Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 16 — Treasury of David

92 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

Michtam van David. Meestal wordt dit opgevat als de gouden psalm. Die naam past prachtig, want deze psalm is van het begin tot het eind gemaakt van het fijnste goud. Ainsworth noemt haar “Davids kleinood, of bijzonder lied”. Dr. Hawker heeft altijd een scherp oog voor passages vol kracht en geur, en vol eerbied roept hij uit: “Sommigen hebben het vertaald met kostbaar, anderen met gouden, weer anderen met kostbaar kleinood. De Heilige Geest heeft ons door de apostelen Petrus en Paulus laten zien dat deze psalm helemaal over de Heere Jezus Christus gaat. Wat hier over Hem wordt gezegd, is dus kostbaar, is goud, is echt een kleinood!”

Het woord Michtam zijn we tot nu toe niet tegengekomen. Mogen we later nog schrijven over Psalm 56, 57, 58, 59 en 60, dan zien we het terug. Dan zullen we merken dat ook die psalmen, net als deze, met gebed beginnen en dus op moeite wijzen. Toch zitten ze vol heilig vertrouwen en eindigen ze met liederen van zekerheid: uiteindelijk zijn we veilig en is er vreugde. Dr. Alexander, wiens aantekeningen bijzonder waardevol zijn, vermoedt dat het woord gewoon is afgeleid van een woord dat “verbergen” betekent. Dan duidt het op een geheim, een verborgenheid, en op de diepe leer en geestelijke rijkdom van deze heilige liederen. Klopt die uitleg, dan sluit ze mooi aan bij de andere. Zet je de twee naast elkaar, dan krijg je een naam die elke lezer onthoudt en die meteen het kostbare onderwerp voor ogen brengt: de psalm van het kostbare geheim.

Onderwerp

Voor de sleutel van dit gouden geheim zijn we niet afhankelijk van mensen die de psalm uitleggen. Petrus zegt het ons, sprekend door de Heilige Geest: “David zegt van Hem.” (Handelingen 2:25.) Even verderop in zijn gedenkwaardige preek zegt hij: “Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrij uit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag. Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten; zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien.” (Handelingen 2:29-31.)

Petrus is niet onze enige gids. Ook de apostel Paulus haalt deze psalm aan. Hij werd geleid door dezelfde onfeilbare ingeving en getuigt dat David schreef over de Man door Wie ons vergeving van zonden wordt verkondigd. (Handelingen 13:35-38.) Uitleggers passen de psalm meestal tegelijk toe op David, op de gelovigen en op de Heere Jezus. Wij durven te geloven dat hier geldt: “Christus is alles”. In het negende en tiende vers zien we, net als de apostelen op de berg, “niemand dan Jezus alleen”.

Indeling

De psalm is zo hecht van bouw dat je moeilijk scherpe grenzen kunt trekken. Het volstaat om vier dingen op te merken. Eerst het gebed van geloof van onze Heere (vers 1). Dan Zijn belijdenis van geloof in Jehova alleen (vers 2-5). Dan de tevredenheid van Zijn geloof in het heden (vers 6 en 7). En ten slotte het blijde vertrouwen van Zijn geloof voor de toekomst (vers 8-11).

Uitleg

Vers 1

“Bewaar mij”: behoed mij, of red mij. Horsley denkt zelfs aan “bewaak mij”, zoals lijfwachten hun koning omringen of herders hun kudde beschermen. Jezus is in alles verzocht, net als wij. Daarom had ook Zijn mensheid bewaring nodig tegen de macht van het kwaad. In Zichzelf was Hij zuiver, maar Hij leunde niet op de zuiverheid van Zijn eigen natuur. Als voorbeeld voor al wie Hem volgt, keek Hij naar de Heere, Zijn God, om bewaard te worden. Een van de grote namen van God is “de Mensenhoeder” (Job 7:20). Die genadige taak nam de Vader op zich voor onze Middelaar en Vertegenwoordiger.

Dat Hij bewaard zou worden, was de Heere Jezus met zoveel woorden beloofd, in Jesaja 49:7, 8: “Alzo zegt de HEERE, de Verlosser van Israel, Zijn Heilige, tot de verachte ziel, tot Dien, aan Welken het volk een gruwel heeft, … Ik zal U bewaren, en Ik zal U geven tot een verbond des volks.” Bij onze Heere is die belofte precies zo uitgekomen. Hij werd gered door Gods ingrijpen in de loop van de gebeurtenissen en Hij werd gedragen door Gods kracht. Nu Hij Zelf bewaard is, kan Hij ook de bewaarden van Israël weer overeind helpen. Wij zijn immers “de geroepenen, … door Jezus Christus bewaard”.

Omdat de uitverkorenen één met Hem zijn, werden zij bewaard doordat Hij bewaard werd. Dit gebed van de Middelaar mogen we daarom zien als de bede van de grote Hogepriester voor allen die in Hem zijn. Zijn voorbede in Johannes 17 is niets anders dan een uitwerking van deze noodkreet: “Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij een zijn, gelijk als Wij.” Als Hij zegt “bewaar mij”, bedoelt Hij Zijn leden, Zijn mystieke lichaam: Zichzelf én iedereen die in Hem is.

We zijn dankbaar dat de Heere Jezus dit gebed ook voor Zijn leden bad. Maar vergeet niet dat Hij het zeker ook voor Zichzelf bad. Hij had Zichzelf zo leeggemaakt en had zo werkelijk de gestalte van een dienstknecht aangenomen, dat Hij als mens net als wij Gods bewaring nodig had. Vaak riep Hij tot de Sterke om kracht. Op de bergtop ademde Hij dit verlangen uit. Eén keer bad Hij zelfs openlijk bijna dezelfde woorden: “Vader, verlos Mij uit deze ure!” (Johannes 12:27.) Als Jezus buiten Zichzelf naar bescherming zocht, hoeveel te meer moeten wij, Zijn volgelingen die zo gemakkelijk dwalen, dat dan doen!

“O God.” Het Hebreeuwse woord dat hier voor God staat, is El. Met die naam riep de Heere Jezus de Machtige God aan, de Almachtige Helper van Zijn volk, als Hij Zijn grote zwakheid voelde, bijvoorbeeld aan het kruis. Ook wij mogen ons tot El wenden, de Almachtige, in elk uur van gevaar. We mogen erop vertrouwen dat Hij, Die het sterke roepen en de tranen van onze trouwe Hogepriester hoorde, ons in Hem wil én kan zegenen. Het loont de moeite om Gods naam en karakter echt te leren kennen. Dan weten we in tijden van nood hoe we onze Vader in de hemel moeten aanspreken, en met welke naam.

“Want ik betrouw op U”, of: ik heb mijn toevlucht bij U gezocht. Zoals kuikens onder de kloek kruipen, zo ga ik schuilen bij U. U bent mijn grote Beschermer, Die Uw schaduw over mij spreidt, en ik heb schuilplaats gevonden onder Uw kracht. Dit is een sterk argument als we pleiten in het gebed. Onze Heere wist niet alleen hoe Hij dit argument bij God moest gebruiken. Hij wist ook hoe Hij Zich moest laten raken door de kracht ervan, als anderen het bij Hem inzetten. “U geschiede naar uw geloof” is in de hemel een vaste regel als er gunst wordt uitgedeeld. Kunnen wij eerlijk zeggen dat we ons geloof op de Machtige God richten, voor de barmhartigheid die we vragen, dan mogen we zeker weten dat ons pleidooi het wint.

Geloof is als het zwaard van Saul: het komt nooit onverrichter zake terug. Wordt het vastgehouden door de hand van het gebed, dan verovert het de hemel. Laten we daarom bidden zoals de Zaligmaker bad. Hij werd meer dan overwinnaar, en door Hem zullen ook wij dat worden. Raken we in een storm, laten we dan vol moed tot de Heere roepen, net als Hij: “ik betrouw op U.”

Vers 2

“O mijn ziel! gij hebt tot den HEERE gezegd: Gij zijt de HEERE.” Diep van binnen boog de Heere Jezus Zich om Zijn Vader in de hemel te dienen. Voor de troon van Jehova zwoer Zijn ziel, omwille van ons, trouw aan de Heere. Wij lijken op Hem wanneer onze ziel, eerlijk en voortdurend, in de tegenwoordigheid van de God Die harten doorgrondt, instemt met het gezag en het bestuur van de oneindige Jehova en zegt: “Gij zijt de HEERE.” Dit met de lippen belijden is niet veel; dat kan iedereen. Maar als de ziel het zegt, vooral in tijden van beproeving, is dat een genadig teken van geestelijke gezondheid. Het tegenover mensen belijden stelt weinig voor. Het zeggen tegenover Jehova Zelf weegt veel zwaarder.

We kunnen deze woorden ook lezen als de taal van een geloof dat zich de Heere toe-eigent. Dat geloof grijpt Hem vast door een persoonlijk verbond en door persoonlijk van Hem te genieten. Zo gelezen mag deze zin elke dag ons lied zijn, in het huis waar wij als pelgrims verblijven.

“Mijn goedheid raakt niet tot U.” Het werk van onze Heere Jezus was niet nodig omdat het Goddelijk Wezen iets miste. Jehova zou onvoorstelbaar heerlijk zijn gebleven als de mensheid was omgekomen en er nooit verzoening was gebracht. Het leven en de doodsstrijd van de Zoon lieten elke eigenschap van God op ongeëvenaarde wijze stralen. Toch had de Hooggezegende en Oneindig Gelukzalige God de gehoorzaamheid en de dood van Zijn Zoon niet nodig. Het werk van verlossing is om onzentwil ondernomen, niet omdat de Allerhoogste iets tekortkwam. Wat een bescheiden oordeel heeft de Zaligmaker hier over Zijn eigen goedheid, terwijl die zo groot was! Wat hebben wij een overweldigende reden om Zijn nederigheid na te volgen! “Indien gij rechtvaardig zijt, wat geeft gij Hem, of wat ontvangt Hij uit uw hand?” (Job 35:7.)

Vers 3

“Maar tot de heiligen, die op de aarde zijn.” Deze geheiligde mensen leven nog op aarde. Toch delen ze al in de vruchten van het werk van Jezus als Middelaar. Zijn goedheid maakt hen tot wie ze zijn. Dit bijzondere volk is ijverig in goede werken en toegewijd aan heilige dienst. Ze zijn gekleed in de gerechtigheid van de Zaligmaker en gewassen in Zijn bloed. Zo ontvangen ze van de goedheid die in Hem is opgeslagen. Zij zijn het die werkelijk voordeel hebben van het werk van de Mens Christus Jezus. Maar dat werk voegde niets toe aan het wezen, de deugd of het geluk van God, Die gezegend is in der eeuwigheid. Hoeveel sterker geldt dit voor ons, arme onwaardige dienaren, die naast de trouwe Zoon van God nauwelijks een vermelding verdienen! Onze hoop moet altijd zijn dat een arm kind van God misschien door ons gediend mag worden. Want de grote Vader heeft onze hulp nooit nodig. We mogen met recht de verzen van dr. Watts zingen:

„Vaak hebben hart en tong beleden
hoe leeg, hoe arm ik ben;
mijn lof maakt U niet zaliger
en voegt aan Uw Naam geen glorie toe.

Toch mogen, Heere, Uw heiligen op aarde
iets winnen bij het goede dat wij doen;
met hen wil ik verkeren,
zij zijn de liefste vrienden die ik ken.”

Arme gelovigen zijn Gods ontvangers. Ze hebben van de Kroon de volmacht om de opbrengst van onze offers in naam van de Koning in ontvangst te nemen. Heengegane heiligen kunnen wij niet meer zegenen. Zelfs bidden voor hen helpt niet. Maar zolang ze hier zijn, moeten we hun onze liefde in daden laten zien, zoals onze Meester deed. Want zij zijn de heerlijken der aarde. Ondanks al hun zwakheden denkt hun Heere hoog van hen. Hij rekent hen tot de edelen onder de mensen. De titel “Zijne Excellentie” past veel beter bij de geringste heilige dan bij de grootste gouverneur. De ware adel, dat zijn de gelovigen in Jezus! Alleen zij zijn werkelijk Hoogedelen. Sterren en kousenbanden zijn armzalige onderscheidingen naast de gaven van genade van de Geest.

Hij Die hen het beste kent, zegt van hen: “in dewelke al mijn lust is.” Zij zijn Zijn Hefzi-Bah en Zijn land Beulah. Al vóór alle werelden vond Hij Zijn vreugde in deze uitverkoren mensenkinderen. Wat zij van zichzelf denken, is heel iets anders dan wat hun Beminde van hen denkt. Zij houden zichzelf voor minder dan niets, maar Hij maakt veel van hen en heeft Zijn hart op hen gezet. Wat een wonderen zien de ogen van Goddelijke Liefde, waar de Handen van Oneindige Macht met genade hebben gewerkt! Het was deze liefde, die zo scherp ziet, die Jezus in ons een vergoeding liet zien voor al Zijn doodsangst. Zij hield Hem staande in al Zijn lijden, door de vreugde dat Hij ons zou redden van de weg naar beneden, de kuil in.

Vers 4

Hetzelfde liefdevolle hart dat zich wijd opent voor het uitverkoren volk, blijft stevig dicht voor wie koppig volhoudt in opstand tegen God. Jezus haat alle goddeloosheid, en vooral het grote kwaad van afgoderij. De tekst laat zien hoezeer onze Heere de zonde verafschuwt. Maar ze laat ook zien hoe gretig de zondaar ernaar jaagt. Gelovigen zijn vaak traag in de weg naar de ware Heere. Zondaren daarentegen zijn het “die een anderen God begiftigen” (Engels: die zich haasten naar een anderen god). Zij rennen als waanzinnigen waar wij als slakken voortkruipen. Laat hun ijver onze traagheid beschamen en wakker schudden! Toch geldt hier: hoe harder ze rennen, hoe slechter het afloopt. Want hun verdriet wordt groter naarmate ze hun zonden ijveriger vermeerderen.

Matthew Henry zegt het raak: “Zij die goden vermenigvuldigen, vermenigvuldigen smarten voor zichzelf; want wie één god te weinig acht, zal er twee te veel vinden, en toch honderden niet genoeg.”

Het is verbijsterend om te bedenken wat mensen aan wreedheid en ontbering doorstaan voor hun valse goden. Onze zendingsberichten zijn daarvan een opvallend voorbeeld bij deze tekst. Maar misschien is onze eigen ervaring minstens zo duidelijk. Elke keer dat we ons hart aan afgoden gaven, moesten we daar vroeg of laat voor lijden. Vlak bij de wortel van onze eigenliefde liggen al onze smarten. Als die afgod wordt omvergehaald, is de angel uit het verdriet. Denk aan Mozes: hij brak het gouden kalf, maalde het fijn tot poeder en strooide het in het water dat hij Israël liet drinken. Zo worden ook onze lievelingsafgoden een bittere drank voor ons, tenzij we ze meteen loslaten.

Onze Heere kende geen zelfzucht. Hij diende één Heere, en Hem alleen. Met hen die zich van Jehova afkeerden, wilde Hij geen gemeenschap hebben; hun smaad droeg Hij buiten de legerplaats. Zonde en de Zaligmaker hadden niets met elkaar gemeen. Hij kwam om de werken van de duivel te verbreken, niet om ze goed te keuren of er enige gemeenschap mee te hebben. Daarom wees Hij ook het getuigenis van de onreine geesten over Zijn Godheid af. Met de duisternis wilde Hij op geen enkel punt gemeenschap hebben.

Wij moeten uiterst goed oppassen, nu en altijd, dat we ons ook maar in het kleinste met valse godsdienst verbinden. Zelfs de plechtigste Roomse riten moeten we verafschuwen. “Ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren.” Een oud spreekwoord zegt: “Het is niet veilig aan de maaltijd van de duivel te eten, al is de lepel nog zo lang.” Het is verstandig zelfs het noemen van kwade namen te vermijden: “en hun namen op mijn lippen niet nemen.” Laat je gif op je lip toe, dan sijpelt het snel naar binnen. Wat we uit ons hart willen houden, houden we dus beter ook uit onze mond.

Wil de kerk gemeenschap met Christus genieten, dan moet ze alle banden met goddeloosheid verbreken. Ze moet zichzelf zuiver houden van elke smet van zelfbedacht, vleselijk godsdienstig gedoe, dat nu de dienst aan God bezoedelt. Sommige gelovigen maken zich schuldig aan grote zonde doordat ze in Roomse kerken blijven. Daar wordt God net zo diep onteerd als in Rome zelf, alleen sluwer.

Vers 5

“De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers.” Wat een vertrouwen en wat een jubelende vreugde in Jezus, als Hij Zich wendt tot Jehova, Die Zijn ziel bezat en in Wie Zijn ziel vreugde had! Hij was volkomen tevreden met Zijn deel in de Heere, Zijn God. Hij had geen enkel verlangen om andere goden na te lopen. Zijn beker was vol, en Zijn hart ook. Zelfs in Zijn felste pijn greep Hij Zijn Vader nog met beide handen vast en riep: “Mijn God! Mijn God!” Het kwam niet eens bij Hem op om neer te knielen voor de vorst van deze wereld, hoewel Hij verzocht werd met de woorden “al deze dingen zal ik U geven.”

Ook wij mogen roemen in de Heere. Hij is het brood en de drank van onze ziel. Hij is ons deel, dat in al onze nood voorziet, en onze beker, die ons koninklijk overvloed inschenkt: onze beker in dit leven, en onze erve in het leven dat komt. Als kinderen van de Vader in de hemel erven wij samen met Jezus alle rijkdommen van het genadeverbond. Het deel dat ons toevalt, zet het brood van de hemel en de nieuwe wijn van het koninkrijk op onze tafel. Wie zou niet tevreden zijn met zulk heerlijk eten? Onze ondiepe beker van verdriet mogen we gerust gelaten leegdrinken, want ernaast staat de diepe beker van liefde, en die raakt nooit leeg.

“Gij onderhoudt mijn lot.” Sommige pachters hebben in hun contract staan dat ze zelf het onderhoud van hun land moeten doen. Bij ons onderhoudt Jehova Zelf ons lot. Onze Heere Jezus verheugde Zich in deze waarheid: de Vader stond naast Hem en zou Zijn recht verdedigen tegen al het onrecht van mensen. Hij wist dat Zijn uitverkorenen voor Hem bewaard zouden blijven, en dat almachtige kracht hen voor altijd zou behouden als Zijn lot en Zijn loon. Laten ook wij blij zijn, want de Rechter van de hele aarde zal opkomen voor onze rechtvaardige zaak.

Vers 6

Jezus ontdekte dat de weg van gehoorzaamheid dwars door “liefelijke plaatsen” liep. Toch trok de smart diepe sporen in Zijn gezicht. Maar juist te midden van al dat lijden riep Hij uit: “Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.” Dat mag vreemd klinken, maar zo is het. Nooit heeft iemand het lijden zo van binnenuit gekend als Hij. En toch geloven we dat nooit iemand zoveel blijdschap en genot vond in de dienst van God. Niemand diende immers zo trouw. En niemand had zulke grote vruchten voor ogen als beloning voor Zijn werk!

De vreugde die Hem was voorgehouden wierp haar stralen over de ruwe plaatsen waar Hij het kruis droeg en de schande voor niets rekende. Voor het edelmoedige hart van onze Verlosser werden het, op hun eigen manier, liefelijke plaatsen. Eén ding weten we in elk geval zeker: Jezus was helemaal tevreden met het deel dat Hij met Zijn bloed had gekocht. De meetsnoeren van Zijn verkiezende liefde hadden het voor Hem afgebakend als Zijn buit met de sterken en Zijn deel met de groten. Daarin vond Hij hier op aarde Zijn troost, en daarin geniet Hij in de hemel. Meer vraagt Hij ook niet voor Zijn “schone erfenis” dan dat Zijn eigen geliefden bij Hem zijn, daar waar Hij is, en Zijn heerlijkheid zien.

Alle heiligen mogen de woorden van dit vers tot de hunne maken. Hoe meer we ons laten meenemen door de tevreden, dankbare en blijde geest ervan, des te beter is het voor onszelf, en des te meer eer krijgt onze God. Onze Heere was armer dan wij, want Hij bezat niets. Hij had zelfs geen plek om Zijn hoofd neer te leggen. Toch kwam er nooit een klacht over Zijn lippen als Hij over Zijn armoede sprak. Een ontevreden mens lijkt net zo weinig op Jezus als een krassende raaf op een koerende duif.

Martelaren zijn zelfs in de gevangenis gelukkig geweest. “Uit de heerlijke boomgaard van de Leoninische gevangenis dateerde de Italiaanse martelaar zijn brief, en de tegenwoordigheid van God maakte het rooster van Laurentius hem aangenaam.” De heer Greenham durfde te zeggen: “Zij hebben Gods liefde nooit gevoeld, noch vergeving van zonde geproefd, die ontevreden zijn.” Sommige godgeleerden zijn ervan overtuigd dat ontevredenheid de eerste zonde was: de klip waarop ons mensengeslacht in het paradijs is gestrand. In elk geval kan er geen paradijs zijn waar deze boze geest de baas is. Zijn slijm vergiftigt elke bloem in de tuin.

Vers 7

“Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven.” Onze Heere Jezus bracht de Vader niet alleen gebed, maar ook lof. Wie niet kan zeggen “Ik zal den HEERE loven”, is geen echte volgeling van Hem. Jezus heet Wonderlijk, Raadsman. Maar als Mens sprak Hij niet uit Zichzelf. Hij sprak wat Zijn Vader Hem had geleerd. Lees daarvoor Johannes 7:16; 8:28 en 12:49, 50, en de profetie over Hem in Jesaja 11:2, 3. Onze Verlosser ging gewoonlijk naar Zijn Vader om leiding te vragen. Kreeg Hij die, dan dankte Hij Hem ervoor dat Hij Hem raad had gegeven. Wat zou het goed zijn als wij dit voorbeeld van nederigheid volgden! Dan zouden we niet meer leunen op ons eigen verstand, maar ons laten leiden door de Geest van God.

“Zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren.” Onder de nieren verstaan we de innerlijke mens: onze gevoelens en neigingen. Wie in gemeenschap leeft met God, krijgt diep in zijn ziel een geestelijke wijsheid, die zich laat zien in de stille uren. Onze Verlosser bracht veel nachten alleen door op de berg. We kunnen ons best voorstellen dat Hij daar, naast Zijn omgang met de hemel, ook goed met Zichzelf te rade ging. Hij liep Zijn ervaringen na, keek vooruit naar Zijn werk en woog Zijn positie af. Grote veldheren winnen hun slagen in gedachten, lang voordat de bazuin klinkt. En zo won onze Heere onze strijd op Zijn knieën, nog vóór Hij hem op het kruis won.

Het is een goede gewoonte om, na raad van boven te hebben gekregen, ook zelf rustig na te denken. Wijze mensen zien ’s nachts met gesloten ogen meer dan dwazen overdag met open ogen. Wie van God leert en zo het zaad ontvangt dat Hij geeft, ziet al snel wijsheid groeien in de tuin van zijn eigen ziel: “uw oren zullen horen het woord desgenen, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in denzelven; als gij zoudt afwijken ter rechterhand of ter linkerhand.” De nacht die de zondaar kiest voor zijn zonden, is voor de gelovige een heilig uur van stilte. Dan hoort hij, diep in zichzelf, de zachte, stille stemmen van de hemel en van het hemelse leven.

Vers 8

Eens viel de donkere schaduw van de doodsangst over de ziel van de Verlosser. We lezen dan ook van Hem: “verhoord zijnde uit de vreze”. Er verscheen Hem een engel, die Hem sterkte. Misschien verzekerde die hemelse bode Hem nog eens dat Hij heerlijk zou opstaan als de Borg van Zijn volk. En dat de kudde die Hij met Zijn bloed had gekocht, zou binnengaan in eeuwige vreugde. Toen straalde de hoop in volle glans over de ziel van onze Heere. Zoals deze verzen laten zien, keek Hij vol heilig vertrouwen naar de toekomst. Hij hield Jehova immers voortdurend voor ogen en genoot van Zijn nabijheid. Hij voelde: met zo’n steun zal niets Mij ooit afbrengen van het grote doel van Mijn leven. En zo was het ook. Hij liet Zijn hand pas zakken toen Hij kon zeggen: “Het is volbracht!” Wat een oneindige barmhartigheid was dit, wat een goedheid voor ons, die door Hem gered zouden worden!

In dit rotsvaste vertrouwen, dat voortkwam uit een eenvoudig geloof in Gods hulp, is Jezus ons voorbeeld. De tegenwoordigheid van de Heere erkennen is de plicht van elke gelovige: “Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij.” En op de Heere vertrouwen als onze kampioen en beschermer is het voorrecht van elke heilige: “omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen.” De apostel geeft deze plaats zo weer: “Ik zag den Heere allen tijd voor mij”; Handelingen 2:25. Het geloofsoog van Jezus zag al van tevoren hoe Gods hulp Hem, Zijn lijdende Zoon, bleef dragen. Zo sterk zelfs, dat niets Hem ooit zou afbrengen van het doel om Zijn volk te verlossen. In de kracht van God aan Zijn rechterhand zag Hij Zichzelf dwars door alle tegenstanders heen breken. Op díe kracht bouwde Hij Zijn allerstevigste vertrouwen.

Vers 9

Hij zag helder dat Hij moest sterven. Hij spreekt immers van Zijn vlees dat rust, en van Zijn ziel in het oord van de gescheiden geesten. De dood stond Hem vol voor ogen. Anders had Hij niet over de verderving gesproken. Maar Zijn vertrouwen op Zijn God was zó groot dat Hij boven het graf zong en Zich verheugde bij de aanblik van de groeve. Hij wist dat Zijn ziel maar heel even in Scheool zou zijn, de onzichtbare wereld van geesten zonder lichaam. Hij wist ook dat Zijn lichaam het graf binnen korte tijd zou verlaten, zonder dat het verblijf daar het ook maar enige schade had gedaan. Daarom kon Hij zeggen: “mijn hart is verblijd”. Het bewoog Zijn tong, de eer van Zijn lichaam, om te jubelen in God, de sterkte van Zijn heil.

O, hadden wij maar zo’n heilig geloof wanneer beproeving en dood naderen! Het geloof geeft niet alleen een vrede die alle verstand te boven gaat. Het vult ons hart tot de rand met blijdschap, totdat onze tong, die als werktuig van een denkend schepsel onze eer is, losbarst in een koor van lof. Het geloof geeft ons levende vreugde, en het schenkt ons rust voor de dag dat we sterven. “Ook zal mijn vlees zeker wonen.” (Engels: ook mijn vlees zal rusten in hoop.)

Vers 10

Onze Heere Jezus werd in Zijn hoop niet teleurgesteld. Zo verklaarde Hij de trouw van Zijn Vader met de woorden: “Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten”, en die trouw werd bewezen op de morgen van de opstanding. Jezus bleef niet achter onder de overleden geesten zonder lichaam. Hij had in de opstanding geloofd, en Hij ontving haar op de derde dag. Toen stond Zijn lichaam op in heerlijk leven, precies zoals Hij vol vertrouwen had gezegd: “Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.” De buitenste gevangenis, het graf, mocht Zijn lichaam in. Maar de binnenste cel, die van de verderving, bleef voor Hem gesloten. Hij Die naar ziel én lichaam bij uitstek Gods “Heilige” was, werd bevrijd uit de smarten van de dood, want het was onmogelijk dat Hij daardoor werd vastgehouden.

Wat een edele aanmoediging is dit voor alle heiligen! Sterven moeten zij, maar opstaan zullen zij! Zij zullen in hun geval wél de verderving zien, maar toch zullen zij opstaan tot eeuwig leven. Christus’ opstanding is de oorzaak, het onderpand, de waarborg en het beeld van de opstanding van heel Zijn volk. Laat hen daarom naar hun graf gaan als naar hun bed. Laat hen hun lichaam onder de aarde te ruste leggen, zoals zij het nu op hun bed neerleggen.

„Nu Jezus de mijne is, vrees ik het sterven niet;
blij leg ik dit kleed van klei terzijde.
Te sterven in den Heere is een zegen van het verbond,
want Jezus baande door de dood de weg naar de heerlijkheid.”

Ellendig is de mens die, wanneer de Filistijnen van de dood zijn ziel binnenvallen, merkt dat hij, net als Saul, door God is verlaten. Maar gezegend is hij die de Heere aan zijn rechterhand heeft! Hij zal geen kwaad vrezen, maar uitzien naar een eeuwigheid vol geluk.

Vers 11

“Gij zult mij het pad des levens bekend maken.” Aan Jezus werd deze weg als eerste getoond. Hij is immers de eerstgeborene uit de doden, de eerstgeborene van alle schepselen. Hij Zelf baande de weg dwars door Zijn eigen vlees en ging hem daarna voor als de voorloper van Zijn eigen verlosten. Alleen al de gedachte dat Hij het pad des levens zou worden voor Zijn volk, deed de ziel van Jezus juichen.

“Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht.” Christus werd uit de doden opgewekt en voer op in heerlijkheid, om voor altijd dicht bij God te wonen, waar de vreugde eeuwig volkomen is. Dat vooruitzicht gaf Hem moed en spoorde Hem aan in Zijn heerlijke, maar pijnlijke arbeid. Zijn uitverkorenen brengen tot eeuwig geluk was de hoge eerzucht die Hem dreef en Hem door een zee van bloed liet waden. O God, als de vrolijkheid van de wereldling allang is uitgedoofd, laat ons dan voor eeuwig met Jezus wonen waar “liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk”. En geef ons ondertussen alvast een onderpand, door Uw liefde hier beneden te proeven.

Wat Trapp opmerkt bij het hemelse vers waarmee de psalm eindigt, is een zoet brokje om rustig over na te denken. Het geeft ons een voorproefje van onze erfenis. Hij schrijft:

“Hier is zoveel gezegd als maar gezegd kan worden, maar woorden zijn te zwak om het uit te drukken. Naar de hoedanigheid zijn er in de hemel vreugde en genoegens. Naar de hoeveelheid is er een volheid, een stroom waaruit zij drinken zonder belemmering of walging. Naar de bestendigheid is het aan Gods rechterhand, Die sterker is dan allen, en niemand kan ons uit Zijn hand nemen: het is een bestendig geluk zonder onderbreking. En naar de eeuwigheid is het voor altoos. De vreugden van de hemel zijn zonder maat, zonder vermenging, en zonder einde.”

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Titel

Over de betekenis van de titel van deze psalm lopen de meningen uiteen. De psalm heet “Michtam van David”. Maar Michtam is gewoon het Hebreeuwse woord, niet vertaald: het Hebreeuwse woord in Engelse letters. Wat het betekent, is in het duister gehuld. Volgens sommigen komt het van een werkwoord dat verbergen betekent, en wijst het dus op een geheim of een verborgenheid. Wie dat denken, zien in de titel een aanwijzing dat de psalm een diepte van leer en geestelijke betekenis heeft die noch de schrijver noch zijn tijdgenoten hadden doorgrond.

Anderen leiden het af van een werkwoord dat snijden, graveren of schrijven betekent. Dan wijst het eenvoudig op een geschrift van David, iets wat hij heeft opgeschreven. Daarmee komen de Chaldeeuwse en de Septuaginta-vertaling overeen. De eerste vertaalt: “een rechte beeldhouwing van David”, en de tweede: “een opschrift op een zuil voor David.” Weer anderen halen “Michtam” van een zelfstandig naamwoord dat goud betekent. Dan is het een gouden psalm: een psalm van uitzonderlijke waarde, het waard om in gouden letters te worden geschreven. Zo zagen onze vertalers het ook, en daarom lezen we in hun kanttekening: “Een gouden psalm van David.” De werken van de beste Arabische dichters heetten goud, omdat ze in gouden letters waren geschreven. Zo kan ook dit gouden lied op een opvallende plek in de tempel zijn opgeschreven en opgehangen. Er zijn nog veel meer verklaringen van dit woord gegeven. Maar zo lang na dato kunnen wij er niet meer in zien dan een kenmerk van dit lied dat we niet meer kunnen aanwijzen.

— James Frame, 1858.

Titel

De rijkdom van deze psalm is zo groot dat sommigen dachten dat de duistere titel “Michtam” haar is meegegeven vanwege haar gouden schatten. Want (Hebr.) wordt gebruikt voor het “goud van Ofir” (bijvoorbeeld Psalm 45:10), en (Hebr.) zou van die wortel kunnen komen. Maar er is een groep van vijf andere psalmen (namelijk 56, 57, 58, 59, 60) die dezelfde titel dragen. Hun inhoud loopt uiteen, maar ze eindigen allemaal in een toon van overwinning. Daarom is voorgesteld dat de Septuaginta het misschien bijna goed heeft met haar Sphlografia, alsof het betekent: “een psalm om opgehangen of op een zuil ingeschreven te worden ter herdenking van een overwinning.”

Nog waarschijnlijker is het echter dat “Michtam” (net als “Maschil”) een muziekterm is. De ware betekenis en het gebruik ervan zijn we kwijt, en we zullen ze pas terugvinden wanneer het verloste huis van Israël met gezang thuiskomt. Intussen is heel duidelijk waar de psalm zelf over gaat: de tevredenheid van de rechtvaardige met zijn lot.

— Andrew A. Bonar.

Gehele psalm

Toegegeven: in vers tien is het duidelijk dat onze Heere in deze psalm aanwezig is. Toch lijkt het ons vergezocht en onnauwkeurig om elk vers toe te passen op Jezus in Gethsemane. Hoe vers negen zou passen bij de doodsstrijd en het bloedige zweet, is moeilijk te begrijpen. Met vers zes is het niet anders. De “beker” van vers vijf is zo’n scherpe tegenstelling met de beker waarover Jezus in benauwdheid van geest bad, dat dit er onmogelijk naar kan verwijzen. Toch vinden wij het juist om eraan toe te voegen dat de heer James Frame een zeer waardevol werk over deze psalm heeft geschreven, met de titel “Christ in Gethsemane”. Zijn theorie steunt hij met de mening van velen onder de ouden. Hij zegt:

“Alle vooraanstaande uitleggers van de oude dagen, zoals Eusebius, Hiëronymus en Augustinus, leggen de psalm uit als betrekking hebbend op de Messias, in Zijn lijden en Zijn overwinning op de dood en het graf, met inbegrip van Zijn daaropvolgende verhoging aan de rechterhand van God.”

In een voetnoot geeft hij de volgende aanhalingen. Hiëronymus: “De psalm behoort aan Christus, Die erin spreekt. . . . . Het is de stem van onze Koning, Die Hij uit in de menselijke natuur die Hij had aangenomen, maar zonder afbreuk te doen aan Zijn goddelijke natuur. . . . . De psalm betreft Zijn lijden.” Augustinus: “Onze Koning spreekt in deze psalm in de persoon van de menselijke natuur die Hij aannam, ten tijde van Zijn lijden; de koninklijke titel die erboven is geschreven, zal dat duidelijk laten zien.”

— C. H. S.

Gehele psalm

In gedachte en taal hangt deze psalm samen met de vorige, en met sleutelwoorden is ze verbonden met de volgende. In de Syrische en Arabische vertalingen draagt zij als titel: een psalm over de verkiezing van de kerk en over de opstanding van Christus.

— Christopher Wordsworth, D.D., 1868.

Vers 1

“Bewaar mij, o God!” David vraagt hier niet om verlossing uit één bepaalde moeilijkheid. Hij bidt in het algemeen dat hij voortdurend door Gods voorzienigheid omheind en beschermd mag worden. Hij wenst dat de Heere Zijn barmhartigheid jegens hem tot het einde toe volhoudt. Zo zag hij in dat hij Gods bewaring aan het einde net zo hard nodig had als op dit moment, en dat hij er in voorspoed niet minder aan hechtte dan in tegenspoed. De man Gods bleef zijn eigen zwakheid vrezen, en erkende daarom dat hij altijd Gods hulp nodig heeft.

Hier hebben we een zeker en onmiskenbaar kenmerk van het kind van God, en dat kenmerk is dit: iemand die er net zoveel moeite voor doet om in het goede vol te houden en erin te groeien als om ermee te beginnen. En dit bidden om de gave van volharding tot het einde is een bijzonder teken van Gods kind. Deze heilige bezorgdheid van de man Gods deed hem verlangen om te allen tijde, in alle omstandigheden, naar ziel én lichaam bewaard te worden.

— Richard Greenham, 1531-1591.

Vers 1

“Want ik betrouw op U.” Hier noemt de profeet de reden waarom hij tot God bidt. Daarmee verklaart hij meteen dat niemand God echt kan aanroepen als hij niet gelooft. Denk aan Romeinen 10:14: “Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben?” David bidt dat God zijn Zaligmaker wil zijn, en hij is er tegelijk volkomen zeker van dat God dat ook zál zijn.

Kunnen we God zonder geloof niet echt aanroepen? Dan bidden de mensen van deze wereld niet als christenen op het moment dat ze deze woorden uitspreken. Ze praten eerder als papegaaien. Want dat ze niet op God vertrouwen, laten ze zien door de toegestane middelen te laten liggen en verboden middelen te gebruiken. Sommigen zien we op hun vrienden bouwen. Anderen denken het kruis met hun bezittingen van zich af te kunnen duwen. Weer anderen omringen zich met macht en aanzien. Of ze baden en smeren zich in genoegens, om de kwade dag ver weg te houden. Er zijn mensen die vlees tot hun arm maken, en mensen die hun vertrouwen stellen op een baar goud, een staaf van het edelste metaal. Als zulke mensen bij de Heere om hulp roepen, hopen ze diep vanbinnen die hulp te vinden bij hun vrienden, hun invloed en hun plezier. Alleen durven ze dat uit angst niet hardop te zeggen, hoe duidelijk het ook uit hun gedrag blijkt.

Let hier ook op waar we kunnen schuilen als de stormen van tegenspoed over ons heen razen: onder de bescherming van de Almachtige. En waarom daar? “Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.” Daarmee wordt in feite getoond dat wie op God vertrouwt, bewaard zal worden. Was dat niet zo, dan zou de reden die de profeet geeft nergens op slaan. En zie nog iets. David beroept zich niet op eigen verdienste. Hij smeekt in geloof. Zo leert hij ons dat wij dezelfde verlossing kunnen krijgen, als we met hetzelfde geloof komen.

— Richard Greenham.

Vers 2

“O mijn ziel! gij hebt tot den HEERE gezegd: Gij zijt de HEERE.” Ik wou dat ik had kunnen horen wat u tegen uzelf zei toen deze woorden voor het eerst klonken! Van sommigen van u denk ik de woorden zo te kunnen raden. Toen u mij die tekst hoorde herhalen: “O mijn ziel! gij hebt tot den HEERE gezegd: Gij zijt de HEERE”, dacht u: ‘Ik heb nog nooit iets tegen de Heere gezegd, behalve toen ik riep: Ga weg van mij, want ik heb geen lust aan de kennis van Uw wegen.’ Is er niet zoiets door uw hoofd gegaan?

Ik probeer het nog eens, op een andere manier. Toen ik de tekst voor het eerst noemde en zei: “Laat mij overwegen”, zei u in stilte tegen uzelf: ‘Ik denk dat ik ooit tegen de Heere heb gezegd: U bent mijn Heere. Maar dat is zo lang geleden dat ik het bijna vergeten was. Het zal wel gebeurd zijn toen ik in moeilijkheden zat. De wereld had mij teleurgesteld, en toen riep ik misschien: U bent mijn deel, o Heere. Of misschien keek ik, toen ik onder diepe indruk was, in de haast van mijn hart omhoog naar God en zei ik: U bent mijn Heere. Maar wat ik vroeger ook kon of wilde zeggen, ik weet zeker dat ik het nú niet kan zeggen.’ Heeft niemand van u zo gedacht?

Eén gok waag ik nog, en ik twijfel er niet aan dat ik nu raak zal schieten. Toen ik deze woorden herhaalde: “O mijn ziel! gij hebt tot den HEERE gezegd: Gij zijt de HEERE”, dacht de één: ‘Zo heb ik het gedaan.’ En de ander dacht: ‘Zo heb ik het gedaan. Ik heb het vaak gezegd, maar met een bijzondere ernst en vreugde zei ik het toen ik laatst, in een daad van nederige overgave, mijn bevrijde, geredde en dankbare ziel aan Zijn voeten neerlegde en uitriep: “Och, HEERE! zekerlijk ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, … Gij hebt mijn banden losgemaakt.”’ Alleen al de herinnering is zoet en goed om aan terug te denken! Nu krijg ik de kans om mijn beloften te vernieuwen. Misschien vind ik daarbij weer iets terug van de goddelijke rust en blijdschap die ik toen mocht voelen.

— Samuel Lavington’s Sermons, 1810.

Vers 2

“Gij zijt de HEERE.” David erkent de Heere Jehova. Maar hij ziet Hem niet als iemand die nog ver weg is. Nee, hij komt dicht bij Hem en omarmt Hem vol liefde. Zo werkt het geloof: het maakt de belofte persoonlijk. Dat noemen wij de bijzondere toepassing in het geloof.

— Robert Rollock, 1600.

Vers 2

“Mijn goedheid raakt niet tot U.” Volgens mij moeten deze woorden worden begrepen van wat de Messias voor mensen deed. “Mijn goedheid” is in het Hebreeuws tobhathi, “mijn mildheid”. Die raakt niet tot U. Wat ik doe, kan helemaal niets toevoegen aan Uw Godheid. Dit overweldigende offer wordt U niet gebracht omdat U er zelf iets goeds uit zou kunnen halen. Nee, deze mildheid strekt zich uit tot de heiligen: tot alle geesten van de volmaakte rechtvaardigen, wier lichamen nog in de aarde liggen. En tot “de heerlijken”, in het Hebreeuws addirey, “de edelen of verhevenen”, zij die door geloof en volharding de beloften erven.

De heiligen en de roemvollen proeven niet alleen van mijn goedheid, ze genieten ook mijn zaligheid. Misschien zijn zelfs engelen bedoeld. Zij zijn niet onverschillig voor de menswording, het lijden, de dood en de opstanding van onze Heere. Zij verlangen ernaar die dingen te doorgronden. En wanneer zondaren zich bekeren door de overwinningen van het kruis, is er blijdschap onder de engelen van God.

— Adam Clarke.

Vers 2

“Mijn goedheid raakt niet tot U”; “Mijn weldoen raakt niet tot U.” O, wat zal ik U teruggeven, mijn God, voor al Uw weldaden aan mij? Helaas, ik kan U niets goeds doen. Mijn onvolmaakte goedheid kan U niet behagen, want U bent volmaakt en de goedheid zelf. Mijn weldoen kan U niet baten, en mijn goddeloosheid kan U niet schaden. Alles wat goed is ontvang ik van U, en niets goeds kan ik U teruggeven. Daarom erken ik dat U zeer rijk bent en ik zelf een bedelaar. Zó ver is het ervan verwijderd dat U mij nodig zou hebben!

Daarom sluit ik mij aan bij Uw volk. Alles wat ik heb, mogen zij gebruiken, zodat zij er voordeel van hebben. En alles wat zij hebben, mag ik gebruiken, zodat ik er voordeel van heb. Wat ik heb ontvangen, moet immers worden uitgeleend, om anderen enige troost te brengen. Wat anderen hebben, hebben zij niet alleen voor zichzelf gekregen. Door hen, als door buizen en leidingen, moet het royaal ook bij mij komen.

Hieruit leren we nog iets anders: dat wij, als we kinderen van God zijn, ons in een heilig verbond bij Zijn volk moeten voegen. Door elkaar te laten delen in Gods gaven, moeten we tegenover elkaar bewijzen dat we bij de gemeenschap van de heiligen horen. Dat is een onmiskenbaar teken en kenmerk van wie God liefheeft: dat hij ook hen liefheeft die uit God geboren zijn. Belijden we dus dat we bij God horen en Hem aanbidden? Dan moeten we ons voegen bij de kerk van God, die samen met ons God aanbidt.

Dat móéten we ook doen, want het is geen keuze. Het hoort immers bij ons geloof dat er in de kerk een gemeenschap van heiligen is. En als we geloven dat er een God is, moeten we ook geloven dat er een rest van mensen is aan wie God Zichzelf openbaart en Zijn barmhartigheid schenkt. In hen moeten we al ons vermaak vinden, en met hen moeten we delen, naar de mate van genade die ieder van ons gekregen heeft.

— Richard Greenham.

Vers 2

“Mijn goedheid raakt niet tot U.” O, wat is Gods goedheid groot voor u! Hij roept ook anderen tot dezelfde dingen. Maar dan lijkt ons geweten op de opzichters van Farao, die wel het aantal stenen eisten maar geen stro gaven. Het dringt en drukt, maar geeft het hart geen enkele ruimte om op adem te komen. Het slaat en verwondt mensen omdat ze tekortschieten. Het lijkt op de harde schuldeiser die de arme schuldenaar bij de keel grijpt en zegt: “Betaal mij, wat gij schuldig zijt”, terwijl hij hem geen enkele kans geeft om te betalen.

Zo zou God ook met u kunnen omgaan, en dat zou Hem niet te verwijten zijn. Hij is ons immers geen hulp verschuldigd, terwijl wij Hem gehoorzaamheid verschuldigd zijn. Bedenk dat we eens de kracht hadden. Het is dus terecht om te eisen wat wij niet kunnen. Want de zwakheid in ons komt van onszelf: we hebben onszelf arm gemaakt. Steekt Hij dan in Zijn grote barmhartigheid Zijn hand uit om in u te werken? Wees dan innig dankbaar, en vergeet dat nooit. Blijft het werk liggen, dan lijdt Hij geen verlies. Wordt het gedaan, en goed gedaan, dan maakt Hij geen winst. Zie Job 22:2; 35:6-8. De winst is helemaal voor u. Alle goeds dat eruit voortkomt, is voor uzelf.

— Joseph Symonds, 1639.

Vers 2 (laatste zinsdeel)

Het is een grotere eer voor ons dat we God mogen dienen, dan voor Hem dat wij Hem die dienst brengen. Wij maken Hem niet gelukkig. Hij maakt ons gelukkig. Hij kan best zonder zulke aardse dienaren, maar wij kunnen niet zonder zo’n hemelse Meester.

— William Secker.

Vers 2 (laatste zinsdeel)

Er wordt niets aan God toegevoegd. Hij is zo volmaakt dat geen zonde Hem kan schaden, en zo rechtvaardig dat geen gerechtigheid Hem kan baten. O Heere, mijn gerechtigheid raakt niet tot U! U hebt mijn gerechtigheid niet nodig. Zie Handelingen 17:24, 25. God heeft aan niets behoefte, helemaal niets.

— Richard Stock, 1641.

Vers 2

Zoals Christus het hoofd van de man is, zo is God het hoofd van Christus (1 Korinthe 11:3). En zoals de mens aan Christus onderdanig is, zo is Christus aan God onderdanig. Dat geldt niet voor Zijn goddelijke natuur, want in die natuur is gelijkheid en dus geen heerschappij of gezag. Het geldt ook niet alleen voor Zijn menselijke natuur. Het geldt voor Zijn taak als Verlosser: als Iemand Die was aangewezen om mens te worden, daarmee instemde en ons vlees aannam. Na die afspraak had God het volle recht om over Hem te beschikken, volgens de voorwaarden waarmee was ingestemd.

Met het oog op Zijn opdracht en op het voordeel dat Hij de uitverkorenen van God op aarde zou brengen, noemt Hij God plechtig “Zijn Heere”. “O mijn ziel! gij hebt tot den HEERE gezegd: Gij zijt de HEERE, mijn goedheid raakt niet tot U; maar tot de heiligen, die op de aarde zijn.” (Engels: Gij zijt mijn Heere.) Dit lijkt me de stem van Christus in de hemel, Die over de heiligen op aarde spreekt alsof zij ver van Hem af zijn. Ik kan niets toevoegen aan de heerlijkheid van Uw majesteit. Maar de hele vrucht van mijn bemiddeling en lijden zal terugvloeien naar de heiligen op aarde.

— Stephen Charnock.

Vers 2, 3

“Mijn goedheid raakt niet tot U; maar tot de heiligen.” Gods goedheid voor ons moet ons barmhartig maken voor anderen. Het zou toch zeer vreemd zijn als een ziel uit Zijn tedere boezem kwam met een hard, liefdeloos hart. Sommige kinderen lijken inderdaad niet op hun aardse ouders. Cicero’s zoon had niets van zijn vader dan de naam. Maar alle kinderen van God hebben deel aan de aard van hun hemelse Vader.

De wijsbegeerte leert ons dat er van de aarde geen terugwerking naar de hemel gaat. De hemellichamen geven wel hun invloed aan de wereld beneden en maken haar levendig en vruchtbaar. Maar de aarde geeft niets terug om de zon beter te laten schijnen. David wist dat zijn goedheid God niet bereikte, en juist dat deed hem haar uitstrekken naar zijn broeders. God heeft Zijn arme heiligen inderdaad achtergelaten om de huur te ontvangen die wij Hem voor Zijn barmhartigheid verschuldigd zijn. Een welopgevoede gast geeft aan de bedienden toch iets, ook al wil zijn vriend niets voor het onthaal aannemen. Zo laat hij zien hoe dankbaar hij is.

— William Gurnall.

Vers 3

“Maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in dewelke al mijn lust is.” Mijn broeders, zie heiligheid als de grootste voortreffelijkheid die er is, en heb haar daarom lief. Christus deed dat. Zijn oog was op “de heerlijken”. Dat wil zeggen: op de heiligen, die in Zijn ogen heerlijk waren. Ja, zelfs toen zij nog geen heiligen waren, omdat God hen liefhad. Zie Jesaja 43:4.

Het is vreemd om te horen hoe mensen een heilige als zodanig kleineren, zodra hij geen andere uiterlijke voortreffelijkheid heeft. Ze geven toe dat iemand een heilige is, en toch kijken ze in andere opzichten op hem neer. “Hij is een heilig man”, zeggen ze, “maar hij is zwak”, enzovoort. Maar is hij een heilige? Bestaat er dan een andere tekortkoming of zwakheid die hem in uw gedachten klein maakt naast andere, vleselijke mensen die meer uitblinken? Heeft Christus hem niet liefgehad, gekocht, verlost?

— Thomas Goodwin.

Vers 3

“Maar tot de heiligen.” Ik begrijp het zo: een mens toont zijn liefde tot God en tot wie God liefhebben, wanneer zijn ziel naar hen verlangt. Hij bindt zichzelf eraan hen lief te hebben door hen praktisch te dienen en goed te doen. Hij gaat met hen om zoals hij met God Zelf zou omgaan, als hij zag dat Hij zijn hulp nodig had. Zo zegt David dat hij deed.

— Juan de Valdés, 1550.

Vers 3

“De heiligen.” De papisten kunnen alleen heiligen verdragen die in de hemel zijn. Dat bewijst dat zij in een koninkrijk van duisternis leven en dwalen, want zij kennen de Schriften niet en ook de kracht van God niet. Als ze maar een beetje thuis waren in de Schriften, in de heilige brieven, zouden ze bijna in elke brief vinden dat er gesproken wordt over de heiligen die daartoe geroepen zijn in Jezus Christus, door Wie ze door de Heilige Geest geheiligd zijn.

En merk op dat hij hen “heerlijken” noemt. Sommigen vinden rijke mensen heerlijk, anderen geleerde mensen, en weer anderen mensen met gezag. Maar hier leren wij dat heerlijk zijn wie door Gods genade geheiligd zijn.

— Richard Greenham.

Vers 3

Volgens Davids woorden waren er in zijn dagen veel bijzondere heiligen: “Tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in dewelke al mijn lust is.” Was dat toen zo, en zou het nu niet zo moeten zijn? We weten dat het Nieuwe Testament het Oude overtreft zoals de zon de maan. Leven wij dan in een heerlijker tijd, moeten we dan niet ook een heerlijker leven leiden?

“De heerlijken.” Als de zon niet meer vreugde gaf dan een ster, zou u niet kunnen geloven dat zij de heerser van de dag was. Als zij niet meer warmte gaf dan een glimworm, zou u eraan twijfelen of zij de bron van alle warmte was. Als God niet meer deed dan een schepsel, waar bleef Zijn Godheid dan? Als een mens niet meer deed dan een redeloos dier, waar bleef zijn menselijkheid dan? Als een heilige niet boven een zondaar uitstak, waar bleef zijn heiligheid dan?

— William Secker.

Vers 3

Ingo, een oude koning van de Draven, gaf eens een prachtig feestmaal. Hij liet zijn edelen, die toen nog heidenen waren, beneden in de zaal zitten. Een aantal arme christenen liet hij naar zijn eigen ontvangzaal halen. Zij mochten bij hem aan tafel zitten en eten en drinken van zijn koninklijke maaltijd. Velen verbaasden zich daarover. Hij zei dat hij christenen, hoe arm ook, een groter sieraad voor zijn tafel vond en zijn gezelschap meer waard dan de grootste edelen die niet tot het christelijk geloof bekeerd waren. Want die edelen konden naar de hel worden gestoten, terwijl de christenen zijn troosters en medevorsten in de hemel konden zijn.

Soms ziet u de sterren weerspiegeld in een plas, op de bodem van een put of in een stinkende sloot. Toch staan de sterren aan de hemel. Zo ook: ziet u een godvruchtig mens in een arme, ellendige, lage en verachte positie, wat de dingen van deze wereld betreft, dan is hij toch vastgezet in de hemel, in het gebied van de hemel. “En heeft ons mede opgewekt”, zegt de apostel, “en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus.”

— Charles Bradbury’s “Cabinet of Jewels”, 1785.

Vers 3

Om het samen te vatten: we moeten erkennen dat we de godvruchtigen niet zo liefhebben als we zouden moeten, en dat we dat ook niet kunnen. Toch is er niets aan de hand zolang we hen méér willen liefhebben, en onszelf klein vinden omdat we hen niet méér liefhebben. Merk ik dat dit bij mij gewoon zo gaat? Dan zit ik juist goed. Waarom moeten we de godvruchtigen liefhebben? Ten eerste omdat God het gebiedt, en ten tweede omdat zij goed zijn. Zo werkt ons geloof door in onze liefde voor goede mensen.

Kijk maar naar mijzelf. Als het slecht met mij gaat, ben ik als een ziek schaap. Dan trek ik me niets aan van de andere schapen en zit ik te mokken in een hoekje. Maar bij de bokken of de honden zoek ik evenmin gezelschap, en dat bewijst dat er nog wat goed bloed in mij zit. Op zo’n moment vind ik weinig of geen vreugde in mezelf of in mijn God. Daarom vind ik ook in de godvruchtigen niet de vreugde die ik zou moeten vinden. Maar zoals ik mezelf ondanks alles blijf liefhebben, zo houd ik ondanks alles ook van hen.

De mens is nu eenmaal een gezelschapsdier, zolang hij zichzelf is. Zoeken we geen aansluiting bij de goddelozen, ook al hebben we op dit moment weinig zin om ons onder de godvruchtigen te laten zien? Dan valt het mee. Dat is een zonde uit zwakheid, geen vrucht van ongerechtigheid. De discipelen liepen bij Christus weg, maar ze gingen niet naar de andere kant, zoals Judas deed. Hij liet zijn Meester in de steek en voegde zich bij de vijanden van zijn Meester. De discipelen kwamen juist bij elkaar. Sommigen zeggen dat Demas berouw heeft gekregen, en ik houd dat voor waar. Dan heeft hij “de tegenwoordige wereld liefgekregen” maar voor even, toen het hem zo uitkwam. Stel dat hij Paulus verliet: dat hebben betere mensen dan hij ook gedaan.

Zolang iemand zijn genoegens om zich heen heeft, omarmt hij die van deze tegenwoordige wereld, of anders die van de toekomende wereld. Hij kiest voor Paulus of blijft aan de wereld hangen. Wat houdt ons overeind in deze verzoeking? Ten eerste dat het gezelschap van bokken ons niets zegt. Ten tweede dat we, zoals het hoort, ook echt willen en verlangen om vreugde te vinden bij de schapen. Dan zien we hen als de enige voortreffelijke mensen op aarde, de mensen in wie ons hele hart ligt. De conclusie is: de heiligen liefhebben omdát ze heiligen zijn, is een gezond bewijs van geloof. Onze gevoelens kunnen we immers niet door liefde de baas worden. Eerst moet ons verstand door het geloof worden getemd.

— Richard Capel, 1586-1656.

Vers 4

“Drankofferen van bloed.” De heidenen hadden de gewoonte om een deel van het bloed van hun offers uit te gieten, en soms ook op te drinken. Dat kon bloed van dieren zijn of van mensen, al naargelang wat er werd geofferd.

— Matthew Poole.

Vers 4

“Drankofferen van bloed.” We weten niet zeker wat deze uitdrukking betekent. Bedoelt de dichter echt bloed, dat de heidenen in hun plengoffers goten wanneer ze met een eed een verschrikkelijke daad op zich namen? Of worden hun plengoffers alleen in beeldspraak ‘offers van bloed’ genoemd, om te laten voelen hoe afschuwelijk de schrijver ze vond?

— George R. Noyes, over deze plaats, 1846.

Vers 4 (laatste zinsdeel)

Een zonde die je onder je tong laat rollen, wordt zacht en soepel. De keel is bovendien zo’n korte, gladde doorgang dat de zonde ongemerkt van de mond naar de maag kan glijden. Zo slaat een wellustige gedachte die je blijft koesteren, al snel om in echte onreinheid.

— Thomas Fuller.

Vers 5

“De HEERE is het deel mijner erve.” Is de Heere uw deel? Dan mag u daaruit afleiden: Zijn almacht is mijn deel, Zijn onmetelijkheid en Zijn alle-genoegzaamheid ook, enzovoort. Maar zeg nu niet: ‘Dan zou ik zelf almachtig moeten zijn!’ Er is een groot verschil tussen hetzelfde zijn en deel hebben aan iets, en tussen het krijgen van een eigendomsbewijs en het veranderen van je wezen. Stel dat een vriend u een onbetaalbare schat geeft, met alle waarborgen die u maar kunt wensen. Zou u dan ontkennen dat die schat van u is, omdat u zelf niet in haar aard bent veranderd? Zo is het ook met de eigenschappen van God. Ze zijn de uwe, als uw erfdeel, zoals uw land van u is. Niet omdat u zelf van aard bent veranderd, maar omdat het eigendomsrecht aan u is overgedragen. Ze zijn aan u geschonken en worden ingezet voor uw bestwil. En als een ander ze beheert, die dat met meer voordeel voor u kan doen dan u zelf? Dan doet dat geen afbreuk aan uw recht.

. . . . . De Heere is ons deel. Dat is onvergelijkelijk veel meer dan wanneer we hemel en aarde zouden bezitten. De hele aarde is immers maar een stipje naast de ruimte van de hemelen, en zelfs de hemelen zijn maar een stipje naast God. Wat hebben we dan een groot bezit! Het kan ons nooit worden afgepakt en we kunnen er nooit uit worden verbannen. Ons deel vult hemel en aarde. Het gaat oneindig ver boven de hemel uit, reikt dieper dan de aarde en strekt zich voorbij beide uit. Arme mensen snoeven en pochen over een koninkrijk, maar wij hebben meer dan alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid samen. Christus heeft ons meer gegeven dan de duivel Hem kon aanbieden.

— David Clarkson.

Vers 5

“Deel mijner erve, en mijns bekers” kan een verwijzing zijn naar het eten en drinken dat we dagelijks krijgen, maar ook naar het erfdeel van Levi. Zie Deuteronomium 18:1, 2.

— “Critical and Explanatory Pocket Bible”. Door A. R. Fausset en B. M. Smith, 1867.

Vers 5, 6

“De HEERE is het deel mijner erve, … De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.” “Welgelukzalig is het volk, dien het alzo gaat; welgelukzalig is het volk, wiens God de HEERE is.” Een volk, een gezin of een mens kan geen groter geluk overkomen dan dit: dat God in hun midden woont. Kijken we naar hoe kostbaar en voortreffelijk het geschenk is, dan is het de grootste genade. Kijken we naar de goede wil van Hem Die het geeft, dan blijkt het net zo goed de grootste gunst.

Hoe groot Gods goede wil is, zie je al aan wat Hij geeft. Hij geeft Zichzelf, zodat wij Hem kennen. Een mens kan zijn bezittingen weggeven aan iemand van wie hij niet eens zo veel houdt. Maar zichzelf geeft hij alleen weg uit diepe liefde. God geeft royaal aan alles wat Zijn handen gemaakt hebben. Hij laat Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en Hij laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Maar dat Hij Zichzelf wil geven als ons deel, als vriend, als vader, als echtgenoot, is alleen te begrijpen uit een overvloed aan liefde. Wie God dus niet wil leren kennen, wijst de grootste gunst af die God ooit aan een mens heeft bewezen.

Bedenk eens hoe zwaar die beschuldiging is! Zo’n vriendelijkheid van God misbruiken is het laagste wat je kunt doen. David was nog nooit zo woedend geweest als toen de koning van Ammon zijn vriendelijkheid misbruikte, na de dood van diens vader, in de manier waarop hij Davids gezanten behandelde. En God is zeer verontwaardigd wanneer Zijn grootste barmhartigheid, uit de grootste liefde geschonken, wordt afgewezen en weggegooid. Wat kon God méér en beter geven dan Zichzelf?. . . . .

Vraag het David maar: wat vindt hij van God? David kende Hem goed. Zelf woonde hij in Zijn huis en wilde, als het aan hem lag, nooit meer weg uit Zijn directe nabijheid en gezelschap. Vraag hem toch eens wat hij aan Hem misde. Om zijn mening beter te leren kennen: hij heeft op meer dan één of twee plaatsen opgeschreven wat voor vriend hij aan God heeft gehad. “De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.” Maar waar bent jij toch zo trots op, David? Hebben anderen niet net zo goed koninkrijken gehad als jij? Nee, daar gaat het niet om. Een kroon is een van de minste juwelen in mijn schatkist: “De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers.”

— James Janeway.

Vers 5, 6

Kijk niet alleen naar Gods barmhartigheid, maar naar God in Zijn barmhartigheid. Weldaden smaken nooit zo goed als wanneer ze smaken naar een Zaligmaker.

— Ralph Venning, 1620-1673.

Vers 6

“De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.” Bittere kruiden gaan er best in als je zulk heerlijk “voedsel hebt waarvan de wereld niet weet”. Weten dat onze Vader van ons houdt, is als honing aan het eind van elke roede. Het verandert stenen in brood en water in wijn, en het dal van moeite in een deur van hoop. De grootste ellende lijkt dan alsof ze er niet is, of zelfs beter dan niets. Want het maakt van onze woestijnen de tuin van de Heere. Hangen we voor Christus aan het kruis, dan is het alsof we samen met Christus in het paradijs zijn.

Wie zou zijn plicht nog opgeven uit angst voor lijden, als hij daarin zo’n troost heeft? Wie zou niet liever in de waarheid blijven wandelen, nu hij zo’n steun in de rug heeft? Dat is toch beter dan dat je, geleid door vleselijke wijsheid, een of andere sluipweg of kromme route kiest om zelf aan het lijden te ontkomen?

— Timothy Cruso.

Vers 6

“De snoeren.” Waarschijnlijk wordt hier gedoeld op het verdelen van het land door het lot, waarbij het werd afgemeten met touwen en meetsnoeren. David geloofde in een lot dat de grenzen van zijn woonplaats en bezit bepaalde. Maar hij deed meer dan dat geloven: hij legde zich tevreden neer bij alles wat God, Die alles van tevoren heeft bepaald, voor hem had beschikt.

— C. H. S.

Vers 7

“Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven.” De Heilige Geest is een Geest van raad. Krachtig onderwijst Hij ons en overtuigend laat Hij ons zien hoe we moeten handelen en leven. Hij richt ons op het rechte pad en laat ons met vaste tred lopen. Zo behoedt Hij ons voor menige zonde, want Hij drukt op tijd Zijn onderricht met sterke hand op ons hart, zoals in Jesaja 8:11. Dezelfde profeet zegt ook (Jesaja 11:2) dat Hij de Geest is van raad en sterkte. Van raad om ons te leiden, van sterkte om de inwendige mens te versterken.

Zo was Hij ook voor Christus, ons Hoofd, van Wie hier wordt gesproken. Denk aan Zijn doodsstrijd, waarvan onze zaligheid afhing, en aan Zijn worsteling in de hof, toen Hij bad: “Laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan.” Het was deze goede Geest Die Hem toen de raad gaf te sterven. En Hij loofde God daarvoor: “Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven.” Die raad liet Zijn hart in dat uur zeggen: “Niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.”

— Thomas Goodwin.

Vers 7

“Mijn nieren.” Uit de dagelijkse ervaring weten we dat wat er in onze geest gebeurt, vooral de hartstochten van vreugde, verdriet en angst, een opvallend effect heeft op de nieren. Ze liggen verborgen diep in het lichaam, ingebed in vet. Daarom worden ze in de Schrift vaak gebruikt voor de meest verborgen bewegingen van de ziel en van onze gevoelens.

— John Parkhurst.

Vers 7

“Zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren.” Dit laat zien dat God, Die volgens David altijd bij hem was, hem in zijn dromen een vermaning had gegeven, of anders in wat hij ’s nachts wakker dacht. Daaruit haalde hij de zekerheid dat hij zou herstellen. Misschien kreeg hij zelfs een geneesmiddel aangewezen. Antoninus bedankt de goden dat ze hem in zijn slaap op geneesmiddelen hebben gewezen.

— Z. Mudge, over deze plaats, 1744.

Vers 7

“Zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren.” Wij kennen het gezegde dat “het kussen de beste raadgever is”. Er zit veel waarheid in, vooral als we ons eerst in gebed aan God hebben toevertrouwd en met een biddend hart naar bed zijn gegaan. In de stille uren van de nacht storen onze hartstochten ons niet en hoeven we de strijd van de wereld niet te voeren. Dan kunnen we met ons eigen hart spreken en leren en gewaarschuwd worden voor de weg die voor ons ligt, zelfs “bij nacht”.

David lijkt deze uren tot een bron van groot voordeel én van diepe vreugde gemaakt te hebben. Soms dacht hij graag over God na terwijl hij op zijn bed lag. Zonder twijfel dacht hij dan na over Gods goedheid en over de weg waarop Hij hem had geleid. Dan voelde hij zich als het ware gedrongen om, zelfs midden in de nacht, op te staan en te bidden. Zeggen we dus dat het kussen een goede raadgever is, laten we dan met David ook erkennen dat het de Heere is Die de raad geeft en het onderricht stuurt in de nacht.

— Burton Bouchier.

Vers 8

“Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij.” David zette de Heere niet maar af en toe voor zich, bij vlagen en met tussenpozen. David zette Hem “geduriglijk” voor zich, op heel zijn levensweg. David hield zijn oog op de Heere gericht, en dat betekent het Hebreeuwse woord ook: ik heb de Heere gelijkelijk voor mij gesteld. Dat is de kracht van het oorspronkelijke woord: ik stelde de Heere voor mij, het ene moment net zo goed als het andere, zonder enige ongeregelde neiging of hartstocht, enzovoort. Op elke plek, in elke situatie, in elk gezelschap, bij elk werk en elk plezier heb ik de Heere gelijkelijk voor mij gesteld. Dát verhief David, en dát tilt elke christen stap voor stap op tot een grote hoogte van heiligheid.

— Thomas Brooks.

Vers 8

“Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij.” Hebreeuws: ik heb gelijkelijk gesteld, of voorgehouden. De apostel vertaalt het zo: “Ik zag den Heere allen tijd voor mij.” Handelingen 2:25. Ik richt het oog van mijn geloof volledig op Hem en laat het niet naar andere dingen afdwalen. Ik kijk Hem recht in het gezicht, oculo irretorto, zoals de arend in de zon kijkt, en oculo adamantino, met een oog van diamant, dat zich maar op één punt richt. Zo heb ik hier de Heere gelijkelijk voor mij gesteld, zonder ongeregelde neigingen en hartstochten. En dit was een van de lessen die zijn nieren hem hadden geleerd, de lessen die de Heilige Geest hem had ingegeven.

— John Trapp.

Vers 8

“Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij.” De wijzer van een zonnewijzer wijst altijd naar de noordster, of hij nu in een kist van goud, zilver of hout zit opgesloten. Hij verliest nooit zijn aard. Zo hoort ook een trouwe christen zijn geloof en hoop voortdurend stevig te bouwen en te gronden op Christus, of hij nu rijk is of gebukt gaat onder armoede, of hij in deze wereld hoog of laag staat. Het hart en de geest van de christen moeten vast in Hem verankerd zijn. Hij moet Hem volgen door dik en dun, door vuur en water, door oorlog en vrede, door honger en kou, door vrienden en vijanden, door duizend gevaren en bedreigingen, door de golven en de branding van nijd, boosaardigheid, haat, kwaadsprekerij, smadelijke woorden, de verachting van de wereld, het vlees en de duivel. Ja, hij moet Hem volgen tot in de dood zelf, hoe bitter, wreed en tiranniek die ook is. Nooit mag hij Christus uit het oog verliezen. Nooit mag hij zijn geloof, hoop en vertrouwen op Hem opgeven.

— Robert Cawdray.

Vers 8

“Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij.” Door vaak aan God te denken, wordt het hart aangetrokken tot verlangen naar Hem. Jesaja 26:8: “Tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziel.” En kijk wat er in vers 9 op volgt: “Met mijn ziel heb ik U begeerd in den nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken.” Liefde zet de ziel aan tot nadenken, en nadenken zet haar aan tot bidden.

Overpeinzing is gebed in staven, gebed in het erts, dat snel wordt gesmolten en gegoten tot heilige verlangens. De zware wolk geeft al gauw regen, en het geladen kanon gaat meteen af als er vuur bij komt. Een ziel die overpeinst, is in proxima potentia tot gebed.

— William Gurnall.

Vers 8

“Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij”, enzovoort. Wie door het geloof God onophoudelijk ziet als zijn beschermer in de nood, “zal niet wankelen” onder het kwaad dat hij moet doorstaan. En wie door het geloof God ziet als zijn voorbeeld in heiligheid, laat zich niet bewegen om het goede op te geven. Eén gedachte houdt ons al tegen om naar rechts of links af te dwalen: de Heere staat aan onze rechterhand.

Van Henoch wordt gezegd dat hij “wandelde met God” (Genesis 5:22). Het verhaal van zijn leven is heel kort, maar toch staat er een tweede keer van hem (vers 24) dat hij “wandelde met God”. Hij liep zó veel met God op, dat hij ging lopen zoals God. Hij wandelde niet “naar den mens” (die manier van wandelen bestraft de apostel in 1 Korinthe 3:3). Hij wandelde zó weinig zoals de wereld, dat zijn verblijf in de wereld kort was. “Hij was niet meer”, zegt de tekst, “want God nam hem weg.” God nam hem uit de wereld mee naar Zichzelf, of, zoals de schrijver aan de Hebreeën het meldt: “Door het geloof is Enoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zou zien; … want voor zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij Gode behaagde.”

— Joseph Caryl.

Vers 8

“Omdat Hij aan mijn rechterhand is”, enzovoort. Op eigen kracht houden wij het nooit vol; door Zijn kracht kunnen we altijd overwinnen. En wanneer de aanval het felst is, staat Hij steeds klaar aan onze rechterhand om ons te steunen en overeind te houden, zodat we niet vallen. Wie in waarheid begonnen is, heeft een goed begin gemaakt en zal gelukkig doorgaan met zijn werk. Want ware genade, goed in het hart geplant, houdt eeuwig stand, hoe zwak ze ook is. Elk volledig verval heeft dezelfde oorzaak: het hart is nooit werkelijk week gemaakt, en de genade heeft er nooit diep en vanzelfsprekend wortel geschoten.

— John Ball.

Vers 8

“Omdat Hij aan mijn rechterhand is.” Dit gezegde komt van mensen die iemand onder hun hoede nemen, zijn zaak verdedigen of zijn voogd worden. Zij laten hem aan hun rechterhand staan, de plek waar hij het veiligst is. Kinderen bewijzen dat uit ervaring. Zodra er gevaar dreigt, duiken ze weg onder de armen of handen van hun vader, alsof die een stevig schild zijn. Zó stond het met die man van God, zoals hier blijkt: Gods kracht omringde en omheinde hem als een heg, tegen het kwaad van het ogenblik én tegen de gevaren die nog zouden komen.

— Richard Greenham.

Vers 8

Een kolom of zuil staat soms aan uw rechterhand en soms aan uw linkerhand. Dat komt doordat ú van plaats verandert, want u gaat staan, zitten of lopen, terwijl de zuil onbeweeglijk op één plek blijft. Zo is het ook met God. Soms is Hij goedgunstig en royaal voor u, en soms lijkt Hij boos en vol toorn op u te zijn. Dat komt doordat u zelf valt van deugd in ondeugd, van gehoorzaamheid en nederigheid in trots en aanmatiging. Want bij de Heere is geen verandering, ja, zelfs geen schaduw van verandering. Hij is onveranderlijk, altijd dezelfde en eeuwig.

Als u zich wilt buigen tot gehoorzaamheid en tot een deugdzaam, godvruchtig leven, zult u in Hem altijd een sterke rots hebben, waarop u vrijmoedig een burcht en een toren van verdediging kunt bouwen. Hij zal voor u een machtige zuil zijn, die hemel en aarde draagt. U kunt tegen Hem aan leunen zonder bedrogen uit te komen, en op Hem vertrouwen zonder teleurgesteld te worden. Hij zal altijd aan uw rechterhand staan, zodat u niet valt. Hij zal uw partij kiezen en u krachtig verdedigen tegen alle vijanden van uw lichaam en van uw ziel.

Maar als u de deugd de hand schudt en haar vaarwel zegt, als u de wegen van God verlaat, leeft zoals het u goeddunkt, uw eigen verdorvenheid volgt en nergens een gewetenszaak van maakt, en uzelf bezoedelt en bevlekt met allerlei zonde en ongerechtigheid, wees dan zeker: de Heere zal u verschijnen in Zijn grimmigheid en verontwaardiging. Van Zijn gerechtigheid en Zijn oordelen kan niemand u ooit verlossen.

— Robert Cawdray.

Vers 9

“Daarom is mijn hart verblijd.” Mensen kunnen een tijd lang luisteraars van het evangelie zijn. Ze kunnen om de goede orde bidden, zingen en de sacramenten ontvangen. Maar gebeurt dat zonder vreugde, breekt die huichelarij dan op den duur niet door? Raken ze niet moe? Nee, zijn ze dan niet net zo bereid om elke andere leer aan te horen? Goede dingen vinden in onze verdorvenheid niet lang onderdak, tenzij de Heilige Geest ons van onze oude genoegens heeft afgebracht en ons zoveel vermaak in deze dingen laat vinden.

— Richard Greenham.

Vers 9

“Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich.” Zijn innerlijke vreugde kon zich eenvoudig niet inhouden. Bij lagere gelegenheden betuigen wij ons genoegen al volop, zelfs wanneer onze zinnen bevredigd worden: wanneer ons oor zich vult met harmonieuze melodieën, ons oog rust op bewonderenswaardige en schone dingen, onze reuk wordt verkwikt door aangename geuren, en onze smaak door de fijnheid en zeldzaamheid van de spijzen. Hoeveel méér zal onze ziel haar vermaak tonen wanneer haar vermogens, die veel fijner van samenstelling zijn, dingen ontmoeten die in alle opzichten bij hen passen en hen blij maken! In God ontmoeten zij dat alles: door Zijn licht wordt ons verstand verkwikt, en onze wil door Zijn goedheid en Zijn liefde.

— Timothy Rogers.

Vers 9

“Daarom is mijn hart verblijd”, enzovoort. Dat wil zeggen: het gaat mij door en door uitstekend, zoals het hart maar kan wensen of verlangen. Ik stroom buitengewoon over van vreugde. “God vergeve mij mijn ondankbaarheid en onwaardigheid voor zo’n grote heerlijkheid”, zei die martelaar. “In al de dagen van mijn leven ben ik nooit zo vrolijk geweest als nu in deze donkere gevangenis”, enzovoort.

Goddeloze mensen verheugen zich op de schijn af, en niet in hun hart (2 Korinthe 5:12). Hun vreugde is maar huiddiep, hun vrolijkheid schuimend en vluchtig, het soort dat de mond nat maakt maar het hart niet verwarmt. David daarentegen is totus totus, quantus quantus exultabundus: van top tot teen en met alles wat hij is, juichend van blijdschap. Zijn hart, eer en vlees (volgens sommigen overeenkomend met wat de apostel noemt in 1 Thessalonicenzen 5:23: geest, ziel en lichaam) waren alle drie overblij.

— John Trapp.

Vers 9

“Ook zal mijn vlees zeker wonen” (Engels: ook mijn vlees zal rusten in hoop). Wanneer een Jood zijn beddengoed in pand gaf, zorgde God er in Zijn barmhartigheid voor dat het vóór de nacht teruggegeven moest worden. “Want”, zegt Hij, “dat alleen is zijn deksel, het is zijn kleed over zijn huid; waarin zou hij liggen?” Exodus 22:27. Zo is ook hoop het deksel van de heilige, waarin hij zich wikkelt wanneer hij zijn lichaam neerlegt om te slapen in het graf: “Ook zal mijn vlees”, zegt David, “zeker wonen.”

O christen, haast u om uw hoop te lossen voordat de zon van uw tijdelijk leven over u ondergaat, anders gaat u zeker in droefheid liggen. Wie geen hoop heeft op een opstanding ten leven, gaat een droevige gang naar het bed van het graf.

— William Gurnall.

Vers 9

“Ook zal mijn vlees zeker wonen” (Engels: ook mijn vlees zal rusten in hoop). Hoop die op het Woord gegrond is, geeft de ziel rust. Ze is een anker dat haar stevig vasthoudt. Hebreeën 6:13. Dat laat zien hoe onwrikbaar datgene is waaraan ons anker vastzit. De belofte schraagt ons geloof, en ons geloof is wat ons draagt. Wie op het Woord hoopt zoals David (Psalm 119:81), laat er een geweldig gewicht op rusten, zoals Simson deed toen hij op de pilaren van het huis leunde en het zo over de Filistijnen liet instorten.

Een gelovige legt het hele gewicht van al zijn zaken en belangen, tijdelijk, geestelijk en eeuwig, op de beloften van God, als een man die besloten heeft met die beloften te staan of te vallen. Hij waagt zichzelf en alles wat hem toebehoort volledig op dit fundament. Dat komt in feite neer op de woorden: als zij mij niet willen dragen, dan neem ik het erbij dat ik zink. Ik weet dat alles wat de Heere mij gezegd heeft vervuld zal worden, en daarom zal ik daar onophoudelijk naar uitzien.

— Timothy Cruso.

Vers 10

“Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten”, enzovoort. Als titel boven deze gouden tekst zou kunnen staan: De balseming van de gestorven heiligen. De kracht ervan is dat zij de zielen bevrijdt van verlating in de staat des doods, en de lichamen van Gods heiligen behoedt voor verderf in het graf. Het is de kunst die ik graag wil leren, en bij deze droevige gelegenheid [een lijkrede] ook wil onderwijzen: het bereiden van dit confituur voor onze begrafenissen.

— George Hughes, 1642.

Vers 10

Veel van de oudere Reformatoren hielden vast dat onze Heere naar de ziel werkelijk in de hel is neergedaald. Volgens sommigen deed Hij dat om daar als onze borg te lijden, volgens anderen om een openbare zegetocht over dood en hel te houden. De puriteinen verwierpen dit denkbeeld bijna allemaal, en naar onze overtuiging zeer terecht. Om dit te bewijzen kan het goed zijn een passage aan te halen uit Corbets geestige reisverhaal “Foure clerkes of Oxford, doctors two, and two That would be doctors.”

Daarin klaagt hij over de verwereldlijking van kerkelijke bezittingen te Banbury door de puriteinen. Hij beschrijft hen als:

“Die leren
Dat Christus niet ter helle is neergedaald,
Maar enkel in het graf.”

— C. H. S. De aanhaling is uit Richard Corbets Poems, 1632.

Vers 10

“Mijn ziel in de hel.” Christus daalde naar de ziel in de hel neer toen Hij Zichzelf als onze borg onderwierp aan het dragen van die helse smarten (of daaraan gelijkwaardige), die wij vanwege onze zonden voor eeuwig hadden moeten lijden. Zijn nederdaling is Zijn Zich werpen in de zee van Gods toorn, die om onze zonden was opgewekt, en Zijn binnengaan in onuitsprekelijke benauwdheden en pijnigingen in Zijn ziel, die wij anders voor eeuwig in de hel hadden moeten lijden.

Deze wijze van Christus’ nederdaling in de hel wordt uitdrukkelijk uitgesproken in de persoon van David, als beeld van Christus. Psalm 86:13; 116:3; 69:2-4. Zo zegt ook de profeet Jesaja: “Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben.” Jesaja 53:10. En dit bedoelt David, naar ik meen, toen hij van Christus zei: “Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten.” Psalm 16; Handelingen 2. Zo daalde Christus dus in de hel neer toen Hij leefde, niet toen Hij dood was. Zo was Zijn ziel in de hel toen Hij in de hof bloed zweette, en aan het kruis toen Hij zo jammerlijk uitriep: “Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!” Mattheüs 26:38.

— Nicholas Byfield, “Exposition of the Creed”, 1676.

Vers 10

“In de hel.” Scheool betekent hier, net als hades in het Nieuwe Testament, de staat van de doden: de gescheiden staat van de zielen na de dood, de onzichtbare wereld van zielen. Daar was Christus’ ziel, hoewel zij er niet bleef maar op de derde dag tot haar lichaam terugkeerde. Het lijkt het beste dit woord te verklaren van het graf, zoals het ook vertaald wordt in Genesis 42:38 en Jesaja 38:18.

— John Gill.

Vers 10

“Uw Heilige.” Heiligheid behoedt de ziel voor verlating in de staat des doods, en het lichaam van de heilige voor verval in het graf. Wie daaraan twijfelt en met eigen ogen in de tekst de duidelijke uitkomst daarvan wil zien, zal ik laten lezen met een sterk accent op de woorden “Uw Heilige”. Dan zal hij in het bijzonder letten op het karakter van de man die van deze kwaden wordt vrijgesteld.

Hier legt de Geest van God het volle gewicht op heiligheid, die dood en graf tegenwerkt en overwint. Het is dit, en niets anders dan dit, wat de mens, dood en begraven, behoudt voor verlating in de dood en verderf in het graf.

— George Hughes.

Vers 10

De grote belofte aan Christus is dat Hij, hoewel Hij een verderfelijk lichaam aannam, “de verderving” niet zou zien. Dat wil zeggen: Hij zou er geen deel aan hebben. Het verderf zou geen gemeenschap met Hem hebben, laat staan macht over Hem.

— Joseph Caryl.

Vers 10

Deze woorden worden door de apostel Petrus aangehaald (Handelingen 2:27). Hackett (Com. in loc.) merkt daarover op: “De zin kan dan aldus worden uitgedrukt: Gij zult mij niet overgeven als prooi aan de dood; hij zal geen macht over mij hebben om het lichaam te ontbinden en het tot stof te doen wederkeren.”

Vers 11

In dit vers zijn vier dingen op te merken:

  1. Een Gids: Gij.
  2. Een reiziger: mij.
  3. Een weg: het pad.
  4. Het einde: leven, hierna beschreven. Want wat volgt is slechts de beschrijving van dit leven.

Dit vers is een mooi onderwerp om over na te denken. Want alle vier staan zij op zichzelf: de Gids is slechts één, de reiziger één, de weg één, en het leven is het enige. Daar goed over nadenken betekent alles samenbrengen, en ten slotte die vier tot één maken. Laten wij daarom eerst onze Gids zoeken, opdat we dit kunnen doen.

De Gids. Hem vinden wij genoemd in het eerste vers: Jehova. Hier mogen wij beginnen, zoals we in alle heilige oefeningen behoren te doen, met aanbidding. Want “voor Mij zal alle knie zich buigen”, ja, voor Zijn naam. Want heilig is Zijn naam. U zij de heerlijkheid, o God! Hij is Deus, daarom heilig; Hij is Deus fortis, daarom bekwaam. “De hoogten der bergen zijn Zijne” (Engels: de sterkte der bergen is de Zijne), en als er ergens op aarde een weg is, kan Hij die “bekend maken” (Engels: tonen), want in Zijn handen zijn alle hoeken der aarde.

Maar is Hij ook bereid om te “tonen”? Ja, zeker! Hoewel Hij Deus is, heilig (een woord dat vreselijk is voor arm vlees en bloed), is Hij toch Deus meus, mijn heiligheid. Dat neemt slaafse vrees weg. Hij is meus: wij hebben een eigendom in Hem. En Hij is bereid: “Gij zult mij … bekend maken”, enzovoort. Wilt u weten hoe vastberaden Hij zal leiden? David laat daar wat hoger al zien hoe ijverig Hij leidt. Ten eerste: Hij zal voorgaan, Hij zal Zelf de weg wijzen. Als ik Hem maar kan volgen, ga ik zeker goed. En wie een gids vóór zich heeft en niet wil volgen, verdient het achtergelaten te worden.

Maar stel dat ik bereid ben, dat ik verlang te gaan en ook echt volg. Wat als ik op die lange weg door zwakte vaak val? Of als ik door gebrek aan zorg van de weg afstap? Word ik dan niet achtergelaten? Vrees niet, want “Omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen.” Vers 8. Dat is inderdaad een troost. Maar wij worden zo snel moe op deze weg, en vallen en dwalen zo vaak, dat zelfs een goede gids de moed zou ontzinken, als hij ons ook maar één dag moest leiden. Zal Hij ons dan blijven dragen en volharden tot het einde? Ja, altijd! Of deze tekst bedriegt ons, want dit alles staat in het achtste vers.

Wij moeten Hem hebben of niemand, want Hij is één, en de enige. Zo beleed ook Asaf: “Wien heb ik nevens U in den hemel?” Zoek deze goede Gids, Hij is gemakkelijk te vinden: “Zoekt, en gij zult vinden.” U zult ontdekken dat Hij ten eerste heilig is, ten tweede bekwaam, ten derde bereid, ten vierde ijverig en ten vijfde standvastig. O mijn ziel, volg Hem! Dan zal Hij u bekwaam maken om Hem tot het einde te volgen, en heilig aan het einde.

De reiziger. Nu we de Gids gevonden hebben, hoeven we niet lang te zoeken naar iemand die Hem nodig heeft. Kijk maar: hier loopt een man die van de weg af is geraakt. Dat wordt snel duidelijk als we onze blik op zijn toestand richten. Hij is een vreemdeling (“Gij zult mij … bekend maken”), en wat ben ik? “Ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders”, zegt hij elders. Maar dat was in de oude tijd onder de wet. Zijn wij dan, hun zonen in het evangelie, iets anders? Petrus zegt ons van niet: ook wij zijn vreemdelingen en bijwoners, dat wil zeggen reizigers. Wij zijn onderweg, want we leven ver van ons vaderland, en de mensen met wie we omgaan blijven ons vreemd. De inboorlingen zijn onze vrienden niet, en niets van wat we bezitten is écht van onszelf.

Het is hoog tijd dat we animum revertendi kregen, de wil om terug te keren. En die hebben we ook zeker, als we onderweg maar zouden bidden: Converte nos Domine. Maar we zijn al zo lang geleden hierheen gekomen dat we de weg naar huis kwijt zijn: obliti sunt montis mei. Toch blijven we onderweg, en, zo denken we, naar huis. Want allen hopen op het goede: oculi omnium sperant in te. Maar wel als pelgrims, of liever als dwalers. We weten nauwelijks of we wel de goede kant op gaan, en, erger nog, het kan ons weinig schelen om de weg te vragen.

“Mij.” David blijft in het enkelvoud. Zoals er maar één Gids is, zo spreekt hij ook in de persoon van slechts één reiziger. Misschien schuilt daar een bedoeling achter: hij wil zijn vertrouwen laten zien. Het Onze Vader staat in het meervoud, maar de geloofsbelijdenis in het enkelvoud. We mogen bidden dat God allen zou leiden, maar vertrouwen kunnen we alleen voor onszelf hebben. “Gij zult mij … bekend maken” (Engels: Gij zult tonen), of U toont, of hebt getoond, zoals sommigen vertalen: het is allemaal bedoeld om een bijzonder, persoonlijk vertrouwen te tonen. “Gij zult mij … bekend maken”: mij, niet ons, een onbepaald aantal waarin ik er maar een van ben. Nee, mij in het bijzonder, die buiten de weg ben, die zelf alleen ben, die “het pad” alleen moet bewandelen. Ik moet volgen, of anderen voorgaan. Ik moet voor mijzelf alleen werken, voor mijzelf alleen geloven en door Eén alleen zalig worden.

De weg die ik volgens deze tekst moet gaan, is slechts één. Ja, het is maar een “pad” waar slechts één persoon kan lopen. Dit is geen grote weg maar een weg die we uit gunst mogen gebruiken: hij is niet van ons. Het is geen straat. U kunt hier niet voortjagen of in troepen galopperen. Het is slechts semita, een smal voetpad om alleen op te gaan. En zoals het een weg voor één is, zo is het ook een eenzame weg: preparate vias ejus in solitudine, zegt Johannes, en hij wist welke weg God ging, Die onze Gids is in solitudine. Daar ligt de zoetheid van de eenzaamheid, de vertroosting van de overpeinzing. Want God is nooit vertrouwelijker met de mens dan wanneer de mens in solitudine is, alleen, op zijn pad, bij zichzelf.

Christus Zelf kwam zo, geheel eenzaam, zonder gevolg of lawaai. Hij meed altijd de rumoerige menigte, hoewel zij Hem tot koning wilden maken. Tot hen sprak Hij nooit anders dan in gelijkenissen, maar tot de Zijnen, die Hem zochten in solitudine, in het bijzonder, sprak Hij duidelijk. Zo doet Hij ook nu nog het liefst met de ziel: in het bijzonder en persoonlijk. Daarom zei David terecht: “Gij zult mij … bekend maken”, in het bijzonder, en in het enkelvoud.

Maar hoe weet ik dat ik, in het bijzonder, zal worden onderwezen en dit pad getoond zal krijgen? Deze profeet, die het had ervaren, zal het ons zeggen: mites docebit, de nederigen zal Hij leren. Psalm 25:9. Als u zich kunt vernederen, mag u er zeker van zijn uw Gids te zien. Christus heeft deze deugd met een zegen gekroond: “Zalig zijn de zachtmoedigen”, want hen zal Hij tot Zich roepen en onderwijzen. Maar dan moet u wel nederig zijn. Want de hemel is gebouwd als onze kerken: van binnen hoog van dak, maar met een nauwe, lage poort. Wie daar naar binnen gaat, moet zich bukken voordat hij God kan zien. Nederigheid is de wegwijzer op elk kruispunt waaraan u zult weten of u op de weg bent. Is iemand anders gezind, ook dat zal God u openbaren, want: “Gij zult mij … bekend maken.”

“Het pad.” Maar laten we nu zien wat Hij ons zal tonen: “Het pad.” We moeten weten dat mensen buiten hun grote weg, de wereld, veel paden hebben, die allemaal in het verderf eindigen. Zo heeft ook God buiten Zijn grote weg, het Woord, vele paden, maar die eindigen allemaal in zaligheid. Laten we onze paden tegenover de Zijne zetten (zoals ze ook werkelijk tegenover elkaar staan) en zien hoe ze zich tot elkaar verhouden. De onze zijn het opmerken niet waard, de Zijne dragen om te beginnen het merkteken attendite, let op! De onze zijn bloedig, de Zijne onbezoedeld. De onze zijn krom, de Zijne recht. De onze leiden naar de hel, de Zijne naar de hemel. Hebben wij dan niet gedwaald? We moesten ons omkeren en een ander pad nemen, en wel snel. We mogen terecht zeggen: semitas nostras, . . . vias tuas.

Welnu, hier is het Boek, en hier liggen de wegen voor u, en Hij zal ze u tonen. Hier is semita mandatorum, in de honderdnegentiende psalm, vers vijfendertig. Hier is semita pacifica (Spreuken 3:17), hier semita aequitatis (Spreuken 4:11), hier semita justitiae (Psalm 23:3), hier semita judicii (Spreuken 17:23), en nog vele andere. Elk van die wegen is een weg van God, maar het zijn er nogal wat, en ze liggen te ver van ons af. We moeten de weg zoeken waar ze allemaal samenkomen, en die zal ons in “het pad” brengen. Dit zijn er vele, maar “ik wijs u een weg, die nog uitnemender is”, zegt Paulus. 1 Korinthe 12:31.

We moeten beginnen bij de via mandatorum, de weg van de geboden. Zolang we daar niet zijn, tasten we in het donker. Dan kunnen we geen weg van een andere onderscheiden en weten we niet of hij goed is of slecht. Maar daar hangt een lantaarn met een licht erin: “Het gebod is een lamp, en de wet is een licht.” Spreuken 6:23. Draag die bij u, zoals een goed mens hoort te doen (lex Dei in corde ejus: de wet van God in zijn hart), en ze zet u op de goede weg.

Zie toch hoe zorgzaam onze Gids is! Het licht kon door de wind worden uitgeblazen. Daarom zette Hij het in een lantaarn, om het te beschermen. Want de vrees voor de sanctie, de straf die op de “geboden” staat, houdt de herinnering aan de wet levend in ons hart, zoals een lantaarn de vlam beschermt die erin brandt. De wet is het licht en het gebod is de lantaarn. Zo kan noch de vleiende Zephyrus noch de razende Boreas het doven, zolang de vrees voor de sanctie het omsluit. Dit is de lucerna pedibus, de lamp voor de voet (Psalm 119:105). Ze laat u niet alleen zien waar u moet stappen, maar ook hoe snel u moet lopen.

Hebt u dit licht? Luister dan naar de raad van Jeremia en vraag naar de semita antiqua, het oude pad, voordat u verder gaat. “Staat”, zegt hij, “op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor uw ziel.” Dat brengt u ergens waar u een tijdje kunt uitrusten. Waar dan? Volg het pad en u zult merken dat deze “oude weg” dwars door het hele Oude Testament loopt, tot hij uitkomt in het Nieuwe: het evangelie van vrede. Daar is rust. Paulus bevestigt dat. De wet, de “oude weg”, is immers maar de leermeester die ons naar het evangelie leidt. Het evangelie is dus “een weg, die nog uitnemender is” dan de wet, waarvan de ceremoniën er vergeleken “zwakke en arme beginselen” heetten. Komen we daar aan, dan is de weg aangenaam en heel licht. Dan zien we helder dat ene pad voor ons, dat enige pad: “het pad des levens” (semita vitae). Daarin loopt het evangelie uit, zoals de wet in het evangelie uitloopt.

Maar wat is die semita vitae waar we naar op zoek zijn? “Al Uw geboden zijn waarheid”, zegt David. Psalm 119:151. Hij zegt niet dat ze verae zijn, ‘ware dingen’, of veritates, ‘waarheden’, maar veritas: samen vormen ze één waarheid. Zo komen alle wegen van God uit bij die ene waarheid. Semita vitae is dus de waarheid. En de waarheid is zo zeker een weg naar het leven, dat Johannes zegt “geen meerdere blijdschap” te kennen dan te horen dat zijn kinderen “in de waarheid wandelen”. 3 Johannes 1:4. “Geen meerdere blijdschap”, want de waarheid brengt hen zeker bij een vreugde waar niets bovenuit gaat.

De via veritatis is “het evangelie der waarheid”, maar de semita vitae is de waarheid zelf. Jesaja profeteerde erover: “et erit ibi semita et via”, enzovoort. “En aldaar zal een verheven baan en een weg zijn.” Die weg zal de heilige weg heten. Dat is de eigenlijke eretitel van het evangelie: “het heilige evangelie” is de weg. Het pad is de korte samenvatting van die weg. In onze tekst heet het bij wijze van uitnemendheid “het pad”, in het enkelvoud, want er is geen ander boven. “Het Evangelie uwer zaligheid”, zegt Paulus, is “het woord der waarheid”. En onze Zaligmaker zegt tot Zijn Vader: “Uw woord is de waarheid.” De waarheid is dus “het pad des levens”. Ze is de korte samenvatting van het evangelie, en het evangelie is de weg.

Dit is de waarheid waarnaar Pilatus vroeg, die ongelukkige man, maar waarvan hij het antwoord niet afwachtte. Hij Zelf is het Woord, het Woord is de waarheid en de waarheid is “het pad des levens”. Alle aartsvaders, profeten, apostelen, martelaren en belijders die ons voorgingen naar de hemel, hebben het bewandeld. Het is de kern van het evangelie, de poort van de hemel, semita vitae, “het pad des levens”: Jezus Christus, de Rechtvaardige. Hij heeft de weg voor ons gebaand. Hij is Zelf voor ons uit gegaan en heeft de afdrukken van Zijn voetstappen achtergelaten, zodat wij die kunnen volgen. En Hij zit daar Zelf klaar om ons te ontvangen. Zo is de wet het licht, het evangelie de weg en Christus “het pad des levens”.

— William Austin, 1637.

Vers 11

Hier juicht Christus bij de gedachte aan Zijn verhoging en geniet Hij van de vruchten van Zijn lijden: “Gij zult mij het pad des levens bekend maken.” De weg naar het paradijs was versperd door een vlammend zwaard. God heeft die nu geopend en het pad gebaand door het Hoofd van de gelovige wereld in de hemel toe te laten. Ook dát hoort bij de vreugde van Christus’ ziel. Waar eerst overweldigend verdriet was, is nu een volheid van vreugde, een genot dat verzadigt. Het is een “verzadiging der vreugde”, geen paar vonken en druppels zoals Hij die af en toe kende in Zijn vernederde staat. En dat alles in de tegenwoordigheid van Zijn Vader!

Zijn ziel wordt gevoed en gelaafd doordat Hij voortdurend God mag zien. In Gods gezicht ziet Hij geen frons meer en geen plan meer om Hem als een dienstknecht te behandelen. Er zijn alleen nog glimlachen, die Hem een eindeloze stroom van vreugde geven en Zijn ziel vullen met verse, zuivere vuren. Het zijn genoegens waarbij de grootste vreugden van dit leven niets dan angst en schrik zijn. Zijn ziel kent vreugde zonder vermenging, genoegens zonder getal, een volheid zonder gebrek, een bestendigheid zonder onderbreking en een duur zonder einde.

— Stephen Charnock.

Vers 11

“Bij Uw aangezicht”, enzovoort. De gezegende ziel die rust in Abrahams schoot, krijgt een lichaam dat onsterfelijk is, geen pijn meer voelt, straalt en volmaakt en heerlijk is. Wat een gelukkige ontmoeting zal dat zijn! Wat een lieflijke begroeting tussen ziel en lichaam, de naaste en dierbaarste vertrouwden die er ooit waren! Wat een welkom zal die ziel haar geliefde lichaam geven! “Gezegend ben je”, zal ze zeggen, “want je hebt me geholpen tot de heerlijkheid die ik heb genoten sinds ik van je scheidde. Gezegend ben je, omdat je je liet doden en je leden stelde ‘Gode tot wapenen der gerechtigheid’.” Romeinen 6:13. “Wees getroost, want de tijd van arbeid is voorbij en de tijd van rust is aangebroken. Je bent gezaaid en begraven in het stof van de aarde, in oneer, maar nu ben je opgewekt in heerlijkheid. Gezaaid in zwakheid, opgewekt in kracht. Gezaaid een natuurlijk lichaam, opgewekt een geestelijk lichaam. Gezaaid in verderfelijkheid, opgewekt in onverderfelijkheid.” 1 Korinthe 15:43.

“O mijn dierbare gezel en vertrouweling! We hebben samen zoete raad gehouden en als vrienden samen gewandeld in Gods huis (Psalm 55:15). Want als ik innerlijk bad, stond jij er uiterlijk bij met gebogen knieën en opgeheven handen. We zijn medearbeiders geweest in het werk van de Heere. We hebben samen geleden, en nu zullen we altijd samen regeren. Ik ga weer in je in, en zo gaan wij samen in de vreugde van onze Meester, waar we genoegens zullen hebben aan Zijn rechterhand voor altoos.”

De heiligen zijn als het ware binnengegaan in de kamers van Gods tegenwoordigheid. Hun oren zullen genieten van hun eigen aanbeveling en lof: “Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht” (Mattheüs 25:21). En ze zullen de goddelijke taal van het hemelse Kanaän horen. Want onze lichamen zullen vera et viva zijn, echt en levend, volmaakt als het heerlijke lichaam van Christus. Dat lichaam kon na Zijn opstanding zowel anderen horen als Zelf spreken, zoals de geschiedenis van het evangelie laat zien.

Denk er eens over na. Woorden van wijzen, op het juiste moment gesproken, zijn als “gouden appelen in zilveren gebeelde schalen” (Spreuken 25:11). De honingzoete taal van Origenes, de zilveren bazuin van Hilarius en de gouden mond van Chrysostomus betoverden hun toehoorders en vervulden hen met buitengewoon groot genoegen. Zelfs de innemende welsprekendheid van heidense redenaars, wier tong nooit werd aangeraakt met een kool van Gods altaar, wist de harten van hun hoorders te stelen en hen mee te voeren waarheen ze maar wilden. Wat zal het dan een “verzadiging der vreugde” zijn om in het koninkrijk der heerlijkheid niet alleen de geheiligde, maar ook de verheerlijkte stemmen van heiligen en engelen te horen! . . . . . Bonaventura vertelt, zonder veel bewijs, dat de heilige Franciscus eens een engel een tijdje op een harp hoorde spelen. Het ontroerde hem zo buitengewoon dat hij dacht in een andere wereld te zijn.

O, wat een “verzadiging der vreugde” zal het zijn om meer dan twaalf legioenen engelen te horen, samen met een schare gelukkige heiligen die niemand kan tellen, en allemaal tegelijk zingen: “Halleluja, heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was, en Die is, en Die komen zal.” “En alle schepsel, dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op den troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid.” Openbaring 4:8; 5:13. Hier in deze wereld bereiken stemmen van gewone mensen en het geluid van hoorn, trompet, harp, schalmei, psalter, hakkebord en andere goed gestemde instrumenten ons maar door doffe oren. Toch grijpen ze ons zo aan dat al onze gevoelens op allerlei manieren worden meegevoerd, al naar de soort harmonie. Hoe vervoerd zullen we dan zijn in Gods tegenwoordigheid, als we hemelse melodieën horen met hemelse oren!

En die “verzadiging der vreugde” voor de andere zintuigen? Daarover vind ik in de heilige Schrift heel weinig, of niets. Gods Geest wil er geen pen voor ter hand nemen. Dan mag ik er ook geen tong voor hebben. Toch zeggen godgeleerden meestal dat ruiken, proeven en voelen een vreugde zullen kennen die bij hun gezegende staat past. Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen en dit sterfelijke onsterfelijkheid. Het lichaam dat in zwakheid wordt gezaaid, wordt in kracht opgewekt. Het wordt gezaaid als natuurlijk lichaam, maar opgewekt als geestelijk lichaam. Het wordt begraven in oneer en opgewekt in heerlijkheid. Dat wil zeggen: het is ontvankelijk voor het goede en kan niet meer lijden, dus het kan op geen enkele manier meer door het kwade geraakt worden. Zelfs in het vuur van de hel zou het geen schade oplopen, net zomin als Sadrach, Mesach en Abednego schade opliepen in de brandende oven. Kortom: God is voor de zielen én voor de lichamen van de heiligen alles in alles. Hij is een spiegel voor hun gezicht, honing voor hun smaak, muziek voor hun gehoor en balsem voor hun reuk.

— John Boys.

Vers 11

“Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht.” De heiligen op aarde zijn allemaal viatores, reizigers, dwalende pelgrims ver van huis. De heiligen in de hemel zijn comprehensores: zij zijn veilig aangekomen aan het einde van hun reis. Wij die hier nu zijn, zijn voorlopig niet meer dan vreemdelingen midden in het gevaar. We verliezen onszelf en ons leven in het land van de stervenden. Maar over niet al te lange tijd vinden we ons leven en onszelf terug in de hemel, bij de Heere des levens, door Hem gevonden in het land van de levenden. Als we bij ons sterven in de Heere des levens zijn, zijn onze zielen zeker gebonden in de bundel des levens. Dan zullen we ze, als we weer leven, zeker terugvinden in het leven van de Heere.

Wat hebben we nu? Een drachme, een schroepel, een korreltje geluk, tegenover een ons, een pond, een duizend gewicht aan zwaarmoedigheid. Een druppel vreugde tegenover een oceaan van verdriet. Een ogenblik rust tegenover een eeuw van pijn. Maar dan (zoals de heilige Augustinus zo lieflijk zegt in zijn Alleenspraken) krijgen we eindeloze rust zonder enige pijn, echt geluk zonder enige zwaarmoedigheid, de grootste maat van gelukzaligheid zonder de minste ellende, de volste vreugde die denkbaar is, zonder een spoor van smart. Laten we daarom nu (zoals de heilige Gregorius de godgeleerde ons aanraadt) onze zwaarste lasten lichter maken en onze bitterste bekers van smart verzoeten. Laten we dat doen door onophoudelijk na te denken over de volheid van vreugde in Gods tegenwoordigheid, en door er standvastig naar uit te zien, en naar het genoegen aan Zijn rechterhand voor altoos.

“Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht”, enzovoort. Daar is het! Er staat niet: daar was het, of: daar mag het zijn, of: daar zal het zijn. Nee: daar is het, zonder ophouden en zonder onderbreking. Daar is het altijd geweest, daar is het nu, en daar móet het zijn. Het is een uitspraak aeternae veritatis, van eeuwige waarheid, die altijd waar is. Je kunt op elk moment zeggen dat het daar is.

“Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht.” Hierin ligt de voltooiing van het geluk. Want wat wil iemand die hier is nog méér dan vreugde? Welke maat vreugde kan hij nog meer wensen dan volheid? En welke volheid zou hij liever willen dan déze, de volheid kat’ exochèn, de volheid bij uitstek? Waar zou hij die volheid liever genieten dan in de tegenwoordigheid van God, de altijd stromende, altijd overvloeiende fontein van vreugde? En wanneer wil hij haar genieten, aan de bron zelf? Nu! Voortdurend, zonder ophouden. Al deze begeerlijke dingen liggen binnen het bereik van dit ene opmerkelijke woord, en samen vormen ze de voltooiing van ware gelukzaligheid. “Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht.”

— Edward Willan, “The Consummation of Felicity”, 1654.

Vers 11

In de hemel kan de menselijke natuur van Christus op twee manieren heerlijkheid, geluk en verrukking ontvangen. De eerste is de pure gemeenschap en omgang met Zijn Vader en met de andere Personen van de Godheid, want Hij is persoonlijk met de Godheid verenigd. Christus spreekt Zelf over deze vreugde in die gemeenschap als iets wat Hij mag genieten: “Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.”

Dit is een vaste en blijvende volheid van genot. Er kan niets bij en er gaat niets af. Ze is altijd dezelfde, volkomen en geheel in zichzelf compleet. En alleen al zij is genoeg voor de Zoon van God, de erfgenaam van alle dingen, om van te leven, ook al zou Hij van geen enkel schepsel ooit vreugde of vermaak ontvangen hebben. Dit is Zijn natuurlijke erfenis.

— Thomas Goodwin.

Vers 11

“Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht.” In de hemel kent niemand enig gebrek. Er kan daar niets ontbreken, behalve het ontbreken zelf. Je kunt er het gemis van kwaad vinden, maar nooit het kwaad van een gemis voelen. Kwaad is immers niets anders dan het ontbreken van goed, en het ontbreken van kwaad is niets anders dan de afwezigheid van gemis. God is goed, en in God kan geen gebrek aan goed bestaan. Welk gebrek zou dan nog te dragen zijn in de tegenwoordigheid van God, waar geen kwaad is maar louter goed, zodat de volheid van vreugde genoten kan worden?

Hier op aarde eten sommige mensen zonder enige honger, terwijl anderen honger lijden zonder ook maar iets te eten. Sommigen drinken zich buiten zinnen zonder dorst, terwijl anderen omkomen van de dorst zonder een druppel te drinken. Maar in de heerlijke tegenwoordigheid van God wordt niemand verwend met te veel en niemand uitgehongerd met te weinig. Wie veel van het hemelse manna verzameld had, “had niet over”; en “die weinig verzameld had, had niet te weinig”. Wie eenmaal door die tegenwoordigheid van God is gegrepen, is er zó vol van dat hij nooit meer de ellende van dorst of honger kan voelen.

— Edward Willan.

Vers 11

“Verzadiging.” Daar zal elke ziel een oneindig geluk beleven, omdat ze een oneindige goedheid geniet. En ze geniet die voor eeuwig, zonder er genoeg van te krijgen, zonder haar kwijt te raken en zonder dat er iets aan ontbreekt. In die tegenwoordigheid, door de nabijheid van dat goede, zal elke ziel zoveel goeds ontvangen als ze maar kan opnemen of kan wensen. Precies genoeg om volkomen gelukkig te zijn.

Ieder wordt dus tot de rand gevuld, ieder naar zijn eigen maat. En elk verlangen in elke ziel wordt zó volmaakt gestild, in die tegenwoordigheid van heerlijkheid en met de heerlijkheid van die tegenwoordigheid, dat niemand ooit nog iets méér zal willen of wensen, ooit moe zal worden van wat hij heeft, of het ooit voor iets anders zou willen ruilen.

— Edward Willan.

Vers 11

“Verzadiging der vreugde.” Wie bij de zee aankomt, klaagt niet dat hij zijn regenput mist. Misschien heb jij je troost gehaald bij je dierbaren. Maar als je bij de oceaan komt en bij Christus bent, zul je nooit treuren om de regenput die je achterliet. In de hemel is niets wat verdriet veroorzaakt. Daar is vreugde, en niets dan vreugde, van begin tot eind. Zo wordt de hemel ook beschreven: “Ga in, in de vreugde uws heeren.” Hier komt de vreugde bij ons binnen, daar gaan wij zelf de vreugde binnen. De vreugden die we hier kennen komen uit de hemel; de vreugden die we bij Christus zullen hebben zijn zonder maat en zonder vermenging. “Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht.”

— Thomas Watson.

Vers 11

“Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht.” In dit leven is onze vreugde vermengd met droefheid, als een doorn onder de roos. Jakob was blij toen zijn zonen uit Egypte terugkwamen met zakken vol koren, maar hij werd diep bedroefd toen hij het zilver in de opening van de zak vond. David was erg blij toen hij de ark van God binnenhaalde, en toch had hij tegelijk groot verdriet over de slag die Uzza trof. Hierin zit de grote wijsheid van de HEERE, onze God: Hij tempert en matigt onze vreugde. Mensen met een zwakke gezondheid moeten hun wijn aanlengen met water, uit angst dat ze er onwel van worden. Zo moet ook onze vreugde in dit leven (zo zwak zijn wij) met droefheid vermengd zijn, zodat we niet duizelig en overmoedig worden.

Hier is onze vreugde vermengd met vrees (Psalm 2): “Verheugt u met beving.” De vrouwen gingen van het graf van onze Heere weg “met vreze en grote blijdschap”. Mattheüs 28:8. Ook als wedergeboren mensen hebben we vreugde van Christus, Die in ons “een gestalte” gekregen heeft. Maar de indruk van Gods verschrikkingen uit de tijd vóór onze nieuwe geboorte blijft als een spoor in ons achter. Zo blijft na een zware storm op zee, ook als de wind allang is gaan liggen, de deining nog lang voelbaar. Een tedere moeder die haar kind nét op tijd voor een val behoedt, is blij dat ze het terug heeft, maar ze beeft nog van schrik om het gevaar. Zo gaat het ook met ons. Door de rijke en tedere barmhartigheid van onze God worden we uit gevaarlijke valpartijen overeind geholpen (soms komt Hij ons voor, soms herstelt Hij ons achteraf). We verheugen ons dan in Zijn barmhartigheid en in ons herstel uit de strikken van Satan. Maar midden in die vreugde maakt de herinnering aan onze vroegere schuld en het gevaar waarin we zaten ons hart nederig, met veel verdriet en een zekere siddering.

Zoals onze vreugde hier met vrees vermengd is, zo ook met droefheid. Gezonde gelovigen kijken op naar Christus, de Gekruisigde, en verheugen zich in Zijn onvergelijkelijke liefde: zo’n Persoon is zo’n dood gestorven voor mensen die door hun zondige neigingen en goddeloze daden vijanden van God waren. Maar ze kijken ook neer op hun eigen zonden, die de Heere der heerlijkheid hebben verwond en gekruisigd. Dat breekt hun hart, net zoals een weduwe rouwt die door haar eigenzinnige en lichtzinnige gedrag het hart van een vriendelijke, liefhebbende man heeft gebroken.

Gezonde gelovigen zien ook naar het kleine begin van genade in zichzelf en verheugen zich in het werk van Gods handen. Maar zodra ze dat vergelijken met de oorspronkelijke gerechtigheid van het begin, treuren ze bitter. Zo deden de oudsten van Israël bij de herbouw van de tempel (Ezra 3:12): “Die het eerste huis gezien hadden, … weenden.”

In de hemel daarentegen zal onze vreugde vol zijn, zonder een spoor van droefheid (Johannes 16:20). “Uw droefheid”, zegt onze Heere, “zal tot blijdschap worden.” Dan is er geen verdriet meer om een zorg van nu, en geen angst meer voor zorgen die nog komen. Dan raakt wat hun ogen zien hun hart tot in de diepte. Het zien en kennen van God, het hoogste en oneindige Goed, zal hun hele hart verrukken en vervullen met vreugde en verlustiging. Petrus op de berg (Mattheüs 17) was zo overweldigd door dat heerlijke gezicht dat hij alle genoegens én zorgen beneden vergat: “Het is goed, dat wij hier zijn”, zei hij. Hoeveel te meer zullen we alle wereldse zorgen en geneugten vergeten bij dat zielverzadigende zien van God in de hemel! Het staat net zo ver boven wat Petrus op de berg zag als de derde hemel boven die berg uitsteekt, en als de ongeschapen heerlijkheid boven de geschapene.

— William Colvill, “Refreshing Streams”, 1655.

Vers 11

“Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.” Merk op: wat de soort betreft, gaat het om genoegens; wat de hoeveelheid betreft, om volheid; wat de waardigheid betreft, om Gods rechterhand; wat de duur betreft, om voor altijd. Miljoenen jaren, vermenigvuldigd met miljoenen, zijn nog niet één minuut van die eeuwigheid van vreugde die de heiligen in de hemel zullen hebben.

In de hemel is geen zonde die je vreugde kan afnemen, geen duivel die je vreugde kan afnemen en geen mens die je vreugde kan afnemen. “Niemand zal uw blijdschap van u wegnemen.” Johannes 16:22. De vreugde van de heiligen in de hemel kent nooit eb, alleen vloed, tot alles vervuld is. De vreugden van de hemel vervagen niet, verwelken niet, sterven niet, worden nooit kleiner en nooit onderbroken. Die vreugde is blijvend en eeuwig: in haar wortel en in haar oorzaak, in haar inhoud en in haar voorwerpen. “Hun vreugde duurt eeuwig, wier voorwerpen eeuwig blijven.”

— Thomas Brooks.

Vers 11

“Liefelijkheden … eeuwiglijk.” Een ziel die eenmaal aan de hemelse kust is aangekomen, heeft alle stormen achter zich. De verheerlijkte ziel zal zich eeuwig baden in de rivieren van genoegens. Dát maakt de hemel tot hemel: “Alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.” 1 Thessalonicenzen 4:17. Augustinus zegt: “Heere, ik wil alle pijn en marteling in deze wereld wel dragen, als ik maar één dag Uw aangezicht mag zien. Maar helaas! Als het maar één dag was, en ik daarna weer uit de hemel werd gegooid, zou dat de ellende alleen maar groter maken.” Maar dit woord, “altijd met den Heere”, vult alles aan en maakt de krans van heerlijkheid compleet. Een staat van eeuwigheid is een staat van veiligheid.

— Thomas Watson.

Vers 11

Hier ligt dus een stevige reden tot troost voor elke ziel die gebukt gaat onder de slepende bitterheid van dit leven. Voor kort verdriet hier krijgen we eeuwige vreugde; voor een beetje honger een eeuwig feestmaal; voor lichte ziekte en tegenspoed eeuwige gezondheid en zaligheid; voor een kleine gevangenschap eindeloze vrijheid; voor smaad heerlijkheid. In plaats van de goddelozen die hen onderdrukken en kwellen, krijgen zij engelen en heiligen om hen te troosten en te verkwikken. In plaats van Satan, die hen folteren en verzoeken wil, krijgen zij Jezus, Die hen verrukt en ontroert.

Jozefs gevangenis verandert in een paleis; Daniëls leeuwenkuil in de nabijheid van de Leeuw uit de stam van Juda; de brandend hete oven van de drie jongemannen in het nieuwe Jeruzalem van zuiver goud; Davids Gath in de tabernakel van de levende God.

— John Cragge, “Cabinet of Spiritual Jewels”, 1657.

Vers 11

Dit hemelse feestmaal zal nooit ophouden, anders dan het feestmaal van Ahasveros, dat toch vele dagen duurde. Hier geldt: “liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.”

— William Colvill.

Wenken voor de dorpsprediker

Michtam van David. Onder de titel “De Gouden Psalm” heeft kanunnik Dale een klein boek uitgegeven. Het is waardevol als een reeks van goede en eenvoudige toespraken, maar het had nauwelijks een “uitleg” mogen heten. Wij vonden het goed om de koppen van de hoofdstukken waarin zijn boek is verdeeld hier over te nemen, want er zit veel schijn in zijn suggesties, en misschien ook wat degelijks.

Vers 1

Het zoeken van het goud. De gelovige die zich van het gevaar bewust is en voor verlossing alleen op God vertrouwt.

Vers 2 en 3

Het bezitten van het goud. De gelovige die voor zijn rechtvaardiging alleen op de gerechtigheid van God let, en intussen persoonlijke heiligheid bewaart door de omgang met de heiligen.

Vers 4 en 5

Het beproeven van het goud. De gelovige die in de Heere zijn deel van nu vindt en zijn eeuwige erfenis verwacht.

Vers 6

Het waarderen of schatten van het goud. De gelovige die zichzelf feliciteert met de lieflijkheid van zijn woning en het goede van zijn erfdeel.

Vers 7 en 8

Het gebruiken van het goud. De gelovige die ’s nachts onderricht zoekt in de raadslagen van de Heere, en overdag Zijn belofte in de praktijk beleeft.

Vers 9 en 10

Het optellen of berekenen van het goud. De gelovige die blij is en God looft om de belofte van rust in hoop en van opstanding in heerlijkheid.

Vers 11

Het voltooien van het goud. De gelovige die aan Gods rechterhand de volheid van vreugde en de liefelijkheden voor altijd ervaart.

Bij deze veelzeggende psalm geven wij uit vele mogelijkheden de volgende korte wenken:

Vers 1

Het gebed en het pleidooi. De Bewaarder en de vertrouwende. De gevaren van de heiligen en de plaats van hun toevlucht.

Vers 2

“Gij zijt de HEERE.” De ziel die zich Hem toe-eigent: haar trouw, haar zekerheid, haar belijdenis.

Vers 2 en 3

De invloed en reikwijdte van het goede. Het is geen winst voor God, voor overleden heiligen of voor zondaren, maar voor levende mensen. De noodzaak van bereidwilligheid, enzovoort.

Vers 2 en 3

Kenmerken van oprecht geloof.

I. Trouw aan het gezag van God.

II. Afwijzing van eigengerechtigheid.

III. Goeddoen aan de heiligen.

IV. Waardering voor heilige voortreffelijkheid.

V. Vreugde in hun gezelschap.

Vers 3

“De heerlijken.” Dit kan ook vertaald worden met edelen, wonderbaarlijken of prachtigen. Dat zijn zij door hun nieuwe geboorte, hun nieuwe natuur, hun kleding, hun gevolg, hun erfenis, enzovoort, enzovoort.

Vers 3

“In dewelke al mijn lust is.” Waarom christenen voorwerpen van onze liefde en verlustiging moeten zijn. Waarom wij zo weinig vreugde in hen vinden. Waarom zij zo weinig vreugde in ons vinden. Hoe we onze gemeenschap voor elkaar aangenamer kunnen maken.

Vers 3

Een collecte-preek voor arme gelovigen.

I. Het zijn heiligen.

II. Heiligen op de aarde.

III. Zij zijn heerlijk.

IV. Wij moeten in hen onze vreugde vinden.

V. Wij moeten ook onze goedheid naar hen uitstrekken.

— Matthew Henry.

Vers 4

De smarten van de afgoderij, toegelicht aan heidenen én aan onszelf.

Vers 4 (tweede zinsdeel)

De plicht om zich helemaal van zondaren af te scheiden, in levenswandel en in spraak.

Vers 5

De toekomstige erfenis en de beker van nu, gevonden in God. (Zie de uitleg.)

Vers 6

I. “Liefelijke plaatsen.” Bethlehem, Golgotha, de Olijfberg, Tabor, Sion, het Paradijs, enzovoort.

II. Liefelijke voornemens, die deze meetsnoeren voor mij lieten vallen.

III. Liefelijke lofzangen, in dienst, offer en gezang.

Vers 6 (tweede zinsdeel)

I. Een erfenis.

II. Een schone erfenis.

III. Ik heb haar!

IV. Ja, bevestigd door het getuigenis van de Geest.

Vers 6

“Een schone erfenis.” Wat maakt ons deel goed?

I. De gunst van God die erbij hoort.

II. Ze komt uit de hand van een Vader.

III. Ze komt door het genadeverbond.

IV. Ze is gekocht met het bloed van Christus.

V. Ze is een antwoord op gebed en een zegen van boven op eerlijke inspanning.

Vers 6

Deze erkenning kunnen we in de mond leggen van:

I. een door de voorzienigheid verwend kind.

II. een inwoner van dit bevoorrechte land.

III. een christen, als het gaat om zijn geestelijke toestand.

— William Jay.

Vers 7

Raad inwinnen bij de raadgever. Bij wie? Waarover? Waarom? Wanneer? Hoe? En wat dan?

Vers 7

Omhoog en naar binnen: twee scholen van onderricht.

Vers 8

Zet de Heere altijd voor je als:

I. je Beschermer.

II. je Leider.

III. je Voorbeeld.

IV. je Toeziener.

— William Jay.

Vers 8 en 9

Het besef van Gods tegenwoordigheid is onze beste steun. Het geeft:

I. Goed vertrouwen ten aanzien van alles buiten ons. “Ik zal niet wankelen.”

II. Goede moed binnenin. “Daarom is mijn hart verblijd.”

III. Goede muziek voor de levende tong. “Mijn eer verheugt zich.”

IV. Goede hoop voor het stervende lichaam. “Ook zal mijn vlees”, enzovoort.

Vers 9 (laatste zinsdeel)

I. De sabbat (rust) van de heilige.

II. Zijn sarcofaag (in hoop).

III. Zijn zaligheid (waarop hij hoopt).

Vers 9 en 10

Jezus, verkwikt met de dood voor ogen door de veiligheid van Zijn ziel en lichaam. En onze troost in Hem, ook wat dat betreft.

Vers 10

Jezus’ dood: de plaats van Zijn ziel en van Zijn lichaam. Een moeilijk, maar boeiend onderwerp.

Vers 10 en 11

Omdat Hij leeft, zullen ook wij leven. Daarom kunnen ook gelovigen zeggen: “Gij zult mij het pad des levens bekend maken.” Dit leven is de gelukzaligheid die in de hemel voor Gods volk bewaard wordt, na de opstanding. Ze heeft drie kenmerken. Het eerste is haar oorsprong: ze vloeit voort uit “Uw aangezicht”. Het tweede is haar volheid: het is “verzadiging” van vreugde. Het derde is haar duur: de genoegens zijn “eeuwiglijk”.

— William Jay.

Vers 11

Een lieflijk beeld van de hemel. (Zie de uitleg.)

Werken over de zestiende psalm

“An Exposition upon some select Psalms of David. . . . . . By ROBERT ROLLOCK. 1600. 16mo.”

“A Godly Exposition of the Sixteenth Psalm: in R. Greenham’s ‘Works’: pp. 316-331. Folio: 1612.”

In de “Works” van John Boys, 1626, folio, blz. 898-908, staat een uitleg van Psalm zestien. “Devotions Augustinianae Flamma; or, Certayne Devout, Godly, and Learned Meditations. Written by the excellently accomplisht gentleman, WILLIAM AUSTIN, of Lincolnes Inne, Esquire. . . . 1637” bevat “Notes on the Sixteenth Psalme; more particularly on the last verse.” Klein folio.

“The Golden Psalm. Being an Exposition practical, experimental, and prophetical of Psalm Sixteenth. By the Rev. THOMAS DALE, M.A. Canon Residentiary of St. Paul’s, London, and Vicar of St. Pancras, Middlesex. London: 1847.”

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas