Ons leven, ons werk, onze verandering

[vc_row][vc_column][vc_column_text css=””]

Een preek uitgesproken op zondagmorgen 4 augustus 1867 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Ik zou al de dagen mijns strijds hopen, totdat mijn verandering komen zou. Job 14:14

Job werd bijna tot wanhoop gedreven door de vreselijke kwelling van zijn lichamelijke pijnen, door de tergende opmerkingen van zijn vrienden en door het snijdende voorstel van zijn vrouw. Het is geen wonder dat hij enigszins ongeduldig werd. Nooit waren klaagwoorden beter te verontschuldigen dan in het droevige geval van Job, toen hij uitriep: ‘Och, of Gij mij in het graf verstaakt’ (Job 14:13). Alles wat het leven draaglijk kon maken, was hem ontnomen, en elk kwaad dat de dood wenselijk kon maken, was over hem gekomen. Toch lijkt Job zich, nadat hij deze uitroepen had gedaan, half te hebben geschaamd voor zijn zwakheid. Hij omgordde zijn lendenen, ging met zichzelf in gesprek en bracht zijn ziel tot een koeler, kalmer gemoed. Job ziet zijn leven recht in het gezicht: hij merkt dat zijn strijd zwaar is, maar hij bedenkt dat het maar eenmaal is, en dat er geen strijd meer zal zijn wanneer die eenmaal voorbij en de overwinning behaald is!

Daarom spreekt hij zichzelf moed in om zijn huidige zorgen en zelfs toekomstige rampen te verdragen, wat die ook mogen zijn. Hij neemt het plechtige besluit, dat veel heerlijker is dan het voornemen van Alexander om de wereld te veroveren, om zichzelf te overwinnen en zich geduldig aan de wil van God te onderwerpen. Hij legde het vast in zijn hart dat hij al zijn vastgestelde dagen, totdat er een verandering zou komen, het goddelijke besluit met standvastige berusting zou dragen. Niemand van ons kan het zich veroorloven een steen te werpen naar de aartsvader vanwege zijn zuchten en klagen, want wij zouden het zelf niet half zo goed doen. Wij lijken soms te veel op Jona: we worden lafaards en zouden graag voor ons werk vluchten zodra het zwaar wordt of ons geen eer oplevert. Als wij geen schip zoeken dat ons naar Tarsis brengt, dan zuchten we om een seraf die ons naar de hemel draagt.

Dit grote Ninevé heeft de meesten van ons in tijden van neerslachtigheid doen huiveren. Ik vrees dat we ons vaak gedragen als rechtstreekse afstammelingen van de kinderen van Efraïm, die gewapend waren en bogen droegen, maar terugkeerden op de dag van de strijd. Wij wijken als een bot dat uit de kom is en onder druk opzij schiet. We zijn niet alleen als Jakob, die hinkte aan zijn heup, maar soms hinken we op beide benen! Vaak hebben we geen zin in de strijd en verlangen we naar rust. Dan roepen we: ‘Wanneer is de dag voorbij? Wanneer zullen we volkomen rust hebben?’ Juist tegen zo’n geest moeten wij strijden, en om ons in die strijd te helpen, leek het me goed de tekst te overdenken die nu voor ons ligt. Moge God hem daartoe zegenen, opdat wij ‘standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren’ (1 Korinthe 15:58) mogen zijn. ‘Ik zou al de dagen mijns strijds hopen, totdat mijn verandering komen zou.’

Wij vragen deze morgen uw aandacht eerst voor de kijk op het leven die Job ons geeft; ten tweede voor zijn oordeel over ons werk; en ten derde voor zijn blik op de toekomst.

  1. Laten we eerst letten op HET GEZICHTSPUNT WAARONDER JOB DIT STERFELIJKE LEVEN BESCHOUWDE. Hij noemt het een ‘vastgestelde tijd’, of, zoals het Hebreeuws het zegt, ‘een strijd’. Merk op dat Job ons leven een tijd noemt. Geloofd zij God dat de tegenwoordige staat geen eeuwigheid is! Hoe lang de strijd ook mag lijken, er komt een einde aan. Wij bevinden ons nu in de eindige staat, waarin alle smarten hun afloop en hun einde hebben. Hoe lang de nacht ook duurt, op zijn tijd moet hij wijken voor het licht van de morgen. De winter mag zich vermoeiend lang voortslepen, de lente zit hem op de hielen. De eb mag zo ver teruglopen dat er niets overblijft dan kilometers modder, zodat we klagen dat al het heldere blauwe water verdwenen is, maar zo is het niet: de vloed moet weer opkomen, want God heeft het zo besloten. Ons hele leven is werkelijk kort. Vergeleken met de eeuwigheid is het slechts een span, een handbreed. Hoe zal dit vergankelijke leven er vanaf de toppen van de eeuwigheid uitzien als een voorbijvliegend ogenblik! De pijnen van dit sterfelijke leven zullen ons slechts een speldenprik toeschijnen wanneer we ingaan in de vreugden die nooit eindigen en overvloeien! En de moeiten van dit leven zullen kinderspel zijn wanneer we de eeuwige rust bereiken.

Laten we dan, mijn broeders en zusters, oordelen zoals onsterfelijken oordelen. Laten we onze moeiten niet wegen op de slecht afgestelde weegschaal van dit arme menselijke leven, maar laten we het gewicht van de eeuwigheid gebruiken. Wij zijn geboren voor de eeuwigheid. Het is waar dat we ons door dit ene korte uur van moeite en strijd heen moeten worstelen, maar één uur bij onze God in de heerlijkheid zal dat alles ruimschoots vergoeden. ‘Want ik houde het daarvoor,’ zei die meester van de hemelse rekenkunst, de apostel Paulus, die zich nooit verrekende, ‘dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden’ (Romeinen 8:18).

Het langste en droevigste leven is slechts een ‘tijd’. Fluister deze eenvoudige waarheid van God in het oor van de kwijnende lijder! Vertel deze blijde waarheid aan de zoon van smart, die arm en veracht is! Vertel haar aan elke dochter van verdriet: het leven is slechts een ‘tijd’, het is niet de eeuwigheid! O treurende, vergelijk uw huidige smarten met de kwellingen van de verloren geesten, voor wie er geen tijd meer is. Zij zijn voor altijd verworpen en kunnen geen einde van hun bittere smarten verwachten; voor hun wenende ogen zien zij in letters van vuur geschreven: ‘Voor eeuwig! Voor eeuwig! VOOR EEUWIG! VOOR EEUWIG!’

Job noemt ons leven ook een ‘vastgestelde’ tijd. U weet wie uw dagen heeft vastgesteld. U hebt ze niet zelf bepaald, en daarom hoeft u geen spijt te hebben van die vaststelling. Ook de satan heeft ze niet bepaald, want de sleutels van de hel en van de dood hangen niet aan zijn gordel.

‘Geen engelenarm kan mij in het graf werpen;
miljoenen engelen kunnen mij daar niet houden.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Bij de almachtige God zijn de uitkomsten tegen de dood. Hij alleen kan het onherroepelijke woord spreken en de geest laten terugkeren tot God, Die hem gegeven heeft. God alleen kan de pijl doen vliegen die dit sterfelijke bestaan zal beëindigen; zolang Hij Zijn hand niet aan de boog slaat, zullen alle boogschutters van de aarde en de hel tevergeefs schieten. Onze pelgrimsreis heeft een vastgesteld begin en een vastgesteld einde. In die zandloper daarginds, die uw bestaan afmeet, zijn alle zandkorrels die naar de onderste bol wegsijpelen door de hand van God in de bovenste bol afgemeten! Er is geen korrel te weinig en geen korrel te veel. U zult ontdekken dat God al de dagen en daden van uw leven heeft vastgesteld met volmaakte wijsheid, met diepe kennis en met onberispelijke liefde. Bedenk dat u de jaren die u zijn toegemeten, wel zult volleven, maar niet overleven! U zult tot de laatste minuut leven, en geen plaag of pest, geen gevaar van water, veld of slagveld kan u de laatste seconde ontnemen die God u heeft toegemeten.

U zult de grens die Hij u gesteld heeft, niet overschrijden, ook al bent u nog zo voorzichtig en roept u de dokter erbij: u kunt geen seconde toevoegen aan de tijd die voor u bepaald is. De onverbiddelijke dood zal niet talmen, maar zijn opdracht stipt uitvoeren zodra de Meester hem zendt.

‘Dan keert u terug
tot het stof,
zonder uitstel.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Moet ons dit niet bemoedigen: dat ons lot is vastgesteld door de wijze zorg van een liefhebbende Vader, en dat de dagen en de grenzen van onze woning niet zijn overgelaten aan de winden van het toeval of de golven van de onzekerheid, maar allemaal onveranderlijk zijn besloten door onze Vader, Die in de hemelen is? In de rol des boeks staat onze levensgeschiedenis geschreven, in datzelfde boek waarin ook de verbondsverplichtingen van de Heiland zijn opgetekend.

Geliefde vrienden, u zult ook opmerken dat Job heel wijs spreekt over de ‘dagen’ van onze vastgestelde tijd. Het is verstandig om de last van het leven niet in zijn geheel te willen dragen, maar te leren hem te dragen in de porties waarin de voorzienigheid hem verdeeld heeft. Laten we leven zoals het leven komt, namelijk bij de dag. Onze God vertrouwt ons niet eens een maand leven tegelijk toe; we leven zoals de klok tikt, seconde voor seconde. Is dat niet veel verstandiger dan ons het hoofd te breken door per maand of per jaar te leven? U hebt geen belofte voor het jaar; het woord van genade luidt: ‘Uw sterkte gelijk uw dagen!’ U wordt niet geboden om voorraad voor een heel jaar te bidden, maar: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood.’ Onlangs vroeg ik een goede man, die veel beproevingen had en ze voor zover ik weet al vijftien of twintig jaar dapper had gedragen, hoe zijn geduld het toch had volgehouden. Hij antwoordde:

‘Ach meneer, ik zei laatst tegen mijn zieke vrouw, toen de kolen werden bezorgd: “Er zijn verscheidene sterke kerels nodig om de zakken naar binnen te brengen, en toch heeft ons kleine keukenmeisje Marie de hele ton van de kelder naar onze huiskamer gebracht. Maar ze deed het met één kolenkit tegelijk. Ze heeft die tonnen kolen even zeker verplaatst als de wagens die ze kwamen brengen, maar ze deed het beetje bij beetje, en daardoor ging het haar gemakkelijk af.”’ Zo moeten wij de beproevingen van het leven dragen: elke dag het deel van die dag. Golf na golf komen onze beproevingen; laten we ze één voor één tegemoet treden en niet proberen alle golven van de oceaan tegelijk te bevechten. Laten we staan zoals de dappere oude Spartaan deed in de Thermopylae van de dag, en de Perzen bestrijden terwijl ze één voor één op ons afkomen. Zo zullen we onze tegenspoed op afstand houden en hem overwinnen terwijl hij in een enkele rij oprukt. Maar laten we ons niet op de open vlakte wagen te midden van de ontelbare horden Perzen, want dan zouden we spoedig verzwolgen worden en zouden ons geloof en ons geduld bezwijken.

Ik zou graag bij de dag leven, bij de dag werken en bij de dag lijden, totdat al mijn dagen voorbij zijn. Dan zie ik de Oude van dagen in dat land waar de dagen opgaan in één eeuwige dag en de ziel voor altijd zwemt in zeeën van vreugde! Ik mag niet nalaten u te wijzen op het Hebreeuws: ‘Ik zou al de dagen mijns strijds hopen.’ Het leven is inderdaad een ‘strijd’. Zoals iemand voor een aantal jaren dienst neemt in ons leger, waarna zijn diensttijd afloopt en hij vrij is, zo is iedere gelovige in de dienst van het leven ingelijfd om God te dienen, totdat zijn diensttijd voorbij is en wij ontslapen in de dood. Onze opdracht en onze wapenrusting zullen we tegelijk afleggen.

Broeders, toen u in Jezus ging geloven, werd u als soldaat ingelijfd. Laat mij u eraan herinneren dat u een soldaat bent: u zult altijd in oorlog zijn, u krijgt nooit verlof en u zult nooit een vredesverdrag sluiten. Zoals de oude ridders die in hun harnas sliepen, zult u zelfs in uw rust worden aangevallen. Er is geen deel van de reis naar de hemel dat veilig is voor de vijand, en er is geen ogenblik, zelfs niet in de zoete rust van de dag des Heeren, waarop de bazuin niet kan klinken. Bereid u daarom altijd voor op de strijd. ‘Doet aan de gehele wapenrusting Gods’, en beschouw het leven als een voortdurende strijd.

Wees verrast wanneer u niet hoeft te vechten, sta versteld wanneer de wereld vreedzaam tegenover u is, wees verbaasd wanneer uw oude verdorvenheid niet opstaat om u aan te vallen. U moet altijd met getrokken zwaard reizen, en u kunt de schede net zo goed weggooien, want u zult haar nooit nodig hebben. U bent een soldaat die altijd moet vechten, en bij het licht van de strijd moet u heel uw leven overzien.

Als we deze gedachten samen nemen als Jobs kijk op het sterfelijke leven, wat dan? Wel, geliefden, het is maar eenmaal; zoals we al zeiden, zullen we onze God maar één keer op aarde dienen in het streven naar Zijn eer. Laten we de verplichtingen van onze dienstneming op eervolle wijze nakomen. Wie voor een aantal jaren in dienst van Hare Majesteit treedt, neemt zich voor, als hij een man van eer is, zich waardig te gedragen zolang hij in het gelid staat. Zo moet het ook met ons zijn: we zullen nooit aan een andere oorlog beginnen, dus laten we de huidige strijd roemrijk voeren. We dragen een zwaard in onze hand; we hoeven het maar te gebruiken in één grote levensstrijd, en daarna zal het voor altijd aan de wand worden gehangen.

Laten we ons wapen goed gebruiken, zodat we het niet roestig en onteerd hoeven in te leveren als een gedenkteken van onze schande. Laten we blijmoedig ten strijde trekken, want het is maar eenmaal! Laten we ons als mannen gedragen en zijn als de helden van David, die geen gevaar vreesden, maar dodelijke overmacht aanvaardden en tegen alle aanvallers overwonnen en standhielden. Kom, geliefden, we hebben een vastgestelde tijd, en die loopt elk uur verder weg! Laten we ons verheugen als we hem zien gaan. Onze Overste heeft die tijd bepaald; Hij heeft ons bevolen op wacht te staan of vooraan in de strijd te stormen. Omdat de tijd bepaald is door onze welbeminde Koning, laten we Zijn beschikking niet onteren. Laten we in de Naam van Hem, Die ons de opdracht gaf om te leven en te strijden, de goede strijd strijden, met de uiterste inzet van onze kracht en het volle vermogen van ons bestaan!

En omdat het, geliefde vrienden, de strijd van de Heere is waarin wij staan, zijn we ingelijfd onder de grote Leidsman van onze zaligheid, Die ons voorgaat naar een zekere en vaste overwinning! Laten we ons niet laten ontmoedigen! Laat ons hart ons niet in de steek laten! Laten we ons mannelijk houden en sterk zijn, want de Heere onze God is met ons, en we hebben de Machtige Israëls als onze Overste! Laten we de genade van God verheerlijken zolang het ons vergund is op aarde te blijven om haar te verheerlijken! Laten we opstaan en op onze vijanden afgaan zolang er vijanden zijn om te bestrijden!

Laten we de overwinning bevechten zolang we de strijdstof nog hebben om dat te doen. In de hemel worden geen veldslagen geleverd en geen overwinningen behaald. Laten we ons daarom nu, in dit leven, voornemen om in de Naam en de kracht van God de Heilige Geest met al onze kracht en ijver God te verheerlijken, Die ons onze strijd heeft toebedeeld. We verlaten nu dit punt om ons tot het tweede te wenden, en moge God de Heilige Geest ons daarbij zegenen.

  1. JOBS KIJK OP ONS WERK op aarde is dat wij moeten wachten. ‘Ik zou al de dagen mijns strijds hopen.’ Het woord ‘wachten’ zit vol onderwijs. Het omvat het hele christelijke leven, wanneer het in al zijn verschillende betekenissen wordt verstaan. Laten we er heel kort een paar bespreken.

In de eerste plaats moet het christelijke leven een leven van wachten zijn, dat wil zeggen: van het loslaten van alle aardse zaken. Er zijn deze morgen veel reizigers onder ons. Zij trekken van de ene stad naar de andere en bezoeken vele landen. Maar als zij slechts reizigers zijn, die spoedig naar huis zullen terugkeren, dan gaan zij niet speculeren in allerlei zaken in Lombard Street of Cheapside. Zij proberen geen grote landgoederen te kopen en aan te leggen, en zij gaan geen goud en zilver verdienen. Zij weten dat zij slechts vreemdelingen zijn en gedragen zich ook zo.

Zij hebben zoveel belangstelling voor de zaken van het land waar zij verblijven, als past bij mensen die er geen burger van zijn. Zij wensen het goede aan hen bij wie zij verblijven en wonen, maar dat is alles, want zij gaan naar huis. Daarom willen zij zich niet binden aan iets wat het afscheid van onze kusten moeilijk zou kunnen maken. Zij weten dat zij op doortocht zijn, en daarom leven zij als vreemdelingen en bijwoners.

Zoals een bedoeïen die door de woestijn zwerft, zo is een christen: een trekvogel, een reiziger die de haven zoekt. Dit is onze rust niet, ze is verontreinigd. ‘Treurige gedachte, als dit ons thuis zou zijn!’ De wijsheid van de christen is dat hij zich zoveel mogelijk losmaakt van de zaken van dit leven. Hij zal vriendelijk zijn voor de burgers van het land waar hij geroepen is te wonen, en hun welzijn zoeken. Toch zal hij bedenken dat hij niet is zoals zij. Hij is een vreemdeling onder hen. Misschien moet hij in deze wereld kopen en verkopen, maar dat is slechts een zaak van voorbijgaand gemak. Voor de eeuwigheid koopt noch verkoopt hij, want hij heeft ‘de waarheid gekocht’ en ‘verkoopt ze niet’.

Hij heeft God ontvangen als zijn schat, en zowel zijn hart als zijn schat heeft hij vooruitgezonden. Aan de overkant van de rivier liggen al zijn vreugden en al zijn schatten. Hier beschouwt hij zijn aardse vreugden als geleend, als geleende vertroostingen. Als zijn kinderen sterven, verwondert hij zich niet, want hij wist dat zij niet onsterfelijk waren. Als zijn vrienden worden weggenomen, is hij niet verbaasd, want hij begreep dat zij uit een vrouw geboren waren en dus zouden sterven zoals alle anderen. Als zijn rijkdom zich vleugels maakt, verwondert hij zich niet, want hij wist dat het een trekvogel was, en het verbaast hem niet dat die net als de zwaluwen ergens anders heen vliegt.

Hij heeft al lang geleerd dat de wereld gegrond is op de zeeën en gevestigd op de rivieren. Wanneer zij dus onder hem beweegt, begrijpt hij dat dit de gewone gang van zaken is en is hij helemaal niet ontsteld. Hij verwondert zich er eerder over dat de wereld niet één en al paniek en verwarring is, omdat zij zo zonder vaste grond is. Zoals Simson de tempel van de Filistijnen deed wankelen, zo zal het Woord van de Heere in het uur van het laatste oordeel heel de natuur in één algemene ondergang ter aarde werpen! En ijdel is hij die roemt op zijn bezittingen, waar alles erop wacht om omvergeworpen te worden.

Broeders, doet u dat ook? Ik vrees dat sommigen van u, belijders, leven alsof dit uw rust is. U wilt niet naar huis, is het wel? Het nest is erg behaaglijk. U hebt het warm met veren bekleed. U hebt alles wat uw hart maar kan begeren. Hier zou u graag eeuwen blijven! Nu, moge deze wereldsgezindheid uit u worden uitgedreven, en moge u worden aangegrepen door heimwee, die zoete ziekte die iedere ware vaderlander behoort te hebben: een onverzadigbaar verlangen naar zijn geliefde vaderland.

Hebt u ooit gehoord van de Zwitserse soldaten in het Franse leger, die ziek werden wanneer zij de muziek hoorden van de liederen die hen herinnerden aan hun geboortebergen, met hun hutten en boeren en het lied van de koeherder? Zij konden in het zonnige Frankrijk slecht rust vinden terwijl hun hart bij de ruige heuvels van Helvetië was. Zijn er geen liefelijke liederen Sions die u herinneren aan dat gezegende land, waar onze beste vrienden en onze verwanten wonen, waar God, onze Heiland, regeert? Als wij ware burgers van het nieuwe Jeruzalem zijn, zullen wij verlangen naar dat schone land, het thuis van de uitverkorenen.

‘Ach, dan bezwijkt mijn geest
van verlangen naar het land dat ik liefheb,
het stralende erfdeel van de heiligen,
het Jeruzalem dat boven is.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Het is uw plicht en uw voorrecht, christen, om de aardse zaken los te laten en met Job te zeggen: ‘Ik zou al de dagen mijns strijds hopen’, als iemand die alleen maar wacht, ‘totdat mijn verandering komen zou’. Een tweede betekenis van de tekst is echter deze: wij moeten wachten in de verwachting dat we zullen vertrekken, en elke dag en elk uur verwachten dat onze Heere ons zal roepen. De juiste en gezonde staat van een christen is dat hij het uur van zijn vertrek als zeer nabij verwacht. Ik heb bij veel stervende gelovigen een grote bereidheid opgemerkt om heen te gaan, maar diezelfde bereidheid zou ook levende gelovigen moeten kenmerken.

Onze dierbare vriend, de heer James Smith, die sommigen van u zich nog herinneren als prediker van het Woord in Park Street en later in Cheltenham, beschreef zichzelf zo toen ik hem een poosje voor zijn heengaan zag: ‘U hebt weleens een reiziger gezien die naar het station is gegaan en zijn kaartje heeft gekocht. Al zijn bagage is binnengebracht, alles is ingepakt, vastgesnoerd en van een adres voorzien. En u hebt hem zien zitten met zijn kaartje in zijn hand, wachtend tot de trein binnenkomt. Dat,’ zei hij, ‘is precies mijn toestand. Ik ben klaar om te gaan zodra het mijn hemelse Vader behaagt mij te komen halen.’

Is dat niet hoe wij altijd zouden moeten leven, wachtend op de verschijning van de Heere? De heer Whitefield, die bekendstond om zijn orde en regelmaat, zei vaak: ‘Ik ga graag naar bed met het besef dat, als ik vannacht zou sterven, er niet eens een paar handschoenen van mij niet op zijn plaats ligt.’ Geen christen zou moeten leven zonder zijn testament te hebben gemaakt en zijn bezittingen goed te hebben geregeld, voor het geval hij plotseling zou sterven. Moge deze wenk nuttig zijn voor sommigen van u die hebben nagelaten hun huis te beschikken. Geen christen zou moeten leven in de verwachting dat hij nog een dag zal leven. U kunt niet op één uur rekenen! U zou veeleer zo gereed moeten zijn dat het geen enkele verwarring in uw zaken zou brengen als u bij het verlaten van deze tabernakel op de trappen dood neerviel, omdat u even gereed bent voor het leven als voor de dood.

Een van onze geliefde zusters liep deze week door Paternoster Row. Haar rouwende vrienden zitten hier, maar zij hebben geen reden om te rouwen! Plotseling werd zij onwel. Zij werd een winkel binnengedragen en men bood haar water aan, maar ze kon niet drinken. Nee, ze dronk al van het water van de rivier des levens, die voortkomt uit de troon van God en van het Lam! In een ogenblik sloot zij haar ogen voor de zorgen van de aarde en opende ze voor de vreugden van de hemel! Wanneer we de graven bezoeken van hen die in Christus ontslapen zijn, zouden we niet om hen moeten wenen; of, als we al wenen, dan zou het moeten zijn uit spijt dat wij nog niet tot dezelfde beloning zijn toegelaten! Alle dagen sterven: dat is het werk van christenen.

Het is zeer wijs om over onze laatste uren te spreken en ons vertrouwd te maken met het graf. Onze eerbiedwaardige voorvaderen hadden de vreemde gewoonte om een doodshoofd als memento mori op hun kaptafel te zetten, ofwel een echte schedel of een sieraad in die vorm, om hen aan hun einde te herinneren. Toch waren het, voor zover ik kan nagaan, gelukkige mannen en vrouwen, en zij waren dat niet minder omdat zij zich met de dood vertrouwd maakten! Een echte puritein liet misschien geen dag voorbijgaan zonder na te denken over de tijd waarin hij het kleed van klei zou afleggen en de rust zou ingaan. En dat waren de gelukkigste en heiligste mensen, terwijl deze onnadenkende generatie, die de gedachte aan het sterven verbant, ellendig is met al haar holle schijn van vrolijkheid!

Ik vermaan u, broeders en zusters: wacht! Wacht altijd op het bazuingeschal! Leef als mensen die uitzien naar de Heere, Die komt om u uit deze sterfelijke staat weg te halen, en wacht op de stoet van engelen die u naar de stad van de gezegenden in het land van het hiernamaals zal brengen! En dat is nog niet alles. Wachten betekent ook verdragen met geduld. Wij zijn in deze wereld geplaatst voor één vastgestelde tijd van lijden, en in heilig geduld moeten wij standvastig de hitte van de oven verdragen. Het leven van veel christenen is een langdurig martelaarschap; zij moeten het geduldig dragen. ‘Hier is de lijdzaamheid der heiligen.’

Veel gelovigen gaan van de ene ziekte naar de andere, van het ene verlies naar het andere. Maar hier vervullen zij het doel van hun leven, als zij door overvloedige genade leren hun smarten zonder morren te dragen en hun vastgestelde tijd zonder klagen af te wachten. Dienen is ook een vorm van wachten. De Heere Jezus geeft ons duidelijke aanwijzingen over het dienen in de gelijkenis in het zeventiende hoofdstuk van Lukas: ‘En wie van u heeft een dienstknecht ploegende, of de beesten hoedende, die tot hem, als hij van den akker inkomt, terstond zal zeggen: Kom bij, en zit aan? Maar zal hij niet tot hem zeggen: Bereid, dat ik te avond zal eten, en omgord u, en dien mij, totdat ik zal gegeten en gedronken hebben; en eet en drink gij daarna?’ (Lukas 17:7-8).

In deze wereld moeten wij de Heere Jezus dienen: Zijn boodschappen doen, Zijn kinderen verzorgen, Zijn lammeren weiden, Zijn vijanden bestrijden, de muren van Zijn wijngaard herstellen, en alles doen wat het Hem behaagt ons te geven. En let wel: dit moet gepaard gaan met volharding, want Job zegt: ‘Ik zou al de dagen mijns strijds hopen.’ Hij wilde niet de ene keer een dienaar zijn en dan op een ander moment lui naar huis sluipen, alsof zijn diensttijd voorbij was. Iedere heilige zou moeten zeggen: ‘Ik wil U dienen, mijn God, zolang ik leef. Zolang ik adem heb, zal die voor U worden besteed. Zolang ik hier beneden leven heb om te besteden, wil ik het besteden en mij laten besteden in Uw dienst.’

Dit zou de gezindheid van de christen moeten zijn al zijn dagen, tot zijn laatste dag toe: nog altijd wachtend en dienend, zoals een heilige man van God onder de Amerikaanse indianen. Toen hij op sterven lag, zag men hoe hij een arm indiaantje de letters leerde lezen. Hij zei: ‘Wat een genade dat ik, nu ik niet meer kan preken, dit arme kind nog kan leren lezen! God heeft nog iets voor mij te doen, en mijn gebed is dat ik geen uur langer leef dan ik iets voor Christus kan doen.’ Mogen wij precies zo gezind zijn!

Bovendien, om dit aspect van het christelijke leven af te sluiten: wij moeten ernaar verlangen naar huis geroepen te worden. Geen christen zou het slagveld willen verlaten voordat de overwinning behaald is, of de akker willen verlaten voordat de ploeg voor de laatste keer tot aan de rand is gegaan. Toch mag hij verlangen om thuis te zijn, en hij moet dat ook verlangen vanwege de liefde die hij tot zijn Heere draagt. Ik kan u niet begrijpen als u niet soms dat lied zingt:

‘Mijn hart is bij Hem op Zijn troon
en kan uitstel slecht verdragen;
elk ogenblik luistert het naar de stem:
‘Sta op en kom!’’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Vrouw, houdt u van uw man als u hem eigenlijk niet wenst te zien? Kind, houd je van je thuis als je niet verlangt naar de tijd dat de school uitgaat en je naar huis mag? O, het is een vermoeiende wereld, ook al maakt onze Heere haar draaglijk door de zoete blikken die we door de verrekijker van het geloof op Hem mogen werpen, wanneer Hij de traliën opzijschuift en Zich laat zien. Maar deze zoetigheden doen ons alleen maar verlangen naar meer! Ik zeg u: hemels voedsel op aarde maakt hongerig! Het doet u verlangen naar nieuwe voorraad. U kunt niet van de wateren van de goddelijke genade op aarde nippen zonder te verlangen om bij de bron neer te liggen en u vol te drinken aan de heerlijkheid!

Hebt u nooit heimwee naar de hemel? Voelt u nooit hoe de koorden die u aan Christus binden aan uw hart trekken om u dichter tot Hem te brengen? O ja! Dit moet u wel voelen! En als u deze verlangens om bij Christus te zijn, deze verwachting om heen te gaan, verenigt met een geduldig verdragen van de goddelijke wil, dan hebt u Jobs ware beeld van het leven gevonden! Moge u niet alleen dat beeld hebben, maar het ook in praktijk brengen; mogen alle gelovigen dat doen tot lof en eer van de goddelijke genade.

  1. Nu volgt JOBS OORDEEL OVER DE TOEKOMST. Hij drukt het uit in deze woorden: ‘Totdat mijn verandering komen zou.’ Hij verwijst naar de twee grote veranderingen die hij in één oogopslag overziet: de verandering van de dood, wanneer wij dit sterfelijke omhulsel zullen afschudden, en de verandering van de opstanding, wanneer wij onze onvergankelijke klederen zullen aantrekken en met eeuwige blijdschap omgord zullen zijn!

Geliefden, laten we opmerken dat dood en opstanding in zekere zin geen verandering zijn voor een christen: ze zijn geen verandering wat zijn identiteit betreft. Dezelfde mens die hier leeft, zal eeuwig leven! Dezelfde gelovige die God op aarde dient, zal ontwaken naar het beeld van Christus om Hem dag en nacht te dienen in Zijn tempel. En die identiteit zal niet alleen gelden voor de ziel, maar ook voor het lichaam: ‘Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde’ (Job 19:27). Deze ogen die om de zonde geweend hebben, zullen de Koning zien in Zijn schoonheid! En deze handen die hier de Heere gediend hebben, zullen Hem omhelzen in Zijn heerlijkheid!

Denk niet dat de dood de identiteit van het opstandingslichaam zal vernietigen! Het zal evengoed hetzelfde zijn als de volgroeide bloem dezelfde is als het zaad waaruit zij opgroeide. Er zal een machtige ontwikkeling zijn, maar het zal nog altijd hetzelfde zijn. ‘Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt’, en het is hetzelfde lichaam. Ook wat zijn levenskracht betreft, is er voor de wedergeborene geen verandering. Wij worden nu levend gemaakt door het leven van Christus, en dat is hetzelfde leven dat ons in de hemel levend zal maken: het onvergankelijke zaad, dat leeft en eeuwig blijft. ‘Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven.’

Hij heeft het nu: hetzelfde leven dat hij in de hemel zal leven, waar het meer ontwikkeld en heerlijker zal zijn, maar toch hetzelfde. Ook in het levensdoel van de christen zal geen verschil zijn wanneer hij in de hemel komt. Hier leeft hij om God te dienen, en daar zal hij voor hetzelfde doel en dezelfde bedoeling leven. Hier is heiligheid zijn vreugde, en daar zal zij zijn vreugde zijn. Ook zijn bezigheid zal niet veranderen. Hij diende zijn Meester tijdens zijn dagen op aarde als een dienstknecht die wacht op zijn heer, en hij zal worden opgenomen om Hem dag en nacht in Zijn tempel te dienen.

Ook wat zijn gezelschap betreft, zal de christen geen heel grote verandering ervaren. Hier op aarde zijn de heerlijken der aarde al zijn lust. Christus Jezus, zijn oudste Broeder, blijft bij hem. De Heilige Geest, de Trooster, woont in hem. Hij heeft gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus. Het is een feit dat hemel en aarde voor de christen hetzelfde huis zijn, alleen is het ene de benedenverdieping en het andere de bovenverdieping! De ene ligt zo laag en zo dicht bij de grond dat het water van de beproeving er soms binnenstroomt. En de ramen van de kamers beneden zijn zo donker dat er maar weinig van het licht van de hemel binnenvalt, en het uitzicht is beperkt. Maar de kamers boven hebben een schoon uitzicht; daar schijnt de zon altijd door de ramen, en ze zijn met ongeëvenaarde kunst ingericht.

Toch blijft het hetzelfde huis. In sommige opzichten is de hemel dus maar een kleine verandering, en toch is het een verandering, zoals we snel genoeg zullen zien. Voor de christen zal het een verandering van plaats zijn. Hij zal weg zijn van het doffe en grove stoffelijke bestaan van deze bezoedelde, door de zonde getroffen aarde, waar doornen en distels groeien, en hij zal aankomen op de plaats waar de inwoners niet meer zullen zeggen: ‘Ik ben ziek’; in het paradijs van God, waar de bloemen niet verwelken.

Hij zal van omgeving veranderen. Hier wordt hij gekweld door de goddeloze wandel van de bozen. Vaak merkt hij dat zijn buren zijn als de mannen van Sodom, die zeer boos waren. Maar daar zullen de engelen zijn medeburgers zijn, en zal hij gemeenschap hebben met de geesten van de volmaakte rechtvaardigen. Geen ijdel gepraat zal zijn oren kwellen, geen zonde zal hem onder ogen komen om zijn geest af te stoten. Hij zal geen vreemdeling zijn in een vreemd land, maar een kind thuis.

Ook zal er een grote verandering zijn in zijn uiterlijke omstandigheden. Er hoeft geen zweet van zijn voorhoofd te worden gewist, geen traan uit zijn ogen. In de hemel zijn geen doodsklokken te horen, geen open graven die met doden gevuld moeten worden. In de hemel is geen armoede, geen hoon van de hoogmoedige, geen zware hiel van de onderdrukker, geen vurig brandmerk van de vervolger. Maar ‘daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht’ (Job 3:17).

Vooral zal het voor de christen een verandering zijn wat betreft wat er in hem is. Geen lichaam dezes doods dat hem hindert. Geen zwakheden die hem belemmeren. Geen afdwalende gedachten die zijn aanbidding verstoren. Geen vogels die op het offer neerstrijken en weggejaagd moeten worden. Zoals het lichaam vrij zal zijn van het bederf dat de dood voortbrengt, zo zal de ziel vrij zijn van het bederf dat strijd voortbrengt tegen de nieuwe wet die in de leden van de gelovige is. Hij zal volkomen vrij zijn van de zonde! Ook zal er deze verandering zijn, dat hij verlost zal zijn van die hond van de hel die eens in zijn oren huilde: zoals de wereld ver weg zal zijn en niet meer kan verleiden, zo zal ook de satan ver weg zijn en niet meer kunnen kwellen!

Voor sommigen zal het op een bijzondere manier een verandering zijn. Hebt u ooit het ziekenhuis bezocht en gezeten naast het bed van de arme christenvrouw die daar al maanden ligt? Haar gehoor is bijna weg, haar gezicht wordt zwakker, ze kan nauwelijks ademhalen, ze heeft hartkloppingen, haar leven is één langgerekte doodsstrijd. O, wat een verandering zal het zijn, van het ziekbed naar de troon van God!

Wat een verschil tussen dat ziekenhuis, met zijn geluiden van ziekte en verdriet, en het nieuwe Jeruzalem daarginds, met het gejuich van hen die triomferen en het gezang van hen die feestvieren! Wat een ontkoming, van het sterfbed naar de levende heerlijkheid; van de brekende ogen, het wegkwijnende lichaam en het koude zweet van de dood naar de heerlijkheid die alles overtreft, de harpen van de engelen en de liederen van de verheerlijkten! Wat een verandering ook voor sommigen van de armen, voor sommigen van u, kinderen van de armoede, die hier deze morgen zijn: weg van dat harde werk dat nauwelijks een pauze kent. Weg van die vermoeide vingers en die vliegende naald en dat bonzende hart. Weg van die slaap die maar weinig rust geeft, omdat het zwoegen zo vroeg begint dat het de slaap zelf lijkt te doordringen en te bederven.

Wat een verandering, van die kale kamer, die lege tafel, die beker die u, in plaats van dat hij overloopt, nauwelijks gevuld krijgt! Weg van alle pijnen en ellende die de armoede met zich meebrengt, naar de rijkdom en het geluk van het paradijs! Wat een verandering voor u, naar de woningen van de gezegenden, de kronen van de onsterfelijkheid en het gezelschap van de prinsen van koninklijken bloede, met wie u voor eeuwig zult wonen!

En wat een verandering, nogmaals, voor de vervolgden! Ik weet hoe de boze woorden van een vader uw hart breken en hoe de wrede opmerkingen van een echtgenoot u verdriet doen. Maar u zult spoedig aan dit alles ontkomen. Het gespot in de werkplaats doet u soms denken aan de wrede bespottingen waarover u zo vaak hebt gelezen. Wat een verandering zal het voor u zijn om in liefelijk gezelschap te verkeren, waar vrienden u zullen opbeuren en blij maken! Mijn broeders en zusters, wat een sprong moet dat voor de martelaren zijn geweest, rechtstreeks van hun brandstapel naar hun troon! Wat een verandering voor de mannen die in kerkers wegrotten tot het mos op hun oogleden groeide, naar de onsterfelijke schoonheid van de Schoonste der schonen, te midden van de stralenden die dubbel stralen! Wat een verandering! Terecht, goede aartsvader, hebt u dit woord gebruikt, want het is de grootste van alle veranderingen!

Als u een uitleg nodig hebt van dit woord ‘verandering’, sla dan het vijftiende hoofdstuk van de eerste brief aan de Korinthiërs op en lees het helemaal door. We hebben het zojuist in uw aanwezigheid voorgelezen. U zult daar zien dat alles wat veranderd moet worden, veranderd zal worden. Alles wat veranderd moet worden om de gelovige volmaakt gelukzalig te maken, zal door de Meester worden omgevormd en verheerlijkt. Als u een glimp wilt opvangen van wat wij in de hemel zullen zijn, denk dan aan het gezicht van Mozes, dat zo straalde dat hij het met een deksel bedekte! Denk aan het gezicht van Stefanus, toen zij naar hem keken en zagen dat het was als het aangezicht van een engel! Denk aan onze Heere, Die zo van gedaante veranderde dat Hij witter was dan een voller op aarde iets kan maken!

Dat waren slechts voorbijgaande stralen en glimpen van de zalige heerlijkheid die binnenkort ieder van de gezegenden zal omringen. Mijn broeders, misschien zal het voor u een plotselinge verandering zijn. Vorige zondag zat onze zuster hier; deze zondag zit zij daar in de hemel! Ook anderen zijn deze week naar huis gegaan. Ik denk dat er week na week ongeveer twee mensen uit deze gemeente sterven, bijna even regelmatig als ik op deze kansel kom. Zo smelt u de een na de ander weg en verdwijnt u. Maar wat een gezegende gedachte, als u verdwijnt om voor eeuwig in de hemel te stralen!

Welnu, laat de verandering maar plotseling komen. Er is veel te benijden aan een plotselinge dood. Ik heb nooit kunnen begrijpen waarom in de litanie is opgenomen: ‘Van een plotselinge dood, goede Heere, verlos ons.’ O broeders en zusters, moge God ons een plotselinge dood zenden, als we maar voorbereid zijn, want dan blijft ons de pijn van ziekte bij het geleidelijk afbreken van het lichaam bespaard! Het moet iets wenselijks zijn, een uitgelezen gunst die God alleen aan sommigen van Zijn bijzonder geliefden geeft; iets om voor te bidden, niet om tegen te bidden! Nu, het kan plotseling komen! Maar dit geldt ervoor: als we in Christus zijn, laat het dan maar plotseling komen, want we zijn volkomen voorbereid.

‘En gij zijt in Hem volmaakt.’ ‘Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.’ ‘En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid.’ De dood heeft al zijn verschrikking verloren voor u die in Christus bent. En er is één heel zoete gedachte voor mij: hoewel het een verandering is, is het de laatste verandering. Ere zij God, als we eenmaal veranderd zijn naar het beeld van Christus, komt er geen verandering meer! Er zullen geen veranderingen meer zijn, maar onsterfelijkheid voor altijd!

‘Voor eeuwig bij de Heere.’
Waar wij goed aan kunnen toevoegen:
‘Amen! Zo zij het.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

O u die geen hoop op Jezus hebt, de dood moet voor u wel heel somber zijn! Hij dooft uw kaars en laat u voor altijd in het duister achter. Maar u die door de goddelijke genade een goede hoop hebt en uw huis op de Rots hebt gebouwd, u mag met blijdschap uitzien naar het einde van uw vastgestelde dagen. U mag met blijdschap wachten totdat uw verandering komt, en God loven dat zij op haar vastgestelde tijd zal komen. En wanneer zij komt, zal het in alle opzichten een verandering ten goede voor u zijn: een verandering die nooit door een andere verandering zal worden gevolgd, een verandering die u voor eeuwig en altijd aan uw Heere gelijk zal maken!
Moge God Zijn zegen geven! Amen.[/vc_column_text][/vc_column][/vc_row]

Preek nr. 764 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 4 augustus 1867, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 13. Oorspronkelijke titel: “Our Life, Our Work, Our Change”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content