Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 102 — Treasury of David

99 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

“Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN”. Deze psalm is veel meer gebed in geest dan in woorden. Er staan maar weinig echte smeekbeden in. Toch stroomt van begin tot eind een krachtige stroom van gebed door de psalm. Als een onderstroom zoekt die zich onopvallend een weg naar de hemel, dwars door het kermen van het leed en de belijdenissen van het geloof heen, waaruit het grootste deel van de psalm bestaat. Het is een gebed van de verdrukte, of van “een lijder”, en je ziet er de sporen in van de tijd waarin het ontstond.

Van Jabez staat opgeschreven dat zijn moeder hem “met smarten gebaard” had. Zo kunnen we van deze psalm zeggen dat hij uit smart is geboren. Maar Rachels Benoni, het kind van haar smart, was ook haar Benjamin, de zoon van haar rechterhand. Zo drukt deze psalm even sterk troost uit als troosteloosheid. Een boetepsalm kun je hem eigenlijk niet goed noemen. De smart in deze psalm is die van iemand die lijdt, niet van iemand die zondigt. Zijn bitterheid is van een eigen soort en niet dezelfde als die van de eenenvijftigste psalm, de psalm van het berouw.

De lijder lijdt meer om anderen dan om zichzelf, meer om Sion en het huis van de Heere dan om zijn eigen huis. “Als hij overstelpt is” betekent: zwaar verontrust en terneergedrukt. Zelfs de allerbesten kunnen de stroom van het verdriet niet altijd tegenhouden. Ook als Jezus aan boord is, kan het schip vollopen met water en beginnen te zinken. “En zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN.” Als een beker omslaat of ondersteboven wordt gehouden, stroomt alles wat erin zit vanzelf eruit. Zo haalt grote nood alle terughoudendheid uit het hart weg, en de ziel stroomt ongeremd leeg.

Het is goed als wat in de ziel leeft van zo’n aard is dat het in Gods tegenwoordigheid uitgestort mag worden. Dat is alleen zo als het hart door Gods genade is vernieuwd. Het woord dat met “klacht” is vertaald, heeft niets van aanmerken of mopperen in zich. Beter kun je het vertalen met “kermen”: een uiting van pijn en niet van opstand. Om het goed te onthouden noemen we deze psalm de klaagzang van de patriot.

Onderwerp

Dit is de klaagzang van een vaderlander over de nood van zijn land. Hij hult zich in het leed van zijn volk als in een rouwkleed. Het stof en de as van zijn volk strooit hij over zijn hoofd, als tekens en oorzaken van zijn verdriet. Hij heeft zijn eigen persoonlijke pijn en zijn eigen vijanden, en bovendien is hij lichamelijk zwaar getroffen door ziekte. Maar de ellende van zijn volk doet hem veel meer pijn, en die pijn stort hij uit in een ernstige, ontroerende klacht. Toch rouwt de patriot niet zonder hoop. Hij gelooft in God en verwacht dat de Heere Zijn volk door Zijn almachtige gunst zal opwekken uit de dood.

Daarom loopt hij tussen de puinhopen van Jeruzalem en zegt hij hoopvol: “Nee, Sion, jij zult nooit vergaan. Jouw zon is niet voor altijd ondergegaan. Er liggen betere dagen voor je klaar.” Het heeft geen zin om uit te zoeken welk moment uit Israëls geschiedenis de ziel van deze patriot zo heeft geroerd. Het land is vele malen onderdrukt, en in elk van die droeve tijden zou dit lied en dit gebed een heel natuurlijke en passende uiting zijn geweest.

Indeling

In het eerste deel van de psalm, Ps. 102:2-12, is elk vers vol kermen. De klacht houdt niet op en het verdriet voert het bewind. Het tweede deel, Ps. 102:13-29, geeft een blik op betere dingen. Het toont de genadige Heere, Zijn eeuwige bestaan en Zijn zorg voor Zijn volk. Daarom zit dit deel vol zonlicht, al ligt er ook nog de schaduw van de wolk op. Het sluit prachtig af met rustig vertrouwen voor de toekomst en zoete rust in de Heere. De hele psalm lijkt op een dag die begint met wind en regen. Tegen de middag klaart het op en wordt het warm van de zon. De dag blijft mooi, met hier en daar een bui, en eindigt met een schitterende zonsondergang.

Uitleg

Vers 2

“O HEERE! hoor mijn gebed.” Of: o Jehova. Oprechte smekelingen zijn niet tevreden met bidden om het bidden. Zij willen echt het oor en het hart van de grote God bereiken. In tijden van nood is het een grote opluchting om anderen over onze moeite te vertellen; we voelen ons lichter als ze onze klacht horen. Maar de zoetste troost van allemaal is God Zelf als meelevende luisteraar bij onze klacht. Dat Hij dat is, is geen droom en geen verzinsel, maar een zekere werkelijkheid. Het zou de ergste van al onze rampen zijn als we onomstotelijk overtuigd konden worden dat God niet hoort en niet antwoordt. Wie ons zo’n troosteloos geloof zou aanpraten, kon ons net zo goed ons doodvonnis voorlezen. Liever sterven dan de toegang tot de genadetroon geweigerd worden. We kunnen net zo goed meteen atheïst worden als geloven in een God Die niet luistert en niets voelt.

“En laat mijn geroep tot U komen.” Soms stijgt de smart zo hoog dat woorden te zwak worden om haar uit te drukken. Het gebed wordt dan een schreeuw, en dan wil het hart des te dringender door de Heere gehoord worden. Als onze schreeuw niet binnen het voorhangsel doordringt en de levende God niet bereikt, kunnen we net zo goed meteen ophouden met bidden. Het is nutteloos en zinloos om tegen de wind te roepen. Maar God zij dank: de wijsbegeerte die zo’n afschuwelijk idee aandraagt, wordt elke dag weerlegd door wat we meemaken. Duizenden heiligen kunnen met overtuiging zeggen: “Voorwaar, God heeft ons verhoord.”

Vers 3

“Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid.” Doe niet alsof U mij niet ziet, of alsof U mij niet als de Uwe wilt erkennen. Lach mij nu in elk geval toe, al is het maar even. Bewaar Uw frons voor andere tijden, als ik hem beter kan dragen, áls ik hem ooit kan dragen. Maar kijk mij nu, in mijn zware nood, medelijdend aan. “Neig Uw oor tot mij.” Buig Uw grootheid neer naar mijn zwakte. Hebt U Uw gezicht om mijn zonde afgewend? Laat mij U dan in elk geval van opzij zien. Leen mij Uw oor, als ik Uw oog niet mag zien. Keer U weer naar mij toe, als mijn zonde U heeft doen afwenden, en neem een luisterende houding aan voor mijn gebeden.

“Ten dagen als ik roep, verhoor mij haastelijk.” Want de zaak is dringend en mijn ziel kan nauwelijks wachten. Wij mogen vragen om zo snel mogelijk een antwoord op ons gebed. Maar we mogen niet over de Heere klagen als Hij het wijzer vindt om te wachten. We mogen vragen en aanhouden, maar we hebben geen recht om te bevelen of kribbig te worden. Is het belangrijk dat de redding meteen komt, dan doen we er goed aan om een vroeg tijdstip te vragen. God is namelijk even graag bereid ons nu een gunst te geven als morgen, en Hij is niet traag met het vervullen van Zijn belofte. Over gunsten van mensen zegt men: “Wie snel geeft, geeft dubbel.” Een gift wordt immers meer waard als ze komt in een tijd van dringende nood. We mogen er zeker van zijn dat onze hemelse Beschermer ons de beste gaven op de beste manier zal geven. Hij geeft ons genade “om geholpen te worden ter bekwamer tijd”.

Als antwoorden direct op onze gebeden volgen, treffen ze ons des te meer, en ze troosten en bemoedigen ons ook meer. In deze twee verzen heeft de psalmist een heel scala aan uitdrukkingen bij elkaar gebracht, die allemaal hetzelfde zeggen. Overal vraagt hij de Heere om gehoor en antwoord. Het geheel is te zien als een soort voorwoord bij het gebed dat nu volgt.

Vers 4

“Want mijn dagen zijn vergaan als rook.” Door mijn verdriet voelt mijn leven leeg. Ik lijk niet meer dan een wolkje damp, waar niets in zit en dat snel vervliegt. Het beeld is heel mooi en treffend gekozen. Voor ongelukkige mensen lijkt het leven namelijk niet alleen broos; er is ook zoveel om hen heen dat verduistert, bezoedelt, verblindt en neerdrukt. Radeloos vergelijken ze zichzelf met mensen die in een dichte mist ronddwalen, en die daardoor zelf zo uitgedroogd zijn dat ze nauwelijks meer zijn dan zuilen van rook. Onze dagen hebben dan geen licht van vreugde en geen vuur van kracht meer. Ze worden als een rokende vlaswiek die zonder eer in het donker uitgaat. Dan hebben we alle reden om de Heere te smeken dat Hij ons niet helemaal uitdooft.

“En mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard.” Hij was zo droog geworden als een haard waarin het houtvuur is uitgebrand, of als dode as waarin je bijna geen vuur meer vindt. Zijn ziel stond op het punt als rook weggeblazen te worden. Zijn lichaam zou achterblijven als de kale haard, waarin de laatste warme gloed is gedoofd. Hoe vaak leek ons geloofsleven zo! We moesten aan de echtheid ervan twijfelen en vreesden dat het nooit meer dan rook was geweest. We kregen het meest overtuigende bewijs van zijn zwakte, want we konden er zelfs de minste troost niet uit halen, net zoals een verkleumde reiziger geen warmte haalt uit een koude haard waarin lang geleden een vuur brandde.

Zielsnood in ons eigen hart helpt ons om de woorden hier te begrijpen. Moeilijkheden in de kerk kunnen daarbij ook helpen, als we die helaas hebben moeten doorstaan en doorleven. De psalmist werd verdrietig door de rampen die zijn volk troffen. Die grepen zijn vaderlandslievende ziel zo aan dat hij wegkwijnde van zorgen. Zijn geest verdorde en zijn leven stond op het punt uit te doven. Er is hoop voor elk land dat zo’n zoon heeft. Geen volk kan sterven zolang er mensen met een waar hart zijn die bereid zijn voor dat volk te sterven.

Vers 5

“Mijn hart is geslagen en verdord als gras”, als een plant die verschroeit in de felle hitte van een tropische zon, als gras dat verdort zodra de zeis het heeft neergelegd. Het hart van de psalmist was als een slappe, verdorde bloem, een verbrande massa van wat vroeger groen en levend was. Zijn kracht, schoonheid, frisheid en vreugde waren helemaal verdwenen; zijn angst had ze uitgeput en opgeslokt.

“Zodat ik vergeten heb mijn brood te eten”, of: “omdat ik vergeet mijn brood te eten.” Verdriet neemt vaak de eetlust weg. Als we dan het eten laten staan, wordt onze gezondheid nog meer aangetast en zakt onze geest nog dieper weg. Een geslagen bloem drinkt geen dauw meer en haalt geen voedsel meer uit de grond. Zo weigert een hart dat door intens verdriet is verschroeid ook vaak troost voor zichzelf en voedsel voor het lichaam. Dan zakt het dubbel zo snel weg in zwakte, moedeloosheid en radeloosheid.

Dit komt beslist niet zelden voor; het is heel gewoon. Vaak hebben we mensen ontmoet die door verdriet zo van streek waren dat hun geheugen hen in de steek liet, zelfs bij zoiets dringends als hun maaltijden. En we moeten bekennen dat wij zelf hetzelfde hebben doorgemaakt. Eén scherpe pijn vulde de ziel, hield de geest bezet en duwde al het andere naar de achtergrond. Gewone dingen als eten en drinken werden helemaal vergeten, en de vaste uren voor een hapje en een slokje gingen ongemerkt voorbij. Het lichaam voelde zich daardoor niet duidelijk flauw, maar het hart werd er des te vermoeider van.

Vers 6

“Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vanwege de stem mijns zuchtens.” Zijn verdriet had hem uitgemergeld. Hij had zichzelf met al dat kermen tot een levend geraamte gekreund. Zo leek hij ook in zijn uiterlijk meer op de door rook gedroogde, verdorde, verbrande dingen waarmee hij zichzelf eerder had vergeleken. Het zal nog erg lang duren voordat de nood van Gods gemeente sommige christenen tot skeletten doet verschrompelen. Maar deze goede man leefde zo mee met het leed van Sion dat hij vel over been was.

Vers 7

“Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden.” Wat een treurig en bijna afzichtelijk gezicht: het toonbeeld van verlatenheid en ellende. “Ik ben geworden als een steenuil der wildernissen.” Een uil houdt van eenzaamheid, treurt tussen ruïnes en laat een valse, schorre roep horen. De psalmist noemt zichzelf in één adem met twee vogels die gewoonlijk met somberheid en ellende in verband werden gebracht. Andere keren was hij als de arend geweest, maar het leed van zijn volk had hem uit de lucht gehaald. De glans was uit zijn ogen verdwenen en de schoonheid uit zijn verschijning. Hij leek zichzelf een zwaarmoedige vogel die zit tussen de ingestorte paleizen en neergehaalde tempels van zijn vaderland.

Moeten ook wij niet klagen en rouwen als de wegen van Sion treuren en haar kracht wegkwijnt? Zagen we meer van dit heilige verdriet, dan keerde de Heere spoedig terug om Zijn gemeente weer op te bouwen. Het is slecht als mensen pronken als een pauw met wereldse trots, terwijl de nood van deze tijd hen even treurig zou moeten stemmen als de pelikaan. En het is verschrikkelijk om te zien dat mensen als gieren komen aanvliegen om de buit van een vervallende kerk op te peuzelen, terwijl zij als de uil tussen haar puinhopen zouden moeten klagen.

Vers 8

“Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.” Ik houd eenzaam de wacht, als de enige schildwacht van mijn volk. Mijn naasten zijn te zelfzuchtig en te onbezorgd om zich om het geliefde land te bekommeren. Zo houd ik, als een vogel die in zijn eentje op het dak zit, droevig de wacht over mijn vaderland. De psalmist vergeleek zichzelf met een vogel die zijn maatje of zijn jongen heeft verloren, of die om een andere reden alleen moet treuren op een eenzame plek. Waarschijnlijk dacht hij niet aan de vrolijke mus die wij kennen.

Maar zelfs als hij die wel bedoelde, paste het beeld goed. Een mus is gelukkig in gezelschap. Was hij alleen, de enige van zijn soort in de omtrek, dan zou hij ongetwijfeld erg ongelukkig worden en wegkwijnen. Wie zich zo zwak en onbeduidend heeft gevoeld dat hij evenveel invloed op zijn tijd had als een mus op een hele stad, kent dat gevoel. Gebukt onder moedeloosheid over het kwaad van zijn tijd ging hij in volslagen ellende zitten en beklaagde hij het kwaad dat hij niet kon helen. Ernstige, waakzame christenen belanden vaak tussen mensen die helemaal niet met hen meeleven. Zelfs in de kerk zoeken ze tevergeefs naar verwante geesten. Dan volharden ze in hun gebeden en hun werk, maar voelen ze zich zo eenzaam als het arme vogeltje dat vanaf de nok van het dak uitkijkt en van niemand van zijn soort een vriendelijke groet krijgt.

Vers 9

“Mijn vijanden smaden mij al den dag.” Hun woede was meedogenloos en kwam steeds terug; ze barstte los in hoon en beledigingen. Zowel de vaderlandsliefde van de psalmist als zijn verdriet werden onderwerp van hun spot. Ze wezen naar de treurige toestand van zijn volk en vroegen hem spottend: “Waar is jouw God?” Ze juichten over hem, omdat hun valse goden de overhand hadden. Smaad snijdt als een scherp scheermes. Gaat die van uur tot uur door en wordt hij de hele dag en elke dag herhaald, dan wil je het leven zelf niet meer.

“Die tegen mij razen, zweren bij mij.” Ze waren zo woedend dat ze onder ede beloofden hem te vernietigen. Ze gebruikten zijn naam als hun gewone vloek: een woord om bij te vloeken, een ander woord voor afschuw en minachting. Met verdriet van binnen en vervolging van buiten zat hij er zo slecht aan toe als je je maar kunt voorstellen.

Vers 10

“Want ik eet as als brood.” Zo vaak had hij as op zijn hoofd gestrooid als teken van rouw, dat het in zijn gewone eten terecht was gekomen. Wanneer hij zijn dagelijks brood at, knarste het tussen zijn tanden. Soms vergat hij te eten. Daarna sloeg zijn stemming om en at hij zo gulzig dat zelfs de as mee naar binnen ging. Verdriet kent vreemde buien en vreemde tijden. “En vermeng mijn drank met tranen.” Zijn drinken smaakte net zo verschrikkelijk als zijn eten, want zoveel tranen hadden het brak gemaakt.

Zo ziet een droefheid eruit die alles doordrenkt en alles bitter maakt. En dit werd het deel van een van de beste mensen, niet door een fout van hem, maar door zijn liefde voor het volk van de Heere. Moeten ook wij treuren? Laten we dan niet vreemd opkijken van de vurige beproeving, alsof ons iets ongewoons overkomt. In eten en in drinken hebben wij gezondigd; het is dus niet verwonderlijk als we in allebei verdriet ervaren.

Vers 11

“Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen.” Het besef dat God toornig was geworden, drukte zwaar op de psalmist. Dat was te zien aan de val van het uitverkoren volk en hun droevige gevangenschap, en het bracht de psalmist in de allergrootste nood. Hij voelde zich als een dor blad dat door een orkaan wordt opgepakt en meegesleurd, of als zeeschuim dat omhoog wordt geslagen om uiteengeblazen te worden en op te lossen. Onze vertaling roept het beeld op van een vat dat wordt opgetild om met des te meer kracht op de grond te worden gegooid, zodat het helemaal in stukken breekt.

Of, om het beeld te veranderen: het doet denken aan een worstelaar die door zijn tegenstander wordt opgetild om hem harder te laten vallen. De eerste uitleg die we gaven, past beter bij de grondtekst. Zij laat zien hoe volstrekt hulpeloos de schrijver zich voelde. Overweldigende schrik sleepte hem onweerstaanbaar mee in een stroom van woest verdriet, waar hij niet tegenop kon.

Vers 12

“Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw.” Zijn dagen waren al nauwelijks meer dan een schaduw, en nu leken ze zelfs een schaduw die langzaam wegtrekt. Een schaduw is al ongrijpbaar genoeg; hoe zwak en onvast moet dan een schaduw zijn die wegtrekt? Sterker kon hij zijn uiterste zwakte niet onder woorden brengen. “En ik verdor als gras.” Hij leek op gras dat door een gloeiende wind is verschroeid, of dat met een zeis is afgemaaid en dan in de brandende zon blijft liggen. Soms voel je je door neerslachtigheid alsof al het leven uit je is weggevloeid. Dan is je bestaan niet meer dan een ademende dood. Een gebroken hart heeft een verbijsterend verwelkende uitwerking op ons hele lichaam, van top tot teen. Ons vlees is op zijn best maar als gras. Raakt het gewond door scherp verdriet, dan verdwijnt zijn schoonheid en wordt het rimpelig, droog en lelijk.

Vers 13

De schrijver wendt zijn aandacht nu af van zijn eigen zorgen en die van zijn volksgenoten. Hij kijkt naar de ware bron van alle troost: de Heere Zelf en wat Hij genadig met Zijn eigen volk van plan is. “Maar Gij, HEERE! blijft in eeuwigheid.” Ik ga eraan onder, maar U niet, nooit. Mijn volk is bijna weg, maar U bent geen haar veranderd. In de grondtekst staat het werkwoord “zitten”: “Gij, Jehova, zult tot in eeuwigheid zitten.” Dat betekent: U blijft regeren. Uw troon staat nog stevig, ook al ligt Uw uitverkoren stad in puin en worden Uw eigen mensen als gevangenen weggevoerd. Dat God over alles regeert, is een onwankelbare grond voor troost. Wat er ook gebeurt, Hij zit op de troon, en daarom is en blijft alles goed.

Zo vast als Zijn troon staat Zijn belofte,
en Hij kan veilig bewaren
al wat ik aan Zijn handen heb toevertrouwd,
tot het beslissende uur.

“En Uw gedachtenis van geslacht tot geslacht.” Mensen zullen mij vergeten, maar U, o God, laat voortdurend tekenen van Uw aanwezigheid zien. Daardoor blijft het mensengeslacht van eeuw tot eeuw aan U denken. Wat God nu is, blijft Hij altijd. Wat onze voorouders ons over de Heere vertelden, blijkt ook op dit moment waar. Wat wij uit eigen ervaring kunnen opschrijven, zullen onze kinderen en kleinkinderen bevestigen. Al het andere verdwijnt als rook en verdort als gras, dat zien we overal om ons heen. Maar boven alles schijnt het ene eeuwige, onveranderlijke licht, en het blijft schijnen als al die schaduwen in het niets zijn weggezonken.

Vers 14

“Gij zult opstaan, Gij zult U ontfermen over Sion.” Hij geloofde vast en voorspelde vrijmoedig dat het ogenschijnlijke stilzitten van God zou veranderen in krachtig optreden. Anderen konden in deze zaak lui blijven, maar de Heere zou zeker in beweging komen. Sion was al lang geleden uitgekozen. Ze was rijk begunstigd, heerlijk bewoond en op wonderlijke wijze bewaard. Door de herinnering aan haar vroegere barmhartigheid stond het dus vast dat haar opnieuw barmhartigheid zou worden bewezen. God laat Zijn kerk niet altijd in een lage toestand. Soms verbergt Hij Zich een tijd lang voor haar, als tuchtiging, zodat ze merkt hoe naakt en arm ze zonder Hem is. Maar uit liefde komt Hij naar haar terug en staat Hij op om haar te verdedigen en haar welzijn te bewerken.

“Want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen.” God heeft in Zijn besluit een tijd vastgesteld om de kerk te zegenen, en als die tijd gekomen is, wordt zij gezegend. Voor de Joden in Babylon was een tijd bepaald. Toen de weken om waren, kon geen grendel of slot de verloste mensen van de Heere nog langer gevangen houden. Toen de tijd kwam dat de muren steen voor steen zouden verrijzen, kon geen Tobia of Sanballat het werk tegenhouden. De Heere Zelf was immers opgestaan, en wie houdt de hand van de Almachtige tegen? Als Gods eigen tijd is gekomen, kunnen Rome, de duivel, vervolgers en atheïsten niet verhinderen dat het koninkrijk van Christus zijn grenzen verlegt. Het is Gods werk om dat te doen; Hij moet “opstaan”. Hij zal het doen, maar Hij heeft Zijn eigen bestemde tijd. Intussen moeten wij met heilige ongerustheid en geloof vol verwachting op Hem wachten.

Vers 15

“Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis.” Ze houden zoveel van haar dat zelfs haar puin hun dierbaar is. Het was een goed teken voor Jeruzalem toen de gevangenen heimwee kregen en naar haar begonnen te verlangen. We mogen verwachten dat de Joden van onze tijd in hun eigen land worden hersteld, zodra de liefde voor hun vaderland hen gaat beheersen en de liefde voor geldwinst verdrijft. Voor de kerk van God is er geen hoopvoller teken dan dat haar leden diep betrokken zijn bij alles wat haar aangaat.

Heerst er onverschilligheid over de ordeningen, de ondernemingen en de diensten, dan zal er waarschijnlijk geen voorspoed op een kerk rusten. Wordt zelfs het kleinste en geringste werk voor de Heere zorgvuldig gedaan, dan weten we zeker dat de bestemde tijd om Sion te begunstigen is gekomen. Het armste kerklid, de ergste afvallige en de onwetendste bekeerling moeten kostbaar zijn in onze ogen. Ze zijn een deel van het nieuwe Jeruzalem, ook al is het misschien maar een heel zwak deel. Geven we niet om de bloei van de kerk waar we bij horen, dan hoeven we ons niet te verbazen als de zegen van de Heere uitblijft.

Vers 16

“Dan zullen de heidenen den Naam des HEEREN vrezen.” Wie buiten de kerk staat, ziet snel dat er binnen barmhartigheid is. Steek je thuis een kaars aan, dan zie je het licht door het raam heen schijnen. Zo gaat het ook als Sion zich in haar God verheugt: de heidenen gaan dan Zijn Naam eerbiedigen, want ze horen over de wonderen van Zijn macht en zijn er diep van onder de indruk. “En alle koningen der aarde Uw heerlijkheid.” Vorsten die hoorden dat Jeruzalem werd hersteld, stonden versteld van dit wonder. Haar uiteindelijke opstanding, in dagen die nog moeten komen, zal een van de wonderen van de wereldgeschiedenis zijn.

Wanneer een kerk door Gods kracht levend wordt, is dat zo opvallend in de loop van de geschiedenis dat niemand het kan missen. Machthebbers kunnen er niet omheen. Zo’n kerk werkt door in de wetgevende macht en dwingt de groten van de aarde te erkennen dat God aan het werk is. Och, zagen we in onze tijd toch zo’n opwekking van het geloof, dat onze senatoren en vorsten gedwongen werden de Heere hulde te brengen en Zijn heerlijke genade te erkennen! Dat kan pas gebeuren als de heiligen beter worden opgebouwd en nauwer samen worden gebouwd tot een woonplaats van God in de Geest. Bloei van binnen is de ware bron van de invloed van de kerk naar buiten.

Vers 17

“Als de HEERE Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn.” Koningen laten hun vaardigheid, macht en rijkdom zien als ze hun hoofdsteden bouwen. Zo zou de Heere de pracht van Zijn eigenschappen tonen bij het herstel van Sion, en zo verheerlijkt Hij Zichzelf nu in de opbouw van Zijn kerk. Zijn heiligen vinden de Heere nooit heerlijker dan wanneer Hij de kerk laat bloeien. Bekeerlingen aan haar toevoegen en hen opleiden voor heilige dienst, de broeders en zusters onderwijzen, verlichten en heiligen, iedereen verbinden in de banden van christelijke liefde en het hele lichaam vullen met de kracht van de Heilige Geest: dat is Sion opbouwen.

Andere bouwers blazen haar alleen maar op. Hun hout, hooi en stoppels zijn bijna net zo snel weer verdwenen als ze zijn opgestapeld. Maar wat de Heere bouwt, is zeker en goed gedaan en strekt tot Zijn eer. Zien we de kerk in een lage toestand? Zien we de dwaasheid, hulpeloosheid en onverschilligheid van wie beweren dat zij haar bouwers zijn? En zien we aan de andere kant de energie, slimheid en invloed van haar tegenstanders? Dan zijn we zeker bereid toe te geven dat het een heerlijk werk van almachtige genade zal zijn, als zij ooit weer tot haar oorspronkelijke grootheid en zuiverheid opstijgt.

Vers 18

“Zich gewend zal hebben tot het gebed desgenen, die gans ontbloot is.” Alleen de armsten van het volk waren achtergebleven om tussen de puinhopen van de geliefde stad te zuchten en te roepen. De rest woonde als vreemdeling in een vreemd land, ver weg van de heilige plaats. Toch zou de Heere de gebeden horen van de gevangenen en van het achtergebleven schuim van het land. Hij hoort mensen niet om hun geld of om de omvang van de akkers die ze de hunne noemen. Uit barmhartigheid luistert Hij juist het allerliefst naar wie de grootste nood heeft.

“En niet versmaad hebben hunlieder gebed.” Van grote koningen die aan hun paleizen bouwen, kun je redelijkerwijs niet verwachten dat ze opzij stappen om te luisteren naar elke bedelaar die hen smeekt. Maar als de Heere Sion opbouwt en verschijnt in Zijn heerlijke gewaden, maakt Hij er een punt van om naar elk verzoek van de armen en behoeftigen te luisteren. Hij behandelt hun smeekbeden niet met minachting. Hij buigt Zijn oor om te horen, Zijn hart om te overwegen en Zijn hand om te helpen. Wat een troost is dit voor mensen die zichzelf volkomen berooid achten en niets meer hebben! Hun diepe nood krijgt hier een belofte van God, Die Zich diep tot hen neerbuigt. Het loont de moeite om berooid te zijn, als je daardoor van Gods aandacht verzekerd bent.

Vers 19

“Dat zal geschreven worden voor het navolgende geslacht.” Daar wordt een aantekening van gemaakt. Ook in komende generaties zijn er immers berooide mensen (“de arme zal niet ophouden uit het midden des lands”), en het maakt hun ogen blij als ze lezen hoe barmhartig de Heere vroeger voor de nooddruftigen was. We moeten overzichten maken van Gods goedheid en die bewaren. We schrijven de rampen van volken in de geschiedenis op; oorlogen, hongersnoden, epidemieën en aardbevingen worden vastgelegd. Hoeveel meer moeten we dan gedenktekens oprichten voor de goedertierenheid van de Heere! Wie in zijn eigen ziel geestelijk berooid is geweest en daaruit is verlost, kan dat nooit meer vergeten. Zo iemand moet er anderen over vertellen en vooral zijn kinderen onderwijzen over de goedheid van de Heere.

“En het volk, dat geschapen zal worden, zal den HEERE loven.” De psalmist wil hier zeggen dat de herbouw van Jeruzalem een feit in de geschiedenis zou zijn, waarvoor de Heere van eeuw tot eeuw geprezen zou worden. Een opwekking van het geloof geeft grote vreugde aan wie er direct bij betrokken zijn. Maar ook lang daarna geeft ze nog bemoediging en blijdschap aan Gods volk, en ze zet de hele kerk van God voortdurend aan tot aanbidding. Dit vers leert ons dat we ook aan het nageslacht moeten denken, aan wie na ons komen. Vooral moeten we ons inspannen om de gedachtenis aan Gods liefde voor Zijn kerk en voor Zijn arme volk levend te houden. Dan weten jonge mensen terwijl ze opgroeien dat de Heere, de God van hun vaders, goed is en vol ontferming.

De psalmist was erg bedroefd toen hij de sombere stukken van deze klacht schreef. Toch ging hij niet zo op in zijn eigen verdriet, en liet hij zich niet zo afleiden door de nationale ramp, dat hij de komende generaties vergat. Dat is zelfs een duidelijk bewijs dat hij nog hoop had voor zijn volk. Wie plannen maakt voor het welzijn van een volgend geslacht, heeft zijn volk nog niet opgegeven. Alles wat we doen, moet gericht zijn op Gods lof. Hem een opbrengst aan heerlijkheid bezorgen uit onze tijd én uit de toekomst, is het edelste doel van wezens met verstand.

Verzen 20-21

“Omdat Hij uit de hoogte Zijns heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien”, of: “Hij heeft Zich neergebogen vanaf de hoge plaats van Zijn heiligheid.” “Dat de HEERE uit den hemel op de aarde geschouwd zal hebben”, als een wachter die uitkijkt vanaf zijn toren. Waarom boog Hij Zich over de muren van de hemel? Waarom keek Hij zo gespannen naar het mensengeslacht? Het antwoord vervult ons met verbazing over Zijn barmhartigheid, die zo groot is. De Heere kijkt niet naar de mensen om op te merken wie hun groten zijn of wat hun edelen doen. Hij kijkt “om het zuchten der gevangenen te horen, om los te maken de kinderen des doods”. Het gekreun van mensen in de gevangenis klinkt allesbehalve muzikaal; het is vreselijk om aan te horen. Toch buigt God Zich neer om het ook echt te horen.

Wie voor de dood bestemd zijn, zijn meestal geen prettig gezelschap. Toch verwaardigt Jehova Zich om uit Zijn grootheid neer te dalen, hun uiterste nood te verlichten en hun ketenen stuk te slaan. Dat doet Hij door reddingen in Zijn voorzienigheid, door stervenden gezond te maken en voedsel te geven aan wie honger lijden. Geestelijk gezien gebeurt deze genadedaad door soevereine genade. Zij bevrijdt ons door vergeving van het vonnis van de zonde, en door de zoetheid van de belofte haalt ze ons uit de dodelijke wanhoop die het besef van zonde in ons had gewekt.

Wij die eens kinderen van de dood waren, maar nu zijn gebracht in de heerlijke vrijheid van de kinderen van God, mogen de Heere terecht prijzen. De Joden in de ballingschap waren in de tijd van Haman ten dode opgeschreven, maar hun God vond een manier om hen te laten ontkomen. Daarom vierden ze vol vreugde het Purimfeest als gedenkteken. Laten alle zielen die zijn bevrijd van de sluwe boosaardigheid van de oude draak, met nog grotere dankbaarheid de Heere van oneindig medelijden grootmaken.

Vers 22

“Opdat men den Naam des HEEREN vertelle te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem.” Wie veel barmhartigheid ontvangt terwijl hij die broodnodig heeft, laat het duidelijkst zien wie de Allerhoogste is. Daden zeggen meer dan woorden. Genade die we met eigen ogen zien gebeuren, maakt méér indruk dan de zachtste belofte. Jeruzalem dat weer overeind komt, de gemeente die opnieuw wordt opgebouwd, moedeloze zielen die nieuwe moed krijgen: al die tekenen van Jehova’s kracht om te zegenen zijn als aanplakbiljetten en officiële bekendmakingen op de muren van Sion. Ze maken het karakter en de heerlijkheid van de grote God openbaar.

Elke dag zou voor ons een nieuwe krant vol liefde moeten zijn, hofnieuws rechtstreeks uit de hemel, een dagelijks bericht uit het hoofdkwartier van de genade. Het is onze plicht om dit aan onze medechristenen door te geven. Zo worden zij medezangers van onze lofprijs, want ze horen wat voor goeds wij hebben ervaren. God laat Zijn barmhartigheid zo welsprekend spreken, dat wij niet kunnen blijven zwijgen. Wat God voor ons persoonlijk en voor de hele gemeente heeft gedaan, aan anderen vertellen: dat is zó vanzelfsprekend onze taak dat niemand ons daartoe hoeft aan te sporen. Bij alles wat Hij doet, heeft God de eer van Zijn genade op het oog. Wij mogen Hem die lof niet met opzet onthouden, alsof wij Hem Zijn verdiende inkomsten afhandig maakten.

Vers 23

“Wanneer de volken samen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den HEERE te dienen.” In de gouden tijden waarin de heidense volken zich tot God bekeren, zal er nog over het grote werk gesproken worden: het herstel van het verwoeste Sion. Zelfs die heerlijke tijden zullen deze machtige gebeurtenis niet klein doen lijken. Net als de tocht van Israël door de Rode Zee zal zij nooit door iets groters in de schaduw worden gesteld, en bij het uitverkoren volk zal zij steeds opnieuw geestdrift wekken. Wat een gelukkige dag wordt het wanneer alle volken samen alleen Jehova aanbidden!

Dan leest men de geschiedenis van vroeger met aanbiddende verbazing. Dan ziet men dat de hand van de Heere altijd heeft gerust op het gewijde leger van Zijn uitverkorenen. Dan stijgen jubelende lofzangen op naar de hemel, ter ere van Hem Die de gevangenen bevrijdde en de ter dood veroordeelden redde. Hij liet de verwoestingen van eeuwen weer verrijzen en maakte van stenen en puin een tempel waar Hij aanbeden wordt.

Vers 24

“Hij heeft mijn kracht op den weg ter nedergedrukt.” Hier zakt de psalmist weer terug in de treurige toon en stort hij zijn eigen klacht uit. Zijn verdriet had zijn geest gebroken en zelfs zijn lichaam kracht ontnomen. Hij leek op een pelgrim die kreupel langs de weg hinkt en bijna neervalt om te sterven. “Mijn dagen heeft Hij verkort.” Hij koesterde stralende verwachtingen voor Jeruzalem, maar hij was bang dat hij dit leven al zou hebben verlaten lang voordat die visioenen werkelijkheid werden. Hij voelde zichzelf wegkwijnen en dacht dat hij maar kort zou leven. Misschien is dat ook onze weg. Dan helpt het ons enorm om daarmee vrede te hebben, als we er zeker van zijn dat het allergrootste belang veilig is. De goede, oude zaak ligt veilig in de handen van de Heere.

Vers 25

“Ik zeide: Mijn God! neem mij niet weg in het midden mijner dagen.” Hij nam zijn toevlucht tot het gebed. Wat is er een beter middel tegen hartzeer en neerslachtigheid? We mogen gerust bidden om herstel van een ziekte, en we mogen hopen dat we verhoord worden. Gelovigen hoeven de dood niet te vrezen, maar het is hun niet verboden om van het leven te houden. Er zijn veel redenen waarom iemand met de beste hoop op de hemel toch nog een poosje hier wil blijven: om zijn gezin, zijn werk, de gemeente van God en zelfs om de eer van God Zelf.

Sommigen vertalen deze woorden zo: “Neem mij niet op.” Laat mij niet opstijgen als rook die verdwijnt. Laat mij niet wegvoeren in een wervelwind, zoals Elia in een wagen van vuur. Want ik heb pas de helft van mijn dagen gezien, en dat was nog de treurige helft ook. Laat mij leven totdat de gure ochtend overgaat in een stralende middag, in een gelukkiger bestaan. “Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht.” U leeft, Heere; laat ook mij leven. Bij U is het leven in al zijn volheid; laat mij daar deel aan hebben.

Kijk goed naar het contrast. Aan de ene kant staat de psalmist, wegkwijnend en bijna stervend. Aan de andere kant staat zijn God, Die voortleeft in volle kracht, tot in alle eeuwigheid. Dit contrast geeft grote troost aan ieder wiens hart op de Heere steunt. Gezegend is Zijn Naam! Hij laat ons niet in de steek. Daarom zal ook onze hoop ons niet teleurstellen. We zullen niet wanhopen, niet voor onszelf en niet voor Zijn gemeente.

Vers 26

“Gij hebt voormaals de aarde gegrond.” God is niet nieuw in het scheppen. Daarom is het voor Hem ook geen moeilijke zaak om “Jeruzalem” te “stellen tot een lof op aarde”. Lang voordat de heilige stad in puin lag, maakte de Heere een wereld uit niets. Hij hoeft Zich dus niet in te spannen om de muren uit het puin op te trekken en de stenen weer laag voor laag op hun plaats te leggen. Wij kunnen ons eigen bestaan niet in stand houden, en aan een ander kunnen we geen leven geven. De Heere echter bestaat niet alleen: Hij is de Maker van alles wat bestaat. Als onze zaken op het allerlaagste punt staan, hoeven we dus niet te wanhopen. De almachtige en eeuwige Heere kan ons nog altijd herstellen.

“En de hemelen zijn het werk Uwer handen.” U kunt dus niet alleen het fundament van Sion leggen, maar ook het dak erop zetten. U hebt immers ook de wereld overwelfd met een gewelf van blauw. De hoogste verdiepingen van Uw aardse paleis zullen zonder moeite verrijzen als U Zelf de bouw ter hand neemt, want U bent de Bouwmeester van de sterren en van de hemelbanen waarin ze draaien. Moet er iets groots gebeuren? Dan stelt het buitengewoon gerust om te denken aan de macht van Hem Die het op Zich genomen heeft. En als onze eigen kracht op is, doet het ons ontzettend goed te zien dat Zijn onuitputtelijke energie nog steeds voor ons werkt.

Vers 27

“Die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven.” De macht die hen schiep, zal hen ook oplossen, zoals ook de stad van Uw liefde op Uw bevel is verwoest. Toch kan noch de verwoeste stad, noch de verwoeste aarde iets in U veranderen. Uw plan blijft staan en Uw heerlijkheid wordt er niet kleiner van. U blijft staan terwijl alles instort. “En zij alle zullen als een kleed verouden; Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn.” De tijd knaagt aan alles. Wat modern was, raakt uit de mode en verdwijnt. De zichtbare schepping is als het kleed van de onzichtbare God, en dat kleed veroudert en slijt.

Onze grote Koning is echter niet zó arm dat Hij steeds dezelfde gewaden moet dragen. Binnenkort vouwt Hij de werelden op en legt Hij ze weg als versleten kleren. Dan trekt Hij nieuwe kleding aan en maakt Hij een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont. Wat gaat dat gemakkelijk! “Gij zult ze veranderen …, en zij zullen veranderd zijn.” Bij de schepping gaat het zo, en bij het herstel ook: Gods almacht baant zich een weg, zonder dat iets haar kan tegenhouden.

Vers 28

“Maar Gij zijt Dezelfde”, of: “Gij zijt Hij.” Een mens blijft dezelfde als hij andere kleren aantrekt. Zo blijft ook de Heere voor altijd de Onveranderlijke, al verandert Zijn werk in de schepping en wisselt de manier waarop Hij de wereld bestuurt. Hemel en aarde vluchten weg voor het angstwekkende gelaat van de grote Rechter, maar Hij blijft onveranderd, midden in die vreselijke chaos. Een wereld in vlammen verandert niets in Hem. Zo bedacht ook de psalmist dat God Dezelfde bleef, ook toen Israël was verslagen, zijn hoofdstad verwoest en zijn tempel met de grond gelijkgemaakt.

God is het Wezen dat uit Zichzelf bestaat en aan Zichzelf genoeg heeft. Hij zou Zijn volk herstellen, zoals Hij ook hemel en aarde zal herstellen, en Hij zou er tegelijk een nieuwe heerlijkheid aan geven, zoals er nooit eerder een bestond. We zouden vaker moeten nadenken over Gods onveranderlijkheid. Wie dat verwaarloost, geeft zijn theologie een verkeerde kleur. Zulke leraren zeggen dan veel dingen waarvan ze allang het ongerijmde zouden hebben ingezien, als ze de uitspraak van God hadden onthouden: “Want Ik, de HEERE, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.”

“En Uw jaren zullen niet geëindigd worden.” God leeft voort. Geen verval kan Hem raken en geen ondergang kan Hem overvallen. Wat een vreugde! We kunnen onze liefste vrienden op aarde kwijtraken, maar nooit onze Vriend in de hemel. Mensen worden vaak plotseling weggerukt, en zelfs een lang leven telt maar weinig jaren. Maar de jaren van de rechterhand van de Allerhoogste zijn niet te tellen. Ze hebben geen eerste en geen laatste, geen begin en geen einde. O mijn ziel, verheug je altijd in de Heere, want Hij blijft altijd Dezelfde.

Vers 29

“De kinderen Uwer knechten zullen wonen.” Eerder in deze psalm keek de psalmist al vooruit naar een komend geslacht. Hier zegt hij vol vertrouwen dat dat geslacht er komt, en dat God het zal bewaren en zegenen. Sommigen lezen het als een gebed: “Laat de zonen van Uw knechten blijven.” Hoe het ook zij, het is een bemoediging voor ons. We mogen de Heere om Zijn genade vragen voor onze kinderen en kleinkinderen. En we mogen verwachten dat de zaak van God en van de waarheid in latere generaties weer tot leven komt.

Laten we hopen dat wie ons opvolgen, minder koppig, ongelovig en eigenzinnig zullen zijn dan wij zijn geweest. De gemeente is kleiner en zwakker geworden door de lauwheid van het huidige geslacht. Laten we de Heere daarom smeken om betere mensen te geven, wier ijver en gehoorzaamheid een lange tijd van bloei zullen brengen en die ook zullen vasthouden. Mogen onze eigen dierbaren bij dat betere geslacht horen, dat in de wegen van de Heere volhardt en gehoorzaam blijft tot het einde.

“En hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden.” God vergeet de kinderen van Zijn knechten niet. Het is de gewone regel dat Abrahams Izaäk van de Heere is, dat Izaäks Jakob de Allerhoogste dierbaar is en dat Jakobs Jozef genade vindt in Gods ogen. Genade erf je niet. Toch laat God Zich graag dienen door dezelfde familie, al van oudsher, zoals ook veel grootgrondbezitters er blij mee zijn als dezelfde families van generatie op generatie hun grond pachten. Hier ligt de hoop van Sion: haar zonen zullen haar opbouwen en haar nageslacht zal haar oude heerlijkheid herstellen. Daarom bidden we elke dag, niet alleen voor onszelf maar ook uit liefde voor de gemeente van God, dat onze zonen en dochters behouden worden. We bidden dat Gods genade hen bewaart tot het einde, bevestigd voor het aangezicht van de Heere.

Zo zijn we door de wolk heen getrokken; in de volgende psalm zullen we baden in het zonlicht. Zo wisselvallig is het leven van een gelovige. In Romeinen 7 kermt en zucht Paulus, en in Romeinen 8 juicht hij en springt hij op van vreugde. Zo gaan ook wij van het jammeren van de honderdtweede psalm naar het zingen en dansen van de honderdderde. Wij prijzen de Heere, want “des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich”.

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Titel

“Een gebed”, enz. Het gebed dat nu volgt, is langer dan andere. Satan is onze Tegenpartij in de rechtszaak. Als hij zijn aanklachten tegen ons uitbreidt, moeten wij onze verweerschriften voor onze eigen zielen ook verlengen. De machten van de duisternis rekken hun worstelingen op en vermenigvuldigen ze; zo moeten ook wij in het gebed onze tegenworstelingen opvoeren. Ef. 6:12,18. — Thomas Cobbet, 1667.

Titel

“Als hij … uitstort”, enz. Hier zien we hoe de gemeente bidt in haar uiterste nood. Het beeld is dat van een vat dat zo vol zit met jonge wijn of sterke drank dat het barst, omdat het lucht nodig heeft. Wat een kreten uit het diepst van haar hart slaakt zij de hele dag! Dit is geen lui, loom gepraat met de lippen. Het zijn geen afgemeten gebedsformulieren en geen lege woorden, waarmee zij nooit een troostend antwoord van haar God zou krijgen en haar beladen ziel ook niet de minste verlichting. Nee, het zijn uitgestorte gebeden, zoals die van Hanna, 1 Sam. 1:15, en van Jeremia, Klaagl. 2:12. Ze worden naar buiten geperst door een hevige geest en door de pijn van innerlijk verdriet. Zo gaat de Heere met Zijn gemeente en Zijn volk om: eer Hij bekers vol vertroosting uitschenkt, moeten zij eerst overvloedig tranen laten vloeien. — Finiens Canus Vove.

Titel

Dit is het gebed van wie treurt en bezwijkt, mat en moe,
en zucht zijn klacht de eeuwige Vader toe.

— John Keble.

Gehele psalm

Sommigen schrijven deze psalm toe aan Daniël, aan Jeremia, aan Nehemia of aan een andere profeet uit de tijd van de ballingschap. De schrijver van de brief aan de Hebreeën heeft Ps. 102:26-28 betrokken op onze Heere en op Zijn koninkrijk dat nooit zal eindigen. — Adam Clarke.

Gehele psalm

Zonder het onderwijs van de apostelen had volgens mij niemand van ons de moed gehad om deze psalm zo te lezen. In veel opzichten is dit namelijk de opmerkelijkste van alle psalmen: de psalm “des verdrukten”, terwijl zijn ziel in hem bezwijkt onder zware verdrukking, droefheid en angstige vrees. — Adolph Saphir, in “Expository Lectures on the Epistle to the Hebrews”.

Vers 2

“O HEERE! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen.” Zien we bedelaars of arme mensen die door honger en kou gekweld worden, vol zweren op straat liggen in steden en dorpen, dan raakt dat ons innerlijk wel een beetje en voelen we medelijden en barmhartigheid. Maar luisteren we zelf aandachtig naar hun jammerklachten, hun geroep en hun klagelijke geluiden, dan worden we nog veel sterker bewogen om hun medelijden en barmhartigheid te bewijzen. Niemand anders kan het leed van zieken en gewonden namelijk zo goed en zo aangrijpend laten zien als zij zelf.

Het ellendige geroep en gejammer van mensen in lichamelijke pijn en nood kan al zoveel doen met het hart van sterfelijke schepselen. Daarom twijfel ik er niet aan, goede Heere, dat U, Die helemaal vol genade bent, wel geneigd zult zijn om Uw barmhartigheid te bewijzen, als mijn treurige roep en smeekbede maar tot Uw oren of voor Uw aangezicht mag komen. — John Fisher (1459-1535), in “A Treatise concerning the fruitful Sayings of David”, 1714.

Vers 2

“Mijn gebed.” Het is zijn eigen gebed, niet dat van een ander. Het is niet voor hem geschreven, maar door hem opgesteld. Het kwam uit zijn eigen hart en van oprechte lippen. Hij sprak het uit met een diep besef van zijn eigen gebrek en zijn eigen zorgen. De Geest van God had het hem ingegeven en in zijn hart gewerkt. Toch noemt hij het zijn eigen gebed, omdat hij het in geloof en met vuur opzond. En hij wil dat het verhoord wordt. — John Gill.

Vers 2

“Mijn geroep.” Misschien baat mijn bidden niet. Zie dan, o God, ik maak er een roepen van. Roepen is, zou ik zeggen, de grootste klok in het hele klokkenspel van het gebed, want harder dan roepen kan ik niet bidden. O, laat dan, als mijn gebed niet tot U komt, toch minstens mijn geroep tot U komen. Word ik niet verhoord als ik roep? Dan zal ik roepen omdat ik niet verhoord ben. Word ik wel verhoord als ik roep? Dan zal ik roepen om nog meer verhoord te worden. Verhoord of niet verhoord: ik blijf roepen. God geve dat ik blijf roepen, zodat het U, o God, behaagt “mijn gebed te horen” en “mijn geroep tot U te laten komen”. — Sir R. Baker.

Verzen 2-3

Deze woorden zijn de taal van godvruchtig verdriet, van geloof, van verdrukking en van angstige hoop. Het is de taal van geloof, want de godvrezende smekeling heft zijn hart en zijn stem op naar de hemel, “als ziende den Onzienlijke” (Hebr. 11:27). Hij bidt Hem om zijn gebed te verhoren en naar zijn roepen te luisteren. Het is de taal van verdrukking, want hij zegt dat hij ellende doormaakt en in zijn nood het gelaat van de Heere niet wil missen. En het is de taal van angstige hoop, want hij lijkt te verwachten dat zijn gebeden, midden in zijn gezucht, net als die van Cornelius “tot gedachtenis” zullen “opkomen voor God”, en dat God hem zal verhoren, “en wel haast”. — Charles Oxenden, in “Sermons on the Seven Penitential Psalms”, 1838.

Verzen 2-3

De Heere laat Zijn stamelende kinderen op hun eigen manier tegen Hem praten, ook al passen hun woorden niet bij Zijn geestelijke, onzichtbare en onbegrijpelijke majesteit. Denk aan uitdrukkingen als “Hoor mij”, “verberg Uw aangezicht niet”, “neig Uw oor tot mij” en dergelijke meer. — David Dickson.

Verzen 2-3

Let op het beeld: David zendt zijn gebed als een heilige gezant naar God. Een gezantschap slaagt alleen als vier voorwaarden vervuld zijn. Men moet de gezant vriendelijk aankijken. Men moet bereidwillig naar hem luisteren. En hij moet snel naar huis kunnen terugkeren, zodra men zijn eisen heeft ingewilligd. Al deze vier dingen vraagt David, als smekeling, van God, zijn Koning. — Le Blanc.

Vers 3

“Neig Uw oor tot mij.” Je hoort in deze woorden hoe uitgeput de verdrukte is. Hij is zó doodmoe dat roepen bijna niet meer lukt. Zijn stem is zacht en hij mompelt als een zieke man zonder kracht. Wie hem wil verstaan, moet zijn oor dicht naar hem toe brengen. — Martin Geier.

Vers 4

“Vergaan als rook” lees je beter als: “vergaan als in rook”, alsof zijn dagen in rook en as opgaan. “Verbrand als een haardstede” is geen gelukkige vertaling, want een “haardstede” hoort niet te kunnen branden. Beter is: “verbrand als een bundel takken”, of als welke brandstof ook. Het gaat erom dat mijn dagen wegteren tot niets, nergens toe leiden en verloren gaan. — Henry Cowles.

Vers 4

“Mijn dagen zijn vergaan als rook”, of, letterlijk naar het Hebreeuws: “in (tot) rook.” Precies dezelfde woorden had David in Ps. 37:20 gebruikt voor “de vijanden des HEEREN”: “met den rook zullen zij verdwijnen” (vergelijk Ps. 68:3). Hiermee klaagt de ideale lijder eigenlijk dat hem het lot van de goddelozen overkomt, ook al is hij rechtvaardig (Ps. 101:1-8). — A. R. Fausset.

Vers 4

“Mijn dagen zijn vergaan als rook.” Rook is een damp die uit het vuur opstijgt en zelf toch geen warmte heeft. Zo zijn mijn dagen uit het hete land van de jeugd gekomen en in het koude gebied van de ouderdom beland. Rook lijkt op het moment zelf een dichte massa, maar lost snel op in de lucht. Zo maakten mijn dagen eerst zoveel indruk, alsof ze nooit op zouden raken. Maar nu zijn ze helaas verteerd en laten ze mij nauwelijks nog iets van een bestaan. Rook is zwart van het roet en geen lust voor het oog. Zo zijn ook mijn dagen donker en in rouw gehuld, zonder vreugde of genot.

Rook stijgt wel op, maar verteert zichzelf al stijgend en wordt niets. Zo worden mijn dagen verteerd terwijl ze groeien, en worden ze minder terwijl ze meer worden. Hun overvloed heeft schaarste gebracht: hoe meer ze waren, hoe minder er over zijn. En hoe kunnen mijn dagen anders dan verteren als rook, nu mijn beenderen verbrand zijn als een haardstede? Op een uitgebrande haardstede brandt immers geen vuur meer. Mijn beenderen zijn als de haardstede waarop het vuur van mijn leven wordt aangelegd. Zijn die eenmaal verbrand, hoe kan er dan nog levensvuur op branden? En als er geen vuur meer kan komen, wat blijft er dan over behalve rook? — Sir R. Baker.

Vers 4

“Als een haard.” Het oude Targum vertaalt: als een drievoet of een rooster. De Arabische vertaling heeft: als een braadpan. — John Gill.

Vers 5

“Mijn hart is geslagen en verdord als gras.” De psalmist denkt aan gras dat in de wei wordt gemaaid. Eerst treft de zeis het, daarna droogt de zon het uit. Zo troffen Gods oordelen eerst het volk van de Joden, en nu verschrompelen zij in de brandende gloed van het vuur van de Chaldeeën. — Adam Clarke.

Vers 5

“Zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.” Ik heb wel gehoord van mensen die hun eigen naam vergaten, maar van iemand die vergat te eten heb ik nooit gehoord. Er is namelijk een soort souffleur, honger genaamd, die iemand aan zijn maaltijd herinnert, of hij wil of niet. En toch klopt het: als het hart verschroeid en verdord is als gras, dan volgt zulk vergeten onvermijdelijk. Komt dat doordat het verdorren van het hart de eerste oorzaak van verdriet is, of in elk geval de oorzaak van het eerste verdriet? En doordat overmatig verdriet de moeder is van verdoving, zodat het de lichaamskrachten dooft en gevoelloos maakt, waardoor verstand en geheugen hun werk niet meer kunnen doen?

Of komt het doordat verdriet zozeer opgaat in datgene waarover het treurt, dat het aan niets anders kan denken? Of komt het doordat de natuur redeneert dat eten in verdriet het voeden van verdriet zou zijn, en daarom liever van alle eten afziet? Of komt het doordat verdriet vocht uit de hersenen trekt en de ogen met water vult, en zo ook uit andere delen een soortgelijk vocht trekt, dat de maag vult in plaats van voedsel? Wat de oorzaak ook is, verdriet heeft een wonderlijke werking. Het zorgt er niet alleen voor dat de maag haar voedsel afwijst, maar ook dat de hersenen de maag vergeten, hoewel die twee van nature zo verwant zijn en zo nauw met elkaar verbonden.

Maar de kracht van het hart brengt een overvloed aan levensgeesten voort. Die verspreiden zich naar alle delen en geven ieder deel een natuurlijke eetlust. Is het hart verschroeid en verdord als gras en zit er geen kracht meer in, dan staan die levensgeesten meteen stil. Dan is het geen wonder dat de maag haar eetlust verliest en vergeet brood te eten. — Sir R. Baker.

Vers 5

“Zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.” Heeft verdriet de geest zo terneergedrukt, dan heeft een mens geen trek meer in juist het voedsel dat hem weer kracht en moed zou moeten geven. Achab werd door de ene soort smart getroffen, David door een andere en Daniël door een derde. Allemaal vergaten ze hun brood te eten, of weigerden ze dat. 1 Kon. 21:4; 2 Sam. 12:16; Dan. 10:3. Zo vanzelfsprekend horen rouw en vasten bij elkaar. — Samuel Burder.

Vers 6

“Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees.” Kleeft het gebeente al aan de huid, dan zullen beide spoedig ook aan het stof kleven. — Joseph Caryl.

Vers 6

Iedereen weet dat verdriet het lichaam snel kan doen uitteren. Een ooggetuige vertelt dit over kardinaal Wolsey. Toen hij hoorde dat zijn meester hem niet meer gunstig gezind was, kwam er een hele nacht lang zo’n angst en verdriet over hem, dat zijn gezicht de volgende ochtend nog maar half zo vol was als gewoonlijk.

Vers 7

“Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden.” De Kaath was een vogel van de eenzaamheid. Je vond hem in de “woestijn”, dus ver weg van waar mensen wonen. Dat past bij de pelikaan: hij zoekt de buurt van mensen niet op en trekt graag naar wijde, onbewerkte streken, waar niemand hem lastigvalt. Daar bouwt hij zijn nest en daar broedt hij zijn jongen uit. Daarheen keert hij na de maaltijd ook terug, om zijn overvloedige maal in alle rust te verteren. Tristram merkt terecht op dat de psalmist hier mogelijk zinspeelt op een gewoonte van de pelikaan en zijn verwanten: als zij zich volgegeten hebben, zitten ze uren stil, met de kop tussen de schouders en de snavel op de borst. — J.G. Wood.

Vers 7

“Een pelikaan der woestijn.” Pas bij Hulet heb ik de pelikaan van de woestijn gezien, zoals David hem noemt. Vlak onder deze plaats liet ik er eens een neerschieten. Hij was alleen in de vleugel gewond, dus ik kon zijn aard goed bestuderen. Het was zonder enige twijfel de somberste en strengste vogel die ik ooit zag. Alleen al kijken naar hem maakte je zwaarmoedig, zo grimmig en somber zag hij eruit. David kon geen beter beeld van eenzaamheid en droefheid vinden om zijn eigen treurige toestand mee te schetsen. De vogel leek zo groot als een halfwassen ezel, en stond hij stevig op zijn sterke poten, dan zag hij er ook zo uit. Je ziet de pelikaan alleen in deze afgelegen oorden waar niemand komt. — W.M. Thomson.

Vers 7

Bedenk dat je niet hoeft te klagen, zoals Elia, dat je als enige bent overgebleven. De allerbeste heiligen van God hebben in alle eeuwen op dezelfde manier pijn geleden. Neem David maar. Soms roemt hij: “Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.” Maar even later klaagt hij: “Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan.” Wat is er van die grazige weiden geworden? De droogte heeft ze verschroeid. En waar zijn die stille wateren? De storm van de ellende heeft ze beroerd. Diezelfde David noemt zichzelf een “uil”, en in de volgende psalm gelijkt hij op een “arend”.

Zijn er twee vogels die meer van elkaar verschillen? De een wordt bespot, de ander is de vorst. De een is de traagste en de ander de snelste. De een ziet het scherpst en de ander het slechtst van alle vogels. Verbaas je er dus niet over dat je zelf plotseling en vreemd van toestand kunt wisselen. Alle dienaren van God ondervonden dat in hun worsteling met de verzoeking. Wees er zeker van: nu zit je door verdriet misschien vast op de grond, maar op Gods tijd drijf je weer, vol troost, op het water. — Thomas Fuller.

Vers 7

“Uil.” Het Hebreeuwse woord cos duidt waarschijnlijk op een soort uil. In Lev. 11:17 en Deut. 14:16 wordt het genoemd onder de onreine vogels, en daar wordt het met “steenuil” vertaald. Ook in Ps. 102:7 komt het voor: “Ik ben gelijk een pelikaan der woestijn, ik ben gelijk een uil der verwoeste plaatsen” (Statenvertaling: “woestijn”). Op sommige plaatsen in de Schrift betekent cos “beker”. Het komt van een wortel die “ontvangen”, “verbergen” of “bijeenbrengen” betekent. Daarom heeft men gedacht dat de pelikaan, “de beker” of “de zakvogel”, de bedoelde vogel is. Dan zou het vers zo moeten luiden: “Ik ben geworden als een pelikaan in de woestijn, ja als de zakvogel in de eenzame oorden.” Maar zowel de pelikaan als de cos staan in de lijst van vogels die niet gegeten mochten worden.

Dat pleit tegen deze gedachte, tenzij het woord in de tijd van de psalmist een andere betekenis had gekregen, en dat is niet waarschijnlijk. De uitdrukking cos “der verwoeste plaatsen” wijst sterk op een of andere uil. In het Arabisch gebruikt men een verwante uitdrukking uitdrukkelijk als een van de namen voor een uil: um elcharab, dat is “moeder der ruïnes”. De Septuagint vertaalt cos met nukticorax. Uit Aristoteles weten we dat dit Griekse woord hetzelfde betekende als ōtos, en zijn beschrijving van de vogel laat zien dat het ging om een van de soorten uilen met oorpluimen.

Dr. Tristram neigt ertoe in cos de kleine Athene persica te zien. Dat is de meest voorkomende uil in Palestina, de tegenhanger van de Athene noctua in Zuid-Europa. De Arabieren noemen deze vogel “boomah”, naar zijn roep. Men beschrijft hem als “een zonderling en komisch uitziend vogeltje, vertrouwd en toch op zijn hoede. Het beestje beweegt zich nooit zonder noodzaak en blijft op zijn zitstok zitten, tenzij het goede reden heeft te denken dat men het heeft ontdekt. Dan draait het zijn kop, in plaats van zijn ogen, heen en weer om te zien wat er gebeurt”.

Je vindt hem tussen de rotsen in de wadi’s of in bomen langs het water, in olijfgaarden, in de graven en op de ruïnes, op de zandheuvels van Berseba en op “de door het zeeschuim geteisterde brokstukken van Tyrus. Zijn zachte, klaaglijke roep is daar bij zonsondergang zeker te horen, en je ziet hemzelf buigen en de maat slaan bij zijn eigen muziek”. — W. Houghton, in “Cassell’s Biblical Educator”, 1874.

Vers 7

Uil van de woestijn.

Alleen uit gindse, met klimop omrankte toren
klaagt nog de sombere uil de maan zijn leed
om wie, te dicht bij zijn verborgen schuilplaats dwalend,
zijn oude, eenzame rijk komt verstoren.

— Thomas Gray (1716-1771).

Vers 8

“Ik waak.” Juist in de uren die voor de slaap bedoeld zijn, “waak ik”. Zo zit een klein vogeltje eenzaam op het dak, terwijl iedereen onder hem rustig slaapt, de slaap die Hij Zijn beminden schenkt. — Alfred Edersheim.

Vers 8

“Een eenzame mus op het dak.” Als zo’n vogel zijn partner verliest, en dat gebeurt dagelijks, zit hij alleen op het dak. Uren aaneen klaagt hij dan over het verdriet dat hem getroffen heeft. — W. M. Thomson.

Vers 8

“Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus”, enz. Het kan niet anders of de “eenzame en zwaarmoedige mus op de daken” is niet de levendige mus die in groepen leeft. Die verzamelt zich in grote aantallen op haar geliefde eetplekken, de daken van het Oosten. We moeten dus naar een andere vogel zoeken. Natuuronderzoekers zijn het er inmiddels over eens dat de blauwe lijster (Petrocossyphus cyaneus) de tzippor kan zijn waar het hier om gaat: de kleine vogel die alleen op de daken zit. Hij is donkerblauw en dankt daar zijn gewone naam aan.

Zijn manier van leven past precies bij eenzaamheid en zwaarmoedigheid. Blauwe lijsters vormen nooit zwermen; meer dan een paartje bij elkaar zie je bijna nooit. Hij zit graag boven op de huizen en laat daar zijn roep klinken. Voor hemzelf is dat misschien een aangenaam geluid, maar in de oren van mensen klinkt het eentonig en droefgeestig. — J.G. Wood, in “Bible Animals”.

Vers 8

“Een eenzame mus.” De meeste lezers vinden het beeld, zoals onze vertaling het geeft, vreemd gekozen. De psalmist wil er immers een toestand van nood en verlatenheid mee uitdrukken. De mus komt in het hele Oosten bij de huizen voor, net als bij ons. Maar overal is hij een van de meest gezellige vogels, vrolijk tot het brutale toe, en eerder ondeugend dan teruggetrokken en zwaarmoedig. Het woord in de grondtekst is een algemene naam voor alle kleine vogels. Het gaat om insecten- en vruchteneters die als rein golden en volgens de wet gegeten mochten worden: lijsters, leeuweriken, kwikstaarten, vinken, en dus ook mussen.

Het lijkt eigenlijk gewoon een nabootsing van het geluid dat al die vogels gewoonlijk maken, zoals ons woord “tjilpen”. De meeste uitleggers houden het daarom bij de vertaling “eenzame vogel” of “eenzaam vogeltje”. Maar dat stelt helemaal niet tevreden, want het zegt niet om welke soort het gaat. Het is heel waarschijnlijk dat de psalmist, die aan het einde van de Babylonische ballingschap schreef, een bepaalde vogel voor ogen had, een vogel die bij zijn beschrijving past en zijn afgezonderde toestand duidelijk maakt. Zo’n vogel bestaat vandaag nog, en je ziet hem veel in Zuid-Europa en West-Azië.

Zijn leefwijze is bij de wereld nauwelijks bekend, en alle bijbelverklaarders hebben zijn bestaan tot nu toe over het hoofd gezien. Opmerkelijk genoeg noemt men de vogel gewoonlijk een mus, maar dat is ten onrechte. Hij is een echte lijster, in grootte, vorm, gewoonten en zang. Hij valt in het hele Oosten op tussen de rest van zijn soort door zijn duidelijke voorkeur om eenzaam op de woningen van mensen te zitten. Hij gaat met geen enkele andere vogel om en zoekt ze niet op, en zijn eigen partner alleen in één jaargetijde. Zelfs dan zie je hem vaak helemaal alleen op het dak.

Daar zingt hij zijn zoete, klagende wijsjes en gaat hij al zingend van dak naar dak. Amerika heeft zijn eigen eenzame lijster, van een andere soort en met iets andere gewoonten. De donkere, eenzame riet- en mirtemoerassen van de zuidelijke staten zijn de lievelingsplaats van deze kluizenaarsvogel. Hoe dichter en somberder ze zijn, hoe zekerder je hem daar rondfladderend aantreft. — “The Biblical Treasury”.

Vers 8

“Alleen.” Maar weinig mensen beseffen wat eenzaamheid werkelijk is en hoe ver ze gaat. Een menigte is immers nog geen gezelschap. Gezichten zijn maar een galerij vol schilderijen, en praten is niet meer dan een rinkelend cimbaal waar liefde ontbreekt. Het Latijnse spreekwoord komt er enigszins bij in de buurt: “magna civitas, magna solitudo”. In een grote stad wonen vrienden namelijk verspreid, zodat daar meestal niet de gemeenschap is die je in kleinere buurten vindt. Maar we kunnen verder gaan en heel waarheidsgetrouw zeggen: het is pure, ellendige eenzaamheid om geen echte vrienden te hebben. Zonder hen is de hele wereld niet meer dan een kale woestijn. Ook in deze zin van eenzaamheid geldt: wie door zijn aard en zijn gevoelens ongeschikt is voor vriendschap, heeft dat van het dier en niet van de mens. — Francis Bacon.

Vers 8

“Alleen.” Hier zie je waarom mensen in moeilijke tijden zo graag de eenzaamheid opzoeken. Ze zitten vol verdriet. Verdriet dat diep wortel heeft geschoten, houdt zich van nature gesloten en gaat elk gesprek uit de weg. Het is iets heel stils en persoonlijks. Wie luidruchtig en praatziek is in zijn smart, is nooit echt diep bedroefd. Sommigen vragen zich verbaasd af waarom zwaarmoedige mensen zo graag alleen zijn. Ik zal je de reden zeggen. Ten eerste: de verstoorde lichaamssappen veranderen hun gemoed, hun stemming en hun neigingen zodanig dat ze niet meer zijn wie ze vroeger waren. Hun ziekte zelf keert zich af van alles wat vrolijk is en afleiding geeft.

Wie zich over hen verbaast, kan zich net zo goed verbazen dat ze ziek zijn. Dat zouden ze niet zijn als ze wisten hoe ze zichzelf konden helpen. Maar de ziekte van de zwaarmoedigheid is zo hardnekkig, en voor iedereen behalve de zieken zelf zo onbekend, dat alleen Gods macht haar helemaal kan overwinnen; een andere genezing ken ik niet. Ten tweede kiezen ze ervoor om alleen te zijn omdat mensen meestal geen acht slaan op wat ze zeggen. Ze geloven hen niet en bespotten hen liever, zoals ze dat bij mensen met andere kwalen niet zo wreed doen. Niemand mag het iemand kwalijk nemen dat hij gezelschap mijdt, als zijn woorden daar niet het gewone vertrouwen krijgen dat anderen wel krijgen.

Ten derde, en dit is de voornaamste reden waarom mensen in nood en droefheid alleen willen zijn: ze denken meestal dat zij zijn uitgekozen als het doelwit van Gods bijzondere ongenoegen. Door hun scherpe lijden zijn ze vaak een schrik voor zichzelf en een raadsel voor anderen. Het breekt hun hart om te zien hoe diep ze zijn gevallen en hoe zwaar ze worden gedrukt, terwijl ze vroeger net zo zorgeloos, vrolijk en hoopvol waren als anderen. Job 6:21: “gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd.” Ps. 71:7: “Ik ben velen als een wonder geweest.” Meestal vinden anderen het ook niet prettig om bij hen te zijn. Ps. 88:19: “Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis.”

Bij de vrienden van Job was dat anders. Zij hadden hem vroeger gekend als een gelukkig man en hadden hem zo voorspoedig gezien. Nu zagen ze hem zo arm en ongelukkig, in zo’n droevige, verlaten toestand, en dat greep hen heel diep aan. Die arme man was zo veranderd dat ze hem niet herkenden. Job 2:12-13: “En toen zij hun ogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hun stem op, en weenden; daartoe scheurden zij een ieder zijn mantel, en strooiden stof op hun hoofden naar den hemel. Alzo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat de smart zeer groot was.” Zo beschrijft de profeet ook iemand die zwaar lijdt in zijn geest: “Hij zitte eenzaam, en zwijge stil”, Klaagl. 3:28. — Timothy Rogers (1660-1729), in “A Discourse on Trouble of Mind, and the Disease of Melancholy”.

Vers 9

“Mijn vijanden smaden mij.” Plutarchus zegt terecht dat smaad een mens dieper raakt dan andere vormen van onrecht. Als je al lijdt, is laster bovendien nog scherper en pijnlijker, want wie lijdt, verdient juist medelijden in plaats van spot, zo schrijft hij. — Mollerus.

Vers 9

“Mijn vijanden smaden mij”, enz. Ben ik waar zij zijn, dan schelden ze me recht in mijn gezicht uit. Ben ik niet bij hen, dan lasteren ze me achter mijn rug. Ze doen dat ook niet maar bij vlagen, zodat ik even op adem zou kunnen komen. Nee, ze spuwen de hele dag hun gif. En ze komen niet een voor een, wat nog hoop op weerstand had gegeven. Ze sluiten verbonden en smeden bondgenootschappen tegen mij. Om die verbonden sterker en moeilijker te verbreken te maken, zweren ze er een eed op en nemen ze het sacrament erbij.

Tel nu al deze ellende maar bij elkaar op. Begin met mijn vasten. Neem dan mijn zuchten, en voeg mijn waken erbij. Dan komt de schaamte dat mensen in gezelschap vol verbazing naar me kijken, en de troosteloosheid van alleen en verlaten zitten. Tel ten slotte ook de wrok en de boosaardigheid van mijn vijanden erbij, die mij niet met rust laten. Is het dan een wonder dat al deze ellende samen mij helemaal ellendig maakt? Is het een wonder dat ik niets dan vel over been ben? Een verstandig stuk vlees blijft immers niet zitten op een lichaam dat zoveel ellende moet doorstaan. — Sir R. Baker.

Vers 9 (laatste zinsdeel)

Wie “bij iemand zweert”, maakt van zijn naam een vloek, een woord waarmee men anderen iets kwaads toewenst (Jes. 65:15; Jer. 29:22; 42:18). — Carl Bernard Moll, in Lange’s Commentary.

Vers 10

“Want ik eet as als brood.” Dat brood is inderdaad vreemd. Maar nog vreemder is dit: eerst klaagde hij dat hij vergat zijn brood te eten, en nu eet hij plotseling as als brood. Was het niet beter geweest als hij dat brood maar was blijven vergeten, tenzij onthouden meer de moeite waard was? Want niets in de natuur is zo ongeschikt om te eten als as. Het is erger dan het gras van Nebukadnezar. — Sir R. Baker.

Vers 10

“En vermeng mijn drank met tranen.” Vind je zijn brood slecht? Zijn drank is nog erger, want hij vermengt zijn drank met tranen. En wat zijn tranen anders dan zoute, brakke vochten? Is pekel een goede drank om je dorst mee te lessen? Kunnen we hier niet zeggen dat het middel erger is dan de kwaal? Zou het niet beter zijn om elke dorst te verdragen, dan hem met zo’n drank te willen lessen? Is het niet jammerlijk dat je niets anders in je maag kunt gieten dan wat uit je ogen is getrokken?

Toch: wie is er beter aan toe? Niemand zondigt immers anders dan om er plezier van te hebben. Maar zonde laat zich niet zo bedrijven. Wie zondigt, mag er namelijk zeker van zijn dat hij vroeg of laat duizendmaal meer ellende van heeft dan hij ooit plezier had. Alle zonde is een soort overlading van de maag. Je kunt alleen voorkomen dat zij dodelijk wordt door streng dieet te houden: as eten als brood en je drank met tranen vermengen. O mijn ziel, zijn dit de werken van bekering bij David, waar vinden we dan buiten hem nog een boetvaardige op de wereld? Praten over bekering doet iedereen gemakkelijk, het ligt op ieders lippen. Maar waar is iemand die as eet als brood en zijn drank met tranen vermengt? — Sir R. Baker.

Vers 11

“Want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen.” Hoog hebt U mij gezet, want wat mijn redelijke ziel betreft, hebt U mij naar Uw beeld gemaakt. Door Uw genade kan ik met lichaam én ziel de eeuwige vreugden van de hemel beërven, als ik hier naar Uw geboden leef. Wat kunt U mij, Heere, nog meer geven dan het genot van U, Die alles in allen bent? Hoger dan eeuwige zaligheid kunt U mij niet optillen. Maar helaas, daarna hebt U mij weer laten vallen, want mijn edele ziel hebt U samengebonden met een aards, zwaar en broos lichaam.

Dat zware gewicht trekt mijn gemoed en mijn hart weg van de gedachte aan Uw goedheid en van het goede doen. Het sleurt me mee naar allerlei ondeugden en naar het najagen van wat tijdelijk is, zoals de aard van dat lichaam nu eenmaal is; zo’n aardse woning houdt het verstand neer. U zette mij als het ware boven de wind, en gaf mij toch een heel diepe val (Job 30:22). In de schepping sta ik boven alle andere schepselen op aarde, bijna gelijk aan de engelen. Maar in deze staat hebt U daar een knoop aan vastgelegd: als ik zelfs maar het geringste van Uw geboden overtreed, zal ik de verdoemenis dragen. Zonder Uw voortdurende barmhartigheid en hulp sta ik er in dit opzicht dus slechter voor dan welk redeloos dier ook, want bij dat dier sterft het leven of de ziel samen met het lichaam. — Sir Anthony Cope (1551).

Vers 11

“Want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen.” Zo wilde God dat ik met meer kracht neerkwam. Significatur gravissima collisio (er wordt een zeer zware botsing aangeduid). De profeet klaagt God hier niet aan als wreed; hij beklaagt zijn eigen ellende. Miserum est fuisse felicem (het is geen kleine ongelukkigheid gelukkig te zijn geweest). — John Trapp.

Vers 12 (eerste zinsdeel)

“Mijn dagen” (de tijd van mijn leven) “zijn als een uitgerekte schaduw”. Het is de lange schaduw van de avond, die zegt dat de nacht dichtbij komt. Het beeld wordt niet strikt uitgewerkt, maar het roept op een mooie manier de bedoelde gedachte op. — Thomas J. Conant.

Vers 12 (laatste zinsdeel)

In het Hebreeuws is het woord “en ik” bewust gezet tegenover “Maar Gij”, Ps. 102:13. — A. R. Fausset.

Vers 14

“Gij zult opstaan, Gij zult U ontfermen”, enz. Tu miserebere (U zult U ontfermen). Dat “U zult” klinkt zoals de Sunamitische vrouw tot de profeet sprak, toen zij zijn voeten vastgreep, ook al probeerde Gehazi haar weg te duwen: Vivit Dominus (zo waarachtig de Heere leeft), “Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten!” Zo sprak ook Jakob tot de engel, nadat hij de hele nacht met hem had geworsteld: Non dimittam (ik zal U niet loslaten) tot ik een zegen van U heb ontvangen. Uit “A Sermon at Paules Crosse on behalfe of Paules Church, March 26, 1620. By the B. of London”. — John King.

Vers 14

“De tijd.” Voor Gods grote werken bestaat een vastgestelde tijd. De machten van de duisternis mogen hun uur hebben, maar God neemt dan Zijn uur. Voor de onthulling van Zijn barmhartigheid heeft Hij een tijdstip vastgesteld, en geen seconde later komt Hij. Wanneer is dat? Ps. 102:10, enz. Dat is het moment waarop zij “as eten als brood en hun drank met tranen vermengen”. Het is wanneer zij zich het diepst verootmoedigen en Gods dienaren een diepe liefde voor de gemeente voelen. Hun nederige, vurige liefde is dan zo sterk dat ze zelfs aan haar puinhopen hangt. Ze verlangen en smachten er hevig naar dat zij hersteld wordt. De Joden in de ballingschap smachtten zelfs naar het stof van de tempel. Ps. 102:15: “Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis.”

Dat woord “want” laat zien waarom zij meenden dat de gezette tijd was aangebroken. Gods gezette tijd is dus de tijd waarin de gemeente het meest gelooft, het meest nederig is, het meest hecht aan Gods belang in haar en het meest oprecht is. Zonder geloof kunnen we niet gepast om barmhartigheid vragen. Zonder nederigheid zijn we niet in staat haar te ontvangen. Zonder liefde kunnen we haar niet op waarde schatten. Zonder oprechtheid kunnen we er niets goeds mee doen. In tijden van uiterste nood groeien deze eigenschappen en worden ze geoefend. — Stephen Charnock.

Vers 15

“Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen.” Zij blijven dus aan haar verknocht en kijken met diepe liefde naar haar, ook al ligt zij nu in puin. Jeruzalem zelf geeft tot op de dag van vandaag een ontroerende illustratie bij deze tekst. Er is reden om te denken dat een flink deel van de onderste muren rond de huidige Omar-moskee, die op de plek van de oude Joodse tempel staat, nog hetzelfde is als bij de tempel van Salomo. Zeker de zuidelijke, de westelijke en de oostelijke kant zijn waarschijnlijk dezelfde. Op één plek zijn de resten van deze oude muur het grootst en het zwaarst: daar rijzen twee lagen metselwerk van reusachtige steenblokken dertig voet de hoogte in. Daar bevindt zich wat de Klaagmuur van de Joden wordt genoemd.

“Hier”, zegt dr. Olin, “aan de voet van de muur, ligt een open plein, geplaveid met platte stenen. Elke vrijdag komen de Joden hier samen, en op andere dagen in kleiner aantal, om te bidden en te treuren over de verwoesting van hun heilige plaatsen. Joden noch christenen mogen de Haram binnengaan, want die is gewijd aan de islamitische eredienst. Dit stuk muur is het dichtste punt waar zij kunnen komen bij de plek in het verboden gebied waar volgens hen precies de oude tempel stond. Zorgvuldig vegen ze de stenen schoon. Hun schoenen laten ze achter, want het is voor hen heilige grond. Ze staan of knielen met hun gezicht naar de oude muur. Zwijgend staren ze naar de eerbiedwaardige stenen, of ze storten hun klachten uit met halfonderdrukte maar hoorbare stemmen.

“Voor mij was dit altijd een ontroerend gezicht. Ik ging er steeds opnieuw heen om van dit weemoedige en toch bekoorlijke schouwspel te genieten en met hen mee te voelen. De arme mensen snikten soms hardop. Nog altijd vonden ze tranen om te huilen over de verwoesting van hun ‘schone huis’. ‘Indien ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mijn rechterhand zichzelve! Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke, zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap!’” — Kitto’s Pictorial Bible.

Vers 17

“Als de HEERE Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn.” God is zó eerlijk tegenover Zijn volk dat Hij Zijn eigen heerlijkheid als onderpand bij hen in bewaring geeft, als zekerheid voor hun veiligheid. Zijn heerlijkheidsgewaden liggen opgeborgen in hun welvaart en behoud. Hij zal Zich niet in al Zijn pracht en koninklijke majesteit laten zien, ja Hij kan dat niet, voordat Hij alles heeft voltooid wat Hij Zich aan barmhartigheid voor Zijn volk had voorgenomen. Het behaagt Hem het tijdstip waarop Hij voor de wereld in volle heerlijkheid verschijnt uit te stellen, tot Hij hen werkelijk heeft bevrijd.

Dan komen Hij en zij samen op dezelfde dag in hun heerlijkheid tevoorschijn: “Als de HEERE Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn.” De zon is altijd stralend, ook op de meest bewolkte dag. Maar pas als zij de wolken heeft weggejaagd die haar voor de wereld beneden verbergen, ziet men dat. Zo is God ook vol heerlijkheid wanneer de wereld Hem helemaal niet ziet. Pas als Zijn barmhartigheid, waarheid en trouw schitteren in de redding van Zijn volk, wordt Zijn heerlijkheid ook zichtbaar. Wat moet het je beschamen, christen, als je niet oprecht streeft naar de heerlijkheid van je God! Hij houdt zoveel van jou, ja van al Zijn kinderen, dat Hij Zijn eigen heerlijkheid en jouw geluk samen in één schip heeft gezet. Nu kan Hij het ene niet verliezen en het andere redden! — William Gurnall.

Vers 17

“Als de HEERE Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn.” Waarom verschijnt de Heere juist bij dit werk zo glansrijk, en bij geen enkel ander? Daar zijn twee redenen voor. Ten eerste: dit werk behaagt Hem oneindig. Mensen kiezen kleding en gedrag die passen bij het werk dat ze moeten doen. Toen de vrouw van Tekoa met een droevige boodschap op pad ging, moest zij zich voordoen als iemand in rouw. En David bedekte zijn gezicht en trok rouwkleding aan toen hij een bedroefde tocht ondernam. Maar gaat Salomo zich laten kronen, dan komt hij in al zijn koninklijke luister. En een bruid tooit zich prachtig wanneer ze gaat trouwen.

Zo doet ook de Heere. Neemt Hij een werk op Zich waar Hij geen vreugde in heeft, dan trekt Hij Zijn rouwkleding aan. Hij hult Zich dan in een wolk en bekleedt ook de hemelen met zwartheid. Moet Hij Zijn vreemde werk van het oordeel doen? Dan treurt Hij en zegt Hij: “Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboïm? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstoken.” Hos. 11:8.

Maar de bouw van Sion behaagt Hem oneindig, want Sion is voor Hem als Zijn oogappel. Hij kocht Sion tegen een hoge prijs, met Zijn eigen bloed. Hij draagt Sion in Zijn boezem en is verrukt over haar. Sion is Zijn liefde, Zijn duif, Zijn schone. Sion heeft Hij uitgekozen. Haar poorten zijn Hem dierbaarder dan alle woningen van Jakob. Het werk behaagt Hem zo, dat het niet verbaast dat Hij Zijn mooiste kleren aantrekt als Hij Sion gaat opbouwen en tooien. De tweede reden is dat alle eer die Hij in eeuwigheid verwacht, uit dit ene werk moet voortkomen: de bouw van Sion.

Dit ene werk wordt voor eeuwig het enige gedenkteken van Zijn heerlijkheid. Deze prachtige wereld, deze hemel en aarde die je ziet en waarvan je het gebruik geniet, is alleen neergezet als een winkel, een werkplaats. Ze blijft maar een week staan, zes- of zevenduizend jaar (bij de Heere zijn “duizend jaren als een dag”). Als Zijn werk klaar is, haalt Hij dit stuk klei weer neer. Daar verwacht Hij geen andere heerlijkheid van dan van een Kabul, een land van modder, een herdershut of een wonderboom die in één nacht opschiet en in één dag verdort.

Maar Sion bouwt Hij op met een hoger doel. Zij moet voor altijd de woonplaats zijn van Zijn heiligheid en eer. Zij is Zijn hoofdstad en Zijn tempel, het huis waar Zijn vuur brandt en Zijn oven staat, Zijn hof en Zijn schitterende, hoge troon. Daarom staat Zijn heerlijkheid hier sterk op het spel. Toen Nebukadnezar een stad wilde voor de eer van zijn rijk en de roem van zijn majesteit, liet hij er een indrukwekkend bouwwerk van maken. Salomo maakte zijn hele koninkrijk rijk en glansrijk. Maar zijn hof en vooral zijn troon maakte hij tot iets heel anders, zó statig dat geen ander koninkrijk iets dergelijks had. Geen wonder dus dat Hij in Zijn heerlijkheid verschijnt als Hij bouwt aan wat, mogen we vrijuit zeggen, eens zo schitterend zal worden als Zijn wijsheid het maar kan ontwerpen en Zijn macht het maar kan uitvoeren. — Stephen Marshall, in een preek voor het zeer eerbiedwaardige Hogerhuis, getiteld “God’s Master-Piece”, 1645.

Verzen 17-18

“Zal bouwen” — “zal verschijnen” — “zal Zich wenden” — en “zal niet verachten”. In de grondtekst staan al deze toekomstige werkwoorden in de tegenwoordige tijd: bouwt, verschijnt, wendt Zich en veracht niet. De psalmist is zo zeker van de afloop van de zaak dat hij erover spreekt alsof het nu al gebeurt, terwijl het nog moet komen. — Samuel Horsley.

Vers 18

“Hij heeft Zich gewend tot het gebed der verlatenen”, enz. Hier worden de mensen “de verlatenen” genoemd. Het Hebreeuwse woord dat hier met “verlatenen” is vertaald, betekent eigenlijk myrica, een lage struik, humiles myrica: laag struikgewas dat in woestenijen groeit. Sommigen denken aan jeneverstruiken, anderen aan een soort wilde tamarisk. Het was in ieder geval een armzalig, wild struikje, dat nergens anders groeide dan op een verlaten en eenzame plek. Soms wijst het woord in de tekst ook op de woestijnen van Arabië, het zandige woestijngebied van Arabië, een armzalige wildernis. Wordt dit woord op mensen toegepast, dan betekent het altijd: mensen die in de steek zijn gelaten, verachte mensen, mensen die alles kwijt zijn wat hen kon troosten.

Misschien hebben ze nooit kinderen gehad, of hun kinderen zijn hun ontnomen en al hun troost is hun afgenomen. Zij zijn volkomen alleen achtergebleven, als dorre heide in een verlaten, huilende wildernis. Over deze mensen spreekt mijn tekst: de Heere zal het gebed van “de verlatenen” aanzien. Zo was het nu met de gemeente van God gesteld toen zij dit gebed opzond. En toch voorzei zij in geloof dat God een zo heerlijk antwoord zou geven. … Hier ligt ook een les van bijzondere troost voor elke bedrukte ziel. Het verzekert haar dat God haar gebeden en smekingen met liefde aanziet.

Vaak heb ik gezien dat juist zulke arme verlatenen, die zichzelf zeer laag achten, van alle mensen het meest verlangen om de gebeden van hun vrienden te vragen en te krijgen. Zien ze iemand met gaven, met vrede, met een blij gemoed, met vrijmoedigheid en kracht om zijn plichten te doen? O, wat zijn ze dan blij met het gebed van zo iemand! “Ik smeek u, wilt u voor mij bidden? Wilt u mij gedenken voor de troon der genade?” Maar in werkelijkheid zouden al die mensen, als ze er goed over nadachten, juist liever de armen en verlatenen als voorbidders kiezen. Want wie God ook veronachtzaamt, naar de roep van de verlatenen en de armen luistert Hij zeker. Daarom, bedrukte ziel, die door stormen heen en weer wordt geslingerd en denkt dat de Heere je helemaal heeft verworpen: blijf je ziel voor Hem uitstorten. Hij heeft je trouw beloofd dat je beloond wordt: Hij zal het gebed van de verlatenen aanzien. — Stephen Marshall, in een preek getiteld “The Strong Helper”, 1645.

Vers 18

“Zich gewend zal hebben tot het gebed desgenen, die gans ontbloot is.” Merk op dat hij de verlossing en het herstel van het volk toeschrijft aan de gebeden van de gelovigen. Dat herstel is werkelijk een vrije gave, die helemaal afhangt van Gods barmhartigheid alleen. Toch schrijft God het Zelf vaak toe aan onze gebeden. Zo wekt Hij ons op en maakt Hij ons nog ijveriger in het bidden. — Mollerus.

Vers 18

“Het gebed desgenen, die gans ontbloot is.” Wie alles kwijt is, weet hoe hij moet bidden. Hij heeft helemaal geen leraar nodig; zijn ellende leert hem op wonderlijke wijze bidden. Laten we onszelf als verlaten kennen, zodat we weten hoe we moeten bidden. Verlaten, want zonder kracht, zonder wijsheid, zonder de juiste invloed, zonder ware gelukzaligheid, zonder het juiste geloof, zonder volledige toewijding, zonder kennis van de Schriften, zonder gerechtigheid. Deze woorden vormen de inleiding op een profetie over heerlijke dingen die in de laatste tijden te zien zullen zijn, en ze hangen er direct mee samen.

We zeggen vurig te verlangen naar de vervulling van die wonderlijke dingen. Maar bieden we wel het gebed van de verlatenen aan? Lijkt de gemeente als geheel niet nog altijd te veel op de gemeente van Laodicea? Als we veel van haar daden en wegen eerlijk uitleggen, komen dan niet deze woorden naar boven: “Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek”? En krijgen haar gebeden dan niet dit verwijtende antwoord: “gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.” “Je tijdelijke rijkdom is nog geen geestelijke rijkdom. Hoe je er geestelijk voor staat, is het omgekeerde van de wereldse voorspoed die je het hoofd op hol heeft gebracht. Ik raad je aan bij Mij goud te kopen dat in het vuur gelouterd is. Geef al je waardeloze goud, want het is waardeloos zolang je het bij je houdt. Geef het aan Mijn armen, dan geef Ik je echt goud: een besef van je ellende en kleinheid, een honger naar genade, reinheid en bruikbaarheid, liefde voor je medemensen, en Mijn liefde, uitgestort in je hart.” — George Bowen.

Vers 18

“Niet versmaad hebben hunlieder gebed.” Op hoeveel plaatsen heeft het gebed niet in de allergrootste nood geholpen, bij mensen die de Heere in dit grote werk dienden? Tot nu toe heeft het gebed het koninkrijk gered. Ik weet nog hoe onze vijanden hoogmoedig opschepten, nadat wij Bristol en de Vies kwijt waren. Ze stuurden toen zelfs naar andere koninkrijken een zegevierend geschrift, waarin ze verklaarden dat nu alles hun toebehoorde. Tussen veel andere stoute uitspraken stond er een met deze strekking: Nil restat superare Regem, enz. Je kon dat op twee manieren lezen.

Eén: voor de Koning blijft niets meer over om te overwinnen, behalve de gebeden van een paar fanatici. Of anders: er is niets meer wat de Koning nog kan overwinnen, behalve de gebeden van een paar fanatici. Al het andere was verloren en alles was nu van hen. En we stonden er toen werkelijk slecht voor. Onze vestingen waren genomen en onze legers waren weggesmolten. De meesten van ons hadden van angst geen moed meer. Grote groepen mensen vluchtten het land uit. Velen gaven de zaak op als hopeloos en sloten vrede in Oxford. Bijna niets bleef er ons over dan preces et lachrymae (gebeden en tranen).

Maar gezegend zij God: het gebed werd niet overwonnen! Ze hebben ervaren dat het de muur is die het moeilijkst te beklimmen valt, het leger dat het moeilijkst te verslaan is. Tot vandaag toe heeft het ons bewaard. Het bracht onverwachte hulp en gaf ons vele overwinningen en reddingen waar we helemaal niet op hoopten. Laten we dan, onder God, de kroon op het hoofd van het gebed zetten. Edelen en eerbiedwaardigen, neem er allemaal genoegen mee dat het zo is. Het doet niemand van jullie tekort in de lof die jullie verdienen; God en mensen zullen jullie geven wat jullie toekomt.

Velen van jullie hebben eervol gehandeld, maar het gebed overtreft jullie allemaal. Dat is ook helemaal niets nieuws, want bij de bouw van Sion kreeg het gebed altijd de eerste plaats. God heeft verschillende werken voor verschillende mensen en tijden bewaard. Maar in alle tijden en bij alle mensen was het gebed het belangrijkste hulpmiddel, vooral bij het opbouwen van Sion. — Stephen Marshall.

Vers 18

“Niet versmaad hebben hunlieder gebed.” Hij zal dus luisteren naar het verzoek van de armen en hun smeekbeden niet afwijzen. Maar wie gelooft dat? Is het aannemelijk dat God in Zijn heerlijkheid Zijn aandacht geeft aan zulke kleine dingen als naar armen luisteren? Kan het samengaan met de eer van Zijn heerlijkheid dat Hij verzoekschriften leest, en dan nog wel van mensen die in forma pauperis (als armen) komen? Bij mensen is het inderdaad nauwelijks te geloven. Wie het tot eer heeft gebracht, blijft uit de buurt van de armen en vindt het een stap terug om omlaag te kijken.

Maar bij God is het wel te geloven. Hij rekent het tot Zijn heerlijkheid om oog te hebben voor wie geen heerlijkheid heeft. Hij is de Allerhoogste en toch kijkt Hij tot in de laagste diepten. Wie het meest wordt veracht, is Hem het meest dierbaar. Zo deed ook Christus nadat Hij verheerlijkt was en in Zijn heerlijkheid was verschenen. Toen liet Hij de grootste nederigheid zien: Hij waste de voeten van de discipelen. Petrus stond versteld van Zijn nederigheid, net zoals hij eerder versteld had gestaan van Zijn heerlijkheid. — Sir R. Baker.

Vers 19

“Zal den HEERE loven.” God belooft lof en eer te ontvangen van het volk dat Hij in Zijn barmhartigheid uit een lage en geringe toestand haalt. Onze bedorven natuur is namelijk zo zelfzuchtig dat we God snel vergeten zodra we iets zijn of iets doen. Dan offeren we aan onze eigen netten en branden we wierook voor ons eigen garen. Als God dus een volk vindt dat Hem vertrouwt of looft, moet het “een ellendig en arm volk” zijn (Zef. 3:11-13; Ps. 22:23-26), of een volk dat uit zo’n toestand is gehaald.

Zo’n volk waardeert vrije genade het allermeest. Lees de hele Schrift maar door. Dan zie je dat alle lofzangen en bevrijdingsliederen voor God voortkwamen uit een volk dat zo over zichzelf dacht. Het waren mensen die tot niets waren gemaakt, maar die God in Zijn barmhartigheid van de poorten van de dood had teruggehaald. Meestal gaven ze God pas de eer die Zijn naam toekomt toen ze zo over zichzelf dachten. — Stephen Marshall.

Vers 19

Uitleggers merken bij deze tekst op dat deze verloste gemeente niet aan zichzelf denkt. Ze denkt niet aan haar eigen gemak, plezier, rijkdom of winst, en ook niet aan wat deze verlossing haar verder zou kunnen opleveren om haar leven gemakkelijk of zoet te maken. Al haar gedachten en moeite gaan juist naar één vraag: hoe de generatie van nu en de generaties die volgen God er alle eer voor kunnen geven. … Er zijn drie bijzondere redenen waarom dit het grote werk is van het geredde en bevrijde volk van de Heere. Het is ook de reden waarom zij niet anders kunnen dan zich ervoor inzetten om Hem groot te maken.

  1. Ten eerste weten zij heel goed dat de Heere voor Zichzelf niets heeft achtergehouden dan alleen Zijn heerlijkheid. Alle weldaden die Hij geeft, geeft Hij aan hen. Alle zoetheid en honing die erin zit, mogen zij eruit zuigen. Maar Zijn heerlijkheid en Zijn lof zijn van Hemzelf, en die heeft Hij helemaal voor Zichzelf bewaard. Daarover waakt Hij met jaloersheid. Ze mogen niet worden ontkend, verduisterd of verkleind, en er mag op geen enkele manier ook maar de minste inbreuk op worden gemaakt. Heel Gods volk weet dat van Hem. Daarom kunnen ze niet anders dan zich echt inspannen om die heerlijkheid voor Hem te bewaren.
  2. Ten tweede weten ze dat God op dit punt jaloers is, en bovendien dat dit het enige werk is dat Hij hun heeft toevertrouwd.

Daarom heeft Hij hen uit alle volken van de wereld voor Zichzelf apart gezet. Ze zijn Zijn eigen volk, met precies dit doel: dat ze Hem alle eer en lof geven voor Zijn barmhartigheid. “Ik heb hem geschapen” (zegt God), “Ik heb hem geformeerd en gemaakt tot Mijn heerlijkheid.” Jes. 43:7. Dit is de wet van Zijn nieuwe schepping. In hen werkt die wet even sterk als de wet van de natuur, de eerste schepping, in al Zijn andere werken werkt. Daarom worden de harten van alle heiligen, met een heilige, geestelijke vanzelfsprekendheid (als ik het zo mag zeggen), gedreven om God de eer te geven.

Het gaat even natuurlijk als stenen naar het middelpunt vallen of vuur omhoog vliegt. Het zit diep in hun hart en is er helemaal ingegroeid. Het werk van de genade heeft hen daarvoor gevormd. Ze kunnen niet anders dan zich inspannen om God groot te maken. Daarvoor hebben ze immers hun geestelijke leven en al hun andere voorrechten gekregen.

  1. Ja, de derde reden: ze weten dat hun eigen belangen nauw verbonden zijn met Gods heerlijkheid en dat ze er nooit iets bij verliezen. Krijgt God in een van Zijn werken geen lof, dan missen zij hun troost. Maar wint God, dan verliezen zij zeker niets. Wordt er iets over het hoofd van Christus uitgegoten, welke zalf van lof of heerlijkheid ook, dan loopt die in de juiste mate omlaag tot aan de zomen van Zijn kleed. Je krijgt alleen zoetheid, troost, lof of heerlijkheid voor jezelf door alles te geven aan Hem aan Wie het alleen toekomt.

Hij zal Zijn heerlijkheid nooit weggeven. Ik bedoel de eer om de bron te zijn, de eerste, hoogste en oorspronkelijke Gever van alle goed. Toch krijgen zij de eer van werktuigen en van medewerkers met Hem, en dat is eer en lof genoeg. — Stephen Marshall.

Vers 19 (eerste zinsdeel)

Calvijn geeft deze vertaling: “Dit zal opgetekend worden voor de komende geslachten”. Hij merkt op: “De psalmist wil zeggen dat dit een gedenkwaardig werk van God is, dat men niet zal vergeten. De lof erover zal worden doorgegeven aan latere eeuwen. Veel dingen verdienen lof en worden toch snel vergeten. Maar de profeet zet de redding van de gemeente, waar hij om smeekt, apart van gewone weldaden. Met het woord ‘optekenen’ bedoelt hij dat dit verhaal waard is om een vaste plaats te krijgen in de openbare archieven. Zo zou de herinnering eraan worden overgedragen aan de generaties die nog komen.”

Vers 19

“Dat zal geschreven worden.” Het geheugen van een mens houdt niets zo vast als een onrecht dat hem wordt aangedaan. Het laat niets zo snel los als een weldaad die hem wordt bewezen. Daarom wil God dat Zijn gaven op schrift worden gezet, zodat ze niet in vergetelheid raken. — Le Blanc.

Vers 21

“Om het zuchten des gevangenen te horen.” God merkt niet alleen de gebeden van Zijn bedrukte volk op, de taal van de genade. Hij hoort zelfs hun zuchten, de taal van de natuur. — Matthew Henry.

Vers 21

“Kinderen des doods.” Dat zijn mensen die in hun gevangenschap zoveel ellende meemaken dat het duidelijk is: hun wrede vijanden willen hen helemaal vernietigen. Of ze willen hen op zijn minst zo diep en ellendig laten wegzinken dat hun naam onder de volken van de aarde wordt uitgewist. — William Keatinge Clay.

Vers 25

“O mijn God.” Laat je in een testament één woord weg, dan kan dat de hele nalatenschap bederven en alle hoop van een mens tenietdoen. Zo gaat het ook met dit ene woordje “mijn” (God): zonder dat woordje raakt de goddeloze de hemel kwijt.

Het wordt de dolk die zijn hart in de hel voor eeuwig doorboort. Hoeveel voldoening we in iets goeds vinden, hangt af van hoe nauw we ermee verbonden zijn. (Daarom smaakt eten ons meer dan kleren. En daarom geniet de heilige in de andere wereld méér van God dan in deze, omdat hij dan dichter bij Hem is.) Maar waar niets van jou is, is ook geen verbondenheid, en dus geen welbehagen. Voor de ziel weegt het woordje “mijn” even zwaar als het onmetelijke erfdeel zelf. In dat ene persoonlijke kastje ligt al onze troost opgeborgen.

Wijn in een glas doet het hart geen goed. Pas als hij in het lichaam is neergedaald, verblijdt hij. Wat de psalmist in God bezat, was de mond waarmee hij at van die heerlijke gerechten die hem zo bovenmate verrukten. Geen liefdesdrank had ooit zo’n sterke werking als dit voornaamwoord. Stel dat God tot de ziel zegt wat Achab tot Ben-Hadad zei: “Zie, ik ben de uwe en al wat ik heb”. Wie kan dan beschrijven hoe het hart bij zulk nieuws van vreugde opspringt en bijna vergaat van verlangen naar Hem! Anderen kunnen Zijn eer en voortreffelijkheid als vreemden bekijken.

Maar alleen deze heilige geniet van Hem, als een bruid. Luther zegt: “Veel godsdienst zit in voornaamwoorden.” Inderdaad: onze hele vertroosting hangt aan dit ene voornaamwoord. Het is de beker die al onze kostbare, hartversterkende wateren bevat. Ik durf erom te wedden: de duivel, hoe slecht hij ook is, zou de hele wereld, als hij die kon geven, gewilliger afstaan dan hij haar ooit aan Christus aanbood voor Zijn aanbidding. Hij zou het doen om van God verlof te krijgen om die twee woorden uit te spreken: mijn God. Alle vreugden van de gelovige hangen aan deze ene snaar.

Breek die snaar af en alles is verloren. Soms heb ik eraan gedacht hoe David het als een suikerklontje onder zijn tong laat rollen. Hij wil niet dat de zoetheid te snel verdwijnt: “Ik zal U hartelijk liefhebben, o HEERE, mijn sterkte. De HEERE is mijn steenrots, en mijn bolwerk, en mijn Bevrijder, mijn God, mijn rotssteen, op Wien ik betrouw, mijn schild, en de hoorn mijner zaligheid, mijn hoog vertrek”, Ps. 18:2-3. Dit voornaamwoord is de deur waardoor de Koning van de heiligen ons hart binnengaat, samen met Zijn hele gevolg van vreugden en vertroostingen. — George Swinnock.

Vers 25

“Neem mij niet weg” kun je nauwkeuriger weergeven met: “Neem mij niet op”. Misschien denkt de psalmist hier aan Elia, die “opgenomen” werd. — Henry Cowles.

Vers 25

“Neem mij niet weg in de helft mijner dagen.” Het woord betekent: “Laat mij niet opstijgen in de helft mijner dagen”. Dat wil zeggen: voordat ik de gewone levensduur heb volgemaakt. “Opstijgen” betekent hier dus: afgesneden worden. Ook de beste mensen haalt de dood uit deze wereld weg, en dan gaan ze omhoog naar een betere. In het woord “opstijgen” zit volgens sommigen een dubbele toespeling.

Ten eerste denk je aan graan dat de maaier in zijn hand neemt en dan op de stoppels neerlegt. Ten tweede denk je aan het licht van een kaars. Terwijl de kaars opbrandt, of terwijl opraakt wat het vuur voedt, stijgt dat licht op. Uiteindelijk gaat het uit en verdwijnt het. — Joseph Caryl.

Vers 25

“Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht.” De psalmist zegt van Christus: “Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht”, Ps. 102:25. De apostel past deze psalm op Hem toe, Hebr. 1:10. Laten we nauwkeurig nagaan hoe Hij door alle tijden heen heeft bestaan. We gaan stap voor stap, van punt tot punt, en kijken hoe de Schriften daar tot in de bijzonderheden mee overeenstemmen. We beginnen onze tijdlijn van Zijn bestaan bij de eerste schakel: het moment vlak voordat Hij in de wereld zou komen.

Eerste getuigenis: Hij bestond al op het allereerste ogenblik dat Hij zou worden ontvangen, vlak voor Zijn komst in de wereld. Hebr. 10:5 zegt het zo: “Daarom, als Hij in de wereld komt, zegt Hij: Een lichaam hebt Gij Mij toebereid.” Hebr. 10:7: “Zie, Ik kom om Uw wil te doen, o God.” Hier spreekt een Persoon die onderscheiden is van God de Vader. Hij zegt “Mij” en “Ik”. Hij is ook weer iets anders dan de menselijke natuur die Hij zou aannemen en die Hij een “toebereid lichaam” noemt. … Naast die menselijke natuur, en vóór haar, bestond er dus al een goddelijke Persoon. Die was niet van deze wereld, maar kwam erin, “als Hij in de wereld komt, zegt Hij”, enz. Hij kwam om er deel van te worden en om Zich er te laten zien en kennen.

Tweede getuigenis: Hij was er vóór Johannes de Doper, hoewel Johannes enkele maanden eerder werd ontvangen en geboren. Ik som deze schakels in de tijd één voor één op, want de Schrift zelf noemt ze en geeft ze een bijzonder merkteken. Joh. 1:15: “Johannes getuigde van Hem, en riep, zeggende: Deze was het van Wien ik zeide: Die na mij komt, is voor mij geweest, want Hij was eerder dan ik.” Juist van dit eerdere bestaan legt Johannes met nadruk getuigenis af. Het gaat echt om bestaan, want hij geeft het op als reden waarom Hij hoger werd gesteld dan hijzelf: “want Hij was eerder dan ik.”

Derde getuigenis: Hij bestond toen alle profeten schreven en spraken, 1 Petr. 1:11. Daar staat dat de Geest van Christus in alle profeten aanwezig was. Dat zegt ook Paulus, die van na Christus is: “Gij zoekt een proeve van Christus, Die in mij spreekt”, 2 Kor. 13:3. Wiens Geest het ook was, Hijzelf of Hij Die Hem zond, Hij moet dus als zendende Persoon hebben bestaan.

Vierde getuigenis: Hij bestond in de dagen van Mozes. Dat zie je allereerst hieraan dat Hij het was Die in de woestijn werd verzocht: “En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen Hem verzocht hebben, en door de slangen zijn omgebracht”, 1 Kor. 10:9. Christus werd door hen verzocht, zoals Hij nu door ons wordt verzocht. Het woordje kai, “ook gelijk”, maakt dat helder. Het wijst bovendien naar de Engel Die met hen was meegestuurd, Ex. 23:20-21. In Hem was de naam van God, en als God kon Hij zonden vergeven, Ex. 23:21. Zie ook Hand. 7:35 en Hebr. 12:26.

Vijfde getuigenis: Hij bestond in en vóór de dagen van Abraham: “Waarlijk, waarlijk, Ik zeg u: Eer Abraham was, ben Ik”, Joh. 8:58.

Zesde getuigenis: Hij bestond in de dagen van Noach, 1 Petr. 3:19. Daar schrijft Petrus over Christus dat Hij “naar het vlees gedood is, maar naar den Geest levend gemaakt”. Petrus onderscheidt hier helder twee naturen, de goddelijke en de menselijke, net als Rom. 1:3-4 en andere plaatsen. Vervolgens verklaart hij hoe Christus door die goddelijke natuur, die hij “Geest” noemt en waarin Hij in Noachs tijd bestond, heenging en predikte tot de mensen van de oude wereld.

Hun zielen zitten nu in de gevangenis, in de hel. De woorden “naar den Geest” zijn niet gezegd om aan te geven wat levend werd gemaakt. Dat kunnen noch Zijn ziel noch Zijn Godheid zijn, want wat niet dood was, wordt ook niet levend gemaakt. Ze wijzen aan Wie Hem levend maakte en waardoor dat gebeurde. Dat was niet Zijn ziel, maar Zijn Godheid. Bovendien is met Zijn Geest niet Zijn ziel bedoeld. Dan zou je namelijk moeten aannemen dat die ziel heeft gepredikt aan zielen in de hel (waar deze mensen zich bevinden). Maar waar niemand in staat is om het geloof aan te nemen, wordt niet gepredikt.

Petrus bedoelt het zo: de mensen uit Noachs tijd, tot wie gepredikt werd, waren op het moment dat hij schreef geesten in de gevangenis, dus in de hel. Daarom zet hij er ook “eertijds” bij: zij die eertijds ongehoorzaam waren in Noachs dagen. Deze woorden laten ons begrijpen dat Noach als dienaar die prediking uitvoerde, maar dat Christus het deed in Noach. Naar Zijn goddelijke Persoon was Hij aanwezig en ging Hij met hem mee, zoals Hij met Mozes en de gemeente in de woestijn meeging, en Hij predikte hun.

Zevende getuigenis: Hij was er al bij het begin van de wereld. “In den beginne was het Woord.” Van dit Woord wordt hier niets anders gezegd: geen eigenschap en geen omschrijving. De zin houdt daarom op bij Zijn bestaan alleen: “Het was”, en Hij was er toen, “in den beginne”. Er staat niet dat Hij in het begin werd gemaakt, maar dat “Het was in den beginne”. En dat begin is volstrekt, zonder enige beperking. Daarom bedoelt het Mozes’ begin, Gen. 1:1, zoals ook de volgende woorden laten zien: “Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt”.

En ook Joh. 1:10: de wereld waarin Hij kwam, was door Hem gemaakt. “Van het begin” betekent meestal: van de eerste tijden, de kindertijd van de wereld. Toen God dus begon te scheppen, was onze Christus er al. Dit wordt hier, in Joh. 1:14, afgezet tegen het moment waarop Hij vlees werd, zodat niemand dat voor Zijn begin zou aanzien. Daarmee komt Hebr. 1:10 overeen. Daar spreekt de schrijver over Christus en haalt hij Ps. 102:26 aan: “Gij, Heere, hebt in den beginne de aarde gegrond.” Hij bestond toen dus zeker. Maar verder staat er in Ps. 102:25: “Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht.” Je ziet het: we hebben alle geslachten sinds de schepping doorlopen en Zijn jaren in elk daarvan teruggevonden.

Maar dat zou misschien alleen over de geslachten van deze wereld kunnen gaan. Daarom voegt hij toe (zo legt Rivet het uit): “Voordat Gij de grond der aarde legde.”

Achtste punt: we komen dus uit bij dit besluit. Hij is er al geweest vóór de schepping, ja van eeuwigheid af.

Maar negende punt: wil je Zijn eeuwigheid nog scherper zien? Kijk dan naar Hebr. 7:3. Daar noemt de schrijver Melchizedek, een voorafbeelding van Christus, en hij maakt hem in dit opzicht tot Zijn voorbeeld: “Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch beginsel der dagen, noch einde des levens hebbende; maar den Zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft hij een priester in eeuwigheid.” Wat hij hiermee wil zeggen, is dit: wat Melchizedek typice was, dus als schaduwbeeld, dat is onze Christus echt en in wezen.

Tot slot komt daar nog Micha 5:2 bij: “En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.” Daar spreekt hij onder het beeld van “uitgaan” duidelijk over twee geboorten van Christus. Eén keer werd Hij geboren als Mens, in Bethlehem, toen de tijd vervuld was. Daarnaast werd Hij geboren als Zoon van God, van eeuwigheid af. Als Zoon van God stammen Zijn uitgangen (dat is: Zijn geboorte) uit de eeuwigheid.

Het woord staat in het meervoud, “uitgangen”, omdat het een actus continuus (voortdurende daad) is, die sinds de eeuwigheid elk ogenblik doorgaat. Zoals de zon op ieder moment licht en stralen voortbrengt, zo brengt God op ieder moment Zijn Zoon voort. Zo wordt aan de Persoon van Christus een tweevoudige eeuwigheid toegekend. De ene ligt nog voor ons, Hebr. 1:10, de andere ligt achter ons, hier in Micha 5:2. Zoals Ps. 90:2 van God Zelf zegt: “Van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God”, zo geldt het ook van Christus. — Samengevat uit T. Goodwin, Treatise on “The Knowledge of God the Father, and his Son Jesus Christ”.

Vers 26

“Aarde gegrond, en de hemelen.” De psalmist noemt hier de meest onwrikbare delen van de wereld, en de mooiste van heel de schepping. Zij zijn het minst aan bederf en verandering onderhevig. Zo wil hij Gods onveranderlijkheid duidelijk maken. Hemel en aarde zijn vaster dan de rest van de wereld en dan de schepselen die daaronder leven. De hemelen blijven precies zoals ze geschapen zijn. De kern van de aarde blijft vast. Na zoveel jaren zijn ze nog altijd net zo mooi en fris als in hun jeugd. Dat is zo ondanks alle veranderingen van de elementen: vuur en water worden immers vaak in lucht omgezet, en door die voortdurende omzetting blijft er van de lucht die eerst geschapen werd nog maar weinig over.

Toch valt de vastheid van aarde en hemelen niet te vergelijken met de onwankelbare vastheid van Gods wezen. Hun schoonheid kan niet tippen aan de heerlijkheid van Zijn wezen, en hun standvastigheid niet aan Zijn bestendigheid. — Stephen Charnock.

Vers 27

“Zij zullen vergaan.” Hoe groter het verval, hoe groter de ondergang. Sommigen menen dat de vuurvloed niet verder zal reiken dan de watervloed. Het kan zijn dat alleen de aarde zal verbranden: zij is de slechtste gast aan tafel, de gezamenlijke afvoer van alle andere schepselen. Maar zullen ook de hemelen voorbijgaan? Misschien de lucht.

Maar de sterrenhemel, waarin God zulke beelden van Zijn heerlijkheid heeft gedrukt? Ja: caelum, elementum, terra (hemel, element, aarde), wanneer ignis ubique ferox ruptis regnabit habenis (het vuur overal woest zal heersen met losgeslagen teugels). De vorige vloed noemt men de winter van de wereld, de volgende de zomer van de wereld. Die eerste vloed kwam met een koud en nat element. De volgende komt met een heet en droog element. Maar wat wordt er dan van de heiligen? Uit alles worden zij gered. Ze lopen, zoals die drie knechten, midden in die grote oven, de brandende wereld, en worden niet verschroeid.

Er is immers Eén bij hen om hen te verlossen: “de Zoon van God”, Dan. 3:25, hun Verlosser. Maar zal alles dan volledig verdwijnen? Nee, hun wezen wordt eerder veranderd dan weggedaan. “Gij zult hen veranderen, en zij zullen veranderd worden”: dus niet tenietgedaan. De begeerte verdwijnt, het wezen niet. De vorm gaat voorbij, de natuur blijft. Als we een oud kleed veranderen, maken we het niet kapot. We knappen het op, geven het een frisse beurt en laten het er nieuw uitzien. Ze gaan voorbij, maar vergaan niet. Het schuim wordt weggezuiverd, het metaal blijft.

Wat bedorven was, wordt vernieuwd. Alles wordt teruggebracht naar de oorspronkelijke schoonheid waarin het geschapen werd. “Het einde aller dingen is nabij gekomen”, 1 Petr. 4:7: een einde van ons, een einde van onze dagen, een einde van onze wegen en een einde van onze gedachten. Als iemand maar kon zeggen wat Jobs bode zei: “Ik ben alleen ontkomen”, dan was dat al iets. Of als hij maar een ark kon vinden, zoals Noach. Maar tegen die verzengende gloed is er geen ark die hen beschut. Er is alleen de boezem van Jezus Christus. — Thomas Adams.

Vers 27

“Als een kleed.” De hele schepping is als een kleed. In dat kleed laat de Heere Zijn macht aan de mensen zien, als het ware aangekleed. Daarom staat van Hem in het bijzonder dat Hij Zich met licht bekleedt, als met een kleed. Tegelijk verbergt dat kleed Zijn macht. Zo is ook een mens verborgen achter zijn kleren. Dat is niet bedoeld om hem helemaal onzichtbaar te maken. Hij mag alleen niet volledig worden gezien, en ook niet precies zoals hij is. Het kleed laat de mens zien en we kennen hem eraan.

Maar het verbergt hem ook, zodat niemand hem helemaal en ten volle ziet. Zo staan de werken van de schepping tegenover God. Hij maakt ze in zoverre tot Zijn kleed of gewaad dat Hij erin enkele bewijzen van Zijn macht en wijsheid laat zien. Toch is Hij er ook in verborgen, want geen schepsel kan er de volle en volmaakte kennis van Hem uit halen. Er komt een tijd dat dit werk ophoudt. Dan onthult God al Zijn heerlijkheid aan Zijn heiligen. Zij kennen Hem dan volmaakt en zien Hem zoals Hij is, voor zover een geschapen natuur dat kan vatten.

Dan legt Hij de schepping opzij en vouwt Hij haar op, althans voor dit doel, even gemakkelijk als iemand een kleed wegdoet dat hij niet meer wil dragen of gebruiken. Dat zit in het beeld. — John Owen.

Vers 28

“Gij zijt Dezelfde.” Gods wezen en alle volmaaktheden van Zijn natuur worden hier hetzelfde genoemd, zonder enige verandering van eeuwigheid tot eeuwigheid. Er staat dus niet alleen dat God eeuwig voortduurt. Er staat ook dat Hij daarin onveranderlijk is. Zijn eeuwigheid zit in de woorden “Gij zult blijven staan”, en Zijn onveranderlijkheid in de woorden “Gij zijt Dezelfde.” Dat “blijven staan” wijst zeker ook op onveranderlijkheid, niet alleen op eeuwigheid. Want wat blijft staan, verandert niet, en wat verandert, blijft niet staan. Maar de woorden “Maar Gij zijt Dezelfde”, hu, zeggen het nog vollediger.

Hij zou niet Dezelfde kunnen zijn als Hij kon veranderen in iets anders dan wat Hij is. De psalmist schrijft daarom niet: U bent geweest of U zult zijn. Hij schrijft: U bent Dezelfde, zonder enige verandering. U bent Dezelfde, dat wil zeggen: dezelfde God, dezelfde in wezen en natuur, dezelfde in wil en voornemen. Alle andere dingen verandert U zoals het U goeddunkt. Maar Zelf bent U in elk opzicht onveranderlijk. Zelfs de kleinste, lichtste schaduw van verandering komt niet bij U. De psalmist doelt hier op de naam Jehova, Ik ben. Hij zegt niet alleen dat God onveranderlijk is, maar sluit ook al het andere uit van aandeel in die volmaaktheid. — Stephen Charnock.

Vers 29

“De kinderen Uwer knechten zullen wonen.” Welke kinderen bedoelt de psalmist? De kinderen van hun vlees, of de kinderen van hun geloof? Volgens sommigen gaat het om kinderen met hetzelfde geloof als de godvrezende leraars en knechten van de Heere, door hen voor God gewonnen. Dan wijst het woord op het blijven bestaan van de gemeente, die in elke eeuw weer kinderen voor God zal voortbrengen. Gods volk vindt het een troost om een jong geslacht te zien opgroeien dat Zijn gedachtenis in de wereld levend houdt. Dan sterft de godsdienst niet met hen uit en breekt de lange keten van de gemeente niet af.

Deze uitleg is niet helemaal ongepast. Maar ik denk eerder aan de kinderen van hun lichaam, want dat is een zegen die vaak wordt beloofd. Zie Ps. 103:17: “Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen.” “Zullen wonen”, “zullen bevestigd worden.” Hoe moeten we dat verstaan? Sommigen denken dat het slechts pro more foederis gezegd is, naar de gewoonte van het verbond waaronder Gods volk toen leefde. In die tijd was de eeuwigheid nog duisterder geopenbaard en afgeschaduwd, door een lang leven of door de voortzetting van hun naam in hun nageslacht, een soort letterlijke onsterfelijkheid.

Het is duidelijk dat die zorg meespeelt, zoals je ziet in Ps. 37:28: “Want de HEERE heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard.” Maar hoe kan dat nu, terwijl zij net als anderen sterven? Kijk naar de tegenstelling, dan begrijp je het: “In eeuwigheid worden zij bewaard, maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid.” Zij worden bewaard in hun nageslacht. Kinderen zijn niets anders dan de ouders in veelvoud, en de ouders die doorlopen. Het is nodosa aeternitas (een geknoopte eeuwigheid): als het leven van de vader helemaal is uitgelopen, wordt er een knoop gelegd, en het kind spint de draad verder.

Ik erken dat aardse zegeningen, zoals een lang leven en de belofte van een gelukkig nageslacht, in die bedeling van het verbond duidelijker zichtbaar waren. Toch zorgt God nog steeds voor de kinderen van Zijn volk. Veel beloften gaan in die richting, en ze horen bij de bediening van het evangelie. Nog altijd is dienst aan God de zekerste weg om een familie te laten voortbestaan, zoals zonde de kortste weg is om haar uit te roeien. Als het niet altijd zo uitpakt, dan toch meestal wel. Wij kunnen op dit gebied trouwens niet goed oordelen over hoe God het bestuurt.

We zien Zijn voorzienigheid maar in stukken en kunnen die niet goed aan elkaar passen. Maar op de dag van het oordeel ligt het hele weefsel van Gods handelen voor ons uitgespreid. Dan begrijpen we helder hoe de kinderen van Zijn knechten blijven en hun zaad bevestigd wordt. — Thomas Manton.

Vers 29

O, wat is de wereld dwaas! Ze probeert haar families blijvend te maken met kunstgrepen uit het recht. Daarmee kunnen ze misschien hun bezittingen laten voortbestaan, maar reikt dat ook zo ver dat hun nageslacht voortbestaat? Je kunt landerijen vastleggen voor erfgenamen, maar kun je ook erfgenamen vastleggen voor landerijen? Nee, dat weet God! Zo’n duurzaamheid kan alleen door God worden gegeven. Het is een voorrecht van Gods knechten alleen. Want “de kinderen Uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden”. Dat ook anderen zullen blijven bestaan, daarvoor heeft David geen enkele waarborg gegeven. — Sir R. Baker.

Wenken voor de dorpsprediker

Titel

  1. Wie bedrukt is, mag bidden.
  2. Wie bedrukt is, hoort te bidden, ook als hij overweldigd is.
  3. Wie bedrukt is, kan bidden. Het gaat er immers om dat je je klacht uitstort, niet dat je mooi spreekt.
  4. Wie bedrukt is, wordt in het gebed aangenomen, want dit gebed is opgeschreven.

Verzen 2-3

Vijf stappen naar de genadetroon. De psalmist bidt om:

  1. Gehoor: “Hoor mijn gebed.”
  2. Toegang: “Laat mijn geroep tot U komen.”
  3. Ontsluiering: “Verberg Uw aangezicht niet.”
  4. Een luisterend oor: “Neig Uw oor.”
  5. Antwoord. — C. Davis.

Verzen 2, 18, 20-21

Op deze verzen kan een boeiende preek worden gebaseerd.

  1. De Heere wordt gesmeekt om te luisteren: Ps. 102:2.
  2. Er is een belofte dat Hij zal luisteren: Ps. 102:18.
  3. Er staat vastgelegd dat de Heere heeft geluisterd: Ps. 102:20-21.

Vers 3

  1. In nood is gebed het meest nodig.
  2. In nood wordt gebed het meest gehoord.
  3. In nood wordt gebed het snelst verhoord: “Verhoor mij haastelijk.”

Of:

  1. Gebed in de nood: “Ten dage”, enz.
  2. Het gebed vanuit de nood: “Verberg Uw aangezicht niet.” Dat betekent niet: haal de beproeving weg, maar: blijf bij mij in de beproeving. Een vuurgloeiende oven is een paradijs als God daar bij ons is. — G. R.

Vers 3 (eerste zinsdeel)

Hij vraagt dat hij in zijn nood niet ook nog Gods aangezicht hoeft te missen.

  1. Dat zou de nood duizendmaal zwaarder maken.
  2. Hij zou dan geen kracht meer hebben om de nood te dragen.
  3. Hij zou in de nood niet meer zo kunnen handelen dat God er eer van heeft.
  4. Het zou de uitkomst van de nood kunnen bederven.

Vers 3 (laatste zinsdeel)

  1. Vaak hebben we snel antwoord nodig.
  2. God kan zo antwoorden.
  3. God heeft zo geantwoord.
  4. God heeft beloofd zo te antwoorden.

Verzen 4-12

  1. Waar het verdriet vandaan komt. (a) Het leven is kort. Ps. 102:4. (b) Lichamelijke pijn. Ps. 102:4. (c) Een neergeslagen geest. Ps. 102:5-6. (d) Eenzaamheid. Ps. 102:7-8. (e) Smaad. Ps. 102:9. (f) Vernedering. Ps. 102:10. (g) Gods aangezicht dat zich verbergt. Ps. 102:11. (h) Wegkwijnen. Ps. 102:12.
  2. Wat het verdriet zo welsprekend maakt. (a) Het korte leven lijkt op “rook” die vervliegt. (b) Lichamelijke pijn voelt als vuur in de beenderen. (c) Een neergeslagen geest is “verdord gras”. Wie kan er eten met een bedroefd hart? (d) Eenzaamheid lijkt op “de pelikaan in de wildernis, de uil in de woestijn en de mus op het dak”. (e) Smaad betekent omringd zijn door dwazen: “zij die tegen mij razen”. (f) Vernedering is “as eten als brood” en “tranen drinken”. (g) Als Gods aangezicht zich verbergt, word je opgetild om neergeworpen te worden. (h) Wegkwijnen is een schaduw die langer wordt en gras dat verdort. — G. R.

Vers 5

Verdriet zonder geloof laat ons vergeten de juiste middelen te gebruiken die ons kunnen steunen.

  1. We vergeten de beloften.
  2. We vergeten het verleden en wat we toen ervoeren.
  3. We vergeten de Heere Jezus, ons leven.
  4. We vergeten Gods eeuwige liefde. Dat leidt tot zwakte, moedeloosheid, enz., en moet worden vermeden.

Vers 7

Samen met Ps. 103:5 vormt deze tekst een boeiend contrast en geeft hij ruimte voor veel onderwijs uit eigen ervaring.

Vers 8

Wat eenzaamheid kwaad doet en goed doet: wanneer je haar mag zoeken en wanneer ze dwaas wordt. Of: de treurende wachter, alleen, buiten de kring van de gemeenschap, onbeduidend, verlangend naar gezelschap, apart gezet om te waken.

Vers 10

Het verdriet van de heiligen: hoeveel het er zijn, hoe bitter, waar het vandaan komt, wat het kan verhelpen, wat het doet en wat vertroost.

Vers 11

  1. De zwaarste beproeving: Uw gramschap en Uw toorn.
  2. Wat die beproeving nog zwaarder maakt: de gunst van vroeger, “Gij hebt mij opgetild”, enz.
  3. De beste houding daarin: zie Ps. 102:10, 13-14.

Vers 11 (laatste zinsdeel)

Als het een gemeente of een mens voor de wind gaat, volgt daar vaak verval op. Wereldse grootheid wordt dikwijls gevolgd door lijden, en grote vreugde in de Heere heel gewoon door beproeving.

Verzen 12-13

Ik en U, of: de opvallende tegenstelling.

  1. Ik: mijn dagen zijn als een schaduw. (a) Want ze heeft geen lichaam, ze deelt in de aard van het duister dat haar zal opslokken, en hoe langer ze wordt, hoe korter ze duurt. (b) Ik ben als gras dat door de zeis is afgemaaid en door droogte is verschroeid.
  2. U, Heere. Eeuwig blijvend. Eeuwig gedenkwaardig. Eeuwig het onderwerp van onderzoek voor voorbijgaande mensengeslachten. — C. D.

Vers 14

  1. Sion moet vaak worden hersteld. Ze heeft “barmhartigheid” nodig.
  2. Haar herstel is zeker: “Gij zult opstaan”, enz.
  3. De tijden van haar herstel liggen vast. Er is een “tijd” om haar gunstig te zijn, een “gezette” tijd.
  4. Van die komende tijden worden vaak tekenen gegeven: “De tijd, de gezette tijd, is gekomen.” — G. R.

Verzen 14-15

  1. Een bezoek wordt verwacht.
  2. We vertrouwen op wat God vooraf heeft bepaald.
  3. Het bewijs wordt gezien.
  4. Dan komt de vraag op: hebben wij een welgevallen aan haar stenen? enz.

Verzen 14-15

Als Gods volk meeleeft met de zaken van Sion, is dat een van de zekerste tekenen dat haar voorspoed terugkeert.

Vers 16

Een gemeente moet van binnen bloeien om kracht te hebben in de wereld.

Vers 17

God is Sions koper, bouwmeester, bouwer, bewoner en Heere.

  1. Sion wordt opgebouwd. Veel bekeringen, veel belijdenissen, hechte eenheid, degelijke opbouw, uitgebreide zending.
  2. God wordt verheerlijkt: in haar fundament zelf, door haar dienst, door moeilijkheden en vijanden, door arme werkers en schamel materiaal, ja zelfs door ons falen.
  3. Hoop wordt gewekt. Want we mogen verwachten dat de Heere Zichzelf zal verheerlijken.
  4. Een vraag dringt zich op. Ben ik erbij betrokken, als gebouwd of als bouwend? En dan niet alleen in de leer, maar ook in mijn ervaring?

Vers 18

  1. De verlatenen bidden.
  2. Zij bidden het meest.
  3. Zij bidden het beste.
  4. Zij bidden het krachtigst. Of: de zekerste weg naar succes in het gebed is bidden als de verlatenen. Laat zien waarom dat zo is.

Vers 19

  1. Een gedenkteken.
  2. Een lofzang. — W. Durban.

Verzen 19-22

  1. Ellende op het hoogste punt.
  2. Een God Die oplet.
  3. Een Godheid Die actief helpt.
  4. De heerlijkheid die daardoor bekend wordt.

Verzen 20-23

  1. Hoe God naar de wereld kijkt, Ps. 102:20. (a) Waar Hij vandaan kijkt: “uit den hemel”, dus niet vanuit een aards standpunt. (b) In welke hoedanigheid Hij kijkt: “van de hoogte Zijns heiligdoms”, vanaf de genadetroon.
  2. Waar Zijn blik in de wereld het eerst op valt: het zuchten van de gevangene en van wie ten dode zijn opgeschreven.
  3. Met welk doel Hij hen aanziet: “om los te maken”, enz., “om te verkondigen”, enz. (a) Mensen krijgen er troost door. (b) Het strekt Hemzelf tot eer.
  4. Op welk moment Zijn blik zo op de aarde gevestigd is: “Wanneer”, enz., Ps. 102:23. — G. R.

Vers 24

Voor wie ziek is.

  1. Overgave: de beproeving komt van de Heere: “Hij heeft verzwakt”, enz.
  2. Dienen: ik hoef sommig werk niet meer te doen, maar nu vraagt Hij van mij geduld, ernst, enz.
  3. Voorbereiding: op het naar huis gaan.
  4. Bidden: dat anderen mijn plaats mogen innemen als ik er niet meer ben.
  5. Uitzien: nu mijn dagen korter worden, zal ik spoedig in de hemel zijn.

Vers 25

  1. Het gebed. “Neem mij niet weg”, enz. (a) Sommigen vragen dit zo: neem mij niet weg midden in het leven, alstublieft. (b) Velen vragen: niet midden in mijn wereldse voorspoed, ter wille van de mensen die van mij afhankelijk zijn. (c) Niet weinigen vragen: niet midden in de groei van mijn geestelijk leven: “O, spaar mij, opdat ik weer tot kracht kome”, enz. (d) Weer anderen vragen: niet midden in mijn christelijke werk en bruikbaarheid, nu ik van nut kan zijn.
  2. Het pleidooi. “Uw jaren”, enz.: U hebt jaren in overvloed, dus het kost U weinig om mij een langer leven te geven, en de Uwe duren van geslacht tot geslacht. — G. R.

Vers 26-28

  1. Gods onveranderlijkheid midden in de veranderingen van vroeger: “voortijds”, enz. (a) Hij was Dezelfde vóór het leggen van de grondvesten van de aarde en erna. (b) Hij was erna Dezelfde als ervoor.
  2. Gods onveranderlijkheid midden in de veranderingen die komen: “Zij zullen vergaan”, enz. (a) Hij is Dezelfde vóórdat ze vergaan en erna. (b) Erna als ervoor.
  3. Gods onveranderlijkheid, zowel in het verleden als in de toekomst: “Gij zijt Dezelfde”, enz. — G. R.

Vers 27-28

  1. Tot waar God kan veranderen: alleen in Zijn kleding, dat wil zeggen in de zichtbare vormen van schepping en voorzienigheid.
  2. Waar Hij nooit in verandert: Zijn natuur, Zijn eigenschappen, Zijn verbond, Zijn liefde, enz.
  3. De troostende waarheden die hier veilig uit af te leiden zijn of die er steun bij vinden.

Vers 27-28

  1. Het stoffelijke heelal van God. (a) Voor Hem betekent het niet meer dan een kleed voor wie het draagt. (b) Het wordt almaar ouder, maar Hij blijft Dezelfde. (c) Binnenkort wordt het veranderd en laat Hij het ten onder gaan, maar aan Zijn jaren komt geen einde.
  2. Hoe wij ons tot elk daarvan verhouden. (a) Laten we het kleed nooit liever hebben dan Degene Die het draagt. (b) Laten we niet meer vertrouwen op wat wisselt dan op wat blijft. (c) Laten we niet leven voor wat zal verdwijnen.

Vers 29

De echte opvolging van de apostelen.

  1. Er zijn altijd heiligen.
  2. Dat zijn vaak de kinderen van heiligen, naar het vlees.
  3. Het zijn ook altijd het geestelijke zaad van godvrezenden, want God laat de ene mens zich bekeren door de andere.
  4. Wat we doen, moeten we plannen met de toekomst van de gemeente voor ogen.

Werken over de honderdentweede psalm

Bisschop Fisher schreef “Treatise on the Penitential Psalms”. (Zie “Treasury of David”, deel II, blz. 114.) Behalve de hierboven genoemde uitgaven is er ook een kleinformaat-uitgave in duodecimo, gedrukt in het jaar MDCCXIV. In “Meditations on Twenty select Psalms, by Sir ANTHONY COPE, Chamberlain to Queen Katherine Parr. Reprinted from the edition of 1547; … By WILLIAM H. COPE, M.A. 1848” komt een overdenking over deze psalm voor.

Sir Richard Baker, Knight, schreef “Meditations and Disquisitions upon the Seven Psalms of David, commonly called the Penitentiall Psalmes”. 1639. Zie daarin blz. 139-180.

“Zion’s Joy in her King Coming in his Glory. Wherein the estate of the Poore distressed Church of the Gentiles (travailing in the Wildernesse towards the new Jerusalem of the Jewes) in her utmost extremities, and height of her Joyes, is lively delineated; In some Meditations upon that Propheticall Psalme 102, wherein the sense is opened, and many difficult places of Scripture inlightned by a harmony, and consent of the Scriptures. Delightfull and profitable to be read in these times of the Churches troubles, and much longed for restauration and deliverance. By FINIENS CANUS VOVE. Compiled in Exile, and lately now revised and somewhat augmented as the weight of the Subject and the revolution of the times required…” 1643. 4to.

Een uitleg van deze psalm geeft ook de eerwaarde Charles Oxendon, in “Sermons on the Seven Penitential Psalms, Preached during Lent, 1838”.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas