Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 104 — Treasury of David

Algemene opmerkingen
Hier zien wij een van de hoogste vluchten van de ingegeven dichtkunst, en een van de langste die zich zo hoog heeft kunnen houden. De psalm laat ons horen wat de vele stemmen van de natuur zeggen. Zacht en mooi bezingt hij zowel de schepping als Gods bestuur van de wereld. Dit gedicht is een volledige wereld: zee en land, wolk en zonlicht, plant en dier, licht en duisternis, leven en dood. Van alles wordt bewezen dat het spreekt van de aanwezigheid van de Heere. De sporen van de zes scheppingsdagen zijn duidelijk te zien.
De mens, het kroonwerk van de zesde dag, wordt niet genoemd. Dat is te begrijpen, want de mens is zelf de zanger. Sommigen hebben in Ps. 104:31 zelfs sporen opgemerkt van Gods rust op de zevende dag. Het is Genesis, verteld door een dichter. Bovendien gaat het niet alleen over hoe de aarde er nu aan toe is. Er klinkt ook een hint van die heiliger tijd, waarin wij “een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont” zullen zien, een aarde waaruit de zondaar zal worden weggevaagd (Ps. 104:35). Door het hele lied loopt een geest van vurige lofprijs aan God.
Daarmee gaat een helder besef samen dat God een Persoon is: iemand Die men liefheeft en vertrouwt en ook aanbidt.
Over de schrijver weten wij niets met zekerheid. Maar de Septuaginta noemt David, en wij zien geen reden om aan een ander te denken. Zijn geest, zijn stijl en zijn manier van schrijven zijn er duidelijk in te herkennen. Moet de psalm toch aan iemand anders worden toegeschreven, dan moet die een buitengewoon verwante geest hebben gehad. Wij kunnen dan alleen denken aan Davids wijze zoon Salomo, de dichter-prediker. Zijn opmerkingen over de natuur in Spreuken lijken sterk op enkele verzen hier. Maar wie de menselijke pen ook voerde: de overweldigende heerlijkheid en volmaaktheid van het eigen, goddelijke auteurschap van de Heilige Geest ziet ieder geestelijk mens meteen.
Indeling
Eerst geeft de godvrezende psalmist de Heere de eer als de Gezegende. Daarna zingt hij over het licht en het uitspansel, het werk van de eerste en tweede dag (Ps. 104:1-6). Met een vlotte overgang beschrijft hij hoe het water van het droge land werd gescheiden. Ook beschrijft hij hoe regen, beken en rivieren ontstaan en groene kruiden opschieten. Dat bracht de derde dag voort (Ps. 104:7-18). Daarna trekt het zijn bewondering dat zon en maan zijn aangesteld als bewakers van dag en nacht (Ps. 104:19-23). Zo bezingt hij het werk van de vierde dag.
Er zijn al veel soorten levende wezens voorbijgekomen. Nu gaat hij in Ps. 104:24-30 verder met het leven waarmee de Heere de lucht, de zee en het land wilde vullen. Dit leven is vooral de vrucht van de vijfde en de zesde dag. De slotverzen (Ps. 104:31-35) kunnen wij zien als een overdenking, een lofzang en een gebed voor de sabbat. Het geheel ligt voor ons als een panorama van het heelal, bekeken met het oog van de aanbidding. Och, had ik genade om de Heere de lof te brengen die Hem toekomt, terwijl ik dit lees.
Uitleg
Vers 1
“Loof den HEERE, mijn ziel.” Deze psalm begint en eindigt net als de honderd en derde, en beter kon het niet. Een volmaakt voorbeeld verdient het om tweemaal te bestaan. Echte lof begint bij onszelf. Het heeft geen zin anderen tot lofprijs aan te sporen als wij zelf ondankbaar zwijgen. Wij moeten ons diepste hart oproepen om wakker te worden en in beweging te komen. Wij zijn immers gauw traag. En als wij traag zijn zodra wij God moeten loven, hebben wij alle reden om ons te schamen. Maken wij de Heere groot, laten wij dat dan met ons hele hart doen.
Ons beste blijft ver beneden wat Hij waard is. Laten wij Hem niet onteren met halfslachtige aanbidding. “O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot.” In deze lofprijs zit een opvallende mengeling van de vrijmoedigheid van het geloof en de ontzetting van heilige vrees. De psalmist noemt de oneindige Jehova immers “mijn God”. Tegelijk ligt hij, vol verbazing over Gods grootheid, voorover op de grond en roept hij ontzet uit: “Gij zijt zeer groot.” God was groot op de Sinaï. Toch begon Zijn wet met de woorden: “Ik ben de HEERE uw God.” Zijn grootheid is geen reden waarom het geloof Hem niet mag opeisen en Hem helemaal de zijne mag noemen.
Deze verklaring van Jehova’s grootheid had ook goed aan het slot van de psalm kunnen staan. Zij volgt immers vanzelf uit een blik over het heelal. Dat zij helemaal vooraan staat, laat zien dat de psalmist de hele psalm eerst in zijn geest had doordacht en laten rijpen, voordat hij hem in woorden opschreef. Alleen zo kunnen wij verklaren dat de ontroering vóór het overdenken komt. Merk ook op dat de verwondering niet de schepping en haar grootte betreft, maar Jehova Zelf. Er staat niet: “het heelal is zeer groot!” maar: “Gij zijt zeer groot.” Velen blijven bij het schepsel hangen en worden zo afgodisch van geest.
Doorgaan naar de Schepper Zelf is ware wijsheid. “Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.” U Zelf bent niet te zien, maar Uw werken, die men Uw kleren kan noemen, zijn vol schoonheid en wonderen die tot Uw eer strekken. Kleren verbergen een mens en laten hem tegelijk zien. Zo doen ook Gods schepselen. In Zijn werken zien wij de Heere als iemand Die eer verdient voor Zijn vakmanschap, Zijn goedheid en Zijn macht. Wij zien Hem ook als iemand Die majesteit opeist, want Hij heeft alles naar eigen wil gevormd: Hij doet wat Hij wil en vraagt niemand om toestemming.
Wie niet ziet dat de natuur het werk van een koning is, moet wel blind zijn. Dit zijn de ernstige trekken, de schrikwekkende penseelstreken van Zijn strengere eigenschappen. Het zijn brede lijnen van onbegrijpelijk geheim en diepe schaduwen van overweldigende macht. Zij maken het schilderij van de schepping tot een raadsel dat nooit wordt opgelost, tenzij wij toegeven dat Hij Die het schilderde, geen verantwoording aflegt over Zijn zaken. Hij regeert alles zoals het Hem behaagt. Toch laat Hij Zijn majesteit altijd zo zien dat zij eer brengt aan Zijn hele karakter.
Hij doet wat Hij wil, maar Hij wil alleen wat driemaal heilig is, zoals Hij Zelf. Zelfs de kleren van de onzichtbare Geest leren ons dit, en wij horen het in nederige aanbidding te erkennen.
Vers 2
“Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed.” Hij slaat het licht om Zich heen, zoals een koning zijn staatsiemantel omslaat. Dit beeld is verheven. Maar het laat ons voelen hoe volstrekt onvoorstelbaar Gods eigen heerlijkheid moet zijn. Als het licht zelf maar Zijn kleed en sluier is, hoe verblindend moet dan de glans van Zijn eigen wezen zijn! Wij staan verbijsterd en durven niet in het geheim door te dringen, uit angst dat de ondraaglijke glorie ervan ons zou blinderen. “Hij rekt den hemel uit als een gordijn”, waarbinnen Hij kan wonen.
Op de eerste dag werd het licht geschapen en op de tweede het uitspansel. Zij volgen daarom in dit vers netjes op elkaar. Oosterse vorsten trekken hun prachtige kleren aan en zitten dan in staatsie achter gordijnen. Onder dat beeld wordt van de Heere gesproken. Maar hoever moet dat beeld nog boven ons begrip uit worden getild, want het kleed is zuiver licht, waaraan zonnen en manen hun schijnsel te danken hebben. Het gordijn is de blauwe hemel, bezaaid met sterren als edelstenen. Dit is een stevig argument voor de waarheid waarmee de psalmist zijn lied begon: “O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot.”
Vers 3
“Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren.” Zijn hoge zalen zijn opgetrokken uit de wateren boven het uitspansel. De bovenkamers van Gods grote huis zijn de verborgen verdiepingen ver buiten ons bereik. Het zijn de paleisvertrekken waar Hij woont. Zij rusten op de watermassa’s die de oceaan daarboven vormen. Wat geen vorm heeft, geeft Hij stevigheid. Hij heeft geen balken en spanten nodig, want Zijn paleis wordt gedragen door Zijn eigen macht. Waar de taal dichterlijk is, moeten wij niet letterlijk gaan uitleggen. Dat zou eenvoudig ongerijmd zijn. “Die van de wolken Zijn wagen maakt.” Als Hij uit Zijn verborgen paviljoen komt, houdt Hij zo Zijn koninklijke rondgang.
“Zijn wagen van toorn vormen diepe donderwolken”, en Zijn wagen van barmhartigheid laat overvloed neerdruppelen terwijl hij over de hemelse weg rijdt. “Die op de vleugelen des winds wandelt”, of liever: voortgaat. De wolken zijn Zijn wagen en de winden Zijn gevleugelde paarden. Zo haast de grote Koning Zich voort, in barmhartigheid of in oordeel. Zo krijgt het beeld van een koning nog meer kleur. Zijn hoge paleis, Zijn wagen en Zijn rossen: wij zien ze voor ons. Maar wat voor een paleis moeten wij dan voor ons zien, met balken van kristal en een grondslag van samengebalde damp!
Wat een statige wagen, gebouwd uit voorbijjagende wolken, met kleuren zo schitterend dat zelfs Salomo in al zijn glorie er niet aan kon tippen! En wat een goddelijke tocht is dit, waarin vleugels van geesten en de adem van de winden de rijdende troon op hun schouders nemen! “O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot!”
Vers 4
“Hij maakt Zijn engelen geesten”, of tot winden, want het woord kan beide betekenen. Engelen zijn zuivere geesten. Toch mogen zij een zichtbare gedaante aannemen als God wil dat wij hen zien. God is een Geest, en aan Zijn koninklijke hoven wordt Hij door geesten bediend. Engelen lijken op winden: geheimzinnig, krachtig en onzichtbaar. En zonder twijfel zijn de winden zelf vaak engelen of boodschappers van God. God maakt Zijn engelen tot winden, en Hij kan ook winden tot Zijn engelen maken. In het geheel van de natuur doen zij dat voortdurend. “Zijn dienaars tot een vlammend vuur.” Ook hier mogen wij kiezen uit twee betekenissen.
Hij maakt Zijn dienaren zo snel, zo krachtig en zo schrikwekkend als vuur. Maar Hij maakt ook het vuur, dat verslindende element, tot Zijn dienaar, die vlammend op pad gaat om Zijn opdrachten uit te voeren. Dat het hier om engelen gaat, blijkt duidelijk uit Hebr. 1:7. Het was ook heel passend om hen hier te noemen, bij het licht en de hemelen en direct na de kleding en het paleis van de grote Koning. Hoort bij de Heere van de heirscharen niet ook Zijn gevolg genoemd te worden, naast Zijn wagen? Er zou een gat in het beeld van het heelal zijn gevallen als de engelen niet waren genoemd, en dit is de beste plek om ze te laten optreden.
Denken wij aan de buitengewone krachten die engelen zijn toevertrouwd en aan de mysterieuze heerlijkheid van de serafs en de vier levende wezens, dan gaan onze gedachten naar de glorie van de Meester Die zij dienen. Dan roepen wij opnieuw met de psalmist uit: “O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot.”
Vers 5
“Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten.” Zo wordt het begin van de schepping beschreven, bijna in dezelfde woorden die de Heere Zelf gebruikt in Job 38:4: “Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? … Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd?” Ook de samenhang is dezelfde, want de Heere zegt verder: “Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten.” “Zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.” Natuurlijk is dit dichterlijke taal, maar het feit is er niet minder wonderlijk om.
De aarde hangt zo in de ruimte dat zij net zo stabiel blijft als iets wat vastzit. Onze planeet maakt verschillende bewegingen, en zij gaan zo stil en gelijkmatig dat voor ons alles even vast en rustig is, alsof het oude idee dat zij op pilaren rust, letterlijk waar was. Wat een fijngevoeligheid had de grote Kunstenaar bij het in balans brengen van onze aardbol! Wat een kracht moet er zijn in die hand, die zo’n enorm lichaam zijn baan heeft leren kennen en het er zo soepel in laat bewegen! Welke ingenieur kan ervoor zorgen dat geen enkel onderdeel van zijn machine ooit schokt, rukt of schuurt?
Maar bij onze grote wereld, met al haar ingewikkelde bewegingen, is dat nooit gebeurd. “O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot.”
Vers 6
“Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt.” De pasgeboren aarde lag in windsels van water. In de eerste tijdperken, voordat de mens er was, heersten de trotse wateren over de hele aarde. Het water stond boven de bergen. Er was geen droog land te zien, en damp, als van een kokende ketel, bedekte alles. Geologen vertellen ons dit als een ontdekking, maar de Heilige Geest had het allang geleden geopenbaard. In dit vers zien wij de Schepper aan het werk gaan. Hij legt de basis voor orde en schoonheid die komen zullen. Wie hier eerbiedig over nadenkt, wordt vervuld met aanbidding. Wie er grof en aards over denkt, begaat een zware godslastering.
Vers 7
“Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.” De wateren en dampen bedekten alles, maar de Heere hoefde alleen maar te spreken en ze waren meteen verdwenen. Alsof zij denkende wezens waren, haastten de golven zich naar de diepten die voor hen bestemd waren en lieten zij het land met rust. Toen staken de bergen hun hoofd omhoog, het hoogland steeg uit de zee op en tenslotte bleven werelddelen en eilanden, hellingen en vlakten over, samen de bewoonbare aarde. De stem van de Heere bracht dit grote wonder tot stand.
Is Zijn woord niet opgewassen tegen elke noodsituatie? Sterk genoeg voor het grootste wonder? Datzelfde woord zal de watervloeden van de ellende tegenhouden en de woeste golven van de zonde terechtwijzen. Er komt een dag dat alle trotse wateren van het kwaad bij de donder van Jehova’s stem helemaal wegvluchten. “O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot.”
Vers 8
Het verslagen water is voortaan gehoorzaam. “De bergen rezen op” (Engels: they go up by the mountains, “zij gaan op de bergen”), als wolken die omhoog klimmen tot de toppen van de Alpen. “De dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt” (Engels: they go down by the valleys, “zij dalen af door de dalen”). Ze zijn net zo gewillig om als regen, beek en bergstroom naar beneden te gaan als ze eerder gretig waren om als nevel omhoog te stijgen. Het is heel opmerkelijk hoe trouw de machtige wateren zijn aan de wetten van hun God. De wilde vloed, de bruisende stroomversnelling en de machtige bergstroom zijn niets anders dan vormen van die zachte dauw die trilt op een klein grassprietje.
Ook in hun ruwere gedaanten gehoorzamen zij precies zo de wetten die hun Maker hun heeft gegeven. Geen enkel spatje nevel breekt ooit uit de rij of overtreedt het gebod van de Heere over zee en land. De ontzagwekkende watervallen en de verschrikkelijke vloeden komen evenmin tegen Zijn gezag in opstand. Het is prachtig om tussen de bergen te zien hoe Gods systeem van watervoorziening werkt. Wolkige dampen stijgen op, zuiver water wordt gedistilleerd, het nieuwgeboren element springt dolgelukkig van de rotsen af op weg naar de rivieren, en de rivieren zoeken met sterke begeerte de oceaan op, de plaats die voor hen bestemd is.
Vers 9
“Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.” Die grens is één keer overschreden, maar dat zal nooit meer gebeuren. De zondvloed kwam doordat het goddelijke bevel dat de vloeden tegenhield, tijdelijk werd opgeschort. Zij kenden hun oude oppermacht en haastten zich om die weer op te eisen. Maar nu houdt de belofte van het verbond voorgoed zo’n carnaval van wateren tegen, zo’n opstand van de golven. Of moeten wij het niet liever noemen: een onstuimige stormloop van verontwaardigde vloeden, om de gekrenkte eer van hun Koning te wreken, Die door mensen was beledigd?
Jehova’s woord geeft de oceaan een grens. Het heeft maar een smalle zoom zand nodig om haar binnen haar eigen grenzen te houden. Die schijnbaar zwakke rem is genoeg, want de zee gehoorzaamt aan haar Maker als een klein kind. Het verderf slaapt op de bodem van de oceaan. Onze zonden zouden het best kunnen wekken, maar de boeien ervan zijn sterk gemaakt door barmhartigheid in het verbond, zodat het niet opnieuw kan losbreken over de schuldige mensenkinderen.
Vers 10
“Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.” Dit is een mooi onderdeel van hoe de Heere het water, dat Hem onderworpen is, heeft geregeld. Het vindt uitgangen waardoor het in vrijheid naar buiten springt, op plaatsen waar het het allermeest goed doet. Aan de flanken van de bergen zijn laagten. Daarlangs laat Hij de waterbeken stromen, die vaak ontspringen aan borrelende bronnen, die uit het binnenste van de aarde omhoogkomen. Het is God Die die bronnen stuurt, zoals een tuinman de watergangen aanlegt en met zijn voet de stroom omleidt. Zolang het water in de diepte is opgesloten, bepaalt de Heere zijn grens. Speelt het in vrijheid, dan stuurt Hij het eropuit.
Vers 11
“Zij drenken al het gedierte des velds.” Wie anders zou hen drenken, als de Heere het niet deed? Het is Zijn vee, en daarom leidt Hij het naar het water. Niet één van hen vergeet Hij. “De woudezels breken er hun dorst mede.” De goede Heere geeft hun genoeg en nog meer dan genoeg. Ze weten de weg naar de kribbe van hun Meester. Een gebit of een toom van mensen laten ze niet toe, en de mens noemt ze daarom onleerbaar. Maar van de Heere leren ze wel. Ze weten veel beter dan wij waar het koele, heldere water stroomt dat ze moeten drinken, of anders sterven.
Het zijn maar ezels, en wild ook, en toch zorgt onze hemelse Vader voor hen. Zal Hij dan ook niet voor ons zorgen? Wij zien hier ook dat niets zonder reden is gemaakt. Geen enkele mensenlip raakt nat van het beekje in het verlaten dal. Maar andere schepselen hebben verfrissing nodig, en zij lessen hun dorst bij die stroom. Is dat dan niets? Moet alles er voor de mens zijn, en is het anders weggegooid? Wat anders dan onze trots en zelfzucht kan op zo’n idee komen? Het is niet waar dat bloemen die onzichtbaar voor mensenogen blozen, hun zoetheid verspillen.
De bij vindt ze toch, en andere gevleugelde zwervers leven van hun heerlijke sap. De mens is maar één schepsel tussen de velen die de hemelse Vader te eten en te drinken geeft.
Vers 12
“Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.” Wat zijn deze woorden verfrissend! Wat een fijne herinneringen roepen ze wakker: klaterende watervallen en verstrengelde takken, waar het vrolijke gedruis van vallend en stromend water als een vaste muzikale achtergrond klinkt. De zoete, klankrijke tonen van de vogels zijn daarin de helderste en meest flitsende lichtjes van de harmonie. Mooie vogeltjes, zing maar door! Wat kunnen jullie beter doen, en wie kan het beter dan jullie? Als ook wij drinken van de rivier van God en eten van de vrucht van de boom des levens, past het ons zeker om te zingen, “een stem gevende van tussen de takken”.
Waar jullie wonen, daar zingen jullie. En zullen wij ons dan niet verheugen in de Heere, Die onze woonplaats is geweest in alle geslachten? Jullie vliegen van tak naar tak en laten jullie tonen klinken. Dat zullen wij ook doen, terwijl wij door de tijd naar de eeuwigheid vliegen. Het zou niet passen, ja, het zou een schande zijn, als paradijsvogels het moesten afleggen tegen vogels van de aarde.
Vers 13
“Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen.” Voor rivieren en beken liggen de bergen veel te hoog. Daarom komt de Heere Zelf met water uit de hoogte, uit de wateren boven het uitspansel. De dichter noemde die in een vorig vers al de bovenzalen van de hemel. Aan de bergtoppen blijven wolken haken, en zij laten vruchtbare regen over de hellingen stromen. Waar een mens niet bij kan, komt de Heere wel. Wie niemand anders met genade kan laven, die kan Hij laven. En als nergens meer iets te vinden is om op te frissen, dan geeft Hij uit Zijn eigen zalen alles wat nodig is.
“De aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.” Overal waar God aan het werk is, ontstaat overvloed. De grond zuigt zich vol regen, het zaad schiet wortel, het vee drinkt en de vogels zingen. Nergens blijft iets zonder zorg achter. In de nieuwe schepping gaat het net zo. Hij geeft méér genade, Hij vult Zijn volk met het goede, en Hij laat hen allemaal belijden: “En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.”
Vers 14
“Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen.” Er groeit gras én er groeit kruid, want dieren moeten net zo goed eten als mensen.
God geeft zelfs het kleinste schepsel zijn eigen deel en zorgt dat het dat ook krijgt. Hij legt Zijn goddelijke macht even echt en even waardig in het voeren van dieren als in het onderhouden van mensen. Kijk eens met eerbied naar één enkele grasspriet. Dan zie je God erin aan het werk. Het kruid is bestemd voor de mens, en hij moet de grond bewerken, want anders levert die niets op. En toch is het God Die het in de tuin laat groeien. Hij is dezelfde God Die het gras liet groeien op de open weiden van de woestijn.
De mens vergeet dat en spreekt over zíjn oogst. Maar in werkelijkheid ploegt en zaait hij zonder God voor niets. De Heere laat elke groene halm opschieten en elke aar rijpen. Kijk maar met open ogen, en je ziet de Heere door de korenvelden lopen. “Doende het brood uit de aarde voortkomen.” Het gras voor het vee en het koren voor de mens: beide zijn voedsel dat uit de aarde komt. Ze laten zien wat God wilde. Het stof onder onze voeten lijkt eerder geschikt om ons in te begraven dan om ons in leven te houden, maar toch moest juist dat stof veranderen in ons dagelijks brood.
Hoe langer we daarover nadenken, hoe wonderlijker het wordt. Wat is die God groot! Tussen de graven vindt Hij steun voor het leven. En uit grond die vervloekt was, laat Hij de zegen van koren, wijn en olie opkomen.
Vers 15
“En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood.” Dankzij zachte regenbuien geeft de aarde niet alleen wat we nodig hebben, maar ook wat we niet echt nodig hebben. Ze geeft wat een maaltijd tot een feestmaal maakt, en niet alleen wat de honger stilt. Ach, was de mens maar wijs genoeg om dit vrolijk makende vruchtensap goed te gebruiken. Helaas gebruikt hij het maar al te vaak verkeerd en maakt hij er zichzelf mee kleiner. Dat is zijn eigen schuld. Wie zelfs van zegeningen een vloek maakt, verdient het ongelukkig te zijn.
“Doende het aangezicht blinken van olie.” In het Oosten gebruikt men meer olie dan bij ons, en misschien is men daarin wel wijzer. Men zalft zich graag met geurige oliën en ziet een glanzend gezicht als een prachtig teken van vreugde. We moeten God prijzen voor alles wat de grond voortbrengt. Niets daarvan zou ons bereiken als Hij het niet liet groeien. “En het brood, dat het hart des mensen sterkt.” Na een goede maaltijd hebben mensen meer moed. Menig somber gemoed is al getroost met een stevige, voedzame maaltijd. We moeten God danken voor een sterk hart, net zo goed als voor sterke ledematen. Als we die hebben, zijn ze allebei een geschenk van Zijn goedheid.
Vers 16
Het water dat de bergen drenkt, doet meer dan gras en gekweekte kruiden laten groeien. Het voedt ook de edeler begroeiing, die niemand ooit kweekt en verzorgt:
“Met milde vochtigheid gevoed tot in hun wortels en hun aderen, verheffen Jehova’s wouden hoog en trots hun kruinen:
Uw cederen, Libanon, vragen niets anders dan Zijn hand die hen koestert, en zorgt voor hun groei.”
“De bomen des HEEREN”: de grootste, edelste en koninklijkste bomen, de bomen die van niemand zijn en die geen mensenhand ooit aanraakt. “Worden verzadigd”: dat betekent vol sap, goed verzorgd en rijk van water voorzien. Daardoor worden ze, net als de cederen, vol hars, stromen ze over van leven en blijven ze het hele jaar groen. “De cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft.” Ze groeien op plaatsen waar niemand eraan dacht te planten. Eeuwenlang bleven ze onopgemerkt, en nu zijn ze zo reusachtig dat geen mens ze nog kan snoeien. Wat zou onze psalmdichter hebben gezegd van enkele bomen in de Yosemite-vallei?
Die mogen echt bomen van de Heere heten, zo torenhoog en zo ontzettend dik. Zo zien we dat Gods zorg krachtig is en meer dan genoeg. Als bomen om wie geen mens zich bekommert al zo vol sap staan, mogen we er zeker van zijn dat Gods volk ook goed gevoed wordt. Dat volk leeft door het geloof van de Heere alleen. Door genade geplant, en alles te danken aan de zorg van onze hemelse Vader, kunnen we de orkaan trotseren en lachen om de angst voor droogte. Want niemand die op Hem vertrouwt, zal ooit zonder water blijven.
Vers 17
“Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen.” Deze bomen van God hebben zelf geen gebrek, en daarom bieden ze anderen onderdak. Grote en kleine vogels bouwen hun nest in de takken. Wat ze van de grote Heere krijgen, geven ze zo door aan Zijn zwakkere schepselen. Wat past alles mooi in elkaar in deze prachtige schepping! Elke schakel trekt de volgende mee. De regen drenkt de dennen, en de dennen worden het gelukkige thuis van de vogels. Zo bouwen de onweerswolken het huis van de mus, en de neerdalende regen houdt de grond onder het nest van de ooievaar in stand.
Zie ook hoe alles zijn nut heeft: de takken geven de vogels een woning. En elk levend wezen heeft zijn eigen onderkomen: de ooievaar vindt een huis in de dennen. Haar nest heet een huis, want deze vogel heeft huiselijke deugden en toont moederliefde. Daardoor lijken haar jongen op een gezin. Deze oude schrijver had vast ooievaarsnesten in dennen gezien. Meestal bouwen ooievaars op huizen en ruïnes, maar er zijn ook aanwijzingen dat ze in streken met bossen genoegen nemen met dennenbomen. Is de lezer wel eens door een bos vol grote bomen gelopen? Dan voelde hij vast die diepe eerbied die het hart raakt in de verheven kathedraal van de natuur.
Dan weet hij nog dat elke vogel hem heilig leek, omdat hij zo’n heilige stilte bewoonde. Wie God alleen kan zien of horen in gotische gebouwen, tussen het zwellen van orgels en de stemmen van een koor in witte superplie, zal dat gevoel niet begrijpen. Het is het gevoel waardoor een eenvoudige, ongekunstelde ziel “de stem van den HEERE God, wandelende in den hof” hoort.
Vers 18
“De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.” Alle plaatsen krioelen van leven. We noemen onze steden dichtbevolkt. Maar zijn de bossen en de hoge bergen niet veel drukker bevolkt? We praten over plaatsen waar niemand kan wonen, maar waar zijn die dan? De gems springt van rots naar rots en het konijn graaft zijn holen in de grond. Het ene schepsel vindt bescherming in de hoogte van de bergen, het andere in de holtes van de rotsen:
“Ver boven de rotsen dwalen de wilde geiten vrij rond, bij de rotsen heeft het konijn zijn huis en grond.”
Zo is de hele aarde vol blij leven. Elke plek heeft haar eigen bewoner, en niets is leeg, woest of verlaten. Kijk hoe geiten, ooievaars, konijnen en mussen elk een regel toevoegen aan het lied van de natuur. Hebben dan ook wij geen lofzangen om voor de Heere te zingen? Wat is ons belang klein. Maar laten we toch onze plaats innemen en zo de Heere eren Die ons met een bedoeling gemaakt heeft.
Vers 19
Nu gaat de lofzang over de vaste loop van de grote lichten. Eerst wordt de maan genoemd, omdat de Joodse dag met de nacht begint.
“Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden.” Als de maan wast en afneemt, wordt het jaar verdeeld in maanden en weken. Zo kon men ook precies vaststellen wanneer de heilige dagen vielen. Zo dient de lamp van de nacht de mens. Ze bepaalde (zoals bij de Joden) wanneer men samenkwam om God te dienen, en raakt daarmee aan het edelste in ons bestaan. Laten we de beweging van de maan nooit zien als het onvermijdelijke gevolg van een levenloze, onpersoonlijke natuurwet. Het is de beschikking van onze God. “De zon weet haar ondergang.” In een mooi dichterlijk beeld lijkt de zon te weten wanneer ze zich moet terugtrekken en onder de horizon moet zakken.
Ze treuzelt nooit onderweg en aarzelt niet alsof ze niet weet wanneer ze moet dalen. Het uur van haar ondergang verandert voortdurend. Toch houdt ze zich er tot op de seconde aan. Wij moeten ’s morgens gewekt worden, maar zij komt stipt op. Sommigen moeten op de klok kijken om te weten wanneer het tijd is om te rusten, maar de zon heeft geen uurwerk nodig. Op het afgesproken moment verdwijnt ze achter de westelijke hemel. Daarvoor moeten mensen de Heere van zon en maan prijzen. Hij heeft van deze grote lichten onze tijdmeters gemaakt, en zo houdt Hij onze wereld in orde en laat Hij niet toe dat verwarring ons van streek maakt.
Vers 20
“Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht.” Hij schuift voor ons de gordijnen dicht en maakt onze slaapkamer klaar, zodat we kunnen slapen. Als er geen duisternis was, zouden we ernaar verlangen. Rust vinden zou dan veel moeilijker zijn, want de vermoeiende dag zou nooit tot nacht bedaren. Laten we Gods hand zien als Hij de zon bedekt. En laten we nooit bang zijn voor de duisternis van de natuur of die van Gods leiding in ons leven. Beide komen van de Heere Zelf. “In denwelken al het gedierte des wouds uittreedt.” Dan breekt de dag van de leeuw aan, de tijd om zijn voedsel te zoeken.
Waarom zou een wild dier zijn uur niet krijgen, net als de mens? Het heeft een taak te doen, dus moet het toch ook te eten hebben? De duisternis past beter bij dieren dan bij mensen. En het meest redeloos zijn de mensen die de duisternis liefhebben boven het licht. Als de duisternis van onwetendheid over een volk hangt, groeit alles wat slecht is: allerlei bijgeloof, wreedheid en zonde. Het evangelie werkt als de opkomende zon. Die maakt snel een einde aan de openlijke verwoestingen van deze monsters in de wereld, en zij zoeken een schuilplaats die beter bij hen past.
Hier zien we hoe waardevol het ware licht is. Je kunt erop rekenen dat er, waar nacht is, ook wilde dieren zijn die doden en verslinden.
Vers 21
“De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.” Zo legt de dichter een gebrul uit. Tot wie brullen de leeuwen eigenlijk? Zeker niet tot hun prooi, want dat angstaanjagende geluid schrikt de slachtoffers af en jaagt ze weg. Op hun eigen manier laten de leeuwen weten dat ze honger hebben. En wie zijn verlangen uit, bidt in zekere zin. Zo komt de vrome gedachte op dat het wilde dier zijn Maker om voedsel vraagt. Maar bij leeuwen én bij mensen is bidden alleen niet genoeg. Er moet ook in de praktijk gezocht worden, en dat weten de leeuwen best.
Waar ze in hun eigen taal om gevraagd hebben, trekken ze op uit om het te vinden. Daarin zijn ze een heel stuk wijzer dan veel mensen. Die spreken vormelijke gebeden uit, lang niet zo oprecht als het gebrul van de jonge leeuwen. Daarna laten ze na te doen wat hun gebed kon laten slagen. De leeuwen brullen én zoeken. Te veel mensen liegen tegen God: zij brullen, maar zoeken nooit. Wat is het een troostrijke gedachte dat de Geest de stem van een leeuw vertaalt, en er een zoeken naar spijs bij God in hoort!
Mogen we dan niet hopen dat Hij ook onze arme, gebroken kreten en zuchten verstaat? In ons verdriet noemden we ze “mijn brullen” (Ps. 32:3). Dan mogen we hopen dat Hij ze uitlegt in ons voordeel. Hij kijkt kennelijk meer naar wat we bedoelen dan naar hoe het klinkt, en Hij legt het altijd op de best mogelijke manier uit.
Vers 22
“De zon opgaande.” Elke avond heeft zijn ochtend, en samen maken ze de dag. Hadden we de zon niet zo vaak zien opkomen, dan zouden we dit het grootste van alle wonderen vinden, en de verbazingwekkendste van alle zegeningen. “Maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.” Zo komen ze de mens niet meer in de weg, en hij ontmoet ze zelden, tenzij hij dat zelf zoekt. De krijgers van het woud trekken zich terug in hun onderkomens zodra de ochtendtrom klinkt. Diep in hun holen vinden ze het donker dat hun slaap nodig heeft.
Daar gaan ze liggen om rustig hun voedsel te verteren, want God heeft ook hun een deel van rust en genot gegeven. Maar er was Eén Die in dit opzicht armer was dan leeuwen en vossen, want Hij had geen plek om Zijn hoofd neer te leggen. Voor iedereen was gezorgd, behalve voor Hem Die als Mens kwam om voor allen te zorgen. Gezegende Heere, U bent lager gebogen dan de dieren staan, om mensen op te tillen die lager zijn dan dieren!
Het is opvallend hoe de Heere de wildste dieren veel gemakkelijker leidt dan een herder zijn schapen. Als de nacht valt, gaan ze uiteen en trekken ze erop uit. Elk heeft daarbij een barmhartige opdracht van God: een einde maken aan het lijden van de zieke en afgeleefde dieren onder de planteneters. De jongere dieren hebben snelle poten. Zij ontkomen gemakkelijk, en de rennerij doet hun juist goed. Meestal worden alleen die dieren ingehaald en gedood voor wie het leven een lange doodsstrijd zou zijn geworden. In zoverre zijn leeuwen dus boodschappers van barmhartigheid. God zendt ze even goed uit als een mens zijn jachthond op pad stuurt.
Maar deze machtige jagers mogen niet altijd buiten rondzwerven. Zodra de mens zijn intrede doet, moeten ze terug naar hun leger. Wie brengt zulke woeste wezens bijeen en sluit ze op? Wie legt hen aan de ketting en maakt hen onschadelijk? Dat kan de zon, en alleen de zon. Zij is de echte leeuwentemmer. “Maken zij zich weg” (Engels: they gather themselves together, “zij vergaderen zich”), alsof het schapen waren. Daar blijven ze, gevangen in hun eigen schuilplaats, tot de duisternis terugkeert en hun weer toestemming geeft om rond te trekken. Met eenvoudige, majestueuze middelen voert God Zijn plannen uit. Zo zijn ook de duivelen onderworpen aan onze Heere Jezus.
Door alleen maar het licht van het evangelie te laten schijnen, worden deze brullende demonen uit de wereld verjaagd. Er zijn geen wonderen nodig, en ook geen vertoon van lichamelijke kracht. De Zon van gerechtigheid komt op, en dan zoeken de duivel, de valse goden, het bijgeloof en de dwalingen van de mensen allemaal hun schuilplaats in de donkere hoeken van de aarde, bij de mollen en de vleermuizen.
Vers 23
“De mens gaat dan uit.” Nu is hij aan de beurt, want de zonsopgang heeft alles voor hem klaargemaakt. Hij laat zijn warme bed achter zich, en het gemak van zijn huis, om zijn dagelijks brood te zoeken.
Dit werk is goed voor hem, ja, een zegen. Het houdt hem uit de problemen en het oefent zijn krachten. “Tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.” Hij gaat er niet op uit om te spelen, maar om te werken. Hij gaat niet rondhangen, maar aan de slag. Zo is het althans bij het betere deel van de mensheid. We zijn gemaakt om te werken en horen dat ook te doen. Laten we nooit mopperen dat het zo bepaald is. De werkuren mogen alleen niet te lang zijn. Wie werkt zolang het gemiddeld licht is, geeft zeker alles wat een mens van een ander mag vragen.
En toch zijn er arme mensen die zo slecht betaald worden dat ze in twaalf uur nog niet genoeg verdienen om de honger buiten de deur te houden. Schande over wie het durft hulpeloze vrouwen en kinderen zo uit te buiten! Ook nachtwerk moeten we zoveel mogelijk vermijden. Een mens hoort twaalf uur te werken. De nacht is bedoeld voor rust en slaap.
Ook de nacht heeft dus, net als de dag, zijn eigen stem van lofprijs. Die stem is zachter en dempt zich meer, maar ze is daarom niet minder echt. De maan werpt haar licht over een plechtige stilte van aanbidding tussen de dennen, en de nachtwind ademt er zacht zijn “liederen zonder woorden” doorheen. Af en toe klinkt een geluid dat overdag heel gewoon zou zijn. Tussen de schaduwen klinkt het schrikwekkend en spookachtig. Het lijkt alsof de nabijheid van het onbekende het hart doet beven, en we de invloed van het Oneindige voelen. De verbeelding wordt wakker.
Het ongeloof vindt de stilte en de ernst onprettig. Het geloof kijkt omhoog naar de hemel, en ziet hemelse dingen juist scherper zonder het zonlicht. En de aanbidding buigt zich voor de Grote Onzienlijke! Er zijn geesten die de nachtwaken houden, en menige zwerver in de eenzaamheid van de natuur heeft de betovering van hun nabijheid gevoeld. Ook God Zelf is de hele nacht onderweg. De heerlijkheid die verbergt, voelt vaak nog groter dan de heerlijkheid die zichtbaar maakt. “Loof den HEERE, mijn ziel.”
Vers 24
“Hoe groot zijn Uw werken” (Engels: how manifold, “hoe veelvuldig”). Ze zijn niet alleen talrijk, maar ook van allerlei soort. Mineralen, planten, dieren: wat een reeks van werken schuilt in deze drie woorden! Zelfs binnen één soort zijn er geen twee precies gelijk, en er zijn meer soorten dan de wetenschap kan tellen. Er zijn werken in de hemelen boven, op de aarde beneden en in de wateren onder de aarde. Sommige blijven eeuwen bestaan. Andere komen in één jaar tot volle wasdom en gaan weer voorbij. Weer andere overleven, ondanks al hun schoonheid, de dag niet. Er zijn werken binnen werken, en daarbinnen nog weer andere werken.
Wie kan er één van de duizend tellen? God is de grote Werker, en Hij heeft de verscheidenheid ingesteld. Onze taak is Zijn werken te onderzoeken, want ze zijn groot, en wie er plezier in heeft, zoekt ze op. Het koninkrijk van de genade kent even veelsoortige en even grote werken als de natuur, maar alleen de uitverkorenen van de Heere zien ze. “Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt”, of tot stand gebracht. Het zijn allemaal Zijn werken, met Zijn eigen kracht gewrocht, en ze tonen allemaal Zijn wijsheid. Het was wijs om ze te maken.
Niets kon gemist worden, want elke schakel hoort bij de keten van de natuur. Dat geldt voor wilde dieren net zo goed als voor mensen, en voor gif net zo goed als voor geurige kruiden. Ze zijn met wijsheid gemaakt. Elk past op zijn plaats, vult die en is daar gelukkig mee. Het “alles” van de schepping is als geheel een wijs meesterwerk. Het zit vol geheimen en wordt overschaduwd door verschrikkingen. Toch werkt het alles mee ten goede, en als één compleet, harmonieus kunstwerk bereikt het het doel van de grote Werker. “Het aardrijk is vol van Uw goederen.” Ze is geen armoedig huis maar een paleis, geen hongerige ruïne maar een goedgevulde voorraadschuur.
De Schepper heeft Zijn schepselen niet neergezet in een huis waar de tafel kaal is en de voorraadkast leeg. Hij heeft de aarde met voedsel gevuld. En niet alleen met het hoognodige, maar met rijkdom: lekkernijen, weelde, schoonheid en schatten. Diep in de aarde liggen mijnen vol rijkdom verborgen, en op het aardoppervlak wemelt het van overvloedige oogsten. Al die rijkdommen zijn van de Heere. We moeten ze niet “de rijkdom der volken” noemen, maar “Uw goederen”, o Heere! Gods rijkdommen vind je niet in één landstreek, maar in alle landen. Zelfs de Noordelijke IJszee heeft haar kostbaarheden, en mensen doorstaan veel ontberingen om ze te bemachtigen.
En de brandende zon bij de evenaar laat een gewas rijpen dat het eten van de hele mensheid smaak geeft. Als Zijn huis hier beneden al zo vol rijkdom is, hoe rijk moet dan Zijn huis boven zijn, waar “de straten zelf met goud zijn geplaveid, uitermate helder en fijn”!
Vers 25
“Deze zee, die groot en wijd van ruimte is.” Om te laten zien hoe talrijk en hoe verschillend Jehova’s werken zijn, wijst hij naar de zee. “Kijk,” zegt hij, “naar die oceaan daar. Ze strekt zich naar beide kanten uit en omarmt zoveel landen. Ook zij wemelt van dieren, en in haar diepten liggen schatten die niemand kan tellen. De heidenen maakten van de zee een eigen gebied, los van het land, en gaven Neptunus het bevel erover. Maar wij weten zeker dat Jehova over de golven heerst.” “Daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.” Lees: bewegende dingen en dieren, klein en groot, en je hebt de ware betekenis.
Het aantal kleinste diertjes is werkelijk niet te berekenen. Eén lichtgevende golf kan miljoenen infusiediertjes dragen, en rond een stuk rots kunnen legers van microscopisch kleine wezens samenkomen. Wie dan nog wil rekenen, kan het beter meteen opgeven en afzien van elke gedachte aan getallen. In veel streken lijkt de zee helemaal te leven, alsof elke druppel een wereld is. Maar deze kleine wezens zijn niet de enige bewoners van de zee. Ze herbergt ook reusachtige zoogdieren die groter zijn dan wat op het land rondloopt. En er zwemt een groot leger enorme vissen door de golven.
Zij verbergen zich in de grotten van de zee, zoals de tijger op de loer ligt in de jungle, of de leeuw over de vlakte zwerft. Werkelijk, o Heere, U maakt de zee even rijk aan werken van Uw handen als het land zelf.
Vers 26
“Daar wandelen de schepen.” De oceaan is dus niet helemaal verlaten door de mensen. Zij is de grote weg van de volken, en verbindt verre landen meer dan dat ze die scheidt. “En de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.” Die reusachtige walvis maakt van de zee zijn speelplaats en geniet daar zoals God het wilde. Bij de gedachte aan dit verbazingwekkende schepsel begon de psalmdichter de machtige Schepper te aanbidden. Die had het gemaakt, het gevormd voor zijn plek en het daar gelukkig laten zijn. Op onze oude kaarten staat meestal een schip met een walvis op de zee getekend. Dat laat zien hoe vanzelfsprekend en dichterlijk het is om beide te noemen als we het over de oceaan hebben.
Vers 27
“Zij allen wachten op U.” Ze verdringen zich om U heen, zoals kippen rond de deur van de boer wanneer het etenstijd is, en kijken vol verwachting omhoog. Mensen of marmotten, arenden of mieren, walvissen of kleine visjes: ze rekenen alle even vast op Uw zorg. “Dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.” Dat wil zeggen: op het moment dat ze het nodig hebben en het voor hen klaarligt. God heeft voor alles een tijd. Hij geeft Zijn schepselen hun voedsel niet met tussenpozen en onregelmatig. Elke dag krijgen ze hun brood, en precies zoveel als ze nodig hebben. Meer mogen ook wij niet verwachten van Hem, en meer hoeven we ook niet te willen. Zelfs de dieren zijn tevreden met genoeg. Dan moeten wij zeker niet hebzuchtiger zijn dan zij.
Vers 28
“Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze.” God geeft het, maar zij moeten het zelf bijeenzoeken. En ze zijn blij dat Hij het geeft, want anders zou al hun zoeken tevergeefs zijn. We vergeten vaak dat dieren en vogels in hun vrije leven net als wij moeten werken voor hun voedsel. Toch geldt voor hen wat ook voor ons geldt: onze hemelse Vader voedt hen allemaal. Kijk maar eens naar de kippen die gretig het koren oppikken dat de boerin uit haar schort strooit. Dat is een treffend beeld, een beeld van hoe de Heere alles wat leeft van wat het nodig heeft voorziet.
Hij geeft, en zij verzamelen. “Doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.” Hier zien we Gods mildheid met haar open hand. Ze verzadigt behoeftige schepselen tot ze niets meer willen. En we zien Gods almacht, die een hele wereld voedt door alleen Zijn hand open te doen. Wat zouden we doen als die hand dicht bleef? Er hoefde geen enkele slag meer te worden geslagen. Alleen al het sluiten van die hand zou de dood door honger brengen. Laten we de Heere prijzen, de Heere met de open hand. Zijn voorzienigheid en genade vullen onze mond met het goede.
Vers 29
“Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt.” Alles wat leeft, leeft van Gods glimlach. Fronst Hij, dan worden ze bang en krimpen ze ineen van angst. In de natuur is het zo, en in ons geestelijk leven zeker niet anders. Als de Heere Zijn aangezicht verbergt, weten Zijn heiligen zich geen raad. “Neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.” Een ademtocht lijkt niets bijzonders. Lucht kun je niet vastpakken en lijkt van weinig belang. Maar neem die adem weg, en het lichaam heeft geen enkele levenskracht meer.
Het valt uiteen en wordt weer de aarde waaruit het oorspronkelijk genomen was. Geen enkel dier ontkomt aan deze wet. Ook de wezens in de zee blijven er niet buiten. Zo hangt de hele natuur af van wat de Eeuwige wil. Let hier op: de dood komt omdat God handelt. “Neemt Gij hun adem weg.” We zijn onsterfelijk totdat Hij ons zegt te sterven. Zelfs de kleine mussen vallen niet op de aarde zonder onze Vader.
Vers 30
“Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.” Als hun adem wegvalt, is het met hen gedaan. Maar de adem van Jehova roept een nieuw geslacht in leven. Hoe eenvoudig en majestueus zijn de werken van de Heere, en met wat een koninklijk gemak doet Hij ze! Een ademtocht schept. Wordt die teruggetrokken, dan gaat alles teloor. Ook als we hier het woord “geest” lezen, zoals onze vertaling doet, leren we er iets van. Dan zien we de Geest van God uitgaan om in de natuur leven te scheppen, net zoals we Hem bezig zien in het rijk van de genade.
Na de zondvloed was de wereld bijna leeggemaakt. Maar hoe snel liet Gods kracht de verlaten plekken weer vollopen! Elke winter valt de aarde in slaap, en ze ziet er dan moe en oud uit. Maar de Heere maakt haar zonder moeite wakker met de roepstem van de lente. Dan trekt ze opnieuw de schoonheid van haar jeugd aan. U, Heere, doet alle dingen. Aan Uw Naam zij de eer.
Vers 31
“De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.” Zijn werken kunnen voorbijgaan, maar Zijn heerlijkheid gaat nooit voorbij. Alleen al om wat Hij tot nu toe gedaan heeft, verdient de Heere dat we Hem zonder ophouden prijzen. Wie Hij is en wat Hij in Zijn wezen is, maakt Hem heerlijk, ook al zou elk schepsel dood zijn. “De HEERE verblijde Zich in Zijn werken.” Dat deed Hij vanaf het begin. Toen rustte Hij op de zevende dag en zag Hij dat alles zeer goed was.
Nog steeds doet Hij het enigszins, waar in de natuur iets van schoonheid en reinheid de zondeval heeft overleefd. En Hij zal Zich nog veel vollediger verblijden, wanneer de aarde is vernieuwd en het spoor van de slang van de wereld is weggespoeld. Dit vers is vol gloed geschreven. Het hart van de dichter wordt blij van het kijken naar de werken van de Heere. En hij voelt dat de Schepper Zelf onuitsprekelijk heeft genoten, toen Hij zoveel wijsheid, goedheid en macht gebruikte.
Vers 32
“Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert.” In daden en werken van goedheid heeft de Heere ons in Zijn genade Zijn macht laten zien. Hij had ons ook kunnen verpletteren met de schrik van de vernietiging, als Hij dat had gewild. Want als Hij maar even kijkt, siddert de vaste aarde al van angst. “Als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.” De hele Sinaï rookte toen de Heere erop neerkwam. Het was maar een aanraking, en toch smolt de berg weg in vlammen. Ook onze God is een verterend vuur.
Wee wie Hem tot een bestraffende blik dwingen! Wanneer Zijn hand hen raakt, vergaan ze. Als zondaars niet zo stompzinnig ongevoelig waren, zouden ze beven voor één blik van de Heere. En wanneer Zijn hand hen in het lijden aanraakt, zou hun hart vlam vatten van berouw. “Van redelijkheid vertoont alles enig teken”, behalve het ongevoelige hart van de mens.
Vers 33
“Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen”, of, letterlijk, in mijn levens. De psalmist wil de Heere nu en later blijven prijzen. Zijn onderwerp houdt nooit op, het blijft altijd vers en nieuw. Vogels zongen al voor Gods eer vóórdat er mensen bestonden. Maar verloste mensen zullen Zijn glorie bezingen als er geen vogels meer zijn. Jehova leeft altijd en geeft ons leven. Hij zal voor altijd worden verheven en hoog geroemd en geprezen in de liederen van verloste mensen. “Ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.” Dat is een besluit dat hem gelukkig maakt en de Heere eer geeft.
Let op die lieflijke titel: mijn God. We zingen nooit zo goed als wanneer we weten dat we deel hebben aan het goede waarover we zingen, en dat we bij de God horen Die we prijzen.
Vers 34
“Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn.” Zoet voor Hem, en zoet voor mij. Wat zal het me verrukken om zo Zijn werken te overzien en aan Hem Zelf te denken! Dan neemt Hij mijn lofzang genadig aan. Overdenking is de ziel van het geloof. Ze is de levensboom midden in de tuin van de vroomheid, en haar vrucht is zo verkwikkend voor wie ervan eet.
Ze doet de mens goed, en ze is ook voor God een gave. Het vet van het offer behoorde aan de Heere toe. Zo komen onze beste overdenkingen de Allerhoogste toe, en Hij is er zeer mee ingenomen. Daarom moeten we veel tijd aan overdenken besteden. Dat is goed voor onszelf en het brengt de Heere eer. Maar die overdenking moet bovenal bij de Heere Zelf blijven staan: ze moet “overdenking van Hem” zijn. Wie dit mist, raakt veel van de gemeenschap met Hem kwijt en loopt veel geluk mis. “Ik zal mij in den HEERE verblijden.” Wie overdenkt, wordt van elke gedachte aan God blij. Elke eigenschap van God geeft nu vreugde. In Christus Jezus zijn we immers met God verzoend.
Vers 35
“De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn.” Zij zijn de enige smet op de schepping.
“Elk vergezicht verheugt ons hart,
alleen de mens is laag en zwart.”
Uit heilige verontwaardiging wil de psalmist de wereld bevrijd zien van wezens die zo laag zijn dat ze hun goede Schepper niet liefhebben. Ze zijn zo blind dat ze in opstand komen tegen Hem Die hen weldoet. Hij vraagt alleen wat rechtvaardige mensen verwachten aan het einde van de geschiedenis. Want die dag mogen we vurig wensen, de dag waarop in heel Gods koninkrijk geen enkele verrader of opstandeling meer is overgebleven. Christenen zeggen het liever zo: mocht genade zondaars heiligen maken en de goddelozen voor de weg van de waarheid winnen. “Loof den HEERE, mijn ziel.” Hier komt het op neer.
Wat zondaars ook doen: blijf jij, mijn ziel, je vaandel hoog houden en trouw aan je roeping. Hun stilte mag jou nooit stil maken. Laat die je juist aanzetten tot dubbele lof, om goed te maken wat zij nalaten. Je kunt dit werk trouwens niet alleen af. Anderen moeten je te hulp komen. O heiligen: “Hallelujah!” (Engels: Praise ye the Lord, “Looft den HEERE”). Laat jullie hart halleluja roepen, want dat is het woord in het Hebreeuws. Wat een hemels woord! Laat het de psalm besluiten, want wat valt er nog meer te zeggen of te schrijven? Halleluja. Looft de Heere.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Deze psalm is een door God ingegeven “oratorium van de schepping.” — Christopher Wordsworth.
Gehele psalm
Dit lied is heerlijk, lieflijk en vol lessen. Het geeft ons het gezondste inzicht in de natuur (la mas sans fisica). Het wijst ons ook de beste manier om haar te onderzoeken: bewonder met het ene oog de werken van God, en met het andere God Zelf, hun Schepper en Onderhouder. — Sanchez, aangehaald door Perowne.
Gehele psalm
Je zou haast kunnen zeggen dat deze ene psalm het beeld van de hele kosmos voorstelt. Het verbaast ons dat in een lyrisch gedicht van zo beperkte omvang het hele heelal, hemel en aarde, met een paar gedurfde streken is geschetst. De rustige maar zware arbeid van de mens, van zonsopgang tot zonsondergang, als zijn dagwerk gedaan is, staat hier tegenover het bewegende leven van de elementen van de natuur. Er is dit contrast, en een veralgemening in hoe natuurverschijnselen op elkaar inwerken, en een terugblik op een alomtegenwoordige, onzichtbare macht die de aarde kan vernieuwen of tot stof kan laten vergaan. Al die dingen samen maken van dit gedicht een werk van dichterlijke kunst dat eerder plechtig aandoet dan gloeiend en zacht. — A. von Humboldt, “Cosmos.”
Gehele psalm
De streken zijn weinig en snel gezet, maar wat zijn ze veelomvattend en verheven! Gaat het om God? “Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed”, en als Hij uittrekt, gaat Hij “op de vleugelen des winds”. Gaat het om de winden of de bliksems? Dan zijn het Zijn boden of engelen. “Houd ons niet op”, lijken ze te zeggen, “’s Konings zaak vraagt haast.” Gaat het om de wateren? Eerst laat de dichter ze zien als vloed die het aardoppervlak bedekt. Dan toont hij ze zoals ze nu liggen: ingesloten tussen hun oevers, om nooit meer uit te breken.
Gaat het om de bronnen? Met één ingegeven blik volgt hij hen op hun weg door de bergen. Hij ziet hoe ze de wilde, eenzame dieren van de woestijn laten drinken. Hij ziet hoe ze de takken voeden waarin de vogels zingen, het gras waar het vee van eet, het kruid, het koren, de olijfboom en de wijnstok. Die laatste vullen de mond van de mens, verblijden zijn hart en doen zijn gezicht glanzen. Dan zweeft hij met stoutmoedige vleugelslag langs alles wat hoog is: de bomen van de HEERE op de Libanon, “verzadigd”, de dennen met de ooievaars erin, de hoge bergen met hun wilde geiten en de rotsen met hun konijnen.
Vervolgens stijgt hij op naar de hemellichamen, de zon en de maan. Dan spreidt hij zijn vleugels uit in het donker van de nacht, dat voor Hem niets verbergt. Hij hoort hoe het gedierte van het woud naar buiten sluipt om prooi te zoeken. Hij hoort het gebrul van de leeuwen tot God om voedsel, dat opstijgt op de vleugels van de middernacht. Daarna ziet hij de schaduwen en de wilde dieren samen op de vlucht gaan, in een wedloop voor de morgenzon. Hij ziet de mens, sterk en kalm in dat licht als in Gods glimlach, naar zijn werk gaan, en hij roept uit: “Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt!” Dan werpt hij een blik op de oceaan.
Zijn blik glijdt langs de schepen die daar varen en langs de leviathan die daar speelt. Daarna dringt hij door tot de ontelbare schepselen, klein en groot, die onder haar ongeopende sluier van water leven. Hij ziet alle wezens die aarde en zee bevolken wachten op leven en voedsel, rond de tafel van hun goddelijke Meester. En ze wachten niet tevergeefs. Tot, zie, Hij Zijn aangezicht verbergt, en ze verschrikt worden, sterven en verdwijnen in chaos en nacht. Dan glinstert voor zijn oog even de grote opstanding van natuur en mens. “Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.” Maar er volgt een nog grotere waarheid, en die vormt het hoogtepunt van de psalm. (Humboldt bewondert die waarheid wel, maar hij ziet haar zelf niet, en toch geeft zij de hele psalm een christelijke toon.) “De HEERE verblijde Zich in Zijn werken.” De dichter denkt aan een nog volmaakter heelal.
Daaruit zullen “de zondaars” en de zonde “verdaan worden”, weg uit dit schone universum. En als de mens dan zijn woonplaats volkomen waard is, zal God over beide zeggen dat het “zeer goed” is. Hij zegt dat met nog meer nadruk dan in het begin, en met een nog warmere, zachtere glimlach. Met een zegenwens aan de Heere sluit de dichter dit bijna engelachtige lied af. Het ging over de werken van de natuur, de heerlijkheid van God en de toekomst van de mens. Hij toonde niet alleen de eenheid van het heelal. Hij toonde ook hoe het zich ontwikkelt, in gelijke pas met de mens.
Hij liet zien dat alles volkomen afhangt van één oneindige Geest, en van het “toenemende doel” dat erdoorheen loopt. En hij liet de uiteindelijke zuivering zien, wanneer alles zal uitbloeien tot “de heldere, volmaakte bloem” van de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, “in dewelke gerechtigheid woont”. Hierom draait de honderdvierde psalm echt, en hierin ligt zijn eigen heerlijkheid. — George Gilfillan, in “The Bards of the Bible”.
Gehele psalm
Er is iets bijzonders aan de opbouw van deze psalm. Elk deel van het Eerste Halfkoor begint, na het eerste, met een deelwoord. Die deelwoorden zijn accusatieven en horen bij Jehova, het voorwerp van het werkwoord “barki” aan het begin van de hele psalm.
Zegen Jehova, Die Zich kleedt, uitspant, legt, maakt, reist, maakt, vestigt, zendt, drenkt, maakt, maakt. Zo strekt dit overgankelijke werkwoord uit de eerste regel zijn gezag uit over de opeenvolgende delen van datzelfde halfkoor, op het laatste na. Daardoor smeedt het ze allemaal samen tot één lange volzin. — Samuel Horsley.
Gehele psalm
Over de details, de gedeelten tussen vers 2 en 31, kan men twee dingen zeggen. Je kunt ze lezen als een overdenking over de schepping en over de eerste “ordening van de wereld”. Die ordening is dan zelf een tegenbeeld en een voorafschaduwing van de nieuwe, herstelde orde in de grote sabbat, het duizendjarig tijdperk. Of misschien beschrijven ze die orde echt. Dan beginnen ze met de komst van de Heere in de wolken van de hemel (vers 3 met Ps. 18:10-12), met “de engelen Zijner kracht” om Hem heen (vers 4 met 2 Thess. 1:7 in het Grieks).
Daarna wordt de aarde “gegrond” (Engels: vastgemaakt). Ze zal niet meer “wankelen”, niet meer bewogen of geschud worden door de rampen en beroeringen die de zonde veroorzaakt heeft. Vervolgens zien we de natuur in de volmaaktheid van haar schoonheid. Alles beantwoordt aan het doel waarvoor het geschapen is. Alle soorten dieren leven in harmonie met elkaar, en iedereen leeft in vrede met de mens. Allen krijgen wat ze nodig hebben van de rijke oogst van de aarde. Die is niet langer vervloekt maar gezegend, en God heeft haar opnieuw vruchtbaar gemaakt. “Zij allen wachten op U … doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.”
En Zijn hele goedheid krijgt de erkenning die haar toekomt van Zijn schepselen. Zij loven Hem samen in een koor en zeggen: “Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen. … Hallelujah!” — William De Burgh.
Vers 1
“Loof den HEERE, mijn ziel.” Een goed mens doet zijn werk vooral binnenshuis. Hij houdt zich meer bezig met zijn eigen ziel dan met alles wat er in de wereld buiten is. En hij is nooit alleen, zolang hij God en zijn eigen hart heeft om mee te praten. — John Trapp.
Vers 1
Wat begint de psalmist zijn overdenking met een eerbied en heilig ontzag, in deze belijdenis! “O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot.” De heiligen verheugen zich erover dat de God Die van hen is, een grote God is. Hoe groter de vorst, hoe trotser en blijer zijn trouwe onderdanen. — Matthew Henry.
Vers 1
“Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.” Dat betekent, zoals Hiëronymus zegt: U bent getooid en versierd met pracht en glans. Door Uw werken is te zien dat U heerlijk en luisterrijk bent, zoals een mens aan zijn kleren te zien is. Daaruit blijkt duidelijk dat het hier niet gaat over Gods innerlijke grootheid, maar over Zijn uiterlijke, geopenbaarde grootheid. — Lorinus.
Vers 1
Elke ziel die geschapen, verlost en wedergeboren is, hoort de Heere te prijzen: de Schepper, de Verlosser en de Heiligmaker. In het begin heeft God de Zoon de werelden gemaakt. Door het werk van de Heilige Geest voert Zijn genade dat werk nog altijd naar het volmaakte einde. Voor onze ogen is Hij openbaar geworden in overweldigende heerlijkheid. Als de eeuwige Hogepriester heeft Hij majesteit en heerlijkheid als Urim en Thummim omgedaan. Zoals een priester zijn heilige gewaden aantrekt, zo heeft Hij Zich in licht gehuld. Op de berg van de verheerlijking liet Hij Zijn glans maar even zien.
Zo is Hij nu, zo is Hij altijd geweest, en zo zal Hij altijd zijn. Hij is het ware Licht. Daarom zijn Zijn engelen engelen van het licht, Zijn kinderen kinderen van het licht, en is deze leer een leer van het licht. Het heelal is Zijn tabernakel. Wat we van de hemelen zien en wat we niet zien, zijn de gordijnen rond Zijn heilige plaats. Heel hoog heeft Hij de balken en de grondslag van Zijn allerheiligste gelegd, zelfs boven de wateren die boven het uitspansel zijn. De wolken en de winden van de lagere hemel vormen Zijn wagen.
Op die wagen stond Hij toen Hij van de Olijfberg opsteeg, en erop zal Hij plaatsnemen als Hij terugkomt. — “Plain Commentary”.
Vers 2
“Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed.” Hij vergelijkt het licht waarmee God getooid is met een kleed. Zo laat hij merken dat Gods heerlijkheid, hoewel Hij onzichtbaar is, toch duidelijk genoeg zichtbaar is. Wat Zijn wezen betreft, woont God ongetwijfeld in een licht waar niemand bij kan. Maar Hij straalt over de hele wereld met Zijn luister, en dat is het kleed waarin Hij, Die in Zichzelf verborgen is, voor ons zichtbaar verschijnt. Het is van het allergrootste belang dat we dit weten. Mensen die de oneindige hoogte van God willen bereiken, falen halverwege.
Dat gebeurt ook als ze boven de wolken uit vliegen. Wie Hem in Zijn naakte majesteit willen zien, zijn zeker erg dwaas. Als wij Hem willen zien, moet Hij met Zijn kleding in het zicht komen. We moeten dus onze ogen richten op de prachtige bouw van de wereld, waarin Hij door ons gezien wil worden. En we moeten niet te nieuwsgierig en vermetel in Zijn verborgen wezen willen gaan graven. God laat Zich aan ons zien, gekleed in licht. Wie een smoes zoekt om zonder kennis van Hem te leven, kan dus niet als excuus voor zijn luiheid aanvoeren dat Hij in diepe duisternis verborgen is.
Als er staat dat de hemelen een gordijn zijn, bedoelt dat niet dat God Zich eronder verbergt. Het betekent dat Zijn majesteit en heerlijkheid erdoor getoond worden, als het ware Zijn koninklijke tent. — Johannes Calvijn.
Vers 2
“Met het licht.” In de scheppingsdagen maakte God eerst het licht dat we met onze zintuigen waarnemen. Het laatst maakte Hij het licht van het verstand. En sinds Zijn sabbat werkt Hij aan de verlichting van onze geest. — Francis Bacon.
Vers 2
“Hij rekt den hemel uit als een gordijn.” In het Oosten beschermt men in de zomer het binnenplein van het huis tegen de hitte. Dat doet men ook altijd als er een grote groep gasten komt. Dan gebruikt men een zonnezeil of doek, over touwen gespannen van de ene muurrand naar de andere. Zo’n doek kan men opvouwen of uitrollen zoals men wil. Waarschijnlijk denkt de psalmdichter bij die mooie uitdrukking, het uitrekken van de hemel als een gordijn, aan een overkapping van dat soort. — Kitto’s “Pictorial Bible”.
Vers 2
“Als een gordijn.” Zo moeiteloos als een mens een tentdoek uitspreidt, doet God dit door alleen maar te spreken (Ps. 104:2).
Jes. 40:22 sluit hierbij aan: “Die de hemelen uitspant als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent, om te bewonen.” Vers 3 beschrijft verder wat er op de tweede dag gebeurde. De eerste zinsnede heeft haar grond in de woorden van Gen. 1:7: “En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn.” De wateren boven zijn het materiaal waarmee, of waaruit, het bouwwerk wordt opgetrokken. Een vast paleis bouwen uit rusteloos water, de wolkenhemel, die “vast” is, “als een gegoten spiegel” (Job 37:18): dat is een prachtig werk van Gods almacht. — E.V.
— Hengstenberg.
Vers 2
“Als een gordijn.” Voor de Hebreeën was de hemel een tempel en een paleis van God. Dat heilige hemelsblauw was dus tegelijk de vloer van Zijn huis en het dak van het onze. Toch denk ik dat mensen die in tenten woonden, het beeld van de hemeltent het mooist vonden. In hun voorstelling spreidt God haar elke dag uit, en maakt Hij haar aan de horizon vast aan de pilaren van de hemel: de bergen. Voor hen is die tent een plek van veiligheid, van rust en van vaderlijke gastvrijheid, waar God samenwoont met Zijn schepselen. — Herder, aangehaald door Perowne.
Vers 3
“Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren.” Dat God de balken van Zijn zalen in de wateren legt, is een beeld dat je niet zomaar begrijpt. Toch wilde de profeet ons juist met iets wat we niet kunnen vatten des te meer tot verwondering brengen. Balken moeten stevig en sterk zijn. Anders kunnen ze niet eens het gewicht van een gewoon huis dragen. Maakt God dan de wateren tot het fundament van Zijn hemelse paleis, wie staat dan niet verbaasd over zo’n wonder? We begrijpen traag. Daarom zijn zulke overdreven uitdrukkingen helemaal niet overbodig, in het geheel niet.
Ze wekken ons met moeite wakker, en pas dan krijgen we zelfs maar een klein beetje kennis van God. — Johannes Calvijn.
Vers 3
“Die de balken van Zijn zalen in de wateren legt”, of: “Die Zijn opperzalen boven de wateren legt.” Zijn opperzaal (in het Oosten trok men zich terug in de bovenkamer als men alleen wilde zijn) staat op het smalle fundament van regenwolken, opgetrokken in de heldere ether. — A.F. Tholuck.
Vers 3
“Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren”, enz. “Hij overstroomt Zijn zalen met wateren.” Dat wil zeggen: de wolken vormen de vloer van Zijn hemelen. — Zachary Mudge.
Vers 3
“Die op de vleugelen des winds wandelt”, zie Ps. 18:11. Hiermee wordt uitgedrukt hoe snel Hij komt om Zijn volk te helpen in tijd van nood. Hij helpt, en wel zeer vroeg, ruim op tijd. Je kunt het heel goed toepassen op de eerste én de tweede komst van Christus. De eerste keer kwam Hij springend over de bergen en huppelend over de heuvels. De tweede keer komt Hij als een ree of een jong hert op de balsembergen (Hoogl. 2:8; 8:14). De Targoem zegt: “op de snelle wolken, als de vleugelen van een arend.” Misschien denken de heidenen daarom dat Jupiter in een wagen door de lucht rijdt als het dondert en bliksemt. — John Gill.
Vers 3
“Die op de vleugelen des winds wandelt.” In deze woorden zit een ongeëvenaarde bevalligheid. Er staat niet: Hij vliegt, of: Hij rent. Er staat: Hij wandelt, en dat op de vleugels zelf van de wind. Op het meest onstuimige element, tot de uiterste woede opgezweept, dat met ongelooflijke snelheid voorbijraast. Een verhevener beeld van God kunnen we niet krijgen: Hij loopt rustig op iets wat onvoorstelbaar snel gaat en, zoals het ons toeschijnt, niet te beteugelen is! — James Hervey, 1713-14 — 1758.
Vers 4
“Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.” Sommigen vertalen: Die Zijn engelen tot winden maakt. Ze lijken inderdaad op de wind. Je kunt hen net zomin zien als de wind, tenzij ze een uiterlijke gedaante aannemen. Ze gaan op verbazingwekkende wijze dwars door lichamen heen (zie Hand. 12:6-10). Ze hebben grote kracht en macht, want het zijn machtige engelen die uitmunten in kracht (Ps. 103:20). En ze zijn snel in het uitvoeren van Gods bevelen. De Targoem zegt het zo: “Hij maakt Zijn boden, of engelen, snel als de wind.” — John Gill.
Vers 4
“Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.” De woorden “Zijn engelen geesten scheppend” kunnen op twee manieren worden opgevat. Ze kunnen betekenen: “hen scheppend als geestelijke wezens, en niet als stoffelijke.” Of ze kunnen betekenen: “hen scheppend als winden.” Dan zijn de engelen net als de wind onzichtbaar en snel in hun bewegingen, en ze kunnen grote dingen teweegbrengen. De tweede uitleg ligt voor de hand door de regel die erbij hoort: “en Zijn dienaars”, of “knechten”, waarmee duidelijk dezelfden bedoeld zijn als Zijn engelen, “een vlammend vuur”, dus als de bliksem.
Wat hier over de engelen wordt gezegd, komt in het kort hierop neer: “Ze zijn geschapen wezens, en wat hun eigenschappen betreft lijken ze op de winden en de bliksem.” Paulus trekt hieruit in Hebr. 1:7 de conclusie dat de engelen minder zijn dan Christus. Zijn redenering is direct en krachtig. Hij is de Zoon, zij zijn schepselen van God. “Eniggeboren” beschrijft hoe Hij bestaat, en “gemaakt” beschrijft hoe zij bestaan. Alles wat zij kunnen, hebben ze gekregen. En hoe hoog ze ook staan op de ladder van de schepping, ze staan wel op die ladder.
Daardoor staan ze oneindig ver beneden Hem. Hij is zo de Zoon van God dat Hij “God boven allen te prijzen in der eeuwigheid” is. — John Brown, in “An Exposition of the Epistle to the Hebrews.”
Vers 4
“Een vlammend vuur.” Vuur wijst op macht die niemand tegenhoudt, op een heiligheid zonder vlek en op gloeiende gevoelens. Het valt op dat de serafs, althans één soort van deze dienaren, hun naam ontlenen aan een woordstam die “branden” betekent. En het altaar waarvan een van hen de gloeiende kool nam (Jes. 6:6), is het teken van heilige liefde in haar hoogste vorm. — James G. Murphy, in “A Commentary on the Book of Psalms,” 1875.
Vers 5
“Zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.” Dat de aarde vaststaat, komt van God, net zoals het feit dat ze bestaat.
Overal op aarde zijn er aardbevingen geweest, bewegingen van de aarde. Maar sinds haar fundamenten gelegd zijn, is de aarde als geheel nog nooit ook maar een haarbreed van haar plaats geraakt. Archimedes, de grote wiskundige, zei: “Geef mij een plek om mijn werktuig neer te zetten, en ik verplaats de aarde.” Dat was een flinke grootspraak, een grote mond. De Heere heeft de aarde te vast neergelegd dan dat mensen haar zouden kunnen verplaatsen. Hijzelf kan haar doen beven en schudden, en Hij kan haar bewegen wanneer Hij wil. Maar Hij heeft haar nooit verplaatst, en dat zal Hij ook nooit doen.
Hij legde de fundamenten van de aarde zodat ze niet zou wankelen. Ze kan ook niet bewogen worden, behalve wanneer Hij dat wil. En als ze ooit beweegt, is dat om de mensen eraan te herinneren dat ze Hem door hun zonden tot toorn hebben bewogen. — Joseph Caryl.
Vers 5
Hoe de wetenschap deze waarheid verwoordt, lees je in het boek van Amédée Guillemin, “The Heavens.” “Hoe kan het dat we onze eigen beweging niet voelen, terwijl de aarde ons met enorme snelheid meevoert? Dat komt doordat de hele massa van de aarde, de dampkring en de wolken in die beweging delen. Alles op het aardoppervlak draait met diezelfde vaste snelheid mee. Hield de draaiing van de aarde door welk toeval ook ineens op, dan zou dat de verschrikkelijkste en meest algemene ramp zijn die je je kunt voorstellen. Zo’n gebeurtenis zou een zeer diepgaande vernietiging van alle levende wezens inluiden. Maar de natuurwetten veranderen niet. Daarom kunnen wij zo’n ramp zonder angst onder ogen zien. Het is bewezen dat de polen van de draaiing op het aardoppervlak steeds op dezelfde plaats blijven. Men heeft ook gevraagd of de snelheid van de draaiing van de aarde veranderd is. Dat is dezelfde vraag als of de sterrendag en de daarvan afgeleide zonnedag in de tijd van de geschreven geschiedenis korter of langer zijn geworden. Laplace heeft die vraag beantwoord. Uit zijn bewijs blijkt dat de draaiing in de laatste tweeduizend jaar niet eens een honderdste seconde is veranderd.”
Vers 5
God van het land en van de zee, U legde de fundamenten van de aarde;
Uw hand draagt haar, en zo staat zij voor altijd vast en onwankelbaar.
Eens opende U haar verborgen bronnen en haar diepten,
en al spoedig rees het water hoog boven de bergen uit.
Bij Uw bestraffing vluchtten de wateren, voor de stem van Uw donder;
de vloed gehoorzaamde Uw bevel
en trok zich haastig terug;
nu houden de wateren de plaats die U hun hebt aangewezen,
en door heuvels en dalen baant U hun een bedding, een weg door U gekozen.
U stelde een grens die zij niet mogen overschrijden;
U sluit de diepte binnen haar perken
en zet er sterke dammen tussen,
opdat haar trotse golven nooit meer verwoesting brengen
en geen woonplaats van mensen meer van de aarde wegvagen.
— John Barton, in “The Book of Psalms in English Verse: a New Testament Paraphrase,” 1871.
Vers 6
“Stonden”, “vloden”, “haastten zich weg.” Wat de psalm zegt, schildert het wonderlijke proces van het allereerste begin voor ons oog. Ook de overgang van de verleden naar de tegenwoordige tijd in vers 6, 7 en 8 is veelzeggend. Zo ontvouwt het tafereel zich voor onze ogen. In vers 6 moet “stonden” zijn staan, in vers 7 moet “vloden” zijn vluchten, en “haastten zich weg” moet zijn haasten zich weg, zoals in de P.B.V. — “The Speaker’s Commentary.”
Vers 7
“Van Uw schelden vloden zij.” Je moet hier denken aan de beroemde beschrijving van Vergilius. Bij hem schreeuwt Neptunus de winden streng toe. Ze durfden zonder zijn toestemming aarde en hemel in oproer te brengen en zulke geweldige golfbergen te doen rijzen. Dan, sneller dan een woord gesproken kan worden, laat hij de opgezwollen zeeën bedaren, jaagt hij de samengepakte wolken uiteen en brengt hij de zon terug. — Lorinus.
Vers 7
“Zij haastten zich weg voor de stem Uws donders” (of: van die ruiter), dat wil zeggen: ze renden in grote haast weg. Zo gaat een knecht met spoed aan zijn werk als zijn meester hem streng aankijkt en hem met een dreigende donderstem toespreekt. Zo toont Christus hier Zijn machtige kracht. Met dezelfde kracht liet Hij de wateren van de zondvloed verdwijnen, toen ze de aarde en de toppen van de hoogste heuvels bedekten. Met dezelfde kracht bestrafte Hij de Rode Zee, zodat die droog land werd. Hij dreef het water van de Jordaan terug om Israël erdoor te laten trekken.
En Hij bestrafte de zee van Galilea, toen Zijn discipelen in nood waren. Net zo gemakkelijk neemt Hij bij Zijn volk de diepte van zonde en duisternis weg, en dat doet Hij bij hun bekering. Hij bestraft Satan en redt uit diens verleidingen als die als een vloed komen aanzetten. En Hij gebiedt het water van de ellende terug te wijken als het dreigt te overspoelen. Zij zijn Zijn dienaars. Ze komen als Hij zegt dat ze moeten komen, en ze gaan als Hij zegt dat ze moeten gaan. — John Gill.
Vers 7
“Voor de stem Uws donders.” Het is heel goed mogelijk dat God bij deze scheiding de elektrische vloeistof als middel inzette. — Ingram Cobbin.
Vers 7
“Zij haastten zich weg.”
God zei: Laten de wateren onder de hemel zich nu op één plaats verzamelen, en laat het droge verschijnen.
Dadelijk rezen de enorme bergen uit het water, hun brede kale ruggen duwden omhoog tot in de wolken, en hun toppen reikten tot in de hemel:
Zo hoog als de gezwollen heuvels zich verhieven, zo diep zonk een holle bodem weg, wijd en diep, een ruime bedding voor het water: daarheen snelden zij met blije haast, rollend als druppels die op stof samenklonteren uit het droge:
Sommige stonden recht op als een muur van kristal of een rechte rug, zo groot was de haast: zo’n vaart legde het grote bevel de snelle vloeden op. Zoals legers de roep van de bazuin volgen (want over legers heb je wel gehoord)
en zich verzamelen rond hun vaandel, zo stroomde de waterige menigte, golf rollend na golf, waar ze maar een weg vonden: als het steil was, bruisend van vervoering, en op vlak land zacht uitebbend. Geen rots of heuvel kon hen tegenhouden. Ze vonden hun weg onder de grond door of in wijde bochten, kronkelend als een slang. Zo groeven ze diepe geulen in de natte modder. Dat ging gemakkelijk, vóór God de grond droog had verklaard, behalve op de plekken binnen die oevers, waar nu rivieren stromen en voor altijd hun gezwollen sleep met zich meevoeren. Het droge noemde Hij Aarde, en het grote vergaarbekken van samengestroomde wateren noemde Hij Zeeën:
En Hij zag dat het goed was. — John Milton.
Vers 8
“De bergen”, enz. De Targoem zegt: “Zij stijgen uit de diepte op naar de bergen.” Toen de wateren op goddelijk bevel van de aarde wegtrokken, richtten ze hun koers eerst omhoog over de bergen. Daarna daalden ze door de dalen af naar de plek die voor hen was bestemd. Over heuvels en dalen gingen ze. Niets kon hen tegenhouden of hun loop vertragen, totdat ze op hun juiste plaats waren. Ook dat is weer een voorbeeld van de almachtige kracht van de Zoon van God, in al Zijn grootheid. — John Gill.
Vers 9
“Gij hebt een paal gesteld”, enz. In onze eigen tijd is de Oostzee buiten haar oevers getreden en heeft ze grote stukken land onder water gezet. Het Vlaamse volk en andere buurvolken leden daardoor veel schade. Zo’n gebeurtenis is een waarschuwing, een voorproefje van wat er zou gebeuren als de teugel die Gods hand de zee heeft aangelegd, werd losgelaten. Waarom zijn we dan niet allemaal tegelijk verzwolgen? Alleen hierom: God houdt dit woeste element met Zijn woord in bedwang. Kortom: het is duidelijk dat het water van nature de aarde wil bedekken, en toch gebeurt dat niet. Want God heeft door Zijn woord een wet ingesteld die daartegenin werkt. En omdat Zijn waarheid eeuwig is, zal die wet onwrikbaar blijven staan. — Johannes Calvijn.
Vers 9
“Gij hebt een paal gesteld”, enz. In deze woorden laat de psalmist ons duidelijk drie dingen zien over de wateren. Ten eerste: eens (hij bedoelt hier niet de zondvloed, maar de chaos) bedekten de wateren de hele aarde. Dat duurde totdat God hen met een bevel naar hun eigen beddingen stuurde, zodat het droge zichtbaar werd. Ten tweede: het water heeft van nature de neiging terug te keren en de aarde opnieuw te bedekken. Ten derde: de enige reden dat het niet terugkeert en de hele aarde overspoelt, is dat God “een paal gesteld” heeft, “dien zij niet overgaan zullen”.
Het water zou grenzeloos zijn en geen perken kennen, als God het niet inperkte en begrensde. In Spr. 8:29 zegt de Wijsheid hetzelfde ter ere van Gods macht: “Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden.” Wat kan Hij niet bevelen, Die Zijn gebod naar de zee zendt en gehoorzaamd wordt? Sommige machtige vorsten, verhit van woede en dronken van hoogmoed, wierpen boeien in de zee. Ze dreigden haar met gevangenschap en slavernij, als ze niet rustig bleef. Maar de zee liet zich er niet door binden. Ze gaven zelfs bevel dat de zee een aantal zweepslagen moest krijgen, als straf voor haar ongehoorzaamheid en opstand tegen hun bevelen of hun plannen.
Wat een belachelijke eerzucht, bij wie zo’n heerschappij wilde opeisen! Veel vorsten hadden grote macht op en bij de zee. Maar geen enkele vorst had ooit macht over de zee. Die bloem hoort bij geen enkele kroon, behalve bij de kroon van de hemel. — Joseph Caryl.
Vers 9
“Gij hebt een paal gesteld”, enz. Stel dat de oceaangolf, die haar getij rond de aardbol volgt, maar een paar voet hoger zou komen. Dan zouden ontelbare steden en gewesten verwoest worden… Maar hoe onveranderlijk en veilig heeft God haar grenzen getrokken! Je zult op een groene helling boven een zeeklif een struikje of een bloem opmerken, of een die in een kuil naar beneden hangt. Ja, je kunt een kiezelsteen op het strand aanwijzen en er een draadje spinrag op leggen. Dan weet dit enorme, onhandelbare, logge en stormachtige water toch precies hoe het met zijn spattende nevel een vochtige streep trekt op de rand zelf, op het punt zelf dat jij aanwees. Daarna trekt het zijn krachten terug, zonder één duim of handbreedte over de afgesproken grens te zijn gegaan.
En heel die nauwkeurige beteugeling en afmeting van de zeebeweging komt door een geheimzinnige macht. Die schiet door onpeilbare diepten van de ruimte, vanaf hemellichamen die in de ether rollen. Wat is die macht zelf ontzagwekkend en onweerstaanbaar, en toch onzichtbaar en zacht! En wat wordt ze tot in de kleinste details nauwkeurig afgemeten en ingezet! — George B. Cheever, in “Voices of Nature to her Foster Child, the soul of Man,” 1852.
Vers 9
“Een paal …, dien zij niet overgaan zullen.”
Laat nu je blik van de kust over het water gaan, dat gemaakt is
om de lucht te zuiveren en de handel van de wereld te dragen,
om op te stijgen en de bergen bij de zon te drenken,
en dan als rivieren weer naar zichzelf terug te stromen,
en zo wijd en zijd zijn machtige diensten te verrichten,
door de aarde, in de lucht, of hier als getij van de zee.
Ha! hoe verheft die reus zich, hoe spant hij zich in
en werpt zich tegen zijn sterke, onzichtbare ketenen om ze te breken;
hij schuimt van woede, en aan de poorten van zijn kerker —
luister, hoor hem! — beukt en rukt hij en brult hij,
alsof hij weer wilde uitbreken en al wat leeft
in zijn diepste diepten wilde verzwelgen. — Richard Henry Dana (1787).
Vers 10
“Die de fonteinen uitzendt door de dalen”, enz. Eerst sprak hij over zout water. Nu gaat hij verder met het zoete water, het water dat je kunt drinken. Hij prijst daarbij de wijsheid en zorg van God, Die uit de lage plaatsen van de aarde en uit de verborgen aderen van de bergen de waterbronnen laat opwellen. — Lorinus.
Vers 10
“Die de fonteinen uitzendt door de dalen.” Hoe meer nederigheid, hoe meer genade er is. Zijn in een dal sommige kuilen dieper dan andere, dan verzamelt het water zich daarin. — Maarten Luther.
Vers 10
“Die de fonteinen uitzendt door de dalen.” Mensen kunnen een bedding graven waarin een rivier kan stromen. Maar alleen God kan een bedding graven om geestelijke stromen in de ziel te brengen. De psalmist noemt het uitzenden van bronnen een groot werk van Gods zorg. Het is een verborgen geheim. Zelfs wie het diepst in de natuur gezocht hebben, kunnen niet zeggen hoe die bronnen gevoed worden. Ze weten niet hoe ze in stand blijven en aangevuld worden, zodat velen ervan zonder ophouden als grote stromen blijven lopen. De wetenschap kan daarvoor geen reden geven. De psalmist doet het goed: God zendt ze naar de dalen, en Zijn zorg en macht houden ze voortdurend stromend. Wie wil dat zijn ziel water krijgt, moet daarvoor in gebed naar God gaan. — Ralph Robinson.
Vers 10
“Dat zij tussen de gebergten henen wandelen.” Daarmee wordt bedoeld dat de beken of bronnen wandelen. In menig deel van de wereld vind je een Sault, een dansend water, en een Minne-ha-ha, een lachend water. Bergbeken wandelen, rennen en springen, en al doende prijzen ze de Heere. — William S. Plumer.
Vers 10
“Hij.” “Hij.” “Hij.”
Alles hier is van Hem: van de zwarte dennen,
die hoog Zijn schaduw zijn, en het luide bruisen
van stortbeken, waar Hij naar luistert, tot de wijnranken
die Zijn groene pad doen afdalen naar de kust,
waar de wateren zich buigen om Hem te ontmoeten en te aanbidden,
en Zijn voeten kussen met hun gemurmel. — Byron.
Vers 11
“De woudezels breken er hun dorst mede.” Over de ezels merkt men bijzonder op dat ze dom en stompzinnig zijn, maar dat de voorzienigheid hun toch de weg naar het water wijst in de dorre, zandige woestijn. Dorstige reizigers kunnen echt geen betere gids volgen dan de kudden die naar de beken afdalen. — Thomas Fenton.
Vers 11
“De woudezels breken er hun dorst mede.” Tegen de avond zagen we bij een klein beekje een groep bijeen, die eruitzag als een grote bende Arabieren die van hun paarden waren gestapt. De paarden stonden bij hen. We waren al te dicht genaderd en konden het waakzame oog van de bedoeïenen niet meer ontlopen. Daarom maakten we ons klaar voor een confrontatie, voor een mogelijk gevecht. We kwamen voorzichtig dichterbij. Tot onze verbazing bleven de paarden zonder ruiters staan. Nog iets dichterbij, en ze galoppeerden weg de woestijn in. Het waren wilde ezels. — Henry Austin Layard.
Vers 12
“Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.” Mijn eerste rit van Riha naar Ain Sultan zal ik nooit vergeten. Onze weg voerde ons dwars door de oase die het water daar tot leven had gewekt. Het kan zijn dat de dorre woestijn van de dag ervoor het genot van dat moment nog groter maakte. Maar zeker is dat ik de woorden van Josephus beaamde: “een goddelijk gewest”. Het ene moment dacht ik aan Epping Forest, en daarna aan een verwaarloosde boomgaard vol weelderige ondergroei. Aan alle kanten stonden grote doornstruiken en bosheesters verspreid over de vlakte.
Op sommige plekken lag de grond helemaal bedekt met bloemen, en elke struik leek te klinken van het vrolijke getjilp van vogels. Ik zeg bewust “getjilp”, want ik denk niet dat ik in al die tijd in Syrië ooit een echte vogeltriller heb gehoord. Coleridge heeft het over de “vrolijke nachtegaal”,
“die zijn heerlijke tonen opeendringt, voortjaagt en uitstort in snelle, volle trillers.”
Het lied van mijn kleine Syrische vrienden leek eigenlijk te bestaan uit een reeks opgewekte tjilpjes. Andere reizigers hadden meer geluk. Bonar vertelt over het geluid van de koekoek, dr. Robinson over de nachtegaal. Lord Lindsay beschrijft hoe heerlijk een avond aan de Jordaan was, “de rivier murmelend voortgaand en de nachtegaal zingend uit de bomen.” Kanunnik Tristram beschrijft het landschap bij Tell-el-Kady. Hij zegt dat “de buulbuul en de nachtegaal om het hardst zongen in de takken boven hen, hoorbaar boven het lawaai van de stortvloed beneden.” Ik vind het opmerkelijk dat het zingen van vogels in de Bijbel maar driemaal wordt genoemd, terwijl er zoveel verwijzingen naar de natuur zijn.
Dat moet na zulke getuigenissen toch wel vreemd lijken, vind ik. In de bekende passage die zo prachtig een Syrische bron schildert, lezen we: “de zangtijd genaakt” (Hoogl. 2:12). Wanneer de psalmist het heeft over Gods machtige kracht en wonderbare zorg, noemt hij de fonteinen, uitgezonden “door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen. Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede. Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.” Kanunnik Tristram zegt over deze passage dat ze vooral kan slaan op “de buulbuul en de nachtegaal. Beide bevolken de bomen langs de Jordaan, en je vindt ze overal in de beboste dalen. In het vroege voorjaar vullen ze de lucht met de volle cadans van hun tonen.” — James Wareing Bardsley, in “Illustrative Texts,” 1876.
Vers 12
“Bij dezelve woont het gevogelte des hemels”, enz. Heiligen zijn te vergelijken met zulke vogels. Ze zijn zwak, weerloos en bang, net als die. Ze kunnen in strikken gevangen worden en worden soms wonderbaarlijk bevrijd. Ze hebben ook de neiging om te dwalen en rond te zwerven. Ze zijn ook als vogels van de hemel, omdat het zielen zijn die uit de hemel geboren zijn en delen in de hemelse roeping. Ze wonen bij de fontein van Jakob, bij de rivier van de goddelijke liefde, naast de stille wateren van het heiligdom.
Daar zingen ze de liederen van Sion: liederen van de genade die uitverkiest, verlost en roept. — John Gill.
Vers 12
“Het gevogelte … een stem gevende van tussen de takken.” Het gezang van de vogels was het eerste dankbare lied dat vanaf de aarde werd opgezonden, nog voordat de mens gevormd was. — John Wesley.
Vers 12
“Het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.” Hoe welkom heten de merel en de zanglijster met hun melodieuze stemmen de vrolijke lente! Ze zingen in hun vaste maanden liedjes die geen kunst of instrument kan evenaren. … Maar de nachtegaal, weer een ander van mijn schepselen uit de lucht, laat zulke zoete, luide muziek uit haar kleine keel opklinken dat mensen gaan denken dat de wonderen niet zijn opgehouden. Wie midden in de nacht, als zelfs de arbeider veilig slaapt, de heldere melodieën hoort, de zoete versieringen, het natuurlijke rijzen en dalen, het verdubbelen en weer verdubbelen van haar stem (ik heb dat vaak gehoord), kan wel boven de aarde uitgetild worden.
Hij zal zeggen: “Heere, wat voor muziek hebt Gij klaargemaakt voor de heiligen in de hemel, als Gij slechte mensen zulke muziek op aarde geeft?” — Izaak Walton.
Vers 12
Terwijl boven hun hoofd de hazelaars hangen,
zingen de vogeltjes blij,
of fladderen licht op dartele vleugels
in de berken van Aberfeldy.
De hellingen rijzen op als hoge wanden,
de schuimende stroom stort bulderend neer,
overschaduwd door geurig, wijd uitgespreid struikgewas:
de berken van Aberfeldy. — Robert Burns, 1759-1796.
Vers 13
“De aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken”, dat betekent: met de regen, die Uw werk is, doordat U die op de aarde laat neerdalen wanneer het U goeddunkt. Of: met de regen die uit de wolken voortkomt. Of: met de vruchten die U de aarde door middel van die regen laat voortbrengen. — Arthur Jackson.
Vers 14
“Hij doet het gras uitspruiten.” Wat een les in nederigheid is dit voor ons mensen! Alle menselijke macht bij elkaar kan niets maken, niet eens één grassprietje doen groeien. — William S. Plumer.
Vers 14
“Voor de beesten”, enz. Laten we hier eens goed over nadenken, zodat we dankbaar worden. 1. God zorgt niet alleen voor ons, maar ook voor onze knechten. Het vee dat de mens van dienst is, krijgt in het bijzonder zorg. Er groeit gras in grote overvloed voor de dieren. De jonge leeuwen daarentegen dienen de mens niet, en toch “lijden” ze vaak “armoede, en hongeren”. 2. Ons voedsel is dichtbij en ligt al voor ons klaar. Omdat we op de aarde wonen, hebben we daar ook onze voorraadschuur. We zijn niet afhankelijk van “de schepen eens koopmans”, die het “brood van verre” doen komen (Spr. 31:14). 3. Wat de aarde voortbrengt, geeft ons niet alleen wat we nodig hebben, maar ook sieraad en vreugde.
Wat een goede Meester dienen we! Heeft de natuur iets nodig om zich te kunnen ondersteunen en dagelijks verval te herstellen? Hier is “het brood, dat het hart des mensen sterkt”, en daarom heet het de staf van het leven. Wie dat heeft, mag niet klagen dat hij gebrek heeft. Wil de natuur méér en verlangt ze iets aangenaams? Hier is “den wijn, die het hart des mensen verheugt”. Als je hem nuchter en met mate gebruikt, verkwikt hij de geest en maakt hem vrolijk. Zo doen we ons werk niet alleen, maar doen we het ook opgewekt.
Wat jammer dat wijn wordt misbruikt om het hart te bezwaren en mensen ongeschikt te maken voor hun taak! Hij was gegeven om hun hart te laten opleven en hen in hun taak te versterken. Is de natuur nog veeleisender, en zou ze ook iets willen ter versiering? Ook dat komt uit de aarde: “doende het aangezicht blinken van olie”. Zo is ons gezicht niet alleen vrolijk maar ook mooi, en kunnen we elkaar nog aangenamer gezelschap zijn. — Matthew Henry.
Vers 14
“Tot dienst des mensen.” Wie de gewone vertaling van deze woorden leest, kan er alleen maar uit halen: tot zijn voordeel of gebruik. Het Hebreeuwse woord heeft die betekenis niet. Dat woord en de werkwoordstam waar het van komt, gaan over de dienstbaarheid of slavernij van de mens, die de grond moet bewerken (Gen. 3:17-19). Hier betekent het dus landbouw, het bebouwen van het land. In Ex. 1:14 en Lev. 25:39 betekent het gedwongen of slaafse arbeid. De onbepaalde wijs in de laatste zinsnede noemt het doel waarvoor de mens dat werk krijgt opgelegd. — J.A. Alexander.
Vers 14
“Doende het brood uit de aarde voortkomen.” Voordat Israël het brood brak bij het Pascha, zei het: “Geloofd zij de HEERE, onze God, Gij Koning van de wereld, Die ons brood uit de aarde heeft voortgebracht.” Zo moeten ook wij bij elke terugkerende oogst vervuld zijn van dankbaarheid. Dat geldt telkens wanneer we opnieuw die kostbare gave van het brood krijgen, en dat is elke dag. Niets voedt zo noodzakelijk en onmisbaar als brood. Je wordt het nooit moe, terwijl ander eten je eerder tegenstaat naarmate het zoeter is. Iedereen houdt van brood: kind en grijsaard, bedelaar en koning.
Denk aan de ongelukkige man die uitgehongerd op een onbewoond eiland was gestrand. Hij zag een handvol goud en riep: “Ach, het is maar goud!” Hij had dat nutteloze metaal graag geruild voor een handvol brood. En toch gaat goud in de ogen van de meeste mensen boven alles. O, laten we nooit tegen God zondigen door brood geringschattend te behandelen! Laten we de schoven die we binnenhalen met dank aannemen, en met dank de schuren bezoeken die ze bewaren. Dan kunnen we brood breken voor wie honger heeft, en de dorstigen te drinken geven van wat God ons gegeven heeft.
Laten we nooit aan tafel gaan zonder God te vragen de gaven te zegenen die we uit Zijn genadige hand krijgen. En laten we nooit brood eten zonder aan Christus te denken, onze Heere. Hij noemt Zichzelf het levende brood, uit de hemel neergedaald om de wereld het leven te geven. Laten we bovenal nooit naar de tafel van de Heere gaan zonder in het brood en de wijn Zijn lichaam en bloed te genieten. Daarmee krijgen we kracht voor het geestelijk leven! Ja, Heere, U verzadigt lichaam én ziel, met brood van de aarde en brood uit de hemel.
Geprezen zij Uw heilige Naam. Onze harten en monden zullen overstromen van Uw lof, nu en altijd! — Frederick Arndt in “Lights of the Morning”, 1861.
Vers 15
Toen je uit de moederschoot werd gehaald, in wat voor groots paleis bracht Hij je toen: de wereld! Alles wat je nodig had om te leven, lag al voor je klaar, zoals Kanaän voor de kinderen Israëls. Je bouwde zelf geen mooi huis en plantte geen bomen. Boven je hoofd spreidde Hij, als een gordijn, een rijk hemelgewelf, bezaaid met sterren. Hij steekt een kaars voor je aan om bij te werken, de zon, tot je moe bent (Ps. 104:23). Daarna gaat de zon onder zonder dat jij daar iets voor hoeft te zeggen, want ze “weet haar ondergang” (Ps. 104:19).
Dan trekt Hij een gordijn over de helft van de wereld, zodat de mensen kunnen gaan rusten: “Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht” (Ps. 104:20). Deze wereld is net een huis, zo vernuftig ingericht dat bij elke kamer, zelfs bij elk armzalig dorp, bronnen komen als waterleidingen om je water te brengen (Ps. 104:11). Over de vloer van dat huis loop je, en die brengt je voedsel voort (Ps. 104:14): “den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt” (Ps. 104:15). Die drie staan er in de plaats van alles wat nodig is voor kracht, verfraaiing en plezier. — Thomas Goodwin.
Vers 15
“En den wijn, die het hart des mensen verheugt.” De wijn waar het hier over gaat, was een gegiste drank, en dat merk je aan het effect: hij maakte het hart blij. Nam je er te veel van, dan werd je dronken. Het Hebreeuwse woord is “yayin”, net als het Griekse oinos. Daaronder valt elke vorm waarin je druivensap als drank kon bereiden. Hiervan dronk Noach tot hij dronken werd (Gen. 9:21,24). Melchizedek bracht het uit voor Abraham (Gen. 14:18). Lots dochters schonken het hun vader in en maakten hem dronken (Gen. 19:32-35).
Hiervan moest de nazireeër zich onthouden (Num. 6:3-20). Het is de sterk bedwelmende drank die Jesaja zo vaak noemt (Jes. 5:11-22; 22:13; 28:1-7). Maar juist daarom werd het voor de mens een van die gaven waarbij hij steeds zelfbeheersing moest oefenen. Te veel ervan was een vloek. Maar als hij het ontving als iets van God, kon hij er dankbaar voor zijn, en dat hoorde hij ook te zijn. — John Duns.
Vers 15
“Doende het aangezicht blinken van olie.” Let erop: na de wijn noemt hij olie of zalf. Bij de maaltijden van de Joden en andere oosterse volken, en later bij Grieken en Romeinen, gebruikte men namelijk veel zalf. Er waren drie redenen, zo zegt men, om zalf op het hoofd te gieten: om dronkenschap te voorkomen, om de gezondheid te bevorderen en om bij te dragen aan genot en plezier. Homerus verwijst er vaak naar, en Salomo zinspeelt erop in Pred. 9:8: “Laat uw klederen te allen tijd wit zijn, en laat op uw hoofd geen olie ontbreken.” Zie ook Ps. 23:5. — Le Blanc.
Vers 15
Mensen uit de oudheid gebruikten veel olie om er mooier uit te zien. Er staat “doende het aangezicht blinken van olie”. Ruth zalfde zich om zich op te maken (Ruth 3:3). De vrouw van Tekoa en de profeet Daniël deden dat juist niet, en wel om de omgekeerde reden (2 Sam. 14:2; Dan. 10:3). Ook in Matth. 6:17 en Luk. 7:46 komt dit gebruik voor. — Ambrose Serle in “Horae Solitariae,” 1815.
Vers 15
“En het brood, dat het hart des mensen sterkt.” Wie honger heeft, verliest niet alleen zijn kracht, maar ook de moed die hij van nature heeft. Honger geeft geen ondernemingslust, geen wedijver en geen durf. Maar als iemand dan, in zo’n toestand, een beetje brood in zijn maag krijgt, komt zijn kracht terug en leven de geesten op. Dat gebeurt zelfs voordat de vertering tijd heeft gehad het tot voeding te verwerken. Dat effect is verrassend, en tot nu toe heeft niemand het bevredigend kunnen verklaren. — Adam Clarke.
Vers 15
“En het brood, dat het hart des mensen sterkt.” In Homerus’ Odyssee komt de uitdrukking voor: “Brood, het merg van de mensen.”
Vers 15
“Het hart des mensen.” Hier staat niet het woord “adam”, zoals in Ps. 104:14, maar het woord “enosj”, een zwak en krachteloos mens. Dat is niet zonder reden. Hij noemt hier voedsel waaraan vóór de val nog geen behoefte was. Dat voedsel is bij uitstek geschikt om de zwakke mens te voeden en ook op te vrolijken. — Venema.
Vers 15
Als deze vergankelijke aarde al zo overvol is van Gods goede gaven, wat zullen we dan ontvangen als we in het land van de levenden komen? — Starke, in Lange’s Commentary.
Vers 16
“De bomen des HEEREN.” De profeet stapt van mensen over op bomen. Het is alsof hij zegt: wees niet verbaasd dat God mensen, die naar Zijn beeld gemaakt zijn, zo mild voedt. Hij gunt immers zelfs aan bomen Zijn zorg, Hij schroomt niet die tot hen uit te strekken. Met “de bomen des HEEREN” worden de bomen bedoeld die hoog zijn en uitzonderlijk mooi, want daarin is Gods zegen het best te zien. Het lijkt bijna onmogelijk dat het sap uit de aarde zo hoog kan komen. Toch krijgen ze elk jaar weer nieuw loof. — Johannes Calvijn.
Vers 16
De bomen van de Heere kunnen zo heten door hun omvang en gestalte. In het Hebreeuws wordt deze naam namelijk als overtreffende trap gebruikt, of om iets aan te duiden wat groot en buitengewoon is. — Thomas Chalmers.
Vers 16
“De bomen des HEEREN”, enz. De cederen zijn werkelijk de bomen van de Heere. Ze zijn in het bijzonder Zijn planting. In zekere zin behoren zij meer dan alle andere bomen aan Hem toe, en laten ze in sterkere mate Zijn heerlijkheid zien. De bijzondere uitdrukking van de tekst mag echter niet beperkt worden tot één soort ceder…
Dit gebruik in de Schrift geeft mij moed om verder te gaan. Ik zal het woord daarom ruimer opvatten dan gebruikelijk is. Ik wil er drie opmerkelijke voorbeelden mee aanduiden, gekozen uit de naaldbomen, om te laten zien hoe machtig en wijs God is, zoals dat blijkt in de bomen van het bos. Het gaat om de ceder van de Libanon, de ceder van de Himalaya en de ceder van de Sierra Nevada. Wat de psalmist over de ene zegt, kan het best op alle drie van toepassing zijn, en past ook echt bij hen allemaal.
Er zijn verschillende redenen waarom je met recht kunt zeggen dat de Heere een bijzondere belangstelling voor en een bijzonder eigendomsrecht op elk van hen heeft. Het is nuttig nu bij een paar van die redenen stil te staan, en daar onze aandacht op te richten.
- Het zijn “bomen des HEEREN” door de bijzondere bouw die ze hebben. Net als alle soorten van de dennenfamilie zijn ze uitzonderlijk in hun opbouw en inrichting. Ze laten ons een nieuw denkbeeld zien van de scheppende geest van de Schepper. 2. De cederen zijn “de bomen des HEEREN” door de ouderdom van hun soort. Vooral uit deze familie van bomen bestonden de wouden van vóór Adam.
- De cederen zijn de “bomen des HEEREN” door de majesteit van hun verschijning. Ze zijn de boom bij uitstek van de Bijbel, het toonbeeld van alle bosbegroeiing.
— Samengevat uit Hugh Macmillans “Bible Teachings in Nature,” 1868.
Vers 16
“De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon.” Een ceder heeft een rijke voorraad hars. Die druipt uit sneetjes in de bast en uit de schubben van de kegels, en ook in de zaden zit veel. De ouden vonden zowel de hars als het hout van groot belang en waardeerden ze hoog. Volgens de Romeinen maakte de gom van de ceder alles onvergankelijk wat ermee doordrenkt was. Zo vertelt men over de boeken van Numa, een vroege koning van Rome. Toen men ze vijfhonderd jaar na zijn dood onbeschadigd in zijn graf aantrof, bleken ze in cederolie te hebben gelegen. De Egyptenaren gebruikten dezelfde olie ook om hun doden te balsemen. — Mary en Elizabeth Kirby, in “Chapters on Trees,” 1873.
Vers 17
“Vogeltjes.” Het woord dat hier met “vogeltjes” is weergegeven, is hetzelfde woord dat in Ps. 84:4 met “mus” wordt vertaald. In de regel bedoelt men er kleine vogels mee, zoals mussen. Vergelijk Lev. 14:4 (kanttekening) en Lev. 14:5-7; 14:49-53. Toch wordt het woord ook gebruikt voor vogels van allerlei soort, grote en kleine. Zie Gen. 7:14; Ps. 8:9; 148:10. — Albert Barnes.
Vers 17
De ooievaar wordt hier genoemd als een van de grootste vogels die nesten bouwen, net zoals in Ps. 104:16 de cederen van de Libanon werden aangehaald als de grootste bomen die niemand kweekt. — A.C. Jennings en W.H. Lowe, in “The Psalms, with Introductions and Critical Notes”, 1875.
Vers 17
“Des ooievaars huis zijn de dennebomen.” Vaak broedt de ooievaar tussen oude ruïnes. Daar bouwt hij zijn nest het liefst boven op zuilen of torens, op de top van bogen en dergelijke plekken. Als hij tussen mensen gaat wonen, kiest hij meestal een nestplaats die iemand voor hem gebouwd heeft die zijn smaak kent.
Maar hij kiest ook vaak de top van een schoorsteen of iets dergelijks. Als hij moet bouwen op plaatsen waar hij geen rotsen of gebouwen kan vinden, dan bouwt hij zijn nest op bomen. Dan nestelt hij, net als de reiger, graag samen, en woont een hele gemeenschap in één groepje bomen. Het soort boom maakt hem niet veel uit, als hij maar behoorlijk hoog is en sterk genoeg om het gewicht van zijn enorme nest te dragen. De lezer begrijpt meteen dat dennen bij uitstek geschikt zijn als huis voor de ooievaar. De dennensoort waarop de psalmist waarschijnlijk doelt, is de Aleppo-den (Pinus halepensis).
Qua grootte komt die direct na de grote cederen van de Libanon. Van deze boom kwamen het hout en de planken voor de tempel en het paleis van Salomo. Dat hout werd dus duidelijk zeer hoog gewaardeerd, het stond in hoog aanzien. De boom voldoet aan alles wat een ooievaar bij het bouwen van een nest zoekt. Hij is hoog, en zijn takken lopen horizontaal genoeg om als platform voor het nest te dienen, en zijn sterk genoeg om het te dragen. Omdat dit hout zoveel waard is, kapte men de bomen roekeloos om zonder nieuwe aan te planten.
Daardoor is de Aleppo-den verdwenen uit veel delen van Palestina waar hij vroeger algemeen was en een woonplaats zou bieden aan de ooievaar. Maar er zijn nog meer soorten dennen die in verschillende delen van het land veel voorkomen. Elke soort groeit het best op de bodem die bij haar past. Een ooievaar hoeft daarom nooit verlegen te zitten om een nestplaats in een land met zoveel bomen die hem bevallen. — J.G. Wood, in “Bible Animals.”
Vers 17
“Des ooievaars huis zijn de dennebomen.” Streken met veel bos zijn meestal het favoriete verblijf van ooievaars, want daar voelen ze zich thuis. Ze zoeken telkens bomen uit, om in te broeden en om de nacht in door te brengen. Een paar soorten doen het anders. Die maken hun nest op daken, schoorstenen of andere hoge plekken, dicht in de buurt van mensen. — Uit “Cassell’s Book of Birds.” Naar de tekst van dr. Brehm. Door T.R. Jones, F.R.S.
Vers 17
“De vogeltjes.” Voor de deuren van de tempel gebruikte men dennenhout, het hout van de boom die een beeld was van de menselijke natuur van Jezus Christus. Denk hierbij aan Hebr. 2:14. De den is ook het huis van de ooievaar, die onreine vogel. Zo is Christus een haven en schuilplaats voor zondaars. “Des ooievaars huis”, zegt de tekst, “zijn de dennebomen.” En Christus zegt tegen zondaars die zien dat ze nergens beschutting hebben: “Komt herwaarts tot Mij, … en Ik zal u rust geven.” Hij is een veilige toevlucht voor allen die onderdrukt worden, een toevlucht in tijd van benauwdheid.
Zoals de dennenhouten deuren van de tempel is Hij de ingang tot Gods huis. Door Hem komt men in Gods tegenwoordigheid en mag men delen in Zijn heerlijkheid. Zo onderwees God vroeger Zijn volk over Zijn weg, met behulp van gelijkenissen. — John Bunyan, in “Solomon’s Temple Spiritualized.”
Vers 17
De arend en de ooievaar bouwen hun nesten
op kliffen en op cederkruinen. — John Milton.
Vers 18
“De hoge bergen zijn voor de steenbokken.” Vrijwel zeker is de azel uit het Oude Testament de Arabische steenbok, de beden (Capra Nubiana). Hij is nauw verwant aan de bekende steenbok uit de Alpen, de Steinbock. Een paar kleine kenmerken maken het verschil: een zwarte baard bijvoorbeeld, en tengerder hoorns. Die hoorns hebben ook drie hoeken waar de Alpensteenbok er vier heeft… Zijn vacht heeft bijna dezelfde kleur als de rotsen. Wie ongeoefend kijkt, ziet alleen kale stenen en takken. Een ervaren jager ziet daar tal van beden, die opvallen door hun fraai gebogen hoorns.
Wat een lenigheid heeft de beden, wat een behendigheid! Hij woont op de hoogste en meest rotsachtige delen van de bergkam, waar bijna niets kan komen. Van plek naar plek werpt hij zich heen. Hij doet dat zo roekeloos dat het dier je aan het schrikken maakt als je het niet kent. En toch is hij zo wonderbaarlijk zeker op zijn poten, dat je alleen maar kunt kijken. Neem een loodrechte rotswand, glad als een bakstenen muur. Daar stormt hij bijvoorbeeld op af, om een klein, haast onzichtbaar randje te bereiken. Dat ligt zo’n vijftien voet hoger dan waar hij afsprong.
Maar zijn oog heeft op die wand kleine barstjes en uitsteeksels gezien. Tijdens zijn sprong raakt hij ze razendsnel achter elkaar aan. Hij tikt ze net aan terwijl hij omhoog vliegt, en met een lichte afzet van zijn poot houdt hij de vaart van zijn sprong erin. Op dezelfde manier komt de steenbok langs steile berghellingen naar beneden, glijdend en springend, en soms wel in één vaart. Soms blijft hij staan met alle vier de poten dicht bij elkaar op een uitsteeksel dat nauwelijks groter is dan een stuiver. Soms zet hij dapper over een wilde kloof heen en komt hij met nauwkeurige precisie terecht op een stukje rots dat nauwelijks groot genoeg lijkt voor een rat om comfortabel te zitten. — J.G. Wood.
Vers 18
“Konijnen.” Toen we de rotsen bij het klooster verkenden, wees ik met vreugde op een paar families van de wubar. Ze waren op de hoogten boven ons aan het stoeien. Mr. Smith en ik keken aandachtig en nauwlettend toe. We vermaakten ons met hun levendige bewegingen en met hoe snel ze zich in de rotsspleten terugtrokken als ze gevaar vermoedden. Wij waren, denken we zelf, de eerste Europese reizigers die dit dier, dat nu algemeen wordt erkend als de shafan of het konijn uit de Schrift, echt binnen de eigenlijke grenzen van het Heilige Land opmerkten.
Het verheugde ons niet weinig het te ontdekken… Degene die de huid prepareerde, hield het voor een konijn. Maar het dier is steviger gebouwd en donkerder van kleur, namelijk donkerbruin. Het heeft geen staart, en er zitten borstelharen bij zijn mond, boven zijn kop en langs zijn rug. Langs die rug lopen lichte en donkere strepen. Met zijn korte oren, kleine, zwarte, kale voeten en puntige snuit lijkt het op de egel. Toch hoort het niet bij de insecteneters. Hoewel het enigszins afwijkt, is het verwant aan de dikhuiden, waar natuurkundigen het nu bij indelen. — John Wilson, in “The Lands of the Bible,” 1847.
Vers 18
“Konijnen.” Vroeger dacht men dat de konijnen van Salomo gewone konijnen waren, zoals wij ze kennen. Die zijn inderdaad “een machteloos volk”, maar hun huis stellen ze niet “in den rotssteen”. Nu is vastgesteld dat het konijn de klipdas is, de hyrax. Dat is een schuw, weerloos schepsel. Het verschuilt zich tussen de rotswanden van de bergen en schiet zijn hol in bij het minste of geringste gevaar. Nu krijgen de woorden van Agur pas hun volle betekenis. — James Hamilton.
Vers 19
“Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden.” Er staat dat de maan was aangesteld om tijden te onderscheiden. Uitleggers zijn het erover eens dat dit betekent: voor de gewone, vastgestelde feesten. De Hebreeën plachten hun maanden naar de maan te tellen. Daarom regelde zij hun feestdagen en samenkomsten, zowel de godsdienstige als de burgerlijke. Ik twijfel er niet aan dat de profeet hier, met een synecdoche, een deel noemt en daarmee het geheel bedoelt. Hij bedoelt dat de maan niet alleen dag van nacht scheidt. Ze wijst ook de feestdagen aan, en meet jaren en maanden.
Kortom, ze heeft veel nuttige taken, want het onderscheid van de tijden volgt uit haar loop, en dat is voor ons van groot nut. — Johannes Calvijn.
Vers 19
“Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden.” “Hij maakte de maan om haar tijd te dienen, om tijden aan te geven en als teken voor de wereld. Van de maan komt het teken van de feesten, een licht dat in volheid afneemt. De maand is naar haar naam genoemd. Ze neemt wonderbaarlijk toe in haar wisseling, een werktuig van de legers boven, schijnend in het uitspansel van de hemel. De schoonheid van de hemel, de heerlijkheid van de sterren, een sieraad dat licht geeft op de hoogste plaatsen van de Heere.” — Sir. 43:6-9.
Vers 19
“De zon weet haar ondergang.” Je moet de tweede zinsnede niet op de gewone, vertrouwde manier vertalen: “De zon weet haar ondergang.” In het gebruikelijke taaleigen betekent ze: Hij, dat is God, kent de ondergang van de zon. Het is een ongewone, harde uitdrukking om de kennis van haar ondergang aan de zon zelf toe te schrijven. Ik zie ook niet waarom ze hier zou worden gebruikt, want ze is zonder kracht,{1} of waarom hij zou terugkeren van God als oorzaak naar de bewegende zon. Zowel eerder als later spreekt hij toch over God: “Hij heeft de maan gemaakt”, “Gij beschikt de duisternis”.
Het is veel passender te lezen dat hij ook hier over God spreekt, zoals ervoor en erna. Dan gaat het over Hem Die leiding geeft aan wat we aan de maan zien, aan de ondergang van de zon en aan het vallen van de duisternis, dus aan alles wat er aan de hemel gebeurt. Het is bovendien juister om van God te zeggen dat Hij de ondergang van de zon kent, dan van de zon zelf. Want “kennen” heeft in feite de betekenis van “zorg dragen voor”, zoals vaak elders. — Venema. {1} Deze uitstekende uitlegger kan de schoonheid van de dichterlijke uitdrukking niet inzien. Daarom betoogt hij zo, in proza.
Vers 20
“Gij beschikt de duisternis.” Sommigen wijzen er met Augustinus op dat Genesis zegt dat het licht gemaakt werd, maar niet dat de duisternis gemaakt werd. Duisternis is immers niets, het is niet meer dan het ontbreken van licht, een louter niet-bestaan. Maar in deze passage staat ook dat de nacht gemaakt werd, en de Heere noemt Zichzelf de Maker van het licht en de Schepper van de duisternis. — Lorinus.
Vers 20
“Gij beschikt de duisternis”, enz. Het zou boeiend zijn om na te gaan hoe wonderlijk de lengte van de dag is afgestemd op de gezondheid van de mens.
Dat geldt ook voor de levenskracht, en misschien zelfs voor het bestaan zelf, van dieren en planten. Het plezier van het leven hangt zo sterk af van het welkome wisselen van dag en nacht. Wie dit onderwerp helemaal wil doorgronden en grondig wil bekijken, verwijs ik naar het Bridgewater Treatise van dr. Whewell. De onderstaande fragmenten kunnen intussen helpen om erover na te denken. Onze aardse dag duurt zo lang als hij duurt, en daarmee is ook de kringloop van licht en donker bepaald. Wat zien we dan? Bij dieren én bij planten werken verschillende onderdelen van hun lichaam in vaste periodes.
Die komen overeen met de dagelijkse wisseling van de omstandigheden buiten hen. En de lengte van die periode, zoals ze in hun bouw zit, is gelijk aan de lengte van de natuurlijke dag. Bij planten is de afwisseling tussen processen overdag en ’s nachts minder opvallend dan bij dieren. Het is ook minder duidelijk dat ze voor hun welzijn nodig is, vergeleken met de jaarlijkse reeks van veranderingen. Maar er zijn volop feiten die laten zien dat zo’n afwisseling deel uitmaakt van de huishouding van planten. . . .
“Ook dieren kennen een periode in hun functies en gewoonten, zoals in waken en slapen. Hun welzijn lijkt ervan af te hangen dat die periode samenvalt met de lengte van de natuurlijke dag. In de dag zoals hij nu is, vinden alle dieren tijden om te eten en te rusten die volledig bij hun gezondheid en welzijn passen. Sommige dieren eten overdag, zoals bijna alle herkauwers en landvogels. Weer anderen eten alleen in de schemering, zoals vleermuizen en uilen. Die noemt men schemerdieren. Veel roofdieren, watervogels en andere eten ’s nachts. Dieren die ’s nachts eten, slapen overdag. En de schemerdieren slapen deels in de nacht en deels overdag. Maar voor allemaal is de volledige periode van deze functies vierentwintig uur.
“De mens neemt op dezelfde manier, in alle volken en alle eeuwen, zijn voornaamste rust eens per vierentwintig uur. Die regelmaat lijkt het beste voor zijn gezondheid te zijn, hoewel de tijd die hij aan rust besteedt van geval tot geval erg verschilt. Voor zover wij kunnen beoordelen, is die periode goed voor het menselijk lichaam, los van wat de omgeving doet. Op de recente reizen naar de hoge noordelijke breedten kwam de zon drie maanden niet op. Toch hielden de bemanningen van de schepen zich uiterst stipt aan de gewoonte om om negen uur naar bed te gaan en om kwart voor zes op te staan. Ze genoten, in omstandigheden die schijnbaar het zwaarst waren, een bijzonder goede gezondheid, die opmerkelijk was. Daaruit blijkt dat de kringloop van vierentwintig uur, naar de gewone aard van zulke mannen, zeer geschikt is. En dat terwijl de omgeving hem hun niet oplegde.” — William Whewell (1795-1866).
Vers 21
“De jonge leeuwen, … om hun spijs van God te zoeken.” God voedt niet alleen schapen en lammeren, maar ook wolven en leeuwen. Het is een opvallende, vreemde uitdrukking: de jonge leeuwen brullen naar hun prooi, en toch wordt gezegd dat ze hun spijs bij God zoeken. Daarmee wordt bedoeld dat hun eigen kracht en sluwheid hen niet kunnen voeden zonder Gods hulp. Zelfs de allersterkste schepselen redden zich niet als ze op zichzelf zijn aangewezen. Wie God vreest, wordt gevoed door een bijzondere zorg van God. Alle schepselen worden gevoed en in leven gehouden door Zijn algemene zorg.
Een leeuw is sterk en listig, maar kan zijn eigen prooi niet buitmaken. Je zou denken dat een leeuw zichzelf best redt, zo sterk als hij is. Nee, het is de Heere Die voor hem zorgt: de jonge leeuwen zoeken hun spijs bij God. Zeker kunnen dan ook de machtigste mensen niet op eigen kracht leven. Net zoals we leven en adem van God ontvangen, zo ontvangen we van Hem ook alles wat we nodig hebben om dit leven te onderhouden. — Joseph Caryl.
Vers 21
“De jonge leeuwen, briesende om een roof.” Volgens Burchell klinkt het gebrul van een leeuw soms als het geluid dat je hoort op het moment van een aardbeving.
Hij brengt het voort door zijn kop op de grond te leggen en een half ingehouden gegrom te laten horen. Zo plant het geluid zich ver voort over de grond. Zodra de dieren die op de vlakte rusten het horen, springen ze angstig op en vluchten in alle richtingen. Ze rennen zelfs recht het gevaar in dat ze willen ontlopen. — Uit “Cassell’s Popular Natural History.”
Vers 21
Het brullen van de jonge leeuwen wordt, net als het roepen van de raven, opgevat als het vragen om voedsel aan God. God legt zelfs de taal van louter natuurlijke schepselen op deze manier uit, ook die van giftige dieren. Zal Hij dan niet veel meer de taal van de genade in Zijn eigen volk welwillend opvatten? Ook als die uit zwakke en gebroken zuchtingen bestaat, die niet onder woorden te brengen zijn? — Matthew Henry.
Vers 22
“De zon opgaande, … liggen neder in hun holen.” Sinds de val van de mens lijken wilde dieren er bijna voor geboren om ons kwaad te doen en iedereen die ze tegenkomen te verscheuren. Deze woeste wreedheid moet daarom door Gods voorzienigheid in bedwang worden gehouden. Om de dieren in hun holen te houden, gebruikt God maar één enkel middel: Hij jaagt hun angst aan, door niets anders dan het licht van de zon. De profeet prijst dit bewijs van Gods goedheid des te meer omdat het zo noodzakelijk is, want zonder dit kunnen we niet leven. Als het anders was, zouden mensen niet de vrijheid hebben om op pad te gaan voor hun werk en de dagelijkse bezigheden van het leven. — Johannes Calvijn.
Vers 23
“De mens gaat dan uit tot zijn werk”, enz. Alleen de mens heeft, van alle schepselen, een echt dagelijks werk, anders dan de werktuigen van de Almachtige, die onvrijwillig dienen. Hij heeft in het leven een vaste rol te spelen en kan die ook herkennen. — Carl Bernhard Moll, in Lange’s Commentary.
Vers 23
Als het licht van waarheid en gerechtigheid schijnt, slaan dwaling en onrecht op de vlucht, en zelfs de “briesende leeuw” trekt zich een tijd terug. Dan gaat de christen eropuit voor het werk van zijn zaligheid en voor zijn arbeid uit liefde, tot de avond van de oude dag hem waarschuwt dat hij zich moet klaarmaken voor zijn laatste rust, in het geloof aan een blijde opstanding. — George Horne.
Vers 24
“Hoe groot zijn Uw werken”, enz. Als er zoveel schepselen zijn, hoe groot, ja hoe onmetelijk moeten dan de macht en wijsheid zijn van Hem Die ze allemaal gevormd heeft! Ik leen de woorden van een edele en voortreffelijke schrijver. Een vakman toont veel meer kunde en vaardigheid als hij klokken én horloges kan maken, pompen en molens, handgranaten en vuurpijlen, dan wanneer hij maar één van die soorten werktuigen kon bouwen. Zo laat de Almachtige meer van Zijn wijsheid zien als Hij zo’n grote menigte verschillende soorten schepselen vormt, allemaal met bewonderenswaardige, onberispelijke kunst, dan wanneer Hij er maar een paar had geschapen.
Dat laat immers zien hoe groot en onbegrensd het vermogen van Zijn verstand is. En nog iets: het is ook een teken van groter inzicht om werktuigen van dezelfde soort, of voor dezelfde doeleinden, op verschillende manieren te ontwerpen. Denk aan klokken die lopen op veren in plaats van op gewichten. Zo heeft de oneindig wijze Schepper in veel gevallen laten zien dat Hij niet gebonden is aan één werktuig om één effect te bereiken. Hij kan hetzelfde met verschillende middelen doen. Veren lijken nodig om te vliegen, en toch heeft Hij meerdere schepselen zonder veren laten vliegen.
Denk aan twee soorten vissen, één soort hagedis en de vleermuis, om niet te spreken van de talloze soorten vliegende insecten. Zo lijkt de zwemblaas van vissen nodig om te kunnen zwemmen, maar sommige vissen zijn zo gebouwd dat ze zonder zwemblaas zwemmen. Dat zijn ten eerste de kraakbeenvissen. Hoe zij zichzelf in evenwicht houden, naar believen stijgen en dalen en op elke diepte blijven die ze willen, is ons tot nu toe onbekend. Ten tweede zijn het de walvisachtigen, de zeedieren, die bijna alleen verschillen doordat ze geen poten hebben. De lucht die zij bij het ademhalen in hun longen opnemen, kan hun lichaam even zwaar maken als het water.
Door die lucht samen te drukken of te laten uitzetten, met hulp van het middenrif en de ademhalingsspieren, kunnen ze waarschijnlijk stijgen of dalen. Daarbij zullen ze zichzelf met hun vinnen een lichte duw in de goede richting geven. . . . Verder zijn er zoveel bronnen en fonteinen, zoveel beken en rivieren, zoveel meren en stilstaande plassen, en ze zijn zo verspreid over de hele aarde dat geen groot deel ze mist. Zonder die wateren zou de aarde, als er niet op een andere manier voor water werd gezorgd, woest en onbewoond zijn, een lege vlakte zonder leven.
Hun nut, gemak, schoonheid en verscheidenheid bieden volop bewijs van wijsheid en overleg. Denk eraan dat bronnen ontspringen aan de flanken van bergen die het verst van de zee liggen. Denk eraan dat er voor rivieren een weg is gemaakt door engten, rotsen en ondergrondse gewelven. Je zou denken dat de natuur met opzet een weg heeft uitgehouwen om water af te voeren dat anders hele landstreken zou overspoelen en doen verdrinken. — John Ray (1678-1705), in “The Wisdom of God manifested in the Works of the Creation.”
Vers 24
“Hoe groot zijn Uw werken!” Denk eens aan de wonderbaarlijke werken van de natuur, en sta er even bij stil. Wandel rustig rond en kijk naar dit ruime theater van de wereld. Bekijk de statige schoonheid, de vaste orde en de overdadige inrichting. Bekijk de schitterende pracht en de gelijkmatige beweging van de hemelen, de heerlijke vruchtbaarheid van de aarde, de kunstige vormen en de geurige zoetheid van planten, de voortreffelijke bouw van de dieren, en alle andere verbazingwekkende wonderen van de natuur. Daarin zien we het duidelijkst en het helderst Gods heerlijke eigenschappen, vooral Zijn alles overtreffende goedheid.
Mannen als Aristoteles, Plinius en Galenus, bij wie niemand ooit overdreven vroomheid vermoedde, spraken daardoor niet alleen hun grote erkenning uit, maar zongen als het ware dankliederen. Zo behoren ook onze harten dankbaar geroerd te worden en moeten onze lippen overlopen van lof. — William Barrow, 1754-1836.
Vers 24
Hij waagt het niet zijn eigen vraag “Hoe groot?” te beantwoorden. Hij belijdt dat Gods werken groter zijn dan hij met zijn woorden kan uitdrukken, of deze “werken” nu horen bij de schepping van de natuur of bij die van de genade. Merk ook op hoe duidelijk hier de samenwerking van de gezegende Drie-eenheid wordt voorgesteld.
“Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE!” leert over de Vader, de Bron van alle dingen. “Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt” spreekt van de Zoon, het eeuwige Woord, Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods. Door Hem zijn alle dingen gemaakt, en zonder Hem is niets gemaakt van wat gemaakt is (1 Kor. 1:24; Joh. 1:3). “Het aardrijk is vol van Uw goederen” wordt gezegd van de Heilige Geest, Die de wereld vervult. — Augustinus, Hugo en Cassiodorus, in Neale en Littledale.
Vers 24
“Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt.” Het gaat niet om één ding, zoals de hemelen (Ps. 136:5), maar alles is met wijsheid bedacht en gemaakt. Zelfs in de allerkleinste dingen die Zijn handen hebben gemaakt, is Gods wijsheid glorieus te zien. Hij heeft alles mooi gemaakt op zijn tijd. Een vakman die zijn werk heeft afgemaakt en nog eens bekijkt, vindt er vaak nog wel een foutje of gebrek in. Maar toen de Heere Zijn scheppingswerk had afgemaakt en het overzag, zag Hij dat alles goed was. Zelfs de oneindige wijsheid kon er niets op aanmerken. Wat moeten het zwakke, dwaze en onnozele wezens zijn die menen dat ze een werk van God van dwaasheid of een gebrek aan wijsheid kunnen beschuldigen! — John Gill.
Vers 24
“Het aardrijk is vol van Uw goederen”, letterlijk: Uw bezittingen. U bewaart ze niet voor Uzelf, maar zegent er al Uw schepselen mee. — A.R. Fausset.
Vers 25
“En dat zonder getal.” In de wateren wemelt meer leven dan op het land. Het oppervlak van de zee is minder gevarieerd dan dat van de continenten. Maar onder dat oppervlak draagt de zee zoveel leven in haar schoot, dat geen enkel ander deel van de aarde ons er ook maar een flauw idee van kan geven. Dat leven reikt van de polen tot de evenaar en van oost tot west. Overal is de zee bevolkt. Overal, tot in haar peilloze diepten, leven en spelen wezens die bij hun plek passen. Op elke plek in dat uitgestrekte gebied vindt de natuuronderzoeker iets te leren en de denker iets om over na te denken.
Juist de rijke verscheidenheid van het leven wekt in onze ziel dankbaarheid jegens de Schepper van het heelal. Ja, de kusten van de oceaan en haar diepten, haar vlakten en bergen, haar dalen en afgronden, zelfs haar afval: duizenden levende wezens maken het levendig en mooi. Er zijn planten die alleen of in gezelschap groeien, rechtop of hangend. Soms bedekken ze als weiden de bodem, soms staan ze in oases bij elkaar of groeien ze in onmetelijke wouden. Die planten bieden onderdak en voedsel aan miljoenen dieren. Ze kruipen, rennen, zwemmen, vliegen, graven zich in de grond of hechten zich aan wortels vast.
Ze wonen in spleten of bouwen zichzelf schuilplaatsen. Ze zoeken elkaar op of ontvluchten elkaar, jagen op elkaar of vechten tegen elkaar. Ze strelen elkaar liefdevol of verslinden elkaar zonder medelijden. Charles Darwin zegt terecht dat de wouden op het land lang niet zoveel dieren bevatten als die in de zee. De oceaan is voor de mens een element van de dood, maar voor ontelbare dieren een thuis vol leven en gezondheid. Er is vreugde in haar golven, geluk aan haar kusten en overal hemels blauw. — Moquin Tandon, in “The World of the Sea”, vertaald en uitgebreid door H. Martin Hart, 1869.
Vers 25
“Kleine gedierten met grote.”
De zeearmen en de zeeën, elke kreek en baai
krioelen van ontelbaar broed, van scholen
vissen die met vinnen en blinkende schubben
onder de groene golf door glijden, in scholen die vaak
als banken in zee liggen; sommige alleen, of met hun gade,
grazen in het zeewier, hun weide, en dwalen
door wouden van koraal; of tonen, spelend met een snelle flits,
aan de zon hun golvend kleed, met goud bespikkeld.
Andere wachten rustig in hun parelmoeren schelpen
op hun vochtige voedsel, of liggen onder de rotsen
in hun gelede pantser op de loer naar prooi. Op het effen water
spelen de zeehond en de krommende dolfijn. Sommige, reusachtig van omvang,
wentelen zich log voort, geweldig in hun gang,
en beroeren de oceaan als een storm. Daar slaapt of zwemt
de leviathan, het grootste van al wat leeft,
languit als een voorgebergte in de diepte, en lijkt een bewegend land;
met zijn kieuwen zuigt hij een zee naar binnen,
en met zijn snuit spuit hij een zee weer uit.
— John Milton.
Vers 26
“Schepen.” Het eerste schip was ongetwijfeld de ark van Noach, dus God Zelf heeft het eerste ontwerp getekend. — John Gill.
Vers 26
“Daar wandelen de schepen.” De ouden waren nog niet ervaren in het zeilen en dachten dat de zee de volken van de aarde van elkaar scheidt. Maar het is juist de grote verkeersweg van de mensheid. Door de weldadige banden van de handel maakt ze van alle verschillende stammen één gezin. Voortdurend ploegen ontelbare vloten door haar boezem. Door eindeloze ruil verrijken ze alle landen van de aarde met producten uit elke luchtstreek.
Ze brengen de vruchten van de tropen naar de kinderen van het koude noorden, en nijverheidsproducten uit koudere streken naar de bewoners van de landen bij de evenaar. Met de handel groeit ook de beschaving. Ze verspreidt zich over de brede weg van de oceaan van kust tot kust. Ze brak eerst aan op de oevers van de zee, en haar belangrijkste zetels vind je nog steeds langs haar randen. — G. Hartwig, in “The Harmonies of Nature,” 1866.
Vers 26
“Leviathan.” Er is reden om te denken (al ontkennen sommigen dat) dat het woord leviathan in een aantal passages een algemene betekenis heeft. Het zou dan ongeveer zijn zoals wij het woord draak gebruiken: een aanduiding voor een groot zeemonster. — E.P. Barrows, in “Biblical Geography and Antiquities.”
Vers 26
“Om daarin te spelen.” De zee mag er vreselijk en stormachtig uitzien, en onbedwingbaar met haar baren en golven. Voor die enorme zeemonsters is ze niet meer dan een speelveld, een speelplaats, hun kegelbaan. — Adam Clarke.
Vers 26
“Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.” De staart van de walvis is met zo’n wonderlijke kracht begiftigd, dat de grootste walvissen, zo’n tachtig voet lang, zich er helemaal mee uit het water kunnen laten schieten. Het is alsof het kleine visjes zijn die naar een vlieg happen. In vaktaal heet die beweging “breachen”. Als dat enorme lichaam weer op het water neerkomt, geeft dat zo’n harde klap dat je die over een afstand van enkele mijlen kunt horen. — J.G. Wood, in “The Illustrated Natural History,” 1861.
Vers 26
“Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.” Deze reusachtige zoogdierachtige vissen hebben geen poten, en toch zwemmen ze razendsnel. Ze dartelen in de bergen water die de stormen opzwepen en op elkaar stapelen. — Moquin Tandon.
Vers 26
“Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.” Hij is gemaakt om in de zee “te spelen”. Hij hoeft niets te doen, zoals de mens, die “gaat … uit tot zijn werk”. Hij hoeft niets te vrezen, zoals de dieren, die zich in hun holen neerleggen. Daarom speelt hij met de wateren. Het is jammer als sommige mensenkinderen leven alsof ze net als de leviathan in de wateren naar de wereld gestuurd zijn om daar te spelen en al hun tijd te verdoen met tijdverdrijf. Zij hebben edeler gaven en zijn voor edeler doelen gemaakt. — Matthew Henry.
Vers 26
“Daarin.” Vissen, groot en klein, dartelen en spelen in hun eigen element. Maar zodra ze eruit gehaald worden, kwijnen ze weg en gaan ze dood. Let op, mijn ziel: wat is jouw element? Vind dat, als je blij en gezegend wilt leven. — Starke, in Lange’s Commentary.
Vers 27
Bij Gods zorg voor alle dieren zijn vijf dingen op te merken. Allereerst Zijn macht, die als enige voor alles genoeg is: “Zij allen wachten op U.” Dan Zijn wijsheid, die het passende tijdstip kiest: “dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.” Dan Zijn majesteit, die boven alles uitgaat: “Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze.” Het lijkt op kruimels die van de tafel van hun hoogste Heere vallen. Dan Zijn mildheid, die in Zijn open hand niets achterhoudt: “Doet Gij Uw hand open.” En tot slot Zijn oorspronkelijke goedheid, die naar allen toe vloeit: “Zij worden met goed verzadigd”, dat wil zeggen met de goede dingen die uit Uw goedheid ontspringen. — Le Blanc.
Vers 27
“Dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd”, of: op Zijn tijd. Elk dier krijgt het op zijn eigen tijd, die bij hem hoort en die hij gewend is. Dan geeft de Heere het, en dan nemen ze het. Het zou goed zijn als ook mensen dat deden: eten en drinken op het juiste moment (Pred. 10:17). Christus heeft voor vermoeide zielen een woord op het juiste moment. Zijn dienaren geven ieder zijn deel aan voedsel op het juiste moment. En hoe goed en hoe zoet is een woord dat op het juiste moment gesproken wordt! (Jes. 50:4; Luk. 12:42; Spr. 15:23). — John Gill.
Vers 27
Dezen allen, Heere, wachten op U, dat U hun voedsel geeft;
U let op wat zij nodig hebben,
zij verzamelen wat U hun zendt;
U opent Uw hand en voorziet in al hun nood;
het kleinste ziet U niet voorbij, het grootste verzadigt U.
Verbergt U Uw aangezicht, dan slaat de schrik hen plotseling:
bij duizenden wordt hun adem weggenomen,
zij sterven, om nooit meer te ontwaken;
maar Uw Geest schept er spoedig duizenden meer,
en U vernieuwt in korte tijd het hele aanzien van de natuur.
De heerlijkheid van de Heere duurt onveranderlijk tot in eeuwigheid;
Hij verblijdt Zich in al Zijn werken
en veracht zelfs het kleinste niet;
maar fronst Hij, dan krimpt de aarde van vrees voor Hem ineen,
en raakt Hij de bergen aan, dan roken zij en aanbidden Hem in vlammen. — John Burton.
Vers 28
“Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze.” Deze zin gaat over het proviandbeheer van de schepping. Hoe krijgt “het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote” in de zee zijn voedsel? Hoe de legers vogels die de lucht vullen, en de enorme kudden dieren op het droge land? Die vraag vindt haar antwoord in één zin: “Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze.” Het werk is overweldigend, maar het gaat moeiteloos, omdat de Werker oneindig is. Stond Hij er niet aan het hoofd van, dan zou het nooit af komen. Geprezen zij God voor het grote “Gij” in de tekst!
Dit is onze zoetste troost, in elk opzicht: de persoonlijke God is nog altijd aan het werk in de wereld. De leviathan in de oceaan en de mus op de tak mogen er evengoed blij mee zijn, en wij, kinderen van de grote Vader, des te meer. Het algemene beginsel in de tekst is: God geeft aan Zijn schepselen, en Zijn schepselen verzamelen. Dit beginsel passen we toe op onze eigen situatie, als mannen en vrouwen. Voor ons is het namelijk even waar als voor de vissen in de zee en het vee op de heuvels: “Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze.”
- Wij hoeven alleen maar te verzamelen, want God geeft. In tijdelijke dingen geeft God ons dag na dag ons dagelijks brood, en wij hoeven het alleen maar te verzamelen. In geestelijke dingen geldt dit beginsel nog veel sterker. In de genade hoeven we alleen maar te verzamelen wat God geeft. De natuurlijke mens denkt dat hij Gods gunst moet verdienen en de zegen van de hemel moet kopen. Maar dan vergist hij zich zwaar. De ziel hoeft alleen maar te ontvangen wat Jezus om niet geeft.
- Wij kunnen alleen verzamelen wat God geeft. Hoe gretig we ook zijn: daar blijft het bij. De ijverige vogel kan niet meer bijeenbrengen dan de Heere hem gegeven heeft. De hebzuchtigste en gierigste mens evenmin. “Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.”
- Wij moeten verzamelen wat God geeft, anders hebben we geen baat bij Zijn rijke gaven. God voedt het gedierte zonder getal, maar elk schepsel zoekt zijn eigen voedsel bijeen. De enorme leviathan krijgt zijn gigantische voorraad, maar hij moet door de grenzeloze weiden ploegen en de miljoenen minuscule diertjes verzamelen die hij nodig heeft. De vis moet opspringen om de vlieg te vangen, de zwaluw moet op haar eten jagen en de jonge leeuwen moeten op hun prooi jagen.
- De vierde wending van de tekst geeft ons de lieflijke gedachte dat wij mogen verzamelen wat Hij geeft. We hebben van God de toestemming om vrijuit te genieten van wat de Heere schenkt.
- Ten slotte: God zal ons altijd iets geven om te verzamelen. Er staat geschreven: “De HEERE zal het voorzien!” Dat geldt ook voor geestelijke dingen. Als je bereid bent te verzamelen, zal God altijd geven. — C.H.S.
Vers 28
“Vergaderen.” Het werkwoord dat hier met “vergaderen” is weergegeven, betekent: van de grond oprapen of bijeenzoeken. Het wordt gebruikt in het verhaal van het manna (Ex. 16:1,5,16), waar de psalm duidelijk naar verwijst. Wie iets van de grond opraapt, veronderstelt dat het er eerst vanuit de hemel neergegooid is. — J.A. Alexander.
Vers 28
“Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open.” De Griekse uitleggers zien in het openen van de hand een teken van gemak. Ik denk dat het ook wijst op overvloed en mildheid, zoals in Ps. 145:16: “Gij doet Uw hand open, en verzadigt al wat er leeft, naar Uw welbehagen.” Met precies dezelfde uitdrukking beveelt God ons onze hand niet te sluiten, maar open te doen voor de armen. — Lorinus.
Vers 29
“Zij worden verschrikt.” Ze raken ontzet en worden overstelpt door schrik en verbijstering. Het woord “verschrikt” geeft niet helemaal de kracht weer van het oorspronkelijke woord, nibhalu. Dat betekent eigenlijk: beven, in angst verkeren, vol schrik zijn, verbijsterd zijn, in verwarring zijn. Het is de ontzetting die je voelt als alle steun en bescherming wegvalt en het onvermijdelijke verderf je recht in het gezicht kijkt. Als God Zich afwendt, is dus al hun steun weg. Al hun hulpbronnen falen en ze moeten sterven. De dieren worden voorgesteld alsof ze zich dat bewust zijn. Of anders: zo zou het gaan, als ze het beseften. — Albert Barnes.
Vers 30
“Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen.” Elke dag schept de Geest van God. Waardoor blijven de dingen bestaan zoals ze geschapen zijn? Alleen door Gods zorg. In de godgeleerdheid is dat een betrouwbare grondregel: Gods zorg is schepping die doorgaat. De Geest van God schept nog steeds, Hij Die ook in het begin schiep: “Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen.” In de eerste zes dagen van de wereld was het scheppingswerk klaar. Toch begint het elke dag opnieuw, en zo gaat het door tot het einde van de wereld.
Niet alleen de eerste schepping, maar ook die voortdurende schepping van Gods zorg wordt aan de Geest toegeschreven. “En Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.” U maakt een nieuwe wereld. Elk jaar maakt God zo een nieuwe wereld. Hij zendt Zijn Geest, Zijn kracht die levend maakt, uit in de regen en in de zon, en vernieuwt zo het gelaat van de aarde. En de Heere zendt Zijn kracht uit in barmhartige daden, maar ook in Zijn oordelen. — Joseph Caryl.
Vers 31
“De HEERE verblijde Zich in Zijn werken.” Van alle schepselen is de mens het enige dat God verdriet doet. Hij bracht tranen in de ogen van Christus, Die Zich in de Geest verheugde omdat de Vader de verborgenheden wilde openbaren aan de kleinen. God had er berouw over dat Hij mensen had gemaakt. Een wijze zoon maakt zijn vader blij, maar een dwaze zoon bezorgt hem verdriet. — Lorinus.
Vers 31 (laatste zinsnede)
Wat de psalmist erbij zegt, “De HEERE verblijde Zich in Zijn werken”, is niet overbodig. Hij wenst dat de orde die God vanaf het begin heeft ingesteld, voortduurt, doordat Zijn gaven op de goede manier gebruikt worden. In Gen. 6:6 lezen we: “Toen berouwde het de HEERE, dat Hij den mens op de aarde gemaakt had.” Zo houdt Hij ook op met genieten van het geven, als Hij ziet dat Zijn goede gaven bevlekt worden door ons bederf. En de verwarring en wanorde die ontstaan als de elementen hun taak niet meer doen, getuigen zeker dat God ontstemd en vermoeid is.
Hij wordt dan uitgedaagd het geregelde verloop van Zijn goedheid stop te zetten, al hebben toorn en ongeduld, strikt genomen, geen plaats in Zijn gemoed. Wat we hier leren, is dat Hij de aard heeft van de beste van alle vaders. Hij vindt het heerlijk om Zijn kinderen teder te koesteren en rijkelijk te voeden. — Johannes Calvijn.
Vers 32
“Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert.” Een mens kan in een oogwenk iets aankijken. Zo snel kan God de aarde laten schudden. Daarmee wordt bedoeld: de hele aardmassa, of de gewone mensen op de aarde. Wanneer Hij de aarde “aanschouwt”, dus een boos oog op haar werpt, “zo beeft zij”. “Als Hij de bergen aanroert” (daarmee bedoelt de dichter de machten en overheden van de wereld), “zo roken zij.” Als Hij hen maar even aanraakt, beginnen ze te roken. Dat betekent dat Gods macht en oordeel ontzagwekkende gevolgen hebben, die duidelijk te zien zijn. — Joseph Caryl.
Vers 32
Alleen een fotograaf kan de woestijn rond de Sinaï laten zien. De schilderijen van Roberts zijn edel en voor een deel waar. Maar de rotsen en ravijnen van deze woestijn geven ze niet weer. Dat kan geen kunstenaar. Alleen een fotograaf kan al die miljoenen kleine details vastleggen die samen de kaalheid, de wildheid, het ontzagwekkende en de sombere eenzaamheid van deze onaardse woestenijen vormen. Rond middernacht ging ik naar buiten en liep ik over het dak van het klooster. Het licht van de sterren boven de bergtoppen was prachtig. Maar de duisternis die over de gigantische steile wanden en ondoordringbare ravijnen hing, drukte zwaar op mijn gemoed.
Dit is het tafereel waarover David sprak: “Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.” Dit is “den tastelijken berg, en het brandende vuur” (Hebr. 12:18; Engels: de berg “die aangeraakt werd en met vuur brandde”). Niet de berg die “aangeraakt mocht worden”, zoals de Engelse vertalers het weergeven. Wel de berg “die aangeraakt werd”, psēlaphōmenō. Het is de berg waar de vinger van God op rustte. We konden ons de zwarte gordel van dikke duisternis voorstellen, die de berg omsloot. We zagen in gedachten de bliksems hun snelle vuur door dat dek heen schieten, zodat het zwart nog zwarter werd.
En we konden ons ook de bovennatuurlijke vlam voorstellen, door geen aardse hand aangestoken. Midden uit die duisternis schoot ze omhoog als een levende vuurkolom, onder het geschal van engelenbazuinen en donderslagen die alle engelen te boven gingen, tot in het hart van de hemel. — Horatius Bonar, in “The Desert of Sinai”, 1858.
Vers 32
De wetenschapper doet zijn uiterste best om de natuurlijke oorzaak van aardbevingen en vulkanen te vinden. Laat hem het verklaren zoals hij wil. Dan nog blijft de directe macht van Jehova de ware en uiteindelijke oorzaak van alles. God is aan het werk in deze angstaanjagende gebeurtenissen. “Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.” Zo kijkt de Schrift ernaar. Dan wil ik er ook zo naar kijken: dit is dan mijn wijsheid. Nooit sprak een mens zonder ingeving een zin uit die zo verheven was als deze.
De gedachte is boven alle voorstelling groots, en de woorden geven die gedachte de uiterlijke majesteit die erbij past. God heeft geen middelen nodig om Zijn plannen met Zijn macht uit te voeren. Toch heeft Hij in het algemeen wel middelen ingesteld waardoor Hij werkt. Volgens dat goddelijke plan schiep Hij door middelen, en Hij regeert door middelen. Maar de middelen die Hij bij de schepping inzette, en die Hij bij Zijn bestuur inzet, werken alleen door Zijn almacht. Het verhevene van deze passage komt voort uit de oneindige kloof tussen middel en doel. Een aardse heerser kijkt boos, en zijn hovelingen beven.
God kijkt naar de aarde, en ze beeft tot in haar fundamenten. Hij raakt de bergen aan, en de vulkaan rookt en braakt stromen lava. Er staat dat heuvels smelten voor het aangezicht van de Heere. “Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs.” Wat is de adem van die schadelijke wijsbegeerte kil en verdorrend! Ze wil ons denken losmaken van het zien van God in Zijn werken. Een christen die in die dampkring leeft, of aan de rand ervan, wordt ziek en draagt geen vrucht aan werken van ware gerechtigheid. Deze malaria doodt elk geestelijk leven. — Alexander Carson.
Vers 32
“Als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.” Het is dus erg om in de handen te vallen van Hem Die zulke vreselijke dingen kan doen met Zijn blikken en aanrakingen. — John Trapp.
Vers 33
“Ik zal den HEERE zingen.” De psalmist juicht bij het heerlijke vooruitzicht dat alles vernieuwd wordt. Vooruitlopend op die grote gebeurtenis roept hij blij uit: “Ik zal den HEERE zingen”, bechajjaj, “met mijn levens”. Daarmee bedoelt hij het leven dat hij nu heeft en het leven dat hij hierna zal hebben. “Ik zal mijn God psalmzingen”, be’odi, “in mijn eeuwigheid”: zijn voortgaan, zijn eindeloze voortgang. Wat een verbluffende gedachten! Maar hoe moet dat grote werk tot stand komen? En hoe kan de nieuwe aarde alleen met rechtvaardige geesten bevolkt worden? Het antwoord staat in Ps. 104:35: “De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn.” — Adam Clarke.
Vers 33
Eerst heeft de psalmist iedereen opgeroepen God te verheerlijken. Nu zegt hij wat hij zelf van plan is. Met zijn stem verkondigt hij Gods lof: “Ik zal den HEERE zingen in mijn leven.” Met zijn hand schrijft hij psalmen en zet hij ze op muziek: “Ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.” Met zijn verstand maakt hij zoete overdenkingen: “Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn.” Met zijn wil en zijn gevoel zoekt hij God alleen: “Ik zal mij in den HEERE verblijden.” Hij voorspelt en vraagt om het einde van alle zondaars.
Zij denken er niet aan God te prijzen, maar onteren Hem in alles wat ze zeggen en doen: “De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn.” Tot slot looft hij God met heel zijn ziel en al zijn krachten: “Loof den HEERE, mijn ziel!” — Le Blanc.
Vers 34
“Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn.” Een christen hoeft niets anders te bestuderen dan Christus. In Christus is genoeg te vinden om zijn studie en overdenking al zijn dagen te vullen. En hoe meer we Christus bestuderen, hoe meer we Hem kunnen blijven bestuderen. Er zullen steeds weer nieuwe wonderen in Hem zichtbaar worden, zonder einde. — John Fox, 1680.
Vers 34
“Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn.” De laatste woorden die Henry Martyn ooit schreef, op zijn sterfbed tussen moslims in Perzië, waren: “Ik zat in de boomgaard en dacht met zoete troost en vrede aan mijn God, mijn gezelschap in de eenzaamheid, mijn Vriend en Trooster.”
Vers 34
“Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn.” Ik moet over Christus nadenken. Laten de wijsgeren maar in hun gedachten opstijgen, hoog omhoog, en tussen de sterren wandelen. Wat zijn de sterren naast Christus? Hij is de Zon der gerechtigheid, de glans van de heerlijkheid van de Vader en het uitgedrukte beeld van Zijn Persoon. God, geopenbaard in het vlees, is een onderwerp waar engelen met vreugde naar kijken. — Samuel Lavington.
Vers 34
“Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn.” Eerst: je kunt dit lezen als een stelling. Nadenken over God is zoet. En die zoetheid hoort ons aan te zetten om het ook echt te doen. Ten tweede: je kunt het lezen als een besluit. David neemt zich voor het zelf te doen. Hij wil zich troosten met zulke bezigheden. Terwijl anderen hun plezier zoeken in andere dingen, zoekt hij zijn vreugde in de omgang met God. Dat zal bij elke gelegenheid zijn troost en zijn blijdschap zijn. David verwacht veel voldoening van dit overdenken van God, dat hij met grote vreugde op zich nam.
Dat geldt ook voor andere dienaren van God die van dezelfde aard en gezindheid zijn als hij, bij zulke voornemens. Ten derde: je kunt het lezen als een gebed en een smeking. “Zal zijn” betekent dan: laat het zijn. De toekomende tijd staat hier voor de gebiedende wijs, zoals vaak. Dan moet het woord “alaw” vertaald worden met “tot God” en niet met “van God”. Laat mijn overdenking, of mijn gebed, of mijn omgang Hem zoet zijn. “Illi meditatio mea”, zo verklaren sommige goede schrijvers het. In de Engelse vertaling staat “Laat mijn woorden aangenaam zijn”, en in een eerdere “O, dat mijn woorden Hem mochten behagen”.
Dat komt op hetzelfde neer, omdat ze het allemaal als een gebed opvatten. Dat hebben de dienaren van God altijd het meest nodig gevonden, en dat is ook zo: dat God aanneemt wat zij Hem hebben aangeboden. — Samengevat uit Thomas Horton.
Vers 34 (eerste zinsnede)
Alle ouden verstaan het zo: “Mijn overdenking zal Hem zoet zijn”, of, zoals de Joodse Arabische vertaling het weergeeft, bij Hem. Dat past bij wat de psalmist zegt in Ps. 19:15: “Laat … de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht.” Zo staat het ook in het Chaldeeuws hier, qodamohi, voor Hem. De LXXII heeft hēdynthēi autō, “Het zij Hem zoet.” De Syrische vertaling heeft: tot Hem, en de andere doen dat ook. Het Hebreeuwse voorzetsel “al” betekent dus zowel “tot” als “op”. — Henry Hammond.
Vers 34
“Ik zal mij in den HEERE verblijden.” Vergelijk dit met vers 31. Je ziet dat God, Die geprezen wordt, en de ziel die Hem prijst, over en weer plezier en blijdschap aan elkaar beleven. God verblijdt Zich in Zijn werken. Het meeste behagen heeft Hij in de mens, die alle andere werken van Hem samenvat. Hij heeft het ook in dat werk waarboven de mens niets voortreffelijkers kan nastreven: God prijzen, waar de zaligen mee bezig zijn. Zo verklaart David in dit prijzen van God, dat Hem zo bevalt, dat hij er voor altijd zijn vreugde in wil vinden. “Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn”, zingt de bruid. — Lorinus.
Vers 35
“De zondaars zullen van de aarde”, enz. Enkele jaren geleden maakte ik op een zomerochtend een wandeling van een paar mijl langs een buitengewoon mooie zeekust. Het was de dag van de Heere. Terwijl het ene uitzicht na het andere zich voor mijn ogen ontvouwde, kwamen de woorden van de honderdvierde psalm vanzelf in mijn gedachten op. Halverwege mijn doel liep de weg door een vuil gehucht. Mijn overpeinzing werd ruw verstoord door het geruzie van een paar mensen, die eruitzagen alsof ze de nacht in dronken uitspattingen hadden doorgebracht. Toen dacht ik: dit moet de psalmist ook zijn overkomen.
Hij moet mensen zijn tegengekomen die in een prachtig stuk natuur woonden. Zij hadden een heilig priesterschap moeten zijn, dat de natuur een stem geeft om haar Schepper te loven. In het zuivere, heilige verloop van hun leven hadden zij de meest hemelse toon in het lied van de schepping moeten zijn. In plaats daarvan vulden ze het met een schrille wanklank. Zijn gebed is de heftige uiting van een verlangen. De aarde mag niet langer ontsierd worden door goddeloze mensen. Ze moeten volkomen verteerd worden en plaatsmaken voor mensen die bezield zijn met de vreze Gods: rechtvaardige, heilige mensen, een kroon van schoonheid op het hoofd van deze mooie schepping.
Als dit de juiste uitleg van het gebed van de psalmist is, dan is het gebed niet alleen te verdedigen. Dan klopt er iets niet in ons nadenken over de natuur als we er niet toe neigen om ons erbij aan te sluiten. — William Binnie.
Vers 35
“De zondaars zullen van de aarde.” Deze vloek hangt samen met de laatste zinsnede van vers 31: “De HEERE verblijde Zich in Zijn werken.” De goddelozen besmetten de wereld met hun vuiligheid. Het gevolg is dat God minder plezier heeft in Zijn eigen maaksel, en er bijna ontevreden over is. Het kan niet anders of Hij moet deze onreinheid afschuwelijk vinden. Ze verspreidt zich over elk deel van de wereld, en ze bederft zo’n edel werk van Zijn handen. De goddelozen misbruiken Gods gaven op een verkeerde manier. Daardoor laten ze de wereld als het ware ontaarden en afvallen van haar oorspronkelijke staat.
Terecht wenst de profeet dus dat ze uitgeroeid worden, tot hun geslacht helemaal ophoudt. Laten wij daarom Gods zorg zo overwegen, dat we Hem helemaal gehoorzamen. Dan kunnen we de weldaden die Hij heiligt tot ons genot op de juiste en zuivere manier gebruiken. Laten we er ook verdriet over hebben dat zulke kostbare schatten goddeloos verspild worden. Laten we het monsterlijk en weerzinwekkend vinden dat mensen hun Maker niet alleen vergeten, maar ook alles wat Hij hun heeft geschonken als het ware met opzet gebruiken voor een verkeerd en onwaardig doel. — Johannes Calvijn.
Vers 35
“De zondaars.”
Alles zuiver, alles zonder gebrek, alles op dezelfde toon:
zo zette het wonderbare koor van de schepping in,
met een geheimvolle eenstemmigheid,
om te klinken tot het einde van de tijd.
En nog steeds klinkt het voort: bij dag en bij nacht
bezingen allen met één instemmende stem
Uw heerlijkheid, Heere, zoals het hoort;
allen aanbidden en verheugen zich.
Alleen de mens verstoort die zoete samenklank;
hij overstemt met ruw rumoer
de muziek van Uw werken en van Uw Woord,
muziek die niet past bij droefheid en zonde.
— John Keble in “The Christian Year.”
Vers 35
“Loof den HEERE, mijn ziel.” Herhaal de eerste woorden van de psalm, want die zijn gelijk aan deze. Ze worden hier herhaald, alsof ze willen zeggen dat het einde van goede mensen gelijk is aan hun begin. Zo iemand hoort niet bij hen die in de Geest beginnen en menen in het vlees volmaakt te worden. Cassiodorus zegt: een waardig begin van de psalm, en een waardig einde, om altijd Hem te loven Die de gelovigen nooit in de steek laat. De ziel die zegent, zal vet gemaakt worden… Zo wordt hij door deze teugel van lofprijs ingetoomd, en hij zal nooit omkomen. — Lorinus.
Vers 35
Dit is de eerste plaats in het boek Psalmen waar Halleluja (“Looft den HEERE”) voorkomt. Het komt voort uit een terugblik op de schepping, en uit het overdenken van Gods goedheid in het bewaren van alle schepselen van Zijn hand. En ook uit een blik vooruit naar die toekomstige sabbat. Dan zullen de boze mensen niet meer in gemeenschap met de goeden leven. Dan kan God naar Zijn werken kijken zoals op de eerste sabbat, vóór de Verleider ze had bedorven, en zien: “Het was zeer goed.” Zie Gen. 1:31; 2:2-3. — Christopher Wordsworth.
Vers 35
“Loof den HEERE.” Hier komen we Halleluja voor het eerst tegen. Het komt hier voor bij de ondergang van de goddelozen. En de laatste keer dat we het tegenkomen, is bij een vergelijkbare gebeurtenis: als het Babylon van het Nieuwe Testament wordt verteerd. Dit is de kern van het lied: “Halleluja” (Openb. 19:1,3,4,6). — Matthew Henry.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1 (eerste zinsnede)
Een vermaning aan je eigen hart. 1. Denk aan de Heere als de eerste oorzaak van alles wat goed is. Zegen niet de mens of het lot, maar de Heere.
- Doe dit liefdevol, dankbaar, hartelijk en lovend. Loof de Heere.
- Doe het echt en intens. “Mijn ziel.”
- Doe het nu, om allerlei redenen en op alle mogelijke manieren.
Vers 1 (tweede zinsnede)
Hij is dit alles in Zijn wezen en in natuur, voorzienigheid, genade en oordeel.
Vers 2 (eerste zinsnede)
Gods helderste openbaring blijft toch een verberging. Zelfs licht is voor Hem maar een bedekking. God is bekleed met licht, zoals we Hem zien in Zijn alwetendheid, Zijn heiligheid, Zijn openbaring en Zijn heerlijkheid, in de hemel en in Zijn genade op aarde.
Vers 3 (laatste zinsnede)
- God neemt rustig de tijd, ook als Hij haast heeft: “Die … wandelt”, enz.
- God is snel, zelfs wanneer Hij traag lijkt: “Die op de vleugelen des winds wandelt.”
- Daaruit trekken we praktische conclusies. Er is tijd genoeg voor Gods bedoelingen, maar geen tijd voor ons beuzelen. We moeten met geduld wachten op de overwinning van Zijn zaak, en haar ook bespoedigen door heilig bezig te zijn.
Vers 4
- Het wezen van engelen: geesten.
- De Heere van de engelen. “Hij maakt”, enz. Hoe geestelijk moet Hijzelf dan wel zijn, Die geesten maakt!
- Het dienstwerk van de engelen.
(a) Hun taak: “dienaars.”
(b) Hun ijver of vurigheid: “een vlammend vuur.”
(c) Hun afhankelijkheid: ze zijn tot dienaren gemaakt.
— G. Rogers.
Vers 7
De kracht van Gods woord in de natuur laat zien hoe krachtig het ook op andere terreinen is.
Vers 9
- Alle dingen hebben hun vaste grenzen.
- Die grenzen overschrijden zonder dat God dat bijzonder toestaat, is overtreding. “Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen.”
- Na buitengewone gebeurtenissen moet je terug naar de gewone plichten. “Zij zullen de aarde niet weder bedekken”, enz. — G.R.
Vers 10
Hoe God Zich bekommert om mensen die, net als de dalen, laag, verborgen en arm zijn. Het blijvende karakter van Zijn zorg en de vrolijke gevolgen ervan.
Vers 10
Gods zorg voor wilde dieren, en wat wij daaruit kunnen leren.
- Zal Hij dan niet veel meer zorgen voor Zijn volk?
- Zal Hij niet omzien naar wilde, rondzwervende mensen?
- Moeten ook wij niet zorgen voor alles wat leeft?
Vers 10
Aan de vruchtbaarheid, het leven en de muziek die langs een beek te vinden zijn, kun je laten zien hoe weldadig het Evangelie werkt. — C.A. Davis.
Vers 14
In de hooiweide. (Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 757.) “Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten.”
- Gras leert ons op zichzelf al iets.
(a) Het is een teken van onze sterfelijkheid: “Alle vlees is gras.”
(b) Het is een beeld van de goddelozen.
(c) Het is een beeld van Gods uitverkorenen. Jes. 35:7; 44:4; Ps. 72:6,16.
(d) Gras lijkt op het voedsel waarmee de Heere Zijn uitverkorenen geeft wat ze nodig hebben. Ps. 23:2; Hoogl. 1:7.
- In het groeien van gras zie je God.
(a) Als Werker: “Hij doet”, enz. Zie God in gewone dingen, ook in dingen die alleen staan.
(b) Zie God als Verzorger: “Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten.” God zorgt voor dieren, voor hulpeloze, stomme en sprakeloze schepselen, en geeft hun passend voedsel: “gras”. Laten we dus altijd Zijn hand in Zijn zorg zien.
- Dat God werkt in het gras voor het vee, geeft ons beelden van de genade.
(a) God zorgt “voor de ossen” en geeft hun wat ze nodig hebben. Er moet dus ergens iets zijn om de nood te vervullen van het edeler schepsel, de mens, en van zijn onsterfelijke ziel.
(b) God geeft het gras aan het vee, maar het vee moet het zelf eten. De Heere Jezus Christus is gegeven als voedsel voor de ziel. Wij moeten Christus door het geloof aannemen en ons met Hem voeden.
(c) We zien hier in een beeld de genade die vooruitgaat: toen er nog geen vee was, was er al gras in deze wereld. Zo waren er al voorzieningen van het verbond voor Gods volk, voordat ze in de wereld waren.
(d) Dit laat zien wat vrije genade is: het vee brengt niets mee om het eten te kopen. Waarom is dat zo?
(1) Omdat het van Hem is, Ps. 50:10.
(2) Omdat Hij een verbond met hen heeft gesloten om hen te voeden, Gen. 9:9,10.
In deze tekst zit een krachtige tik tegen de vrije wil: “Hij doet het gras uitspruiten.” Zonder een goddelijke oorzaak groeit er geen genade in het hart. Als God het de moeite waard vindt gras te laten groeien, dan zal Hij ons ook laten groeien in de genade. Let ook hierop: het gras groeit niet zomaar. Het is “voor de beesten”, en het vee groeit weer voor de mens. Waarvoor groeit de mens dan? Zie ook dat het gras er moet zijn om de keten van de natuur compleet te maken. Zo is ook het allerkleinste kind van God onmisbaar voor de familie.
Vers 16
“De cederbomen van Libanon.” (Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 529.)
- Geen enkele menselijke zorg. Deze bomen zijn bij uitstek de bomen van de Heere, omdat (a) ze helemaal aan Hem te danken hebben dat ze geplant zijn: “die Hij geplant heeft”;
(b) ze voor hun water niet van de mens afhangen;
(c) geen sterfelijke macht hen beschermt;
(d) ze, wat het toezicht betreft, volkomen onverschillig blijven voor het oog van mensen;
(e) hun vreugde helemaal voor God is;
(f) er op de Libanon geen enkele ceder staat die voor zijn verwachtingen van de mens afhankelijk is.
- De glorieuze zichtbaarheid van Gods zorg.
(a) In de overvloed van wat ze krijgen.
(b) Ze zijn altijd groen.
(c) Zie hoe groot en indrukwekkend deze bomen zijn.
(d) Hun geur.
(e) Hun duurzaamheid.
(f) Ze zijn zeer eerbiedwaardig.
- De volheid van het levensbeginsel: “De bomen des HEEREN worden verzadigd” (Engels: zijn vol van sap).
(a) Dat is onmisbaar voor het leven.
(b) Het is in wezen een geheim.
(c) Het is van nature verborgen.
(d) Het werkt zonder ophouden.
(e) Het werkt naar buiten.
(f) Het is zeer te wensen.
Vers 17-18
“Lessen uit de natuur.” (Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1005.)
- God heeft voor elke plaats een passende vorm van leven klaargemaakt: voor “de dennebomen” de ooievaar, voor “de hoge bergen” “de steenbokken”, enz. Zo heeft God voor alle delen van de geestelijke wereld passende vormen van goddelijk leven gegeven.
(a) Elke tijd heeft zijn heiligen.
(b) Je vindt ze in elke stand. Het christelijk geloof past even goed bij alle omstandigheden.
(c) In elke kerk is geestelijk leven te vinden.
(d) In elke stad zijn mensen van God te vinden.
- Elk schepsel heeft zijn eigen plek.
(a) God heeft elke mens een plaats in Zijn bestuur gegeven.
(b) Dit geldt ook voor wat wij geestelijk beleven.
(c) Zo is het ook met wat elk karakter eigen is.
- Elk schepsel dat God gemaakt heeft, heeft een schuilplaats gekregen.
- Voor elk schepsel is die schuilplaats geschikt.
- Elk schepsel gebruikt zijn schuilplaats ook.
Vers 19
- Gods wijsheid, zoals ze zichtbaar is aan de stoffelijke hemelen. In de wisselende standen van de maan en de afwisseling van de jaargetijden.
- Gods goedheid, zoals ze daar zichtbaar is. De wisselingen zijn afgestemd op wat mensen nodig hebben en waar ze plezier in hebben.
- Gods trouw, zoals ze daar zichtbaar is. Door hun regelmaat wekt Hij vertrouwen bij Zijn schepselen.
“Zo mag ik, net als de zon, de plichten volbrengen
die mij voor deze dag zijn opgedragen,
met een gewillige geest en een werkzame wil
voortgaan en mijn hemelse koers blijven houden.”
Vers 20
Duisternis en de dieren die daarin tevoorschijn komen.
- Onwetendheid over God en losgeslagen begeerten. Rom. 1:21.
- Zonden die zichtbaar worden. De dieren waren er al eerder, maar werden niet opgemerkt. Nu maken ze de mens bang.
- Geestelijke moedeloosheid, schrik, wanhoop enzovoort.
- Sleur in de kerk. Allerlei dwalingen enzovoort beginnen tevoorschijn te komen.
- Invloed van de paus. Monniken, broeders, priesters enzovoort sluipen rond in deze donkere tijd. — A.G. Brown.
Vers 20
- Werk in de nacht is voor wilde dieren: “Gij beschikt de duisternis”, enz.
- Werk overdag is voor mensen: “De mens gaat dan uit”, enz. Goede mensen doen hun werk overdag, slechte mensen ’s nachts, want hun werk hoort bij het donker. Predikers die ’s nachts hun studeerkamer in sluipen, “briesende om een roof”, om “hun spijs van God te zoeken”, lijken meer op wilde dieren dan op verstandige mensen. — G.R.
Vers 21
Gebeden zonder duidelijke woorden. Hoe gebrekkig de uitdrukking ook is, toch kan het gebed in Gods ogen echt zijn.
Vers 22
Laat aan de hand van wat de zonsopgang bij roofdieren doet zien hoe Gods genade onze slechte driften beïnvloedt. — C.A.D.
Vers 23
“Early Closing.” Een preek ten bate van de “Early Closing Association”, door James Hamilton, D.D., 1850. In de “Pulpit”, deel 57.
Vers 24
- De taal van verwondering: “Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE!” Hun aantal, hun verscheidenheid, hun samenwerking en hun harmonie.
- De taal van bewondering: “Gij hebt ze alle met wijsheid”, enz. Overal is dezelfde wijsheid te zien. Dr. Chalmers zegt: God is net zo groot in het kleine als in het grote.
- De taal van dankbaarheid: “Het aardrijk is vol”, enz. — G.R.
Vers 24
- De werken van de Heere zijn talrijk en gevarieerd.
- Ze zijn zo gemaakt dat ze de allervolmaaktste wijsheid laten zien, zowel in hun ontwerp als in het doel waarvoor ze gemaakt zijn.
- Ze zijn allemaal van God, en je mag ze alleen gebruiken voor het doel waarvoor ze geschapen zijn. Elk misbruik en elke verspilling van Gods schepselen is diefstal en plundering van het eigendom van de Schepper. — Adam Clarke.
Vers 26
“Daar wandelen de schepen.” (Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1259.)
- Wij zien dat de schepen varen.
(a) Schepen zijn gemaakt om te varen.
(b) Als schepen varen, verdwijnen ze uiteindelijk uit het zicht.
(c) Schepen die varen, zijn onderweg voor hun werk.
(d) Schepen varen over een zee die steeds verandert.
- Hoe varen de schepen?
(a) Ze moeten varen met de wind mee.
(b) Maar de zeeman laat zich niet zomaar door de wind meevoeren, hij moet er zelf ook iets voor doen.
(c) Het roer moet ze leiden en sturen.
(d) Wie het roer bedient, zoekt de richting op kaarten en bij lichten.
(e) Ze varen naar hun bouw.
- Laten we hun seinen geven.
(a) Wie is jullie eigenaar?
(b) Wat is jullie lading?
(c) Waar gaan jullie heen?
Vers 27
Volg de vergelijking in de geestelijke wereld. De heiligen wachten, Ps. 104:27. Ze krijgen hun onderhoud uit de open hand, Ps. 104:28. Ze zijn angstig als Zijn aangezicht verborgen is. Ze zouden sterven als de Geest was weggenomen, Ps. 104:29. Ze leven weer op als de Geest terugkeert, Ps. 104:30.
Vers 29
- Het begin van het leven komt van God: “Zendt Gij Uw Geest uit”, enz.
- Dat het leven doorgaat, komt van God: “Gij vernieuwt”, enz.
- Dat het leven afneemt, komt van God: “Verbergt Gij Uw aangezicht”, enz.
- Dat het leven stopt, komt van God: “Neemt Gij hun adem weg”, enz.
- Dat het leven weer opstaat, komt van God: “Gij vernieuwt”, enz. — G.R.
Vers 30
De lente als jaargetijde en de lessen die zij ons geeft over het leven. Zie John Foster’s “Lectures”, 1844.
Vers 32
- Wat een blik van God inhoudt. “Als Hij de aarde aanschouwt”, enz.
(a) Wat er in een boze blik zit.
(b) Wat er in een blik van liefde zit. Hij keek vanuit de vurige kolom naar de Egyptenaren: “De HEERE, in de kolom des vuurs en der wolk, zag op het leger der Egyptenaren”, enz. Vanuit dezelfde kolom wierp Hij een andere blik op Israël.
- Wat een aanraking van God inhoudt: “Als Hij de bergen aanroert”, enz. Een aanraking van Hem kan een ziel tot de hemel opheffen, of een ziel naar de hel laten zinken. — G.R.
Vers 33
- De zanger: “Ik.”
- Het lied: “zingen”, “psalmzingen.”
- Het publiek: “den HEERE”, “mijn God.”
- De lengte van het lied: “in mijn leven”, “terwijl ik nog ben.” — A.G.B.
Vers 33
Twee keer “Ik zal”.
- Omdat Hij mij heeft laten leven.
- Omdat Hij mij in Zichzelf heeft laten leven.
- Omdat Hij Jehova is en “mijn God.”
- Omdat ik eeuwig zal leven, in de allerbeste zin.
Vers 34
- Davids overdenking.
- Davids vreugde. — Thomas Horton.
Vers 35
- Wie God niet prijzen, horen niet op aarde: “De zondaars zullen van de aarde verdaan worden”, enz.
- Nog minder horen ze in de hemel.
- Wie God wel prijzen, horen zowel op aarde als in de hemel. Ook al prijzen anderen Hem hier niet, de heiligen doen het wel. “Loof den HEERE”, enz.
(a) Anders dan de anderen prijzen ze Hem op aarde.
(b) Samen met de anderen prijzen ze Hem in de hemel, enz. Overal is het bij hen: “Looft den HEERE.” — G.R.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas