Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 103 — Treasury of David

Titel
“Een psalm van David.” Zonder twijfel is dit een psalm van David. Hij draagt zijn eigen toon, zoals die klinkt als hij op zijn best is. Wij denken dat hij uit zijn latere jaren komt. Toen wist David veel beter wat vergeving waard is, omdat hij zijn zonde scherper aanvoelde dan als jongeman. Ook zijn heldere besef van de broosheid van het leven wijst op de zwakkere jaren van de dichter, en zo ook de overvloed van zijn dankbare lofprijzing. In de hoge Alpen steken enkele toppen boven alle andere uit.
Zo zijn er ook onder de ingegeven psalmen liederen die de rest in hoogte overtreffen. Deze honderdderde psalm is ons altijd voorgekomen als de Monte Rosa in de goddelijke bergketen van de lofzang. Hij gloeit in een roder licht dan alle andere. Hij is als de appelboom onder de bomen van het woud. Zijn gouden vrucht smaakt zoals alleen vrucht smaakt die gerijpt is in de volle zon van Gods barmhartigheid. Het is het antwoord van de mens op de zegeningen van zijn God: zijn lied op de berg als weerklank op de Bergrede van zijn Verlosser.
Nebukadnezar vereerde zijn afgodsbeeld met fluit, harp, hoorn, luit, doedelzak en elk ander soort muziek. David daarentegen wekt, in een veel edeler stijl, alle melodieën van hemel en aarde op tot eer van de enige levende en ware God. Wij beginnen deze uitleg met het diepe besef dat niemand zo’n verheven gedicht ooit recht kan doen. Wij roepen onze ziel en alles wat in ons is te hulp bij dit heerlijke werk. Maar helaas: onze ziel is beperkt, en al ons verstand is veel te klein voor zo’n onderneming. Deze psalm bevat meer dan duizend pennen kunnen beschrijven.
Hij is een van die Schriftgedeelten die alles omvatten en op zichzelf een hele Bijbel vormen. Bijna zou hij alleen al genoeg zijn als liedboek van de gemeente.
Indeling
Eerst bezingt de psalmist de persoonlijke weldaden die hij zelf mocht ontvangen (Ps. 103:1-5). Dan verheft hij de eigenschappen van Jehova, zoals die zichtbaar worden in Zijn omgang met Zijn volk (Ps. 103:6-19). Aan het slot roept hij alle schepselen in het heelal op om de Heere te aanbidden en samen met hem Jehova te prijzen, de altijd genadige.
Uitleg
Vers 1
“Loof den HEERE, mijn ziel.” Muziek uit de ziel is de ziel van alle muziek. De psalmist geeft meteen de beste grondtoon aan. Hij begint met zijn diepste zelf wakker te schudden om de Heere groot te maken. Hij praat tegen zichzelf, houdt een gesprek met zijn eigen hart en spoort zichzelf aan. Het lijkt wel of hij voelde dat de loomheid veel te snel over zijn vermogens zou komen. Zo gaat het inderdaad met ons allen, tenzij wij voortdurend op wacht staan. Jehova verdient onze lof in de hoogste vorm van aanbidding, namelijk in wat het woord loven of zegenen bedoelt: “Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.” Ons leven en ons diepste wezen moeten helemaal opgaan in deze heerlijke dienst.
Ieder van ons moet zijn eigen hart ertoe oproepen. Laten anderen het nalaten als zij het kunnen: “Loof den HEERE, mijn ziel.” Laten anderen mopperen, maar loof jij. Laten anderen zichzelf en hun afgoden zegenen, maar zegen jij de HEERE. Laten anderen alleen hun tong gebruiken, maar ik wil uitroepen: “Loof den HEERE, mijn ziel.” “En al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam.” Wij hebben veel vermogens, gevoelens en gaven. God heeft ze ons allemaal gegeven, en ze horen allemaal mee te zingen ter ere van Hem. Een halfslachtige, onbezonnen of zinloze lofzang past niet bij onze liefdevolle Heere.
Als het recht al ons hart, onze ziel en ons verstand voor de Schepper opeist, dan mag de dankbaarheid zeker aanspraak maken op de eer van ons hele bestaan voor de God van de genade. Het is leerzaam te zien hoe lang de psalmist bij Gods heilige Naam stilstaat. Misschien was Zijn heiligheid hem het dierbaarst. Of misschien zag hij in Gods heiligheid, dat wil zeggen Zijn ongedeeldheid, de grootste reden om Hem zijn eigen wezen ongedeeld te geven. Kleine kinderen kunnen Gods goedheid prijzen, maar wie in de genade vaders zijn, maken Zijn heiligheid groot.
Met de Naam bedoelen wij het karakter van God zoals Hij Zich heeft laten kennen. Zeker moeten juist die liederen die niet uit ons feilbare denken en gebrekkige waarnemen komen, maar uit onfeilbare ingeving, al onze toegewijde krachten méér dan alle andere in beweging brengen.
Vers 2
“Loof den HEERE, mijn ziel.” Het is hem ernst. Opnieuw roept hij zichzelf op om te ontwaken. Was hij daarnet erg slaperig? Of voelde hij nu dubbel hoe belangrijk aanbidding is, ja hoe onmisbaar? Hij herhaalt zich in elk geval niet zomaar, want de Heilige Geest leidt zijn pen. Zo laat hij ons zien dat wij onszelf steeds weer moeten wakker schudden als wij God willen aanbidden. Het zou schandelijk zijn Hem iets minder aan te bieden dan het uiterste dat onze ziel kan geven. Deze eerste verzen zijn als het stemmen van de harp.
De losse snaren worden strakgedraaid, zodat in de heilige samenklank geen enkele toon wegvalt. “En vergeet geen van Zijn weldaden.” Niet één daad van God mag in vergetelheid raken. Allemaal zijn ze echt een weldaad voor ons, allemaal Zijn waardig en allemaal een reden tot lof. Ons geheugen is zeer onbetrouwbaar als het om het beste gaat. Door een vreemde verdraaidheid, een gevolg van de zondeval, bewaart het de rommel van het verleden en laat het onschatbare schatten onbeheerd liggen. Het klampt zich vast aan wat ons gekrenkt heeft en laat de goede gaven maar al te gemakkelijk los.
Het moet worden aangespoord tot zijn plicht, terwijl die plicht juist zijn vreugde hoort te zijn. Merk op dat hij alles wat in hem is oproept om alle weldaden van de Heere te bedenken. Voor die taak moeten onze krachten ook echt worden aangesproken. Gods alles kun je niet met minder dan ons alles loven. Lezer, hebben wij op dit moment niet reden genoeg om Hem te loven Die ons zegent? Kom, laten wij onze dagboeken doorlezen. Misschien staan daar uitgelezen gunsten in opgetekend waarvoor wij nooit dank hebben gebracht. Denk aan de Perzische koning.
Hij kon niet slapen en las de kronieken van het rijk. Toen ontdekte hij dat iemand die zijn leven had gered nooit was beloond. Hoe snel eerde hij die man! De Heere heeft ons gered met een grote verlossing. Zouden wij Hem dan niets teruggeven? Ondankbaar is een van de schandelijkste namen die een mens kan dragen. Zeker mogen wij het niet riskeren zo gebrandmerkt te worden. Laten wij daarom wakker worden en met heel ons hart Jehova loven.
Vers 3
“Die al uw ongerechtigheid vergeeft.” Hier begint David met zijn lijst van ontvangen zegeningen. Hij noemt ze als onderwerpen en bewijzen voor zijn lofzang. Uit het juwelenkistje van Gods liefde kiest hij een paar van de mooiste parels. Hij rijgt ze aan de draad van zijn herinnering en hangt ze om de hals van de dankbaarheid. Vergeven zonde is in ons leven een van de kostbaarste gaven van de genade. Het is een van de eerste geschenken van Gods ontferming, en zelfs de noodzakelijke voorbereiding om alles te kunnen genieten wat daarna komt.
Zolang de ongerechtigheid niet is vergeven, kennen wij genezing, verlossing en verzadiging niet. Vergeving komt het eerst in de rij van onze geestelijke ervaring, en in sommige opzichten ook in waarde. Deze vergeving is er nu, want er staat “vergeeft”. Zij houdt aan, want Hij blijft vergeven. Zij is goddelijk, want God Zelf geeft haar. Zij reikt ver, want zij haalt al onze zonden weg. Zij neemt wat wij nalieten net zo goed mee als wat wij deden, want beide zijn ongerechtigheid. En zij werkt volkomen, want zij is even echt als de genezing en de andere weldaden waarmee zij samen genoemd wordt.
“Die al uw krankheden geneest.” Als de oorzaak weg is, namelijk de ongerechtigheid, houdt het gevolg op. Ziekten van lichaam en ziel zijn door de zonde de wereld in gekomen. Naarmate de zonde met wortel en al wordt uitgetrokken, zullen ook de ziekten van lichaam, verstand en geest verdwijnen, tot “geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek.” Onze hemelse Vader is veelzijdig. Eerst heeft Hij als rechter vergeven. Daarna geneest Hij als arts. Hij wordt ons alles wat onze nood van Hem vraagt. Onze zwakheden laten ons Hem alleen maar in nieuwe gedaanten leren kennen.
“In Hem is niets dan goed,
in mij is niets dan kwaad;
mijn kwaad doet slechts Zijn goedheid uitkomen,
en toch heeft Hij mij lief.”
God geeft het geneesmiddel voor het lichaam zijn kracht, en Zijn genade maakt de ziel heilig. Geestelijk staan wij elke dag onder Zijn zorg. Hij komt bij ons langs zoals de arts bij zijn patiënt. Telkens als er een kwaal opkomt, blijft Hij die genezen (want dat is het precieze werkwoord). Geen ziekte van onze ziel is te sterk voor Zijn kunde. Hij blijft álles genezen en doet dat tot het laatste spoor van besmetting uit onze natuur is verdwenen. De twee keer “al” in dit vers zijn weer extra redenen waarom alles wat in ons is de Heere moet loven.
Deze twee zegeningen beleefde de psalmist zelf. Hij zong niet over anderen maar over zichzelf, of liever over zijn Heere, Die hem elke dag vergaf en genas. Hij moet het zeker geweten hebben, anders kon hij er niet over zingen. Hij twijfelde er niet aan. Hij voelde in zijn ziel dat het zo was. Daarom riep hij zijn vergeven en herstelde ziel op de Heere te loven met alles wat zij in zich had.
Vers 4
“Die uw leven verlost van het verderf.” De Heere koopt ons vrij en bevrijdt ons met Zijn kracht. Zo verlost Hij ons uit de geestelijke dood waarin wij waren gevallen, en uit de eeuwige dood die daar het gevolg van zou zijn geweest. Was de doodstraf van de zonde niet weggenomen, dan zouden onze vergeving en genezing maar half werk zijn geweest. Het zouden brokstukken van de zaligheid zijn gebleven, van weinig waarde. Maar de schuld en de macht van de zonde zijn weggenomen, en daar hoort bij dat ook het doodvonnis over ons ongedaan wordt gemaakt.
Eer aan onze grote Plaatsvervanger, Die ons heeft behoed voor de afdaling in de kuil door Zichzelf als losprijs te geven. De verlossing blijft altijd een van de zoetste klanken in het dankbare lied van de gelovige. “Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden.” Onze Heere doet niets half. Hij trekt Zijn hand niet terug voordat Hij met Zijn volk tot het uiterste is gegaan. Reiniging, genezing en verlossing zijn Hem nog niet genoeg. Hij maakt hen ook tot koningen en zet hun een kroon op. Die kroon is veel kostbaarder dan een kroon van vergankelijke dingen als zilver en goud.
Zij is bezet met de edelstenen van genade. Zij is gevoerd met het fluweel van Gods goedertierenheid. Zij is versierd met de juwelen van barmhartigheid, en door een voering van tederheid is zij zacht om op het hoofd te dragen. “Wie is U gelijk, o Heere!” God Zelf kroont de prinsen van Zijn huisgezin. Hun beste gaven komen immers rechtstreeks en onmiskenbaar van Hem. Zij verdienen de kroon niet, want zij komt uit barmhartigheid en niet uit verdienste. Zij beseffen dat zij haar niet waard zijn. Daarom benadert Hij hen zo zacht. Toch is Hij vast van plan hen te zegenen, en dus zet Hij hun steeds opnieuw een kroon op.
Voortdurend legt Hij kransen van barmhartigheid en medelijden om hun voorhoofd. Het gebouw dat Hij begint, voorziet Hij ook altijd van een kroon. Waar Hij vergeving geeft, geeft Hij ook aanvaarding. “Van toen af, dat gij kostelijk zijt geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest, en Ik heb u liefgehad.” Onze zonde heeft ons van al onze eer beroofd. Als verraders werden wij met een vonnis veroordeeld. Maar Hij heeft het doodvonnis weggenomen door ons uit het verderf te verlossen. Daarmee geeft Hij ons meer terug dan al onze vroegere eer, want Hij kroont ons opnieuw. Zal God ons kronen, en zullen wij Hem dan niet kronen?
Op, mijn ziel! Leg je kroon neer aan Zijn voeten. Aanbid in diepe eerbied Hem Die je zo hoog heeft gebracht. Hij heeft je van de mesthoop getild en tussen de prinsen gezet.
Vers 5
“Die uw mond verzadigt met het goede”, of liever: “Uw ziel vervullend met het goede.” Alleen een gelovige wordt ooit echt verzadigd, en zelfs hem kan alleen God Zelf verzadigen. Menige wereldling zit overvol, maar niet één is verzadigd. God verzadigt de ziel van de mens, zijn edelste deel, zijn sieraad en zijn eer. Daardoor verzadigt Hij ook zijn mond, hoe hongerig en gretig die anders ook zou zijn.
Een verzadigde ziel schreeuwt om zielenlof. Wie een mond vol goeds heeft gekregen, moet goed spreken over Hem Die hem vulde. Onze goede Heere geeft werkelijk goede dingen, geen ijdel speelgoed of nutteloos vermaak, en Hij geeft ze onophoudelijk. Zo verzadigt Hij onze ziel van moment tot moment met het goede. Zullen wij Hem dan niet blijven prijzen? Houden wij pas op Hem te zegenen als Hij ophoudt ons te zegenen, dan is ons werk eeuwig. “Uw jeugd vernieuwt als eens arends.” De psalmist ontving nieuwe kracht, zo veel dat het een nieuw leven leek.
Hij werd zo helemaal de oude dat hij weer jong werd. Hij zag er even sterk uit als een arend, wiens oog in de zon kan kijken en wiens vleugel boven de storm uitstijgt. Onze vertaling denkt aan de jaarlijkse rui van de arend, waarna hij er weer fris en jong uitziet. Maar de grondtekst lijkt niet op dat natuurfeit te zinspelen. Hij beschrijft gewoon een zieke die zo genezen en gesterkt werd dat hij vol energie raakte, als de sterkste vogel van allemaal: de onbevreesdste, de statigste en degene die het hoogst vliegt. In de vorige psalm zat hij nog te kniezen naast de uil.
Hier zweeft hij hoog met de arend. De Heere brengt wonderlijke veranderingen in ons teweeg. Door zulke ervaringen leren wij Zijn heilige Naam te loven. Uit een mus uitgroeien tot een arend, de woestenij van de pelikaan achterlaten en tussen de sterren opstijgen: dat is genoeg om ieder mens te doen uitroepen: “Loof den HEERE, mijn ziel.” Zo sluit zich de eindeloze ketting van genade. Eerst is de zonde vergeven, daarna is haar macht gebroken en haar straf afgewend. Vervolgens krijgen wij eer en voedsel, en wordt onze aard van binnenuit vernieuwd. Zo worden wij als pasgeboren kinderen in Gods huisgezin.
O Heere, wij móéten U loven en wij zullen het doen. U onthoudt ons niets. Zo willen wij ook geen enkele kracht van ons wezen aan Uw lof onthouden. Met heel ons hart, onze ziel en onze kracht prijzen wij Uw heilige Naam.
Vers 6
“De HEERE doet gerechtigheid en gerichten al dengenen, die onderdrukt worden.” Wat wij zelf aan Hem te danken hebben, mag ons lied niet helemaal opeisen. Wij moeten de Heere ook groot maken om Zijn goedheid voor anderen. Hij laat de armen en behoeftigen niet omkomen door hun vijanden, maar neemt het voor hen op. Hij voert de wil van de armen uit en Hij is de beul van de wrede mensen. Toen Zijn volk in Egypte zat, hoorde Hij hun gezucht en leidde Hij hen eruit, maar Farao stortte Hij neer in de Rode Zee.
Het onrecht van mensen krijgt zijn vergelding uit Gods hand. Hij Die Zijn heiligen barmhartig behandelt, moet Zich ook wreken op hun vervolgers, en dat zal Hij doen. Het bloed van martelaren wordt niet tevergeefs vergoten. De kreten van belijders in de gevangenis zullen niet onaangehoord blijven, want er komt een onderzoek. Elk onrecht wordt rechtgezet en alle onderdrukten worden gewroken. Soms verdwijnt het recht uit de rechtszalen van mensen, maar voor de rechterstoel van God blijft het bestaan. Daarom zal iedere weldenkende mens God loven. Als Hij Zich niets aantrok van het welzijn van Zijn schepsel, als Hij de rechtspraak liet versloffen, als Hij toeliet dat brute onderdrukkers uiteindelijk vrijuit gingen, dan hadden wij meer reden om te beven dan om te juichen.
Maar zo is het niet. Onze God is een God van recht, en door Hem worden daden gewogen. Hij zal de hoogmoedigen hun deel toemeten en de tiran het stof laten happen. Ja, vaak straft Hij de trotse vervolger al in dit leven, zodat geldt: “De HEERE is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan.”
Vers 7
“Hij heeft Mozes Zijn wegen bekend gemaakt.” Mozes mocht zien hoe de Heere met mensen omgaat. Dat zag hij in alle drie de perioden van zijn leven: aan het hof, in de afzondering en aan het hoofd van de stammen van Israël. De Heere liet hem heel duidelijk zien hoe Hij Zijn plannen uitvoert en hoe Hij onder de mensen regeert. Hij liet hem meer van God zien dan een sterfelijk mens ooit eerder had gezien, toen Hij met hem sprak op de berg. “Den kinderen Israëls Zijn daden.” Zij zagen minder dan Mozes.
Zij keken wel naar Gods daden, maar begrepen Zijn manier van werken niet. Toch was dat veel, héél veel. Het had meer kunnen zijn als zij niet zo koppig waren geweest. Het lag niet aan een tekort aan openbaring, maar aan de hardheid van hun harten. Het is een grote daad van vrije genade en neerbuigende liefde als de Heere Zich aan een volk bekendmaakt. Dat volk moet de bijzondere gunst die het ontvangt goed op waarde schatten. Wij, die in Jezus geloven, kennen de wegen van de verbondsgenade van de Heere. Wij hebben uit ervaring Zijn daden van barmhartigheid voor ons leren zien.
Hoe hartelijk moeten wij onze goddelijke Leraar, de Heilige Geest, prijzen, Die ons dit alles heeft laten weten! Zonder Hem waren wij tot vandaag in het donker gebleven. “Heere, wat is het, dat Gij Uzelven aan ons zult openbaren, en niet aan de wereld?” Waarom hebt U ons gemaakt tot “de uitverkorenen, die het verkregen hebben”, terwijl de anderen verblind worden? Zie hoe sterk Gods eigen Persoon in al dit genadige onderwijs op de voorgrond staat: “Hij heeft bekend gemaakt.” Hij liet Mozes de waarheid niet zelf opsporen. Hij werd zijn Leermeester. Wat zouden wij ooit weten als Hij het ons niet bekendmaakte?
Alleen God kan Zichzelf openbaren. Had Mozes nodig dat de Heere het hem liet weten, hoeveel te meer hebben wij dat nodig, die zoveel kleiner zijn dan de grote wetgever?
Vers 8
“Barmhartig en genadig.” Wie Hij tegemoet treedt, zijn zondaren. Hoe goed Hij hen ook behandelt: schuldig blijven zij, en Zijn barmhartigheid hebben zij nodig. Hij is niet traag om Zich hun hopeloze toestand aan te trekken. Evenmin houdt Hij Zich in als Hij hen met Zijn genade daaruit wil optillen. Barmhartigheid neemt de zonde weg. Genade geeft onverdiende gunst. Van allebei heeft de Heere meer dan genoeg. Dit is de weg die Hij Mozes liet zien (Ex. 34:6). Zolang het tijdperk van de genade duurt en mensen nog leven, blijft Hij die weg bewandelen.
Hij Die “gerechtigheid en recht doet”, heeft toch vreugde in barmhartigheid. “Lankmoedig.” Hij kán toornen. Over de schuldigen kan Hij Zijn rechtmatige woede laten losbreken. Maar dat is Zijn vreemde werk. Liever wacht Hij lang en zet Hij liefdevol een pas op de plaats. Onderweg blijft Hij talmen, zodat er tijd is voor bekering en een kans om Zijn barmhartigheid te aanvaarden. Zo behandelt Hij de grootste zondaren. Met Zijn eigen kinderen doet Hij dat nog veel meer. Zijn toorn tegen hen is kort en reikt nooit tot in de eeuwigheid. Kastijdt Hij als een vader, dan doet Hij dat niet met plezier en ontfermt Hij Zich snel over hun verdriet.
Wij kunnen hieruit leren zelf ook langzaam tot toorn te zijn. De Heere blijft geduldig terwijl wij Hem zo hevig tarten. Hoeveel eerder moeten wij dan de tekorten van onze broeders dragen! “En groot van goedertierenheid.” Rijk daaraan, snel daarmee en overlopend ervan. En dat moet Hij ook wel zijn, anders waren wij gauw verteerd. Hij is God en geen mens. Was Hij een mens, dan zouden onze zonden Zijn liefde snel doen verdrinken. Maar boven de bergen van onze zonden stijgt het hoogwater van Zijn barmhartigheid.
“Bij U is overvloed van genade,
genade die al mijn zonde bedekt;
laat de stromen van genezing rijk vloeien,
maak mij rein vanbinnen en houd mij zo.”
Iedereen op aarde ervaart iets van Zijn sparende barmhartigheid. Wie het evangelie hoort, krijgt Zijn uitnodigende barmhartigheid te proeven. Gods heiligen leven van Zijn zaligmakende barmhartigheid, Zijn dragende barmhartigheid houdt hen overeind en Zijn vertroostende barmhartigheid richt hen op. Dwars door Zijn oneindige en eeuwige barmhartigheid heen komen zij in de hemel aan. Laten wij elk uur zingen van overvloedige genade, in het huis waar wij als pelgrims verblijven. En wie voelt dat hij van die genade leeft, moet de rijke bron groot maken waaruit zij zo vanzelf opwelt.
Vers 9
“Hij zal niet altoos twisten.” Soms doet Hij dat wel, want Hij kan niet verdragen dat Zijn volk zonde in het hart bewaart. Maar Hij zal hen niet eindeloos tuchtigen. Zodra zij zich naar Hem toekeren en hun slechte wegen laten, is de twist voorbij. Hij zou steeds een reden kunnen vinden om met ons te strijden. In ons zit immers altijd iets dat tegen Zijn heilige gezindheid ingaat. Toch houdt Hij Zich in, anders zou onze geest voor Zijn aangezicht bezwijken. Is iemand van ons nu even de bewuste omgang met de Heere kwijt?
Dan doet hij er goed aan Hem te vragen waarom Hij toornt. Hij kan zeggen: “Doe mij weten, waarover Gij met mij twist.” Want Hij laat Zich gemakkelijk vermurwen en Zijn grimmigheid houdt snel op. Als Zijn kinderen zich van hun zonden afwenden, stopt Hij ook meteen met berispen. “Noch eeuwiglijk den toorn behouden.” Hij draagt niets na. De Heere wil niet dat Zijn volk wrok koestert, en met Zijn eigen gedrag geeft Hij hun daarin een schitterend voorbeeld. Heeft de Heere Zijn kind eenmaal gekastijd, dan is Zijn toorn ook echt voorbij.
Hij straft niet als een rechter, want dan zou Zijn woede blijven branden. Hij treedt op als een vader. Na een paar klappen sluit Hij de zaak af en drukt Hij Zijn geliefde tegen Zich aan, alsof er niets gebeurd is. Zit de overtreding te diep in iemands wezen om zo overwonnen te worden, dan blijft Hij tuchtigen. Maar Hij houdt nooit op lief te hebben. Zijn toorn tegen Zijn volk laat Hij niet doorlopen tot in de volgende wereld. Zijn dwalende kind neemt Hij op in Zijn heerlijkheid.
Vers 10
“Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.” Anders was Israël helemaal vergaan en hadden ook wij allang in de diepste hel gelegen. Wij moeten de Heere niet alleen loven voor wat Hij voor ons deed, maar ook voor wat Hij ons níét aandeed. Ook die kant verdient onze aanbiddende dank. Tot op dit moment hebben wij, zelfs op ons allerslechtst, nooit zoveel geleden als wij verdienden. Wat ons elke dag toevalt, is niet afgemeten naar ons verdiende loon. De maat is heel anders: onverdiende goedheid. Zullen wij de Heere dan niet loven?
Elk deel van ons bestaan had stukgescheurd kunnen worden door pijn. In plaats daarvan leven wij allemaal in betrekkelijk geluk. Velen van ons worden zelfs rijk begiftigd met innerlijke vreugde. Laat dus elk vermogen, ja alles wat in ons is, Zijn heilige Naam loven.
Vers 11
“Want zo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vrezen.” De barmhartigheid van de Heere voor Zijn uitverkorenen kent geen grenzen. Je kunt haar net zo min opmeten als de hoogte van de hemel of de hemel der hemelen. In de grondtekst staat: “Zoals de hoogte van de hemelen.” Dat laat meer vergelijkingspunten toe dan alleen de afmeting.
Het doet ook denken aan verhevenheid, grootsheid en luister. De hoge hemelen overspannen de aarde. Ze bevochtigen haar met dauw en regen, geven haar licht met zon, maan en sterren en kijken onafgebroken waakzaam op haar neer. Zo dekt ook Gods barmhartigheid van bovenaf al Zijn uitverkorenen. Zij maakt hen rijk, sluit hen in haar armen en blijft voor altijd hun woonplaats. De gedachte in onze vertaling is bijzonder verheven. Want wie kan zeggen hoe onmetelijk hoog de hemel is? Wie bereikt de eerste van de vaste sterren? Wie kan de uiterste rand van het heelal vol sterren opmeten?
Toch is Zijn barmhartigheid zó groot! Wat een groot klein woordje, dat “zo”! Al deze barmhartigheid is voor “degenen, die Hem vrezen”. Wij moeten Zijn gezag nederig en van harte eerbiedigen, anders proeven wij Zijn genade niet. Vrees voor God is een van de eerste vruchten van het goddelijke leven in ons. Zij is het begin van de wijsheid. Toch verzekert zij wie haar bezit van alle weldaden van Gods barmhartigheid. Hier en op andere plaatsen staat zij voor de hele ware godsdienst. Menig echt kind van God is vol kinderlijk ontzag en beeft toch tegelijk voor zijn aanneming bij God.
Dat beven is nergens op gegrond, maar het is oneindig beter dan die laaggeboren aanmatiging. Die zet mensen ertoe aan te snoeven op hun kindschap en de veiligheid die daarbij hoort, terwijl zij intussen nog in de gal van bitterheid zitten. Wie rekent op de oneindige reikwijdte van Gods barmhartigheid, moet hier tot nadenken komen. Zij is weliswaar zo breed als de horizon en zo hoog als de sterren, maar zij is alleen bedoeld voor wie de Heere vrezen. Voor koppige opstandelingen is er recht zonder barmhartigheid.
Vers 12
“Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons.” Wat een heerlijk vers! Geen enkel woord, zelfs niet op de bladzijden van de Schrift, kan het overtreffen. De zonde is van ons weggehaald door een wonder van liefde! Wat een zware last om te verplaatsen, en toch is hij zó ver weggebracht dat niemand de afstand kan berekenen. Vlieg zo ver als de vleugels van je verbeelding je dragen. Reis je door de ruimte naar het oosten, dan kom je met elke vleugelslag verder van het westen.
Is de zonde zo ver weggebracht, dan kunnen wij er zeker van zijn dat haar geur, haar spoor, ja zelfs de herinnering eraan helemaal verdwenen is. Is dit de afstand waarover zij is weggedragen, dan hoeven wij geen sprankje angst te hebben dat zij ooit terugkomt. Zelfs Satan zou dat nooit voor elkaar krijgen, hoe hij ook zijn best deed. Onze zonden zijn weg. Jezus heeft ze weggedragen. Zo ver als de plek waar de zon opkomt verwijderd is van het westen, waar zij ondergaat als haar dagreis volbracht is, zo ver heeft onze zondebok onze zonden gebracht, negentien eeuwen geleden.
Wordt er nu naar gezocht, dan zijn ze niet te vinden. Ja, zij zullen er niet zijn, zegt de Heere. Kom, mijn ziel, word goed wakker en verheerlijk de Heere voor deze rijkste zegen. Halleluja. Alleen de Heere kon de zonde wegnemen. Hij heeft het gedaan zoals alleen God dat kan: Hij heeft al onze overtredingen in één keer weggevaagd.
Vers 13
“Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen.” Voor wie Zijn heilige Naam werkelijk eerbiedigt, is de Heere een vader, en als zodanig treedt Hij ook voor hen op. Over hen ontfermt Hij Zich. Want ook in de beste mensen ziet de Heere veel waarmee Hij medelijden moet hebben. Zelfs op hun best hebben zij Zijn ontferming nodig. Dat moet elke neiging tot hoogmoed in de kiem smoren, maar het geeft ons tegelijk de rijkste troost. Vaders leven met hun kinderen mee, vooral als ze pijn hebben.
Zij zouden graag in hun plaats lijden. Hun zuchten en kreunen snijdt hun door de ziel. Zó gevoelig is onze hemelse Vader als het om ons gaat. Wij aanbidden geen god van steen, maar de levende God, Die de tederheid zelf is. Op dit moment ontfermt Hij Zich over ons, want het werkwoord staat in de tegenwoordige tijd. Zijn medelijden houdt nooit op te stromen, en wij hebben het altijd nodig.
Vers 14
“Want Hij weet, wat maaksel.” Hij weet hoe wij in elkaar zitten, want Hij heeft ons gemaakt. Hij ziet precies hoe wij gebouwd zijn, hoe ons gestel en onze aard zijn, wat onze grootste zwakte is en welke verleiding ons het hardnekkigst belaagt. Hij doorzoekt immers ons binnenste. “Gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.” Uit stof gemaakt, nog altijd stof en op weg om weer stof te worden. Soms horen wij van “de IJzeren Hertog” en van ijzersterke gestellen. Maar zulke woorden worden snel gelogenstraft. De IJzeren Hertog is vergaan, en andere mannen van gelijke taaiheid volgen hem naar het graf, waar “stof tot stof” het passende requiem is.
Wij vergeten maar al te vaak dat wij stof zijn. Wij vragen te veel van ons verstand en ons lichaam door geestelijk en lichamelijk te zwoegen. Ook denken wij te weinig aan de zwakheden van anderen en leggen wij hun lasten op die zwaar te dragen zijn. Onze hemelse Vader doet dat nooit. Hij geeft ons nooit te veel te dragen en altijd kracht die bij onze dag past. Als Hij ons ons lot toemeet, houdt Hij immers steeds rekening met onze broosheid. Gezegend zij Zijn heilige Naam voor zoveel zachtheid met Zijn broze schepselen.
Vers 15
“De dagen des mensen zijn als het gras.” Hij leeft van het gras en hij leeft als het gras. Graan is niets anders dan veredeld gras, en de mens die het eet, krijgt iets van zijn aard. Het gras leeft, groeit, bloeit, valt onder de zeis, droogt uit en wordt van het veld gehaald. Lees die zin nog eens. Je ziet in die woorden de geschiedenis van de mens. Heeft hij zijn korte dag uitgeleefd, dan wordt hij ten slotte neergemaaid. Het is veel waarschijnlijker dat hij verwelkt voordat hij volwassen is. Of dat hij plotseling wordt weggerukt, lang voordat zijn tijd om is.
“Gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij.” Hij heeft schoonheid en bekoring, zoals weiden die hebben als ze geel kleuren van de boterbloemen. Maar wat is het kort! Pas gekomen en alweer weg. Een flits van schoonheid en dat is alles. De mens lijkt zelfs niet op een bloem in de kas of in een beschutte border. Hij groeit het best zoals de natuur het wil, als de bloem op het veld. Net als dat onbeschermde sieraad van de wei loopt hij duizend gevaren om snel te eindigen. Een grote gemeente in kleurige kleren doet ons altijd denken aan een weide vol kleuren.
Dat beeld wordt pijnlijk waar als wij bedenken dat zoals het gras en zijn glans snel voorbijgaan, ook de mensen naar wie wij kijken en al hun zichtbare schoonheid zullen verdwijnen. Zo gaat het met alles wat uit het vlees komt, zelfs met de grootste voortreffelijkheid en de natuurlijke deugden. Want “dat wat uit het vlees geboren is, dat is vlees”. Het is dus maar gras dat verdort als er een zuchtje wind overheen waait. Gelukkig zijn zij die van boven zijn geboren en een onvergankelijk zaad in zich dragen, dat leeft en blijft tot in eeuwigheid.
Vers 16
“Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer.” Er is maar een beetje wind nodig. Een zeis is niet eens nodig. Eén zucht kan het al doen, want de bloem is zo broos.
“Waait één scherpe wind over het veld, dan verdort zij binnen een uur.”
Hoe weinig schadelijk gas is genoeg voor een dodelijke koorts die geen mens meer kan stoppen! Zwaard of kogel zijn niet nodig. Een vleugje vuile lucht is veel dodelijker. Ook de gezondste en sterkste mensenzoon legt zij zeker neer. “En haar plaats kent haar niet meer.” De bloem bloeit niet meer. Misschien volgt er een andere op, maar zij zelf heeft haar blaadjes verspreid. Haar geur maakt de avondlucht nooit meer zoet. Zo sterft ook de mens en is hij weg. Weg van zijn oude plekken, zijn dierbare huis en zijn dagelijkse werk, om nooit meer terug te komen.
Voor deze wereld is hij alsof hij nooit bestaan heeft. De zon komt op, de maan neemt toe of af, zomer en winter draaien hun ronde, de rivieren stromen en alles gaat zijn gang alsof men hem niet mist. Zo klein is zijn plaats in het geheel van de natuur. Misschien merkt een vriend op dat hij er niet meer is, en dan zegt hij: “Op een ochtend miste ik hem op de bekende heuvel, langs de heide en bij zijn lievelingsboom. Er kwam een andere dag, maar nog steeds was hij niet bij het beekje, niet op het grasveld, niet in het bos.”
Maar als de “verschuldigde treurzangen” zijn verstomd en er niets meer overblijft dan een hoop aarde en misschien een brokkelende steen: wat blijft er dan weinig over ter gedachtenis aan ons bestaan op dit drukke toneel! Er zijn wel duurzamer herinneringen, en er is een ander soort bestaan dat zo oud is als de eeuwigheid zelf. Maar die horen niet bij ons vlees, dat maar gras is. Zij horen bij een hoger leven, waarin wij opklimmen tot innige gemeenschap met de Eeuwige.
Vers 17
“Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen.” Gezegend “maar”! Wat een kloof tussen de verwelkende bloem en de eeuwige God! Wat een wonder dat Zijn barmhartigheid onze broosheid aan Zijn eeuwigheid vastmaakt en ook óns eeuwig maakt! Al vóór de tijd keek de Heere naar Zijn volk als naar mensen die Zijn ontferming nodig zouden hebben. Daarom wees Hij hen aan om Zijn genade te ontvangen. Wie licht genoeg heeft om de leer van de eeuwige verkiezing te zien en liefde genoeg om haar te omarmen, vindt haar prachtig.
Dieper kun je nauwelijks nadenken, hoger kun je nauwelijks juichen. Even kostbaar is het “tot eeuwigheid”. Jehova is onveranderlijk. Zijn barmhartigheid begon nooit en eindigt nooit. Wie Hem vrezen, komen er nooit achter dat hun zonden of hun nood de diepe zee van Zijn genade hebben leeggepompt. Waar het om draait, is dit: “Vrezen wij Hem?” Kijken wij met kinderlijk ontzag omhoog naar de hemel, dan blijft Zijn vaderlijke liefde op ons neerzien. Daar komt nooit verandering in, in alle eeuwigheid niet. “En Zijn gerechtigheid aan kindskinderen.” De barmhartigheid voor wie de Heere een verbond mee sluit, is verzekerd door Zijn gerechtigheid.
Omdat Hij rechtvaardig is, neemt Hij nooit een belofte terug en blijft Hij haar nooit schuldig. Onze gelovige zonen en hun kinderen na hen zullen merken dat het woord van de Heere niet verandert. Ook aan hen toont Hij Zijn genade en ook hen zegent Hij, net als ons. Daarom zingen wij ook voor wie na ons komen. Het verleden eist onze lof op en de toekomst nodigt ons uit tot lof. Voor onze nakomelingen bidden wij, maar wij zingen ook. Abraham was blij over zijn zaad, en dat mogen ook de godvruchtigen zijn. Want “in plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn”.
De vorige psalm zei het ons ook in zijn slotvers: “De kinderen Uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden.”
Vers 18
Toch krijgen kinderen van rechtvaardigen de barmhartigheid van de Heere niet zomaar beloofd. Dit vers maakt de uitspraak van het vorige af door erbij te zetten: “Aan degenen, die Zijn verbond houden, en die aan Zijn bevelen denken, om die te doen.” Zowel de ouders als de kinderen moeten gehoorzamen. Hier krijgen wij de opdracht bij het verbond te blijven. Wie ergens anders op gaat vertrouwen dan op het voltooide werk van Jezus, hoort niet bij de mensen die dit gebod gehoorzamen. Wie echt een verbond met God heeft, blijft Hem trouw. Zij zijn in de Geest begonnen en proberen niet in het vlees volmaakt te worden.
Echte godvruchtigen houden zich nauwgezet aan wat de Heere gebiedt. Zij “denken” eraan. In de praktijk onderhouden zij het: “om die te doen”. Bovendien pikken zij er niet naar eigen smaak iets uit. Zij denken aan “Zijn bevelen” zoals ze zijn en stellen het ene gebod niet boven het andere, al naar het hun uitkomt of schikt. Mogen onze kinderen een aandachtig, zorgvuldig en waakzaam geslacht zijn. Mogen zij erop gericht zijn de wil van de Heere te kennen en die direct en helemaal te doen. Dan zal Zijn barmhartigheid hen verrijken en eren, van generatie op generatie.
Ook dit vers is een reden tot lof. Wie zou immers willen dat de Heere vriendelijk kijkt naar mensen die niets geven om Zijn wegen? Dat zou de zonde juist aanmoedigen. Sommige mensen preken onoplettend over het verbond. Je zou uit hun woorden kunnen afleiden dat God een bepaalde groep mensen zegent, hoe zij ook leven en hoeveel zij ook over Zijn wetten heen lopen. Maar zo leert het Woord het niet. Het verbond is niet gebouwd op de wet, maar het is wel heilig. Van begin tot eind is het louter genade, en toch is het geen handlanger van de zonde.
Integendeel: een van de grootste beloften ervan luidt: “Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven.” Het wil in het algemeen een volk voor God heiligen, ijverig in goede werken. Alle gaven en werkingen ervan werken die kant op. Het geloof houdt het verbond door alleen naar Jezus te zien. Tegelijk gedenkt het door oprechte gehoorzaamheid de geboden van de Heere, om die te doen.
Vers 19
“De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd.” Hier barst een machtig lied los, opgewekt door het zicht op de onmetelijke kracht en de glorieuze oppermacht van Jehova. Zijn troon staat vast, want dat is het woord. Hij is gegrondvest, onwrikbaar, onbeweeglijk.
“Hij zit niet op een wankele troon
en vraagt aan niemand verlof om te bestaan.”
Aan Zijn bestuur is niets verontrustends. Er is geen wanorde, geen opschudding en geen gehaast met noodoplossingen. Er zijn geen verrassingen die opgevangen moeten worden, en geen onverwachte rampen die afgewend moeten worden. Alles is klaargemaakt en vastgesteld, en Hij Zelf heeft het klaargemaakt en vastgesteld. Hij is geen heerser die door een ander is aangesteld en voor wie een ander de troon heeft neergezet. Hij is een alleenheerser. Zijn gezag komt uit Hemzelf en wordt gedragen door Zijn eigen kracht. Deze onvergelijkelijke oppermacht staat borg voor onze veiligheid. Het is de zuil waar ons vertrouwen veilig tegenaan kan leunen.
“En Zijn Koninkrijk heerst over alles.” Zijn scepter reikt over het hele heelal. Nu regeert Hij overal, dat heeft Hij altijd gedaan en dat zal Hij altijd doen. Voor ons kan de wereld door chaos verscheurd lijken, maar Hij schept orde uit de verwarring. De strijdende elementen marcheren onder Zijn vaandel, ook wanneer zij het wildst voortrazen in een woeste storm. Groot en klein, met verstand en zonder, gewillig en tegenstribbelend, woest of mild: allen, alles staat onder Zijn gezag. Alleen Hij is wereldheerser. Hij is de zalige en enige Machthebber, “Koning der koningen en Heere der heren”.
Helder zicht op Zijn altijd werkzame en overal oppermachtige voorzienigheid is een van de heerlijkste geestelijke gaven. Wie dat heeft, kan niet anders dan de Heere loven met heel zijn ziel. Zo heeft de lieflijke zanger de vele eigenschappen van de Heere bezongen, zoals ze te zien zijn in de natuur, in de genade en in Gods leiding. Nu verzamelt hij al zijn krachten voor een laatste uitbarsting van aanbidding. Hij wil dat iedereen daaraan meedoet, omdat allen onderdanen zijn van de grote Koning.
Vers 20
“Looft den HEERE, Zijn engelen! gij krachtige helden.” Het werk van de lofprijzing wordt hem te veel om alleen te doen. Daarom roept hij erbij: “de eerstgeboren zonen van het licht”. Zij mogen de lof van de Heere uitspreken, en zij kunnen dat ook het best. Zoals Milton zegt, kunnen zij er het beste over vertellen. Zij leven dichter bij die bereide troon dan wij voorlopig mogen komen. Ze zien van veel dichterbij de heerlijkheid die wij willen aanbidden. Hun is een geweldige macht gegeven in denken, spreken en kracht, en die zetten zij met vreugde in voor Hem. Laat hen nu al hun kracht leggen in het plechtige lied dat wij tot de derde hemel willen laten klinken. Alle engelenkracht hoort terug te gaan naar Hem Die haar gaf. Het zijn Zijn engelen, en dus aarzelen zij niet Zijn lof te laten galmen.
“Die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem Zijns woords.” Wij hebben de opdracht deze geboden te doen, en helaas falen wij. Laten die geesten die nooit zijn gevallen en wier zaligheid het is dat zij nooit overtraden, de Heere eer brengen voor hun heiligheid. Ze blijven luisteren of er nog meer geboden volgen. Eerbiedig luisteren geldt bij hen als gehoorzaamheid, net zoals krachtig optreden. Daarin leren zij ons hoe Gods wil altijd gedaan moet worden. Maar ook voor die buitengewone voortreffelijkheid mogen zij zelf geen eer opstrijken. Alles moet terug naar Hem Die hen heeft gemaakt, hen gemaakt heeft tot wat zij zijn en hen zo bewaart. Och, konden wij hen maar de hoge lof van God horen zingen, zoals de herders deden in die grootste van alle geboortenachten:
“Toen werd hun hart en oor
begroet door zulke zoete muziek
als nooit door sterfelijke vinger werd getokkeld:
een stem, goddelijk gezongen,
die het snarenspel beantwoordde
en al hun zielen meevoerde in zalige verrukking:
de lucht, die zulk genot niet graag verliest,
rekt met duizend echo’s elke hemelse slotklank nog lang.”
Ons blije hart kijkt uit naar het uur waarop wij hen “met luide en plechtige tonen zullen horen harpen”, en dat alles tot de enige lof van God.
Vers 21
“Looft den HEERE, al Zijn heirscharen.” Tot welk soort schepsel jullie ook horen: jullie zijn allemaal Zijn soldaten, en Hij is de opperbevelhebber over al jullie legers. Vogels in de lucht, vissen in de zee en al wat de paden van de zee bevaart, moeten samen hun Schepper prijzen, ieder naar vermogen. “Gij Zijn dienaars, die Zijn welbehagen doet.” Hoe jullie Hem ook dienen: loof Hem terwijl jullie dienen.
De psalmist wil dat iedere dienaar in het paleis van de Heere met hem meedoet en dat ze allemaal tegelijk de lof van de Heere uitzingen. Tegenwoordig geven wij aan het woord “dienaars” een nieuwe lading. Wij beperken het tot mensen die in woord en leer dienen. Geen echte dienaar wil daar iets aan veranderen. Wij zijn immers meer dan wie ook verplicht om dienaars van de Heere te zijn. Meer dan alle andere dienende geesten en machten willen wij de glorierijke Heere loven.
Vers 22
“Looft den HEERE, al Zijn werken! aan alle plaatsen Zijner heerschappij.” Drie keer klinkt de oproep tot lof, voor de driemaal heilige God. Elke oproep reikt verder dan de vorige. Deze is de ruimste van alle, want hoe kun je breder oproepen dan met “alles, overal”? Kijk eens hoe de beperkte mens oneindige lof los kan maken! De mens is klein. Toch zet hij zijn handen op het klavier van het grote orgel van het heelal, en het davert van aanbidding! De verloste mens is de stem van de schepping, de priester in de tempel van de natuur en de voorzanger in de eredienst van het hele heelal.
Och, dat alle werken van de Heere op aarde werden bevrijd van de ijdelheid waaraan zij onderworpen zijn! Och, dat zij werden binnengebracht in de heerlijke vrijheid van de kinderen van God! Die tijd komt snel dichterbij, en hij komt zeker. Dan loven alle werken van de Heere Hem werkelijk. De vaste belofte wordt rijp en de betrouwbare barmhartigheid is al onderweg. Haast je, gevleugelde uren! “Loof den HEERE, mijn ziel!” Hij sluit af op zijn grondtoon. Hij kan het niet maken anderen op te roepen zonder zelf mee te doen. En al zingen anderen luider en zuiverder, hij wil niet aan de kant worden gezet.
O mijn ziel, keer terug tot jezelf en tot je God. Laat de kleine wereld in je maat en toon houden met de sferen die Jehova’s lof laten klinken. O oneindig gezegende Heere, geef ons deze hoogste zegen: dat wij voor eeuwig en altijd helemaal opgaan in het loven van U.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Titel
Een psalm van David, die hij schreef toen hij zo ver buiten zichzelf was getild als tot de hemel, zegt Beza. — John Trapp.
Gehele psalm
Wat hebben Schotse heiligen deze psalm vaak gezongen op de dagen dat zij het avondmaal van de Heere vierden! Juist daardoor kent men hem bij ons in het bijzonder. Hij is ook verbonden aan een opmerkelijk geval, een voorval uit de tijd van John Knox. Elizabeth Adamson was een vrouw die naar zijn preken ging, “omdat hij de bron van Gods barmhartigheden beter opende dan anderen”. Toen zij deze psalm hoorde, werd zij tot Christus geleid en vond zij rust in Hem. Daarvoor had zij zo’n doodsangst in haar ziel doorgemaakt dat zij over folterende pijn in het lichaam zei: “Duizend jaar van die marteling, en nog tien keer zoveel erbij, is niet te vergelijken met een kwartier van mijn zielennood.”
Voordat zij heenging, vroeg zij nog eens om deze psalm: “Toen ik hem kreeg, proefde mijn verontruste ziel voor het eerst Gods barmhartigheid. Die is mij nu zoeter dan wanneer ik alle koninkrijken van de aarde in bezit kreeg.” — Andrew A. Bonar.
Gehele psalm
Het aantal verzen van deze psalm komt precies overeen met het aantal letters van het Hebreeuwse alfabet. Dat het geheel af is, blijkt ook uit het slot: dat komt terug op de woorden waarmee de psalm begon: “Loof den HEERE, mijn ziel.” — J. F. Thrupp.
Gehele psalm
Naar het aantal verzen is de psalm een alfabetische psalm. Hij is zo ingericht dat het slot teruggaat naar het eerste vers, en zo wordt het geheel afgesloten en rond gemaakt. Op dezelfde manier staat de naam Jehova er elf keer in. De psalm valt uiteen in twee strofen, de eerste van tien en de tweede van twaalf verzen. De tien is in tweeën van vijf te delen, en de twaalf valt in drie stukken van vier verzen. In de eerste strofe staat Jehova vier keer en in de tweede zeven keer. Rustige tederheid is het kenmerk van deze psalm.
Hij is een stille, heldere beek van lofprijs aan God, die zachtjes voortstroomt. Daarbij past dat de verzen even lang zijn en steeds uit twee helften bestaan. Pas aan het einde, waar de toon stijgt, worden de verzen langer. Het vat is daar te klein geworden voor het gevoel dat erin zit. Het opschrift zegt dat David de psalm schreef. Dat getuigenis wordt bevestigd door het feit dat de psalm op sommige plaatsen, waar zijn zelfstandigheid duidelijk is, sterk lijkt op andere psalmen van David. Ook het verband met Psalm 102 bevestigt het.
David leert zijn nageslacht hier danken, zoals hij het in de vorige psalm leerde bidden. In die psalm bad hij om verlossing uit diepe nood. Hier dankt hij daarvoor. — E. W. Hengstenberg.
Gehele psalm
Het valt op dat er in al deze tweeëntwintig verzen samen geen enkele bede staat. In de hele psalm wordt geen woord van smeking tot de Allerhoogste gericht. Vurig gebed uit het diepst van het hart had de psalmist ongetwijfeld eerder opgezonden, en zijn God had het verhoord. Talloze zegeningen waren van boven neergeregend als antwoord op Davids smeekbeden. Daarom stroomt er nu overvloedige dankbaarheid uit hem, die zo blij mocht ontvangen. Hij slaat alle snaren van zijn harp en van zijn hart tegelijk aan, in één en dezelfde beweging. Zo laat hij een melodie opklinken, en wel een melodie die spontaan opwelt, met de zoetste klank en de zuiverste lof. — John Stevenson, in “Gratitude: an Exposition of the Hundred and Third Psalm”, 1856.
Vers 1
“Loof den HEERE, mijn ziel.” Wat passen die twee goed bij elkaar, de ziel en het loven! Welk werk past zo goed bij mijn ziel als dit? En wie is zo geschikt voor dit werk als mijn ziel? Mijn lichaam is, God weet het, plomp en zwaar en helemaal niet geschikt voor zo’n verheven taak. Nee, mijn ziel, jíj moet het doen. Wat heb je trouwens anders te doen, wat anders wacht er op jou? Het is nu juist het werk waarvoor je gemaakt bent. Ach, was je maar zo geschikt voor het werk als het werk bij jou past!
Maar helaas, je bent een beetje aards geworden. Je bent in elk geval een groot deel van je vermogens kwijt en je zult dit grote werk nooit in je eentje afkrijgen. Als de Heere loven niet meer was dan “Heere, Heere” zeggen, zoals zij die riepen: “Des HEEREN tempel, des HEEREN tempel”, dan was mijn tong genoeg en hoefde ik er niemand anders mee lastig te vallen. Maar de Heere loven is een groot werk. Het vraagt niet alleen veel krachten maar ook heel bekwame krachten. Daarom, mijn ziel, begin er niet alleen aan, als je ermee aan de slag gaat.
Neem “al wat binnen in u is” mee: alle troepen uit mijn hele wapenarsenaal, mijn hart en mijn geest, mijn wil en mijn gevoelens, mijn verstand en mijn geheugen. Neem ze allemaal mee en loof de Heere. — Sir R. Baker.
Vers 1
“Al wat binnen in mij is.” Letterlijk staat hier de vorm “mijn ingewanden” of “mijn binnenste delen”. Dat sterke meervoud dekt al veel. Het woord “al” maakt het nog sterker, alsof elke uitzondering en elk voorbehoud wordt uitgesloten en alle krachten en gevoelens onder de oproep vallen. — J. A. Alexander.
Vers 1
“Al wat binnen in mij is”, enzovoort. Laat je geweten “de HEERE loven” door onwankelbare trouw. Laat je oordeel Hem loven door beslissingen volgens Zijn woord. Laat je verbeelding Hem loven door zuivere en heilige gedachten. Laat je genegenheden Hem prijzen door lief te hebben wat Hij liefheeft. Laat je verlangens Hem loven door alleen Zijn eer te zoeken. Laat je geheugen Hem loven door geen van Zijn weldaden te vergeten. Laat je gedachten Hem loven door na te denken over wat Hem zo groot maakt. Laat je hoop Hem prijzen door uit te zien naar de heerlijkheid die zal worden geopenbaard.
Laat al je zintuigen Hem loven door hun trouw, al je woorden door hun waarheid en al je daden door hun eerlijkheid. — John Stevenson.
Vers 1
“Loof den HEERE, mijn ziel.” Jullie hebben vaak gehoord dat het woord “zegenen” twee heel verschillende betekenissen heeft, als er staat dat God mensen zegent en dat mensen opgeroepen worden om Hem te zegenen. God is de enige bron van bestaan en geluk, en daaruit stroomt altijd alle goed voort. Daarom heet het dat Hij Zijn schepselen zegent, namelijk wanneer Hij hun barmhartigheid en gunsten schenkt. Hij geeft hun gaven van lichaam en geest. Hij bevrijdt hen van het kwaad en van wat hen bedreigt. Hij is de bron van hun troost nu en van hun hoop voor straks.
Maar in die betekenis kan geen enkel schepsel ooit God zegenen, dat zie je vanzelf. Zijn oneindige en vlekkeloze volmaaktheid maakt het voor Hem onmogelijk nog meer voortreffelijkheid of geluk te ontvangen. En stel dat die onmetelijke oceaan van goedheid wél te vergroten was, dan konden wij daar toch nooit iets aan bijdragen. Want wij hebben ons bestaan en alles wat wij hebben en zijn van Hem gekregen. God zegenen betekent dus: vol vuur en in nederigheid de goddelijke voortreffelijkheden erkennen waardoor Hij de beste en grootste van alle wezens is, het enige Wezen dat de hoogste aanbidding waard is.
Het betekent Hem de lof toekennen voor al die heerlijke eigenschappen die Zijn wezen sieren en zo duidelijk te zien zijn in Zijn werken en wegen. God zegenen betekent elke gepaste kans benutten om onze eerbied en hoogachting voor Zijn voortreffelijke grootheid uit te spreken. Het betekent zo luid als wij kunnen aan iedereen om ons heen vertellen hoe goed en genadig Hij Zich tegenover mensen gedraagt, en hoe oneindig wij Hem alles verschuldigd zijn, Hem in Wie wij leven, ons bewegen en zijn. Echt zegenen begint in een hart dat vol hoogachting en dankbaarheid is, want dat blaast leven in de lofzangen.
De levendigste en meest welgevallige manier om God te zegenen is dan een heilig leven, met ernstig streven om van alle ongerechtigheid gezuiverd te worden. Zegenen betekent immers, zoals ik zei, Zijn voortreffelijkheden aanbidden en onze hoogachting en eerbied daarvoor uitspreken. Maar wat doet dat krachtiger dan een leven dat gevormd wordt doordat wij die voortreffelijkheden diep in ons hebben opgenomen? Wie God boven alles vreest en beeft bij de gedachte aan Zijn toorn, geeft aan de glorie van Gods macht de meeste eer, zo zeg ik. Wie voor de zonde op de vlucht slaat, omdat zij hem blootstelt aan Gods onverbiddelijke strengheid, eert Zijn gerechtigheid het meest.
Wie daardoor week wordt en dankbaar gaat gehoorzamen, eert Zijn liefde het meest. En Zijn heiligheid vieren wij als wij haar in ons leven proberen na te volgen en alles opgeven wat een gruwel is in de ogen van Zijn reinheid. — William Dunlop, 1692-1720.
Vers 1
“HEERE, mijn ziel.” Gods oog is vooral op de ziel gericht. Zet honderd schotels op tafel: Hij snijdt van geen enkele aan, behalve van deze. Dit is het lekkere gerecht waar Hij van houdt, de smaakvolle spijs die Hij liefheeft. Wie zelf de beste is, wil ook met het beste gediend worden. Geven wij Hem onze ziel in een plicht, dan geven wij Hem de bloem en de room. Met een heilige scheikunde halen wij de geest eruit. Een ziel die in de dienst vlam vat, is de beker “van specerijwijn, en van het sap van mijn granaatappelen” (Hoogl. 8:2), die de bruid Christus laat drinken. — Thomas Watson.
Vers 1
“Is, Zijn heiligen Naam.” In de Schrift staat Gods naam vaak voor Zijn wezen en Zijn eigenschappen. Heiligheid is de heerlijkheid van deze Naam. Gods zuiverheid is wat al Zijn andere volmaaktheden schoon maakt, en het maakt ze waard om geprezen te worden. Zijn eeuwigheid, kennis en macht zouden ons, zonder rechtvaardigheid, goedheid en waarheid, wel angst en verwarring kunnen geven. Maar onze liefde konden ze niet aansteken en ons niet brengen tot een hartelijk zegenen. Echter: oneindige macht, onfeilbare wijsheid en eeuwige heerschappij zijn gemengd met onveranderlijke liefde en onschendbare waarheid, en met goedheid die zich boven al Zijn werken verheft.
Wordt het zo een heilige naam, dan worden de goddelijke volmaaktheden werkelijk beminnelijk. Dan zijn ze de juiste voorwerpen voor onze hoop, ons vertrouwen en onze allerluidste liederen. Zie hoe fraai en passend de psalmist hier Gods zuiverheid noemt: “Zegen Zijn heiligen Naam.” Bovendien is er werkelijk niets wat de glorie van Gods genade en Zijn verlossende liefde voor een ziel zo verheft als de gedachte aan Gods heiligheid. Was je Maker niet van reinere ogen dan de mens, ja was Zijn haat tegen de zonde en Zijn liefde voor gerechtigheid niet groter dan die van de edelste engel, dan was Zijn vergeving van zonde en Zijn geduld met overtreders niet zo’n wonderbaar neerbuigen.
Maar Zijn Naam is oneindig heilig, zodat geldt: “De hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen.” Is de kleinste ongerechtigheid een afschuw voor Zijn ziel, iets wat Hij met een volkomen haat haat? Dan moeten Zijn genade en liefde zeker onvergelijkbaar groter zijn dan onze gedachten. — William Dunlop.
Verzen 1-2
Een put is zelden zo vol dat er bij de eerste slag van de pomp al water uit komt. Zo is ook het hart meestal niet zo geestelijk gestemd dat het zich vrijuit in Gods schoot uitstort, zonder dat iets het eerst opwekt en optilt. Dat geldt zelfs als wij ons uiterste best hebben gedaan in onze omgang met werelds werk, en nog meer als wij daarin wat doorgeschoten zijn. Vaak staan de bronnen van de genade zo laag dat pompen alleen het hart niet in een biddende houding krijgt. Er moeten eerst redenen in de ziel worden gegoten voordat de gevoelens opkomen.
Daarom houden vrome mensen die gesprekken en toespraken tegen hun eigen hart. Zo brengen zij zichzelf in een goede stemming om in de gemeenschap met God, bij de middelen van genade, bij Hem te zijn. Uit deze verzen blijkt dat David zijn hart niet in zo’n goede toestand vond als hij graag wilde, of dat hij dat vreesde. Daarom spoort hij zichzelf nog een keer aan. Hij merkte dat zijn hart wat sluimerde, en daarom schudde hij zichzelf zo wakker. — William Gurnall.
Verzen 1-3
De dankbaarheid van de psalmist heeft hier vier kenmerken. Ten eerste is zij persoonlijk. “Loof den HEERE, mijn ziel.” Hij zegt het op precies dezelfde manier aan het eind van de psalm, nadat hij anderen heeft opgeroepen om dit werk te doen. Ons geloof moet gemeenschappelijk zijn én persoonlijk. Het mag niet bij ons thuis blijven steken, maar het moet er wel beginnen. Een geloof dat zich op anderen richt zonder persoonlijk te zijn, zal altijd tekortschieten in gloed, in kracht, in reikwijdte, in volharding en heel vaak in resultaat.
Ten tweede is zij vurig: “En al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam.” Dat zijn al mijn gedachten en gevoelens, mijn verstand en mijn wil, mijn geheugen en geweten, mijn genegenheden en mijn hartstochten.
“Zijn er hartstochten in mijn ziel —
en, Heere, die zijn er —
laat ze dan alle door U zijn geleid,
mijn genadige Heere, en U gewijd.”
Ten derde is zij verstandig, en zij wordt gewekt door wat er in zijn verleden is gebeurd. Daarom: “en vergeet geen van Zijn weldaden”. Niets kan ons goed raken of beïnvloeden als wij het niet meer weten. “Uit het oog, uit het hart”, en uit het hart betekent: uit het motief. Hoe kwam het dat de Joden vroeger zo ondankbaar waren? Zij hadden een slecht geheugen. “Den Rotssteen, Die u gegenereerd heeft, hebt gij vergeten; en gij hebt in vergetenis gesteld den God, Die u gebaard heeft.” “Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.” Het moet dus jouw zorg zijn om niet alleen terug te halen wat je ontving, maar het ook na te tellen.
Ten vierde is zij concreet: “Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw krankheden geneest.” Als in een toespraak alle woorden nadruk krijgen, krijgt niets nadruk. Blijven wij bij alles stilstaan, dan staan wij bij niets echt stil. In een landschap raakt een uitgekozen punt van waaruit je kijkt ons meer dan het geheel van het uitzicht. David was dichter en verstond poëzie goed. Poëzie verschilt van filosofie. De filosofie wil vanuit afzonderlijke feiten en voorbeelden opklimmen tot algemene beginselen en regels. De poëzie daalt juist altijd van het algemene af naar het bijzondere, en veel van haar schoonheid en kracht komt voort uit wat afzonderlijk en concreet is. — William Jay, 1849.
Vers 2
“Loof den HEERE, mijn ziel.” David merkte dat hij een beetje loom en slaperig was. Daarom prikt hij zichzelf zo vaak met de doorn. Daarom jaagt hij zijn ziel zo hartstochtelijk op, zoals iemand het hier uitdrukt. — John Trapp.
Vers 2
“Vergeet geen.” Hier raken wij de verborgen bron van zoveel ondankbaarheid: vergeetachtigheid. Er is geen herinnering, er is geen samenbrengen van alle verschillende draden van Gods barmhartigheid. Vergelijk Deut. 6:12; Deut. 8:11, 14. “Si oblivisceris, tacebis” (als je vergeet, zul je zwijgen). — J. J. S. Perowne.
Vers 2
“Vergeet geen van Zijn weldaden.” Met andere woorden: laat er geen enkele weldaad van Hem tussenuit vallen. Zo moet de uitdrukking in de grondtekst worden opgevat. — David Dickson.
Vers 2
“Weldaden.” Gemul, het woord dat hier met “weldaden” is weergegeven, betekent in de kern een daad of een werk, wat iemand doet, in goede of slechte zin (Ps. 137:8). Daarna gaat het over verdienste: wat iemand voor zijn daad verdient, dus vergelding. In Richt. 9:16 staat het als verdienste, in 2 Kron. 32:25 als weldaad (zoals hier), in Ps. 28:4 weer als verdienste, en als loon in Ps. 94:2; Jes. 3:11 en Obadja 1:15. Als vergelding vinden wij het in Spr. 12:14; Jes. 35:4; 59:18; 66:6; Jer. 51:6; Klaagl. 3:64 en Joël 3:4, 7. Hier wordt vooral verwezen naar Gods handelen, naar wat God gedaan had, als reden om Zijn Naam te prijzen.
Zijn omgang met de psalmist vroeg om lof en dank. Welke daden dat precies waren, zegt hij in de verzen die volgen. — Albert Barnes.
Vers 3
“Die al uw ongerechtigheid vergeeft.” Niemand kan je ongerechtigheden tellen, en ze zijn een last die je niet kunt dragen. Je ziel kan zich eronder “volstrekt niet oprichten”. Hij vergeeft ze alle. Hij haalt álles van je af. De vreselijke last tilt Hij van je rug, het schurende juk van je nek, en Hij maakt je vrij… Je ongerechtigheden zijn on-gerechtigheden. Er is niets in je dat gerecht of recht is.
Je hele aard is een on-gerechtigheid en brengt niets voort dan on-gerechtigheden. Je leeft in on-gerechtigheden tegenover je God, in on-gerechtigheden tegenover je naaste en in on-gerechtigheden tegenover jezelf. Meer is er niet in je leven. Je bent een slechte boom, en een slechte boom draagt geen goede vruchten. — John Pulsford, in “Quiet Hours”, 1857.
Vers 3
“Al uw ongerechtigheid.” Deze lieflijke en bekende psalm is rijk aan woorden over het onderwerp dat alles draagt: onze verlossing. “Die al uw ongerechtigheid vergeeft.” Er staat niet “sommige” of “veel van uw ongerechtigheden”. Daar zouden wij niets aan hebben. Zou ook maar de kleinste ongerechtigheid onvergeven blijven, in gedachte, woord of daad, dan waren wij er net zo slecht aan toe. Dan waren wij net zo ver van God, net zo ongeschikt voor de hemel en net zo blootgesteld aan de hel als wanneer heel het gewicht van onze zonden nog op ons drukte.
Laat de lezer hier lang bij stilstaan. Er staat niet: “Die uw ongerechtigheden vergeeft van vóór uw bekering.” Dat idee kent de Schrift niet. Vergeeft God, dan vergeeft Hij op Zijn eigen manier, als God. Bron, kanaal, kracht en maatstaf van de vergeving: alles is goddelijk. Wanneer God de zonden van iemand uitwist, doet Hij dat in dezelfde mate als waarin Christus ze droeg. Christus nam niet maar enkele of veel zonden van de gelovige op Zich. Hij droeg ze “alle”. Daarom vergeeft God “alle”. Zijn vergeving reikt zo ver als de verzoening van Christus, en die verzoening reikt over elke zonde van de gelovige, de vroegere, de huidige en de toekomstige.
“Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.” 1 Joh. 1:7. — “Things New and Old”, 1858.
Vers 3
“Die al uw krankheden geneest.” Ergens in een land zat een man in de gevangenis wegens hoogverraad. Na verloop van tijd kreeg hij zijn proces. Hij werd schuldig bevonden en ter dood veroordeeld. Maar het kwam nog erger. Hij had ook een inwendige ziekte, en die loopt meestal dodelijk af. Je kunt dus eerlijk zeggen: deze man is dubbel dood. Zijn leven is twee keer verbeurd. De wetten van zijn land hebben hem schuldig verklaard aan de dood, en daarmee is zijn leven één keer aan die wetten vervallen. Was hij niet op die manier gestorven, dan stierf hij aan zijn ziekte.
Hij is dus “tweemaal dood”. Stel dat de vorst van dat land had besloten het leven van die gevangene te redden. Kon hij dat? Zeker kon hij de straf van de wet wegnemen. Met een volledige gratie kon hij hem het leven teruggeven dat het rechtvaardige vonnis had weggenomen. Maar zonder een arts die de man van zijn ziekte kon afhelpen, zou hij toch aan die ziekte sterven. Dan duurde zijn ellendige bestaan door de gratie slechts een paar weken of maanden langer. Stel dat die ziekte niet alleen dodelijk was, maar ook besmettelijk: dat zij zich kon verspreiden door de adem van de zieke, en door aanraking met zijn lichaam of zijn kleren.
Dan was het gevaarlijk voor anderen om in zijn buurt te komen. Werd hij niet genezen, helemaal en grondig genezen, dan was hij, hoewel begenadigd, nog steeds alleen geschikt voor het pesthuis. Bij de gezonde mensen thuis kon hij dan niet worden opgenomen. Zo’n geval hebben jullie gezien, broeders. Misschien zit je op dit moment vlak naast iemand die zo is, ja, misschien ben je zelf wel zo! Misschien, zeg ik? Ik moet zeggen: je bént zo, tenzij je werkelijk en echt een christen bent, een gelovige in Christus Jezus. — W. Weldon Champneys, 1842.
Vers 3
“Al uw krankheden.” Het lichaam ondervindt de treurige gevolgen van Adams overtreding en heeft het te verduren met veel zwakheden. Maar de ziel heeft er net zoveel. Wat is hoogmoed anders dan waanzin? Wat is woede anders dan koorts? Wat is hebzucht anders dan waterzucht? Wat is lust anders dan melaatsheid? Wat is luiheid anders dan een volledige verlamming? Misschien bestaan er geestelijke kwalen die overeenkomen met alle lichamelijke. — George Horne.
Vers 3
“Al uw krankheden.” O mijn ziel, bedenk hoeveel zwakheden je hebt. Je hebt veel ingevingen van het vlees en je geeft er maar al te gemakkelijk aan toe. Je strijdt er niet tegen met ernstig gebed en heilig nadenken. Dit is een zwakheid. In je gebeden tot God dwalen je gedachten vaak af. Dan denk je aan andere zaken die ver beneden de grote Majesteit liggen tot Wie je bidt. Of, als dat niet zo is, word je toch snel moe, word je er slaperig van en zou je liever iets anders doen.
Dit is een zwakheid. En eigenlijk heb je zwakheden in al je zintuigen. Als je kijkt, zie je wel een splinter in het oog van je broeder, maar niet de balk in je eigen oog. Als je ruikt, vind je dat “suavis odor lucri ex re qualibet”: de geur van winst is zoet, waar hij ook vandaan komt. Als je luistert, hoor je liever oneerbiedig en ijdel gepraat dan ernstige en heilige woorden. Dit zijn je zwakheden. En, o mijn ziel, als ik je zou openleggen in zoveel delen als een ontleedkundige en de zwakheden van elk deel zou onderzoeken, zou ik dan geen reden hebben, alle reden, om met Paulus uit te roepen: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” Wie zal mij van al deze zwakheden genezen?
Want noemen wij ze zonden, dan vergeeft God ze. Noemen wij ze zwakheden, dan geneest Hij ze. Voor ons is het één en dezelfde weldaad en bij God één en dezelfde goedheid. Beide zijn het waard om te onthouden. En voor beide hebben wij alle reden om Hem te loven en Zijn Naam te prijzen. — Sir Richard Baker.
Vers 3
“Al uw krankheden.” Ons verstand is zo slecht dat het niet eens doorheeft hoe slecht het zelf is. Onze wil, de koningin van onze ziel, is de slavin van de zonde geworden. Ons geheugen lijkt op git: het is alleen goed om er strootjes mee aan te trekken en om nietigheden op te bergen. Ons geweten klaagt ons soms aan als wij onschuldig zijn, omdat ons eigen verstand zich vergist. Soms spreekt het ons vrij als wij schuldig zijn. Al onze gevoelens zijn ontaard en in de war. Dat moet toch wel een monsterlijk gezicht zijn, waar het blauw dat in de aderen hoort te zitten in de lippen zit, het rood van de wangen op de neus staat en het haar dat op het hoofd hoort te groeien op het gezicht groeit?
En moeten onze zielen dan niet lelijk zijn in Gods ogen? Daar groeit verdriet waar vreugde hoort te groeien, en vreugde waar verdriet hoort te zijn. Wij houden van wat wij zouden moeten haten, en wij haten wat wij zouden moeten liefhebben. Wij zijn bang waar niets te vrezen valt en niet bang waar wij wél moeten vrezen. Al onze gevoelens vergissen zich van doel, of ze schieten voorbij de juiste maat. — Thomas Fuller.
Vers 4
“Die uw leven verlost van het verderf.” Al van jongs af was de psalmist een kind van Gods leiding. Hij beleefde vele ontsnappingen op het nippertje en wonderlijke reddingen. Naarmate hij ouder werd, kwamen er allerlei soorten gevaar op zijn pad. De kaken van de leeuw en de klauw van de beer dreigden meer dan eens een eind aan zijn leven te maken, en soms was het de meedogenloze hand van mensen. God, Die hem had gered van het zwaard van Goliath, redde ook zijn leven van de speer van Saul. De almachtige Vriend, Die zijn hoofd had beschermd op de dag van de strijd, bevrijdde hem op het ene moment van de vorsten der Filistijnen.
Op een ander moment redde Hij hem uit de handen van de mannen van Kehila. En later behoedde Hij zijn leven en troon voor de onnatuurlijke opstand van zijn eigen zoon. Het is dus niet vreemd dat de psalmist zijn ziel en alles wat in hem was opriep om de Heere met de vurigste dankbaarheid te loven. Zo veel opmerkelijke reddingen had de Heere gegeven, zo vaak had Hij “zijn leven van het verderf verlost”. — John Stevenson.
Vers 4
“Die uw leven verlost.” Beschermd tegen het verderf: ha-go’el, in de grondbetekenis een leven dat door de naaste bloedverwant wordt losgekocht. Mogelijk kijkt dit, profetisch, vooruit naar Hem Die Zelf aan ons vlees en bloed deel kreeg. Zo kreeg Hij het recht onze zielen van de dood los te kopen: Hij stierf in onze plaats. — Adam Clarke.
Vers 4
“Uit de kuil”, dat wil zeggen: ook de dood, het graf en het dodenrijk. De Targum vertaalt: “uit Gehenna.” — J. J. S. Perowne.
Vers 4
“Barmhartigheden.” Ik denk niet dat ik iets beters kan doen dan jullie een voorval te vertellen dat gebeurde in mijn geboortestad Stirling. Werklieden lieten de rots onder het kasteel springen, vlak bij een wandelpad dat openligt naar de straat. De lont was gelegd en aangestoken, en elk moment kon het knallen. Ineens kwam er een klein kind aangetrippeld om de grote rotswand heen, recht op de brandende lont af. De mannen schreeuwden, en dat was barmhartigheid. Maar juist hun angstige geschreeuw maakte het arme kleintje bang en verward. Inmiddels was ook de moeder om de hoek gekomen.
In een oogwenk zag zij het gevaar. Ze spreidde haar armen wijd en riep vanuit het diepst van haar hart: “Kom bij mij, mijn schatje.” Dat was tedere barmhartigheid. Meteen rende het kindje op trippelende voetjes terug. Zijn armpjes reikten naar haar armen en zijn betraande ogen zochten haar ogen. Het rende weg van de rots en bleef pas staan toen het veilig in haar armen lag. Zijn zonnige haar viel los over haar borst, en zijn koraalrode lipjes drukten zich op de bleke lippen van de moeder, die wit waren van angst. Haar moederhart brak in tranen bij de gedachte aan zo’n nauwe ontsnapping.
Want het was op een haar na, zoals de knal van de uiteengebarsten rots bewees. — Alexander B. Grosart, in “The Pastor and Helper of Joy”, 1865.
Vers 5
“Die uw mond verzadigt.” Het woord dat hier met “mond” is vertaald, is ’edi. In alle andere teksten waar het voorkomt, elf in totaal, heeft onze vertaling het met “sieraden” weergegeven. Alleen hier en in Ps. 32:9 staat het als “mond”. Maar ook daar zou het eigenlijk met “sieraad” vertaald moeten worden. En hier lijkt de bedoeling: je sieraad, wat jouw glorie is, je geest (Ps. 16:9; 62:8). Weliswaar wordt hier de ziel, nefesj, aangesproken (Ps. 103:1). Maar de geest kan het sieraad of de glorie van de ziel genoemd worden. — Christopher Wordsworth.
Vers 5
“Verzadigt uw mond.” Kimchi begrijpt de uitdrukking als een beschrijving van Davids herstel van een ziekte. Een zieke walgt van brood, ja zelfs van lekker vlees (Job 33:20). Ook de arts beperkt het eten van de patiënt en schrijft hem dingen voor die de tong tegenstaan. De uitlegger denkt daarom dat David hier de zegen van gezondheid beschrijft, doordat zijn mond met goede dingen gevuld wordt. — Opmerking van de redactie bij Calvijn, op deze plaats.
Vers 5
“Verzadigt.” God kan de ziel zo verzadigen dat iedere spleet en elk hoekje ervan vol raakt met geestelijke blijdschap. — Thomas Fuller.
Vers 5
“Met het goede.” Let goed op waarmee de Heere verzadigt: met “het goede”. Hij verzadigt niet met rijkdom, niet met veel, niet met alles wat ik vraag, maar met “het goede”. Alles wat ik nodig heb, krijg ik helemaal, en alles is “goed”. Goedheid is God Zelf, zoals Hij Zich uitdrukt. Al Zijn zegeningen dragen iets van Zijn eigen wezen in zich. Het zijn heilige zegeningen, heilige barmhartigheden. Alles wat verzadigt, moet Gods aard in zich hebben. Niets anders zal ooit “verzadigen”. Het hart is gemaakt voor God, en alleen God kan het vullen. — Frederick Whitfield, 1874.
Vers 5
“Uw jeugd vernieuwt als eens arends.” Volgens een oude fabel kan een arend op hoge leeftijd opnieuw jong worden. In deze psalm wordt daar poëtisch op gezinspeeld. Maar de grond van dat verhaal is zonder twijfel iets wat echt bestaat: de arend wordt zeer oud. Bovendien ruit hij, net als andere vogels, op vaste tijden, en daardoor nemen zijn kracht en behendigheid toe. — Hugh Mac Millan. {1}
{1} Met de fabels die rabbijnen en kerkvaders over arenden vertellen, hadden wij een flink stuk van onze ruimte kunnen vullen. Maar ze zijn te ongerijmd om ze ooit nog door te vertellen. Wij hopen daarom dat de lezer ons het weglaten vergeeft, en het liever zelfs prijst.
Vers 5
“Uw jeugd vernieuwt als eens arends.” — De Schrift kent het idee niet dat de arend in zijn ouderdom zijn jeugd vernieuwt. Zoiets staat niet in Jes. 40:31, waar men meestal naar verwijst. Daar gaat het veeleer om de krachtige vlucht van de arend: “zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden.” Dat blijkt duidelijk uit de parallelle werkwoorden: vliegen, lopen, gaan. — E. W. Hengstenberg.
Vers 5
“Uw jeugd vernieuwt als eens arends.” Je bedrijvigheid zal zich vernieuwen als die van de arend. Dat betekent: van dag tot dag ontvangt hij nieuwe kracht en levenskracht en wordt hij sterker, zodat hij kan gedijen en bloeien als de arend. De vergelijking met de arend gaat niet over het vernieuwen zelf, maar over een kracht en bedrijvigheid die zich steeds opnieuw opbouwen. Jes. 40:31 zegt het ook: “Maar die den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden.” — Venema.
Vers 5
“Uw jeugd vernieuwt als eens arends.” Je kunt deze verjonging op drie manieren opvatten. Ten eerste voor zijn lichamelijke toestand, ofwel zijn natuurlijke kracht. Ten tweede voor zijn maatschappelijke positie, ofwel zijn voorspoed in de wereld, zijn eer en koninklijke faam. Ten derde voor zijn geestelijke toestand, ofwel een groei van zijn gaven, genaden en troost. Waarschijnlijk had David op al deze terreinen een achteruitgang gemerkt. Uiteindelijk werden ze, door Gods goedheid en zegen over hem, alle drie vernieuwd uit die ouderdom tot een nieuwe jeugdigheid, zoals die van arenden. — Joseph Caryl.
Vers 5
“Uw jeugd vernieuwt als eens arends.” Het klinkt stoutmoedig, maar het is niet te veel gezegd als wij spreken van een eeuwige jeugd. Dat is het heerlijke voorrecht van wie de Heere vreest en dient, en van niemand anders. Alles wat de jeugd met recht zo boeiend en bekoorlijk maakt, is in nog sterkere mate te vinden waar het geestelijk leven zich ongestoord kan ontplooien, in gemeenschap met God. Trekt de onschuld van de jeugd je aan? In het natuurlijke leven is dat maar al te vaak een misleidende schijn. Maar in het leven van de ziel komt zij tot op zekere hoogte terug, als het hart gereinigd wordt door de kracht van de Heilige Geest en het leven vernieuwd wordt naar het voorbeeld van Christus, de Heere.
Vind je dat het plezier van de jeugd alles overtreft wat er hier beneden te genieten valt? Het zij zo. Maar al te snel jagen de zorgen van de latere jaren het weg. Een zorgeloos genieten, ook in donkere dagen, kan wel wonen in het hart waarop de vrede van God door het geloof is neergedaald. Lijkt de kracht van de jeugd je wenselijk? Ach, elke dag drukt de waarheid van die woorden dieper in: “De jongen zullen moede en mat worden.” Ook als de natuurlijke kracht allang over haar hoogtepunt heen is, voelt de christen zich vaak gedragen door een kracht van boven, die hem uit zijn lichamelijke zwakte omhoogheft.
Wat geen spier of pees ooit kon, lukt hem met de kracht van een onbezwijkbaar geloof. Zelfs de mooie ontplooiing die je in de jeugd ziet, zou je zeker niet tevergeefs zoeken bij de man die steunt op Gods hand. Hij vergeet wat achter hem ligt en strekt zich uit van licht naar licht, van kracht naar kracht, van zaligheid naar zaligheid. En hoe zou hem tot slot de hoop kunnen ontbreken, die het jonge hart zo hoog van vreugde doet kloppen? De zinnelijke mens heeft het mooiste deel van zijn leven snel achter zich.
De geestelijke mens heeft het altijd nog voor zich. Net als de arend stijgt hij vaak op uit de lage lucht om hem heen, de zuivere, heldere hemel in. Al van ver laat het beeld hem zien, nee, de onuitsprekelijke werkelijkheid, een vreugde die méér is dan aards.
Eeuwige jeugd! Veel meer nog dan voor David is zij vandaag voor elke christen weggelegd, maar voor niemand anders. Heeft iemand geen geloof en hoop in zijn hart, dan zal zelfs zijn moedigste voornemen om altijd jong te blijven, of toch zo lang als kan, bezwijken bij de eerste zware storm in zijn leven. Maar stel dat geloof en hoop ons wel bekend zijn. Waarom zit er dan vaak zo weinig “arend” in ons geestelijk leven, waarover hier gesproken wordt, en zoveel “mus alleen op het dak”, zoals in Ps. 102:7? Zou het kunnen dat wij ons te weinig laten verzadigen met het goede waarover David net sprak?
Met andere woorden: dat wij zo weinig leven van het allerbeste dat God te geven heeft, Zijn woord, Zijn Geest en Zijn genade? Alleen zo komen wij aan die blijvende tweede geboorte, waarvan de arend het beeld is. De onschatbare vrucht daarvan is een jeugdig hart dat niet verwelkt. Jullie die jong zijn van jaren: zoek deze onsterfelijke jeugd boven alle vreugden van het vroege leven! Win haar terug, jullie van middelbare leeftijd, in levende gemeenschap met Hem Die alles van binnen nieuw maakt! Bewaar haar, oude vrienden van God en van Zijn Christus, als jullie mooiste kroon hier op aarde en als onderpand van jullie zaligheid in de hemel.
En jij, christen, die moedeloos neerzit: bedenk dit. De arend laat zijn vleugels hangen, alleen om daarna met sterkere vleugelslag omhoog te zweven! — J. J. van Oosterzee, in “The Year of Salvation”, 1874.
Vers 6
“De HEERE doet gerechtigheid”, enzovoort. De psalmist gaat van persoonlijke zegeningen over naar zegeningen voor iedereen. Wat alles omvat en Gods eer altijd groter maakt, is dit: Hij leeft mee met wie lijden en onderdrukt worden. Hij is gereed om hun zaak krachtig op te nemen. Wie zou Hem niet prijzen, omdat Hij zo goed en zo heerlijk zorgt voor mensen die door goddeloze onderdrukkers wreed onrecht wordt aangedaan? — Henry Cowles.
Vers 7
“Hij heeft Mozes Zijn wegen bekend gemaakt.” Mozes ging de berg Sinaï op en bleef daar veertig dagen bij God. Wij mogen wel aannemen dat God hem in die tijd veel geheimen heeft laten weten. Vooral heeft Hij hem “Zijn wegen bekend gemaakt” (Ex. 33:19). Dat zijn niet alleen de wegen waarop Hij wil dat wij lopen, maar ook de wegen waarop Hij Zelf gaat. Het gaat om de koers die Hij vaart bij het besturen van alles wat er in de wereld gebeurt. Waarom laat Hij de goddelozen voorspoedig zijn en de vromen onderdrukt worden?
Deze “wegen” maakte Hij aan Mozes bekend. Aan de kinderen van Israël maakte Hij alleen “Zijn daden” bekend. Zij zagen in de woestijn Zijn wonderlijke goedheid voor hen persoonlijk, en dat was Zijn gerechtigheid. Maar Zijn wegen liet Hij hun niet zien, en ook niet welke koers Hij daarbij volgde. Zij zagen alleen wat er gebeurde. De redenen erachter zagen zij niet, zoals Mozes die wel zag en begreep. — Sir Richard Baker.
Vers 8
“Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.” O mijn ziel, hier staan vier eigenschappen van God. Ze zijn allemaal zó nodig dat wij er geen enkele kunnen missen. Was Hij niet “barmhartig”, dan konden wij geen vergeving verwachten. Was Hij alleen maar barmhartig, dan konden wij niet meer verwachten dan vergeving. Maar Hij is niet alleen barmhartig, Hij is ook “genadig”. Dat geeft ons een hoop die verder reikt: de hoop op een geschenk. Het gaat dan niet om wat wij waard zijn te ontvangen, maar om wat Hij passend vindt te geven.
Was Hij niet “lankmoedig”, dan konden wij geen geduld verwachten. Maar Hij is niet alleen lankmoedig, Hij is ook “groot van goedertierenheid”. Daarom verwachten wij dat Hij de barmhartige Samaritaan zal zijn. Hij verbindt niet alleen onze wonden, maar zorgt er ook voor dat wij verder genezen. En als Hij een tijdlang berispt en boos is? Dan hebben wij maar even geduld met Hem, zoals Hij al zo lang geduld met ons heeft gehad. — Sir R. Baker.
Vers 8
“Lankmoedig.” In de Schrift lezen wij dat traag zijn tot toorn en snel toornig zijn worden uitgedrukt met een verschillende stand van de neusgaten. Als er bijvoorbeeld van de Heere staat dat Hij “lankmoedig” is, staat er in het Hebreeuws: lang van neusgaten. — Joseph Caryl.
Vers 8
“Groot van goedertierenheid.” Rav-chesed: “groot en machtig in goedertierenheid”. Hierin ligt voor Hem Zijn grootste eer, en zo leert Hij ons te zien wat échte grootheid is, en wat niet. — George Horne.
Vers 8
“Groot van goedertierenheid.” Een mensenhart vindt het heel fijn, en het geeft veel voldoening, om steeds opnieuw uit een grote voorraad te mogen nemen. Daarom zeggen wij: er gaat niets boven vissen op zee en niets boven de dienst van een koning. In het eerste is immers de grootste overvloed aan het soort genot waar vissers naar uitkijken. En voor wie dient en van zijn dienst moet leven, bestaat er niets beters dan de dienst aan vorsten. Zij hebben namelijk een overvloed aan beloning, en veel gelegenheid om de mensen die voor hen klaarstaan en hen bedienen daarvoor te belonen…
Op dezelfde grond zegt de Schrift op meerdere plaatsen niet alleen dat God “barmhartig” en “genadig” is. Zij zegt ook dat Hij overvloedig is in goedertierenheid en vol van genade. En niet alleen dat er verlossing bij Hem is, maar overvloedige verlossing (Ps. 86:5; 130:7; Jes. 55:7): “De goddeloze verlate zijn weg”, enzovoort; “en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.” De waar die wij nodig hebben, is barmhartigheid en vergeving van onze zonden, want wij zijn onheilige en goddeloze schepselen geweest. Van deze waar is bij God overvloed.
Daar ligt zij opgeslagen zoals water in het pakhuis van de zee. De schatten van Zijn genade, barmhartigheid, vergeving en ontferming raken nooit op. Wie gebrek lijdt, klopt liever aan bij een rijke om geholpen te worden dan bij een arme. Dat geldt natuurlijk alleen als hij weet dat de rijke net zo gul en royaal is als een arme maar kan zijn. — John Goodwin, in “Being filled with the Spirit”.
Vers 9
“Hij zal niet altoos twisten.” Voor God is het bestraffen van mensen beslist net zo onaangenaam als het voor ons is om bestraft te worden. Zo weinig heeft Hij op met toorn dat Hij er zo gauw Hij maar kan afstand van doet. Hij is er niet haastig mee bij de hand, en Hij laat hem net zo snel weer los. Want berispen is een slagboom voor barmhartigheid, en boosheid een hindernis voor ontferming. Niets is God zo onwelkom als een obstakel op de weg van Zijn barmhartigheid, of een aanleiding om de vrije loop van Zijn ontferming in te perken.
Dan kunnen wij er dus ook van op aan dat Hij Zelf geen obstakel neerlegt door eindeloos te blijven berispen. Evenmin zal Hij Zijn ontferming indammen door Zijn toorn voor altijd vast te houden. — Sir R. Baker.
Vers 9 (Tweede zinsdeel)
“Eeuwiglijk den toorn behouden” lijkt op de Franse uitdrukking “Je lui garde, Il me la garde” (“Ik houd hem in het oog, zoals hij erop heeft gelet mij een slechte dienst te bewijzen”). Wij zeggen dat van iemand die onrecht niet kan vergeven, in het geheim op wraak broedt en op een kans wacht om het terug te betalen. David ontkent nu dat God op de manier van mensen de toorn blijft vasthouden om wat Hem is aangedaan. Hij wil Zich immers verlagen om verzoend te worden. — Calvijn.
Vers 10
“Hij doet ons niet naar onze zonden.” Als wij zo leven, wat hadden wij dan kunnen verwachten? Dat God de zegen van Zijn zorg voor ons terugtrok? Dat Hij ons Zijn Geest niet meer gaf? Dat Hij liet gebeuren dat de genademiddelen ons niets meer opleverden? Dat Hij onze verzoekingen liet toenemen en ons liet wegzakken in een blijvende afval? En zakte ons hart dan eindelijk weg in een maar al te begrijpelijke somberheid, dan hadden wij Hem vandaag toch tegen ons kunnen horen zeggen: “Uw boosheid zal u kastijden, en uw afkeringen zullen u straffen; weet dan en ziet, dat het kwaad en bitter is, dat gij den HEERE, uw God, verlaat, en Mijn vreze niet bij u is, spreekt de Heere, de HEERE der heirscharen”? — Baptist W. Noel, 1798-1873.
Vers 10
“Hij doet ons niet naar onze zonden.” Waarom heeft God ons niet behandeld zoals onze zonden verdienen? Is het niet omdat Hij iemand anders naar onze zonden heeft behandeld? Iemand Die onze zonden op Zich nam, van Wie wordt gezegd dat “God Hem getuchtigd heeft in Zijn hevige toorn”? En waarom tuchtigde Hij Hem, behalve om onze zonden? O genadige God, U bent te rechtvaardig om twee keer wraak te nemen voor dezelfde schuld. Uw felle toorn hebt U op Hem laten neerkomen. Daarom zult U die niet ook over ons uitgieten. U hebt Hem vergolden naar onze ongerechtigheden. Nu zult U ons dus vergelden naar Zijn verdiensten. — Sir R. Baker.
Vers 10
Werk die angstaanjagende veronderstelling uit. Laat zien waarom het nog niet echt zo is gegaan. Laat dan merken dat het nog een angstaanjagend feit kan worden, en roep de schuldigen op om barmhartigheid te zoeken.
Vers 11
Geen vergelijking is voor ons verstand groot genoeg om de overstelpende barmhartigheid van de Heere voor Zijn volk uit te drukken. — David Dickson.
Vers 12
“Zo ver het oosten is van het westen.” Deze uitdrukking komt van de afstand tussen oost en west. Volgens Kimchi is die gekozen omdat die twee windstreken van de wereld de grootste zijn: zij zijn helemaal bekend en helemaal bewoond. Daarom meten aardrijkskundigen de lengte van de aarde op die manier, net zoals zij de breedte meten van noord naar zuid. — Henry Hammond.
Vers 12
Is zonde vergeven, dan wordt zij nooit meer aangerekend. De schuld ervan kan net zo min terugkomen als het oosten westen kan worden of het westen oosten. — Stephen Charnock.
Vers 13
“Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen”, enzovoort. Een predikant voor zeelieden in een Amerikaanse havenstad bezocht een zeeman die bijna dood leek. Hij sprak vriendelijk met hem over de toestand van zijn ziel en zei dat hij zich op Jezus moest werpen. Met een vloek stuurde de zieke hem weg. Toen zei de predikant hem dat hij eerlijk tegen hem moest zijn: stierf hij onbekeerd, dan zou hij voor eeuwig verloren gaan. De man bleef nors en zwijgzaam en deed alsof hij in slaap viel, zodat hij niet hoefde te antwoorden. De predikant kwam meer dan eens terug, steeds met dezelfde uitkomst. Op een dag kreeg hij het idee dat de zeeman een Schot was. Hij zei een vers uit de oude berijming van de psalmen op:
“Geen vader sloeg, met groter mededogen,
op teder kroost ooit zijn ontfermend’ ogen,
dan Israëls HEERE op ieder die Hem vreest.”
De tranen sprongen de zeeman in de ogen toen hij deze woorden hoorde. De predikant vroeg hem of hij geen godvrezende moeder had gehad. De man barstte in tranen uit. Ja, jaren geleden had zijn moeder hem deze woorden geleerd en ook voor hem tot God gebeden. Sindsdien had hij als zwerver over zee en land rondgedoold. Maar de herinnering aan haar geloof en liefde raakte zijn hart. De Geest van God zegende de woorden die tot hem gesproken waren. Zijn leven werd gespaard, en dat leven bewees dat zijn bekering echt was.
Vers 13
“Gelijk een vader.” In dit vers valt het op wat voor soort barmhartigheid de profeet aan God toeschrijft. Hij zegt niet: zoals een mens medelijden heeft met een mens, zoals een rijke met een arme, een sterke met een zwakke of een vrije met een gevangene. Hij noemt het medelijden dat een vader met zijn zoon heeft, en dat is het grootste van alle. Het woord racham zelf bevestigt dit, want het betekent eigenlijk “ontroering van de ingewanden” (viscerum commotio). Een voorbeeld vinden wij in 1 Kon. 3:23-27, bij de vrouw die het niet kon verdragen dat haar kind zou worden doodgehakt… En later in de vader van de verloren zoon (Luk. 15:11-32). — Musculus.
Vers 13
“Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen.” Een vader ontfermt zich over zijn kinderen die zwak zijn in kennis, en hij onderwijst hen. Hij ontfermt zich over hen als zij eigenzinnig zijn, en hij verdraagt hen. Hij ontfermt zich over hen als zij ziek zijn, en hij troost hen. Zijn zij gevallen, dan helpt hij hen weer overeind. Hebben zij iets misdaan en onderwerpen zij zich, dan vergeeft hij hun. Wordt hun onrecht aangedaan, dan zorgt hij dat zij hun recht krijgen. Zo “ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen”. — Matthew Henry.
Vers 13
“Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen”, enzovoort. Zo, en nog tienduizend keer méér dan zo. Want Hij is de “Vader der barmhartigheden” en de Vader van alle vaderschap in de hemel en op aarde (Ef. 3:15). — John Trapp.
Vers 13
“De HEERE over degenen.” Meestal zegt men: “Beter benijd dan beklaagd.” Maar hier ligt het anders. Veel gelukkiger is het door God beklaagd te worden dan door mensen benijd. — Sir R. Baker.
Vers 13
“Degenen, die Hem vrezen.” De vreze Gods is die eerbied voor God die je ertoe brengt je wil aan de Zijne ondergeschikt te maken. Zij maakt je erop gericht Hem te behagen, boetvaardig als je terugkijkt op je eigenzinnigheid van vroeger, gelukkig in Zijn glimlach van nu, verrukt door Zijn liefde en vol hoop op Zijn heerlijkheid. — George Bowen.
Vers 13
“Degenen, die Hem vrezen.” Dit kan ook gelden voor mensen die “de Geest der aanneming” nog niet “ontvangen hebben”, maar nog “beven voor Zijn woord”. Ook over hen ontfermt Hij Zich. — Matthew Henry.
Verzen 13-14
Een goede vader stuurt zijn kind niet weg omdat het zwak en ziekelijk is. Hoe meer het kind hulp nodig heeft, hoe toegeeflijker hij wordt. Weigert zijn maag het eten, of kan hij het niet verteren, zet hij hem dan op straat? Nee. Als de zoon van de Sunamitische over zijn hoofd klaagt, neemt zij hem in haar armen. Een moeder is goed voor alles wat uit haar schoot is voortgekomen, en het liefst voor het zieke kind. Het ligt daar met zijn ogen op haar gericht. Het kan niet zeggen wat het deert en niet vragen wat het wil.
Dat maakt haar medelijden dubbel zo groot: “Zo ontfermt de Heere Zich over ons, gedenkend ons maaksel, bedenkend dat wij maar stof zijn.” Onze ziel werkt met een gebrekkig werktuig. Daarom vraagt Hij van ons niet wat Hij wel van engelengeesten vraagt. De zoon moet een voorbeeld netjes overschrijven. Hij doet zijn best, maar blijft ver achter bij het origineel. Toch berispt de vader hem niet, maar spoort hem aan. Of hij geeft hem een boog en pijlen en zegt dat hij op een bepaald doel moet mikken. De jongen spant zijn spieren zo hard hij kan en laat vrolijk los.
De pijl valt ver voor het doel neer, maar de zoon krijgt een compliment en de vader is blij. Zo gaat het ook met ons. De verzoeking bestormt ons, de lust slaat ons neer, het werk van deze wereld leidt ons af. Onze zwakte is veelvoudig, maar zij reikt niet verder dan de vergeving van onze Vader: “Ik zal hen verschonen, gelijk als een man zijn zoon verschoont, die hem dient” (Mal. 3:17). — Thomas Adams.
Vers 14
“Hij weet, wat maaksel wij zijn” (Engels: our frame, “onze vorm”). Ons maaksel: de manier waarop wij in elkaar zitten en de stoffen waaruit wij zijn gemaakt. — Adam Clarke.
Vers 14
“Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.” Hij gaat niet te werk als een onkundige kwakzalver die voor iedereen maar één recept heeft, voor sterken en zwakken, jongen en ouden. Hij gaat te werk als een verstandige arts: die kijkt eerst naar zijn patiënt en schrijft dan pas zijn voorschrift. Mensen en duivels zijn niet meer dan Gods apothekers. Zij maken ons medicijn niet zelf. Zij geven wat God voorschrijft. Bileam was wel gesteld op het geld van Balak, maar hij kon geen haarbreed buiten Gods opdracht gaan. — William Gurnall.
Vers 14
“Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.” Het is alsof zelfs de stof waaruit de mens oorspronkelijk gemaakt is, hoewel nog zonder zonde, een nadeel voor hem was bij het weerstaan van de zonde. Dat nadeel was er al toen de mens nog geen zonde in zich had. Hoeveel groter is het nu, terwijl de meeste mensen niets anders in zich hebben dan zonde, en de besten er nog heel veel van? “Hetgeen uit het vlees geboren is”, zegt Christus, “dat is vlees.” Een verdorven natuur kan alleen maar verdorven daden voortbrengen. — Joseph Caryl.
Vers 14
Wij zijn stof.
O, hoe sta ik in Uw koor van zielen,
door Uw hand gestut —
een hoop zand!
Woelige gedachten zouden het als winden geheel verstrooien
en op de vlucht drijven,
was Uw macht er niet.
Uw hand alleen bedwingt die vlagen
en houdt mijn gestel bijeen. — Henry Vaughan.
Verzen 14, 16
Wij zijn stof. Nooit zie ik op een winderige dag zo’n spiraal van stof als een kleine woestijnstorm over de weg razen, zonder te denken: “Dat is een beeld van het leven.” Stof en een ademtocht! Zie hoe die schijnbare “zuil” niets anders is dan stofdeeltjes in een bepaalde toestand, een toestand van beweging, en dat die deeltjes steeds van plaats wisselen. De vorm bestaat alleen dankzij de voortdurende beweging. Het zware zand drijft op de onzichtbare lucht, zolang het met de lucht meebeweegt. Houdt die beweging op, dan valt het neer.
Zo krijgen de dode kluiten van het veld vleugels als een kracht hen raakt. Ze stijgen op in het leven en nemen een tijd lang deel aan zijn snelle gang. Is de kracht dan uitgeput, dan vallen ze terug in hun vorige toestand. Een draaikolk, een stroom, in stand gehouden door krachten van buiten en voorbij zodra die krachten zich terugtrekken: dat is ons leven. — James Hinton, in “Thoughts on Health and some of its Conditions”, 1871.
Vers 15
“De dagen des mensen.” Hoe nietig de mens is, komt hier vooral uit in het woord enosj. — Robert Baker Girdlestone.
Vers 15
De mens komt voort, zegt Job, als een bloem, en wordt afgesneden. Hij wordt de wereld in gezonden als het mooiste en edelste deel van Gods werken. Hij is gemaakt naar het beeld van zijn Schepper, wat zijn verstand en zijn grote geestelijke vermogens aangaat. Hij komt voort in volle pracht, als de bloem van het veld. Zoals de bloem de plantenwereld in schoonheid overtreft, zo overtreft hij de dierenwereld in de glans en voortreffelijkheid van zijn natuur. Als een bloem niet door een ongeluk te vroeg wordt gestoord, bereikt zij snel het hoogtepunt van haar bestaan.
Een paar ogenblikken mag zij pronken, en dan wordt zij met wortel en al uitgetrokken, op het toppunt van haar trots en luister. Of ontsnapt zij aan wat haar geweld aandoet, dan kwijnt zij binnen een paar dagen vanzelf weg en sterft zij af. Zo gaat het ook met de mens. Zijn groei verloopt langzamer en hij duurt wat langer, maar de perioden van opkomst en verval zijn naar aard en wijze bijna dezelfde. Ontkomt hij aan de gevaren van zijn kwetsbare jaren, dan heeft hij snel de volle rijpheid en kracht van het leven bereikt.
En heeft hij dan het geluk dat hij niet door ongelukken, of door zijn eigen dwaasheid en onmatigheid, wordt weggerukt, dan neemt hij vanzelf af. Al snel komt er een moment waarna hij niet gemaakt is om nog te blijven. Bloemen of vruchten kunnen met geweld worden geplukt voordat ze rijp zijn. Maar je kunt ze niet laten doorgroeien voorbij de tijd waarop ze uit zichzelf moeten verwelken en vallen. Is die tijd daar, dan plukt de hand van de natuur ze allebei af. Geen kunst van de plantkundige houdt de ene overeind en geen kunde van de arts houdt de ander in leven, buiten de perioden die hun oorspronkelijke bouw en gestel meekregen.
God heeft de verschillende groei en het verval van het plantenrijk bepaald en vastgesteld. Zo heeft Hij ook duidelijk dezelfde wetten voorgeschreven aan de mens en aan alle levende wezens. In hun allereerste begin liggen de eigen krachten van hun groei, duur en einde besloten. Zijn die dierlijke krachten tot ontplooiing gekomen en verbruikt, dan sterft het schepsel uit zichzelf, zoals rijp fruit van de boom valt, of zoals een bloem die langer bewaard wordt dan haar bloei duurt, op de steel afvalt en vergaat. — Lawrence Sterne, 1713-1768.
Vers 15
De psalmist zegt van de mens: “gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij.” Het is geen bloem uit de tuin, maar een bloem van het “veld”. Die laatste is kwetsbaarder dan de eerste, omdat zij meer openligt voor de bijtende lucht en de felle winden, voor de grazende bek van het dier en voor het gevaar vertrapt te worden. Op al die manieren sterft zij af, en ook door de brandende zon en haar eigen vergankelijke aard. — John Edwards, in “Theologia Reformata”.
Vers 15
“Als het gras, gelijk een bloem des velds.”
Wat is het leven? Een bloem met gif in haar boezem:
vandaag vol belofte, en morgen al dood!
En gezondheid, als de dauwdrop die hangt in haar bloesem,
leeft maar één nacht en ademt zich uit naar de hemel!
Hoe vaak ligt onder de knop die het helderst en mooist is
het kiempje van kanker verborgen, dat heimelijk loert!
Hoe vaak schuilt aan de wortel van de zeldzaamste bloem
de worm al veilig weggedoken, die zich in stilte roert!
— James Beattie, 1735-1803.
Vers 16
“Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer”, enzovoort. Een zuchtje lucht, een zachte wind (roeach) waait over hem heen, en hij is weg. Het zou nog te begrijpen zijn als een storm of een wervelwind over hem heen ging en hem meenam. De psalmist bedoelt veel meer dan dat. Zelfs de zachtste aanraking, een fluisterend briesje, voert hem weg. Al snel is hij een vreemde. Op het stukje aarde waar hij eens uitging en inging, kent niemand hem meer. — Henry Cowles.
Vers 16
“Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer.” Het is bekend dat een hete wind in het oosten alles wat groen is in één keer vernietigt. Dat is niet vreemd, als de winden soms, zoals dr. Russell zegt, “een graad en soort van hitte met zich meebrengen die je zou denken dat uit een oven kwam, en die bij harde wind metalen voorwerpen in huis, zoals de sloten van kamerdeuren, bijna even sterk aantast als wanneer ze aan de zonnestralen waren blootgesteld”. De verschroeiende werking van sommige verderfelijke winden op het dierlijke lichaam, waarop hier lijkt te worden gedoeld, wordt niet overdreven door de vergelijking met het plotselinge verwelken van een bloem.
Maillet beschrijft hoe honderden mensen in een karavaan ter plekke stikten door het vuur en het stof waaruit de dodelijke wind bestaat die soms in de woestijnen van het oosten heerst. En Sir John Chardin schrijft dat deze wind “een groot sissend geluid maakt” en dat “hij rood en vurig lijkt en wie hij treft doodt door hen als het ware te verstikken, vooral als het overdag gebeurt”. — Richard Mant.
Vers 16
“En haar plaats kent haar niet meer”, enzovoort. Is de mens eenmaal tot stof geworden, dan wordt hij door elke wind van de ene plek naar de andere geblazen. En wat weet een plek ervan als er stof op neerdaalt? Of het nu het stof van een prins is of van een boer, van een mens of van een dier? Moet de mens dan niet diep ongelukkig zijn, als tijd en plaats, de twee beste hulpen voor het leven, hem allebei in de steek laten? Want wat voor hulp kan hij van de tijd verwachten, als zijn dagen maar als gras zijn?
En wat voor hulp van de plaats, als zijn plaats hem afwijst en hem niet wil kennen? — Sir R. Baker.
Vers 17
“Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid.” Geen enkele menselijke welwillendheid blijft altijd gelijk. Wij weten uit ervaring dat mensen die vandaag vriendelijk zijn, morgen tirannen kunnen worden. Voorbeelden daarvan zien wij in het leven van Nero en van veel andere heersers. Daarom lezen wij, om te voorkomen dat wij de goedheid van God ook maar enigszins zo zouden verdenken, tot onze onuitsprekelijke troost dat zij nooit zal ophouden, maar voor altijd klaarstaat voor iedereen die God vreest en dient. — Musculus.
Vers 17
“Van eeuwigheid en tot eeuwigheid.” Van eeuwigheid: door voorbeschikking. Tot eeuwigheid: door verheerlijking. De eerste zonder begin, de tweede zonder einde. — Bernardus.
Vers 18
“Om die te doen.” Geboden moeten worden onthouden om ze te doen. Zij zijn niet gegeven als stof voor ijdele bespiegeling. — Stephen Charnock.
Vers 19
“De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd.” Het Hebreeuwse woord betekent zowel “bevestigd” als “bereid”, en je kunt het ook zo vertalen. Goed voorbereiden is de natuurlijke weg naar iets dat standhoudt. Overhaaste besluiten breken en brokkelen af. Dit zegt ons vier dingen. Ten eerste: het eigene van Zijn gezag. Hij bereidt het Zelf, niemand anders doet dat voor Hem. Het is een heerschappij die oorspronkelijk in Zijn wezen ligt. Zij is niet van iemand anders afgeleid, niet door geboorte en niet door een opdracht. Hij alleen bereidde haar. Hij is de enige oorzaak van Zijn eigen koninkrijk.
Daarom is Zijn gezag zonder grenzen, even oneindig als Zijn wezen. Niemand kan Hem wetten opleggen, want niemand behalve Hijzelf maakte Zijn troon voor Hem klaar. Hij zal Zijn eigen geluk niet aantasten, en dus ook Zijn eigen gezag niet inperken. Ten tweede: Hij staat klaar om dat gezag in te zetten wanneer het nodig is. Hij heeft Zijn troon bereid. Hij staat nergens met lege handen en hoeft niet te wachten op een opdracht of op aanwijzingen van iemand anders over wat Hij moet doen. Alles ligt klaar om Zijn volk te helpen. Hij heeft beloningen en straffen.
Zijn schatten en Zijn bijlen, het grote teken van gezag, liggen bij Hem klaar: het ene voor de goeden, het andere voor de goddelozen. Zijn barmhartigheid bewaart Hij voor duizenden (Ex. 34:7). Zijn pijlen heeft Hij klaargelegd voor wie tegen Hem in opstand komen (Ps. 7:14).
Ten derde: de wijsheid waarmee Hij regeert. De troon is “bereid”, en wie voorbereidt, gaat verstandig te werk. Gods bestuur is geen roekeloos en eigenzinnig gezag. Een vorst op zijn troon of een rechter op zijn zetel hoort de zaken met de grootste omzichtigheid aan te pakken, en dat veronderstelt men ook van hem. Ten vierde: het succes en de duur van Zijn gezag. Hij heeft het bereid, of bevestigd. Het staat vast en wankelt niet. Het is een heerschappij die niet te schokken is. Alle pogingen van mensen en duivels om haar omver te werpen, of haar zelfs maar te laten trillen, zijn vergeefs.
Zij staat buiten het bereik van hardnekkige opstandelingen. Niemand kan Hem van Zijn troon stoten of Hem schaakmat zetten. Zijn heerschappij blijft altijd bestaan, net als Hijzelf. En zoals Zijn raad overeind blijft, zo blijft ook Zijn gezag staan: “Ik zal al Mijn welbehagen doen” (Jes. 46:10). — Stephen Charnock.
Vers 19
“Zijn troon in de hemelen” betekent:
- De glorie van Zijn heerschappij. De hemelen zijn de statigste en mooiste delen van de schepping. Daar is Zijn majesteit het best zichtbaar en Zijn heerlijkheid het schitterendst (Ps. 19:2). In de hemel erkennen de engelen Zijn heerschappij beter. De engelen die Hem omringen, betwisten haar daar niet, zoals de opstandelingen die zich op aarde tegen Hem bewapenen dat wel doen.
- De hoogste macht van Zijn rijk. De hemelen zijn het hoogste deel van de schepping en het enige paleis dat bij Hem past.
- Het bijzondere van deze heerschappij. In de hemelen regeert Hij alleen. Zijn gezag is aan geen enkel schepsel overgedragen. Over de zalige geesten regeert Hij Zelf. Maar de mensen, die op Zijn voetbank zitten, regeert Hij door andere mensen, die van hetzelfde slag zijn en dezelfde natuur hebben.
- De onmetelijke omvang van Zijn rijk. De aarde is maar een stipje bij de hemelen vergeleken. Wat is Engeland op een kaart naast de hele aarde? Een vlekje dat je met je vinger kunt afdekken. De hele aarde moet dan nog veel kleiner zijn naast de uitgestrekte hemelen. Je kunt je de vele miljoenen kleine deeltjes in de aarde niet voorstellen, en samen vormen ze maar één punt naast de plaats waar Gods troon staat. Hoe groot moet Zijn rijk dan wel zijn! Daar regeert Hij over de engelen die sterk zijn in kracht, Zijn heirscharen die Zijn welbehagen doen.
Naast hen zijn alle mensen in de wereld, en de macht van de grootste machthebbers, niet meer dan de kracht van een mier of een vlieg. En omdat Zijn troon in de hemelen staat, volgt daaruit dat alles onder de hemel bij Zijn heerschappij hoort. Wat op aarde lager staat, kan niet anders dan aan Hem onderworpen zijn. Het houdt ook zeker in dat Hij invloed heeft op alles beneden, omdat de hemelen de oorzaak zijn van alle beweging in de wereld. Zie Hos. 2:20-21.
- Het gemak waarmee Hij dit rijk bestuurt. Zijn troon staat hoog. Daarom kan Hij niet anders dan alles zien wat beneden gebeurt. Een hoge plaats geeft een scherp oog het voordeel dat het ziet wat daaronder ligt. “De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware” (Ps. 14:2). Hij kijkt niet uit de hemel omlaag alsof Hij daar vastzit. Hij kijkt majestueus en met gezag omlaag.
- De duur ervan. De hemelen vergaan niet. Daar, in die onvergankelijke toestand, staat Zijn troon. Gods troon overleeft het einde van de wereld. — Samengevat naar Charnock.
Vers 19
“En Zijn Koninkrijk heerst over alles.” Hij is de Koning en Meester over álles. Eerst over alle tijd. Andere heren sterven, Hij is eeuwig. Strikt genomen is eeuwigheid de levensduur van een ongeschapen Ens. In ruimere zin noemen wij ook dingen eeuwig die een begin én een einde hebben, zoals “de eeuwige heuvelen”. De Schrift kent meer van zulke uitdrukkingen. En ook dingen die wel begonnen zijn maar niet zullen ophouden, heten eeuwig: engelen, mensenzielen, het eeuwige leven, het eeuwige vuur. Maar God zegt van Zichzelf: “Ik ZAL ZIJN, Die Ik ZIJN ZAL!” (Ex. 3:14; Engels: I AM, “IK BEN”). Wat Ik was, ben Ik; wat Ik ben, was Ik; en wat Ik ben en was, zal Ik blijven.
Die eigenschap deelt Hij met niemand. Al het andere was er eerst niet, een non esse, voordat het er was, een esse. En het is aan verandering onderhevig, die het naar het niets trekt. “De lieden, die met u kijven, zullen worden als niet” (Jes. 41:12). Alles loopt uit op niets, tenzij God het met Zijn eigen hand overeind houdt. Maar “Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet geeindigd worden” (Ps. 102:28). “Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen!” “Van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God” (Ps. 90:2): de enige scheidsrechter, de enige maat van begin en einde.
Dan over alle plaatsen: de hemel, de aarde en de hel (Ps. 135:6). Koningen hebben grenzen. Veel van wat ze willen, lukt niet. Ze kunnen de zon niet bevelen stil te staan, en de wind niet laten draaien zoals zij willen. Hoog in de lucht en diep in de zee voert geen koning het bevel. Sommigen vleien de paus met zijn lange armen, die zogenaamd tot in het vagevuur reiken (maar zijn macht en zijn gebied zijn allebei even denkbeeldig). Alleen Christus heeft de sleutels van alle plaatsen.
Tot slot over alle schepselen. Hij bindt de banden van de Plejaden en maakt de ketenen van Orion los (Job 38:31). Hij beveelt het vuur om tegen zijn aard in neer te dalen (2 Kon. 1:12). Hij schept de sterren en regeert ze (Amos 5:8). Hij beheerst de leeuwen (Dan. 6:23). Hij stuurt de dampen en vuurmeteoren (Ps. 148:8). Hij sluit de zee af met deuren en wikkelt haar in als een kind in windsels (Job 38:8). Hij splijt haar, buigt haar om en vult haar weer. Vuur en water zijn twee wilde elementen zonder erbarmen.
Toch is Hij daarin barmhartig. Hij bevrijdt ons uit allebei, midden in allebei. Roept Hij de vogels, dan komen ze. Roept Hij de dieren, dan horen ze. Roept Hij de bomen, dan lopen ze uit om Hem te gehoorzamen. Hij heeft een raaf voor Elia, een wonderboom voor Jona en een hond voor Lazarus. Hij laat de leviatan, het grootste levende wezen, Zijn profeet bewaren. Dat een verschrikkelijke leeuw gedood werd, zoals door Simson, of niet doodde, zoals de leeuwen Daniël spaarden, of doodde maar niet at, zoals bij die profeet (1 Kon. 13:1-29): daar was de Heere aan het werk.
Ook over metalen: Hij laat ijzer drijven en stenen uiteenspringen. Ook over de duivels: zij moeten Hem gehoorzamen, al is het tegen hun zin. Maar zijn zij dan niet voortdurend in opstand tegen Hem en overtreden zij Zijn wil niet? Zeker, tegen wat Hem behaagt. Maar niet tegen wat Hij toelaat. Daarom is er geen moment, ook het uur van de dood niet, geen plaats, ook de ergste pijniging niet, en geen schepsel, ook de duivel niet, waarvan de Heere ons niet kan bevrijden. Laten wij dus op elk moment, overal en tegenover elk schepsel op Hem rekenen als onze Redder. — Thomas Adams.
Vers 19
“En Zijn Koninkrijk heerst over alles.” Melanchthon maakte zich buitengewoon veel zorgen over de zaken van de kerk in zijn tijd. Luther wilde dat hem in deze bewoordingen werd gezegd: Monendus est Philippus ut desinat esse rector mundi: Filippus moet gewaarschuwd worden dat hij niet langer bestuurder van de wereld probeert te zijn. — David Clarkson.
Vers 20
“Looft den HEERE, Zijn engelen”, enzovoort. Mensen zijn te zwak om de last van de lofprijs aan God te tillen. Zelfs voor engelen vraagt het alles wat zij aan kracht en vermogen hebben, alleen al om eraan te beginnen. — David Dickson.
Vers 20
“Zijn engelen! gij krachtige helden, die Zijn woord doet.” Wat de engelen bovenal groot maakt, de hoofdoorzaak van hun kracht en macht en van hun enorme overwicht op de mensheid, staat in de woorden die daarop volgen. Eerst beschrijft de psalmist de engelen als uitmuntend in kracht. Dan voegt hij eraan toe dat zij Gods geboden doen, gehoorzaam aan de stem van Zijn woord. Want dit is de enige levende bron van blijvende kracht en macht. Wie de wil van God trouw en gehoorzaam doet, heeft God aan zijn kant. En wat kan dan tegen hem zijn?
Het werk zelf geeft hem dan kracht, als een stroom die hem meevoert, omdat het Gods werk is. Maar wie zich tegen Gods wil verzet, heeft God tegen zich. Wat kan dan nog aan zijn kant staan? Kan een mens de zee terugduwen? Kan hij de zon grijpen en uit haar baan slepen? Dan mag hij ook hopen sterk te zijn als hij tegen Gods wil strijdt… Hieraan zie je hoe vals de stelregel is die zo vaak klinkt uit de mond van wie zich laten voorstaan op hun beheersing van de wijsheid van deze wereld: dat macht recht is.
Die stelregel draait de waarheid precies om, en daarmee zet de vorst van de duisternis zich steeds op tegen de Heere van de hemel. Het ware beginsel dat in deze leugen wordt omgedraaid en verdraaid, hoort in de raadzalen van vorsten en op de muren van parlementsgebouwen geschreven te staan. Het verklaart het geheim van de kracht van de engelen, en van alle ware kracht, namelijk dat zij samenvalt met Gods wil. Het kan in dezelfde woorden worden uitgedrukt, als wij alleen de volgorde omdraaien: recht is macht. — Julius Charles Hare, 1849.
Vers 20
“Zijn engelen! gij krachtige helden, die Zijn woord doet”, enzovoort. Zij horen de stem van Zijn woord en luisteren. In God zien zij de grote Bevelhebber. Zodra Hij het woord geeft, zetten zij hun kracht in en beginnen zij gewillig aan hun taak. Zij houden Zijn bevelen scherp in de gaten. Zegt Hij: Ga, tref Herodes om zijn hoogmoed, Bileam om zijn hebzucht, David om zijn ijdele roem, Sanherib om zijn godslastering en Sodom om zijn onreinheid, dan gaan zij onmiddellijk. — William Greenhill.
Vers 20
“Zijn woord” (Engels: commandments, “geboden”). Dabar, “spreken”, is twintig keer met “gebod” vertaald… Het lijkt erop dat hier directe, persoonlijke gemeenschap tussen de Heere en Zijn boodschappers wordt bedoeld. — R. B. Girdlestone.
Vers 20
“Gehoorzamende de stem Zijns woords.” Zij voeren niet alleen krachtig uit wat zij gehoord hebben. Ze blijven ook altijd gespannen luisteren, om elke wenk van Zijn wil direct op te vangen. — William Kay.
Vers 20
“Gehoorzamende de stem Zijns woords.” Engelen zijn waakzame wezens. Ze wachten op gelegenheden, en komt zo’n gelegenheid, dan laten ze die niet lopen. Ze sluimeren niet en slapen niet. Voortdurend luisteren ze naar wat de Heere zal zeggen en welke gelegenheid er komt om in actie te komen. Zo worden ze ook in Ezech. 1:11 beschreven: met hun vleugels omhoog gespreid, een teken van hun waakzaamheid en hun bereidheid om te dienen. Toen Christus werd geboren, verscheen er een grote menigte van hen, die Zijn geboorte vierde (Luk. 2:13). Toen Judas en zijn gevolg Christus gevangennamen, trok Petrus zijn zwaard om zijn Meester te verdedigen.
Maar wat zegt Christus? “Steek je zwaard weg. Dit is niet het moment om te vechten, maar om te lijden. Denk je dat Ik Mijn Vader nu niet kan vragen om Mij onmiddellijk meer dan twaalf legioenen engelen te sturen? Het is nu niet de tijd om om hulp te bidden. Ik moet sterven, en de Schrift moet vervuld worden. Maar als Ik het wilde, zou Mijn Vader de engelen opdracht geven Mij te helpen. Dan kwamen ze direct, hele legioenen, ja, alle engelen uit de hemel.” Laten wij van de engelen leren om op gelegenheden te letten en ze te grijpen. Er zijn ogenblikken in de tijd waarop het werk van Christus gedaan móét worden. — William Greenhill.
Vers 21
“Looft den HEERE, al Zijn heirscharen! … die Zijn welbehagen doet!” Zonder het te beseffen doen zon, maan, sterren en planeten “Zijn welbehagen” (Ps. 19:2). De “engelen” doen dat met open ogen en uit natuurlijke liefde: zij zijn “gehoorzamende de stem Zijns woords” (Ps. 103:20). Beide groepen samen vormen het leger van de Heere. — A. R. Fausset.
Vers 22
“Loof den HEERE, mijn ziel.” Dat wil zeggen: “Laat jouw roeping die van de serafs zijn, mijn ziel, en treed binnen in het leven van de hemel!” Waarom zou ik Hem prijzen? Heeft Hij iets aan mijn lof? Nee, en aan die van alle hemelse heirscharen samen ook niet. Het is een oneindige neerbuigendheid van Hem dat Hij luistert naar de lofzangen van Zijn verhevenste schepselen. Laat mij de Heere loven, omdat geen bezigheid mijn ziel rijker zal zegenen dan deze. Wie Zijn voortreffelijkheid met bewondering overdenkt, maakt haar in werkelijkheid tot de zijne.
Het hart kan niet in God verblijd zijn zonder op God te gaan lijken. Laat mij het doen, omdat het de bijzondere eer van de mens op deze aarde is om de Heere te loven. Wil hij iemand vinden om hem daarin gezelschap te houden, dan moet hij naar de hemel opstijgen. Laat mij het doen, omdat de aarde barst van stof tot lofzang. Het zand, de zeeën, de bloemen, de insecten, de dieren, de vogels, de velden, de bergen, de rivieren, de bomen, de wolken, de zon, de maan, de sterren: allemaal wachten ze op mij om wat zij zijn en kunnen om te zetten in lof.
Maar boven alles de nieuwe schepping. Laat mij het doen, omdat alles wat bij mijn bestaan hoort, mijn gezondheid, mijn welzijn, mijn kennis, mijn waardigheid, mijn veiligheid, mijn groei, mijn kracht en mijn nut, uit Hem, door Hem en tot Hem is. Duizend dienaren van Hem op aarde, in zee en in de lucht zijn betrokken bij de totstandkoming en bereiding van elke hap die ik eet. De adem die ik mag en kan gebruiken om te loven, komt en gaat nooit zonder dat ik iets verrassends zie van de neerbuigende goedheid, de vriendelijkheid, de wijsheid, de macht en de nabijheid van Hem Die ik moet prijzen.
Is het niet laag om weldaden te ontvangen zonder zelfs maar de naam van de gever te noemen of zijn goedheid te beschrijven? Laten wie voor de hemel bestemd zijn de Heere loven. Daar is geen plaats voor wie deze kunst niet geleerd hebben. Hoe zal ik Hem prijzen? Niet met mooie woorden. Dichterlijk talent is hier niet nodig. Elke taal die oprechte bewondering uitspreekt, wordt aanvaard. Prijs Hem voor zover je Hem kent, en Hij zal je meer van Zijn heerlijkheid laten zien. — George Bowen, 1873.
Vers 22
De laatste oproep omvat werkelijk alles: al Zijn werken, op alle plaatsen van Zijn wijde heerschappij, alles wat Hij gemaakt heeft, met of zonder verstand. “Aan alle plaatsen”: boven, onder, overal om ons heen, in de hemel, op aarde of in de hel. Laat ze allemaal meedoen aan dit koor van lof en zegening, dat Jehova verheft, de Ene Die het allergrootst en het allerbest is! Maar hij neemt zichzelf niet uit. Zijn plicht tegenover zijn eigen hart weegt voor hem het zwaarst. Daarom eindigt hij zoals hij begon: “Loof den HEERE, mijn ziel.” — Henry Cowles.
Vers 22
“Loof den HEERE, mijn ziel.” Omdat de dichter zo terugkomt bij zijn eigen ziel, buigt zijn psalm ook terug op zichzelf. Zo krijgt hij de vorm van een cirkel die zich sluit. — Franz Delitzsch.
Vers 22
“Looft den HEERE, al Zijn werken! aan alle plaatsen Zijner heerschappij. Loof den HEERE.” Deze plotselinge overgang valt ons sterk op: van “al Zijn werken, aan alle plaatsen Zijner heerschappij” naar hemzelf, één enkel mens. Natuurlijk had hij zichzelf al meegerekend. Hij was zelf ook opgeroepen toen hij al Gods werken op alle plaatsen van Zijn heerschappij opriep. Maar het lijkt of de psalmist ineens schrok. Hij was bang dat hij zichzelf op de een of andere manier zou overslaan. Of, als het geen angst was, dan toch het besef dat juist zijn ijver om anderen tot lof op te roepen hem kon doen vergeten dat hijzelf verplicht was God te prijzen.
Of dat hij daarin traag kon worden, of ervan uit kon gaan dat hij zelf dat niet verzuimde, terwijl hij het zo krachtig van alle soorten wezens eiste. Dit is een groot onderwerp om bij stil te staan. Salomo heeft gezegd: “Zij hebben mij gezet tot een hoederin der wijngaarden. Mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed.” Helaas, wat kan het gemakkelijk gebeuren dat je je inspant voor anderen en jezelf verwaarloost. Je kunt zelfs je inzet voor anderen gebruiken om jezelf wijs te maken dat je jezelf niet verwaarloost. Wat is het daarom belangrijk dat wij, als wij met de psalmist alle werken van God op alle plaatsen van Zijn heerschappij oproepen om de Heere te loven, er als mensen die zichzelf willen onderzoeken en bang zijn voor zelfbedrog aan toevoegen: “Loof den HEERE, mijn ziel.” — Henry Melvill.
Verzen 1-2, 22
“Loof den HEERE, mijn ziel”… “Loof den HEERE, mijn ziel”, samen met “Looft den HEERE, al Zijn werken! aan alle plaatsen Zijner heerschappij. Loof den HEERE, mijn ziel!” (Ps. 103:22). Die drie oproepen weerspiegelen de drievoudige zegen die de Heere over de ziel uitspreekt, in de vorm die Mozes ons geeft in Num. 6:24-26. — A. R. Fausset.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1
“Loof den HEERE, mijn ziel.” Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1078.
Vers 1
- Wij moeten de Allerhoogste Zelf loven. Je kunt ook nalaten Hem te loven terwijl je Zijn gaven, Zijn woord, Zijn werken en Zijn wegen wel prijst.
- Wij moeten Hem persoonlijk loven: “Mijn ziel.” Niet het gezin alleen via de vader, niet het volk via de predikant, niet de gemeente via het koor, maar ieder voor zich.
- Wij moeten Hem geestelijk loven, met onze “ziel”. Niet alleen met een orgel, een stem, een gave of daden en zo meer.
- Wij moeten Hem zonder voorbehoud loven: “Al wat binnen in mij is.”
- Wij moeten Hem vastberaden loven. David preekte tot zichzelf: hij sprak met zichzelf, sprak zichzelf moed in en gaf zichzelf bevelen. — W. Jackson.
Vers 1
Dit zien wij hier: 1. Een gesprek met jezelf: “Mijn ziel.” Velen praten eindeloos met anderen, maar nooit met zichzelf. Zij zijn vreemden voor zichzelf en spreken niet met zichzelf. Zij hebben geen belangstelling voor hun eigen ziel en zijn mat en zwaarmoedig als zij alleen zijn.
- Jezelf vermanen: “Loof den HEERE, mijn ziel.” Je Schepper, je Weldoener, je Verlosser.
- Jezelf aanmoedigen: “Al wat binnen in mij is”: elk vermogen van mijn verstand, mijn geweten en mijn geestelijk wezen, een tiensnarig instrument met elke snaar in beweging. Dan hoeft geen vermogen van de ziel een ander aan te sporen: “Kent den HEERE!”, want “zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe”. — G. R.
Vers 1 (eerste zinsdeel en Ps. 103:22, laatste zinsdeel)
Aanbidding in eigen persoon is het A en het Z van de godsdienst. — C. Davis.
Vers 2
Zoek uit waarom wij zo vaak de barmhartigheden van de Heere vergeten. Laat zien hoe slecht dat is, en geef raad hoe wij het kunnen verhelpen.
Vers 3
- Vergeving is bij God te vinden: “Bij U is vergeving.” Vergeven hoort bij Zijn wezen, evengoed als het straffen van zonde.
- Zij komt van God. Niemand kan zonde vergeven behalve God. Niemand kan vergeving bekendmaken behalve God.
- Zij is Gods waardig: volledig, gratis en eeuwig, “al uw ongerechtigheid”. — G. R.
Vers 3
“Die al uw krankheden geneest.”
- Hoe komt het dat zonde een ziekte wordt genoemd? (a) Zij verwoest de zedelijke schoonheid van het schepsel. (b) Zij doet pijn. (c) Zij maakt ons onbekwaam voor ons werk. (d) Zij eindigt in de dood.
- De verscheidenheid aan zondige ziekten waaraan wij lijden. Mark. 7:21-23; Gal. 5:19 en verder.
- Waarmee God deze ziekten geneest. (a) Met Zijn vergevende barmhartigheid, op grond van de verlossing door Christus. (b) Met de heiligende werking van de genade. (c) Met de genademiddelen. (d) Met de opstanding van het lichaam. Uit “The Study”, 1873.
Vers 3 (laatste zinsdeel)
Wat ons van nature mankeert, onze grote Arts, de volledige gezondheid die Hij in ons schept en wat die gezondheid oplevert.
Verzen 3-5
De Hexapla van de barmhartigheid.
- Drie vloeken weggenomen. (a) Schuld weggedaan. (b) Verdorvenheid genezen. (c) Ondergang afgewend.
- Drie zegeningen uitgedeeld. (a) Gunsten die ons verheugen. (b) Genoegens die ons verzadigen. (c) Een leven dat niet meer sterft.
Of:
- Vergeving. (Ps. 103:3)
- Reiniging. (Ps. 103:4)
- Verlossing.
- Kroning. (Ps. 103:5)
- Overvloed gegeven.
- Kracht vernieuwd. — W. Durban.
Vers 4 (eerste zinsdeel)
Davids leven, verlost van de ondergang.
- Zijn leven als herder.
- Zijn leven als krijgsman.
- Zijn leven als vervolgde.
- Zijn leven als koning.
- Zijn geestelijk leven. — W. J.
Vers 4
Wat wordt verlost, en waarvan? Wie worden verlost, en door wie?
Vers 5
- Een bijzondere toestand: verzadiging.
- Een bijzonder aanbod: goede dingen.
- Een bijzonder gevolg: vernieuwde jeugd.
Vers 5
“Verjonging.” Zie Macmillans “Ministry of Nature”, blz. 321-347.
Vers 7
- God wil dat mensen Hem kennen.
- Hij maakt Zichzelf bekend.
- In die openbaring zijn er trappen.
- Wij mogen bidden om meer kennis van Hem.
Vers 8
- De barmhartigheid benoemd: “Barmhartig en genadig.”
- De barmhartigheid ingetoomd: “Lankmoedig.” Zelfs barmhartigheid kan toornig worden, en hoe ontzagwekkend is dan die toorn.
- De barmhartigheid uitgebreid: “Groot van goedertierenheid.” “Hij vergeeft menigvuldiglijk.” Alleen Hij weet wat overvloedig vergeven werkelijk is. — G. R.
Vers 9
- Wat God Zijn volk zal aandoen. Soms zal Hij berispen en met hen twisten. (a) Via de gang van het leven, door uiterlijke beproevingen. (b) Via hun eigen ervaring, door innerlijke strijd.
- Wat Hij hun níét zal aandoen. (a) In dit leven niet onophoudelijk berispen. (b) Straks helemaal niet meer berispen. (c) “De dagen uwer treuring zullen een einde nemen.” — G. R.
Verzen 11-13
Hoe hoog, hoe lang en hoe diep Gods liefde is.
Vers 12
“Volledige vrijspraak.” Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1108.
Vers 12
- De band die hier wordt bedoeld. Tussen de mens en zijn overtredingen.
(a) Wettelijk.
(b) Feitelijk.
(c) In de ervaring.
(d) Eeuwig, op zichzelf gezien.
- De scheiding die wordt bewerkt.
(a) Door wie? “Doet Hij”, enzovoort.
(b) Op welke manier? Zijn eigen Zoon stapt tussen de zondaar en zijn zonden in.
- Voorkomen dat zij weer samenkomen. “Zo ver”, enzovoort. Pas wanneer oost en west elkaar treffen, komt het tot een weerzien, en niet eerder. De twee einden van een rechte lijn komen nooit samen. Rek je de lijn uit, dan wijken ze alleen maar verder van elkaar. Zo is het en zo blijft het met een vergeven zondaar en zijn zonden. — G. R.
Verzen 13-14
“Het tedere medelijden van de Heere.” Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 941.
Verzen 13-14
- Met wie God medelijden heeft: “over degenen, die Hem vrezen”.
- Hoe Hij medelijden heeft: “gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen”.
- Waarom Hij medelijden heeft: “want Hij weet, wat maaksel wij zijn”. Dat Hij ons maaksel kent, is niet vreemd, want Hij heeft ons gemaakt. Hij heeft de mens zelf uit stof gevormd, en daarom is Hij “gedachtig zijnde, dat wij stof zijn”. — Matthew Henry.
Vers 14
- De samenstelling van de mens.
- De goede zorg van God. — W. D.
Vers 15
De aardse loopbaan van de mens. Zijn opkomst, groei, glorie, val en vergetelheid.
Verzen 15-18
- Hoe de mens eraan toe is als hij op zichzelf is aangewezen. “De dagen des mensen”, enzovoort. (a) Hoe hier op aarde? Zijn dagen zijn als gras en zijn glans is als de bloem van het gras. (b) Hoe daarna? Hij wordt weggevaagd door een verschroeiende wind, door een vlaag van Gods toorn. Op aarde kent niemand hem meer. Alleen in het verderf blijft hij bekend.
- Wat Gods barmhartigheid voor hem doet. (a) Zij legt voor hem een verbond van genade vast, dat van eeuwigheid af bestaat. (b) Zij sluit in dit leven een verbond van vrede met hem. (c) Zij belooft hem in een verbond een eeuwigheid die nog komt.
- Wie ontvangen deze barmhartigheid? (a) Mensen die God vrezen. (b) Mensen die in de sporen van vrome voorouders lopen. (c) Mensen die op de barmhartigheid van het verbond rekenen. (d) Mensen die trouw blijven aan wat zij in het verbond op zich namen. — G. R.
Vers 18
Het verbond: op welke punten wij het kunnen houden, met welke gezindheid wij het moeten houden en waaraan je in de praktijk kunt zien dat wij het doen.
Vers 19
“Een verhandeling over Gods heerschappij.” Zie Charnocks Works, uitgave van Nicol, deel II, blz. 400-499.
Vers 19
- Hoe de troon is.
- Hoe ver de heerschappij reikt.
- Wat voor Koning Hij is.
- Daarom juichen de onderdanen: “Looft den HEERE.”
Vers 20
Wat de dienst van de engelen ons leert.
- Zij zijn zelf sterk, en dat is uitstekend. Wij zijn dienaren van God, dus wij moeten ook goed zorgen voor onze eigen geestelijke gezondheid en kracht.
- Zij zijn daadkrachtig in hun gehoorzaamheid. Zij blijven niet in de theorie steken.
- Tijdens hun werk blijven zij aandachtig. Ze willen steeds meer leren en leven in gemeenschap met God, Die rechtstreeks tot hen spreekt.
- Alles wat zij doen, doen zij met blije lofzang, en zij zegenen de Heere.
Verzen 20-21
- Het middelpunt van de lofprijs: “Looft den HEERE.” Alle lof komt bij Hem samen.
- Het samenspel van de lofprijs. (a) De engelen. (b) De scharen van de verlosten. (c) Vooral de predikers. (d) De schepping om ons heen.
- Het hoogtepunt van de lofprijs: “Loof den HEERE, mijn ziel.” Hierop heeft Hij de meeste aanspraak, wat mijn dank en lof betreft. Hoe groot het koor ook is, het wordt pas volmaakt met mijn eigen toon erbij. Dat is de toon waar het op uitkomt: “Loof den HEERE, mijn ziel.” — G. R.
Vers 21
Wie zijn Gods dienaren? Wat is hun werk? Doen wat Hem behaagt. Waar hebben zij plezier in? In het loven van de Heere.
Verzen 21-22
Henry Melvill heeft een indrukwekkende preek gehouden over “The Peril of the Spiritual Guide”. Waar die op neerkomt, kun je opmaken uit het fragment dat wij als aantekening bij deze tekst hebben opgenomen.
Vers 22
- Het Koor.
- De Weerklank. — W. D.
Werken over de honderdderde psalm
“Meditations and Disquisitions, upon Seven Consolatarie Psalmes of David . . . by Sir RICHARD BAKER, Knight, 1640”, blz. 143-172. “Gratitude: an Exposition of the Hundred and Third Psalm. By the Rev. JOHN STEVENSON, Vicar of Patrixbourne-with-Bridge, Canterbury. 1856.”
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas