Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 14 — Treasury of David

65 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

Dit prachtige lied draagt een heel eenvoudig opschrift: “Een psalm van David, voor den opperzangmeester.” Die opdracht staat boven drieënvijftig psalmen. Ze laat zien dat zulke psalmen niet alleen bedoeld waren voor het persoonlijke gebruik van gelovigen. Ze moesten ook klinken in de grote samenkomsten, gezongen door het koor dat daarvoor was aangesteld. Aan het hoofd van dat koor stond een leider of opzichter. In onze Bijbel heet hij “de opperzangmeester”, en Ainsworth noemt hem “de Meester van de Muziek”.

Verschillende van deze psalmen bevatten weinig of zelfs helemaal geen lofprijzing en zijn ook niet rechtstreeks tot de Allerhoogste gericht. Toch moesten zij in de openbare eredienst worden gezongen. Dat is een duidelijke aanwijzing dat Augustinus’ theorie misschien aannemelijk klinkt, maar niet Bijbels is. Sommige samenstellers van gezangboeken hebben deze theorie onlangs weer opgegraven: volgens hen zouden wij niets anders moeten zingen dan lofliederen. Maar de oude Kerk zong niet alleen over heilige waarheden en bracht niet alleen gebeden ten gehore. De lieflijke zanger van Israël, door God geïnspireerd, legde haar ook de klaagzangen van de nood in de mond.

Sommige mensen grijpen iedere spitsvondigheid aan die op het eerste gezicht juist lijkt en vinden het aangenaam om zich met zelfbedachte nauwgezetheid boven anderen te verheffen. Eenvoudige mensen zullen echter altijd een andere weg gaan. Zij verheffen de Heere niet alleen met heilige lofzangen, maar onderwijzen en vermanen elkaar ook, zoals Paulus voorschrijft, met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, terwijl zij met dankbaarheid in hun hart voor de Heere zingen.

Deze psalm heeft geen eigen titel. Om hem makkelijker te onthouden, stellen we dit opschrift voor: Over praktisch atheïsme. Er bestaan veel veronderstellingen over de aanleiding waarbij David deze psalm schreef. Ze missen echter iedere deugdelijke grond, zodat het zonde van de tijd zou zijn er uitvoerig bij stil te staan. De apostel Paulus laat in Romeinen 3 terloops zien wat de geïnspireerde dichter ermee bedoelt: zowel Joden als heidenen staan allen onder de zonde. Er was dan ook geen aanleiding om naar een bepaalde gebeurtenis in de geschiedenis te zoeken, want de hele geschiedenis is doortrokken van afschrikwekkende bewijzen van de menselijke verdorvenheid.

In Psalm 53 heeft David ons, met enkele betekenisvolle wijzigingen, een tweede uitgave van deze vernederende psalm gegeven. De Heilige Geest dreef hem ertoe deze waarheid tweemaal uit te spreken, omdat zij mensen met een vleselijke gezindheid altijd onaangenaam is.

Indeling

Eerst het dwaze geloof van de wereld (vers 1). Dan de praktische gevolgen daarvan: de zeden raken bedorven (vers 1, 2 en 3). Daarna de vervolgingsdrift van zondaars (vers 4), hun angsten (vers 5) en hun spot met mensen die God dienen (vers 6). Aan het slot staat een gebed dat de Heere Zich openbaart, tot vreugde van Zijn volk.

Uitleg

Vers 1

“De dwaas.” De atheïst is bij uitstek de dwaas, en een dwaas in elk opzicht. Hij zou God niet ontkennen als hij van nature niet dwaas was. En nu hij God ontkend heeft, is het geen wonder dat hij ook in zijn leven een dwaas wordt. Zonde is altijd dwaasheid. Niets is zó zondig als het bestaan van de Allerhoogste zelf aanvallen, en dus is niets zó dwaas. Zeggen dat er geen God is, betekent het duidelijkste bewijs tot leugen verklaren, en dat is halsstarrigheid. Het betekent ingaan tegen wat de hele mensheid samen aanvoelt, en dat is domheid. Het betekent je geweten de mond snoeren, en dat is waanzin.

Stel dat de zondaar door zijn atheïsme de God Die hij haat werkelijk kon uitschakelen. Dan zou er, hoe goddeloos zijn ongeloof ook was, nog enige logica in schuilen. Maar het ontkennen van vuur voorkomt niet dat het iemand verbrandt die erin staat. Evenmin kan het ontkennen van het bestaan van God de Rechter van de ganse aarde verhinderen de opstandeling te verderven die Zijn wetten overtreedt. Nee, dit atheïsme is een misdaad die de hemel ten zeerste tegen zich in het harnas jaagt. Een verschrikkelijke wraak zal neerdalen op de dwaas die zich eraan overgeeft. Het spreekwoord zegt: „De tong van een dwaas snijdt zijn eigen keel af.” Hier doodt zij zowel ziel als lichaam, en dat voor eeuwig. Ach, mocht het kwaad daar ophouden! Maar helaas, één dwaas maakt er honderden. Een luidruchtige godslasteraar verspreidt zijn afschuwelijke denkbeelden zoals een melaatse de pest verspreidt.

Ainsworth vertelt ons in zijn Annotations dat het woord dat hier gebruikt wordt Nabal is. Het betekent: verwelken, sterven of afvallen, zoals een verdord blad of een verwelkte bloem. De dwaze mens krijgt deze naam omdat hij het vocht en het sap van wijsheid, verstand, oprechtheid en godsvrucht heeft verloren. Trapp treft het doel wanneer hij hem noemt: „die saploze kerel, dat aas van een mens, dat wandelende graf van zichzelf, in wie alle godsdienst en gezond verstand zijn verdord en verwelkt, uitgedroogd en vergaan.” Sommigen vertalen het als „de afvallige”, anderen als „de ellendeling”.

Wat een ernst is er nodig om zelfs de schijn van twijfel aan Gods tegenwoordigheid, werkzaamheid, macht en liefde te vermijden! Ieder wantrouwen van dien aard draagt het kenmerk van dwaasheid. En wie van ons zou tot de dwaas uit deze tekst gerekend willen worden? Toch mogen wij nooit vergeten dat allen die niet wedergeboren zijn, in meerdere of mindere mate zulke dwazen zijn.

De dwaas “zegt in zijn hart”. Kan iemand met zijn mond zeggen dat hij gelooft, terwijl zijn hart precies het tegenovergestelde zegt? Was hij nog niet brutaal genoeg geworden om zijn dwaasheid hardop uit te spreken? Telde de Heere zijn gedachten als woorden tot Hem, ook al waren ze niet tot mensen gericht? Is dit de plek waar een mens voor het eerst ongelovig wordt: in zijn hart, niet in zijn hoofd? En als hij als atheïst praat, is het dan een dwaas hart dat aan het woord is en de stem van het geweten probeert te overschreeuwen? Wij denken van wel. Als onze genegenheid uitging naar waarheid en gerechtigheid, zou ons verstand geen enkele moeite hebben om de vraag naar een aanwezige, persoonlijke God te beantwoorden. Maar het hart houdt niet van wat goed en recht is. Geen wonder dat het van die Elohim af wil zijn: de grote morele Bestuurder, de Beschermer van wat rechtschapen is en de Straffer van onrecht!

Zolang het hart van de mens blijft zoals het is, moeten we ons niet verbazen over de opmars van het scepticisme. Een slechte boom draagt nu eenmaal slechte vruchten. “Ieder mens”, zegt Dickson, “is, zolang hij niet vernieuwd en niet met God verzoend is, in feite niets anders dan een dolzinnige.” Wat is het dan vreemd dat hij tekeergaat? Dwazen zoals degenen over wie we het nu hebben, zijn van alle tijden en van alle landen. Ze schieten op zonder dat iemand ze water geeft, en je vindt ze over de hele wereld. Meer verstandelijke ontwikkeling alleen zal hun aantal echt niet doen krimpen. Het is immers een zaak van het hart, en daarom gaan deze dwaasheid en grote geleerdheid vaak samen.

Sceptische haarkloverij beantwoorden is vergeefse moeite zolang de genade de geest niet bereid heeft gemaakt om te geloven. Dwazen bedenken in één uur meer bezwaren dan wijze mensen in zeven jaar kunnen weerleggen. Het is zelfs hun plezier om krukken neer te zetten waarover wijze mensen struikelen. Laat de prediker mikken op het hart en de alles overwinnende liefde van Jezus verkondigen. Door Gods genade zal hij dan meer twijfelaars voor het evangelie winnen dan honderd van de beste redenaars die hun argumenten alleen tot het hoofd richten.

“De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God”, of: “geen God.” Zo monsterlijk is deze bewering dat de man haar bijna niet durfde te doen als stellige uitspraak. Toch kwam hij er akelig dichtbij. Calvijn ziet dit zeggen, “geen God”, nauwelijks als een volledige redenering, hooguit als iets wat bijna een stellige, dogmatische verklaring is. Dr. Alexander laat echter duidelijk zien dat het dat wel is. Het is niet alleen de wens van de verdorven natuur van de zondaar en de hoop van zijn opstandige hart. Hij krijgt het op zijn manier ook voor elkaar om het zelf te beweren, en soms denkt hij zelfs dat hij het gelooft. Het is een ernstige gedachte dat sommigen die God met hun lippen aanbidden, in hun hart misschien zeggen: “geen God.”

Opvallend is dat hij niet zegt dat er geen Jehova is, maar dat er geen Elohim is. De aanval richt zich niet zozeer op God in het algemeen, als wel op Zijn aanwezigheid in de wereld als Verbondsgod: persoonlijk, regerend en bestuurlijk. God als Heerser, Wetgever, Werker en Zaligmaker is de schietschijf waarop de pijlen van menselijke woede worden afgevuurd. Wat is die boosheid machteloos! Wat een dwaze woede, die tekeergaat en schuimbekt tegen Hem in Wie wij leven en bewegen en zijn! Wat een afschuwelijke waanzin, die iemand die alles aan God te danken heeft laat uitroepen: “Geen God!” En wat een vreselijke verdorvenheid, die een heel geslacht dit tot zijn hartenwens laat maken: “geen God!”

“Zij verderven het” (Engels: zij zijn verdorven). Dit geldt voor alle mensen, en we hebben de volmacht van de Heilige Geest om dat te zeggen. Lees maar het derde hoofdstuk van de brief aan de Romeinen. Waar vijandschap tegen God leeft, zit diep vanbinnen een verdorven geest. Vooraanstaande uitleggers vertalen de woorden in de werkende vorm: “zij hebben verdorven gehandeld”. Dat herinnert ons eraan dat de zonde niet alleen werkeloos in onze natuur zit, als de bron van het kwaad. Wijzelf blazen het vuur actief aan. We richten onszelf te gronde en maken zwarter wat al zo zwart was als de duisternis zelf. Door gewoonte en volharding klinken we onze eigen ketenen steeds vaster. Zo is de mens niet alleen slachtoffer van zijn zonde, maar ook haar medeplichtige.

“Zij maken het gruwelijk met hun werk.” Als mensen beginnen met de allerhoogste God af te zweren, wie kan dan zeggen waar ze eindigen? Als de Meester Zijn ogen worden uitgestoken, wat zullen de knechten dan niet doen? Kijk naar de toestand van de wereld vóór de zondvloed, zoals Genesis 6:12 die beschrijft, en bedenk dat de menselijke natuur niet veranderd is. Wie een ontstellende foto wil zien van de wereld zonder God, moet het meest pijnlijke van alle ingegeven Schriftgedeelten lezen: het eerste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen. Geleerde hindoes hebben toegegeven dat die beschrijving op dit moment letterlijk klopt voor Hindostan. En was het niet om de weerhoudende genade van God, dan zou het in Engeland net zo zijn. Helaas! Zelfs hier is het maar al te zeer een juist beeld van wat mensen in het geheim doen, waar niemand het ziet. Wat God en mensen met walging vervult, smaakt sommigen zoet.

“Er is niemand, die goed doet.” Waar overtredingen overal voorkomen, moeten ook zonden van nalatigheid in overvloed zijn. Wie doet wat hij niet had mogen doen, laat zeker na wat hij wel had moeten doen. Wat een somber portret van ons geslacht! Hoe donker is dit tafereel, zonder één lichtstraal! Het is een verdorvenheid die we niet kunnen wegpraten. Behalve waar de genade regeert, is er niemand die goed doet. De mensheid, gevallen en vernederd, is een woestijn zonder oase, een nacht zonder ster, een mesthoop zonder juweel, een hel zonder bodem.

Vers 2

“De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen.” Alsof Hij op een wachttoren of een andere hoge uitkijkpost staat, zo beeldt de psalm de Heere uit: Hij kijkt aandachtig naar de mensen. Hij zal niet blindelings straffen. Hij zal ook niet, als een tiran, zomaar een slachting bevelen omdat het gerucht van opstand Zijn oren heeft bereikt. Wat een tedere, neerbuigende belangstelling en wat een eerlijke rechtvaardigheid worden hier geschilderd! Denk aan Sodom, dat eerst bezocht werd voordat het werd omgekeerd. Dat laat zien hoe zorgvuldig de goddelijke Gerechtigheid de zonde bekijkt voordat Zij haar straft, en hoe Zij de rechtvaardigen opspoort, zodat die niet samen met de schuldigen omkomen. Zie dus de ogen van de Alwetendheid, die de hele aardbol afzoeken en rondspeuren onder elk volk en elke natie, “om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht”.

Hij Die neerkijkt, kent het goede, ziet het snel en zou het met vreugde vinden. Maar als Hij alle mensenkinderen overziet die niet opnieuw geboren zijn, is Zijn zoeken vruchteloos. Van heel het geslacht van Adam is immers geen enkele ziel zonder vernieuwing iets anders dan een vijand van God en van het goede. De Heere zoekt geen rijke mensen, geen grote mensen en geen geleerde mensen. Met alles wat zij te bieden hebben, komen die niet in de buurt van wat de grote Bestuurder vraagt. Maar Hij zoekt ook niet naar buitengewone deugd. Hij zoekt iedereen die zichzelf begrijpt: zijn toestand, zijn plicht, zijn bestemming, zijn geluk. Hij zoekt iedereen die God zoekt en die, als er een God is, bereid en verlangend is Hem te vinden. Dat is toch zeker niet te veel gevraagd? Want als mensen God nog niet kennen, maar een beetje gezond inzicht hebben, dan zullen ze Hem zoeken.

Helaas! Zelfs dit kleine beetje goed is niet te vinden, ook niet door Hem Die alle dingen ziet. Mensen houden juist van de afschuwelijke ontkenning “Geen God”. Met hun rug naar hun Schepper, de zon van hun leven, trekken ze naar het troosteloze gebied van ongeloof en vervreemding. Dat is een land van duisternis, van donkerheid als de donkerheid zelf, van de schaduw des doods zonder enige ordening, en waar het licht is als de donkerheid.

Vers 3

“Zij zijn allen afgeweken.” Zonder uitzondering zijn alle mensen afvallig geworden van de Heere, hun Maker, van Zijn wetten en van alle eeuwige rechtsbeginselen. Als koppige jonge koeien hebben ze hardnekkig geweigerd het juk te dragen. Als dwalende schapen hebben ze een gat gevonden en de goede weide verlaten. In de oorspronkelijke tekst gaat het over het menselijk geslacht als geheel, als één groep. En die mensheid als geheel is verdorven van hart en bezoedeld in haar leven.

“Te zamen zijn zij stinkende geworden.” Als geheel zijn ze bedorven en zuur geworden, als zuurdesem dat is gaan rotten. Of, zoals sommigen het zeggen: ze zijn gaan rotten en zelfs gaan stinken. Dat we deze walgelijke stank niet scherper opmerken, komt alleen doordat we eraan gewend zijn. Wie dag in dag uit midden in vieze luchtjes werkt, ruikt ze uiteindelijk niet meer. De molenaar hoort het lawaai van zijn eigen molen niet, en wij zijn traag in het ontdekken van onze eigen ondergang en verdorvenheid.

Maar zijn er dan geen uitzonderingen? Zijn alle mensen zondig? “Ja”, zegt de psalmist, onmiskenbaar duidelijk, “dat zijn zij.” Hij heeft het eerst stellig gezegd en herhaalt het nu ontkennend: “Er is niemand, die goed doet, ook niet een.” De Hebreeuwse uitdrukking is een volstrekte ontkenning: van geen enkel gewoon mens kan gezegd worden dat hij uit zichzelf goed doet. Wat kan er nog algemener zijn dan dat? Dit is het oordeel van de alziende Jehova, Die niet kan overdrijven en Zich niet kan vergissen. Alsof we ook maar één moment de hoop mochten koesteren dat we onder het geslacht van mensen zonder vernieuwing één enkel voorbeeld van een goed mens zouden vinden. De Heilige Geest is niet tevreden met “allen” en “te zamen”. Hij voegt er de verpletterende drievoudige ontkenning aan toe: “niemand, … ook niet een.”

Wat hebben de tegenstanders van de leer van de natuurlijke verdorvenheid hierop te zeggen? Of liever: wat voelen wíj erbij? Belijden we niet dat we van nature verdorven zijn? En prijzen we niet de soevereine genade die ons vernieuwd heeft in de geest van onze gemoederen, zodat de zonde geen macht meer over ons heeft, maar de genade heerst en regeert?

Vers 4

Haat tegen God en een verdorven leven zijn de drijfveren achter vervolging. Er zijn mensen die zonder zaligmakende kennis van goddelijke zaken zichzelf tot slaaf maken om “werkers der ongerechtigheid” te worden. Zij hebben geen hart om de Heere om verlossing aan te roepen. Ze proberen zich te vermaken door Gods arme en verachte volk op te eten. Het is een harde slavernij om “werker der ongerechtigheid” te zijn. Een galeislaaf of een dwangarbeider in de mijnen van Siberië is er echt niet erger aan toe. Het werk is zwaar en het loon is verschrikkelijk. Wie geen kennis heeft, kiest zo’n slavernij. Wie door God onderwezen is, roept om eruit gered te worden.

Dezelfde onwetendheid die mensen tot slaven van het kwaad maakt, laat hen de vrijgeboren kinderen van God haten. Daarom proberen ze hen op te eten “alsof zij brood aten”: elke dag, gulzig, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is om de heiligen van God te onderdrukken. Zoals snoeken in een vijver de kleine visjes verslinden, zoals arenden azen op kleinere vogels en wolven de schapen van de weide wegscheuren, zo vervolgen, belasteren en bespotten zondaars de volgelingen van de Heere Jezus. Het komt vanzelf bij hen op, het zit in hun aard. Terwijl ze zo azen, zweren ze alle bidden af. Daarin zijn ze consequent, want hoe kunnen ze hopen verhoord te worden als hun handen vol bloed zijn?

Vers 5

Onderdrukkers krijgen niet alles zoals zij het willen. Ook zij hebben hun momenten van beven, en ook voor hen komt er een vaste tijd van ondergang. Juist daar, waar ze God ontkenden en tekeergingen tegen Zijn volk, juist daar, waar ze dachten aan vrede en veiligheid, schoot de schrik hun in de benen. “Aldaar” stonden ze, die luidruchtige Nimrods en Herodessen met hun ijzeren vuist en hun trotse hart, die roekeloze, hooghartige zondaars: “aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard”. Een paniekschrik greep hen aan, een angst die hen helemaal overmande. “Zij vreesden een vrees”, zoals het Hebreeuws zegt. Het was een angst zonder naam, een vreselijke, raadselachtige angst die over hen heen kroop.

Zelfs de allerhardste mensen kennen hun zwakke uren, tijden waarin ze niet meer opgewassen zijn tegen hun eigen binnenste. Dan jaagt hun geweten hen een koud angstzweet over het lijf. Lafaards zijn wreed, en daarom zijn wrede mensen diep vanbinnen altijd lafaards. Het spook van vroegere zonden kan iedereen blijven achtervolgen. En hoe hard ongelovigen ook roepen en snoeven: in hun oren klinkt een geluid dat hen niet met rust laat.

“Want God is bij het geslacht des rechtvaardigen.” Daarom vinden goddelozen het zo vervelend om bij vrome mensen in de buurt te zijn. Ze merken dat God met hen is. Ze kunnen hun ogen nog zo stevig dichtknijpen, ze ontkomen er niet aan: ze zien het beeld van God terug in het karakter van Zijn werkelijk genadige volk. En ze kunnen er evenmin omheen dat Hij bezig is dat volk te verlossen. Net als Haman voelen ze instinctief een huivering als ze Gods Mordechais zien. Misschien staat de gelovige er maar bescheiden voor, in een eenvoudige positie. Misschien treurt hij bij de poort, terwijl de vervolger daar in volle pracht zit te juichen. Toch voelt de zondaar de ware adel van de gelovige, en hij deinst ervoor terug en beeft. Want God is daar!

Spotters, pas op, wees gewaarschuwd! Wie Gods volk lastigvalt, vervolgt de Heere Jezus Zelf. De eenheid tussen God en Zijn volk is zó hecht dat je kunt spreken van een geheimzinnig inwonen. God is immers bij het geslacht des rechtvaardigen.

Vers 6

Diep vanbinnen zijn de goddelozen laf. Toch trekken ze de leeuwenhuid aan en spelen ze de baas over de armen van de Heere. Zelf zijn het dwazen, maar de echt wijzen bespotten ze alsof de dwaasheid aan hún kant staat. Dat is niet vreemd, het is precies wat je mag verwachten. Hoe zouden redeloze geesten het uitnemende kunnen waarderen? En hoe kunnen mensen met uilenogen de zon bewonderen? Het mikpunt van hun spot is vooral het vertrouwen dat vrome mensen in hun Heere hebben. “Wat kan jullie God nu voor jullie doen? Wie is die God die ons uit onze hand kan redden? Wat heeft al dat bidden en smeken jullie opgeleverd?” Met zulke honende vragen vallen ze zwakke maar genadige mensen aan. Ze verleiden hen ertoe zich te schamen voor hun toevlucht.

Laten we ons vertrouwen niet uit handen laten lachen! Laten we hun spot uitlachen en hun hoon trotseren, ook als het even pijn doet. We hoeven nog maar heel even te wachten. Dan zal de Heere, onze Toevlucht, Zijn uitverkorenen wreken en Zich verlichten van Zijn tegenstanders, die Hem en Zijn volk eens zo gering achtten.

Vers 6

Dit slotgebed ligt voor de hand. Wat zou atheïsten immers zó krachtig overtuigen, vervolgers ten val brengen, de zonde een halt toeroepen en de godvrezenden veilig stellen als het openlijk verschijnen van Israëls grote Zaligheid? In alle tijden verlangden vrome mensen naar de komst van de Messias. Hij is al gekomen. Dat deed Hij met een zondoffer om de ongerechtigheid weg te nemen. Toch kijken we uit naar Zijn tweede komst, zonder zondoffer, tot zaligheid.

O, mochten deze slopende jaren toch eindigen! Waarom blijft Hij zo lang weg? Hij weet dat de zonde zich opstapelt en dat Zijn volk wordt vertrapt. Waarom komt Hij dan niet te hulp? Als Hij komt in Zijn heerlijkheid, brengt Hij Zijn oude volk terug uit echte gevangenschap, en Zijn geestelijk zaad uit geestelijk verdriet. Worstelend Jakob en overwinnend Israël zullen samen juichen voor Zijn aangezicht, zodra Hij Zich als hun zaligheid openbaart.

O, was Hij maar gekomen! Wat een gelukkige, heilige, rustige, hemelse dagen zouden we dan beleven! Maar laten we Hem niet traag noemen. Want zie: Hij komt, Hij komt haastelijk! Welgelukzalig zijn allen die Hem verwachten.

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Gehele psalm. Opvallend aan deze psalm is dat ze twee keer in het psalmboek voorkomt. Psalm 14 en psalm 53 zijn dezelfde, op een of twee uitdrukkingen na. Nog iets bijzonders: de apostel citeert een groot deel van deze psalm. Zie Romeinen 3:10-12.

Ze geeft een beschrijving van een uiterst treurige toestand in de wereld, ja zelfs in Israël. Een algemeen verderf had alle soorten mensen aangetast: hun beginselen, hun gedrag en hun opvattingen.

Ten eerste was dit een tijd waarin een machtig beginsel van atheïsme de wereld was binnengedrongen, ook onder de groten der aarde. “Dat is hun beginsel”, zegt hij: “zij zeggen in hun hart: ‘Er is geen God.’” Het is waar: ze beleden dat misschien niet openlijk en onomwonden. Maar het was wél het beginsel dat hun hele doen en laten bepaalde, het uitgangspunt waar ze al hun handelen op afstemden. “De dwaas”, zegt hij, “zegt in zijn hart: Er is geen God.” Hij bedoelt niet deze of gene man in het bijzonder, maar “de dwaas” in het algemeen: al die dwaze mensen samen. Dat blijkt uit het volgende woord, “Zij verderven het”, en uit vers 3: “Zij zijn allen afgeweken.” Met “de dwaas” bedoelt hij dus de grote massa, de hele gemeenschap van dwaze mensen. Zo laat hij zien dat ze het over van alles oneens mochten zijn, maar op dit ene punt dachten ze allemaal hetzelfde. “Zij zijn allemaal een gezelschap van atheïsten”, zegt hij, “praktische atheïsten.”

Ten tweede pasten hun neigingen bij dit beginsel, want de neigingen en daden van mensen volgen altijd hun beginselen. Wat moet je verwachten van mensen die geloven dat er geen God is? Wel, zegt hij, hun neigingen zijn verdorven: “Zij verderven het.” Dat zegt hij nog eens, op een andere manier, in vers 3: “Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden.” “Allen afgeweken.” In de grondtekst staat letterlijk: “Zij zijn allen zuur geworden.” Denk aan drank die vroeger nog bruikbaar was, maar nu flauw is geworden. Alle geest en leven zijn eruit en het smaakt nergens meer naar. Dan zegt hij: “te zamen zijn zij stinkende geworden”, ‘stinkend geworden’, zoals de kanttekening het weergeeft. Hun verdorven neigingen hebben hun geen leven en geen smaak meer gelaten. Overal in hen heersen stinkende, verdorven begeerten. Ze zeggen: “Er is geen God”, en ondertussen zitten ze vol stinkende, verdorven begeerten.

Ten derde: als dit hun beginsel is en dit hun neigingen, laten we dan naar hun daden kijken. Misschien zijn die beter. Maar let goed op die daden! Ze zijn van tweeërlei aard: 1. Hoe ze zich gedragen in de wereld. 2. Hoe ze zich gedragen tegenover het volk van God.

  1. Hoe gedragen ze zich in de wereld? Kijk dan eens naar de plichten die ze verzaken en naar de goddeloosheden die ze bedrijven. Welk goed doen ze? Helemaal niets, zegt hij: “niemand van hen doet goed”. Misschien sommigen dan toch? “Nee, ook niet een.” In vers 1 en 3 zegt hij: “Er is niemand, die goed doet, ook niet een.” Was er ook maar één onder hen geweest die zich bezighield met iets wat echt goed en nuttig was voor de wereld, dan was er nog hoop geweest. “Maar nee”, zegt hij, “hun beginsel is atheïsme, hun neigingen zijn verdorven, en van goed doen komt niets: er is niet één van hen die enig goed doet. Alle plichten laten ze liggen, stuk voor stuk.”

En wat doen ze voor het kwaad? Wel, zegt hij: “Zij maken het gruwelijk met hun werk”, werken, zegt hij, “die niet te noemen zijn, waarover je niet kunt spreken, werken die God verafschuwt en die alle goede mensen verafschuwen.” “Gruwelijke werken”, zegt hij, “waar zelfs het licht van de natuur voor terugdeinst.” En sta mij toe de woorden van de psalmist te gebruiken: “stinkende, vuile werken.” Zo beschrijft hij de stand van zaken, hoe het eraan toeging onder de regering van Saul, toen hij deze psalm schreef.

  1. Misschien denk je: “Als het zo met hen is gesteld en ze zo hun eigen weg gaan, laten ze dan in elk geval het volk van God met rust. Dát zullen ze niet ook nog aan hun andere zonden toevoegen.” Nee, het is heel anders, zegt hij: “Die mijn volk opeten, alsof zij brood aten.” “Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen den HEERE niet aan.” Wat is de reden dat hij het op deze manier naar voren brengt? Waarom zegt hij niet: “Zij hebben geen kennis, die zulke gruwelijke dingen doen”? Waarom staat er juist: “Zij hebben geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten”?

“Het is vreemd dat ze na al Mijn omgang met hen en na alles wat Ik hun van Mijn wil heb laten weten, zó redeloos zijn dat ze niet inzien dat dit hun ondergang wordt. Weten ze dan niet dat dit hen zal verslinden en vernietigen, en dat het op een bijzondere manier zal worden teruggevorderd? Midden tussen alle zonden en de zwaarste, hoogste tergingen die er in de wereld bestaan, hecht God bijzonder veel gewicht aan het opeten van Zijn volk. Laat ze zich maar volstoppen met hun eigen begeerten, zoveel ze willen. Maar: ‘Hebben zij geen kennis, dat zij mijn volk opeten alsof zij brood aten?’”

Uit dit alles zijn nog heel veel dingen op te merken, maar ik wil er alleen een paar wenken uit de Psalmen over geven.

Welnu, hoe staat het er nu voor? U hebt gezien hoe het met hén was. Maar wat deed Gods voorzienigheid met hen? Het is vreemd, en bij zo’n levenswijze zou je het bijna niet geloven: hij vertelt u (vers 5) dat ze ondanks dit alles in grote vrees waren. “Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard”, zegt hij. Misschien omdat ze zagen dat er onheil op hen afkwam? Nee, er was niets dan de hand van God in. Want in Psalm 53:6, waar deze woorden worden herhaald, staat: “Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, waar geen vervaardheid was.” Er was dus geen zichtbare reden om bang te zijn, en toch waren ze in grote vrees.

Door Zijn voorzienigheid geeft God mensen zelden volkomen, algemene zekerheid op het hoogtepunt van hun zonde, onderdrukking, zinnelijkheid en begeerten. Nee, Hij maakt hen in het geheim bang waar niets te vrezen valt. Er is niets te zien dat hun ook maar enige angst zou moeten inboezemen, en toch gedragen ze zich als mensen die radeloos zijn van schrik. Maar waar zou die vrees vandaan komen? Ze komt hieruit voort, zegt hij: “Want God is bij het geslacht des rechtvaardigen.” Ze zien helemaal duidelijk dat hun werk niet opschiet, hoe ze ook hun best doen. Hun eten wil niet verteren. Hun brood glijdt niet goed door hun keel.

“Ze aten en verslonden mijn volk. Maar toen ze het wilden verslinden, bleek dat God onder hen was. Ze konden hun brood niet verteren. Dat joeg hun angst aan en overrompelde hen volkomen.” Ze kwamen in de verwachting een zoet hapje te vinden. Maar toen ze eraan begonnen, was God daar! Hij vulde hun mond en tanden met grind en begon de kinnebakken van de geweldigen te breken toen ze kwamen om zich aan Zijn volk te goed te doen. “God was daar”, zegt hij. (Vers 5.)

De Heilige Geest geeft een verslag van hoe het stond tussen die twee soorten mensen die Hij had beschreven: tussen de dwaas en het volk van God, tussen hen die verslonden en hen die helemaal verslonden zouden zijn als God niet bij hen was geweest. Beide groepen waren bang: zowel zij die verslonden zouden worden als zij die verslonden. Maar ze zochten allebei een andere uitweg. Hij laat zien welke wegen dat waren en wat ze van elkaars weg vonden. “Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de HEERE zijn Toevlucht is”, zegt hij.

Eerst worden de betrokken mensen genoemd: “de ellendige”. Dat zijn de mensen die in de voorgaande verzen worden beschreven, het volk dat op het punt stond te worden opgegeten en verslonden.

Dan zien we waar deze ellendigen hun hoop op vestigden, en waar ze schuilden in zo’n tijd, toen alles in angst verkeerde: bij “de HEERE”. De ellendige maakt de Heere tot zijn toevlucht.

Let hier ook op: eerst vatte hij alle goddelozen samen als één man, “de dwaas”. Zo vat hij nu ook zijn eigen volk samen als één man, “de ellendige”, de arme man: “Omdat de HEERE zijn Toevlucht is.” Hij blijft bewust in het enkelvoud spreken. Waarin Gods volk onderling ook mag verschillen: in deze zaak zijn ze allemaal als één man.

En dan is er de manier waarop deze ellendigen God tot hun toevlucht maken. Ze doen dat door “raad”, zegt hij. Het is niet iets wat ze bij toeval doen, niet een opwelling van het moment. Ze zien het als hun wijsheid. Ze doen het na overweging en overleg. Het is een zaak van grote wijsheid.

Welnu, wat denken de anderen nu van dit gedrag van hen? De ellendigen maken God tot hun toevlucht, en ze doen dat door raad. Wat vindt de wereld van die raad? Wel, ze “beschamen” hem. Dat wil zeggen: ze gooien er schande over uit en vinden het een bijzonder dwaze zaak om de Heere tot hun toevlucht te maken. “Ja, als ze maar deze of gene grote man tot hun toevlucht hadden gemaakt, dan was het nog iets geweest. Maar de Heere tot hun toevlucht maken: dat is het dwaaste wat er op aarde bestaat”, zeggen ze. Iemands raad beschamen en als dwaas verachten: grotere minachting kunnen ze iemand niet bewijzen.

Hier ziet u hoe het ervoor staat, zoals deze psalm het schetst en voor de Heere uitspreidt. Daarna laat de psalmist zien wat onze plicht is als het zo gesteld is, wat het volk van God dan moet doen. “Hun weg is te gaan bidden”, zegt hij. Vers 7: “Och, dat Israels verlossing uit Sion kwam! Als de HEERE de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israel zal verblijd zijn.” Als het zo gesteld is: roep dan, bid dan: “Och, dat Israels verlossing uit Sion kwam”, enzovoort. Uit Sion zal lof tot God opkomen als een rijke opbrengst, tot vreugde van Zijn volk.

— John Owen.

Vers 1

“De dwaas.” Die saploze kerel, dat lijk van een mens, die wandelende graftombe van zichzelf, waarin alle godsdienst en gezond verstand is verdord en verschrompeld, uitgedroogd en vergaan. Die afvallige, bij wie de natuurlijke beginselen zijn uitgedoofd en die door God is verlaten, zoals de wandtapijten worden weggehaald zodra de vorst is vertrokken. Dat louter dier, dat niet meer heeft dan een redelijke ziel en dat maar voor weinig anders dient dan als zout, om zijn lichaam voor bederf te bewaren. Die goddeloze man die hierna wordt beschreven, die het atheïsme bestudeert.

— John Trapp.

Vers 1

“De dwaas”, enzovoort. De wereld waarin we leven is een wereld van dwazen. Verreweg het grootste deel van de mensheid speelt een volkomen onredelijke rol, en dat merk je aan alles. Hun verblinding is zo groot dat ze de tijd verkiezen boven de eeuwigheid, en korte genoegens boven genoegens die nooit meer ophouden. Ze luisteren liever naar wat de satan getuigt dan naar wat God getuigt. Van alle dwaasheid is die het grootst die over eeuwige dingen gaat. Zij is het noodlottigst, en als iemand er zijn hele leven aan blijft vasthouden, is ze volstrekt niet meer te herstellen.

Een vergissing in de omgang met tijdelijke zaken kun je later nog rechtzetten. Hoe dan ook, ze is van betrekkelijk weinig belang. Maar een dwaling in geestelijke en eeuwige zaken weegt op zichzelf al het zwaarst. Houdt iemand haar zijn hele leven vol, dan is er nooit meer herstel mogelijk, want na de dood is er geen verlossing. De grootste dwaasheid waartoe een schepsel in staat is, is dat hij het bestaan en de volmaaktheden van de grote Schepper ontkent of er verkeerde opvattingen over koestert. Daarom geeft de Geest van God de naam ‘dwaas’ in bijzondere, nadrukkelijke zin aan wie zich aan deze schuld schuldig maakt. “De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God.”

— John Jamieson, M.A., 1789.

Vers 1

“De dwaas”: zo heet in de Schrift een goddeloos mens. Ook de heidense wijsgeren gebruikten dit woord voor een zedeloos persoon. (Hebr.) Het komt van (Hebr.) en betekent dat het leven uitdooft bij mensen, dieren en planten. Zo wordt het woord (Hebr.) gebruikt in Jesaja 40:7, (Hebr.) “de bloem valt af” (Jesaja 28:1): een plant die al het sap kwijt is waardoor ze lieflijk en nuttig was. Een dwaas is dus iemand die zijn wijsheid en zijn juiste kennis van God en goddelijke dingen kwijt is, dingen die de mens bij zijn schepping meekreeg. Hij is dood in zonde. Maar hij mist niet zozeer verstandelijke vermogens als wel genade in die vermogens. Hij is niet iemand zonder verstand, maar iemand die zijn verstand misbruikt.

— Stephen Charnock.

Vers 1

“De dwaas zegt”, enzovoort. In elk mensenhart zit deze dwaasheid vastgeklonken. Maar vastgeklonken is niet hetzelfde als zwijgen: ze zit niet met een geboeide tong en kan prima praten. En wat ze zegt, is goddeloos. Ze zegt het recht in Gods gezicht: dat er “geen God” is. Er is wel verschil in volume. Grove zonden roepen het uit, het zijn schreeuwende zonden. Kleinere zonden zeggen het niet zo hard, maar ze fluisteren het wél. Toch verstaat de Heere de taal van het hart. Hij hoort elke fluistering die daar opkomt, elke beweging van binnen, net zo duidelijk als wij elkaar verstaan in een gewoon gesprek. O, wat is zelfs de kleinste zonde afschuwelijk! Ze beledigt het wezen zelf van de grote God.

— David Clarkson.

Vers 1

“De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God.” Blader maar een paar bladzijden door tot psalm 53. Daar vind je niet alleen mijn tekst terug, maar de hele psalm, zonder één verandering. Alleen het vijfde vers wijkt af, en zelfs daar is de strekking dezelfde. Wat moeten we hier nu van zeggen? Lette de Heilige Geest zó nauwkeurig op wat een dwaas zegt en doet, dat één keer opschrijven niet genoeg was? Of gaat het gebrabbel en de waanzin van zo’n dwaas ons zó aan, dat het ons telkens weer onder de neus moet worden gewreven, en een derde keer nog eens in Romeinen 3?

Nee, zeker niemand van ons die hier aanwezig is, is die dwaas! Als een van ons wist waar hij zo iemand kon vinden, iemand die durfde te zeggen, al was het alleen in zijn hart: “Er is geen God”, dan zou hij geen rust hebben. Zo iemand zou al gauw merken dat wij hem allerminst bijvallen en dat wij niet aan zijn kant staan. Wij, die David nog een geloofsartikel of twee kunnen vertellen die hij zelf nooit heeft gekend! Sterker nog: kan iemand ons met enige reden verdenken van atheïsme? Wij kunnen David een les voorlezen uit zijn eigen psalmen. Wij leggen de betekenis van zijn eigen profetieën veel duidelijker uit dan hij zelf, terwijl hij toch de pen vasthield voor de Heilige Geest van God!

Natuurlijk, we kunnen niet ontkennen dat er in andere dingen bij ons best nog een zweem van dwaasheid en onvolkomenheid te vinden is. Maar we zijn bijna overvoed met het hemelse manna van Gods woord. We kunnen onze eigen leraren onderwijzen. We verdedigen opvattingen en leerstellingen waarvan de bezwaren door geen van beide universiteiten van dit land, en door de hele geestelijkheid niet, kunnen worden opgelost. Hoe zouden wij dan ooit tot die volmaaktheid en voortreffelijkheid van dwaasheid en waanzin kunnen komen, dat we de gedachte zouden koesteren dat er geen God is? Nee, zo liefdeloos zijn we niet. Zelfs een Turk of een ongelovige beladen we niet met zo’n gruwelijke beschuldiging.

Geliefde christenen, wees toch niet wijs in uw eigen ogen. Onderzoek Romeinen 3 (dat ik zojuist noemde) eens ernstig. Dan merkt u dat Paulus uit deze psalm en uit de gelijkluidende woorden van Jesaja afleidt dat alle nakomelingen van Adam (Christus alleen uitgezonderd) onder de zonde en de vloek van God liggen. Die conclusie zou zwak zijn en nergens op slaan, tenzij elk mens van nature precies zo is als de profeet hier beschrijft. Dezelfde apostel schrijft ergens anders: “Zonder God in de wereld”. Hij bedoelt daarmee niet dat zij het als een overtuiging verdedigden, iets wat ze met sterke argumenten wilden bewijzen: dat er geen God is. We lezen immers van niet meer dan drie of vier heidenen van enig aanzien die zo ver gingen.

Maar er zijn mensen die in hun redeneringen en diepste gedachten niet twijfelen aan het bestaan van een godheid. Ze zouden zelfs met afschuw reageren op iedereen die God niet ruimhartig al Zijn heerlijke eigenschappen toekent. Toch ontkennen ze Hem in hun hart en in hun verlangens. Ze leven alsof er geen God is, zonder enig ontzag voor Hem in al hun plannen. Zo zijn ze, in Gods ogen en in werkelijkheid, in de strikte zin van het woord, echte atheïsten.

— William Chillingworth, 1602-1643.

Vers 1

“De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God.” Waarom komen mensen in opstand tegen Gods gezag, terwijl ze er geen woord tegenin kunnen brengen? Waarom negeren ze Zijn geboden, terwijl ze geen enkele uitzondering kunnen verzinnen? Wat anders dan vijandschap laat hen opzien tegen “zo gemakkelijk een juk”? Wat anders dan die geest laat hen “zo licht een last” van zich afgooien, zulke vredige en prettige paden mijden en er zelfs voor op de loop gaan? Ja, wat anders drijft hen op wegen die zo duidelijk “de hel vast” houden en “dalende naar de binnenkameren des doods” zijn, omdat ze liever omkomen dan gehoorzamen? Is dit niet het toppunt van vijandschap, de hoogste trap die ze kan bereiken? Welk bewijs zouden we nog willen zoeken voor een vijandig en onverzoenlijk hart?

En toch is er nog iets vreselijks aan toe te voegen: in hun hart zeggen ze: “Geen God.” Dat betekent zoveel als: “Was Hij er maar niet!” Dát is vijandschap. Ze bereikt niet alleen het toppunt van goddeloosheid, want ze wensen hun gemeenschappelijke Vader, Hem Die hun bestaan schiep, uitgeroeid te zien. Ze is zelfs regelrechte waanzin. In de blinde hitte van hun woede staan ze er niet bij stil dat ze iets volstrekt onmogelijks wensen. Als het kon, wensten ze met Zijn bestaan ook hun eigen bestaan weg, en dat van alles wat is. Zetten we wat er in hun hart leeft in woorden, dan is het niets minder dan een schrikwekkende, afgrijselijke verwensing en vloek over God en over heel Gods schepping tegelijk!

Het lijkt wel alsof ze met de godslastering van hun giftige adem de hele natuur willen laten verdorren. Alsof ze het hele heelal willen verschroeien en laten wegkwijnen en wegzinken in het niets. Zo zetten ze hun mond tegen hemel en aarde, tegen zichzelf en tegen alles tegelijk. Ze lijken te denken dat hun zwakke adem het almachtige Woord kan overweldigen, dat hij de diamanten pilaren van hemel en aarde kan doen wankelen en versplinteren. Ze lijken te denken dat hun “nee”, dat de wortel van alles raakt, het almachtige “Het zij” kan dwarsbomen!

Hoe treffend en passend is het dus gezegd: “De dwaas zegt in zijn hart”, zo mompelt hij het. En zulke dwazen zijn er niet een of twee. Maar dit wordt ons duidelijk gegeven als het algemene kenmerk van de afvallige mens, van het hele afvallige mensdom, waarvan in heel algemene woorden wordt gezegd: “Een ieder van hen is teruggekeerd, … er is niemand, die goed doet.” Zo denken ze allemaal, allen samen, dat wil zeggen: als je hen met anderen vergelijkt. En als hun de ware stand van zaken wordt voorgehouden, is het meer hun natuur om “Geen God” te zeggen dan om zich te bekeren “en zich tot Hem te keren”. Wat een dwaze, waanzinnige vijandschap is dit! Wat een onbegrijpelijke blindheid! En we weten niet waarop we haar anders zouden moeten terugvoeren.

— John Howe.

Vers 1

“De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God.” Wie ontkent dat er een God is, gaat met opgeheven vuist in tegen het licht van de natuur. Elk schepsel zal zo iemand weerleggen en beschamen, tot en met de kleinste mug, de kleinste vlieg en de armzaligste worm die over de grond kruipt. Zij brengen ieder tot zwijgen die ernstig betwist of er wel een God is. Gods naam staat in grote, mooie, stralende letters over heel de schepping geschreven. Iedereen kan al lopend lezen dat er een God is. Het besef van een godheid is zó sterk en zó diep ingeprent in ieders hart, dat het ontkennen van God neerkomt op het doven van de allereerste beginselen van de gewone natuur. Ja, het is formeel deicidium, het doden van God, een zonde net zo erg als wanneer de schepping zou liegen.

Zulke atheïsten zijn er niet in de hel, want de duivelen geloven en sidderen. Jakobus 2:19. Het Griekse woord phrissousi dat hier staat, betekent eigenlijk: het bruisen en brullen van de zee. Het wijst op zo’n uiterste angst dat ze niet alleen sidderen veroorzaakt, maar ook brullen en gillen. Markus 6:49; Handelingen 16:29. De duivelen geloven en erkennen vier artikelen van ons geloof. Mattheüs 8:29. (1.) Zij erkennen God; (2.) Christus; (3.) De dag des oordeels; (4.) Dat zij dan gepijnigd zullen worden. Wie niet gelooft dat er een God is, is dus nog gemener dan een duivel. Ontkennen dat er een God is, is een soort atheïsme dat je in de hel niet tegenkomt.

“Op aarde zijn er atheïsten veel,
In de hel is er niet één.”

Augustinus zegt over atheïsten: “Hoewel sommigen denken, of zichzelf willen wijsmaken, dat er geen God is, zou toch de gemeenste en meest wanhopige ellendeling die ooit leefde niet zeggen dat er geen God was.” Seneca heeft een opmerkelijk gezegde: Mentiuntur qui dicunt se non sentire Deum esse: nam etsi tibi affirmant interdiu noctu tamen dubitant. Zij liegen, zegt hij, die zeggen dat zij niet beseffen dat er een God is. Want overdag beweren ze het wel tegen je, maar ’s nachts twijfelen ze toch. Verder, zegt dezelfde schrijver, heb ik wel mensen horen ontkennen dat er een God was, maar ik heb nooit iemand gekend die, als hij ziek was, geen hulp zocht bij God. Wie zegt dat er geen God is, liegt dus. Zulke mensen zondigen tegen het licht van hun eigen geweten. Wie zich het angstvalligst en ijverigst inspant om God te ontkennen, krijgt tóch steeds een prik van zijn geweten in het gezicht. Tullius zei dat er onder de hemel nooit een volk is geweest dat zo barbaars was dat het ontkende dat er een God was.

— T. Brooks.

Vers 1

“De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God.” Het pausdom heeft lang niet zulke grote geesten voor zich gewonnen als het atheïsme. Juist een teveel aan verstand maakt atheïsten. Met ongepaste argumenten krijg je hen niet klein. Een ongeordende hagelbui van Bijbelteksten jaagt hun nooit schrik aan. Je moet hen overtuigen en verslaan, en wel met hun eigen wapens. “Hebt gij u op den keizer beroepen? Gij zult tot den keizer gaan.” Hebben zij zich op de rede beroepen? Laten we de rede dan naar hen toe brengen, zodat we hen tot rede brengen. We hoeven niet bang te zijn dat het ons in dat wapenarsenaal aan wapens ontbreekt. Wat we wél moeten vrezen is onze eigen onwetendheid en ons gebrek aan bekwaamheid om ze te gebruiken. Zelfs in de wijsbegeerte is genoeg te vinden om het atheïsme te overtuigen en te laten toegeven: “We zijn verslagen met onze eigen wapens.” Want met al hun verstand blijven atheïsten dwazen.

— Thomas Adams.

Vers 1

Geen wond is dodelijker dan die waarbij het hart of de ziel van een mens eruit wordt gerukt. Zo is er ook geen persoon of pest die zo krachtig is om in mensen plotseling alle geloof, hoop en liefde te doden, samen met de vreze Gods, en hen daarmee halsoverkop in de put van de hel te storten, als het loochenen van het beginsel en de grondslag van alle godsdienst, namelijk dat er een God is.

— Robert Cawdray’s “Treasury or Storehouse of Similes”, 1609.

Vers 1

“De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God.” Wie ter wereld is een grotere dwaas, een onwetender en ellendiger mens, dan iemand die atheïst is? Je kunt nog eerder geloven dat er niemand bestaat zoals jijzelf, en dat je niet bestaat, dan dat er geen God is. Want jijzelf kunt ophouden te bestaan, je was er ooit niet, je zult veranderen van wat je nu bent, en in heel wat periodes van je leven weet je niet eens dat je bestaat. Zo gaat het je elke nacht als je slaapt, dan weet je niet dat je bestaat. Maar niets van dit alles kan ooit God overkomen. En wie dat niet weet, is een dwaas.

Kan er in deze wereld iets dwazers zijn dan te denken dat heel dit bijzondere bouwwerk van hemel en aarde door toeval is ontstaan, terwijl alle vaardigheid van de kunst nog niet eens een oester kan maken? Prachtige gevolgen zien, en geen oorzaak. Een voortreffelijk bestuur, en geen vorst. Beweging zonder iets onbewogens. Een cirkel zonder middelpunt. Tijd zonder eeuwigheid. Een tweede zonder een eerste. Iets wat niet uit zichzelf begint, en dan niet inzien dat er iets moet zijn waaruit het begint, dat zelf geen begin kan hebben. Al deze dingen gaan zo lijnrecht tegen de wijsbegeerte en de natuurlijke rede in, dat wie het niet erkent wel een beest in zijn verstand móét zijn. Dát is de atheïst: “De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God.”

Dat is zijn kenmerk, zijn merkteken, dát is wat hem aanwijst. Het gevormde ding zegt dat niets het gevormd heeft. De tong heeft zichzelf nooit laten spreken, en toch praat ze tegen Hem Die haar liet spreken. Ze zegt dat wat gemaakt is, bestaat, en dat Hij Die het maakte, niet bestaat. Maar deze dwaasheid is even oneindig en grenzeloos als de hel, even zonder licht of grens als de chaos of het oorspronkelijke niets.

— Jeremy Taylor, 1613-1667.

Vers 1

“De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God.” Neem een wijs mens, iemand die leeft naar de beginselen van rede en deugd. Zie hem in zijn eenzaamheid: hij overziet het heelal als één geheel, let op de onderlinge afhankelijkheid en harmonie waarmee alles samenhangt, bedwingt zijn hartstochten of vult zijn gedachten met grootse ideeën over Gods voorzienigheid. In de ogen van een verstandig wezen is zo iemand een edeler figuur dan de grootste veroveraar te midden van de pracht en praal van een zegetocht. Er is daarentegen geen belachelijker dier dan een atheïst die alleen is. Zijn geest is niet in staat tot verrukking of verheffing. Hij kan zichzelf slechts beschouwen als een onbetekenend figuurtje in een landschap, dat rondzwerft over een veld of weide, op één lijn met de geringste dieren om hem heen, en onderworpen aan een even volledige sterfelijkheid als zij. Met dit extra zware: hij is de enige onder hen die er bang voor is.

In nood moet hij van alle schepselen het meest hulpeloos en verlaten zijn. Hij voelt de volle druk van de ramp van dit moment, zonder getroost te worden door de herinnering aan iets wat voorbij is, of door het vooruitzicht op iets wat komt. Vernietiging is de grootste zegen die hij voor zichzelf kan bedenken, en een strop of een pistool de enige schuilplaats waarheen hij kan vluchten. Wilt u zo’n somber, ellendig mens zien op zijn armzaligst? Kijk hem dan aan in de schrik van de dood, of wanneer die nadert.

Ongeveer dertig jaar geleden zat ik op een schip met zo’n stuk ongedierte, toen er een stevige bries opstak die niemand bang kon maken behalve hemzelf. Toen het schip begon te slingeren, viel hij op zijn knieën en biechtte aan de kapelaan op dat hij een laaghartige atheïst was geweest en een Opperwezen had ontkend sinds hij zijn bezit had geërfd. De brave man stond verbaasd te kijken, en meteen ging er een gerucht door het schip dat er een atheïst op het bovendek zat. Verschillende gewone zeelui, die het woord nooit eerder hadden gehoord, dachten dat het een vreemde vis was. Maar ze keken nog meer op toen ze zagen dat het een mens was, en uit zijn eigen mond hoorden: “Dat hij tot die dag toe nooit had geloofd dat er een God was.” Terwijl hij in doodsangst zijn belijdenis lag te doen, fluisterde een van de eerlijke matrozen de bootsman toe: “Dat het een goede daad zou zijn hem overboord te gooien.”

Maar inmiddels waren we een haven in zicht gekomen, en plotseling ging de wind liggen en viel de boetvaardige terug in zijn oude gedrag. Hij smeekte ons allemaal die erbij waren, als heren onder elkaar, om niets te vertellen van wat er was gebeurd. Hij was nog geen twee dagen aan wal, toen iemand uit het gezelschap hem begon te plagen met zijn vroomheid aan boord. Hij ontkende dat zó fel, in zulke hoge woorden, dat het aan beide kanten tot een beschuldiging van liegen leidde, en het in een duel eindigde. De atheïst werd dwars door het lijf gestoken en werd, na wat bloedverlies, een even goed christen als hij op zee was geweest, totdat hij merkte dat zijn wond niet dodelijk was. Op dit moment is hij een van de vrijdenkers van deze tijd, en hij schrijft een pamflet tegen verschillende aanvaarde opvattingen over het bestaan van feeën.

— Joseph Addison (1671-1719), in “The Tatler”.

Vers 1

„Er is geen God”, zei de dwaas in zijn hart:
„Er is geen God Die over aarde en hemel heerst.”
Maak de band los die zijn dwaze hart omknelt,
opdat God Zich aan zijn ongelovige oog moge openbaren!

Is er geen God? — De sterren, bij myriaden uitgestrooid,
weerspreken zijn godslastering zodra hij opwaarts ziet;
en zijn eigen gelaat, als hij zich in de spiegel beschouwt,
draagt het beeld van zijn Schepper.

Is er geen God? — De stromen die als zilver vloeien,
de lucht die hij inademt, de aarde waarop hij staat,
de bomen, de bloemen, het gras, het zand, elke wind die waait —
alles spreekt van God. Uit heel de schepping klinkt één stem,
die onmiskenbaar getuigt van Zijn ontzagwekkend bestaan.
Blind bent u, o dwaas, als u Hem in dit alles niet ziet!

— Giovanni Cotta.

Vers 1

De uil, het Atheïsme,
zweeft op onreine vleugels dwars door het middaglicht,
laat zijn blauwomzoomde oogleden zakken en houdt ze dicht;
en, krassend tegen de heerlijke zon aan de hemel,
roept hij uit: „Waar is zij?”

— Samuel Taylor Coleridge, 1772-1834.

Vers 1

“Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk.” Zonde smaakt het vlees goed. Omne simile nutrit simile: het gelijke voedt het gelijke. Het bedorven hart dat we van nature meedragen, wordt vet van bedorven daden. Judas’ hebzucht smaakt zoet door onrechtmatig gewin. Joab raakt door bloedvergieten steeds meer op dreef en wordt er harder van (1 Koningen 2:5). Diefstal past als gegoten bij een dievenhart, dat vetgemest wordt door buit die voor het grijpen ligt. Trots groeit van de vleiende complimentjes van dienstige knechten. Afpersing viert hoogtij in het hart van de woekeraar, zodra zijn geld binnenstroomt. Heiligschennis tiert welig bij de kerkroover, door de aangename eerbewijzen van vleiende priesters en door de gemakkelijke winst die hij met hen deelt. De natuur laat zich leiden door de zinnen en leeft ervan. Is de burcht van het hart eenmaal gevallen, dan houdt de toren van het verstand het niet lang meer vol.

Denk maar aan de dampen van een overvolle maag. Ze stijgen op en geven hoofdpijn. Of denk aan de dikke, schuimende nevels die uit de donkere, vochtige aarde optrekken: ze benauwen de heldere lucht en verduisteren voor ons de zon meer dan wat ook. Precies zo benevelen en verstikken de zwarte, verdorven neigingen uit de laagste kelders van de ziel ons verstand. Het vuur van de genade op Gods altaar (het hart van de mens) kan ook niet blijven branden, als de wolken van begeerte er zulke stortbuien van goddeloosheid overheen laten regenen.

Perit omne judicium, cum res transit ad affectum. Wie zijn gevoel in een zaak laat meebeslissen, kan zijn heldere blik vaarwel zeggen. Zijn oordeel wordt dan vanzelf partijdig.

— Thomas Adams.

Vers 1

“Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.” “Omdat mensen in hun gedachten verdorven zijn”, zegt Bernardus, “worden ze in hun daden gruwelijk: verdorven in de ogen van God, gruwelijk in de ogen van mensen. Er zijn drie soorten mensen, en geen van hen doet goed. Sommigen begrijpen God niet en zoeken Hem niet. Dat zijn de doden. Anderen begrijpen Hem wel, maar zoeken Hem niet. Dat zijn de goddelozen. En weer anderen zoeken Hem wel, maar begrijpen Hem niet. Dat zijn de dwazen.”

“O God”, roept een schrijver uit de middeleeuwen, “hoeveel mensen zijn er vandaag die zich christen noemen en toch afgoden dienen! Zij zijn gruwelijk voor U en voor mensen. Want ieder mens dient wat hij het meest liefheeft. De hoogmoedige knielt voor de afgod van wereldse macht, de gierigaard voor de afgod van geld, de overspeler voor de afgod van schoonheid, en zo gaat het maar door.” Over zulke mensen zegt de apostel: “Zij belijden dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, alzo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam, en tot alle goed werk ongeschikt.” Titus 1:16.

“Er is niemand, die goed doet.” Let op hoe Paulus dit getuigenis van de psalmist gebruikt. Hij zet het tussen de andere teksten die hij verzamelt in het derde hoofdstuk van de brief aan de Romeinen. Daar bewijst hij van “beiden Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn”. Romeinen 3:9.

— John Mason Neale, over deze plaats.

Vers 1

Mijn tekst gaat over de godsdienst van de atheïst. Zijn hele geloof past in één artikel, en dan ook nog een ontkennend artikel, in lijnrechte tegenspraak met elke geloofsbelijdenis: “Er is geen God.” Dat is maar één artikel, maar er hangen zoveel ongerijmdheden aan vast. Het is bovendien zo goddeloos en zo schokkend godslasterlijk, dat de dwaas het niet hardop durft te zeggen. Hij fluistert het tegen zichzelf, in het geheim, “in zijn hart”. Zo bevat de tekst drie punten. Wie is hij? Een “dwaas”. Wat zegt hij? “Geen God.” Hoe zegt hij het? “In zijn hart.” Een dwaas, zijn pijl en zijn schot. Ik loop ze een voor een langs. . . . . . .

Er is een kind naar de jaren, en er is een kind naar de zeden, aetate et moribus, zegt Aristoteles. Zo is er ook een dwaas, want dwazen en kinderen heten allebei nepioi. Er is een dwaas in denkkracht en een dwaas in levenshouding: stultus in scientia, et stultus in conscientia, een dwaas zonder verstand en een dwaas zonder geweten. De tweede verdient die naam net zo goed als de eerste. Beiden missen de rede, niet als vermogen maar in het gebruik ervan. Ja, de tweede is eigenlijk de echte dwaas. De zwakzinnige zou zijn verstand gebruiken als hij kon. De zondaar wil dat niet, ook al mag hij. David bedoelt hier niet de dwaas van nature, maar de dwaas in zedelijk opzicht: de goddeloze, genadeloze mens. Dat is namelijk wat het oorspronkelijke woord betekent. . . . . . .

Het wordt tijd dat we de persoon laten voor wat hij is en bij zijn daad komen. Wat heeft deze dwaas gedaan? Niets, denk je. Hij heeft alleen maar iets gezegd. Maar wat heeft hij dan gezegd? Eigenlijk ook niets. Hij heeft alleen iets gedacht, want in het hart spreken is niets anders dan denken. De Schrift kent twee soorten spreken. Het ene is echt bedoeld, het andere is maar een wens. Het ene gebeurt met de mond, het andere met de gedachte van het hart. U ziet dat de psalmist hier de tweede soort bedoelt. De pijl die de dwaas hier afschiet, is het atheïsme. Hij maakt er geen lawaai over als hij hem kwijt is, zoals boogschutters wel doen. Hij spant en schiet in het verborgene, stil, buiten het zicht en zonder een geluid. Hij zegt “God is niet”, maar “in het hart”.

Het hart heeft een mond: intus est os cordis, zegt Augustinus. God, zegt Cyprianus, is cordis auditor, Hij hoort het hart. Het hart kan dus blijkbaar toch iets zeggen. Toen God tegen Mozes zei: quare clamas? “Wat roept gij tot Mij?” lezen we geen woorden die hij sprak. Silens auditor, zegt Gregorius: Hij wordt gehoord, zonder dat er iets wordt gezegd. Er bestaat een stil spreken (Psalm 4:5): “Spreekt in ulieder hart”, zegt David, “… en zijt stil.” Spreken is niet het werk van het hart, net zomin als overpeinzen het werk van de mond is. Maar soms ruilen hart en mond van taak: lingua mea meditabitur, zegt David. Psalm 35:28. Er bestaat een lingua meditans, een tong die nadenkt. Hier zien we een cor loquens, een hart dat spreekt.

En eerlijk gezegd heeft de wijsgeer gelijk als hij zegt dat het hart alles doet: mens videt, mens audit, mens loquitur. Het hart spreekt. De tong is alleen het instrument dat er geluid aan geeft. Ze is niet meer dan de echo van het hart en herhaalt wat het zegt. Alleen als de tong het verstand vooruit rent, geeft het hart de mond opdracht en fluistert het hem in wat hij moet zeggen. Het hart is de heraut van de ziel. Wat de ziel wil laten afkondigen, leest het hart voor, en de mond roept het uit. De tong zegt niets wat het hart niet eerst heeft gezegd. Ja, het ware en oprechte spreken is in werkelijkheid dat van het hart. Tong en lippen zijn jezuïeten. Ze liegen, bedriegen en gebruiken dubbelzinnigheden. Vleierij, angst of een andere bijbedoeling, een ander scheef motief, verdraait hun woorden. Maar het hart zegt wat het bedoelt, en het is twintig monden waard als het hoorbaar kon spreken.

— Richard Clerke, D.D., 1634 (een van de vertalers van onze Engelse Bijbel).

Vers 1, 4

Waarom doen goddeloze mensen zulke berucht slechte dingen? De Schrift noemt daar een reden voor: “Al zijn gedachten zijn, dat er geen God is.” Psalm 10:4. Ze vergeten dat er een God van wraak is en een dag van rekenschap. “De dwaas” zou zijn hart maar al te graag willen wijsmaken dat “er geen God is”, en wat daarop volgt: “Zij verderven het, … er is niemand, die goed doet … die mijn volk opeten, alsof zij brood aten”, enzovoort. Mensen en hun bezittingen verslinden kost hen net zo weinig gewetensnood als een stuk brood eten. Wat een ellendige toestand heeft de zonde de mens bezorgd! De grote God, Die “den hemel en de aarde” vervult (Jeremia 23:24), zou geen plaats krijgen in het hart dat Hij speciaal voor Zichzelf heeft gemaakt!

De zon schijnt niet zo helder als de waarheid dat God er is. Want alles wat er in de wereld is, bestaat doordat God er is. Was Hij er niet, dan zou er helemaal niets zijn. Van Hem hebben goddeloze mensen zelfs de kracht gekregen waarmee ze zondigen. Zonde komt dus voort uit atheïsme, en vooral zonden die berekend en gepland zijn. Want als er meer aan God gedacht werd, zou Hij de ziel van zondige plannen afhouden en haar op Zichzelf richten.

— Richard Sibbes.

Vers 2

“Om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.” Niemand zoekt Hem op de goede manier, zoals Hij gezocht moet worden. Dat kan ook niet zolang we in zonde leven. Mensen gaan bij het zoeken naar God namelijk op allerlei manieren de fout in. Ten eerste: ze zoeken Hem niet om Hemzelf. Ten tweede: ze zoeken Hem niet alleen, maar nemen er andere dingen bij. Ten derde: ze zoeken andere dingen eerst en Hem daarna, zoals mensen doen die op de wereld gericht zijn. Ten vierde: ze zoeken Hem lauw en achteloos. Ten vijfde: ze zoeken Hem wispelturig, zoals Judas en Démas. Ten zesde: ze zoeken Hem niet in Zijn Woord, zoals ketters. Ten zevende: ze zoeken Hem niet in heel Zijn Woord, zoals huichelaars. Ten laatste: ze zoeken Hem niet op het juiste moment en niet op tijd, zoals goddeloze, onbekeerde zondaars. Die denken er niet aan om op Gods woord te steunen. Ze volgen hun eigen verlangens en de gewoonten van deze wereld.

— Thomas Wilson, 1653.

Vers 2, 3

Wat gebeurde er toen God zo op de mensen neerkeek? “Zij zijn allen afgeweken”, dat wil zeggen: weg van Hem en van Zijn wegen. “Te zamen zijn zij stinkende geworden”: wat ze doen is zo verrot dat het stinkt. “Er is niemand, die goed doet, ook niet een”: van al die miljoenen mensen op aarde is er niet één die goed doet. Er liepen toen mensen rond met schitterende gaven, mensen met ziel en verstand. Maar niet één van hen kende God of zocht God. Daarom stelde Paulus als algemene regel dat de zielse, natuurlijke of verstandelijke mens de dingen van den Geest Gods niet aanneemt, want ze zijn hem dwaasheid, en daarom wijst hij ze af.

— William Greenhill.

Vers 3

De goddelozen zijn “veracht” (Nahum 1:14). “Ik zal u een graf maken, als gij zult veracht zijn geworden.” Zonde maakt mensen gemeen. Ze bezoedelt hun naam en besmet hun bloed: “Te zamen zijn zij stinkende geworden.” In het Hebreeuws staat zelfs: zij zijn stinkend geworden. Hoe hard je goddeloze mensen ook uitscheldt, je doet hun nooit onrecht. Ze zijn “zwijnen” (Mattheüs 7:6), “adderengebroedsels” (Mattheüs 3:7), “een duivel” (Johannes 6:70). De goddelozen zijn het schuim en het uitschot (Psalm 119:119). En de hemel is veel te zuiver om ook maar een beetje van dat schuim erin toe te laten.

— Thomas Watson.

Vers 3

“Te zamen … stinkende geworden.” Zo beschrijft de Romeinse satiredichter zijn eigen tijd:

„Niets is er overgebleven dat latere tijden nog kunnen voegen
bij de lange lijst der misdaden;
de zonen die na ons komen, zullen dezelfde begeerten koesteren
en dezelfde dolle dwaasheden bedrijven als hun vaderen;
het kwaad heeft zijn hoogtepunt bereikt.”

— Juvenalis, Sat. 1.

Vers 3

“Er is niemand, die goed doet, ook niet een.” Origenes vraagt zich af hoe je kunt zeggen dat niemand, Jood noch heiden, iets goeds deed. Velen van hen kleedden toch de naakten, gaven de hongerigen te eten en deden nog meer goeds? Hij antwoordt: wie een fundament legt en er een muur of twee op bouwt, kan nog niet zeggen dat hij een huis heeft gebouwd zolang het niet af is. Zo deden ook deze mensen wel iets goeds, maar de volmaakte goedheid, die alleen in Christus te vinden was, bereikten ze niet.

Toch bedoelt de apostel niet alleen dat mensen niet volmaakt rechtvaardig zijn. Ook de gelovigen schoten tekort aan de volmaaktheid die vereist is. Hij laat daarom zien hoe mensen van nature zijn: allemaal onder de zonde, in dezelfde staat van verdoemenis, zonder genade en zonder geloof in Christus. Doet iemand toch een goed werk, dan is het óf uit genade, en dan komt het niet uit hemzelf, óf door het licht van de natuur. Dan deed hij het niet zoals het hoort en was het verre van een werkelijk goed werk.

— Andrew Willet (1562-1621), over Romeinen 3:10.

Vers 4

“Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis?” Omdat mensen niet weten wat er op het spel staat, vrezen ze niet wat ze moeten vrezen. Waarom hebben de goddelozen geen ontzag voor de zonde? O, omdat ze haar niet kennen! “Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis?” Nee zeker niet, want zij zijn het, “die mijn volk opeten, alsof zij brood aten”. Zulke happen zouden hun de mond verbranden. Ze zouden het nooit wagen Gods volk zo te vervolgen en te vernietigen. Ze zouden bang zijn hen ook maar aan te raken, als ze maar wisten wat ze deden.

— Richard Alleine.

Vers 4

“Die mijn volk opeten, alsof zij brood aten.” Dat wil zeggen: quotidie, elke dag, zegt Augustinus. Zo vanzelfsprekend als ze hun dagelijks brood eten, of met dezelfde gretigheid en gulzigheid. Deze mensenetende Laobomoi, deze wrede kannibalen, hebben er niet meer moeite mee een arme man kapot te maken dan een goede maaltijd te eten als ze honger hebben. Zoals snoeken in een vijver of haaien in zee de kleinere vissen opslokken, zo slokken zij de armeren op. Vaak doen ze dat met een zogenaamd nette, onzichtbare uitzuiging. Zo doet de woekeraar het, die net als de struisvogel elk metaal kan verteren, maar vooral geld.

— John Trapp.

Vers 4

“Die mijn volk opeten, alsof zij brood aten.” O, hoe weinig mensen lezen de Schriften na en geloven wat daar staat over de vijandschap van goddeloze mensen tegen Gods volk! De Schrift zegt ons dat zij Gods volk opeten, “alsof zij brood aten”. Dat laat zien hoe vreemd graag ze de heiligen willen verslinden. Ze hebben daar net zoveel plezier in als een hongerig mens in zijn eten, en het kwellen van Gods volk zit hun in het bloed. Om hun hatelijke karakter vergelijkt de Schrift hen met leeuwen en beren, om hun sluwheid met vossen, en verder met wilde stieren, gulzige zwijnen, schorpioenen, doornen en distels (dingen die pijn doen en kwellen).

De Schrift tekent hen als ijverig en onvermoeibaar in hun bloedige plannen: ze kunnen niet slapen zonder kwaad te doen. Herodias wilde liever het bloed van een heilige dan een half koninkrijk. Haman wilde de koning een enorme som betalen om de verstrooide Joden (die zich niet aan de wetten van de koning houden) te laten uitroeien. Goddeloze mensen nemen liever het risico hun eigen ziel te verliezen dan dat ze geen dolk werpen naar het oogappel van God. Ze weten wat één woord — aha!! — heeft gekost, en toch breken ze door alle natuurlijke, burgerlijke en zedelijke banden heen om Gods volk te gronde te richten. De Heilige Geest noemt hen mensen die “onverzoenlijk” zijn, fel en halsstarrig. In hun woede zijn ze als de hete oven, in hun grenzeloze razernij als de zee. En toch: “wie heeft” deze Schriftuurlijke “prediking geloofd?”

Als we echt geloofden hoe vijandig alle goddeloze mensen tegenover alle heiligen staan, zouden we ons niet verlaten op onze eigen voorzichtigheid en ons eigen inzicht om ons tegen gevaar van hun kant te beschermen. Dan zouden we een ark zoeken tegen de vloed van hun toorn. Kwamen we ooit tussen hen terecht en werden we gered, dan zouden we God danken, zoals de drie kinderen, dat de hete vurige oven ons niet heeft verteerd. We zouden niet opkijken van hun barbaarse wreedheid, maar ons juist verbazen over Gods dagelijkse beteugeling van hen.

Tussen lichtzinnige en oppervlakkige types zouden we op onze hoede zijn voor schade. We zouden hun gezelschap mijden zoals we leeuwen en schorpioenen mijden, en hun nooit iets toevertrouwen, geen enkel geheim. In hun gezelschap zouden we niet onbezonnen doen, en we zouden hun beloften niet meer geloven dan de belofte van de duivel, hun vader. We zouden verlangen naar de hemel, om verlost te worden van “de tenten Kedars”. Geen enkele heilige die verwant is aan een machtige goddeloze zouden we veilig achten. We zouden ons niet met hen verbinden door onszelf of onze kinderen uit te huwelijken aan deze zonen en dochters van Belial, en we zouden ook geen duivelen als dienaren kiezen.

— Lewis Stuckley.

Vers 4

Wat een boze wereld is dit! Ze haat het volk van God. “Omdat gij van de wereld niet zijt, … daarom haat u de wereld.” Johannes 15:19. Haman richtte zijn haat op alle Joden zonder uitzondering, op het hele zaad van Israël. Vind je ooit een slang zonder angel of een luipaard zonder vlekken? Dan mag je ook een goddeloze wereld verwachten die de heiligen niet haat. Het is de godsvrucht zelf waarop ze mikt. “En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaag.” Psalm 38:21. De wereld doet alsof ze de vromen om heel andere dingen haat, maar de diepste grond van hun twist is heiligheid.

Die haat geeft nooit op. Toorn kun je verzoenen, haat niet. Je zou eerder hemel en hel met elkaar verzoenen dan die twee zaden! Haatte de wereld Christus al, dan is het geen wonder dat ze ons haat. “Indien u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft.” Johannes 15:18. Maar wat valt er in Christus te haten? Deze gezegende Duif had geen gal! Deze roos van Saron verspreidde de lieflijkste geur! Juist dát toont hoe laag de wereld is: ze haat Christus en ze verslindt Zijn heiligen.

— Thomas Watson.

Vers 5

“Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard.” Dat moeten we goed begrijpen, anders vatten we het verkeerd op. Hun laffe angst overvalt vermetele zondaars niet altijd als ze gevaar zien aankomen. Niemand van hen heeft echte moed en standvastigheid, maar veel van hen hebben wel een soort wanhopige durf, zelfs als ze de dood als het ware recht voor ogen zien. Die durf komt voort uit een doodsheid die op hun hart ligt, en uit een verharding die hun geweten overwoekerd heeft. Het wordt hun alleen maar een zwaardere veroordeling.

Maar zodra het de Heere behaagt hen wakker te schudden uit die doodse slaap, en de worm van het geweten in hen aan het werk te zetten, dan geldt zonder enige uitzondering deze les: de stoutste zondaars blijken uiteindelijk de grootste lafaards. Wie het vermetelst het meest verderfelijke kwaad ondernam, is van allen het bangst wanneer Gods wrekende hand hem daarvoor grijpt.

— John Dod, 1547-1645.

Vers 5

“God is bij het geslacht des rechtvaardigen”; dat wil zeggen: Hij trekt dat geslacht voor, die soort mensen. God is er in alle geslachten, maar aan dit geslacht beleeft Hij het meeste vreugde. De goddelozen hebben dus alle reden om bang te zijn voor hen in wie God Zijn behagen heeft.

— Joseph Caryl.

Vers 5

De Koning der ere kan niet in een hart binnenkomen (zo komt Hij immers in de harten van Zijn volk; Psalm 24:9,10) zonder dat er iets van Zijn eigen heerlijkheid zichtbaar wordt. God omringt Zijn Woord met majesteit, omdat het Zijn Woord is. Zo omringt Hij ook Zijn eigen kinderen en hun wegen met majesteit, zelfs als ze op hun diepst vernederd zijn.

Denk aan Stefanus. Hij werd als gevangene voor de Raad gebracht, en het ging om zijn leven. Maar juist toen liet God hem Zijn tegenwoordigheid voelen, want er staat: “Allen, die in den raad zaten, … zagen zijn aangezicht als het aangezicht eens engels” (Handelingen 6:15). Wat Salomo van alle rechtvaardigen zegt, is in die verhouding meestal ook waar: “De wijsheid der mensen verlicht zijn aangezicht.” Prediker 8:1. Petrus zegt iets dergelijks (1 Petrus 4:14): “Indien gij gesmaad wordt om den Naam van Christus, zo zijt gij zalig; want de Geest”, en dan niet alleen van God of van genade, maar “der heerlijkheid, en de Geest van God rust op u.” Zo ging het ook met de martelaren. Wat een majesteit lag er in hun onschuld, hun houding en hun godvruchtige gedrag! Wat een lieflijkheid in de ogen van de mensen! Hun ellendigste onderdrukkers raakten ervan ontmoedigd, van slag en in verwarring. Daarom staat er dat de goddeloze vervolgers Gods volk opaten, “alsof zij brood aten” (vers 4), en dat ze toch in grote vrees waren, en wel hierom: “God is bij het geslacht des rechtvaardigen.”

God staat als het ware verbaasd te kijken naar wat ze doen. “Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis” (zo luiden de woorden daarvoor) “die mijn volk opeten, alsof zij brood aten”? Ze maken er niet meer werk van dan iemand die smakelijk zijn maaltijd eet. Zo lijkt het tenminste: ze willen doorzetten en het volhouden. Toch zijn ze doodsbenauwd terwijl ze het doen, en juist wanneer ze het brutaalst zijn, slaat God hun hart met schrik. Waarom? Omdat “God is bij het geslacht des rechtvaardigen”, of Hij woont in de rechtvaardige. God geeft de goddelozen vaak een sprankje inzicht, een wenk of een waarschuwing (zoals Pilatus er een kreeg over Christus) dat Zijn volk rechtvaardig is.

Dat zie je ook in Filippenzen 1:28: “En dat gij in geen ding verschrikt wordt van degenen, die tegenstaan; hetwelk hun wel een bewijs is des verderfs, maar u der zaligheid, en dat van God.” In dat laatste deel valt mij op dat beide van God komen: de zekerheid van de zaligheid én een geest van schrik. In het Oude Testament lezen we over David (1 Samuël 18:12) dat Saul hem haatte (vers 9) en hem probeerde te vernietigen (vers 10, 11). Toch staat er: “Saul vreesde voor David, want de HEERE was met hem, en Hij was van Saul geweken.” Dat is precies de reden waarover het hier gaat. God maakte Zijn aanwezigheid in David zichtbaar. Door Davids godvruchtige en wijze gedrag raakte Hij Sauls geweten, en dat maakte Saul bang.

— Thomas Goodwin.

Vers 6

“Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de HEERE zijn Toevlucht is.” In psalm 53 staat: “Gij hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen.” Natuurlijk wijzen die twee woorden telkens een heel andere kant op. In onze psalm zegt de dichter verontwaardigd tegen “de werkers der ongerechtigheid” dat ze Gods armen geringschatten en te schande maken. Psalm 53 daarentegen kondigt aan dat de goddelozen uiteindelijk zelf beschaamd en verward zullen staan, en dat de Heere hen minacht. In beide gevallen zien we prachtig hoe God voor Zijn armen zorgt. Dat zijn niet alleen de armen van geest, maar ook, helemaal letterlijk, de arme en eenvoudige mensen, de onderdrukten en de gekrenkten.

Juist deze kant van God valt in Zijn Woord zo op. Zoek maar door alle Shasters en Veda’s van de hindoe, door de Koran van de mohammedaan, door de wetgeving van de Griek en het wetboek van de Romein, ja, door de Talmoed van de Jood, de bitterste van allemaal. Je vindt er geen enkele regel of bladzijde waarin ook maar een spoor te vinden is van die tederheid, dat medelijden en dat meeleven met het onrecht, de onderdrukking, de beproevingen en het verdriet van Gods armen. De Bijbel van de christen laat dat bijna op elke bladzijde zien.

— Barton Bouchier.

Vers 6

“Gijlieden beschaamt.” Elke dwaas die in zijn hart zegt dat er geen God is, haalt uit dezelfde koker een pijl om op het goede af te schieten. De onvruchtbare Michal heeft te veel zonen, die net als hun moeder de heilige David uitlachen.

— John Trapp.

Vers 6

“Gijlieden beschaamt”, zegt hij, “den raad des ellendigen.” Er is niets wat goddeloze mensen zo verachten als iemand die God tot zijn toevlucht maakt. Niets stuit hen in hun hart zozeer tegen de borst. “Zij beschamen het”, zegt hij, “het is iets dat je zonder enige overweging moet wegwerpen. De wijze vertrouwt op zijn wijsheid, de sterke op zijn kracht, de rijke op zijn rijkdom. Maar vertrouwen op God is het dwaaste wat er in de wereld bestaat.”

Waarom denken ze zo? Daar zijn vier redenen voor. Eén: ze kennen God niet, en het is dwaas om te vertrouwen op iemand die je niet kent. Twee: ze zijn vijanden van God en God is hun vijand, en ze vinden het dwaas om hun vijand te vertrouwen. Drie: ze kennen de weg niet waarlangs God helpt en bijstaat. En vier: ze zoeken een hulp, een bijstand en een voorziening die God niet geeft. Ze willen verlost worden om hun begeerten te kunnen dienen, en bewaard blijven om hun woede, hun vuiligheid en hun dwaasheid uit te leven. Met die dingen hebben ze niets anders voor, en God zal hun er niets van geven.

En het is inderdaad dwaas van wie dan ook om God te vertrouwen om in de zonde bewaard te blijven. Het is waar: hun dwaasheid is hun wijsheid, als je kijkt naar hun toestand. Maar het is wél dwaas om op God te vertrouwen terwijl je in zonde wilt leven, en om de raad van de ellendige te verachten.

— John Owen.

Vers 6

“Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen”: en waarom? “Omdat de HEERE zijn Toevlucht is.” Dát is de echte oorzaak, welke andere voorwendsels er ook worden aangevoerd. Leer hieruit: het is de ware godsvrucht die de ruzie veroorzaakt tussen Gods kinderen en de goddelozen. Goddeloze mensen mogen zeggen wat ze willen. Ze beweren bijvoorbeeld dat ze die mensen haten en niet kunnen uitstaan omdat ze trots en brutaal zijn en zich bemoeien met hun meerderen, omdat ze zo minachtend en hooghartig doen tegenover hun naasten, omdat ze ontevreden en onstuimig zijn, en ik weet niet wat al niet. Maar de echte reden noemt de Heere hier Zelf: ze maken Hem tot hun steun en hun vertrouwen, en ze willen niet leunen op leugenachtige ijdelheden, zoals de mensen van de wereld doen.

— John Dod.

Vers 6

“Omdat de HEERE zijn Toevlucht is.” Laat je overtuigen om je echt te verbergen bij Jezus Christus. Een schuilplaats hebben en er geen gebruik van maken is even erg als er geen hebben. Vlucht naar Christus! Kruip weg in de spleten van deze Rots en blijf daar veilig.

— Ralph Robinson, 1656.

Vers 7

“Och, dat Israels verlossing”, enzovoort. Zolang het goed met ons gaat, bidden we nauwelijks tot God, of heel lauw. In tegenspoed en nood daarentegen wordt onze geest wakker geschud en vliegt hij in vuur en vlam voor het gebed. Daar vinden we overal in de psalmen van David voorbeelden van. Verdrukking is als het ware de saus bij het gebed, net zoals honger de saus is bij het eten. Echt, wie zonder verdrukking leeft, bidt meestal smakeloos. Velen van hen bidden niet oprecht, maar doen liever alsof, of bidden uit gewoonte.

— Wolfgang Musculus, 1497-1563.

Vers 7

“Uit Sion.” Sion, de kerk, is zelf geen Zaligmaker. We durven ook niet te vertrouwen op haar dienaren of op haar verordeningen. En toch komt de zaligheid tot de mensen door haar heen. De hongerige scharen worden gevoed door de handen van de discipelen, die het een vreugde vinden om als dienaren bij het feestmaal van het evangelie te staan. Sion wordt de plaats waar de bron met helend water ontspringt, een water dat naar oost en west zal stromen totdat alle volken ervan drinken. Wat een reden om alle werken van de kerk van de levende God in alle reinheid en met alle kracht te blijven doen!

— C. H. S.

Vers 7

“Als de HEERE de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israel zal verblijd zijn.” Let erop dat we onder Israël die andere schapen moeten verstaan die de Heere heeft, die niet van deze stal zijn. Ook die moet Hij brengen, zodat ze Zijn stem horen. Want er staat Israël, niet Juda; Sion, niet Jeruzalem. “Als de HEERE de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren.” “Toen”, zoals er in de parallelle psalm staat, “waren wij gelijk degenen, die dromen.” Wat een heerlijke droom! Wat we ons ook voorstellen: de helft van de schoonheid en de pracht zal onze verbeelding nooit bereiken.

“De gevangenschap” van onze zielen onder de wet van de begeerte, en van onze lichamen onder de wet des doods. De gevangenschap van onze zinnen onder de vrees. En ten slotte die gevangenschap waarvan het einde zo mooi is beschreven door een van onze grootste dichters, Giles Fletcher (1588-1623), in zijn “Christ’s Triumph over Death.”

Geen droefheid hangt nog als een wolk op hun voorhoofd;
geen bloedeloze kwaal trekt de kleur weg uit hun gelaat;
geen ouderdom strooit zilveren sneeuw op hun haren;
geen naaktheid ontsiert hun lichaam;
geen armoede brengt schande over hen en de hunnen;
geen vrees voor de dood verslindt de vreugde van het leven;
geen onreine slaap ontwijdt hun kostbare tijd;
geen verlies, geen leed, geen wisseling wacht hun gevleugelde uren.

— John Mason Neale, over deze plaats.

Wenken voor de dorpsprediker

Vers 1 (eerste zinsdeel)

De dwaasheid van het atheïsme.

Vers 1

Atheïsme van het hart. Zie Jamiesons Sermons on the Heart.

Vers 1 (het hele vers)

Beschrijf:

I. Het geloof van de dwaas.

II. De dwaas die dat geloof aanhangt, of anders gezegd: het atheïsme.

I. Waar het vandaan komt: “het hart.”

II. Wat het belijdt: “geen God.”

III. Wat het oplevert: “verdorven”, enzovoort.

Vers 1

I. De grote bron van zonde: vervreemding van God.

II. Waar zonde regeert: in het hart.

III. Wat zonde met het verstand doet: ze maakt de mens tot dwaas.

IV. Hoe ze zich in het leven laat zien: in daden van doen én van nalaten.

Vers 1 (laatste zinsdeel)

De lantaarn van Diogenes. Houd haar omhoog voor mensen van alle standen en breng hun zonden aan het licht.

Vers 2

I. Een God Die Zich bukt om te zoeken.

II. Mensen die Hij uitkiest.

III. Edelmoedige bedoelingen.

Vers 2

Wat God zoekt, en wat wij zouden moeten zoeken. Mensen zien meestal snel wat bij hun eigen karakter past.

Verzen 2 en 3

God zoekt naar iemand die van nature goed is; wat dat oplevert; welke lessen we daaruit kunnen trekken.

Vers 3

Het hele menselijke geslacht is door en door verdorven.

Vers 4

“Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis?” Stel dat mensen God echt kenden, en Zijn wet, het kwaad van de zonde, de foltering van de hel en andere grote waarheden. Zouden ze dan nog zondigen zoals ze doen? En als ze die wél kennen en toch in hun ongerechtigheden volharden, hoe schuldig en dwaas zijn ze dan! Beantwoord de vraag zowel met ja als met nee, en je hebt stof voor een toespraak die diep raakt.

Vers 4 (eerste zinsdeel)

De schreeuwende zonde van overtreding tegen licht en kennis.

Vers 4 (laatste zinsdeel)

Niet bidden: een zeker teken dat iemand zonder genade leeft.

Vers 5

De dwaze angst van mensen die geen ontzag voor God hebben.

Vers 5

Hoe dicht de Heere bij de rechtvaardigen is, wat dat voor de vervolger betekent en hoe bemoedigend het voor de heiligen is.

Vers 6

Het is wijs om de Heere tot onze toevlucht te maken.

— John Owen.

Vers 6

Beschrijf: I. De arme man over wie het hier gaat.

II. Zijn raad.

III. Zijn smaad.

IV. Zijn toevlucht.

Vers 6

Vertrouwen op God, een zaak waarmee alleen dwazen de spot drijven. Laat zien hoe wijs het is.

Vers 7

Verlangen naar Zijn komst.

Vers 7

“Uit Sion.” De kerk, het kanaal waardoor zegen naar de mensen stroomt.

Vers 7

Een toespraak om een opwekking te bevorderen.

I. De gewone toestand van de kerk: “gevangenschap”.

II. De middelen tot opwekking: de komst van de Heere in genade.

III. De gevolgen: “zich verheugen”, “verblijd zijn”.

Vers 7

Gevangenschap van de ziel. Wat het is. Hoe er in voorzien is. Hoe het ontstaat. Met welke gevolgen.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas