Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 15 — Treasury of David

Onderwerp
Boven deze psalm van David staat geen opdracht die vertelt bij welke gelegenheid hij is geschreven. Toch is het bijna zeker dat hij, net als Psalm 24 (waar hij sterk op lijkt), op de een of andere manier te maken heeft met de overbrenging van de ark naar de heilige berg Sion. Wie de ark mocht bedienen, was allerminst een bijzaak. Onbevoegden hadden zich in het ambt gedrongen, en daardoor lukte het David de eerste keer niet om zijn plan uit te voeren.
De tweede keer pakt hij het voorzichtiger aan. Hij laat de ark niet alleen dragen door de Levieten die God daarvoor had aangewezen (1 Kronieken 15:2), maar vertrouwt haar ook toe aan een man wiens huis de Heere had gezegend: Obed-Edom, die met zijn vele zonen dienstdeed in het huis des Heeren. (1 Kronieken 26:8, 12.) Geestelijk zien we hier een beeld van de mens die als kind thuis is in de gemeente van God op aarde en voor altijd zal wonen in het huis des Heeren daarboven. Die Mens is in de eerste plaats Jezus, de volmaakte Mens, en in Hem ieder die door genade op Hem is gaan lijken.
Indeling
Het eerste vers stelt een vraag. Alle andere verzen geven het antwoord. Daarom noemen we deze psalm Vraag en antwoord.
Uitleg
Vers 1
De vraag. Jehova, hoge en heilige God, wie mag er gemeenschap met U hebben? De hemelen zijn niet zuiver in Uw ogen, en zelfs Uw engelen beschuldigt U van dwaasheid. Wie dan, een mens van vergankelijk stof, zal bij U wonen, U ontzagwekkend verterend Vuur? Wie beseft hoe groot de Heere is, en hoe heilig Zijn huis, Zijn dienst en Zijn dienaren zijn, kan als nederig mens niet anders dan deze plechtige vraag stellen. Waar engelen zich buigen met bedekt gezicht, hoe zou een mens dan kunnen aanbidden?
Onnadenkende mensen vinden het heel gewoon om tot de Allerhoogste te naderen. Wanneer zij, zoals zij zeggen, bezig zijn Hem te aanbidden, vraagt hun hart zich niet af of zij daartoe wel geschikt zijn. Maar wie werkelijk vernederd is, deinst dikwijls terug, overmand door het besef van zijn volkomen onwaardigheid voor Hem. Zo iemand zou de troon van de heilige God nooit durven naderen, als er niet Eén was Die voor ons instaat: onze Heere en Voorspraak, Die in het hemelse heiligdom kan blijven, omdat Zijn gerechtigheid tot in eeuwigheid bestaat.
„Wie zal verkeren in Uw tent?” Wie wordt opgenomen in Gods gezin, mag onder Zijn dak wonen en genieten van de gemeenschap met Hemzelf? „Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid?” Wie wordt burger van Sion, inwoner van het hemelse Jeruzalem?
Deze vragen worden gesteld omdat het werkelijk vragen zijn. Niet iedereen ontvangt dit voorrecht. Zelfs onder hen die belijden God te dienen, zijn er vreemdelingen die geen burgerrecht bezitten en geen verborgen omgang met God kennen.
Op grond van de wet, dus door eigen prestaties, kan geen enkel gewoon mens bij God wonen. Op aarde is immers niemand die voldoet aan de rechtvaardige eisen die de volgende verzen noemen. De vragen uit onze tekst worden aan de Heere Zelf gesteld, alsof alleen de Oneindige Geest ze zo kan beantwoorden dat het onrustige geweten tot rust komt. Van de Heere van de tent moeten we zelf horen wat Hij van Zijn dienaren vraagt. En als Hij ons dat geleerd heeft, zien we heel duidelijk dat alleen onze vlekkeloze Heere Jezus, en wie op Hem gelijkt, ooit met aanneming kan staan voor de Majesteit in de hoogte.
Misplaatste nieuwsgierigheid wil vaak weten wie er gered worden, en met hoeveel mensen dat gebeurt. Veel wijzer is het om de vraag “Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid?” om te draaien tot een vraag aan jezelf, waarbij je je ziel onderzoekt. Leden van de zichtbare kerk, Gods tent van aanbidding en berg van verhevenheid, moeten er ijverig voor zorgen dat hun hart is voorbereid. Dat maakt hen pas geschikt als bewoners van Gods huis. Zonder het bruiloftskleed van de gerechtigheid in Christus Jezus hebben we geen recht om aan te zitten aan de maaltijd van de gemeenschap. Zonder oprechtheid in onze wandel passen we niet in de onvolmaakte kerk op aarde, en dan mogen we al helemaal niet hopen binnen te gaan in de volmaakte kerk daarboven.
Vers 2
Het antwoord. De Heere beantwoordt de vraag door ons, via Zijn Heilige Geest, te laten zien hoe de mens eruitziet die als enige op Zijn heilige berg kan wonen. In volmaakte vorm vinden we deze heiligheid alleen bij de Man van smarten, maar in zekere mate werkt de Heilige Geest haar in heel Zijn volk. Geloof en genadegaven van de Geest worden niet genoemd. Dit is namelijk een beschrijving van het karakter zoals het naar buiten toe zichtbaar is. Waar vruchten zijn, is de wortel misschien niet te zien, maar hij is er zeker. Kijk dus goed naar de wandel, het werk en het woord van de mens die God aanneemt.
“Die oprecht wandelt.” Zo iemand houdt zich rechtop, zoals wie over een hoog touw loopt: leunt hij naar één kant, dan valt hij. Of zoals wie kostbare maar breekbare waar in manden op het hoofd draagt: verliest hij zijn evenwicht, dan is alles kapot. Ware gelovigen kruipen niet als vleiers, kronkelen niet als slangen, bukken niet diep als aardgravers en hellen niet over naar één kant als mensen met bijbedoelingen. Ze hebben de sterke ruggengraat van het levende beginsel van genade in zich. Omdat ze zelf oprecht zijn, kunnen ze ook oprecht wandelen: wat ze van binnen zijn, zie je terug in hoe ze leven. Wandelen is veel belangrijker dan praten, want je leven spreekt luider dan je woorden. Alleen wie in zijn wandel oprecht is, staat echt recht, en is eerlijk zonder omwegen.
“En gerechtigheid werkt.” Zijn geloof laat zich zien in goede werken, en daarom is het geen dood geloof. Gods huis is een bijenkorf voor werkers, geen nest voor hommels die alleen rondzoemen. Wie blij is dat een Ander, de Heere Jezus, alles voor hem gedaan heeft, en juist daarom een hekel heeft aan wettisch gedoe, is volgens de beginselen van het evangelie de beste doener ter wereld. Dienen we de Heere niet echt, en doen we Zijn heilige wil niet zo goed als we kunnen, dan doen we er goed aan ernstig te twijfelen of we wel deel hebben aan het goddelijke. Bomen die geen vrucht dragen, worden immers omgehakt en in het vuur geworpen.
“En die met zijn hart de waarheid spreekt.” De dwaas uit de vorige psalm sprak valsheid in zijn hart. Let op het treffende contrast, hier en elders in deze twee psalmen. Heiligen willen de waarheid niet alleen liefhebben en met hun lippen spreken. Ze willen ook van binnen waarachtig zijn. Zelfs in de binnenkamer van hun hart liegen ze niet, want God is daar en luistert mee. Dubbelzinnigheid, uitvluchten, woordspelletjes, leugentjes om bestwil, vleierij en bedrog: ze verachten het allemaal. Waarheden hebben, net als rozen, doornen om zich heen, maar goede mensen dragen ze toch aan hun borst.
Ons hart moet het heiligdom en de schuilplaats van de waarheid zijn, ook al wordt zij uit de hele wereld verbannen en door mensen opgejaagd. Wat het ons ook kost, en hoe ver de waarheid ook uit de gratie raakt, we moeten de engel van de waarheid blijven herbergen, want de waarheid is Gods dochter. We moeten er goed voor zorgen dat ons hart echt vastligt en stevig staat in zijn beginselen. Een gevoelig geweten voor de waarachtigheid is als het waas op een perzik: het vraagt om een zachte hand, en is het eenmaal verloren, dan krijg je het nauwelijks terug. Jezus was de spiegel van oprechtheid en heiligheid. O, mochten wij steeds meer naar Zijn beeld gevormd worden!
Vers 3
Na het goede komt het kwade. “Die met zijn tong niet achterklapt.” Ook ons hart kan op een zondige manier achterklappen, zonder één woord, namelijk als we te hard over onze naaste denken. Maar het echte onheil richt de tong aan. Sommige mensen bijten harder met hun tong dan met hun tanden. Een tong is geen staal, maar toch snijdt zij, en haar wonden genezen uiterst moeilijk. Haar ergste wonden maakt zij niet met de scherpe kant naar ons gezicht, maar met de rug, als ons hoofd is afgewend. Onder de wet was de nachtvalk een onreine vogel, en zijn menselijke evenbeeld is overal verfoeilijk. Alle lasteraars zijn blaasbalgen van de duivel om ruzie aan te blazen, maar de ergsten zijn zij die van achteren in het vuur blazen.
“Zijn metgezellen geen kwaad doet.” Wie zijn tong in toom houdt, geeft ook zijn hand geen vrijbrief. Onze naaste liefhebben als onszelf maakt ons waakzaam over zijn goede naam. Het maakt ons voorzichtig om zijn bezit niet te schaden en zijn karakter niet te bederven met een slecht voorbeeld. “En geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste.” Wie gestolen goed opraapt en bij zich verbergt, is een dwaas, en als hij het weet, ook een schurk. Bij laster is, net als bij diefstal, de heler even slecht als de dief. Als er geen luisteraars waren die met plezier naar kwaad gerucht horen, zou de handel in roddel snel ophouden. Trapp zegt: “De kwaadspreker draagt de duivel op zijn tong, en de kwaadhoorder draagt de duivel in zijn oor.” Het oorspronkelijke woord kan ook vertaald worden met “verdraagt”. Dan leert de tekst ons dat het ook zonde is om kwaadsprekers te dulden, en niet alleen om zelf kwaad te spreken.
“Zet die man eruit!” zouden we roepen bij een dronkaard. Maar het is zeer de vraag of zijn schandelijke gedrag ons evenveel schade doet als het sluwe verhaal van de kwaadspreker. “Haal een agent!” roepen we als we een dief aan het werk zien. Moeten we dan niet net zo verontwaardigd zijn als we een roddelaarster bezig horen? “Dolle hond! Dolle hond!!” is een vreselijke kreet, maar er zijn maar weinig honden wier beet zo gevaarlijk is als de tong van een bemoeial. “Brand! Brand!!” is een alarmerende kreet, maar de tong van de kwaadspreker is door de hel zelf in brand gestoken. Wie haar de vrije loop laat, kan zijn leven maar beter beteren, anders ontdekt hij dat er ook in de hel vuur is voor ongebreidelde tongen. Onze Heere sprak over niemand kwaad. Hij bad zelfs voor Zijn vijanden. Wij moeten zijn zoals Hij, anders zullen we nooit bij Hem zijn.
Vers 4
“In wiens ogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen die den HEERE vrezen.” Wij behoren even getrouw te zijn in het betonen van eer als in het betalen van onze schulden. „Eer, die gij de eer schuldig zijt!” Dat geldt ook hier. Aan alle goede mensen, wie zij ook zijn, zijn wij eerbied verschuldigd. Wij hebben niet het recht hun de eer die hun toekomt te onthouden en die te bewijzen aan goddeloze mensen die toevallig hoge posities bekleden. Bekleden verachtelijke mensen een ambt, dan behoort dat ambt door ons geëerbiedigd te worden. Maar wij mogen ons geweten niet geweld aandoen door daarom ook de personen zelf te eren. En wanneer ware heiligen daarentegen in armoede en nood verkeren, behoren wij met hen mee te lijden en hen toch te eren.
De ruwste kist mogen wij eren om de kostbaarheden die zij bevat, maar valse edelstenen mogen wij niet bewonderen om de prachtige zetting waarin zij gevat zijn. Een zondaar in gouden ketenen en zijden gewaden is niet meer te vergelijken met een heilige in lompen dan een nachtlamp in een zilveren kandelaar met de zon die achter een wolk verborgen is. Het spreekwoord zegt: „Lelijke vrouwen worden door mooie kleding alleen maar lelijker”, en zo worden onbeduidende mensen door een hoge positie slechts des te onbeduidender.
„Heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet.” Heiligen die zich naar de Schrift richten, zweren onder het Nieuwe Testament „ganselijk niet”, omdat hun woord even betrouwbaar behoort te zijn als een eed. Wie het desondanks gepast acht een eed af te leggen, behoort daar uiterst zorgvuldig en onder veel gebed mee om te gaan, uit vrees zelfs maar de schijn te wekken dat hij zijn woord lichtvaardig geeft. Blijken aangegane verplichtingen nadelig uit te pakken, dan blijven de heiligen toch „mannen van eer”. Onze gezegende Borg heeft gezworen tot Zijn eigen schade, maar hoe heerlijk heeft Hij Zijn borgtocht volbracht! Wat is het een troost dat Hij niet verandert, nooit en nergens. En welk een voorbeeld is Hij daarmee voor ons allen om uiterst nauwgezet te zijn in het nakomen van onze verplichtingen tegenover anderen!
Zelfs de meest vooruitziende koopman kan verplichtingen aangaan die later zware verliezen blijken te veroorzaken. Maar wat hij ook verliest: zolang hij zijn eer behoudt, zijn zijn verliezen te dragen. Verliest hij die, dan is alles verloren.
Vers 5
“Die zijn geld niet geeft op woeker.” Woeker was en is hatelijk, bij God en bij mensen. Dat een uitlener meedeelt in de winst die met zijn geld is gemaakt, is volkomen redelijk en behoorlijk. Maar dat de rijke de arme drommel opeet die helaas een lening bij hem sloot, is gruwelijk. Wie arme handelaars, behoeftige weduwen en zulke mensen uitknijpt met onduldbaar hoge rente, zal merken dat zijn goud en zilver verroest zijn. Wie de berg des Heeren wil beklimmen, moet deze zonde van zich afschudden, zoals Paulus de adder van zich af in het vuur schudde.
“En geen geschenk neemt tegen den onschuldige.” Omkoping is zonde, bij de gever én bij de ontvanger, allebei zijn ze schuldig. In oosterse rechtbanken kwam zij vaak voor. Bij onze uitstekende rechters is die vorm nu bijna ondenkbaar. Toch leeft de zonde voort in allerlei gedaanten, die we de lezer niet hoeven op te sommen, en in elke gedaante is zij weerzinwekkend voor de ware man Gods. Hij bedenkt dat Jezus, in plaats van een geschenk aan te nemen tegen den onschuldige, voor de schuldigen is gestorven.
Vers 5
“Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.” Geen storm zal hem van zijn fundament rukken, van zijn ankerplaats slepen of uit zijn plaats ontwortelen. Zoals de Heere Jezus, Wiens heerschappij eeuwig is, zal de ware christen nooit zijn kroon verliezen. Hij zal niet alleen óp Sion zijn, maar ook zíjn als Sion zelf: vast en onwrikbaar, door geen enkele macht te verplaatsen. Hij zal wonen in de tent van de Allerhoogste, en geen dood en geen oordeel zal hem wegjagen van zijn plaats van voorrecht en zegen. Laten we daarom met gebed en eerlijk zelfonderzoek bij onszelf te rade gaan, want deze psalm is als vuur voor het goud en als een smeltoven voor het zilver. Kunnen wij haar toetsende kracht doorstaan?
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 1
“HEERE, wie zal verkeren in Uw tent?” De kerk van Christus op aarde is een “tent”. Daaruit mogen we opmaken, en dat verdient onze aandacht, dat noch de kerk zelf, noch haar leden in deze wereld een vaste of veilige woonplaats hebben: “Maakt u dan op, en gaat henen; want dit land zal de rust niet zijn.” Micha 2:10. “Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.” Hebreeën 13:14. Gods tent, een tempel die je kon verplaatsen, zwierf heen en weer: soms in de woestijn, soms in Silo, soms onder de Filistijnen, soms in Kirjat-Jearim. Nooit vond zij een vaste plaats, totdat zij werd overgebracht naar de berg Gods. Zo zwerft ook de kerk van God als een dwalende vreemdelinge door de woestijn van deze wereld. Zij is arm, gepijnigd en van alle kanten bedreigd, wordt van de ene stad naar de andere vervolgd en heeft nooit een vaste woonplaats met gezonde, zekere rust, totdat zij wordt overgebracht naar “Gods heilige berg”.
Het Hebreeuwse werkwoord gur betekent, zoals de kenners van die taal opmerken: wonen als een vreemdeling of tijdelijke bewoner. Het houdt in dat een burger van de hemel hier op aarde een pelgrim is, die onderweg is naar huis. . . . . Dat de kerk een tent is, laat ons zien dat zij geen vesting is, omringd door sterke muren en gewapend met menselijke kracht. En toch worden wie binnen haar blijven beschut tegen de hitte van de zon en de schade van stormen. Haar sterkte komt niet van hier, maar van boven. Christus, haar Hoofd, is in al haar moeiten een Hulp die er altijd is, een toevlucht tegen de storm, een schaduw tegen de hitte. Jesaja 25:4.
De kerk op aarde is inderdaad een tent, maar het is Gods tent, waarin Hij woont als in Zijn huis. “HEERE, wie zal verkeren in Uw tent?” Daarom gebood de Heere immers dat men de tent moest maken: zodat Hij onder hen zou wonen. De gezegende apostel legt dit uit als Gods wonen onder Zijn volk. 2 Korinthe 6:16. “Gij zijt”, zegt hij, “de tempel des levenden Gods; gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen.” Op dezelfde manier staat er elders dat Hij in Sion woont en wandelt te midden van de zeven gouden kandelaren, dat wil zeggen: te midden van de zeven gemeenten, te midden van Zijn stad (Psalm 46:6), te midden van Zijn volk. Jesaja 12:6.
— John Boys, D.D., deken van Canterbury, 1571-1625.
Vers 1
“HEERE, wie zal verkeren”, enzovoort. David was een man met een uitnemende, goddelijke geest. Bijzondere wijsheid, zeldzame kennis en diep inzicht in verborgen geheimen waren in hem te zien. Door God onderwezen in hemelse dingen overtrof hij al zijn leraars en raadgevers ver in wijsheid. En toch wilde hij de schapen van de bokken kunnen onderscheiden: de goeden van de kwaden, de heiligen van de huichelaars, de ware aanbidders van God van de veinzers, de ware bewoners van de heilige tent van de indringers die goddeloos zijn. Hij wilde zich daarin niet laten bedriegen.
Hoeveel meer reden hebben wij dan, gewone mensen, in wie niet in dezelfde mate zo’n geest, zulke wijsheid, zulke kennis en zulk inzicht te vinden is, om onze eigen zwakheid te vrezen, aan ons eigen oordeel te twijfelen, onze zwakheid te belijden en de listige streken en gekleurde voorwendsels van mensen te wantrouwen! Laten wij, om meer te weten te komen over verborgen, diepe en geheime dingen, met David deze vraag stellen: “HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid?” . . . . . . . . .
Als David zegt: “Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid?”, laat hij ons weten dat er geen ware en gezonde rust is dan op de heilige berg des Heeren, en dat is de kerk. Wie goddeloos en ongodvruchtig is en niet bij Gods huis hoort, niet bij Zijn heilige berg, de kerk, kent geen stilte, rust of gezonde vrede. Zulke mensen leven dag na dag in voortdurende verwarring, voortdurende kwelling en voortdurende onrust van het gemoed.
— Richard Turnbull, 1606.
Vers 1
“Verkeren in de tent”, enzovoort. Wie alleen in het voorhof aanbidt, krijgt zijn eeuwige verblijfplaats buiten de poort, bij de honden, de tovenaars en de rest van dat gezelschap. Maar wie straks in de hemel zal wonen, komt verder naar binnen, tot in de tent zelf. De ziel van zo iemand wordt gevoed aan Gods eigen tafel. Hij ruikt de geur van Zijn kleren, als van mirre, aloë en kassia. En raakt hij die geur ooit kwijt, dan voelt zijn ziel een diep verdriet. Hij heeft geen rust meer voordat hij haar heeft teruggevonden.
— Thomas Boston.
Vers 1
“Wie zal wonen”, enzovoort.
“Wie is het dan? Zeg het, als gij het weet:
Wie krijgt er een blijvende woning?
Pilatus zegt het: ‘Zie, de Mens!’
En Johannes: ‘Zie, het Lam Gods!’”
— John Barclay, aangehaald door A. A. Bonar, over deze plaats.
Vers 1
“Heilige berg.” De hemel vergelijken we terecht met een berg, en de hel met een put. Wie kan die heilige berg dan beklimmen? Niemand, behalve wie de berg zelf tegemoet komt! Dat zijn de mensen die in dit leven al een zoete omgang met God kennen. Hun thuis is in de hemel, ook al leven ze nu nog een poos op aarde. Zij eten, drinken en slapen hier nu al het eeuwige leven.
— John Trapp.
Vers 1, 2
Misschien is deze vraag ontstaan doordat huichelaars zich in alle tijden verkleden en iets voorwenden. Paulus zegt immers: “die zijn niet allen Israel, die uit Israel zijn.” Veel mensen die in de kerk leven, horen er in werkelijkheid niet bij. De leraars zeggen daarom bij deze plaats: multi sunt corpore qui non sunt fide, multi nomine qui non sunt nomine.
David ziet hier dat allerlei mensen zich in Gods tent hebben gemengd, zoals bokken tussen de schapen en onkruid tussen het koren. Ze zijn Jood naar buiten, maar niet van binnen. Vaak misleiden ze anderen en soms ook zichzelf, met niet meer dan een lege belijdenis en een verkeerd beeld van echte godsvrucht. Daarom gaat hij naar God toe, naar de Onderzoeker en Beproever van mensenharten, Die alle geheimen kent en het beste weet wie de Zijnen zijn. En hij zegt tegen Hem: O Heere, er zit zoveel onzuiverheid en huichelarij bij hen die in Uw tent wonen, Uw woord belijden en naar de plaatsen gaan waar men U aanbidt. Ik smeek U heel nederig: laat Uw volk enkele tekenen en kenmerken zien, waaraan we een echte onderdaan van Uw koninkrijk kunnen onderscheiden van de kinderen van deze wereld.
Onthoud dus: een belijdenis die alleen aan de buitenkant blijft, en een gemeenschap met Gods kerk die alleen aan de buitenkant blijft, zijn niet genoeg om behouden te worden. Daar hoort een eerlijk leven bij dat ermee klopt: doen wat recht is en de waarheid spreken in ons hart. Daarom vergist de simpele papist zich diep, als hij zo sterk bouwt op de buitenkant van de kerk. Hij bouwt op de rij van Romeinse bisschoppen, op het grote aantal Roomse katholieken, op de macht en de praal van de Romeinse synagoge. Net als de Joden van vroeger roept hij: “Des HEEREN tempel, des HEEREN tempel”, onze kerk is de tempel des Heeren!
Ook de vleselijke, onbezorgde evangeliebelijder vergist zich. Zijn hele godsdienst bestaat uit het netjes volgen van de uiterlijke eredienst. Maar iemand die alleen met woorden christen is, is in feite een atheïst. Zo zegt Paulus het (Titus 1:16): “Zij belijden, dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken.” Zo zullen velen die een tijdlang in Gods tent lijken te verblijven, toch nooit rusten op Zijn “heilige berg”. Christus Zelf bevestigt dit met nadruk: “Niet een iegelijk (zegt Hij), die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!” Mattheüs 7:21-23.
Denk hier ernstig over na, jullie die alleen met de lippen christen zijn en niet in je leven. Van je godsdienst heb je een masker gemaakt, of liever een echt gezichtsmasker, met ogen, mond en neus, mooi beschilderd en passend gemaakt voor elk voorwendsel en elk doel. O bedenk dit, jullie allen die God vergeten: Hij Die in de hoogte woont en de dingen hier beneden ziet, laat niemand rusten op de berg van Zijn heiligheid, behalve wie oprecht leeft, doet wat rechtvaardig is en zegt wat waar is.
— John Boys.
Vers 2
“Die oprecht wandelt”, enzovoort. Als de gouden reden van voortreffelijkheid ons niet kan raken, en de zilveren reden van winst ons niet kan lokken, dan moet de ijzeren reden van noodzaak ons dwingen tot eerlijkheid en een oprecht hart. Want de noodzaak is zo groot, dat zonder oprechtheid zelfs de beste dingen die wij van God lijken te hebben ontvangen, nagemaakt zijn. Dan zijn het niet meer dan schitterende zonden. De mooiste aanbidding die wij kunnen brengen, is dan alleen maar huichelarij, en dus een gruwel in Gods ogen. Oprechtheid is namelijk de gezondheid van alle genade en deugd, en ook van alle godsdienst en aanbidding van God. Zonder haar zijn ze ziek en waardeloos.
Neem de gaven van God. Staan die niet naast een oprecht hart, dan zijn het zonden onder het masker van de deugd, ja, het lijkt zelfs of het dubbele zonden zijn. Augustinus zegt het zo: Simulata aequitas est duplex iniquitas, quia et iniquitas est, et simulatio: Gehuichelde billijkheid is dubbele ongerechtigheid, zowel omdat zij ongerechtigheid is, als omdat zij huichelarij is.
— George Downame, D.D., 1604.
Vers 2
„Die oprecht wandelt.” Hier rijzen twee vragen. Ten eerste: waarom beschrijft David een waarachtig lid van de Kerk, een erfgenaam van de hemel, liever aan de hand van zijn werken dan van zijn geloof? Is het koninkrijk der hemelen niet aan het geloof beloofd, en behoort ieder die het geloof belijdt niet tot de zichtbare Kerk? Ten tweede: waarom kiest hij uit de ontelbare vruchten van het geloof vooral de plichten tegenover onze naaste?
Op de eerste vraag moet het volgende worden geantwoord. In deze en in alle andere plaatsen van de Heilige Schrift waar goede werken worden geboden of geprezen, wordt het geloof altijd als eerste verondersteld. Dit is de bekende regel van de apostelen: „Al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.” Onze gezegende Zaligmaker zegt: „Zonder Mij kunt gij niets doen” (Johannes 15:5). En zonder geloof in Hem is het onmogelijk Gode te behagen (Hebreeën 11:6).
Fides est operum fomes, zegt Paulinus treffend: „Het geloof is, zoals onze kerk het noemt, het nest van de goede werken.” Onze werken mogen nog zo schoon lijken, en wij mogen misschien doen wat recht is en spreken wat waar is, maar alles gaat verloren wanneer het niet uit een waar geloof voortkomt.
Aristides was in zijn bestuur zo rechtvaardig, dat hij nooit van de rechte weg wilde afwijken, noch uit genegenheid voor een vriend, noch uit wrok tegen een vijand. Van Pomponius wordt verteld dat hij zo waarheidslievend was, dat hij zelf nooit een leugen sprak en die ook bij een ander niet duldde. Curtius in Rome, Menoeceus in Thebe en Codrus in Athene gingen vrijwillig de dood in ter wille van hun medeburgers en hun vaderland. Toch kunnen wij, wanneer wij hier met onze profeet spreken vanuit het Woord van God, niet zeggen dat zij ooit zullen rusten op Zijn heilige berg. Zij misten immers het ware geloof in de Zaligmaker van de wereld — die rustplaats waarop zij hun hoofd hadden kunnen neerleggen.
Een tweede antwoord is dat het geloof een innerlijke, verborgen gave is. Veel mensen houden zichzelf en anderen voor de gek met een geveinsde belijdenis ervan. Daarom wil de Heilige Geest dat het geloof van ieder mens wordt getoetst en herkend aan zijn vruchten. Want het eeuwige leven is wel aan het geloof beloofd, en de eeuwige verdoemenis wordt het ongeloof wel voorspeld, maar het vonnis over zaligheid en verdoemenis zal toch worden uitgesproken naar de werken, als het duidelijkste bewijs van allebei. Terecht wordt uit Bernardus aangehaald dat onze goede werken weliswaar niet causa regnandi zijn, maar wel via regni: de gebaande weg waarover wij Gods heilige berg moeten beklimmen, ook al is hij niet de reden waarom we er komen.
Op de tweede vraag, waarom hier niet de plichten tegenover God zelf worden genoemd maar alleen die tegenover onze broeder, is het antwoord dit. De vraag wordt gesteld over mensen die in de zichtbare kerk leven, openlijk het geloof belijden en vroom lijken, die Gods woord horen en Zijn naam aanroepen. Over goddeloze atheïsten, die niet eens de schijn van heiligheid ophouden, hoeft niemand een vraag te stellen. Zonder twijfel is er voor zulke mensen geen rustplaats in het koninkrijk der hemelen. We willen goed kunnen onderscheiden wie van de belijders gezond is en wie ziek. Dan mogen we de kenmerken niet zoeken in het uiterlijk horen van het woord of het ontvangen van de sacramenten. En nog minder in het keurig navolgen van menselijke gewoonten in Gods tent, want dat doen huichelaars meestal ook allemaal. Nee, we vinden de kenmerken in de plichten van gerechtigheid, door ieder mens te geven wat hem toekomt. De toetssteen van vroomheid tegenover God is namelijk liefde tegenover onze broeder. “Hierin”, zegt Johannes, “zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Een iegelijk, die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, en die zijn broeder niet liefheeft.”
— John Boys.
Vers 2
Hoe een boom werkelijk is, weten we alleen aan zijn vruchten. Draaien de raderen van een klok van binnen, dan beweegt de wijzer op de wijzerplaat aan de buitenkant. Is het hart van een mens gezond door bekering, dan is zijn leven mooi in zijn belijdenis. En als de waterleiding is ingemetseld, hoe kunnen we dan over de bron oordelen? Alleen aan het water dat door de buizen stroomt.
— William Secker.
Vers 2
“En gerechtigheid werkt.” Een mens moet eerst zelf rechtvaardig zijn, voordat hij een rechtvaardig leven kan leiden. “Die de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is.” 1 Johannes 3:7. De boom brengt de vrucht voort, niet de vrucht de boom. Daarom moet de boom eerst goed zijn, voordat de vrucht goed kan zijn. Mattheüs 7:18. Een rechtvaardig mens kan een rechtvaardig werk doen, maar het werk van een onrechtvaardig mens maakt hem nooit rechtvaardig. Wij worden alleen rechtvaardig door het geloof, door de gerechtigheid van Christus die ons wordt toegerekend. Romeinen 5:1. . . .
Laat mensen dus werken zoals ze willen: zijn ze geen echte gelovigen in Christus, dan werken ze geen gerechtigheid, hoe druk ze ook zijn. En dan zullen ze ook geen bewoners van de hemel zijn. Je moet daarom eerst met Christus in het reine komen en door het geloof het geschenk van de toegerekende gerechtigheid ontvangen. Anders zul je dit kenmerk van een burger van Sion nooit echt dragen. Je haalt eerder vrucht uit een afgebroken, verdorde tak, dan dat je gerechtigheid werkt zonder in Christus te geloven en met Hem verbonden te zijn. Aan deze twee dingen gaan mensen verloren die het evangelie horen.
— Thomas Boston.
Vers 2
“Gerechtigheid werkt.” Op Jakobs ladder zag hij niemand stilstaan. Iedereen was bezig: omhoog klimmend of eraan langs naar beneden dalend. Klim jij ook naar de top van die ladder, naar de hemel, dan hoor je daar iemand zeggen: “Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook.” Basilius merkt hierbij op dat koning David eerst vraagt: “HEERE, wie zal verkeren in Uw tent?” Daarna voegt hij niet toe: wie vroeger gerechtigheid heeft gewerkt, maar: wie nú gerechtigheid werkt. Net zoals Christus zegt: “Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook.”
— Thomas Playfere.
Vers 2
Maar let op: David zegt “gerechtigheid werkt”. Hij zegt niet: wie erover praat, erover nadenkt of erover hoort. Want “de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden”. Wat zijn we dan aan anderen verschuldigd? Wat Christus zegt (Mattheüs 7): “Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo”, zelfs aan je vijanden. Dat betekent: niemand onrecht doen, wie onrecht lijdt bijstaan en alle mensen goeddoen.
Maar dit wordt, zeg ik, vooral gezegd tegen mensen die op de persoon letten. Het is alsof David zegt: Je zult niet rusten op de heilige berg des Heeren omdat je priester bent, of tot een kloosterorde behoort, of veel bidt, of wonderen doet, of uitstekend onderwijst, of de eretitel vader draagt, of welk werk dan ook doet, behalve gerechtigheid. Want mis je de werken van gerechtigheid, dan helpt het je niet: niet al je goede werken, niet je aflaten, niet je geloften en voorspraken, niet je gebeden voor anderen. Daarom staat vast: alleen wie zonder smet wandelt en gerechtigheid doet, zal rusten in de tenten des Heeren.
En toch, wat zijn er veel mensen die kerken, kloosters, altaren, vaten, gewaden en dergelijke bouwen, uitbreiden en versieren, en intussen nooit ook maar denken aan de werken van gerechtigheid! Ja, ze trappen de gerechtigheid met voeten om hun eigen werken te kunnen doen. Daarmee hopen ze vergeving van hun ongerechtigheid te krijgen. Zo worden duizenden mensen bedrogen! Daarom zal Christus op de laatste dag zeggen: “Ik ben hongerig geweest, … Ik ben dorstig geweest, … Ik was een vreemdeling, … Ik was naakt, … Ik was in de gevangenis.” Over de werken die tegenwoordig worden gedaan en bewonderd, zal Hij geen woord zeggen.
Aan de andere kant maakt het niets uit dat je een gewone gelovige bent, of arm, of ziek, of veracht, of hoe gering ook. Werk je gerechtigheid, dan word je gered. Het enige werk waarvan we mogen hopen dat het meetelt en wordt aangerekend, is het werk van gerechtigheid. Alle andere werken die ons aansporen of lokken met de schijn van vroomheid, zijn niets waard.
— Maarten Luther.
Vers 2
“En die met zijn hart de waarheid spreekt.” Ontleedkundigen hebben gezien dat de tong van de mens met een dubbel koordje aan het hart vastzit. Zo moeten onze woorden ook op twee manieren kloppen wil wat we zeggen waarheid zijn.
- Met ons hart. Om waarheid te spreken, moeten onze woorden overeenkomen met ons verstand en onze gedachten over de zaak. We moeten spreken zoals we denken, en onze tong moet een betrouwbare tolk van onze geest zijn. Anders liegen we, want dan zeggen we niet wat we denken. Zo kan een mens iets zeggen wat op zichzelf waar is, en toch een leugenaar zijn: namelijk als hij niet denkt wat hij zegt.
- Met de zaak zoals ze zelf is. Stel dat we iets voor waar houden dat niet waar is. Zeggen we dat dan, dan liegen we. Het is immers niet zoals wij het zeggen, hoe oprecht we ook denken dat het zo is. Onze misvattingen over dingen kunnen leugens nooit de stempel geven dat ze voor waarheid doorgaan. 2 Thessalonicenzen 2:11.
— Thomas Boston.
Vers 2
Vandaag heb ik een preek gehoord over Psalm 15:2, “En die met zijn hart de waarheid spreekt.” . . . . . . O mijn ziel, neem de waarschuwing ter harte die je is gegeven! Onderzoek de waarheid diep van binnen. Laat oprechtheid en waarheid je altijd vergezellen en je bewaren: spreek de waarheid in je hart. Ik ben dankbaar voor elke overtuiging en elk besef dat ik heb van hoe kwaad liegen is. Heere, maak mijn afkeer ervan nog groter!
Als extra hulp en steun tegen dit lage, gemene, verderfelijke kwaad wil ik mijn best doen, en ik neem me voor om de aanwijzingen uit de preek op te volgen. Ik wil de hartstochten en verdorvenheden doden waaruit de zonde van het liegen meestal voortkomt en die er de voornaamste aanleiding toe zijn. Want “uit het hart komen voort boze bedenkingen” (Mattheüs 15:19), en uit dezelfde bron komen dan ook boze woorden. Met de grootste ijver wil ik me verzetten tegen de verdorvenheden waarvan ik bij mezelf zie dat ze me meestal in deze ongerechtigheid meesleuren. Hoogmoed dicteert vaak onze woorden en slaat menige leugen als munt. Dat doen nijd, hebzucht en boosaardigheid ook, enzovoort. Ik wil mezelf zuiveren van al die vuiligheid: er komt nooit een tong die dood is voor de zonde zolang het hart niet gedood is.
Heb ik de wereld buitensporig lief, dan is het duizend tegen één dat ik de waarheid vaak zal oprekken om een wereldlijk belang te dienen. En haat ik mijn broeder, dan is de kans even groot dat ik hem zal zwartmaken. Heere, help mij de bron te zuiveren, dan zullen de beken zuiver zijn! Zitten de veer van een klok en alle raderen goed, dan loopt ook de wijzer goed. Zo is het hier ook: de tong volgt wat het hart wil. Ik wil mij voornemen nooit iets te doen waarvoor ik een leugen nodig heb. Had Gehazi’s hebzucht hem niet te schande gemaakt, dan had hij ook geen leugen nodig gehad om zich te verontschuldigen. “Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker”, en veilig, hierin en ook in andere opzichten. Spreuken 10:9. Mocht ik niets doen wat oneervol en laag is, niets wat het daglicht niet kan verdragen. Dan zal ik maar weinig verleiding tot liegen kennen.
Ik wil streven naar een levend besef dat Gods oog op mij rust, zodat ik handel en spreek in Zijn tegenwoordigheid. Heere, ik wil U altijd voor mij zien: U begrijpt mijn gedachten even volledig als anderen mijn woorden. Ik wil nadenken voordat ik spreek, en niet veel of onbezonnen praten. Spreuken 29:20. Ik wil vaak denken aan de ernst van het komende oordeel, als elk geheim openbaar wordt en de huichelaar en de leugenaar voor engelen en mensen aan de schandpaal staan. Tot slot wil ik hierbij regelmatig om hulp van God bidden. Psalm 119:29; Spreuken 30:8.
O mijn God, help mij in mijn gedrag van nu af aan, en neem de weg van de valsheid van mij weg. Mocht de wet van goedertierenheid en waarheid op mijn tong liggen, mocht ik letten op mijn wegen, zodat ik niet zondig met mijn tong. Ik treur om mijn vroegere misstappen op dit punt en vlucht naar Uw barmhartigheid, door het bloed van Christus. Zegen voor mij wat ik vandaag heb geleerd. Laat geen ongerechtigheid over mij heersen: “Houd Uw knecht ook terug van trotsheden”, en: “Reinig mij van de verborgene afdwalingen.” Ik vertrouw mijn gedachten, verlangens en tong toe aan Uw leiding en bestuur. Mocht ik denken en handelen in ontzag voor U, en altijd de waarheid in mijn hart spreken.
— Benjamin Bennet, “Christian Oratory”, 1728.
Vers 2 en 5
Een arend werpt zijn oude snavel af en wordt zo weer jong. Een slang schuift haar oude huid van zich af en is weer glad. Zo moet ook ieder die wil delen in de vreugde van God en wil rusten op Zijn heilige berg, volgens de Schrift “afleggen … den ouden mens … en den nieuwen mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid”. En dat moet gebeuren met oprecht berouw, zonder dralen en met een vaste koers, zonder ooit terug te vallen.
— Robert Cawdray.
Vers 3
“Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet.” Hier past een klaagzang: zo schandelijk wordt deze plicht verwaarloosd, en zo vaak wordt deze zonde bedreven! Welke tranen zijn genoeg om haar te bewenen? Wat vliegen de verwijten en beschuldigingen ons om de oren, overal, aan alle tafels, in elk gezelschap!
Het zou nog enigszins te dragen zijn als dit alleen de fout was van goddeloze mensen, vreemden en vijanden van het geloof. Het spreekwoord zegt immers: “Van de goddelozen komt goddeloosheid voort.” Als iemands hart vol is van de hel, is het niet vreemd dat ook zijn tong door de hel in brand wordt gestoken. Het is zelfs niet verwonderlijk dat zulke mensen goede mensen belasteren, juist om hun goedheid.
Maar helaas, hier blijft het kwaad niet bij, en dat maakt het zoveel erger! Deze plaag woedt niet alleen onder de Egyptenaren, maar ook onder de Israëlieten. Het is diep treurig om te overdenken hoe gelovigen hun tong als een zwaard slijpen tegen andere gelovigen! De ene goede man gispt en beschimpt de andere, de ene predikant zet de andere te schande. En wie kan zeggen: “Ik ben rein van deze zonde?”
O, kon ik uw medelijden maar raken! Om des Heeren wil: heb medelijden met uzelf, en bezoedel en kwets uw geweten niet met deze misdaad. Heb medelijden met uw broeders. Het is al erg genoeg dat godvrezende predikanten en christenen door goddeloze mensen met hoon worden overladen. U hoeft zich niet bij hen aan te sluiten in dit duivelse werk! U zou juist hun handen moeten steunen en sterken tegen de spot van een goddeloze wereld, in plaats van de bedroefden nog meer verdriet te doen.
O, heb medelijden met de wereld, en heb medelijden met de kerk die Christus met Zijn eigen bloed heeft gekocht! Het is mij alsof zij u toeroept: “Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt.” Job 19:21. Heb medelijden met deze dolgedraaide, ellendige wereld en help haar tegen deze zonde. Stop de bloedende wond voordat zij nog dieper wordt! Houd deze goddeloze gewoonte onder de mensen zoveel mogelijk tegen, met alle middelen die u hebt, en klaag haar aan voor het aangezicht van God. En wat u zelf niet kunt: laat God geen rust, totdat het Hem behaagt om genezing te schenken.
— Matthew Poole, 1624-1679.
Vers 3
“Die niet achterklapt”, enzovoort. Kwaadspreken en laster mogen we niet licht opvatten of zomaar voorbijgaan, want op dit punt falen we zo gemakkelijk. De goede naam van een mens is, zoals Salomo zegt, voor ieder een kostbaar bezit, meer waard dan grote schatten. Iemand met je tong kwetsen is daarom net zo pijnlijk als hem met een zwaard verwonden. Ja, vaak doet de slag van een tong meer pijn dan de wond van een speer, zoals het Franse spreekwoord zegt. Daarom moet de tong aan banden liggen: we moeten haar in bedwang houden, zodat we de goede naam van onze naaste op geen enkele manier aantasten. We moeten die juist voor hem bewaren, veilig en ongeschonden, zoveel we kunnen.
Wat de psalmist verder zegt over het kwaad of onrecht dat we onze naaste niet mogen aandoen, sluit aan bij wat we al zagen over het beoefenen van gerechtigheid. Hij wil dat we in alles wat we doen zo eerlijk zijn, dat we ver blijven van elke schade of elk onrecht tegenover onze naasten. En met ‘naaste’ wordt iedere man en vrouw bedoeld, dat is volkomen duidelijk. We zijn immers allemaal door God geschapen en in deze wereld gezet om eerlijk en oprecht met elkaar te leven. Wie een ander schade of onrecht berokkent, breekt daarom de wet van het samenleven, waaraan wij allemaal door onze natuur gebonden zijn.
Het derde deel van dit vers luidt in de oorspronkelijke tekst: noch die een ander smaadt, of: die een valse tijding tegen een ander niet overneemt. Dat laatste lijkt de beste lezing. De psalmist sprak namelijk al uitdrukkelijk over de goede naam van een ander, die we met onze tong niet mogen kwetsen of krenken. Hier komt dus een fout aan de orde die er in zwaarte vlak naast ligt. Wij zijn er zwaar mee belast, en toch zien we er nauwelijks een fout in: we steunen en voeden de lasterpraat die een ander over iemand heeft bedacht en rondgestrooid. We doen dat door ernaar te luisteren, of door haar door te vertellen zoals we haar hoorden.
En waarom doen we dat? Meestal vinden we het genoeg om te kunnen zeggen dat we het niet zelf verzinnen of uit ons eigen hoofd halen. We vertellen het alleen door zoals we het van anderen hoorden, zonder er iets van onszelf aan toe te voegen. Maar telkens als we dat doen, schieten we tekort in onze plicht. We zorgen dan niet voor de goede naam van onze naaste. Wat anderen hebben gezegd, hadden we juist moeten laten rusten in stilte, dood en begraven. In plaats daarvan rapen we het op en strooien het rond door het door te vertellen. Of dat zonde is of niet, ziet iedereen, terwijl we onze naasten toch op alle mogelijke manieren het beste behoren te wensen en te doen.
Daarom mag u, die onderweg bent naar het eeuwige leven, niet alleen nooit valse berichten en lasterverhalen over anderen verzinnen. U mag ze ook niet eens in de mond nemen als anderen ze hebben bedacht, en u mag ze op geen enkele manier steunen of helpen verspreiden. Zorg juist, met alle eerlijke en geoorloofde middelen, voor het krediet en de eer van uw naaste, zoveel u kunt.
— Peter Baro, D.D., 1560.
Vers 3
“Die met zijn tong niet achterklapt.” Het Hebreeuwse woord (Hebr.) betekent: de spion spelen. Figuurlijk gaat het dan om achterklappen of lasteren. Achterklappers en fluisteraars lopen namelijk net als spionnen heen en weer en verbergen hun kwade bedoelingen. Ze loeren op de fouten en gebreken van anderen, om daar vervolgens een boosaardig verslag van uit te brengen aan wie hun lasterpraat wil horen. Achterklap is dus: een mens op kwaadaardige wijze door het slijk halen achter zijn rug. . . . . .
Dat de burger van de hemel geen achterklap doet en haar ook moet verafschuwen, blijkt uit hoe gruwelijk slecht deze zonde is. Ten eerste in Leviticus 19:16, waar ze streng wordt verboden en de “achterklapper” met een marskramer wordt vergeleken: “Gij zult niet wandelen als een achterklapper onder uw volken.” Dat is wat (Hebr.) betekent. Een marskramer koopt zijn waren bij een of meer mensen in en trekt daarmee van huis tot huis om ze aan anderen te verkopen. Zo gaan ook achterklappers en kwaadsprekers van de een naar de ander, als verzamelaars van verhalen en geruchten, die zij als waren aanbieden. Wat ze zelf hebben bedacht of via geruchten hebben opgepikt, venten ze uit terwijl hun naaste er niet bij is, tot zijn schande en vernedering.
Zo wordt ze ook in Psalm 50:20 veroordeeld als een opvallende misdaad, een misdaad die God niet ongestraft zal laten. In Ezechiël 22:9 wordt ze gerekend tot de gruwelen van Jeruzalem, waarvoor het verderf werd aangezegd. En in Romeinen 1:29, 30 staat ze onder de misdaden van de heidenen, die zijn overgegeven aan een verwerpelijke geest: zij waren “oorblazers, achterklappers”.
— George Downame.
Vers 3
“Die niet achterklapt.” Wie zich schuldig maakt aan achterklap, wie achter andermans rug kwaad over hem spreekt, liegt als wat hij zegt niet waar is, en dat is slecht voor zijn zaligheid. Is het wél waar, dan mist hij toch liefde, want hij probeert een ander te beschimpen. Salomo merkt immers op: “De liefde dekt alle overtredingen toe.” Spreuken 10:12. Waar liefde en barmhartigheid zijn, worden de zonden van mensen zoveel mogelijk bedekt en verborgen. Maar waar liefde ontbreekt, is geen zaligheid te verwachten. 1 Korinthe 13:1, enzovoort; 1 Johannes 3:14, 15.
— Christopher Cartwright, 1602-1658.
Vers 3
“Achterklapt niet.” Deze misdaad is een bundeling van allerlei kwaad en de bron van eindeloos veel ellende. Ze ondermijnt de vrede en graaft het fundament van de vriendschap weg. Ze verwoest gezinnen en rukt het hart en de ingewanden van de liefde aan flarden. Ze maakt van een kwaadwillend mens tegelijk partij, getuige, rechter en beul van de onschuldige.
— Bisschop Taylor.
Vers 3
“Achterklapt.” Een schorpioen richt alleen schade aan bij wie hij met de punt van zijn staart raakt. Krokodil en basilisk doden alleen wie binnen het bereik van hun blik of hun adem komt. De adder verwondt alleen wie zij bijt, en giftige kruiden en wortels doden alleen wie ze proeft, aanraakt of ruikt, dus wie er dichtbij komt. Maar het gif van lasterlijke tongen is veel venijniger en dodelijker! Het kwetst en doodt, verwondt en vernietigt niet alleen dichtbij maar ook veraf. Niet alleen binnen handbereik, maar ook van grote afstand. Niet alleen thuis, maar ook in het buitenland. Niet alleen in ons eigen land, maar ook in vreemde landen. En het spaart zowel levenden als doden niet.
— Richard Turnbull.
Vers 3
“Achterklapt.” Het woord dat hier staat, komt van een wortel die ‘voet’ betekent. Het wijst op iemand die van huis tot huis loopt en dingen zegt die hij niet hoort te zeggen (1 Timotheüs 5:13). Een woord van dezelfde wortel betekent ‘spionnen’. De uitdrukking kan hier dus wijzen op mensen die huizen binnensluipen, de geheimen van gezinnen bespieden, ze rondbazuinen en ze vaak ook nog verdraaid weergeven. Zulke mensen horen bij de slechtsten onder de mensen en passen helemaal niet in het gezelschap van heiligen of in de kerk van Christus. Zie Romeinen 1:30.
— John Gill.
Vers 3
“Geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste.” Gods kinderen mogen niet te snel luisteren, en nog minder te snel geloven, wat er aan verhalen, geruchten en berichten over hun broeders rondgaat. De liefde vraagt van ons dat we die niet alleen tegenhouden en smoren, maar ook onderzoeken voordat we ze geloven.
Koning Saul was op dit punt veel te lichtgelovig. Hij geloofde de valse, lasterlijke berichten van Davids vijanden, die hem wijsmaakten dat David kwaad tegen hem in de zin had. Ja, zelfs David liet op dit punt grote zwakheid zien. Zonder goed onderzoek en zonder bewijs geloofde hij het valse bericht van Ziba over Mefiboseth, de zoon van Jonathan. David werd toen door zijn zoon Absalom vervolgd, en Ziba vertelde hem leugenachtig dat Mefiboseth zou hebben gezegd: “Heden zal mij het huis Israels mijns vaders koninkrijk wedergeven.”
Dit voorbeeld van zwakheid wordt in de Schrift afgekeurd, en wij mogen het in geen geval navolgen. Dat zou een slechte gewoonte zijn. Laten we liever de hemelse les ter harte nemen die de psalmist hier door Gods Geest verkondigt: dat wij geen valse berichten over onze naasten geloven.
— Richard Turnbull.
Vers 3
Veracht je naaste niet, maar bedenk dat je net zo goed een zondaar bent en dat je dezelfde gebreken kunnen overkomen. Kun je zijn daden niet goedpraten, praat dan zijn bedoeling goed, want die kan goed zijn. Is de daad slecht, denk dan dat ze uit onwetendheid is gedaan. Kun je hem op geen enkele manier verontschuldigen, bedenk dan dat een zware verzoeking hem overkwam, en dat jij er nog slechter aan toe zou zijn als dezelfde verzoeking jou overkwam. Dank dan God dat zoiets je tot nu toe bespaard is gebleven. Veracht een mens ook niet omdat hij een zondaar is; al is hij vandaag slecht, morgen kan hij zich bekeren.
— William Perkins, 1558-1602.
Vers 3, 4, 5
Wie gewone, nuchtere eerlijkheid kleineert, kleineert iets wat een groot deel van het geloofsleven uitmaakt: mijn plicht tegenover God en mijn plicht tegenover mensen. Wat heb ik eraan, en wat kan het mij schelen, als ik een man naar de preek zie lopen, terwijl hij thuis bedriegt en oplicht zodra hij binnen is? Maar aan de andere kant: fatsoen zonder godsdienst deugt ook niet, want dan kan het veranderen zoals het mij uitkomt. De godsdienst moet het sturen.
Wie geen godsdienst heeft om zijn fatsoen te sturen, is werkelijk geen haar beter dan mijn mastiff. Zolang je hem aait, hem te vriend houdt en hem niet knijpt, speelt hij de mooiste spelletjes met je. Het is een door en door fatsoenlijke mastiff. Maar doe je hem pijn, dan vliegt hij je naar het gezicht en rukt hij je keel eruit.
— John Selden, 1584-1654.
Vers 4
“In wiens ogen de verworpene veracht is”, enzovoort. De goddeloze Joram, koning van Israël, kwam bij de profeet Elisa om raad van de Heere te vragen en om water te smeken. Hij had Josafat, de koning van Juda, bij zich, een man die God diende. Toen liet de profeet zijn minachting zien voor de een, die goddeloos was, en zijn eerbied voor de ander, die godvrezend, trouw en deugdzaam was. Hij zei het zo: “Zo waarachtig als de HEERE der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, zo ik niet het aangezicht van Josafat, den koning van Juda, opnam, ik zou u niet aanschouwen, noch u aanzien!” 2 Koningen 3:14. Zo was de goddeloze in zijn ogen verachtelijk, en zo weigerde hij de goddelozen te vleien.
Zo had ook de godvrezende Mordechai, de Jood, diepe minachting voor Haman, de eerzuchtige en trotse Agagiet. Uit eerbetoon voor hem knielen, zoals de rest van het volk deed, wilde hij onder geen beding. Daarom werd hij door de trotse, goddeloze Haman buitengewoon gehaat, bedreigd en gekweld.
Hun goddeloosheid door de vingers zien, hen steunen in hun ongerechtigheid, voor hen kruipen en hen vleien, hen prijzen terwijl zij terechte bestraffing verdienen: dat alles komt als het ware neer op hen eren. En tegen deze uiterst zware zonde spreekt de profeet een allerbitterste vloek uit: “Wee dengenen, die het kwade goed heten, en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis; die het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid!” Jesaja 5:20.
— Richard Turnbull.
Vers 4
“In wiens ogen de verworpene veracht is.” Wie slecht leeft verachten en wie godvruchtig leeft eren: dat zijn twee dingen die lijnrecht tegenover elkaar staan. Toch lijkt het eerste niet echt bij een godvrezend mens te passen. Waarom zou hij anderen minachten of op hen neerkijken? Hij heeft toch juist de opdracht om op alle manieren zuinig te zijn op de goede naam van anderen, zoals we net hoorden? Nee, een godvrezend mens laat anderen voor wat ze zijn. Hij kijkt eerst naar zichzelf, hij onderzoekt en beschuldigt zichzelf, en hij gaat zeker niet over anderen zitten oordelen. Wat de profeet hier zegt, moeten we dan ook liever opvatten als een woord over de fouten dan over de persoon. Zoals we elk mens moeten liefhebben, zo moet de godvrezende van elk mens de fouten haten.
Want zo is God Zelf. Wij willen Hem gelijk worden, zodat we bij Hem mogen wonen. Maar hoe is Hij dan gezind? Hij haat geen enkel mens. Sterker nog, in heel de wereld haat Hij niets, behalve de zonde. Hij is immers de Schepper en Onderhouder van alles wat bestaat. Daarom doet Hij aan iedereen goed en wil Hij iedereen wel. Alleen van de zonde is Hij niet de maker. Die komt voort uit de vrije wil van de mens en van de satan, een wil die door niemand gedwongen wordt. En toch haat God de zonde zó erg dat Hij mensen daarom soms laat vallen en in de steek laat. Ja, Hij veracht hen zelfs.
Zo kijkt een godvrezend mens dus op niemand neer. Maar de zonde in zondige mensen vindt hij afschuwelijk, en hij schroomt niet dat te laten merken. Hij kan hen terechtwijzen, hij kan hun gezelschap mijden, of hij kan iets anders doen waaruit ze begrijpen dat goede mensen hun gruwelen afkeuren. Zo kunnen ze zichzelf gaan zien zoals anderen hen zien, namelijk als mensen die om hun goddeloze leven worden verguisd. Een goed mens mag de goddelozen dus nooit naar de mond praten in hun slechte plannen. Hij moet openlijk en vrijuit zeggen dat hij hun weg en hun leefwijze afkeurt.
— Peter Baro.
Vers 4
“In wiens ogen de verworpene veracht is.” Augustinus had een grote afkeer van kwaadsprekers en van mensen die verkeerde verhalen over anderen rondvertellen. Posidonius schrijft dat hij daarom twee dichtregels boven zijn tafel liet zetten. Vrij weergegeven luiden ze:
„Wie graag de afwezige met bittere woorden belastert,
moet weten: aan deze tafel is voor hem geen plaats.”
— Richard Turnbull.
Vers 4
“In wiens ogen de verworpene veracht is.” Een burger van het Nieuwe Jeruzalem, reprobos reprobat, et probos probat: hij wijst de verwerpelijke af en keurt de oprechte goed. Hij kan niemand naar de mond praten, hoe hoog iemand ook staat. En tot iemand in wie hij geen aliquid Christi vindt, iets van het beeld van God, voelt hij zich ook niet aangetrokken. Voor een gouden standbeeld dat vol puin zit, buigt hij niet. “Maar hij eert degenen, die den HEERE vrezen.” Voor hem zijn zij de enige engelen die er op aarde te vinden zijn, hoe nietig en verachtelijk ze in de ogen van de wereld ook mogen zijn.
Aan de heer Fox werd eens gevraagd of hij zich niet zo’n arme dienaar van God herinnerde, die in een tijd van nood hulp van hem had gekregen. Hij antwoordde: “Ik herinner me hem heel goed. Ik zeg u: de heren en dames vergeet ik gerust, als ik maar zulke mensen kan onthouden.”
— John Trapp.
Vers 4
“Hij eert degenen, die den HEERE vrezen.” Ook als godvrezende mensen ons op de een of andere manier onrecht doen, moeten we hen toch eren en niet verachten. Zo deed Jozef het met Maria, al dacht hij dat zij hem onrecht had aangedaan. En dat had zij ook echt gedaan, als het met haar zo gesteld was geweest als hij veronderstelde.
Calvijn gaf hier zelf een prachtig voorbeeld, in zijn houding tegenover Luther. Over de aanwezigheid van Christus in het avondmaal dachten zij heel verschillend. Luther had een vurig temperament en schreef scherpe woorden tegen iedereen die er anders over dacht dan hij. Daardoor voelden sommigen die er dichter op zaten zich gedwongen om Luther te antwoorden. Calvijn kreeg dat te horen. Hij was bang dat zij, geprikkeld door Luthers scherpe toon, hem op dezelfde manier zouden aanpakken. Daarom schreef hij aan Bullinger, een van de beste mannen onder hen. Hij spoorde hem aan en hield hem voor dat hij de zaak zo moest behandelen dat hij Luther alle verschuldigde eerbied bewees. Bullinger moest bedenken hoeveel waarde en voortreffelijkheid er in Luther school, hoe die zich in deze kwestie ook had gedragen.
Calvijn voegt daar nog aan toe dat hij dikwijls tegen anderen zei: “Al zou Luther mij een duivel noemen, toch zou ik hem de eer geven hem te erkennen als een uitgelezen dienaar van God.”
— Christopher Cartwright.
Vers 4
“Hij eert degenen, die den HEERE vrezen.” Ik las van iemand die zei dat hij, als hij een predikant en een engel tegelijk tegenkwam, eerst de predikant zou groeten en pas daarna de engel.
— Charles Bradbury’s “Cabinet of Jewels”, 1785.
Vers 4
“Heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet.”
“Zijn woord is een verbintenis, zijn eed een orakel;
zijn liefde is oprecht, zijn denken onbevlekt;
zijn tranen zijn zuivere boden, door het hart gezonden;
zijn hart is zo ver van bedrog als de hemel van de aarde.”
— William Shakespeare.
Vers 5
De puriteinse theologen zijn bijna allemaal tegen het vragen van welke rente dan ook over geleend geld. Ze gaan zelfs zo ver te zeggen dat één penny per honderd per jaar sluit een mens buiten de hemel, als hij daarin blijft volharden. Ik vond het zinloos meningen aan te halen waar ik het niet mee eens kan zijn, zeker omdat dat ruimte kost die we veel beter kunnen gebruiken.
Buitensporige, meedogenloze rente vragen is een zonde die we moeten verfoeien. Maar de gebruikelijke rente vragen die in een handelsland nu eenmaal geldt, is niet in strijd met de wet van de liefde. De Joden dreven geen handel. Als zij in tijden van armoede geld leenden aan hun landgenoten, was zelfs de laagste rente woeker geweest. Aan vreemdelingen mochten ze wel lenen. Die dreven meestal handel, en in de handel brengt geld iets op, zodat degene die uitleent recht heeft op een deel van de winst. Iemand die geen handelaar is door een tijd van gebrek heen helpen met een lening, is een heel andere zaak.
— C. H. S.
Vers 5
“Die zijn geld niet geeft op woeker.” Met woeker bedoelt men meestal de winst die je boven het kapitaal maakt, dus boven wat je hebt uitgeleend, en die je alleen eist omdat je hebt geleend. Het maakt niet uit of het om geld gaat, om graan, om koopwaar of iets anders. Gewoonlijk denkt men dan aan een ongeoorloofde winst die iemand uit zijn geld of goederen haalt. Het Hebreeuwse woord voor woeker betekent bijten.
Gods wet verbiedt streng winst als voorwaarde te stellen voor het lenen van geld of goederen. Ze verbiedt ook die winst op te eisen zonder te kijken naar de situatie van de lener: of hij nu winst maakt of verlies lijdt, of armoede hem tot lenen dwong, of dat hij kon rekenen op winst door de geleende goederen te gebruiken. Dat lezen we bijvoorbeeld in Exodus 22:25, 26: “Indien gij Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zo zult gij tegen hetzelve niet zijn, als een woekeraar; gij zult op hetzelve geen woeker leggen”, enzovoort. En in Leviticus 25:35-37: “En als uw broeder zal verarmd zijn, en zijn hand bij u wankelen zal, zo zult gij hem vasthouden, zelfs een vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leve. Gij zult geen woeker noch overwinst van hem nemen”, enzovoort.
Deze wet verbiedt woeker te nemen van een arme broeder: een Israëliet die in armoede was geraakt, of een bekeerling uit de heidenen. Maar in Deuteronomium 23:20 lijkt God woeker tegenover vreemdelingen te dulden: “Aan den vreemde zult gij woekeren.” Sommigen denken in deze tekst bij die vreemdelingen aan de heidenen in het algemeen, dus iedereen die geen Jood was, behalve de bekeerlingen. Anderen denken aan de Kanaänieten en de andere volken die bestemd waren voor slavernij en onderwerping. Van hen mochten de Hebreeën woeker eisen. Maar niet van vreemdelingen met wie ze niet in vijandschap leefden en over wie de Heere Zijn oordelen niet had aangekondigd.
In Exodus 22:25 en volgende kregen de Hebreeën een duidelijk gebod: eis geen woeker voor geld van wie uit nood leent, zoals in het geval van Nehemia 5:5, 7. De wet zorgde er door het jubeljaar voor dat het bezit in de families bleef. Van een volk dat weinig met handel te maken had, kon je immers aannemen dat het alleen uit nood geld leende. Aan vreemdelingen mochten ze wél tegen woeker uitlenen, ook al mochten ze hen toch niet onderdrukken.
Zo is deze wet, in al haar strengheid, ook voor ons een oproep: wees barmhartig tegenover wie je te slim af zou kunnen zijn. Wees tevreden als je met degene aan wie je geld leent zowel het verlies als de winst deelt, wanneer de Voorzienigheid hem tegenwerkt. Op die voorwaarde, zegt een waardevolle uitlegger, “lijkt het mij even geoorloofd rente te ontvangen voor geld waarmee een ander zich moeite geeft, dat hij verbetert, maar waarvan hij het gevaar in de handel loopt, als het is huur te ontvangen voor mijn land waarmee een ander zich moeite geeft, dat hij verbetert, maar waarvan hij het gevaar in de landbouw loopt.”
— Alexander Cruden, 1701-1770.
Vers 5
“Die zijn geld niet geeft op woeker.” “Indien gij Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent.” Exodus 22:25. Beter, naar de letter van het oorspronkelijke: “Indien gij aan Mijn volk geld leent, zelfs aan een arme bij u.” De Israëlieten dreven weinig handel. Je mocht er dus in het algemeen van uitgaan dat ze alleen uit pure nood geld leenden. En van die nood mocht de uitlener geen voordeel halen met woekerachtige eisen. Je moet de wet niet lezen als een verbod op rente tegen welk percentage dan ook, maar als een verbod op buitensporige rente, op woeker. De zin “Gij zult tegen hetzelve niet zijn, als een woekeraar” betekent zoveel als: “Gij zult niet hard en wreed over hem heersen en niet de baas over hem spelen.”
Dat men zich tegenover schuldenaars bijzonder hard en onderdrukkend opstelde, blijkt waarschijnlijk al uit de herkomst van het Hebreeuwse woord voor woeker (neshek). Het is afgeleid van een wortel die „bijten” betekent. In Nehemia 5:2-5 vinden we bovendien een schrijnend voorbeeld van de bittere en verpletterende gevolgen van de macht die een schuldeiser over zijn schuldenaar kan uitoefenen. Velen uit het volk hadden niet alleen hun akkers, wijngaarden en huizen verpand, maar zelfs hun zonen en dochters als slaven verkocht om aan de eisen van hebzuchtige schuldeisers te kunnen voldoen.
In deze nood kwam Nehemia op voor de armen. Hij riep het volk bijeen en stelde de rijken ter verantwoording. Hij eiste dat zij hun schulden zouden kwijtschelden en liet hen zweren dat zij hun arme broeders nooit meer zouden onderdrukken om hun schulden voldaan te krijgen. Dat deed hij niet omdat iedere afzonderlijke handeling van hen letterlijk in strijd was met de wet van Mozes, maar omdat hun handelwijze, gezien de omstandigheden, een schaamteloze schending van de rechtvaardigheid was. Het was een wrede en barbaarse uitbuiting van de nood van hun eigen broeders. God was hierover zeer vertoornd, en Zijn dienaren hebben dit kwaad terecht streng bestraft.
Uit deze wet hebben de Hebreeuwse wetgeleerden een algemene regel afgeleid: “Wie iets van een arme eist en weet dat die niets heeft om hem te betalen, overtreedt dit verbod: Gij zult tegen hem niet zijn als een eisende schuldeiser.” (Maimonides, in Ainsworth.) Nergens in de wetten die Mozes heeft gegeven lezen we dat het gewoon nemen van rente, vooral van naburige volken (Deuteronomium 23:19, 20), voor de Israëlieten verboden was. Maar Gods wet gaf geen steun aan de vrekkige, afpersende praktijken waar gierige geldschieters altijd toe neigen.
Fatsoenlijke en hardwerkende armen konden soms in zulke nood komen dat een lening hun zeer welkom was. Tegenover zulke mensen wilde God een milde, barmhartige en vrijgevige houding wekken. Het gebod krijgt nog meer kracht door de bijzondere band die zij met Hem hadden. Het is alsof Hij zegt: „Bedenk dat je aan Mijn volk leent, aan Mijn arme mensen. Maak daarom geen misbruik van hun nood. Vertrouw op Mij wanneer je vreest iets te verliezen, en behandel hen met goedheid en vrijgevigheid.”
— George Bush, in “Notes on the Book of Exodus”, 1856.
Vers 5
“Die zijn geld niet geeft op woeker.” Wat de eerste zinsnede betreft: David lijkt elke vorm van woeker zonder uitzondering te veroordelen, en overal is de naam zelf met afschuw bejegend. Maar sluwe mensen hebben mooie namen verzonnen om hun zonde achter te verstoppen. Ze dachten met die list vrijuit te gaan en hebben daardoor nog gulziger geplunderd dan wanneer ze openlijk en zonder omwegen tegen woeker hadden uitgeleend. Maar God laat Zich niet voor de gek houden of bedriegen met spitsvondigheden en valse voorwendsels. Hij ziet de zaak zoals ze werkelijk is, hoe mooi ze ook is ingepakt. Er is geen ergere woeker dan een oneerlijke manier van zakendoen, waarin niet aan beide kanten rekening wordt gehouden met wat billijk is. Laten we dus goed onthouden: alle afspraken waarin de een op een onrechtvaardige manier winst zoekt ten koste van de ander, worden hier veroordeeld, onder welke naam ook.
Nu kan iemand de vraag stellen: valt dan elke soort woeker onder deze waarschuwing, en is alles even ongeoorloofd? Veroordelen we alles zonder onderscheid, bestaat het gevaar dat velen zich zo klemgezet voelen dat ze denken: welke kant ik ook op ga, ik moet zondigen. Uit wanhoop worden ze dan driester en storten ze zich halsoverkop, zonder keuze of onderscheid, in allerlei woeker. Zeggen we aan de andere kant dat iets op deze manier wel mag, zullen velen zichzelf alle vrijheid geven. Ze denken dan dat ze toestemming hebben gekregen om zonder rem of maat woeker te bedrijven.
Daarom wil ik mijn lezers vóór alles dit op het hart drukken en aanraden: wees op uw hoede voor slimme, bedrieglijke excuses om voordeel te halen uit uw medemens. Verbeeld u niet dat iets voor u geoorloofd kan zijn wat voor anderen pijnlijk en schadelijk is. . . . . Niet zonder reden heeft God in Leviticus 25:35, 36 woeker verboden. Hij voegt er deze reden aan toe: “En als uw broeder zal verarmd zijn, en zijn hand bij u wankelen zal, zo zult gij hem vasthouden, zelfs een vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leve. Gij zult geen woeker noch overwinst van hem nemen.”
We zien waarvoor de wet is gegeven: niemand mocht de armen wreed onderdrukken. Zij hadden juist medegevoel en medelijden nodig. Dit was weliswaar een deel van de burgerlijke wet die God speciaal voor de Joden had vastgesteld. Maar het is een algemeen beginsel van rechtvaardigheid, dat voor alle volken en alle tijden geldt: we mogen de armen die in nood en gebrek zitten niet uitbuiten en opslokken. Daaruit volgt dat de winst van iemand die zijn geld tegen rente uitleent zonder iemand schade te doen, niet onder ongeoorloofde woeker valt. Het Hebreeuwse woord (Hebr.) neshek, dat David gebruikt, komt van een woord dat bijten betekent. Dat laat duidelijk genoeg zien dat woeker wordt veroordeeld voor zover ze een vrijbrief is om onze medemensen te beroven en uit te buiten, of daartoe leidt.
Ezechiël (hoofdstuk 18:17 en 22:12) lijkt inderdaad elke rente op geleend geld te veroordelen. Maar hij heeft ongetwijfeld de oneerlijke, sluwe winstmethoden op het oog waarmee de rijken het arme volk opvraten. Kortom: als de regel van billijkheid die Christus voorschrijft in Mattheüs 7:12 in ons hart geschreven stond, “Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo”, dan zouden we niet eindeloos over woeker hoeven te twisten.
— Johannes Calvijn, over deze plaats.
Vers 5 (eerste zinsdeel)
De wet van Mozes verbiedt een Israëliet geld op rente uit te lenen. Exodus 22:25; Leviticus 25:37; Deuteronomium 23:19; Spreuken 28:8; Ezechiël 18:8. In verschillende van die teksten wordt uitdrukkelijk verondersteld dat geld alleen aan armen wordt uitgeleend. Dat past bij de eenvoudige verhoudingen in de tijd van Mozes, een tijd waarin lenen om te speculeren en winst te maken nog niet bestond.
Zulk lenen hoort louter een daad van broederlijke liefde te zijn. Het is een grove schending van die liefde als iemand, in plaats van zijn naaste te helpen, misbruik maakt van diens nood en hem nog verder in het nauw brengt. Deze regel van Mozes heeft daarom ook betekenis voor de tijd van het Nieuwe Testament. Met het rentenemen door kapitalisten die lenen om te speculeren, heeft zij niets te maken. Dat is een heel andere zaak, zoals zelfs de naam al laat doorschemeren (Hebr.), a mordendo: alleen zulke woeker kan bedoeld zijn die een naaste kwelt en arm maakt. Doordat zij er ten onrechte ons eigen taalgebruik naast leggen, zouden velen het zo uitleggen: “Zijn geld zet hij niet op rente uit.”
— E. W. Hengstenberg.
Vers 5 (eerste zinsdeel)
Er bestaat een worm die de Romeinen teredo noemen; Plinius vertelt erover in zijn Geschiedenis. Hij nestelt zich in hout. Je voelt hem nauwelijks, zo zacht is hij, maar zijn tanden zijn zó scherp dat hij zich dwars door het hardste hout heen vreet en het van binnenuit verteert.
Zo is ook de woekeraar bij de eerste kennismaking een zacht dier. Maar met de tijd vreten zijn harde tanden u op, vlees én been, als u niet oppast. Hij doet alsof hij liefde bewijst, maar niet om uwentwil: het gaat hem om zijn eigen gewin. Kijk naar de klimop. Als een minnaar omhelst en omstrengelt zij de eik, maar ondertussen groeit zij omhoog, overwoekert de boom en zuigt hem leeg, sap en kracht, zodat hij nooit meer gedijt of bloeit. Zo koestert de woekeraar de lener in zijn armen, tot hij zelf rijker wordt en alle welvaart, bezit en rijkdom uit hem heeft weggezogen. Daarna komt die ander nooit meer tot bloei.
Zijn vriendelijkheid lijkt op het spel van een kat met een arme muis. De kat speelt, maar haar spel is de dood van de muis. Zo is het ook hier: wat de woekeraar de lener als genoegen voorhoudt, betekent diens ondergang. Of denk aan de vos. Die sluipt en tuimelt listig rond en vermaakt zich uitgebreid, tot hij bij zijn prooi is; dán verslindt hij haar. Zo houdt de woekeraar mooie praatjes, doet hij mooie beloften en veinst hij de grootste goedheid, totdat hij u binnen zijn bereik heeft. Dan vermorzelt en martelt hij u.
De woekeraar mest zich vet aan de armen. Hij wordt rijk van de armoede van zijn broer, kleedt zich in de mantel van de naakte en vergaart zijn schatten uit het gebrek en de nood van zijn naaste. Hij voedt zich met het brood van de hongerigen en verslindt zijn arme broeder, zoals de dieren de kleinere dieren verslinden. Er bestaat geen grotere onmenselijkheid en wreedheid, zegt Ambrosius, geen dieper verderf en geen groter onrecht. Chrysostomus heeft dit op tal van plaatsen terecht opgemerkt, en Basilius in zijn uitleg van deze psalm.
— Richard Turnbull.
Vers 5
De rijken laten zich door de armen verzadigen, want woekeraars leven van de armen zoals de grote vissen van de kleine. Hij Die zei dat “er geen bedelaar onder u zal zijn” (Deuteronomium 15:4), zei daarmee ook: laat er geen woekeraar zijn in Israël. Want waar woekeraars zijn in Israël, daar komen ook bedelaars, aangezien woekeraars bedelaars maken, net zoals advocaten twistzoekers kweken. . . . . Het is een ellendig beroep: van de zonde te moeten leven.
Wat een geluk is het daarentegen voor iemand die naar zijn goud en zilver kijkt en van zijn hart te horen krijgt: dit alles is eerlijk verdiend! En als hij op zijn sterfbed ligt en alles aan zijn kinderen moet nalaten, kan hij tegen hen zeggen: ik laat jullie mijn eigen bezit na. Maar de woekeraar kan dat niet zeggen. Hij moet zeggen: ik laat jullie niet het mijne na, maar dat van anderen. Daarom kan een woekeraar nooit in vrede sterven. Sterft hij voordat hij alles heeft teruggegeven, dan sterft hij in zijn zonde.
— Henry Smith.
Vers 5
In de eerste kerk verafschuwde men bijtende woekeraars zó sterk dat men niet alleen de woekeraar zelf veroordeelde, maar ook de schrijvers van de schuldbrieven en de getuigen ervan. Ook zij verloren elk voorrecht. Een testament of laatste wil, door zulke mensen opgesteld, was ongeldig.
Het huis van de woekeraar noemde men domus Satanae, het huis van de duivel. Men bepaalde dat niemand met zo’n man mocht eten of drinken, en zelfs geen vuur van hem mocht halen. Na zijn dood mocht hij niet in een christelijke begraafplaats worden bijgezet. De slotsom is te vinden in Ezechiël 18: deze zonde staat op één lijn met diefstal (vers 13), met overspel (vers 11) en met geweld (vers 12). Zij is de dochter van onderdrukking en de zuster van afgoderij, en wie zulke dingen doet, zal niet wonen op Gods heilige berg. De wereldlingen houden zichzelf misschien voor eerlijker dan dieven en overspelers, maar de Heere stelt hun zaak volkomen op één lijn met die van hen.
— John Weemse, 1636.
Vers 5
“Geen geschenk neemt tegen den onschuldige.” Dit is zonder twijfel de scala inferni, de gebaande weg naar de hel: gierig zijn, geschenken aannemen en het recht verdraaien. Als een rechter mij de weg naar de hel zou vragen, dan zou ik hem deze wijzen. Eerst moet hij een gierigaard worden en zijn hart laten vergiftigen door hebzucht. Dan moet hij een stukje verder gaan en geschenken aannemen. En ten slotte moet hij vonnissen verdraaien. Kijk, hier hebt u de moeder, de dochter en de kleindochter! Hebzucht is de moeder; zij baart omkoperij, en omkoperij baart het verdraaien van het recht.
Er ontbreekt nog een vierde gang om de maaltijd compleet te maken. Als ik rechter was, zou dat, zo waarlijk helpe mij God, de hangum tuum zijn, een Tyburn-halsdoek om mee te nemen. Al was het de rechter van de King’s Bench, mijn Lord Chief Judge van Engeland, ja, al was het mijn Lord Chancellor zelf: naar Tyburn met hem!
— Hugh Latimer.
Vers 5
“Geen geschenk neemt tegen den onschuldige.” Nu kom ik bij de corrupte juristen en advocaten. Zij nemen zo vaak geschenken tegen den onschuldige, doordat zij zaken verdedigen waarvan hun eigen geweten hun zegt dat ze kwaad en onrechtvaardig zijn. Deze fout is onder juristen zó gewoon, dat maar heel weinig pleiters, voor burgerlijke of kerkelijke rechtbanken, er blijkbaar enige gewetenszaak van maken. Voor hen is alles vis wat in het net komt. Alle juristen doen er dus goed aan deze opmerking op zichzelf te betrekken.
— George Downame.
Vers 5
“Die doet.” Er staat niet: wie dit of dat belijdt, of wie dit en dat gelooft. Evenmin: wie tot déze of dié gezindte of vorm van aanbidding behoort, wie nieuwe lichten opsteekt en de Geest als zijn rechtstreekse gids voorwendt. Het gaat niet om wie veel hoort of veel over godsdienst praat, en ook niet om wie veel preekt en bidt, of veel over deze dingen nadenkt en het goed bedoelt. Het gaat om wie “deze dingen doet”, dat wil zeggen: wie er daadwerkelijk mee bezig is. Dát is de echte, godvrezende mens.
Het is, zeg ik, geen schijnbelijder, geen zelfverzekerde solifidiaan, geen verkondiger van wilde denkbeelden en geen hoogdravende perfectionist. Het is geen trouwe kerkganger, geen grootspreker, geen ijverige leraar, geen begaafde broeder, en evenmin een eenvoudige, goedbedoelende ziel die er zonder meer mee wegkomt. Het is de oprechte en waarachtige beoefenaar van deze dingen die de toets zal doorstaan en de beproeving zal verduren. Al het andere, hoe indrukwekkend het ook lijkt, zal in die onderzoekende vlammen worden verbrand en verteerd als „hout, hooi, stoppelen”, zoals de apostel zegt.
Christus’ livrei dragen en Hem toch niet dienen, is een goede Meester bespotten. Hem met onze belijdenis erkennen en Hem door onze levenswandel verloochenen, is Hem, evenals Judas, met een kus van hulde verraden. Het is met de ruwe soldaten de knie voor Hem buigen en ondertussen Zijn heilig hoofd slaan met de rieten scepter. Het is Hem, zoals Pilatus, met doornen kronen, de Heere kruisigen en boven Zijn hoofd schrijven: „Koning der Joden.”
Kortom, het is Hem bedroeven met onze eerbewijzen en verwonden met onze belijdenis. Een christelijke belijdenis zonder een leven dat daarmee overeenstemt, redt niemand. Integendeel, zij maakt de veroordeling des te zwaarder. Op de grote dag waarop alles aan het licht zal komen, zal geveinsde vriendschap worden gerekend tot de ergste vijandschap. Louter uiterlijke godsdienstigheid is hooguit het offer van Prometheus: een geraamte van beenderen, vermomd als een offer, en daarmee niets meer dan godsdienstige misleiding.
De oprechte bedoeling om goed te doen is op zichzelf niet genoeg om iemands geestelijke staat goed te keuren, zijn plichten af te doen of zijn verwachtingen op de eeuwigheid te vestigen. Want Hij Die ons gebiedt het kwade te „schuwen”, voegt daar onmiddellijk aan toe dat wij het goede moeten „navolgen” en „vasthouden”. Het is geen afdoende verontschuldiging dat wij geen kwaad hebben gedaan, als wij niet tevens kunnen aantonen dat wij het goede hebben gedaan. Het nalaten van grote zonden verontschuldigt immers niet het verzuim van grote plichten.
Zelfs in de beste bijenkorf wordt de hommel zonder angel terecht uit de korf verjaagd. Hij heeft geen wapen om kwaad te doen, maar ook geen werktuig om te arbeiden.
— Samengevat uit Adam Littleton, D.D., 1627-1694.
Vers 5
“Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.” Let erop dat de profeet niet zegt: wie deze dingen leest, of wie ze hoort. Hij zegt: wie ze doet, zal nooit worden weggerukt. Want als het genoeg was om deze geboden te lezen of te horen, dan zouden ontelbaar veel ijdele en goddeloze mensen de kerk binnengaan en daar blijven, terwijl zij er toch geen plaats hebben. Er zijn namelijk maar heel weinig mensen, of niemand, die deze dingen niet gelezen of althans gehoord hebben. En toch doen zij ze niet.
Hij zegt ook niet: wie erover spreekt, maar: wie ze doet. Want ook in onze dagen zijn er velen die met grote woorden spreken over oprechtheid, gerechtigheid en waarheid, terwijl er bij hen geen oprechte handel, geen ware gerechtigheid en geen ongeveinsde waarheid te vinden is. Velen kunnen zeggen dat laster zonde is, onrechtvaardigheid ongerechtigheid, het aannemen van valse berichten liefdeloosheid; dat het heiligen niet betaamt de goddelozen te vleien en dat het breken van beloften en het schenden van eden ongepast is. Zij kunnen zeggen dat woeker een vorm van onderdrukking is en dat het aannemen van geschenken tegen den onschuldige uiterst wreed is.
Toch zijn zij het zelf die hun naaste belasteren en benadelen, ieder verhaal geloven dat hun ter ore komt, de goddelozen vleien en naar de mond praten om er zelf beter van te worden, zweren en meineed plegen om gewin, anderen door woeker onderdrukken en steekpenningen aannemen ten nadele van de onschuldige. Zo spreken zij wel over deze dingen, maar brengen zij ze zelf niet in praktijk.
David zegt ook niet: wie deze dingen predikt, „zal niet wankelen”. Want dan zouden niet alleen vele andere goddelozen die erover kunnen spreken, maar zelfs goddeloze mensen die de deugd kunnen verkondigen, een plaats krijgen in de tent van de Heere en mogen wonen op Zijn heilige berg. Dan zou zelfs Bileam, de hebzuchtige profeet, een vaste plaats hebben in Gods tent. Hij kon immers zeggen: „Wanneer Balak mij zijn huis vol zilver en goud gave, zo vermocht ik niet het bevel des HEEREN mijns Gods te overtreden, om te doen klein of groot” (Numeri 22:18).
En toch nam hij geschenken aan! Toch liet hij zich door zijn hebzucht meeslepen en beraamde hij, voor zover het van hem afhing, de ondergang van Israël, het onschuldige volk van de Heere.
— Richard Turnbull.
Vers 5
“Zal niet wankelen.” Een tijdlang kan hij wel aan het wankelen worden gebracht, maar nooit voorgoed worden weggerukt. Zijn ziel is gebonden in de bundel des levens, vlak bij de troon der heerlijkheid. De zielen van de goddelozen daarentegen zijn rusteloos als een steen in een slinger, zegt de Targum bij 1 Samuël 25.
— John Trapp.
Vers 5 (laatste zinsdeel)
De heilige ziel is een vreugde voor God en de blijdschap van de engelen. Zij durft haar ogen op te heffen tot de heerlijke Rechter, van Wie zij weet dat Hij haar Zaligmaker is. Haar hart is vrijmoedig. Zij durft zelfs de donder te trotseren en, terwijl schuldige harten zich in angstige schuilhoeken verbergen, vertrouwt zij volkomen op Hem Die haar zal verdedigen. Zij daagt de gehele wereld uit haar van onrecht te beschuldigen. Valse getuigen, hoezeer zij ook zijn omgekocht, vreest zij niet, want zij kent het getuigenis van haar eigen geweten.
Haar spreken is vrij en moedig, zonder het schuldige gehakkel van afgebroken zinnen. Haar voorhoofd is helder en onbewolkt, als het aangezicht van de hemel. Haar knieën zijn voortdurend gebogen voor de troon der genade, haar voeten zijn op weg naar Jeruzalem en haar handen weven het kleed van gerechtigheid.
Goede mensen zegenen haar, goede engelen bewaken haar, de Zoon van God kust haar. En wanneer de gehele wereld verandert in een brandende puinhoop, zal zij veilig worden geleid naar de berg der vreugde en voor eeuwig worden gezet op een troon van gelukzaligheid.
— Thomas Adams.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1
Wat er nodig is om lid te zijn van de kerk op aarde en van de kerk in de hemel. Een onderwerp om onszelf mee te onderzoeken.
Vers 1
I. De kerk vergeleken met de tent. In haar wordt Gods tegenwoordigheid zichtbaar, daar wordt het offer gebracht en daar worden de vaten van genade bewaard. Van buiten is zij eenvoudig, maar van binnen vol heerlijkheid.
II. Haar tweeledige positie vergeleken met die van de tent: onderweg in de woestijn, en onwrikbaar gevestigd op de berg.
III. Een onderzoek naar wat er vereist is om tot kerk en tent te worden toegelaten. Trek de vergelijking met de priesters, enzovoort.
Vers 1
De grote vraag. Ze wordt gesteld door ijdele nieuwsgierigheid, door wanhoop, door godvruchtige vrees, door de ernstige onderzoeker, door de ziel die verontrust is door het vallen van anderen, en door heilig geloof. Geef op elk van deze vragers antwoord.
Vers 1
Een beschrijving van de burger van Sion.
— Thomas Boston’s Sermons.
Vers 1
De bezorgdheid om de ware heiligen te leren kennen: hoe ver mag die gaan en wat levert zij op?
Vers 1
God is de Enige Die ware heiligen onfeilbaar kan onderscheiden.
Vers 2
“Die oprecht wandelt.”
I. Wat hij moet zijn. Hij moet oprecht van hart zijn. Wie zelf dubbel gebogen is, kan niet recht lopen.
II. Hoe hij moet handelen. Niet uit een opwelling, eerzucht, winstbejag, angst of slijmerij. Hij mag zich niet naar welke kant dan ook laten krommen, maar moet kaarsrecht staan.
III. Wat hij moet verwachten. Strikken en dergelijke, bedoeld om hem te laten struikelen.
IV. Waar hij moet wandelen. Op het pad van de plicht, het enige pad waarop hij werkelijk oprecht kan wandelen.
V. Waar hij naar moet kijken. Omhoog, recht omhoog, dan zal hij ook zelf oprecht zijn.
Vers 2
“Die met zijn hart de waarheid spreekt.” Onderwerp: valsheid van het hart en waarheid van het hart.
Vers 2 (eerste zinsdeel)
De burger van Sion: iemand die oprecht wandelt.
Vers 2 (middelste zinsdeel)
De burger van Sion: iemand die gerechtigheid werkt.
Vers 2 (laatste zinsdeel)
De burger van Sion: iemand die de waarheid spreekt.
— Vier preken in Thomas Boston’s Works.
Vers 3
Het kwaad van smaad. Die treft drie personen die hier worden genoemd: de kwaadspreker, de naaste die eronder lijdt, en degene die de smaad opneemt.
Vers 3
“Geen smaadrede opneemt.” De zonde van al te gretig kwade geruchten geloven. Zij is algemeen, wreed, dwaas, schadelijk en goddeloos.
Vers 4
De plicht om hen die den Heere vrezen, in de praktijk te eren. Door hen aan te bevelen, eerbied voor hen te tonen, hen bij te staan, hen na te volgen, enzovoort.
Vers 4
De zonde mensen naar iets anders te beoordelen dan naar hun praktische karakter.
Vers 4 (laatste zinsdeel)
De Heere Jezus als onze onveranderlijke Borg, met Zijn eed en Zijn schade.
Vers 5
De kenmerken en de voorrechten van godvruchtige mensen.
Vers 5 (laatste zinsdeel)
De standvastigheid en de veiligheid van de godvruchtigen.
Werken over de vijftiende psalm
“Fower Sermons and Two Questions, as they were uttered and disputed by that learned Frenchman, P[ETER] B[ARO]. 1560.”
“Lectures on the XV. Psalme read in the Cathedral Church of St. Paul, in London. By GEORGE DOWNAME. Doctor of Divinitie, London. 1604. 4to.”
Vier preken, als uitleg van Psalm XV, van Richard Turnbull, staan achter in het oude kwarto met zijn uitleg van de brieven van Jakobus en Judas. Er is geen aparte titelpagina voor de uitleg van de psalm; het boek is van 1606. De Werken van John Boys, D.D., deken van Canterbury, 1629, folio, bevatten uitleggingen van de Psalmen II, IX en XV. (Die folio-uitgave van Boys’ Werken bestaat uit uitleggingen van de Schriftplaatsen die in de Liturgie worden gebruikt.)
“A Practical and Polemical Commentary, or Exposition on the whole Fifteenth Psalm, wherein the text is learnedly and fruitfully explained, some controversies discussed, sundry cases of conscience are cleared; more especially that of USURIE. By CHRISTOPHER CARTWRIGHT, late minister of Saint-Martin’s, in the city of York. 1658. 4to.”
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas