was overladen en in een vloed van smart was bedolven, heeft Zijn bruid gekocht en gewonnen. Want Hij heeft de gemeente liefgehad en Zichzelf voor haar overgegeven, om haar voor Zichzelf te stellen.
Nu komt Hij uit als een bruidegom om Zijn gekochte bruid thuis te halen in een geestelijk huwelijk. Dat deed Hij kort daarna in de bekering van zulke menigten, toen Hij Zijn volk gewillig maakte op de dag van Zijn kracht. Sindsdien heeft Hij het vele malen gedaan, en in nog heerlijker mate zal Hij het doen. En zoals de zon bij haar opgang tevoorschijn komt als een prachtig getooide bruidegom, zo trad Christus in Zijn opstanding binnen in Zijn staat van heerlijkheid. Na Zijn staat van lijden stond Hij op om in onuitsprekelijke heerlijkheid te stralen als de Koning van hemel en aarde, opdat Hij een heerlijke Bruidegom zou zijn, in Wie Zijn gemeente onuitsprekelijk gelukkig kon zijn.
Hier zegt de psalmist dat God voor de zon een tent in de hemelen heeft gezet. Zo had God de Vader in de hemel een woonplaats bereid voor Jezus Christus: Hij had daar een troon voor Hem gesteld, waarheen Hij opvoer nadat Hij was opgestaan. De zon stijgt, nadat zij is opgegaan, op tot het midden van de hemel en daalt aan het einde van haar baan weer naar de aarde af. Zo voer Christus, toen Hij uit het graf was opgestaan, op tot de hoogte van de hemel en ver boven alle hemelen, maar aan het einde van de evangeliedag zal Hij weer op de aarde neerdalen.
Hier wordt gezegd dat de opgegane zon “vrolijk” is “als een held, om het pad te lopen”. Zo stond Christus, toen Hij opstond, op als een krijgsman, als de Heere, sterk en machtig, de Heere, machtig in de strijd. Hij stond op om Zijn vijanden te overwinnen en Zijn heerlijke kracht te tonen door alle dingen aan Zichzelf te onderwerpen, gedurende de baan die Hij te lopen had: van Zijn opstanding tot het einde der wereld, wanneer Hij naar de aarde zal terugkeren. …
Dat de Heilige Geest hier een verborgen betekenis op het oog heeft en het licht van de Zon der gerechtigheid bedoelt, en niet louter het licht van de natuurlijke zon, wordt bevestigd door de verzen die volgen. Daarin lijkt de psalmist zelf de beelden toe te passen op het woord van God, dat het licht is van die Zon, namelijk van Jezus Christus, Die Zelf het woord van God heeft geopenbaard. Zie de allereerstvolgende woorden: “De wet des HEEREN is volmaakt”, enzovoort. — Jonathan Edwards, 1703-1758.
Vers 6
“Die is als een bruidegom”, enzovoort. Het beeld is dat van een bruidegom die feestelijk gekleed en klaar uit zijn kamer stapt, en van een held die jubelt bij het vooruitzicht van zijn wedloop. Toch kan de zon, hoe toegerust en gereed ook, geen stap buiten zetten als de Heere haar beveelt in haar kamer te blijven en haar tocht verbiedt. Dan ligt haar reis stil. Zo houdt Hij ook mensen tegen, hoe zorgvuldig zij zich ook voorbereiden op wat zij van plan zijn te doen. Als de Heere werkt, wie zal het keren? Jesaja 43:13. Dat wil zeggen: er is geen macht in hemel of op aarde die Hem kan hinderen. Maar als de Heere keert, wie zal dan werken? Noch zon, noch sterren, noch mensen, noch duivelen kunnen werken als Hij het verbiedt. Dit is een bron van grote troost voor ons. — Joseph Caryl.
Vers 6
“Die is als een bruidegom”, enzovoort. De Zon der gerechtigheid liet Zich vooral zien in drie tekens van de dierenriem, en wel in de Leeuw, de Maagd en de Weegschaal. 1. In de Leeuw: in de wet brulde Hij als een leeuw, zodat het volk Zijn stem niet kon verdragen. 2. In de Maagd: in het evangelie werd Hij geboren uit een reine maagd. 3. In de Weegschaal: op de dag van het oordeel weegt Hij onze werken in Zijn weegschaal.
Bernardus onderscheidt Zijn drievoudige komst even treffend: venit ad homines, venit in homines, venit contra homines. Vroeger kwam Hij tot de mensen, zoals op déze dag (de negentiende psalm is er een die “aangewezen is om gelezen te worden” op Kerstdag). Nu komt Hij dag na dag, door Zijn Geest, in de mensen. En in de toekomst, op de laatste dag, zal Hij tegen de mensen komen.
De komst die hier bedoeld wordt, is Zijn komst in het vlees — zo leggen de kerkvaders de tekst gewoonlijk uit. Hij kwam, geboren uit de schoot van de maagd, naar buiten “als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer”. Als een bruidegom, want de Koning des hemels richtte in deze heilige tijd een groot bruiloftsfeest aan voor Zijn Zoon. Mattheüs 22:1. Christus is de Bruidegom, de menselijke natuur is de bruid, en de gezegende verbintenis van beide in één Persoon is Zijn huwelijk. Wie twee verdeelde families wil verzoenen, doet dat het best door er een huwelijk tussen te sluiten. Zo is ook het Woord vlees geworden en heeft Hij onder ons in de wereld gewoond. Zo wilde Hij onze vrede tot stand brengen en God met de mens en de mens met God verzoenen.
Door dit gelukkige verbond is de Zoon van God Zoon des mensen geworden, ja, vlees van ons vlees en been van onze beenderen. En de kinderen der mensen zijn kinderen van God gemaakt, “van Zijn vlees en van Zijn benen”, zoals Paulus zegt in Efeze 5:30. Daarom mag de gemeente, Christus’ eigen bruid, nu vol vreugde zeggen: “Ik ben mijns Liefsten, en mijn Liefste is mijn.” Hooglied 6:3. Wat een ruil: mijn zonde is Zijn zonde, en Zijn gerechtigheid is mijn gerechtigheid! Hij Die geen zonde kende, is om mijnentwil zonde gemaakt. En ik, die integendeel niets goeds heb, ben in Hem Gods gerechtigheid geworden. Ik ben bruin door de vervolging en zwart van nature (Hooglied 1:5), zo vuil als de zeug die zich wentelt in het slijk. En toch ben ik door Zijn gunst bevallig geworden, zonder vlek of rimpel, wit als sneeuw, “gelijk een lelie onder de doornen”, ja, de schoonste onder de vrouwen. Hooglied 2:2.
Dit gelukkige huwelijk is geen mis-huwelijk, geen mislukte verbintenis. Het brengt juist een tijd van blijdschap, want het is “de vertroosting Israels” en de troost van Jeruzalems hart. Het is waar: Christus, onze Man, is een tijd lang met Zijn lichaam van ons weg. Maar toen Hij ten hemel voer, nam Hij ons onderpand mee, Zijn vlees, en gaf Hij ons Zijn onderpand, Zijn Geest. Zo verzekert Hij ons dat we eens, als de wereld ten einde is, met Hem de bruidskamer zullen binnengaan. Daar zullen we met Hem feestvieren en voor altijd genieten van Zijn gezegende gezelschap, tot in eeuwigheid. — John Boys.
Vers 7
“En niets is verborgen voor haar hitte.” Dat is letterlijk zo. De aarde krijgt haar warmte van de zon. Een deel daarvan sijpelt door geleiding de korst van onze aardbol in. Een ander deel wordt door stroming meegevoerd naar de dampkring en verwarmt die. Weer een ander deel straalt de aarde zelf terug de ruimte in, volgens wetten die we nog maar half doorgronden, maar die duidelijk te maken hebben met de kleur, de chemische samenstelling en de bouw van het aardoppervlak. Ondertussen verandert de gewone toestand van de lucht, de lucht zoals we haar kennen, die uit gassen en damp bestaat, de warmtestralen en behoedt ons zo voor verschroeiing. Zo wordt de zonnehitte door de lucht gelijkmatig verdeeld en getemperd, zodat niets te heet wordt. Niets op aarde of in de lucht blijft buiten het bereik van de zonnehitte. Niets is er voor verborgen. … Zelfs de kleur van sommige lichamen verandert door warmte. …
Warmte zit ook in lichamen, in een vorm die we niet kunnen voelen. Daarom noemt men haar verborgen (latente) warmte of smeltwarmte: ze geldt als de oorzaak van vloeibaarheid in weegbare stoffen. Ze kan elke stof laten smelten die ze beneden het smeltpunt niet ontleedt, zoals bij hout. Elk gas bestaat, zo mag je het zien, uit warmte en een of ander grondbestanddeel van weegbare stof. Die warmte overwint de onderlinge samenhang en geeft het gas een sterke neiging tot uitzetting, zolang er geen hindernis van buiten is. Die uitzettingsdrang is zijn veerkracht, of spanning. Onder zware druk en bij extreme kou zijn sommige gassen vloeibaar gemaakt. Bij bepaalde temperaturen wint de veerkracht van dampen het ook van de druk van de dampkring, die hen niet langer kan inhouden. Denk maar aan het kookpunt van water, dat in elk geval het ware voorbeeld is.
Wijsgeren zijn het erover eens dat de verwantschap van warmte met elke weegbare stof sterker is dan alle andere krachten die erop werken. Geen weegbare stoffen kunnen zich verbinden zonder dat er warmte vrijkomt. … Hetzelfde gebeurt bij elke mechanische druk en samenpersing van een lichaam. In al deze gevallen, en in nog vele andere, tonen zich dezelfde bewijzen van de aanwezigheid en invloed van warmte. Maar de feiten die we nu noemden, zijn genoeg om ons de kracht van de uitdrukking te laten zien: in de aardse dingen is niets verborgen voor de werking van hitte, en niets kan er ooit aan ontsnappen. — Edwin Sidney, A.M., in “Conversations on the Bible and Science”, 1866.
Vers 7 (laatste zinsnede)
“Niets is verborgen voor haar hitte”: niets voor het licht van Christus. Hij schijnt niet alleen op de bergtop, zoals in de tijd vóórdat Hij helemaal was opgegaan. Toen vormden Zijn stralen, die de rest van de wereld niet zag, een lichtkrans om de hoofden van Zijn profeten. Zij zagen Hem al, terwijl Hij voor verreweg de meeste mensen nog onder de horizon lag en dus nog niet te zien was. Nu Hij echter is opgegaan, giet Hij Zijn licht uit over het dal en over de berg. Er is niemand, althans in onze streken, die niet iets van dat licht opvangt, behalve wie zich ingraaft en wegkruipt in de donkere holen van de zonde.
Maar uit Zijn hemelse tent schijnt Christus niet alleen met licht. Zoals niets voor Zijn licht verborgen blijft, zo blijft ook niets verborgen voor Zijn hitte. Hij verlicht niet alleen ons verstand, zodat het de waarheid ziet en kent. Hij maakt ook het hart zacht, doet het smelten en verwarmt het, zodat het de waarheid liefheeft. Hij roept er vrucht uit voort en laat de vrucht rijpen die Hij Zélf heeft opgeroepen. En dat doet Hij ook bij de nederigste plant die over de grond kruipt, net zo goed als bij de hoogste boom. …
Op aarde had Hij alle macht om elke aardse gave te geven. Toch was het nodig dat Hij ten hemel voer, om ook hemelse gaven te kunnen geven, met dezelfde alles genezende kracht. Toen Hij dat had gedaan en was opgevaren naar Zijn tent in de hemelen, zou Hij, beloofde Hij Zijn discipelen, de Heilige Geest van God zenden. Die zou hun hemelse gaven brengen. Ja, Hij zou in hun harten binnengaan en hen alle vruchten van de Geest rijkelijk laten dragen. Hij zou hen laten overstromen van liefde, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en matigheid. Dát zijn de heldere hemelse stralen die samen als het ware het zuivere licht van Christus vormen; en voor déze hitte blijft niets verborgen. Zelfs het hardste hart kan erdoor week worden; zelfs het vuilste kan erdoor worden gereinigd. — Julius Charles Hare, M.A., 1841.
Vers 8
“De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel.” Voor de gevallen mens doet de wet niets anders dan van zonde overtuigen en hem aan de dood overleveren. Ze is niets meer dan een dodende letter, die alleen het vonnis uitspreekt. Het evangelie daarentegen, met de kracht van de Geest erbij, brengt leven. En toch staat er: “De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel.” Dan zou dus ook de wet voor het schepsel een woord van zaligheid kunnen zijn. Hoe rijmt dat met elkaar?
Mijn antwoord is: met “wet” wordt daar niet alleen het deel van het Woord bedoeld dat wij het verbond der werken noemen. Het staat voor het héle Woord, voor de volledige leer van het verbond des levens en der zaligheid, zoals in Psalm 1:2: “Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.” Als u het toch in die enge zin opvat, dan bekeert de wet de ziel slechts bij toeval, omdat ze met het evangelie samengaat, de bron van leven en gerechtigheid. Op zichzelf genomen is ze de wet van zonde en dood.
Denk aan een stof die op zichzelf vergif en dodelijk is. Vermengd met andere, heilzame middelen kan ze toch zeer nuttig zijn en een uitstekend bestanddeel van een medicijn vormen. Zo is ook de wet van groot nut naast het evangelie: ze schudt de zondaar wakker en jaagt hem een heilzame schrik aan, ze wijst hem op zijn plicht en overtuigt hem van zonde en oordeel. Maar wat het hart werkelijk binnenhaalt, is eigenlijk het evangelie, en niet de wet. — Thomas Manton.
Vers 8
De wet, of leer: een ordelijke wijze van onderricht, een inzetting of regeling. In het Hebreeuws heet ze torah, een woord waarin zowel de leer als haar ordelijke inrichting meeklinkt. Als de ene profeet Davids woorden navertelt, zegt hij daarom: de wet der mensen (2 Samuël 7:19), terwijl een ander zegt: de ordelijke staat, of gang, van de mens. De Heilige Geest noemt haar in het Grieks Nomos, een wet (Hebreeën 8:10), naar Jeremia 31:33.
Meestal verwijst dat woord naar de geboden die Mozes op de berg Sinaï kreeg (Deuteronomium 32:4; Maleachi 4:4; Johannes 1:17 en 7:19). Maar vaak slaat het ook op al zijn geschriften. Zelfs het verhaal van Genesis heet wet (Galaten 4:21), naar Genesis 16. Soms staat de wet wel tegenover de Psalmen en de Profeten (Lukas 16:16 en 24:44), maar ook de boeken van de andere profeten heten wet (1 Korinthe 14:21), naar Jesaja 28:11. Dat geldt eveneens voor de Psalmen (Johannes 10:34 en 15:25), naar Psalm 82:6 en 35:19. Ja, één psalm krijgt zelfs ronduit de naam wet (Psalm 78:1), net als de vele onderdelen van Mozes’ onderwijs, zoals de wet van het zondoffer, enzovoort. Leviticus 6:25. In het algemeen dient het woord voor elke leer, zoals de wet der werken en de wet des geloofs. Romeinen 3:27. — Henry Ainsworth.
Vers 8
“Bekerende de ziel.” Deze vertaling geeft een zin die op zichzelf goed en waar is, maar die niet past bij het doel van de psalmist. Hij wil immers uitdrukken wat de goddelijke wet teweegbrengt in de gevoelens en neigingen van goede mensen. De Hebreeuwse woorden betekenen eigenlijk: “de geest terugbrengend”, wanneer die door tegenspoed is neergedrukt. De wet verfrist en troost die geest. Zij richt de moedeloze weer op, zoals voedsel een uitgeputte weer op de been helpt, en geeft nieuwe kracht aan wie troosteloos is. — William Walford, 1837.
Vers 8
“Bekerende de ziel.” Er is niets in de mens zo vrij en zo moeilijk te bewerken als zijn hart. Het is bijna onmogelijk er een indruk of stempel op achter te laten, zo steenhard is het, als diamant, “vast gelijk een deel van den ondersten molensteen”, zegt de Schrift. En die vrije wil, deze Domina sui actus (de heer over zijn eigen daden), de koningin en keizerin in de ziel, tot gehoorzaamheid dwingen: dat lukt alleen met goddelijke kracht, met een almachtige hand. Toch gebruiken de dienaren van God het Woord daarvoor. Zij vermurwen dit weerbarstige hart, verwonden en breken het. Zij laten deze vrije wil overhellen, buigen en meegaan, daarheen waar de Geest haar wil hebben.
Clemens van Alexandrië durft zelfs te zeggen: stel dat de oude sagen over Orpheus en Amphion waar waren en hun betoverende melodieën vogels, dieren en stenen achter hen aan trokken, dan is de harmonie van het Woord nóg krachtiger. Zij haalt mensen weg van de Helicon, de berg der dichters, naar Sion. Zij verzacht het mensenhart dat zich tegen de waarheid verhardt. Zij verwekt “uit deze stenen Abraham kinderen”. Daarmee bedoelt hij (zo legt hij het uit) ongelovigen, die hij blokken en stenen noemt, omdat zij hun vertrouwen stellen op stenen en blokken.
Mensen die als beesten leven, maakt zij nieuw: wilde vogels om hun lichtzinnigheid en ijdelheid, slangen om hun sluwheid en doortraptheid, leeuwen om hun woede en wreedheid, zwijnen om hun wellust en gulzigheid, enzovoort. Zo betovert zij hen dat wilde dieren tamme mensen worden. Levende stenen laat zij uit vrije wil komen om de muren van Jeruzalem te bouwen, zoals Amphion dat deed met andere stenen bij Thebe. Zij komen om een levende tempel te bouwen voor de eeuwige God. Dat moet wel een echt overtuigende toverkracht zijn, zegt hij: een betovering die mensen ook werkelijk meekrijgt. — John Stoughton in “Choice Sermons”, 1640.
Vers 8
“Den slechten wijsheid gevende.” In Efeze 1:8 omschrijft de apostel Paulus de bekering, en heel het werk dat God innerlijk in ons werkt, als het wijs maken van een mens. Zo spreekt de Schrift vaker, en u vindt het op veel plaatsen: “bekerende de ziel”, “den slechten wijsheid gevende”. Het begin van de bekering, en daarna de groei van alle genade tot het einde, wordt beschreven als wijsheid die het hart van een mens binnenkomt: “Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn”, en dan gaat zij steeds verder.
Niet alleen in uw hoofd — dat kan een mens allemaal hebben en uiteindelijk toch een dwaas blijken — maar wanneer ze het hart binnenkomt en alle genegenheden met zich meetrekt, “en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn”, dán is een mens bekeerd. Pas dan opent God het hart van een mens, laat Hij de wijsheid erin vallen, erin binnengaan, en maakt Hij hem wijs. — Thomas Goodwin.
Vers 8
Dit vers en de twee verzen die erop volgen, die alle drie over de wet van God gaan, zijn in het Hebreeuws elk met tien woorden geschreven. Dat is geen toeval: het sluit aan bij het aantal van de tien geboden, die immers de tien woorden worden genoemd. Exodus 34:28. — Henry Ainsworth.
Verzen 8, 9
“De getuigenis des HEEREN is gewis … verlichtende de ogen”: het voorwerp wordt onthuld en het zintuig wordt veredeld, het oog wordt dus verlicht én verfijnd. — Richard Stock.
Vers 8-12
Van nature zijn we allemaal kinderen des toorns. Onze zielen lijken op de zuilengangen van Bethesda (Johannes 5), waar een grote menigte “kranken, blinden, kreupelen, verdorden” lag. En de Schriften zijn als de vijver van Bethesda. Wie erin afdaalt, nadat Gods Heilige Geest het water een weinig heeft beroerd, ondervindt wat er staat: hij “werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was”.
Wie door woede is bevangen en tekeergaat als een leeuw, wordt in deze vijver te zijner tijd zachtmoedig als een lam. Wie blind is door onmatigheid, ziet na een bad in deze vijver zijn dwaasheid spoedig in. Wie lijdt aan de roest van de nijd, de melaatsheid van de hebzucht of de verlamming van de weelde, vindt hier middelen en medicijnen tegen zijn kwalen. Gods Woord is als het geneesmiddel catholicon, dat alle andere purgeermiddelen vervangt, en als het kruid panaces, dat tegen elke ziekte helpt.
Is iemand bedroefd? De bevelen des HEEREN verblijden het hart. Heeft iemand gebrek? De rechten des HEEREN zijn meer te begeren dan goud, ja, dan veel fijn goud, en in het houden ervan is grote loon. Is iemand onwetend? De getuigenissen des HEEREN maken de eenvoudigen wijs, dat wil zeggen de kleinen, in jaren én in verstand. In jaren, zoals de kleine Daniël, de kleine Johannes de evangelist, de kleine Timotheüs. In verstand, want de grote wijsgeren, de tovenaars van deze wereld, werden dwazen omdat zij Gods wet niet kenden, terwijl zij zich voor wijzen uitgaven. Romeinen 1:22. Maar onze profeet zegt: “Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn”, en mijn studie. Psalm 119:99.
Kortom: hoe verdorven onze natuur ook is, Gods wet bekeert ons. Door haar spreken we met nieuwe tongen en zingen we nieuwe liederen voor de Heere. Door haar worden we nieuwe mensen, nieuwe schepselen in Christus. 2 Korinthe 5:17. — J. Boys.
Vers 9
“De bevelen.” Veel godgeleerden en uitleggers, Castalio voorop, hebben pogingen gedaan aan de woorden wet, getuigenis, bevelen, gebod, vreze en rechten, die in dit verband voorkomen, elk een eigen, afzonderlijke betekenisnuance toe te kennen. Zij verdelen het als volgt. (Hebr.), de wet, zou wijzen op het voorschrijvende deel van de openbaring. (Hebr.), het getuigenis, zou beperkt zijn tot het leerstellige deel. (Hebr.), de bevelen, zouden slaan op dingen die in bewaring zijn gegeven. (Hebr.), het gebod, zou het geheel van de goddelijke wet en leer uitdrukken. (Hebr.), de vreze, zou het godsdienstige ontzag en eerbied aanduiden. (Hebr.), de rechten, zouden de burgerlijke verordeningen van de Mozaïsche wet zijn, vooral de strafbepalingen. — John Morison.
Vers 9
“De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart.” Wat een schande is het toch voor al die christenen die de Heilige Schrift laten liggen en zich op andere boeken storten! Hoeveel kostbare uren gooien velen niet weg, en niet alleen op werkdagen maar zelfs op zondagen, aan dwaze romans, verzonnen verhalen en wulpse gedichten! Waarom doen ze dat? Alleen om zich te laten vermaken en opvrolijken, terwijl echte vreugde uitsluitend in deze heilige boeken te vinden is. Helaas, de vreugde die u in zulke geschriften vindt, kan zelfs schadelijk zijn. Ze streelt uw lusten en voedt een goddeloosheid die in de gedachten blijft rondspoken. In het beste geval is ze ijdel: ze bevalt alleen de fantasie en prikkelt het verstand, meer niet. De heilige geschriften zijn daarentegen, om Davids eigen woorden te gebruiken, “recht, verblijdende het hart”.
Zijn er ook niet velen die meer ophebben met Plutarchus’ zedenkundige werken, Seneca’s brieven en dergelijke boeken dan met de Heilige Schrift? Het is waar, geliefden, en dat wil ik graag erkennen: in die zedelijke geschriften van de heidenen staan prachtige waarheden. Maar bij deze heilige boeken vergeleken blijven ze ver achter. Ze kunnen troosten bij moeilijkheden van buiten, maar niet bij angst van binnen. Ze kunnen de geest opvrolijken en een tijdje afleiden, maar het geweten geven ze geen rust. Ze laten hooguit een paar vluchtige vonkjes vreugde opflitsen, maar de ziel verwarmen met een vuur dat blijft branden, een troost die echt standhoudt, dat kunnen ze niet.
Werkelijk, broeders, let op mijn woorden: als God u ooit een geestelijk oor geeft om de dingen goed te beoordelen, dan zult u toegeven dat er geen bellen klinken als die van Aäron, geen harp als die van David, geen bazuin als die van Jesaja en geen fluiten als die van de apostel! Dan belijdt u met Petrus Damianus dat de geschriften van heidense redenaars, wijsgeren en dichters, die u vroeger zo aangenaam in de oren klonken, dof en rauw aandoen naast de troost van de Schrift. — Nathanael Hardy, D.D., 1618-1670.
Vers 11
“Zoeter dan honig en honigzeem.” Heb het geschreven Woord lief! Psalm 119:97: “Hoe lief heb ik Uw wet!” “Heere”, zei Augustinus, “laat de heilige Schrift mijn reine vreugde zijn.” Chrysostomus vergelijkt de Schrift met een tuin. Elke waarheid daarin is een geurige bloem, en die moeten we niet op onze borst spelden maar in ons hart dragen. David vond het Woord “zoeter dan honig en honigzeem”, en terecht, want de Schrift bevat echt iets dat vreugde kan geven. Ze wijst ons zelfs de weg naar rijkdom (Deuteronomium 28:5, Spreuken 3:10), naar een lang leven (Psalm 34:13) en naar een koninkrijk (Hebreeën 12:28). Dan mogen we de uren die we besteden aan het lezen van de heilige Schrift met recht de zoetste uren noemen. En dan mogen we met recht met de profeet zeggen (Jeremia 15:16): “Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten.” — Thomas Watson.
Vers 11
“Zoeter dan honig en honigzeem.” Bij ons maakt niemand onderscheid tussen het lekkers van honing in de raat en honing die er los van is gehaald. Maar dr. Halle vertelt over het eten van de Moren van Barbarije dat zij honing als een bijzonder gezond ontbijt zien, “en als de lekkerste die in de raat, met de jonge bijen erin, voordat zij uit hun cellen komen, terwijl zij nog melkwit zijn”. (Miscellanea Curiosa, deel 3, blz. 382.) Het onderscheid dat de psalmist maakt, klopt dus helemaal en past bij de gewoonten van toen, in elk geval van latere tijden en waarschijnlijk net zo goed van de oudheid. — Samuel Burder, A.M., in “Oriental Customs”, 1812.
Vers 12
“Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand.” Een zekere Jood had besloten Luther te vergiftigen, maar een trouwe vriend dwarsboomde dat plan. Hij stuurde Luther een portret van de man, met een waarschuwing erbij. Zo herkende Luther de moordenaar en kwam hij ongedeerd uit zijn handen. Zo houdt het Woord van God ook u, christen, als in een portret het gezicht voor van de lusten waarmee de satan uw troost wil verwoesten en uw ziel wil vergiftigen. — G. S. Bowes, B.A., in “Illustrative Gatherings for Preachers and Teachers”.
Vers 12
“In het houden van die is grote loon.” Dat “houden” houdt in dat we heel zorgvuldig zijn in het kennen, onthouden en navolgen van Gods geboden, en dat met volle aandacht. En het “loon” (letterlijk “het einde”), dus de beloning, is veel groter dan we ooit verwachten. — W. Wilson.
Vers 12
“In het houden van die is grote loon.” Niet alleen voor het houden, maar al ín het houden is grote loon. De vreugde, de rust, de verkwikking, de vertroosting, de tevredenheid, de glimlachen, de inkomsten die heiligen nu al op Gods wegen ontvangen: in hun ogen zijn ze zo kostbaar en heerlijk dat ze ze voor tienduizend werelden niet zouden willen ruilen. O, als de fooien (geschenken) al zo zoet en heerlijk zijn voordat de dag van uitbetaling aanbreekt, hoe groot moet dan de heerlijkheid zijn waarmee Christus Zijn heiligen kroont, omdat ze Zijn dienst trouw bleven ondanks alle moeite! Dan zal Hij tegen Zijn Vader zeggen: “Ziet, ik en de kinderen, die mij de HEERE gegeven heeft.” Jesaja 8:18. Als er in de woestijn al zoveel te halen valt, wat valt er dan niet te halen in het paradijs! — Thomas Brooks.
Vers 12
“In het houden van die is grote loon.” Niet alleen voor het houden, maar in het houden zelf. Zoals elke bloem haar eigen zoete geur heeft, zo laat elke goede daad een zoete nasmaak achter in de ziel. En zoals Cardanus zegt dat elke kostbare steen een bijzondere kracht heeft, zo is hier de gerechtigheid haar eigen loon, ook al denken maar weinig mensen dat en leven ze er maar weinig naar. Toch komt het grootste en voornaamste loon pas bij de laatste worp, als we thuiskomen in de hemel. Het woord dat hier met “loon” vertaald is, betekent eigenlijk de hiel, en in figuurlijke zin het einde van een werk en de beloning ervoor, die pas aan het eind komt. — John Trapp.
Vers 12
“Loon.” We moeten God niet dienen om loon te krijgen, maar loon krijgen we toch voor onze dienst. Er komt een tijd, en die komt zeker, dat de goddeloosheid door het recht net zo hard wordt vervolgd als de godsvrucht vroeger door het onrecht werd vervolgd. Ons loon komt niet voor onze goede werken, maar onze goede werken zullen wel beloond worden, en voor ons werk ontvangen we een goed loon. De besten onder de mensen zijn op hun best slechts nutteloze dienstknechten en verdienen niets van God. Toch kunnen ze van mensen veel verdienen. En krijgen ze niet de vergelding die ze verdienen, dan is het op zichzelf al een soort vergelding om die verdiend te hebben. Iemand zei het edel: “Liever hoor ik zeggen: Waarom staat het beeld van Cato hier niet? dan: Waarom staat het hier?” — Ralph Venning, 1620-1673.
Vers 13
“Wie zou de afdwalingen verstaan?” Als hij de werken en het Woord van God heeft overdacht, slaat hij ten slotte het derde boek open: zijn eigen geweten. Goddelozen houden dat boek liever dicht en kijken er van nature niet graag in. Maar eens wordt het opengeslagen voor de grote rechterstoel, voor de ogen van de hele wereld, tot rechtvaardiging van God wanneer Hij oordeelt en tot eeuwige schaamte van zondaars die zich niet bekeerd hebben. En wat vindt hij daar? Een vuil, bevlekt afschrift waar hij nauwelijks uit wijs wordt. “Wie”, zegt hij, “zou de afdwalingen verstaan?” Wat God Zelf met Zijn eigen hand in leesbare letters op het geweten had geschreven, is voor een deel verminkt en volgekrabbeld, met “verborgene afdwalingen” tussen de regels geschreven. Een ander deel is uitgewist en helemaal doorgehaald door grove misdaden, door “trotsheden”.
Hoe erg dit handschrift ook is toegetakeld en misbruikt, het blijft getuigen voor God. Geen bewijs ter wereld dwingt zo krachtig een erkenning van God af uit iemands geweten als de overtuiging waaronder de schuld zelf gebukt gaat. De zondaar kan immers niet anders dan weten dat hij een wet heeft overtreden. Zolang hij niet alle gevoel kwijt is, voelt hij zoiets aan dat hij, ook al volgt hij nu het woord: “wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer ogen” (zoals de wijze man de jongeling ironisch aanraadt, Prediker 11:9), toch weet (zoals diezelfde wijze man hem daar uit eigen ervaring vertelt) “dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht”.
Is het geweten zo van zonde overtuigd, dan keert de ziel zich, als er nog iets van echte godsvrucht in leeft, samen met David tot God. Ze vraagt om vergeving, zodat ze “van de verborgene afdwalingen gereinigd” wordt. En ze vraagt om genade, zodat ze door Gods beteugeling, Zijn voorkomende zorg en Zijn hulp “teruggehouden” wordt “van trotsheden”. Is ze er ongelukkig toch in verstrikt geraakt, dan vraagt ze om bevrijding van hun “heerschappij”: “Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen”, enzovoort. — Adam Littleton.
Vers 13
De profeet zegt: “Wie zou de afdwalingen verstaan?” Geen mens kan dat, maar God kan het wel. Denk daarom na zoals Sint Bernardus: ik ken en ik word gekend. Ik ken maar ten dele, maar God kent mij, en wel helemaal. Wat ik van mijzelf ken, ken ik dus slechts ten dele. Zo redeneert ook de apostel: “Want ik ben mijzelven van geen ding bewust; doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd.”
Stel dat u uzelf zo schoon houdt en uw bekering elke dag zo vernieuwt dat u van uzelf niets kwaads weet. Let dan toch op wat de apostel erbij zegt: “Ja, ik oordeel ook mijzelven niet. … doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere.” Zo staat het met alle mensen, zonder uitzondering: Hij Die oneindig is, kent hen door en door. Daarom mogen ze zichzelf niet durven te oordelen, maar moeten ze, net als de profeet David in Psalm 19, de Heere smeken hen te reinigen van hun verborgen zonden. — Richard Stock.
Vers 13
“Wie zou de afdwalingen verstaan?” Niemand tot op de diepte en de bodem. In deze vraag zitten twee gedachten: 1. een toegeving; 2. een belijdenis.
David geeft dus toe dat ons leven vol afdwalingen zit. De Schrift zegt hetzelfde: “wij dwaalden allen als schapen” (Jesaja 53:6); “ik heb gedwaald als een verloren schaap” (Psalm 119:176); het “huis Israels” heeft “verloren schapen” (Mattheüs 10:6). Ik hoef niet alles stuk voor stuk op te sommen: de dwalingen van onze zintuigen, ons verstand, ons geweten, ons oordeel, onze wil, onze gevoelens, onze verlangens, onze daden en onze omstandigheden. De hele mens is van nature als een boom die aan de wortel is aangetast en wormstekige vruchten draagt. De hele mens is in zijn leven als een ontstemd instrument dat bij elke aanslag schril klinkt. Als wij ze niet kunnen doorgronden, dan zijn het er zeker heel veel. — Robert Abbot, 1646.
Vers 13
“Wie zou de afdwalingen verstaan?” Stel dat een mens zich pas kan bekeren als hij al zijn zonden heeft opgebiecht in het oor van zijn biechtvader. Stel dat hij geen vergeving kan krijgen voordat zijn zonden stuk voor stuk, naar aantal en getal, in het oor van de priester zijn verteld. Dan kan niemand ze doorgronden, zoals David zegt, en nog veel minder ze allemaal uitspreken: Delicta quis intelligat? “Wie zou de afdwalingen verstaan?” Elders klaagt David over zichzelf: “Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden” (Psalm 38:5). Helaas, zeg ik! Wordt een mens door zo’n leer niet helemaal van bekering weggejaagd?
Ze hebben wel geprobeerd pleisters voor die wonden te maken, in de vorm van belijdenis of berouw uit vrees, om de pijn te verzachten. Ze zeggen iemand dat hij goede hoop mag hebben op zijn berouw, ook al is dat niet zo volledig als nodig, en op zijn belijdenis, ook al heeft hij niet al zijn zonden geteld, als hij maar doet wat hij kan. Zeer geliefden, er is niemand die hierin niet schuldig staat (want wie doet wat hij kan?). Denkt u niet dat zo’n pleister aanvoelt als zout op zere ogen? Jazeker, zonder twijfel! Als ze alles hebben gedaan om de gewetens op deze punten gerust te stellen, komt het hierop neer: we mogen wel goede hoop hebben, maar zó dat we blijven aarzelen (weifelen) en twijfelen of onze zonden vergeven zijn. Want remissionem peccatorum geloven, dat wil zeggen zeker zijn van “vergeving van zonden”, zoals onze geloofsbelijdenis ons leert, noemen zij aanmatiging. O gruwel! En dat niet alleen hierin, maar in heel hun boetedoening zoals zij die voorstellen. — John Bradford (martelaar), 1510-1555.
Vers 13
“Wie zou de afdwalingen verstaan?” Met “afdwalingen” bedoelt hij de misstappen die we uit onwetendheid of onbezonnenheid begaan. Sommige zonden doen we terwijl de zon schijnt, dat wil zeggen met licht en kennis. Dan is het net als met kleuren in zonlicht: je ziet ze gewoon. Zo kan iemand die zonden zien, kennen en stuk voor stuk als overtredingen belijden.
Andere zonden doen we in tijden van onwetendheid, of, als er wel kennis is, toch zonder erbij stil te staan. Van beide soorten kunnen er zoveel zijn opgestapeld dat een mens er destijds geen acht op sloeg. Als hij ze nu, achteraf, met de helderste kaars in alle archieven van zijn ziel zou zoeken, zouden er nog veel aan zijn aandacht ontsnappen. En dat is werkelijk een groot deel van onze ellende: we kunnen onze schulden niet allemaal overzien. Te veel ervan zien we zo, maar nog veel meer liggen er als het ware dood en uit het zicht. Zondigen is één grote ellende, en onze zonden vergeten is óók een ellende. Konden we in de bekering ons hele leger in slagorde opstellen en elke afzonderlijke zonde aanwijzen, met de ware en precieze tijden waarop we haar deden en opnieuw deden, o, wat zouden onze harten dan breken van schaamte en verdriet! En wat zouden we dan de rijkdom van de schat van Gods barmhartigheid aanbidden, die een menigte in zich moet hebben om de menigte van onze eindeloze afdwalingen en zonden te vergeven!
Maar hier is onze troost, en die is groot. We kunnen dan niet elke zonde of elk moment van zondigen doorgronden, maar als we niet te lui zijn om de boeken na te zoeken en door te bladeren, als we oprecht treuren over de zonden die we hebben opgespoord, en als we ons door ware bekering tot God kunnen keren en door het geloof tot het bloed van Jezus Christus, dan, zeg ik, vergeeft God ze. Hij kent onze zonden beter dan wij ze ooit kunnen kennen, en Hij doorziet de ware bedoelingen en gezindheid van het hart. Hij weet immers dat het hart ook de onbekende zonden zou verwerpen, als het ze maar zag. Om Zijn eigen barmhartigheid zal Hij ze vergeven en ze ook niet meer gedenken.
Toch moeten we ons, ook al zegt David: “Wie zou de afdwalingen verstaan?”, en al zei ook de profeet Jeremia: “Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?”, bij de hemel blijven inspannen om steeds meer licht van boven te krijgen, zodat we steeds meer van ons zondigen ontdekken. Zo kan de Heere ons hart onderzoeken. We zullen nooit al onze zonden kunnen vinden, maar het is goed en nuttig om méér zonden te ontdekken dan we nu kennen. Dat zult u in uw eigen ervaring merken, want het gaat vanzelf: zodra de genade in uw hart kwam, zag u de zonde met andere ogen dan ooit tevoren. Ja, hoe meer de genade in de ziel heeft gewerkt en is gegroeid, des te vollediger heeft ze zonden blootgelegd.
Het lijkt alsof ze ons nieuwe zonden liet zien, zonden die we nog nooit eerder hadden opgemerkt. Nieuw niet in hun bestaan, alsof ze er eerder niet waren in hart en leven, maar nieuw in hun duidelijkheid en in ons begrip ervan. Nu zien we werkingen en neigingen als zondig die we daar vroeger niet voor hielden. Zoals een geneesmiddel sappen die eerst verborgen zaten nu pas voor de patiënt voelbaar maakt, en zoals de zon de stofdeeltjes zichtbaar maakt die al eerder in de kamer zweefden, zo brengt het licht van het Woord meer verdorvenheid aan het licht. — Obadiah Sedgwick.
Vers 13
“Wie zou de afdwalingen verstaan?” Wie kan zeggen hoe vaak hij struikelt en misgaat? Niemand! De haren op iemands hoofd kunnen geteld worden, en de sterren verschijnen in menigten, en toch hebben sommigen geprobeerd ze te tellen. Maar geen rekenkunst kan onze zonden tellen. Voordat we er duizend hebben opgesomd, hebben we er alweer tienduizend bijgedaan. Zo vermenigvuldigen we eerder door optelling dan dat we delen door aftrekking. Tellen is gewoon onmogelijk, hoe ijverig we ook rekenen. Net als bij de kop van de Hydra groeien er, terwijl we er twintig afsnijden door bekering, alweer honderd bij. Het is dan ook volkomen rechtvaardig dat oneindig verdriet op oneindige zonden volgt. — Thomas Adams.
Vers 13
“Reinig mij van de verborgene afdwalingen.” Het verlangen van een heilig mens is om niet alleen van openlijke zonden gereinigd te worden, maar ook van persoonlijke, verborgen zonden. Romeinen 7:24: “Ik ellendig mens”, zegt Paulus, “wie zal mij verlossen?” Maar, o gezegende apostel! wat houdt u vast? Wat kwelt u? Uw leven, zegt u, was onberispelijk vóór uw bekering en ook erna. Filippenzen 3. Zelf hebt u uw best gedaan om altijd een geweten te hebben zonder aanstoot bij God en de mensen. Handelingen 24:16. En toch roept u: “Ik ellendig mens”, en toch klaagt u: “Wie zal mij verlossen?” Echt, broeders, het ging niet om zonde buitenshuis maar om zonde thuis; niet om zonde van buiten, maar nu om zonde van binnen. Het was niet Paulus’ zondigen tegenover mensen, maar Paulus’ zondigen in Paulus zelf. O, die “wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds” (heimelijk in hem): dát deed die heilige man zo uitroepen en klagen.
Rebekka had genoeg van haar leven, en niet, zo lezen we, door onrust van buiten, maar door moeilijkheden thuis: “de dochteren Heths” in huis gaven haar “verdriet aan” haar “leven”. Zo was ook de verborgen wortel van verdorvenheid in Paulus, met alles wat die in hem deed, de oorzaak van zijn moeite. Dát was de grond van zijn uitroep en zijn verlangens: “Wie zal mij verlossen?” Ik denk eraan dat dezelfde Paulus de Efeziërs aanraadt om, zoals ze “de vorige wandeling” moeten afleggen, de oude levenswijze, ook “vernieuwd” te “worden in den geest uws gemoeds” (Efeze 4:22, 23). Daarmee wil hij zeggen dat er zonden zijn die binnen op de loer liggen, net zo goed als zonden die buiten rondlopen. Ware christenen moeten dus niet alleen de drempel vegen, maar ook de kamer schoonmaken. Ik bedoel: ze moeten niet alleen loskomen van de zonden die openlijk in hun wandel zichtbaar zijn, maar ook streven naar reiniging van zonde en zondigen die verborgen blijven in de geest en de innerlijke gezindheid. — Obadiah Sedgwick.
Vers 13
“Reinig mij van de verborgene afdwalingen.” Leer je eigen vlekken zien! Veel mensen dragen zonden met zich mee waar ze zelf niets van weten. Zo kun je een moedervlek midden op je rug hebben zonder dat je het ooit merkt. Heere, reinig mij van mijn verborgene afdwalingen. Maar zijn er ook geen vlekken die we wél kennen?
Neem een ziekte. Daar zie je het goed: soms is het lichaam sterk genoeg om de vlekken zelf naar buiten te drijven. Dan roept het ons met die zichtbare tekenen toe dat we ziek zijn. Soms lukt dat pas met middelen die het hart sterken. Zo gaat het ook met ons geweten, dat ons waarschuwt zoals het lichaam dat doet. Soms houdt het ons uit zichzelf onze zonden voor. Soms heeft het medicijn nodig: bewijzen uit het heilige Woord die ons overtuigen. Sommigen kunnen zien maar willen niet, zoals Bileam. Anderen willen zien maar kunnen niet, zoals de kamerling. Weer anderen kunnen noch willen, zoals Farao. En een enkeling kan én wil, zoals David. …
We hebben talloze vlekken waar God niets over van ons hoort, omdat we ze zelf niet zien. Want wie geeft een afdwaling toe waarvan hij niet eens weet dat hij ze begaat? Zonden zien is een groot geluk, want daaruit groeit een eerlijke belijdenis. — Thomas Adams.
Vers 13
“Reinig mij van de verborgene afdwalingen.” De wet van de HEERE is zó heilig dat we zelfs voor verborgen zonden om vergeving moeten bidden. (Opmerking: de hervormers gebruikten deze tekst vooral tegen de oorbiecht van de rooms-katholieken.) — T. C. Barth, “Bible Manual”, 1865.
Vers 13
“Verborgene afdwalingen.” Een zonde kan op drie manieren “verborgen” zijn. Laten we ze een voor een bij de hand nemen.
- Een zonde is verborgen wanneer ze is opgetuigd en vermomd. Ze vliegt vrolijk rond, maar niet onder haar eigen naam. Ze draagt een mantel van schijndeugd. Cyprianus klaagt over zulke streken en trucs in zijn tweede brief, die aan Donatus is gericht.
- Een zonde is verborgen wanneer ze van het toneel van de wereld wordt weggehouden. Dan lijkt ze op een vuur in de schoorsteen: je ziet het niet, maar het brandt wel. Zo doen sommige mensen, net als de mensen in Ezechiël, gruwelen “in de duisternis”. Dat wil zeggen: buiten het zicht van het publiek. Zo iemand is zondig, en hij gaat daar zonder enige schaamte mee door. Het enige verschil met een andere zondaar is dit: hij is een zondaar, en de ander zegt dat hij het is. Het is net als bij een dicht en een open boek. Beide hebben dezelfde regels en woorden, maar het open boek kan iedereen zien en lezen.
- Een zonde is verborgen wanneer ze niet alleen voor het publiek, maar voor ieder mensenoog verborgen blijft. Het vleselijke oog van de zondaar zelf ziet ze niet. Met zijn geweten ziet hij haar wel, maar niet met zijn gewone gevoel. Zelfs de mensen met wie hij omgaat en die zijn leven prijzen, zien niet wat de zonde in zijn denken en zijn hart bedenkt en doet. Want, broeders, de zonde werkt niet alleen aan de buitenkant. Ze doet haar gevaarlijkste werk diep in de ziel, waar het kwaad als bron en wortel zit. Het hart van de mens is een werkplaats van boosheid. Wat zijn tong niet durft te zeggen, zegt een mens toch in zijn hart. En wat zijn handen niet durven te doen, doen zijn gedachten wel.
Zonde heet dus “verborgen” als ze echt zonde is, en ook als zonde wordt bedreven, op een plek waar alleen God en het geweten haar zien. Ik zie het zo: de zonde lijkt op een kaars in een lantaarn. Het licht schijnt eerst alleen binnen, en breekt dan door de ruitjes naar buiten. Of denk aan slechte, etterige vochten. Ze zitten eerst als korsten en schurft onder de huid, en breken later aan de buitenkant uit, voor ieders ogen. Zo gaat het met de zonde. Ze is een kwaadaardig vocht, een invretende melaatsheid. Eerst verspreidt ze zich door allerlei verborgen daden en bewegingen diep in het gemoed. Daarna breekt ze uit en waagt ze zich brutaal, onder ogen van de wereld, aan haar eigen werk.
Stel dat ze nooit het daglicht ziet, als een kind dat in de moederschoot wordt ontvangen en daar ook begraven wordt. Dan is ze nog steeds zonde, precies zo echt als wanneer iedereen haar zag. Dat kind is immers ook een mens, een echte mens, al ligt het verborgen in de besloten werkplaats van de natuur. Zo is de zonde echt zonde, ook al komt ze nooit buiten de schoot die haar ontving en tot leven bracht. — Obadiah Sedgwick.
Vers 13
“Verborgene afdwalingen.” “Verborgene zonden” zijn in sommige opzichten gevaarlijker voor de zondaar zelf dan zonden die iedereen ziet. Want met zijn slimme manier van zondigen neemt een mens zichzelf de hulp af die zijn zondigheid had kunnen oproepen. Hij is als iemand die zijn wond bedekt houdt, of die van binnen bloedt. Er komt geen hulp, omdat niemand het gevaar ziet of kent. Breekt zijn zonde openlijk uit, dan is er een dienaar van God bij de hand, een vriend dichtbij en zijn er anderen die hem kunnen terechtwijzen, waarschuwen en de weg wijzen. Maar wie zelf zijn lusten bedenkt en regelt, sluit zich van alle openlijke hulp af. Hij doet zijn uiterste best, en gaat zeer zorgvuldig te werk, om zijn eigen ziel te verdoemen. Hij bedekt zijn “verborgene zonden” met een aannemelijk laagje vernis, zodat anderen een goed beeld van zijn levensweg krijgen.
Zijn heimelijkheid geeft het kwaad in hem de vrije teugel. De hele dag voedt hij zijn geest met zondige overpeinzingen en plannen, tot de kracht van zijn ziel is verspild en bedorven. Ja, heimelijke daden maken de aangeboren verdorvenheid alleen maar heter en zetten haar in brand. Het is als het gedrang in een menigte: is er één de deur uit, dan staan er twee of drie klaar om hem achterna te rennen. Zo gaat het ook hier. Heeft iemand zijn hart toestemming gegeven om een verborgen zonde te doen, dan ontvlamt in zijn verdorvenheid direct een snelle, sterke vlam. Ze wil die daden herhalen, vermenigvuldigen en naar buiten laten stromen, het liefst allemaal tegelijk.
Zondige daden zijn niet alleen vruchten van de zonde, maar ook haar hulp en kracht. Want alle zondigen wordt zondiger door nog meer zondigen. Dat geldt niet alleen voor de gevolgen, maar ook voor de oorzaak. De bron van de zonde wordt er dol en overmoedig van, en nog verdorvener. Eén ding staat vast, en laten we het goed onthouden: als het hart voor één zonde ruimte maakt, staat het klaar voor de volgende. Zodra het zich laat verleiden om één keer te doen wat de duivel wil, doet het dat de tweede keer uit zichzelf.
Met “verborgene zonden” slijpt en beitelt een mens alleen maar aan de huichelarij van zijn hart. Hij wil een volmaakte huichelaar worden. En hoe slimmer hij zijn zondigen weet te verbloemen, des te volmaakter wordt zijn huichelarij. — Obadiah Sedgwick.
Vers 13
“Verborgene afdwalingen.” Wees op uw hoede voor daden die u straks moet verbergen! Er is een bijzonder gedicht van Hood, “The Dream of Eugene Aram”. Het is een opmerkelijk stuk, en het verheldert heel duidelijk precies het punt waar we nu bij stilstaan. Aram had een man vermoord en diens lichaam in de rivier gegooid, “een trage stroom, zwart als inkt, zo peilloos diep.” De volgende ochtend ging hij terug naar de plek van zijn misdaad —
Toen bedekte hij het lijk met een berg bladeren. Maar een hevige windvlaag joeg door het bos en bracht het geheim weer aan het licht voor de zon.
„Toen viel ik met mijn aangezicht ter aarde
En begon te wenen,
Want ik wist dat mijn geheim een geheim was
Dat de aarde weigerde te bewaren;
Niet op het land, niet in de zee,
Al lag het tienduizend vadem diep.”
Met klagende stem voorspelt hij zijn eigen ontdekking. Hij begroef zijn slachtoffer in een grot en legde er stenen op. Maar toen de jaren hun vermoeiende ronde hadden gemaakt, kwam de gruwelijke daad aan het licht en werd de moordenaar ter dood gebracht.
Schuld is een “grimmige kamerheer”, óók als zijn vingers niet bloedrood zijn. Verborgen zonden geven koortsige ogen en slapeloze nachten. Zo gaat het door, tot mensen hun geweten hebben uitgebrand en echt rijp zijn voor de put. Huichelen is een zwaar spel om te spelen, want het is één bedrieger tegen een heleboel toeschouwers. Het is een ellendig bedrijf, en het eindigt vroeg of laat, als onvermijdelijke uitkomst, in een vreselijk faillissement.
Ach, u die zonder ontdekt te zijn hebt gezondigd: “Gij zult uw zonde gewaar worden, als zij u vinden zal!” Bedenk dat ze u misschien al heel gauw vindt. Zonde komt, net als moord, altijd uit, vroeg of laat. Mensen vertellen zelfs in hun dromen verhalen over zichzelf, zonder het te willen. God heeft mensen in hun geweten zó ellendig gemaakt dat ze zich gedwongen voelden naar voren te komen en de waarheid te belijden.
Verborgen zondaar! Luister goed. Wilt u al op aarde een voorproefje van de verdoemenis? Blijf dan vooral in uw verborgen zonden. Want niemand is ellendiger dan wie in het geheim zondigt en toch zijn goede naam probeert te bewaren. Kijk, dat hert daar in het veld, achternagezeten door hongerige honden met open bek, is veel gelukkiger dan de mens die door zijn zonden wordt opgejaagd. Dat vogeltje daar, gevangen in het net van de vogelaar en vechtend om los te komen, is veel gelukkiger dan wie om zichzelf een web van bedrog heeft geweven en er dag na dag uit probeert te ontsnappen, terwijl hij de strikken steeds dichter en het web steeds sterker maakt. O, wat een ellende brengen verborgen zonden! Dan mag men wel bidden: “Reinig mij van de verborgene afdwalingen.” — Spurgeon’s Sermons (No. 116), over “Secret Sins”.
Vers 13
De zonde uit onwetendheid (Hebr.) is dezelfde zonde waartegen David bidt in Psalm 19:13: “Wie zou de afdwalingen (Hebr.) verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen!” Dit zijn geen zonden van nalatigheid. Het zijn daden die iemand doet zonder op dat moment te denken dat wat ze doen zonde is. Iemand doet het dan met opzet, maar ziet niet in dat het zonde is. Zó bedrieglijk is de zonde! We kunnen de gruwelijkste daad begaan, een daad die engelen op slag in de eeuwige hel stort, en toch op dat moment totaal onwetend zijn. Dat komt door gebrek aan kennis van de waarheid en door een geweten dat niet gevoelig genoeg is. Een hard hart en een verdorven natuur laten ons zondigen zonder dat we het merken.
Maar let op: daar verschijnt opnieuw de gestalte van de Zoon des mensen! Jehova, de God van Israël, stelt een offer in voor zonden uit onwetendheid. Daarmee laat Hij precies dat meelevende, vriendelijke hart zien dat we ook in onze Hogepriester vinden, “Die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden”! Hebreeën 5:2. Midden in de beelden en voorbeelden van deze tabernakel herkennen we de aanwezigheid van Jezus. Het is Zijn stem die de gordijnen doet bewegen en tot Mozes spreekt: “Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling!” Dezelfde gisteren en heden en in der eeuwigheid! — Andrew A. Bonar, in “Commentary on Leviticus”, hoofdstuk 4, vers 2.
Vers 13 (laatste zinsnede)
Hier blijkt een bijzonder en opvallend verschil tussen farizeïsche en echte heiligheid. De farizeïsche heiligheid kijkt nieuwsgierig naar buiten, maar ziet thuis niets. Zo veroordeelde die Farizeeër de tollenaar, en zag hij zelf niets in zichzelf dat afkeuring verdiende. De echte heiligheid let juist goed op wat thuis gebeurt. Ze doorzoekt de verborgen hoeken, de geest van het gemoed zelf. Zo deed de goede David toen hij bad: “Reinig mij van de verborgene afdwalingen.” — Nathanael Hardy.
Vers 13
Door onze verdorvenheid zijn we zo brandbaar geworden dat bijna elke pijl die op ons wordt afgeschoten ook raakt. Verzoekt de satan ons, dan is het alsof hij vuur in tondel gooit: het vat meteen vlam. Ons hart vat vlam bij de kleinste vonk, en loopt over bij de minste schok, zoals een vat dat boordevol water zit. Waren we maar trouw aan onszelf, helemaal en zonder voorbehoud! Dan kon de duivel met zijn verzoekingen wel aankloppen, maar nooit met kracht of geweld de eeuwige deuren van ons hart openbreken. Helaas, we zijn zelf niet één van hart en gemoed. De satan heeft een sterke partij in ons, en die doet hem open en laat hem binnen zodra hij klopt.
Daarom gebeurt het vaak dat kleine verzoekingen en zeer onbeduidende aanleidingen grote verdorvenheden oproepen. Denk aan een vat vol nieuwe wijn: bij de minste lucht die erbij komt, gaat het schuimen en bruisen. Zo laten onze harten bij bijna elke lichte, onbeduidende verzoeking de aangeboren verdorvenheid die daar woont opzwellen, koken en overlopen. Een stroom van schuim en vuil vloeit dan door ons leven en onze wandel. — Ezekiel Hopkins.
Vers 13
Zelfs voor het oog van de godvrome blijven zonden vaak verborgen, terwijl hij ze toch zelf doet. Hij onderzoekt zichzelf namelijk niet ijverig en nauwgezet genoeg, en neemt er de tijd niet voor, en bekijkt zijn eigen wegen niet onpartijdig. Als een zonde verborgen is, zoals Saul zich tussen de bagage verstopte, of zoals Rachab de verspieders had verborgen, dan denkt iemand die niet heel zorgvuldig zoekt dat er geen zonde is waar ze toch zit. Daarom roept de Schrift ons zo vaak op tot onderzoeken en beproeven, tot doorvorsen en overleggen met ons hart. Waarom zou die plicht nodig zijn, als er niet vele verborgen, sluwe lusten in ons hart op de loer lagen waar we geen acht op slaan?
Willen de godvruchtigen hun verborgen lusten opsporen en de zonden leren kennen die ze nog niet kennen, dan moeten ze zichzelf eerlijker beoordelen. Ze moeten er rustig de tijd voor nemen om zichzelf te overzien en te onderzoeken. Niet vluchtig en oppervlakkig, maar echt en ijverig moeten ze rondkijken, alsof ze op zoek waren naar dieven. Steeds weer moeten ze in de ene en de andere donkere hoek van hun hart kijken, zoals de vrouw die zocht naar de verloren penning. Dit zelfonderzoek en zelfoordeel, dit wannen en ziften van onszelf, is de enige weg om te zien wat kaf is en wat tarwe, wat waardeloos afval en wat blijvend. — Anthony Burgess.
Vers 13
De zonde groeit en gaat steeds verder. Van zwakheid naar opzet, van onwetendheid naar vermetelheid: zo gaat het meestal. De wolk die de knecht van Elia zag, was eerst niet groter dan een handbreedte, en niets wees op een zware storm. Toch overdekte ze ten slotte de hele hemel, van rand tot rand. Zo gaat het ook met een zonde die in de ziel eerst als een lichte nevel opkomt en nauwelijks te zien is. Wordt ze niet door de adem van het gebed verdreven, dan overdekt ze uiteindelijk het hele leven en wordt ze stormachtig en woest.
Daarom bouwt David zijn gebed zó op. Hij heeft de listen van de zonde aan den lijve ondervonden. Eerst bidt hij tegen verborgen en kleinere zonden, en dan tegen de grovere en beruchte. Want hij weet dat de ene zonde uit de andere voortkomt. Heere, reinig mij van mijn verborgene afdwalingen. En dat gebed is een zeer krachtig middel om Uw knecht te bewaren voor vermetele zonden. — Ezekiel Hopkins.
Vers 13, 14
Dat er verschil is tussen zwakheden en vermetele zonden, valt niet te ontkennen. Het staat met zoveel woorden in de Heilige Schrift. De papisten zeggen dat iemand die een doodzonde doet, niet in de staat van genade is. Maar dagelijkse zonden mag een mens volgens hun leer doen, hoeveel hij maar wil, en dan is hij nog steeds in Christus! Ik hoop dat geen van onze eigen godgeleerden de gewetens van mensen wil vastbinden aan zo’n onderscheid tussen zonden. Geen mens kan immers precies en duidelijk aanwijzen waar de grens ligt tussen doodzonden en dagelijkse zonden. Nu het onmogelijk is om voor het menselijk verstand nauwkeurig vast te stellen wat wel en wat niet een dagelijkse zonde is, moeten ze het mij vergeven dat ik zo’n godgeleerdheid geen duimbreed ruimte geef. Het geweten blijft daardoor noodgedwongen achter in een doolhof, in een labyrint.
Ik merk op dat wat een zwakheid is zozeer van de omstandigheden afhangt dat iets wat bij de een een zwakheid is, bij een ander een grove zonde is. Sommige mensen pleiten voor zichzelf dat wat ze doen maar zwakheden zijn. Iemand die zondigt en daarna zegt dat het maar een zwakheid was, niet om zijn ziel tegen de satan te troosten maar om zichzelf in zijn zonde te vleien, kan, voor zover ik weet, met zijn “zwakheden” regelrecht ter helle varen. En stel dat het goede godgeleerdheid is dat iemand die in de staat van genade is wel zwakheden kan hebben maar geen grove zonden kan doen. Dan wil ik graag iemand zien die ons uit het Woord een regel kan aanwijzen waaraan een zondaar aan zijn zonde kan merken of hij in Christus is of niet. Bij welke graad van zondigen ligt het wiskundige punt, de grens, waarop iemand kan zeggen: “Tot hier mag ik gaan en toch in de genade blijven; maar zet ik nog één stap verder, dan hoor ik niet meer bij Christus”?
Wij weten allemaal dat zonden hun breedte hebben, dat er rek in zit. Als iemand zijn geweten ophangt aan een onderscheid waarvan niemand kan zeggen waar het verschil ligt, is dat geen veilige godgeleerdheid, want het geeft het geweten geen houvast. Een geweten op de pijnbank laat zich niet met vormen en spitsvondigheden tot rust brengen.
De beste en kortste weg om het hart van de mens tot rust te brengen, is dit. Misschien is de zonde een zonde uit zwakheid, als we blijven strijden maar uiteindelijk toch bezwijken. Misschien is het overhaasting, als we in onze haast worden overvallen, zoals hij die in zijn haast zei: “Alle mensen zijn leugenaars”. Misschien is het gewoon een grove zonde. Ja, ook als het een vermetele zonde is, belet het niet dat we in Christus zijn, zolang we haar niet goedkeuren en haar alleen met tegenzin doen. En ik zeg: als we haar niet goedkeuren, weerstaan we haar ook. Laten we niet proberen te ontkennen dat een godvruchtig mens, terwijl hij godvruchtig is, misschien grove en vermetele zonden kan doen. En wat zwakheden betreft: als we ze toelaten en lief hebben terwijl we weten dat het zonden zijn, dan weerstaan we ze niet. Wie zich in één zonde de ruimte geeft, is aan alle schuldig en is nog niet van Christus. Wat de zonde ook is, Jakobus maakt geen onderscheid. En waar de wet niet onderscheidt, mogen wij dat ook niet doen.
Ik heb het niet over het doen van een zonde, maar over het goedkeuren ervan. Want iemand kan haar doen en haar toch niet goedkeuren, zoals Paulus (Romeinen 7:15, 16): “Hetgeen ik wil, dat doe ik niet.” Wie de zonde niet goedkeurt, die weerstaat haar. Je kunt haar dus weerstaan, haten en toch doen. Het enige verschil dat ik ken, is dit:
- Iemand kan na zijn bekering al zijn dagen leven en toch nooit in een grove zonde vallen. Met grof bedoel ik hier ook vermetele zonden. Zo zegt David niet “reinig”, maar “houd Uw knecht ook terug van trotsheden” (Engels: vermetele zonden). We kunnen er dus voor bewaard worden. Ik zeg niet dat iedereen dat wordt, maar sommigen wel. Daarom zouden op zichzelf allen het kunnen worden.
- Zonder kleinere zonden, “verborgene afdwalingen”, kunnen we in dit leven niet bestaan. Ze overvallen ons elke dag, bijna elk uur. Toch moeten we ervan gereinigd worden, zoals David zegt. Haal elke dag uw vergeving! Daar is vanzelfsprekend vergeving voor, die krijgt u gewoon. Meestal verontrusten en kwellen ze het geweten niet. Maar toch mogen we ze niet oogluikend toelaten. Doen we dat wel, dan is het droevig met ons gesteld: dan zijn we nog niet van Christus.
- Grote, opvallende zonden kan iemand gewoonlijk niet doen zonder ze toe te laten. Zo Psalm 19:14: “Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen.” (Engels: vermetele zonden) Dat houdt in, en het kan ook niet anders, dat ze, tenzij we ervan worden teruggehouden, over ons zullen heersen. Daarna volgt: “dan zal ik oprecht zijn”. Wie dus niet door grove of vermetele zonden wordt beheerst, is een oprecht mens. — Richard Capel.
Vers 13, 14
De psalmist voelde hoe sterk en machtig de zonde is. Hij was het zat om nog langer onder haar heerschappij te leven. Daarom roept hij God aan om bevrijd te worden van elke zonde die hij kende en die over hem regeerde. En de zonden die verborgen waren en aan zijn blik onttrokken, daarvan smeekt hij overtuigd en grondig gereinigd te worden. De Heere kan het hart door en door bewegen om juist die zonde te haten die we het meest liefhadden! En zodra de zonde gehaat wordt, is haar kracht gebroken. Groeit de haat, dan wordt de zonde met de dag zwakker en zwakker. — Nathaniel Vincent, 1695.
Vers 14
“Houd Uw knecht ook terug van trotsheden.” (Engels: vermetele zonden) David verlangt er volstrekt naar om van “trotsheden” teruggehouden te worden. Maar dan voegt hij er voorzichtig een voorbehoud aan toe: als zijn slechte hart zich toch niet laat tegenhouden, mogen die zonden in elk geval nooit de volle macht en heerschappij over hem krijgen. — Thomas Manton.
Vers 14
“Houd Uw knecht ook terug.” Voor een slecht mens is het een zwaar kruis om beteugeld te worden; voor een goed mens is het juist een vreugde om van de zonde teruggehouden te worden. Als de zonde zich uitstrekt, strekt de slechte mens zijn hand naar haar uit. Maar als de zonde zich uitstrekt, strekt de goede mens zijn hand naar de hemel uit. Voelt hij zijn hart toegeven, dan roept hij: O, houd Uw knecht terug!
Een slecht mens wordt van de zonde teruggehouden zoals een vriend van zijn vriend of een minnaar van zijn beminde: met innig verknochte gevoelens en plannen om elkaar weer te ontmoeten. Een goed mens wordt van de zonde teruggehouden zoals iemand van zijn dodelijke vijand. Hij haat de aanwezigheid van die vijand en verlangt naar zijn ondergang en verwoesting. Voor de goede mens is het een bittere ellende dat hij nog altijd een hart heeft dat getemd en bedwongen moet worden. Voor de slechte mens is het juist een ergernis en een bron van ongenoegen dat hij steeds, op welk moment dan ook, met teugel en toom wordt tegengehouden.
Zo ziet u wat David bedoelt als hij vraagt om van vermetele zonden teruggehouden te worden. Hij wil niet slechts dat de zonde even wordt uitgesteld, maar dat zij wordt gedood. Niet alleen dat hij niets doet, maar dat de neiging zelf wordt onderworpen. Niet voor een tijdje, maar voorgoed. — Obadiah Sedgwick.
Vers 14
“Houd Uw knecht ook terug”, enzovoort. Zonder Gods genade en kracht zou zelfs al Gods volk elk ogenblik verloren zijn, naar ziel en lichaam. Het is niet onze genade, ons gebed of onze waakzaamheid die ons bewaart. Het is Gods kracht! Zijn rechterarm ondersteunt ons. We zien David God bidden dat Hij hem in beide opzichten zou “bewaren”, ook voor tijdelijke gevaren (Psalm 17:8, 9; “bewaar mij”), enzovoort. Daar bidt hij niet alleen om bewaard te worden, maar laat hij ook doorschemeren hoe zorgvuldig God Zijn volk bewaart en hoe kostbaar hun veiligheid in Zijn ogen is: als “het zwart des oogappels”! En om geestelijke bewaring smeekt hij vaak.
Hoewel David Gods “knecht” is, zal hij als een wild paard verwoed op hol slaan, en dat in “trotsheden” (Engels: vermetele zonden), als God hem niet “terughoudt”. Ja, hij bidt zelfs dat God de afzonderlijke delen van zijn lichaam zou “bewaren” zodat ze niet zondigen: “behoed de deur mijner lippen” (Psalm 141:3). Hij smeekt God om zijn lippen te “bewaren” en een wacht om zijn mond te zetten, alsof hij zelf geen wacht stevig genoeg kon posteren. Hoeveel te meer moeten wij dan bidden dat God onze harten, onze gemoederen, onze wil en onze genegenheden zou “bewaren”! Want die zijn nog veel heerszuchtiger. — Anthony Burgess.
Vers 14
“Houd Uw knecht ook terug.” God houdt Zijn knechten op vijf manieren van de zonde terug:
- Door voorkomende genade. God stort dan een natuur in die werkt als het gewicht in een kegelbal en hem een andere kant op trekt.
- Door bijstaande genade. Dat is een extra kracht, toegevoegd aan die eerst ingeplante natuur van heiligheid, als een hand op een kind die het vasthoudt.
- Door verlevendigende genade. God maakt dan onze genaden levend, zodat ze zich in daadwerkelijk verzet openbaren. De ziel zwicht niet, maar weert het toelaten van de zonde af.
- Door leidende genade. God schenkt dan zulk een doeltreffende wijsheid aan het verstand, tederheid aan het geweten en waakzaamheid aan het hart, dat Zijn knechten zeer bezorgd worden voor Zijn eer, nauwgezet wantrouwend jegens hun eigen kracht en terecht bedacht op de eer van hun heilige belijdenis.
- Door werkende genade. God neigt dan het hart van Zijn knechten krachtig naar de plaatsen en wegen van hun toevlucht, veiligheid en bewaring voor de zonde. Hij verruimt de geest van smeking en vormt het hart tot een eerbiedig en liefdevol gebruik van Zijn verordeningen. — Samengevat uit Obadiah Sedgwick.
Vers 14
“Uw knecht.” Het is alsof David een beroep doet op zijn band met God en zegt: “O God, U bent mijn Heere. Ik heb U uitgekozen en wil U gehoorzamen. U bent Degene Die ik volg, en alles wat ik ben, geef ik aan U. Nu zal een heer zijn knecht helpen tegen een vijand die juist om de dienst aan die heer de vijand van de knecht is. O mijn Heere, help mij! Ik kan mezelf met mijn eigen kracht niet staande houden, maar U bent de Alle-genoegzame!” — “Houd Uw knecht ook terug van trotsheden.” …
Geliefden, het is iets groots om in zo’n nauwe betrekking tot God te staan! En het is dan ook goed om daar bij God op te pleiten, want hoe nauwer de band, hoe sterker de kracht ervan. Een knecht vermag meer dan een vreemdeling, een kind meer dan een knecht, en een vrouw meer dan een kind. … Er zijn vele redenen om niet te zondigen … Daar komt nog iets bij, en wel het bijzondere van onze betrekking tot God: wij zijn Zijn kinderen en Hij is onze Vader; wij zijn Zijn knechten en Hij is onze Heere. De algemene verplichtingen zijn talrijk en voldoende, maar deze bijzondere betrekkingen leggen ons nog een extra band op. Dit is dus de som: hoe dichter iemand tot God nadert, des te zorgvuldiger moet hij erop letten niet tegen God te zondigen. — Obadiah Sedgwick.
Vers 14
“Trotsheden” (Engels: vermetele zonden). De rabbijnen delen alle zonden in twee soorten in. Dat zijn zonden die uit onwetendheid bedreven worden (Hebr.) en zonden die vermetel bedreven worden (Hebr.). — Benjamin Kennicott, D.D., 1718-1783.
Vers 14
“Trotsheden” (Engels: vermetele zonden). Eerst groeit de zonde uit van een daad tot een lust, en van lust tot nieuwe daden. Dan wordt herhaling van zondige daden een verdorven overgave, en daaruit groeien gewoonte, gebruik en een tweede natuur, zodat alles wat de zonde raakt, pijn doet en het hart van de mens treft. Zo komt zij uiteindelijk op Gods plaats te staan en eist dat zij met alle kracht bemind wordt. De genade moet de zeilen strijken en andere ondeugden brengen haar hulde. Zij eist dat alle belangen van de mens aan haar worden opgeofferd en dat zij wordt gediend met zijn reputatie, zijn fortuin, zijn gaven, zijn lichaam en zijn ziel, tot onherstelbaar verlies van zowel zijn tijd als zijn eeuwigheid. Dit is het toppunt van haar heerschappij, en zo ver kan het komen!
Dan wordt de zonde “boven mate zondigende”. Dan moet zij wel vreemde en droevige veranderingen teweegbrengen in de staat van heiligen zelf, en een grote hindernis voor hen zijn op hun weg naar de hemel, nu zij hen zo dicht bij de hel heeft gebracht. — Adam Littleton.
Vers 14
“Trotsheden” (Engels: vermetele zonden). Het is heel gebruikelijk en heel nuttig om zonden in te delen in zonden uit onwetendheid, uit zwakheid en uit vermetelheid. Die indeling is volledig genoeg. Sommigen voegen er een vierde soort aan toe, zonden van nalatigheid of onoplettendheid, maar die zijn gemakkelijk onder een van de eerste drie te brengen. De grond van dit onderscheid ligt in de ziel van de mens. Daar werken drie hoofdvermogens waaruit al onze handelingen voortvloeien: het verstand, de wil en de zinnelijke begeerte of de genegenheden. …
Wanneer een zonde is begaan, moeten we onderzoeken waar de schuld het zwaarst lag. Naar die plek krijgt de zonde haar juiste naam.
- Is het verstand het meest te laken, omdat het het goede dat het behoorde te begrijpen, niet of niet juist begrijpt? Dan is de zonde, ook al zit er misschien iets van zwakheid en vermetelheid in, toch eigenlijk een zonde uit onwetendheid.
- Ligt de hoofdschuld bij de genegenheden, door een plotselinge hartstocht of verwarring van geest die het oordeel verblindt, bederft of er slechts op vooruitloopt, zoals vrees, toorn, begeerte, vreugde of een van de overige? Dan is de zonde die daaruit voortkomt, ook al is er misschien enige onwetendheid of vermetelheid mee verbonden, toch eigenlijk een zonde uit zwakheid.
Maar is het verstand volledig met kennis ingelicht en nauwelijks verblind of meegesleept door de inval van een plotselinge of het geweld van een hevige beroering? Dan moet de grootste blaam rusten op de halsstarrigheid van de wil, die vastbesloten op het kwade gericht is. De zonde die uit zulk een opzettelijkheid voortkomt, is dan, ook al is ze waarschijnlijk niet vrij van alle vermenging met onwetendheid en zwakheid, toch eigenlijk een opzettelijke vermetelheid: precies zo’n vermetele zonde als waarover wij nu spreken.
Voor de duidelijkheid: een regel beklijft pas echt wanneer hij met treffende voorbeelden wordt verduidelijkt: dan leert men hem het snelst en onthoudt men hem het best. De rijke schatkamer van de Schrift biedt ons daarvan in elke soort genoeg keus, en het volstaat om van elke soort slechts één uitnemend voorbeeld voor te stellen. Alle drie zijn het mannen die om hun heiligheid bijzonder en terecht vermaard waren: David, sint Petrus en sint Paulus. En hun zonden waren naar hun aard alle drie van de grootste omvang: het vermoorden van een onschuldige, de verloochening van Christus en de vervolging van de gemeente. Paulus’ vervolging was een zware zonde, en toch een zonde uit onwetendheid. Petrus’ verloochening was een zware zonde, en toch een zonde uit zwakheid. Davids moord was een veel zwaardere zonde dan beide, omdat het een zonde van vermetelheid was.
Sint Paulus vervolgde vóór zijn bekering, toen hij nog Saulus was, de gemeente van God met alle kracht die hij had. Hij woedde als een verwoester onder de belijders van Christus, drong hun huizen binnen en sleurde mannen en vrouwen naar de gevangenis. Met brieven reisde hij naar verre streken om alle kwaad te doen dat hij kon, overal met grote woede, alsof hij razend was, en overal blies hij niets dan dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren. Zijn genegenheden waren niet tegen hen gericht door enige persoonlijke krenking, maar louter uit ijver voor de wet. Zijn ijver was goed geweest als zij niet blind was geweest. Ook ging zijn wil niet tegen zijn oordeel in, maar liet zich er juist door leiden, want hij “meende waarlijk bij zichzelven, dat hij tegen den Naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen”. Zijn wil was goed geweest als hij niet misleid was geweest.
De dwaling zat in zijn verstand, want zijn oordeel was nog niet werkelijk overtuigd van de waarheid van de christelijke religie. Hij was er nog volkomen van overtuigd dat Jezus een bedrieger was en het christendom een verderfelijke sekte, door Satan in het leven geroepen tot schande en nadeel van Mozes en de wet. Als deze dingen werkelijk zo waren geweest als hij ze opvatte, dan waren zijn genegenheden en zijn wil, in hun streven om zulk een sekte uit te roeien, niet alleen onberispelijk maar zelfs prijzenswaardig geweest. Het was zijn dwalende oordeel dat alles vergiftigde en van wat anders ijver was geweest, vervolging maakte. Omdat de eerste waarneembare scheefheid in zijn verstand lag, was die vervolging dus een zonde uit onwetendheid. Zo heet ze, en onder die naam heeft hij ze zelf veroordeeld. 1 Timotheüs 1:13.
Zo was Petrus’ verloochening van zijn Meester niet. Hij wist heel goed Wie Hij was, want hij was zo lang met Hem opgetrokken en had Hem lang tevoren zo ruimschoots beleden. En hij wist ook dat hij Hem om niets ter wereld mocht verloochenen. Dat maakte hem tevoren zo zeker dat hij het nooit zou doen, want hij was er ruimschoots van overtuigd. Het is dus duidelijk dat Petrus niets aan kennis ontbrak, noch van de Persoon van zijn Meester, noch van zijn eigen plicht. Er bleef hem dus geen verontschuldiging van onwetendheid over, noch facti noch juris.
Evenmin lag de schuld zozeer in zijn wil dat het eigenlijk een zonde van vermetelheid werd. Want hoewel hij Hem de facto verloochende toen hij op de proef werd gesteld, en dat met verschrikkelijke eden en vervloekingen, deed hij het toch niet uit opzettelijke afval of met voorbedachten rade. Integendeel: hij was met een tegengesteld voornemen gekomen, en hij eerde zijn Meester nog steeds in zijn hart, zelfs toen hij Hem met zijn tong verloochende. Zodra de tweede haan hem als een wachtwoord aan zijn daad herinnerde, deed het hem diep verdriet dat hij zo had gehandeld, en hij weende bitter. In het hele verhaal vinden we geen enkele omstandigheid die op diepe hardnekkigheid in zijn wil wijst.
Maar in zijn genegenheden dan! Helaas, daar lag het falen, en wat een bittere val was dat! Een plotselinge golf van vrees overviel zijn ziel toen hij zag hoe smadelijk zijn Meester voor zijn ogen werd behandeld. Hij schrok terug voor de harde behandeling die ook hemzelf zou kunnen overkomen als hij Hem daar en toen had beleden. Dat roofde hem voor even het vermogen om helder na te denken en trok al zijn gedachten naar dat ene punt: hoe het tegenwoordige gevaar te ontlopen. Hij had geen enkele gedachte vrij genoeg om zijn oordeel te raadplegen of het een zonde was of niet. En omdat dit voortkwam uit zo’n plotselinge ontsteltenis van hartstocht, was Petrus’ verloochening eigenlijk een zonde uit zwakheid.
Maar Davids zonde, het beramen van Uria’s dood, was van een nog hogere graad en een dieper kleur dan beide. Hij was zo’n vreemdeling niet in de wet van God dat hij niet wist dat de opzettelijke moord op een onschuldige, zoals hij ook van Uria wist dat hij was, een hemelhoog schreeuwende zonde was. Niets is dus zekerder dan dat deze zonde niet louter een zonde uit onwetendheid was. Het was ook niet eigenlijk een zonde uit zwakheid, die dus vatbaar zou zijn voor de verzachtende omstandigheid dat ze in drift van toorn werd gedaan, zoals zijn onreinheid met Bathséba in drift van lust gebeurde. Al wordt ook díe verzachting niet zonder meer toegestaan, maar alleen in tanto, en in vergelijking met deze veel vuilere misdaad.
David had immers tijd en gelegenheid genoeg om te bedenken wat hij deed. Hij deed het met koel bloed en na rijp beraad, en terwijl hij hier en daar plannen en ontwerpen smeedde om zijn opzet te voltooien. Hij was vastbesloten dat het gedaan zou worden, wat er ook van mocht komen, en daar liet hij zich niet van afbrengen. Gezien die onwrikbare wilsbeslissing was deze zonde van David dus een hoge, vermetele zonde. — Robert Sanderson (bisschop van Lincoln), 1587-1662/3.
Vers 14
“Trotsheden” (Engels: vermetele zonden). David smeekt God om hem tegen te houden voordat hij “trotsheden” begaat: bekende, onmiskenbare zonden. Ze ontspringen aan een verkeerde wil die het wint van een verlicht verstand. Je begaat ze met overleg, met opzet, vastberaden en met vuur, in weerwil van de waarschuwingen van het geweten en de aandrang van Gods Geest. Zulke zonden zijn niets minder dan regelrechte opstand tegen God, een minachting van Zijn gebod, en ze tarten Zijn reine ogen. — Alexander Cruden.
Vers 14
“Dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding.” Met een verzochte ziel die naar de zonde glijdt, gaat het zoals met een steen die van de rand van een heuvel begint te rollen. In het begin houd je hem nog gemakkelijk tegen, maar zodra hij op gang is: wie stopt hem dan nog? Daarom is het de grootste wijsheid ter wereld om de eerste bewegingen van het hart goed in de gaten te houden en ze meteen te smoren en te stuiten. — G. H. Salter.
Vers 14
“Grote overtreding.” Wees uiterst waakzaam tegen elke zonde. Maar let bovenal op de zonden die de zonde tegen de Heilige Geest het dichtst naderen. Dat zijn er drie: huichelarij, waarbij iemand slechts de buitenkant van de godsdienst aanneemt en zo met God de spot drijft; opzettelijk zondigen tegen de overtuiging van het geweten en tegen groot licht en grote kennis in; en vermetel zondigen, met opgeheven hand. Geen van deze drie is zelf de rechtstreekse zonde tegen de Heilige Geest, maar ze liggen er wel gevaarlijk dichtbij. Wees er daarom bijzonder op je hoede voor, anders voeren ze je uiteindelijk nog naar die onvergeeflijke zonde zelf. — Robert Russel, 1705.
Vers 14
“Laat ze niet over mij heersen.” Elke kleine zonde kan de overhand krijgen over de zondaar en hem na verloop van tijd onder haar juk brengen. Heeft ze door lange gewoonte eenmaal wortel geschoten, dan schudt hij dat juk niet gemakkelijk meer af en koopt hij zich niet makkelijk vrij van haar tirannie. We zien daarvan maar al te vaak en al te duidelijk het bewijs bij onze gewone vloekers en dronkaards. Toch groeien dergelijke zonden meestal langzaam aan. Ze besluipen ongemerkt de troon en voeren pas heerschappij over de verslaafde ziel wanneer ze door tal van herhaalde daden sterk zijn geworden. Maar een vermetele zonde verandert de toestand van de ziel in één klap. Met één enkele daad komt ze verbazend snel vooruit: ze ondermijnt de geest, ze geeft het vlees een geweldig overwicht, zelfs tot het gevaar van een totale overwinning toe. — Robert Sanderson.
Vers 14
Vermetel zondigen is de hoogste trap. Dat blijkt uit Davids eigen volgorde. Eerst bidt hij: “Reinig mij van de verborgene afdwalingen”, zonden die hij zonden uit onwetendheid noemt. Daarna bidt hij tegen “trotsheden” (Engels: vermetele zonden), en dat zijn, zoals de tegenstelling toont, zonden tegen beter weten in. Want, zegt hij, “laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding”, dat wil zeggen: van die onvergeeflijke zonde die nooit vergeven zal worden. Van alle zonden komen deze er dus het dichtst bij. Toch begaat niet ieder die in zo’n zonde valt ook die onvergeeflijke zonde; hij staat er wel vlak bij, op de eerstvolgende tree. Want daarvoor zijn maar twee dingen nodig: licht in het verstand en boosaardigheid in het hart. Boosaardigheid alleen is niet genoeg, er moet ook licht zijn; anders zou die apostel de onvergeeflijke zonde hebben begaan. Kennis is dus de moeder ervan: het is “nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben”. Hebreeën 10:26. — Thomas Goodwin.
Vers 14
Gelukkige zielen, die in het besef van de vrede door het bloed van Jezus dag aan dag bidden om door de genade van de Geest bewaard te blijven! Zij kennen zichzelf echt. Ze zien hoe groot het gevaar is dat ze zelf ten val komen, en ze willen en durven de afschuwelijke aard en de hatelijke wanstaltigheid van hun zonde niet te verbloemen of te verkleinen. Ze geven de zonde geen mildere naam dan ze verdient, want dat zou de oneindige waarde aantasten van het kostbare bloed dat Jezus vergoot om haar schuld te verzoenen. Ze zijn ver verwijderd van de bedrieglijke waan dat ze volmaakt zijn en geen zonde meer in zich hebben. De Geest van de waarheid bevrijdt hen van zulke dwalingen. Hij leert hen als arme zondaars op te zien naar de Zaligmaker en Hem te smeken “terug te houden” wat in hun zondige natuur woedt: eigenzinnige hartstochten, weerbarstige lusten, kwade begeerten.
Helaas! Hoe snel kunnen de zwartste misdaden, de meest “trotsheden”, de “heerschappij” grijpen over de hoogst verheven heilige en de best gevestigde gelovige, als hij aan zichzelf wordt overgelaten! David heeft dat een tijd lang pijnlijk ervaren. Hij bidt vanuit een diep besef van de ellende die hij heeft gekend en uit angst voor het gevaar dat nog dreigt. En hij ontving de zegen van die verbondsbelofte: “Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” Romeinen 6:14. — William Mason, 1719-1791, in “A Spiritual Treasury for the Children of God”.
Vers 15
“Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE”, zo bad David. Hij kon het niet verdragen dat ook maar één woord of één gedachte van hem de aanneming bij God zou missen. Het was hem niet genoeg dat de mensen op aarde goed over zijn daden getuigden. Ook zijn gedachten zelf moesten getuigenis hebben bij de Heere in de hemel. — Joseph Caryl.
Vers 15
“Laat de redenen mijns monds”, enzovoort. Ook de besten onder de mensen hebben hun tekorten en gebreken, en een oprecht christen kan een zwakke zijn. Maar hoe zwak hij ook is, de goedheid en oprechtheid van zijn hart geven hem het recht om de bede van dit vers uit te spreken. Een huichelaar of listige bedrieger kan dat nooit. — Thomas Sherlock (bisschop), 1676-1761.
Vers 15
“Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser.” Vasten en bidden. Heere, ik vast, en ik wil bidden! Want waarom onthoud ik mijn lichaam het eten, als het niet is om mijn ziel des te meer te laven? Mijn hongerige, mijn dorstige ziel! Het brood en het water des levens vind ik nergens dan in Uw Woord, en ik krijg ze alleen als mijn ziel zich daarin oefent. Daar begin ik nu mee, en ik zou het zo graag goed doen, met heel mijn hart. Maar het is vergeefs, tenzij U het zegent. Zegen mij dan, o Heere. Zegen beide delen van mij, want ze zijn allebei de Uwe, en ik wil geen van beide voor U achterhouden.
Mijn lichaam niet: mijn tong wil ik inzetten om van U te spreken. Mijn ziel niet: mijn hart wil ik oefenen in het denken aan U. Wat U in de schepping hebt samengevoegd, wil ik ook in de godsvrucht samenbrengen. Ja, Heere, zoals die twee samen de koppen bij elkaar staken om tegen U te zondigen, zo gaan ze nu samen op weg om hun plicht jegens U te doen. Mijn tong staat gereed, mijn hart staat gereed. Ik wil denken, ik wil spreken: aan U denken, tot U spreken.
Maar Heere, wat zijn mijn woorden eigenlijk? En wat zijn mijn gedachten? U kent de gedachten van de mensen: ze zijn allemaal ijdel. En onze woorden zijn slechts de adem van zulke gedachten. Beide zijn snood. Was het daar maar mee gezegd! Maar beide zijn goddeloos: mijn hart een verdorven bron, mijn tong een onreine stroom. En met zo’n offer zou ik voor God durven komen? Een kreupel, lam of blind dier is, al is het verder rein, voor God een gruwelijk offer. Hoeveel te meer als wij onreine dieren offeren! En toch, Heere, is mijn offer niet beter. Haperende woorden, dwalende gedachten: geen van beide kan ik U aanbieden. Hoeveel minder nog kwade gedachten en ijdele woorden! En toch zijn zulke woorden en gedachten het beste dat ik heb.
Wat is er dan nog te doen? Is er een uitweg, dan ligt hij bij U, o Heere, en daarom zoek ik nu Uw aangezicht. U alleen, o Heere, kunt mijn tong en mijn hart heiligen, zodat mijn tong spreekt en mijn hart denkt wat “U welbehagelijk” mag zijn, ja, wat Uw vermaak mag zijn.
Ga ik niet te ver? Was het niet genoeg geweest dat God mij verdroeg en de gebreken in mijn woorden en gedachten niet openbaar maakte? Mag ik veronderstellen dat God mij zal aannemen? Nee, dat Hij zelfs Zijn vermaak in mij zal vinden? Vergeet ik wie de Heere is? Welk een majesteit! Welk een gelukzaligheid! Past het bij Zijn majesteit dat Hij iemand in genade aanneemt? Past het bij Zijn gelukzaligheid dat Hij behagen schept in de woorden van een worm, in de gedachten van een ellendeling? En Heere, ik ben te trots: ik maak mijzelf zo weinig klein en U niet groot genoeg. Maar zie toch waar het verlangen van Uw knecht hem heen voert! In mijn ijver om te behagen sta ik er niet eens bij stil hoe moeilijk het voor stof en as is om God te behagen en te doen wat God tot vreugde moet zijn.
Maar Heere, dit is mijn troost: ik mag God aansporen om God genoegen te doen. God is de mijne, en de toegang tot God kan mij niet ontbreken, wanneer God Zichzelf nadert. Ben ik zwak? God is sterk. O Heere, U bent “mijn Rotssteen” (Engels: mijn kracht). Ben ik een slaaf van de zonde? God is een Zaligmaker. O Heere, U bent mijn Zaligmaker. U hebt mij gered uit heel de jammerlijke toestand waarin Adam mij stortte. Ja, U hebt mij gebouwd op een rots, sterk en vast, zodat de poorten van de hel mij nooit zullen overweldigen. Deze twee dingen hebt U voor mij gedaan, o Heere. En wat mag hij dan niet verwachten, voor wie U zulke dingen hebt gedaan! Ik ben niet bang om voor U te komen en voor U te staan.
Ik vertrouw erop dat mijn godsvrucht U zal bevredigen. Mogen Uw ogen nog zo alziend zijn: vrijmoedig stel ik mijn innerlijke én mijn uiterlijke mens voor U. Mogen Uw ogen nog zo heilig zijn: ik zal niet met Adam wegvluchten om mijn naaktheid voor U te verbergen, want ik kan standhouden. Mijn Heere ondersteunt mij, en daarom twijfel ik er niet aan dat ik zal blijken een ware Israëliet te zijn, die bij God de overwinning behaalt. Voor al mijn ellende en al mijn zonde deins ik niet terug. Nee, ik kom naderbij, naar U toe, want U bent “mijn Verlosser”. Hoe dichter ik bij U kom, hoe vrijer ik word van zonde én van ellende.
O, gezegende toestand van de mens die zo zwak is en tegelijk zo sterk, zo ellendig en toch zo gelukkig! Zwak in zichzelf, sterk in God. In God de gelukkigste van allen, al is hij in zichzelf een zondige ellendeling. En nu, mijn ziel, je wilt godvruchtig zijn. Dat kun je ook, wat je maar wilt: offer aan God je woorden, offer aan God je gedachten, maak jezelf tot een brandoffer. Twijfel er niet aan dat je zult worden aangenomen, ja, dat je zelfs de meest heerlijke, de meest heilige ogen van God zult tevredenstellen. Vertrouw alleen niet op jezelf, maar op Hem. Bouw je woorden en je gedachten op je Rots, dan zullen ze niet wankelen. Laat je Zaligmaker je woorden en gedachten bevrijden, die aan de zonde in slavernij zijn gehouden, en je offer zal worden aangenomen.
Laat mij zo op U bouwen, laat mij zo door U ruimte krijgen, in ziel en lichaam, dat “de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser”. — Arthur Lake (bisschop), in “Divine Meditations”, 1629.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 2
“Chalmers’ Astronomical Discourses” zullen de prediker op tal van manieren op weg helpen bij de behandeling van dit thema. De macht, wijsheid, goedheid, stiptheid, getrouwheid, grootheid en heerlijkheid van God zijn in de hemelen voor ieders ogen zichtbaar.
Vers 2-6
Een vergelijking tussen de hemelen en de openbaring van de Schrift, waarbij we stilstaan bij Christus als de middelpuntzon van de Schrift.
Vers 2
“De hemelen vertellen Gods eer.” Een werk waarin wij ons allemaal kunnen verenigen: de adel, het genoegen, het nut en de plicht van zulk een dienst.
Vers 3
Stemmen van de dag en van de nacht: gedachten bij dag en gedachten bij nacht.
Vers 4
De kanttekening, gekoppeld aan vers 4, wijst op de welsprekendheid van een ingetogen leven: zwijgend, en toch gehoord.
Vers 5
In welke zin God aan alle mensen geopenbaard is.
Vers 5, 6, 7
De Zon der gerechtigheid.
I. Zijn tabernakel.
II. Zijn verschijning als Bruidegom.
III. Zijn vreugde als kampioen.
IV. Zijn omloop en zijn invloed.
Vers 6
“Zij is vrolijk als een held”, enzovoort. De vreugde van kracht, de vreugde van heilige arbeid, de vreugde van het loon waarnaar we uitzien.
Vers 7
De doordringende kracht van het evangelie.
Vers 8 (eerste zinsnede)
De Heilige Schrift.
I. Wat zij is: “wet”.
II. Wiens zij is: “des HEEREN”.
III. Wat haar karakter is: “volmaakt”.
IV. Wat haar uitwerking is: “bekerende de ziel”.
Vers 8 (tweede zinsnede)
I. De leerlingen.
II. Het leerboek.
III. De Leraar.
IV. De vooruitgang.
Vers 8, 9, 10
De Hexapla. Zie de aantekeningen.
Vers 8 (laatste zinsnede)
De wijsheid van een eenvoudig geloof.
Vers 9 (eerste zinsnede)
De hartverblijdende kracht van het Woord.
I. Gegrond in haar rechtvaardigheid.
II. Waarachtig in haar hoedanigheid.
III. Bestendig in haar werking.
Vers 9 (tweede zinsnede)
Gouden zalf voor de ogen.
Vers 10
De reinheid en duurzaamheid van de ware godsdienst, en de waarheid en rechtvaardigheid van de beginselen waarop zij rust.
Vers 11
Twee redenen om Gods bevelen lief te hebben: voordeel en genot.
Vers 11
De onuitsprekelijke verrukkingen van het overdenken van de Schrift.
Vers 12 (eerste zinsnede)
I. Wat? “Vermaand.”
II. Hoe? “Door dezelve.”
III. Wie? “Uw knecht.”
IV. Wanneer? “Wordt”: nu.
Vers 12 (tweede zinsnede)
Evangelische beloningen: “in”, niet voor het houden.
Vers 13
Zie “Spurgeon’s Sermons”, No. 116, “Secret Sins”.
Vers 13, 14
De drie trappen van de zonde: verborgen, vermetel, onvergeeflijk.
Vers 14
Zie “Spurgeon’s Sermons”, No. 135, “Presumptuous Sins”.
Vers 14 (laatste zinsnede)
“Grote overtreding.” Wat zij niet is, wat zij kan zijn, wat zij inhoudt en wat zij te kennen geeft.
Vers 15
Een gebed over onze heilige dingen.
Vers 15
Iedereen wil behagen. Sommigen behagen zichzelf. Sommigen behagen mensen. Sommigen zoeken God te behagen. Zo was David.
I. Het gebed toont zijn nederigheid.
II. Het gebed toont zijn genegenheid.
III. Het gebed toont een besef van plicht.
IV. Het gebed toont zorg voor het eigen belang. — William Jay.
Vers 15
De harmonie van hart en lippen, nodig voor aanneming.
Werken over de negentiende psalm
“The Works of John Boys”, 1626, folio, blz. 791-798. An Exposition of Psalm XIX.
Hulsean Lectures for 1827. On the Proofs of Divine Power and Wisdom, derived from the Study of Astronomy: and on the Evidence, Doctrines, and Precepts of Revealed Religion. By the Rev. Temple Chevalier, M.A.
[“De negentiende psalm is aangenomen als model voor de indeling van de eerste twaalf lezingen.” Uittreksel uit het Voorwoord.]
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas