Martha en Maria

Een preek in druk gepubliceerd op donderdag 29 juli 1915. Uitgesproken door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Jezus antwoordde en zei tegen haar: Martha, Martha, u bent bezorgd en maakt u druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig. Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat niet van haar zal worden afgenomen. Lukas 10:41-42

Ik stel me voor dat ik de Man van Smarten zie terwijl Hij over de hoofdweg trekt, vergezeld door Zijn weinige vrienden en discipelen. Waar zal Hij zich kunnen verfrissen wanneer de tijd is gekomen om Zijn inspanningen te staken en te eten? Waar is Zijn huis? De Grote Profeet heeft toch zeker wel een plek om uit te rusten? Helaas, Hij heeft er geen. “Vossen hebben holen en de vogels in de lucht hebben nesten, maar de Mensenzoon heeft geen plaats om Zijn hoofd neer te leggen.”

Wat Hij echter niet zelf heeft, zullen Zijn vrienden Hem verschaffen. Martha, een discipel – geen volwaardige, maar iemand die iets van de waarheid begon te leren – ontmoet Hem aan de deur van haar huis, bij de ingang van het dorp Betanië, en nodigt Hem uit binnen te komen. Jezus Christus, die vaak een uitnodiging van een vijand had aangenomen, nam die van een vriend graag aan. Daarom gaat Hij het huis binnen, samen met Zijn vriend Lazarus, en neemt plaats.

Zodra Hij zit, met Zijn discipelen om Zich heen, begint Hij te prediken. Een preek is niet minder waardevol omdat zij in een privéwoning wordt gehouden. Martha en Maria luisteren naar Hem. Luisteren, zei ik? Maria gaat aan Zijn voeten zitten; en Martha, die even heeft geluisterd, herinnert zich dat zij vele huishoudelijke taken heeft. Het avondmaal moet worden klaargemaakt, dus begeeft zij zich naar een andere kamer en houdt zich bezig met de noodzakelijke voorbereidingen.

Zij heeft echter wat extra hulp nodig. Daarom keert zij terug naar de kamer en ziet Maria nog steeds aan Jezus’ voeten zitten. Martha lijkt nogal geïrriteerd en wendt zich tot Jezus: “Kan het U niets schelen dat mijn zuster mij alleen laat dienen?” Zij hoopt dat de Meester Maria zal berispen, maar in plaats daarvan neemt Hij haar juist in bescherming en spreekt Hij een milde terechtwijzing uit tegen Martha wanneer Hij zegt: “Martha, Martha, u bent bezorgd en verontrust over vele dingen; maar één ding is nodig. Maria heeft het goede deel gekozen, en dat zal haar niet worden ontnomen.”

Deze korte woordenwisseling moet Martha hebben verrast. Zij had niet verwacht dat de situatie erop zou uitdraaien dat zijzelf werd berispt en Maria werd geprezen. Toch was dat precies wat er gebeurde. Dit voorval kan ons, naar mijn mening, een nuttige les leren. Laten we eens zien of we die kunnen ontdekken.

I. WE ZULLEN EERST DE ZAAK VAN MARTHA BEKIJKEN.

Er is geen reden om haar iets ernstigs te verwijten. Martha was een goede vrouw. De Heere hield van Martha, van haar zuster Maria en van Lazarus. Aangezien Hij Marthas karakter waardeerde, past het ons niet om dat te kleineren.

Martha was een uitstekende huisvrouw; misschien een beetje te pietluttig – ik ken geen beter woord dan: een beetje te nauwgezet in de details. Zij maakte zich zorgen en ergerde zich over huishoudelijke zaken, zoals het dekken van de tafel en het serveren van de maaltijd. Misschien was zij wat al te geneigd haar gemoedsrust te laten verstoren door haar nauwgezetheid. Toch was zij een bewonderenswaardige vrouw, iemand die haar huis goed op orde hield. Het is geen geringe zegen, vooral voor een werkende man, om een Martha als vrouw te hebben: iemand die haar huishouden goed regelt.

Dit is inderdaad zo prijzenswaardig bij christelijke vrouwen dat de apostel terecht kon zeggen: “Laat hen eerst leren vroomheid te betonen in hun eigen huis.” Als de kousen van uw kinderen niet gestopt zijn, als hun kleren niet gerepareerd zijn, als de knopen niet op tijd aan hun kleding worden gezet, dan zou ik niet veel waarde hechten aan uw christelijke voorbeeld. Een huisvrouw moet op zulke details letten, en boven alle anderen behoort de vrouw wier hart recht is voor de Heer, ordelijk en ijverig te zijn.

Ik zie dat een of twee vrienden glimlachen. Laat hen maar glimlachen als zij dat willen. Ik hoop alleen dat zij mijn eenvoudige advies ter harte nemen en hun huishoudelijke taken trouw vervullen. Dan zullen zij hun echtgenoten met tevredenheid laten glimlachen en zal hun gezin er vrolijker uitzien. Als zij ongelovige echtgenoten hebben, zal dit bovendien de godsdienst in een gunstiger daglicht stellen en haar in hun achting doen stijgen.

In welk opzicht was Martha dan schuldig? Welnu, hoewel zij enige kritiek kreeg, ziet u dat Jezus haar niet streng berispte. Zijn woorden zijn juist heel vriendelijk: “Martha, Martha.” Wij spreken vrouwen niet zo vertrouwelijk bij hun voornaam aan, tenzij wij zeer intiem met hen zijn. Ik zou het niet wagen u bij uw voornaam te noemen, omdat ik u niet goed genoeg ken. Dat doen wij alleen bij vrienden en familieleden. Op de vriendelijkste wijze, en met grote vertrouwelijkheid, zei Jezus daarom: “Martha, Martha, u bent bezorgd en maakt u druk over vele dingen.”

Dat was eigenlijk alles wat Hij zei. Hij wees slechts op het feit en uitte nog niet half zoveel kritiek als Martha zelf op haar zuster Maria had geuit. Wat was dan haar fout? Welnu, wij denken dat het precies hierin lag.

De Heere Jezus Christus kwam niet vaak naar die streek om te prediken. Hij had een uitgestrekt gebied om te bedienen; Hij was een rondreizende bisschop voor het hele land. Het leek inderdaad alsof Martha Zijn bediening enigszins veronachtzaamde, doordat zij meer aandacht besteedde aan de bereiding van vlees en het opdienen van gerechten dan aan dat rijke voedsel – het brood dat uit de hemel was neergedaald – dat Hij hun schonk.

Geliefde broeders, als er slechts af en toe een prediker tot ons kwam, dan zou het Woord van God ons zó kostbaar worden dat het ons wellicht vergeven kon worden als wij enkele gezinszaken verwaarloosden om ernaar te luisteren. Maar Martha, ziet u, stelde haar huishoudelijke bezigheden enigszins boven het kostbare Woord van Christus. Bovendien lijkt zij haar geloof meer te hebben opgevat als iets wat zij voor Christus moest doen, dan als het ontvangen van dat ene noodzakelijke dat zij van Hem nodig had. Aan zulke mensen ontbreekt het tegenwoordig niet. Ik vertrouw dat zij in het geloof staan, al zijn zij nog slechts kinderen in de genade.

Hun praktische vroomheid bestaat grotendeels uit wat zij voor Christus zouden moeten doen en wat Hij van hen verwacht, in plaats van vanuit het heerlijke besef dat sommige gelovigen hebben van wat Jezus voor hen heeft gedaan. Ik ben ervan overtuigd dat wat ik nu voor Christus kan doen zeer weinig is, en dat het een onbeduidende zaak is om al mijn gedachten daarop te richten. Maar wat Hij voor mij heeft gedaan, is zo verbazingwekkend, zo ongeëvenaard, zo onuitsprekelijk en zo wonderbaarlijk dat ik daar het grootste deel van mijn aandacht aan zou moeten wijden.

Soms ren ik misschien net als Martha rond om te doen wat Christus van mij verlangt; maar ik denk dat ik vaker bij Maria zou moeten zitten om van Christus te ontvangen wat ik van Hem nodig heb.

Uw geloof is niet echt sterk als het uitsluitend gericht is op uw eigen praktijk en niet op het volbrachte en volmaakte werk van Christus. Er zal op zijn minst een neiging tot wetticisme in u aanwezig zijn, en die neiging is zo gevaarlijk dat zij moet worden bestraft. Hoewel ik dit zo zachtmoedig mogelijk wil bestraffen, moet het niettemin met enige strengheid gebeuren, opdat u standvastig in het geloof mag worden. Martha, Martha, Christus heeft u lang niet zo hard nodig als u Hem nodig hebt.

Het is gepast en juist dat u nadenkt over hoe u tijd kunt vrijmaken om het huis van gebed te bezoeken, hoe u uw kinderen volgens de leefregels en instructies van de Heere zult opvoeden, en hoe u een deel van uw geld kunt reserveren om aan de armen of aan de Kerk van Christus te geven. Al deze dingen zijn juist; het is goed dat u ze doet. Maar o, vergeet niet dat Christus veel meer voor u heeft gedaan.

Laat uw gedachten gericht zijn op Zijn kruis, op Zijn leven en op Zijn dood, anders zult u een farizeeër worden. Ach, Martha, u zult gaan denken dat u door uw eigen daden wordt gered; en als u dat ooit gaat denken, dan is het geheel met u gedaan. Dit was een van Martha’s fouten. Zij leek zich meer zorgen te maken over wat zij voor Christus moest doen, dan werkelijk dankbaar te zijn voor wat Christus voor haar had gedaan.

Ziet u, dit bracht haar tot piekeren, en dat is altijd verkeerd. Ze begon prikkelbaar te worden en zich te ergeren. O, ze wilde een prachtig feestmaal voor Christus bereiden. Ze had het mooiste servies tevoorschijn gehaald en wilde dat de maaltijd op de meest verfijnde wijze werd geserveerd. Voor iemand als haar Heere wilde zij niets anders op tafel hebben dan het allerbeste.

Tot dusver had zij gelijk gehad, en dat siert haar. Maar omdat kleine tegenslagen vaak grote ergernis veroorzaken, raakte zij innerlijk van streek en raakte haar gemoed van slag. En zo maakte zij zich zorgen en raakte zij geïrriteerd, waardoor de dag die vol vreugde en zonneschijn had moeten zijn — omdat Christus was gekomen — veranderde in een dag vol zorgen en haast, die haar gedachten afleidden en haar zenuwen zwaar onder druk zetten. Dat is verkeerd en betreurenswaardig.

Onthoud, christen: wat u ook te doen staat, u behoort al uw zorgen te werpen op Hem, Die voor u zorgt. Wees in niets bezorgd, maar laat in alles door gebed en smeking uw verlangens bekend worden bij God. U behoort bedachtzaam, ijverig en verstandig te zijn; maar u moet angstige, knagende en kwelling veroorzakende zorgen zo snel mogelijk uit uw huis verbannen. Anders zult u uw Meester horen zeggen: “Martha, Martha, u bent bezorgd en maakt u druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig.”

U mag zich niet druk maken over kleinigheden, u niet laten provoceren door anderen en niet onrustig worden over uzelf. Uw gepieker maakt de zaken niet beter; uw opvliegendheid zal de gang van zaken niet soepeler laten verlopen. Wees kalm. Wees rustig. Wees geduldig. Dan zal de vele arbeid die u verricht de rust van uw geest niet verstoren. Hoewel er misschien veel dingen gedaan moeten worden, kan de zware last van de zorgen aanzienlijk worden verlicht, zo niet geheel worden vermeden.

Het volgende punt van kritiek op Martha was dat zij, hoewel zij zelf oprecht bezig was met het dienen van de Heere, haar geliefde zuster Maria begon te berispen. ,Sommige mensen zijn van nature veroordelend en geneigd tot kritiek; anderen beginnen onder invloed van heftige emoties te bekritiseren, te veroordelen en beschuldigingen te uiten.

Nee, Martha, u hebt niet het recht om over Maria te oordelen. U doet wat u juist acht; zij doet wat zij juist acht. Laat haar met rust. Ik ken een paar ijverige jonge mannen die graag zouden zien dat iedereen net zo ijverig was als zij. Dat zou ik ook graag willen. Maar er zijn nu eenmaal christenen die, vanwege hun zwakheid, niet in staat zijn om evenveel te doen. Sommige van deze jonge mannen raken daarover geïrriteerd en spreken soms zelfs respectloos over hen. Dat is niet juist.

U mag geen oordeel vellen over de dienaar van een ander; hij zal voor zijn eigen Meester worden beoordeeld. Martha, Martha, Martha, het is niet aan u om Maria verwijten te maken. En u, drukbezette christenen, u goede en ijverige mensen, die zoveel voor Jezus doen en graag nog meer zouden willen doen — wordt u soms niet boos omdat anderen niet zo ijverig zijn als u?

Laat een slecht humeur nooit vermengd raken met ernst, want het zal zijn als een dode vlieg in een pot zalf: het bederft het geheel. Wees niet overhaast, Martha, in uw oordeel over Maria. Ik vrees ook dat Martha haar Heere enigszins veroordeelde. Was dat niet hard van u? Laten wij haar eigen woorden lezen, opdat ik haar geen onrecht aandoe: “Heere, trekt U het Zich niet aan dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg toch tegen haar dat zij mij helpt.” Was dat niet onvriendelijk om te zeggen? “Heere, trekt U het Zich niet aan?”

Natuurlijk gaf Hij om ieder van hen afzonderlijk. Er was geen enkele zorg van hen die Hij niet al in hun plaats had gedragen. Hij wilde al hun lasten dragen; Hij wilde al hun lijden verlichten. En juist met dat doel was Hij in deze wereld gekomen: om hen met Zijn bloed te verlossen. Het was hard om te zeggen: “Heere, trekt U het Zich niet aan?”

Zo gaat het ook met sommige christenen. Zij richten hun blik niet genoeg op het werk van Christus en zijn veel te druk bezig met het werk voor Christus. Daardoor komen zij er zelfs toe verwijten te maken aan de Meester Zelf. Deze oudere broeders — en Martha was, zoals u weet, een oudere zuster — zeggen: “Zie, al die jaren heb ik U gediend en heb ik nooit Uw gebod overtreden; en toch hebt U mij nooit een geitje gegeven om het met mijn vrienden te vieren. Maar zodra deze zoon van U terugkeerde, die Uw rijkdom aan prostituees verspilde, hebt U voor hem het gemeste kalf geslacht.” Dat is een slechte gedachte — een zeer slechte gedachte.

Enige tijd geleden hoorde ik over een man die zichzelf een dienaar van Christus noemde. Hij zei dat hij niet in opwekkingen geloofde en geen reden zag om in theaterzalen te prediken. Want, zoals hij het zelf formuleerde: “Als God van plan is de Kerk te zegenen, dan spreekt het voor zich dat Hij eerst die mensen zal redden die gewoonlijk een gebedshuis bezoeken, en niet het gespuis.” Welnu, die opmerking beviel mij niet. Ik hoop dat hij een goed mens was, maar ik ben er zeker van dat hij uit verkeerde motieven handelde. En Martha sprak in dezelfde trant.

Zij leek te denken: “Ik heb van alles gedaan. Ik ben druk en bezorgd geweest en heb geen rust genomen. Niemand weet hoe hard ik gewerkt heb — met mijn eigen handen én door toezicht te houden op het werk van anderen. Ik ben de trap op en af gehaast, terwijl alle zware arbeid en alle verantwoordelijkheid op mij rustten. En toch zit Maria hier maar, zonder iets te doen, en Christus is even tevreden met haar alsof zij duizend dingen had gedaan.”

Ik denk dat Christus daarom zei: ‘Martha, Martha, u bent bezorgd en maakt u druk over veel dingen,’ waarmee Hij deze verkeerde gemoedstoestand terechtwees – een gemoedstoestand die, wanneer deze zich manifesteert, altijd verwerpelijk en schadelijk is.

Om af te sluiten met Martha — ik hoop dat wij niet te streng zijn geweest in ons oordeel over haar gedrag, of te kritisch over haar karakter — zij kan gebruikt worden als een beeld van de eigengerechtige mens. Misschien zijn er hier wel zulke mensen. Misschien bevindt zich onder u een Johannes of een Jakobus die zegt: “Ik ga zeer trouw naar mijn gebedshuis; ik leid mijn huishouden op ordelijke wijze; ik voer mijn zaken eerlijk en integer; ik geef aan de armen; ik draag bij aan liefdadigheidsinstellingen; ik zet mij in voor liefdadigheidswerk,” enzovoort. Ach, vrienden, u behoort dan tot degenen die veel doen, maar langs die weg zult u nooit de hemel bereiken. Eén ding is noodzakelijk, en dat is de volbrachte gerechtigheid van Christus.

Of misschien is er een Martha — een goede vrouw van wie ik meen te hebben horen zeggen: “Welnu, ik heb mijn kinderen op voortreffelijke wijze opgevoed; ik heb mij altijd zo gedragen dat de buren mij een goed karakter toekennen; ik heb mijn godsdienstige plichten nooit verzaakt; dus vertrouw ik erop dat ik naar de hemel zal gaan.” Ach, Martha, Martha! Juist die goede dingen van u zullen uw ondergang worden; u kunt er de hemel niet mee bereiken. Eén ding is noodzakelijk, en dat ene ding is de volmaakte gerechtigheid van Jezus. Laat deze mooie dingen, die u nu juist belemmeren, achter u en kom tot Jezus precies zoals u bent; dan zult u het goede deel ontvangen dat u niet kan worden ontnomen.

Toch zou het te hard zijn om Martha uitsluitend af te schilderen als een toonbeeld van zelfingenomenheid. Ik wil nu slechts opmerken dat zij soms eenvoudigweg is zoals velen van ons ook zijn. Wanneer de predikant de preekstoel betreedt, voelt hij soms — ikzelf in ieder geval wel — grote bezorgdheid over de vrienden die moeten staan, over de verlichting, over de tocht, en over tal van andere kleine zaken. Vaak verwijt ik mijzelf dat ik me zo gemakkelijk door allerlei dingen laat afleiden. In plaats van als Martha te zijn, zou de predikant als Maria moeten zijn: zittend aan de voeten van Jezus, zijn volle aandacht richtend op de woorden van de Meester.

Hetzelfde geldt maar al te vaak voor diakenen en ouderlingen. Zij denken wellicht na over hoe alles geregeld kan worden tot welzijn en gemak van de gemeente, en zijn vervuld van bezorgdheid dat alles goed zal verlopen, vooral tijdens bijzondere diensten. Ook zij worden blootgesteld aan dezelfde verleiding als Martha. Ik durf te zeggen, mijn geliefde broeders die bij het Heilig Avondmaal het brood en de beker ronddragen, dat ook u soms ervaart dat u iets van Maria’s rust mist en iets van Martha’s zorgen overneemt bij het verzorgen van die heilige dienst. Misschien zou u liever, net als Maria, rustig in uw kerkbank zitten om van het feest te genieten, dan als Martha de tafels te bedienen.

Anderen onder u denken aan uw kinderen, uw zonen en uw dochters. Terwijl u vurig bidt dat de Heere Zijn Woord aan hun zielen wil zegenen, kunt u soms zo door zorg worden bevangen dat u op Martha gaat lijken. O, het zou goed voor u zijn wanneer u de houding van Maria mocht aannemen: zittend aan de voeten van de Zaligmaker, diep eerbiedig en toch vertrouwelijk in de omgang met uw gezegende Heere — vervuld van ontzag voor Zijn tegenwoordigheid, verblijd door Zijn glimlach, geraakt door Zijn Woord, verheugd in Zijn stem, en elk zacht woord opvangend dat van Zijn goddelijke lippen komt. In Hem vindt u genoeg om uw ziel te vervullen met heilige liefde; u mag Hem voor u laten zorgen, terwijl uw verlangen slechts is om aan Zijn voeten te zitten en van Hem te leren — op een plaats waar geen afkeurende blik of haastig woord van Martha u kan bewegen om weg te gaan.

II. LATEN WE NU EENS KIJKEN NAAR HET KARAKTER VAN MARIA, en zien of we daar iets uit kunnen halen dat we in de praktijk kunnen toepassen.

Denk alstublieft niet dat Maria lui was, of dat zij liever naar preken luisterde dan haar werk te doen. Bij een andere gelegenheid bewees zij juist het tegendeel: zij hield haar dienstbaarheid niet achter en was evenmin zuinig met haar bezittingen, want zij zalfde het hoofd van onze Heere. Daarmee toonde zij dat zij een offer niet schuwde; zij deed voor Jezus wat slechts één ander ooit heeft gedaan — zij zalfde Hem.

Dit was nu juist het kenmerk van Maria’s karakter — moge het ook in u en mij gevonden worden — dat zij meer zorg droeg voor haar ziel dan voor het lichaam. Zij had er werkelijk behagen in te drinken van het levende water dat Christus geeft aan allen die dorst hebben. Zij hield zich bezig met dat ene noodzakelijke.

Helaas deelt de wereld die overtuiging niet en beschouwt zij de zorg voor de ziel niet als het enige noodzakelijke. Zoals een oude schrijver treffend opmerkte: “De wereld denkt dat dit juist het enige is dat overbodig is.” Men meent zonder godsdienst te kunnen leven, omdat die volgens velen slechts een last is. Sommigen hebben wij zelfs horen zeggen dat geld het enige noodzakelijke is. Zij verachten de godsdienst en zoeken hun schat in ijdelheden die vergaan bij het gebruik, en hun vreugde in aardse dingen die voorbijgaan als een kabbelende stroom of als de wisseling van de seizoenen.

Geloof is het enige dat voor ons allen noodzakelijk is. Het is ook het enige dat de predikant nodig heeft. Zonder een oprecht godsdienstig geloof in zijn hart is hij een bedrieger; hij heeft een taak op zich genomen waarvoor de Meester hem nooit heeft gezonden — een verantwoordelijkheid die zijn ziel dieper zal verpletteren dan de diepste diepte van de hel. Heere, wees de predikanten genadig die het aandurven te verkondigen wat zij zelf nooit hebben ervaren.

Maar een geloof is ook het enige dat de toehoorders nodig hebben — zo noodzakelijk zelfs, dat wanneer zij het niet bezitten, alle preken en gebeden ter wereld slechts brandstof voor hun veroordeling zullen zijn.

Mijn geliefde toehoorders, u moet ertoe gebracht worden Christus met beide handen aan te grijpen; anders zullen uiterlijke tekenen en belijdenissen, formaliteit en zedelijkheid, geloften en offergaven uw geweten slechts in slaap sussen, uw hoop ondermijnen en uiteindelijk uitlopen op diepe wanhoop.

Ware godsdienst is ook het enige noodzakelijke voor de ouderen. Ik zie hier sommigen wier kalende hoofden en grijze haren hen eraan herinneren dat zij het graf naderen. Ach, mijn bejaarde vriend, wat zult u doen? Waar zult u spoedig zijn, als u geen Verlosser hebt op Wie u kunt vertrouwen? Hoe zult u standhouden in de woelige wateren van de Jordaan, als er geen vriendelijke stem naast u is die zegt: “Wees niet bevreesd, want Ik ben met u, wees niet verschrikt, want Ik ben uw God”?

Evenzeer is dit het enige noodzakelijke voor mensen van middelbare leeftijd, die gebukt gaan onder zorgen en zwoegen van de vroege morgen tot de late avond, zoals sommigen van u doen. Als u de genade van God niet in uw hart draagt en de troost van de Heilige Geest niet uit eigen ervaring kent, wat zult u dan doen? U zult uw kinderen opvoeden ten dienste van de zonde; u zult zelf werktuigen van ongerechtigheid zijn; en al uw arbeid zal u uiteindelijk slechts het loon van diepe droefheid en bittere weeklacht opleveren. Uw leven zal eindigen in een bestaan vol spijt. En hoe noodzakelijk is ware godsvrucht voor de jongeren! Zij maakt de jongeman wijs en het meisje rein.

“Een bloem die in haar knop wordt opgedragen, is geen verspilde offerande.”

Wij moeten niet wachten tot wij oud en zwak zijn geworden, om dan de blinden en de verlamden als offer aan God te brengen. Laten wij Hem de jonge stier brengen; laten wij Hem de lammeren van één jaar oud offeren. Omdat sommigen sterven in de bloei van hun leven, laten wij ons dan bekeren terwijl wij nog jong zijn en in Jezus geloven zolang de kracht en schoonheid van de lente ons nog bezielen. Want in Hem geloven is het ene noodzakelijke.

Er zijn andere dingen, zult u mij misschien zeggen, die ook noodzakelijk zijn. Ik antwoord: ja, maar dit is het noodzakelijke bij uitstek — het ene dat voor iedereen en in alle omstandigheden noodzakelijk is.

Stelt u zich eens een man voor in de dodencel van Newgate Prison. Daar zit hij, druk bezig met het schrijven van brieven. Hij zal sterven als misdadiger, en omdat hij weet dat zijn dood zijn familie diep zal treffen, doet hij wat hem op dat moment het beste lijkt: hij schrijft troostbrieven en probeert zijn kleine zaken op orde te brengen.

Dan komt de boodschapper van de koning binnen en zegt tegen hem — maar de man is te druk om te luisteren: “Ik breng u de volledige gratie van Zijne Majesteit.” De man antwoordt: “Ik kan u nu geen aandacht schenken, ik kan u nu geen aandacht schenken; ik moet een brief aan mijn vrouw schrijven.” En hij gaat verder met schrijven.

Even later wordt hij opnieuw onderbroken met het bericht van de volledige gratie van Zijne Majesteit. “Ik kan daar nu geen aandacht aan besteden,” zegt hij. “Ik moet mijn kinderen schrijven, want aanstaande maandag zal ik sterven.” En opnieuw gaat hij verder met schrijven. Ziet u nu niet in dat, als die man slechts even zou stilstaan en nadenken, die volledige gratie hem oneindig meer zou betekenen dan al zijn brieven samen? Als hij die genade maar zou aannemen, zou hij zich daarna rustig met al het andere kunnen bezighouden.

Zo is het ook met het geloof. God biedt u volledige vergeving aan, maar u zegt: “O, ik heb andere zaken die mijn aandacht vragen.” Ik zeg u: die zaken kunnen wachten. Nu de engel van barmhartigheid naast u staat en u vrije vergeving aanbiedt, smeek ik u: grijp dat ene noodzakelijke aan en laat de andere dingen voor later.

Stelt u zich nu een schipbreuk voor, daar in de verte, midden op de woeste, zoute zee. Op dat wrak bevinden zich mannen die zo uitgehongerd zijn dat hun botten zichtbaar zijn door hun huid heen. Zij hebben een vlag aan een mast gehesen als noodsignaal. Die arme schepsels hebben nauwelijks nog kleding. De zoute golven slaan onophoudelijk over hen heen, en ’s nachts verkeren zij op het randje van bevriezing. Alleen door dicht tegen elkaar aan te kruipen weten zij nog in leven te blijven.

U zegt mij dat deze mensen duizend dingen nodig hebben. Zij hebben voedsel nodig om weer op krachten te komen; zij verlangen naar hun vrienden en hun vaderland, naar hun gezinnen en hun huizen; en zij hebben schone, droge kleding nodig. Ja, al die dingen hebben zij nodig — maar één ding is boven alles noodzakelijk: zij hebben een schip nodig dat hen komt redden. Als zij slechts een schip in de verte zien en dat schip hun kant op komt, dan hebben zij in wezen alles wat zij nodig hebben.

En zo is het ook met u, die op zoek bent naar brood, naar zekerheid, naar uw gezin en naar zoveel andere dingen. O, dat is op zichzelf niet verkeerd. Maar zolang u op dat vlot zit en dreigt te verdrinken, hebt u boven alles Christus nodig — Christus, die als een vriendelijk zeil in de verte verschijnt, tot u komt om u te redden en bereid is u onmiddellijk aan boord te nemen en u alles te geven wat u nodig hebt.

Eén ding is noodzakelijk. O, Johanna, moge u zich daaraan vasthouden; en Jan, Thomas, Willem en Margriet — ja, ieder van u — doe hetzelfde.

Laat andere zaken voorlopig rusten. U weet dat u kunt werken én bidden. U kunt uw dagelijkse bezigheden voortzetten en toch geloof in Christus hebben. Dat hoeft uw huishoudelijke zorgen niet in de weg te staan. Maar doe, ik smeek u, Maria na door het allerbelangrijkste te grijpen — dat ene absoluut noodzakelijke: een levend geloof in een levende Verlosser.

Dit was de eerste reden waarom Maria werd geprezen: zij greep het ene noodzakelijke. Het tweede waarvoor zij werd geprezen, was dit: het was haar eigen keuze. “Maria heeft het goede deel gekozen.” Sommige van onze kritische vrienden zullen zeggen: “Ah! Gaat u nu over de vrije wil preken en ons vertellen dat dit de beste keuze van de mens is?” O, broeders, u weet hoe ik over de menselijke wil denk: ik beschouw die als een slaaf, gebonden in ijzeren ketenen.

Maar God verhoede dat ik de Schrift zou aanpassen aan iemands leer — zelfs niet aan mijn eigen opvattingen. Maria heeft inderdaad het betere deel gekozen, en ieder mens die gered wordt, kiest ervoor om gered te worden. Ik weet dat achter die keuze, en als oorzaak van die keuze, Gods verkiezing ligt. Maar toch werkt Gods genade altijd in het hart van de mens.

Niemand wordt met geweld de hemel binnengetrokken. Niemand komt ooit tegen zijn wil tot Christus. De ziel moet gewillig gemaakt worden op de dag van Gods kracht. Juist daarin schittert de triomf van Gods genade: niet dat Hij mensen naar de hemel brengt zoals men machines zou verplaatsen, maar dat Hij krachtig inwerkt op de menselijke geest, die geest even vrij laat als hij ooit was, en hem toch volkomen gewillig maakt om Zijn wil te doen. Maria kiest. God had haar van eeuwigheid gekozen — en daarom kiest zij Hem.

“Omdat Hij mij al vóór de grondlegging van de wereld heeft uitverkoren, kies ik nu, in antwoord op Zijn genade, voor Hem.”

Laten wij ons nu eerlijk afvragen — want ons komt geen lof toe — of wij werkelijk voor Christus hebben gekozen. Hebben wij gekozen voor Zijn zaak, voor Zijn waarheid en voor Zijn kruis? Als uw geloof voor u geen bewuste en weloverwogen keuze is, vrees ik dat het weinig waarde heeft. Als u een godsdienst aanhangt omdat het nu eenmaal zo hoort; als u haar volgt uit noodzaak, uit plichtsbesef, uit angst of louter uit gewoonte, dan vrees ik dat uw godsdienst, wanneer zij op de weegschaal wordt gelegd, tekort zal blijken te schieten. Het moet voor u een plechtige en weloverwogen keuze zijn.

Wat zou uw keuze vandaag zijn? Stel dat de genoegens van deze wereld in al hun aantrekkelijkheid aan u werden voorgehouden. Aan de ene kant alle vreugde die de zintuigen kan strelen: muziek die het oor betovert, geuren die de zintuigen prikkelen, verfijnde smaken voor de mond en prachtige landschappen voor het oog. En aan de andere kant Christus en Zijn kruis. Wat zou u dan kiezen?

Ik weet wat sommigen van u hebben gekozen — moge God uw keuze veranderen. Maar ik vertrouw erop dat er hier ook mensen zijn die kunnen zeggen: “Kiezen? Ik heb eens en voor altijd voor Christus gekozen. Ik heb de prijs berekend en ik acht de smaad van Christus waardevoller dan alle schatten van Egypte.” Zulken worden geprezen.

Christus spreekt met tedere liefde tot hen wanneer Hij zegt: “Maria heeft het beste deel gekozen, en dat zal haar niet worden ontnomen.” Maria werd ook geprezen omdat zij het beste deel had gekozen. Christus kennen is goed — goed in de volste betekenis van het woord. Het is goed voor onszelf, goed tegenover God en goed tegenover onze naaste. Het brengt troost en vormt ons tot een heilig leven.

Niemand die eerlijk oordeelt, kan iets tegen de ware godsdienst inbrengen. Zelfs een rechter in de rechtszaal zal niet durven ontkennen dat het goed is om een nieuw hart en een oprechte geest te bezitten. De ware godsdienst omvat alles wat lieflijk en eervol is, alles wat onder mensen hooggeacht wordt en in Gods ogen welgevallig is.

O, Maria! Nu u uw Martha-zorgen hebt losgelaten en u volledig aan Jezus hebt toevertrouwd, mag dit uw diepe vreugde zijn: u hebt niet alleen het goede gekozen, maar het allerbeste van al het goede — een goed dat met niets anders te vergelijken is.

Er blijft nog één laatste lofbetuiging over, en daarmee sluiten wij af. Maria had gekozen voor datgene wat haar nooit ontnomen kon worden. Van de vele dingen waarop wij trots zijn of waaraan wij vreugde ontlenen, zijn er maar weinig die ons niet kunnen worden afgenomen. Misschien hebben wij een goede naam, maar een lasteraar kan die door leugens voor een tijd van ons afnemen.

Wij hebben een huis, maar vuur kan het verteren en niets achterlaten dan een hoop as. Wij hebben een geliefde echtgenote, maar de onverbiddelijke dood kan haar uit onze armen wegnemen en in het graf leggen. Wij hebben geliefde kinderen, de vreugde van onze ogen, maar wij weten dat het woord ‘sterfelijk’ op hun voorhoofd geschreven staat. Wij hebben vrienden met wie wij innig verbonden zijn en met wie wij diepe gemeenschap ervaren, maar ook zij vallen één voor één weg.

“Wie heeft er nog nooit een vriend verloren?“

Wij beschikken over vele zegeningen en gemakken die ons door tegenspoed in een enkel ogenblik kunnen worden ontnomen. Mensen die ooit hoog in aanzien stonden, worden vaak snel vergeten — soms zelfs door degenen die het dichtst bij hen stonden. Hun beste vrienden herkennen hen nauwelijks meer wanneer zij in armoede zijn geraakt. Rijkdom krijgt vleugels en vliegt weg. Alles wat wij op aarde bezitten, kan ons worden ontnomen.

De arme man denkt misschien dat hij aan dit gevaar ontsnapt, omdat hij geen rijkdom bezit die hem kan worden afgenomen. Maar ook hij bezit andere dingen dan zilver en goud — dingen die bij dit aardse leven horen — en ook die zullen hem uiteindelijk worden ontnomen. En uiteindelijk komt de grootste rover van allen: de dood, de verwoester.

Wanneer hij ons zwak aantreft, uitgestrekt op ons bed en volkomen hulpeloos, zal hij alles van ons afnemen. Hij zal het goud van de gierigaard grijpen. Hoe krampachtig die het ook probeert vast te houden, de dood zal het uit zijn stervende hand rukken. Hij zal de stervende beroven van zijn dierbare vrienden, van zijn echtgenote en van zijn kinderen.

Door zijn ogen te sluiten, ontneemt hij hem voorgoed het zicht op alles om hem heen. Door zijn oren te sluiten en te verzegelen, zal hij nooit meer de stem van liefdevolle troost horen. Door zijn hart aan te raken en de hartslag stil te zetten, zal elk verlangen ophouden. Alles zal hem worden ontnomen.

Maar er is één ding — o, mochten wij dat kiezen — één ding dat noch het leven noch de dood ons kan afnemen.

Dat is het goede deel:

  • een levende hoop in Jezus,
  • een waar geloof in Jezus,
  • een volmaakte liefde tot Jezus,
  • en een levende eenheid met Jezus.

Kom maar, dood — u mag grijpen, maar u kunt niet wegnemen wat Jezus in Zijn levende handen vasthoudt. Kom maar, machten van de hel — u mag proberen deze juwelen van mij weg te rukken, maar—

“Hij is sterker dan de dood of de hel, Zijn majesteit is niet te bevatten.“

Hij trotseert de machten van de duisternis en weerstaat hij al hun woede. Deze dingen kunnen u niet worden ontnomen. Ik meen u door dat donkere dal te zien gaan. Twijfels, als bendes rovers, proberen u te overvallen en te vernietigen, maar zij kunnen uw juwelen niet van u afnemen. Dan komt de grote rover: Diabolus, de oude aanklager van de broeders. Hij tast naar uw schatten en weet misschien een deel van uw troost weg te nemen, maar uw geloof kan hij niet roven. De woeste honden van de hel huilen om u heen alsof zij u willen verscheuren, maar ook zij kunnen u uw goede deel niet ontnemen.

Ik meen u te zien in die rivier, wanneer het water tot aan uw kin stijgt en u op het punt staat te roepen: “Ik zink weg in diepe modder, waar geen grond is om op te staan.” Maar zelfs die donkere stroom kan uw troost niet verdrinken. U bezit een hoop die hoger reikt dan de hoogste golf. U hebt een lied dat sterker klinkt dan het gehuil van de storm.

Ik vrees geen fatale schipbreuk, want Christus, mijn schat, is bij mij. Hij bewaart Zichzelf, en in Hem word ook ik bewaard. Nu ik het beste deel heb gekozen — een deel dat mij nooit kan worden ontnomen — ben ik veilig. En nu, geliefde vrienden, rijst de vraag — een vraag waarvan ik hoop dat vooral allen die van plan zijn deel te nemen aan de tafel van de Heere, die zichzelf ernstig zullen stellen:

“Heb ik het beste deel gekozen?”

Vergeet voor een moment uw religieuze ervaringen. Vergeet kerkelijke kwesties. Vergeet zelfs alles wat u voor Christus meent te moeten doen, en richt uw gedachten volledig op wat Christus voor u heeft gedaan. Hebt u voor Hem gekozen? Kunt u met de woorden van die geliefde hymne instemmen — woorden die ons hart telkens opnieuw verblijden wanneer wij ze zingen:

“Op Christus, de vaste Rots, houd ik stand;
alle andere grond is slechts zinkend zand.”

Als dat zo is, kom dan, heiligen, kom en neem uw plaats in. Wees even nederig als Maria. Als er ergens een laaggelegen plek in het dal is, zal het water daar vanzelf naartoe stromen. Zo zal ook de genade altijd stromen naar een nederig hart, zelfs als zij nergens anders heen zou vloeien. Ga en neem plaats aan de voeten van Jezus.

Kom naar de tafel en zit aan de voeten van Jezus, en heb gemeenschap met Hem. En o, u die dit goede deel nog niet hebt gekozen — besef dat u, door het te verwerpen, uw eigen genade hebt veracht. De dag zal komen waarop u uw keuze zult willen veranderen. Moge God die keuze vandaag al veranderen.

Als hier iemand is die zegt: “O, ik wou dat ik dat goede deel kon bezitten!”, dan zeg ik u: u kunt het ontvangen. Als hier ook maar één ziel is die gered wil worden, dan kunt u gered worden. Christus verlangt meer naar u dan u ooit naar Hem kunt verlangen. Christus stierf voor zondaars. U bent een zondaar. Vertrouw op Hem, en u bent gered. Dan zijn uw zonden vergeven. Dan bedekt Zijn gerechtigheid u als een koninklijk gewaad. Dan staat u daar als erfgenaam van de hemel, als een aangenomen kind van God.

O, geloof dat deze boodschap waar is: God heeft u Zijn Zoon gegeven. Vertrouw op Zijn bloed. Vertrouw op Zijn verdiensten, en u zult worden gered.

Amen.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content