Onze schuilplaats

Een preek uitgesproken op zondagavond 11 november 1877, door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington. In druk verschenen op donderdag 5 november 1903.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

En die man zal zijn als een verberging tegen den wind, en een schuilplaats tegen den vloed. Jesaja 32:2

Iemand die de naam “man” werkelijk waard is, is een zeldzaam schepsel. Er zijn heel veel mensen die onder de algemene naam “mensen” vallen, maar die de edele, mannelijke eigenschappen missen waardoor wij van iemand met recht zouden zeggen: dat is een man. Wanneer God aan een volk zo iemand geeft, is dat een grote gave. De geschiedenis staat vol namen die ons eraan herinneren hoeveel zegen er over een geslacht en over een eeuw kan komen doordat God één man doet opstaan.

Het kan zijn dat mijn tekst in de eerste plaats op Hizkia doelt, de koning van Juda. De Assyriërs waren het land binnengevallen, en het leger en het volk waren niet in staat hun gebied te verdedigen. Het leek erop dat de huizen van het volk door vuur verwoest zouden worden, en dat de inwoners door het zwaard zouden vallen of in gevangenschap zouden worden weggevoerd. Maar er was één man, Hizkia. Hij had geen groot leger, maar wel een groot geloof in de kracht van het gebed tot God. Hij nam de lasterbrief van Rabsaké en spreidde die voor de HEERE uit in een ernstig gebed. Hij liet ook een andere ware man weten, de profeet Jesaja, of ook hij zijn gebed wilde opzenden. En de profeet zond de koning het bemoedigende bericht dat de Assyrische koning Jeruzalem niet zou binnenkomen. Hij zou worden teruggedreven naar zijn eigen stad Ninevé, en daar door het zwaard vallen. Hizkia en Jesaja waren voor Juda een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed, in die tijd van druk en storm.

En het is niet alleen in de heilige geschiedenis dat wij zulke ervaringen tegenkomen. Ik zou u kunnen wijzen op enkele van onze koningen en andere grote mannen die voor ons eigen land een verberging en een schuilplaats geweest zijn op de dag van gevaar en nood. De naam van Alfred de Grote zal altijd helder stralen in onze volksgeschiedenis. En veel later was er een man die geen koningskroon droeg, maar die groter en beter was dan alle koningen. Oliver Cromwell was voor dit land werkelijk een verberging en een schuilplaats, in de dagen dat de gekroonde koning het niet waard was te regeren. In hem deed God een man opstaan die alles op het spel zette voor de vrijheden waarvan wij nog altijd genieten.

Wat een verberging tegen de wind en wat een schuilplaats tegen de vloed was hij voor die kleine schare vervolgde gelovigen in de valleien van Piemont! De hertog van Savoye had besloten de protestanten uit te roeien. Maar Cromwell hoorde van zijn wreedheden en nam zich voor alles te doen wat hij kon om hen uit de macht van hun vervolger te redden. Hij liet de Franse gezant komen en zei hem zijn vorst te laten weten dat die vervolgingen onmiddellijk moesten stoppen. Zijne majesteit antwoordde dat Savoye niet aan hem toebehoorde en dat hij zich niet met de hertog kon bemoeien. “Dat doet er niet toe”, antwoordde Cromwell. “Zeg tegen de hertog dat u oorlog met hem gaat voeren als hij niet ophoudt de protestanten te vervolgen, en hij zal zijn slachtingen spoedig staken. Doet u dat niet, dan voer ik oorlog met ú. Want in de naam van de HEERE der heirscharen zal ik Zijn vervolgde volk verdedigen.” Zulk een moedige boodschap had natuurlijk snel effect.

Och, dat God in elke eeuw en in elk land, waar en wanneer er ook onderdrukking of vervolging bestraft moet worden en dwingelandij omvergeworpen, altijd een man mag vinden die vrijmoedig naar voren komt en spreekt en handelt voor wat waar en recht is! Zo iemand wordt dan een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed voor het volk dat hij de eer heeft te beschermen. Meer heb ik over deze kant van ons onderwerp niet te zeggen, behalve dat ik God bid ons allen mannelijk te maken in die zin, zodat wij door Zijn genade onze plaats innemen in de strijd voor het goede en het ware tegen het kwade en het valse.

Maar ik moet spreken over een ándere Man, op wie deze tekst in het bijzonder doelt. Het is de Messias — de Mens Christus Jezus, de Middelaar tussen God en mensen. Hij is Gods grootste gave aan mensen: de Nazarener, Jezus Christus uit het huis van David, die de ware verberging tegen de wind en schuilplaats tegen de vloed is voor allen die bij Hem schuilen. Worden mijn lippen door God geholpen om Hem groot te maken, en worden uw harten door God geleerd zich in Hem te verheugen, dan zullen wij allen gezegend worden.

Ik wil bij deze tekst drie dingen laten zien. Ten eerste: dit leven staat zeer bloot aan stormen. Ten tweede: tegen al die stormen is de Mens Christus Jezus onze verberging. En ten derde: onze wijsheid is het bij die verberging te schuilen.

I. Ten eerste dan: dit leven staat bloot aan veel stormen.

Wie rekent op stil weer van zijn wieg tot zijn graf, rekent helemaal verkeerd. U kunt uitvaren op een zee die glad is als glas. Maar ik twijfel er niet aan dat u, voordat uw reis volbracht is, vaak heen en weer geslingerd zult worden, zult wankelen als een beschonken man, en aan het eind van uw wijsheid zult zijn door de woede van de storm.

Wij staan bloot aan grote stormen in ons denken. Niemand kan werkelijk een denker zijn zonder te merken dat zijn gemoed nu en dan door de storm heen en weer geslingerd wordt. Er komt een sterke, geweldige wind van twijfel vanaf de bergen van het gepeins naar beneden vegen, die alles voor zich uit drijft. Ankers beginnen te slepen, en overtuigingen die vast lagen, worden voortgedreven naar de rotsen van het verderf. Wij hebben ondervonden hoe er soms zo’n verschrikkelijke wervelstorm van twijfel en vraagtekens om ons heen woedt, dat wij ons eigen bestaan haast niet meer als een feit gevoelden en zelfs ernstige vragen hadden over ons eigen innerlijk bewustzijn. Wanneer die stormwinden binnen de kleine wereld van onze ziel huilen, dan waarderen wij de belofte van de tekst.

Andere keren nemen de stormwinden een andere gedaante aan, namelijk die van uiterlijke beproeving en moeite. “Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tot vliegen.” Er staat zonder twijfel in elk huis een geraamte in de kast, en in elk gezin is er een oorzaak van verdriet. Iemand kan een bloeiende zaak hebben, en toch kunnen er ernstige verliezen komen. Of hij heeft de blos van de gezondheid op zijn wangen, en begint plotseling zijn kracht te verliezen. De kleinen om hem heen, die zijn vreugde zijn, kunnen ziek worden, en hij moet zijn geliefden naar het graf volgen. De vrouw van zijn jeugd kan hem worden ontnomen, of de vriend van zijn middenjaren wordt plotseling neergeslagen.

De wereld is vol van wat wij soms ongelukken noemen, terwijl wij weten dat het beschikkingen zijn — beschikkingen van een droevige en treurige aard voor ons. God wil niet dat wij, Zijn zangvogels, hier ons nest bouwen. Hij zendt een ruwe wind door het bos, waardoor de tak waarop wij willen bouwen heen en weer schommelt in de storm, tot wij weer de vleugels moeten nemen. Er is voor ons geen rustplaats op enige boom in deze wereld. Velen van u weten maar al te goed dat er ruwe winden van uiterlijke beproeving zijn. Ik twijfel er niet aan dat er menige stormvlaag over uw hart is gegaan, in uw gezin, in uw persoon of in uw bezit; op de een of andere wijze hebt u gemerkt dat u een verberging tegen de wind nodig hebt.

Dan is er nog een wind die soms over mensen waait: een doordringende, snijdende wind die het goede met zich mee kan brengen, maar die op het ogenblik dat hij waait werkelijk verschrikkelijk is om te verdragen. Ik bedoel de geestelijke nood over ontdekte zonde. U kijkt in uw ziel en ontdekt daar dingen waarvan u niet had kunnen geloven dat ze er waren. Zonden en ongerechtigheden die lang hun kop verborgen hielden, staan plotseling voor u, en u wordt haast van de been geslagen als door een wervelwind.

Ik weet nog wanneer die wind door mijn ziel heen blies. Dag noch nacht kon ik enige troost vinden; mijn overtredingen achtervolgden en bejaagden mij. Ik was niet slechter geweest dan andere jonge mensen, en niet zo slecht als velen die ik kende. Maar zo kwam ik mij zelf voor. Het leek mij toe dat ik de allergrootste van de zondaars geworden was, en de zekerst verdoemde van allen die ooit geleefd hadden. Als ik terugdenk aan wat ik toen doorgemaakt heb, kan ik naar waarheid zeggen dat ik geen lichamelijke pijn ken die te vergelijken is met de vreselijke smart van het geweten, wanneer de doorzoekende adem van de eeuwige Geest door de ziel gaat en al de schoonheid van onze eigen gerechtigheid doet verwelken en al de vermeende luister van onze goede werken wegneemt. Dat is een wind die wij, naar ik hoop, allemaal gevoeld hebben, of nog gevoelen zullen. Maar zolang hij waait, is hij verschrikkelijk om te dragen.

Er is nog een wind die hierop volgt, en waarvan deze de aankondiging is tenzij oneindige genade tussenbeide komt: de ontzaglijke wind van Gods oneindige toorn. Wanneer die machtige vlaag over mensen begint te waaien, doet hij hun schoonheid vergaan als de mot. Wanneer zij voor het eerst beseffen dat God een rechtvaardige Rechter is, en een God die te allen dage toornt, dan sidderen zij in Zijn tegenwoordigheid. Maar wat zal hun schrik zijn wanneer die wind in al zijn kracht op hen wordt losgelaten? Wanneer God Zijn rechterarm ten oorlog ontbloot, en de donder Zijn wolkige wagen omgordt, en Hij tevoorschijn treedt met zwaard en schild om Zijn vijanden te ontmoeten, en zegt: “Ik zal Mij troosten van Mijn wederpartijders” — wie zal dan voor Hem kunnen bestaan?

De goede Whitefield riep altijd uit: o, de toekomende toorn! En werkelijk, ik weet niet wat hij daarover meer had kunnen zeggen dan die uitroep, en het daarbij te laten. Want die toekomende toorn moet alle menselijke taal en voorstelling te boven gaan. Soms waait hij over mensen nog voordat zij het lichaam verlaten. Zij worden door de eeuwige wervelwind gegrepen voordat zij de kust van de tijd geheel achter zich hebben. En sommigen van hen hebben ons, door hun ontzettende schrik bij het sterven, iets laten zien van wat die verschrikkelijke vlaag moet betekenen voor wie erdoor worden weggevaagd.

Ik noem nog één wind, en die staat de beste van de mensen even goed te wachten als de slechtste: de plotselinge en raadselachtige verzoekingen van de duivel. Hij weet ons onverhoeds te nemen, en hij vindt in onze natuurlijke verdorvenheid een bondgenoot. Wanneer hij komt en aan de deur van ons hart klopt, staat de zonde die binnen is op en doet hem open. En dan komt hij binnen, en zijn binnenkomen in de ziel is verschrikkelijk.

Ik heb een jonge man gekend die oprecht en eerlijk leek, en die plotseling door de verzoeking van de boze tot een daad van diefstal verlokt werd. Ik heb mensen gezien die naar het scheen zuiver van gemoed en hart waren, en die in hun jeugd elke gedachte aan onreinheid vreesden, en die plotseling in de diepste vuilheid werden neergeworpen door een sterke verzoeking van de satan. Er leeft geen mens die naar waarheid kan zeggen: ik ben veilig voor de aanvallen van de duivel. U kunt zich voornemen wat u wilt, maar de satan is ouder en listiger dan u. Hij kent uw zwakke plekken en weet hoe hij u het gemakkelijkst kan doen vallen. Hij is de overste van de macht van de lucht, en hij kan zo’n wind meebrengen dat die de vier hoeken van het menselijke huis tegelijk treft en het met de grond gelijk maakt. Wee de mens die zo door de duivel verzocht wordt, als hij geen verberging heeft om in te schuilen op de stormachtige en donkere dag!

Ik hoop dat ik hierover genoeg gezegd heb. Ga ik hierop door, dan zult u denken dat mijn preek is als de rol van de profeet, van binnen en van buiten beschreven met klaagliederen en wee.

II. In de tweede plaats, en God zij geloofd dat ik het u zeggen mag: tegen al deze stormen is de Mens Christus Jezus onze verberging.

Ik zal proberen Hem u voor te stellen, met de hulp van Zijn Heilige Geest. “En die man zal zijn als een verberging tegen den wind, en een schuilplaats tegen den vloed.” Van Hém zingen wij dat de ontzagwekkende stem van de storm gehoord werd, en dat die op Christus neerkwam; dat Zijn open boezem onze wacht was en de storm voor ons doorstond; dat Zijn gestalte doorkerfd werd en Zijn gelaat geschonden, en dat er nu voor ons een vrede is zonder wolken.

Een man — en toch meer dan een man. Van Hem staat geschreven: “In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” Het is de Mens Christus Jezus die toch aangebeden moet worden als Degene “Die is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid”, en die nu regeert in de hoogste hemel, met heerlijkheid en eer gekroond.

Ik nodig u allen die bang bent voor de stormen van twijfel, van beproeving, van verzoeking of van Gods toorn, uit om uw vertrouwen op de Heere Jezus Christus te stellen. Want omdat Hij God is, is Hij almachtig, en daarom kan niets Hem te zwaar zijn. Bent u eenmaal in Zijn hand besloten, waar is dan de macht die u daar bereiken of u daaruit rukken kan? Is de Almachtige Zelf uw schild, dan bent u veilig voor alle schade en alle onheil.

En toch is Christus waarlijk mens. Och, hoe vaak heeft mijn ziel in de gedachte aan Christus’ werkelijke mensheid een verberging gevonden tegen allerlei stormen! “God” — het woord is groot. “God” — de gedachte is verheven. De grote eeuwige HEERE, die de hemel en de aarde gemaakt heeft en ze door Zijn eigen macht draagt, die op de stormhemel rijdt en de razende storm een gebit in de mond legt: hoe zal ik, een arme worm van het stof, tot zulk een God naderen? Het antwoord komt snel: het heeft Hem behaagd Zich te openbaren in de Mens Christus Jezus. “Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende.”

God verwaardigde Zich de natuur van de mens aan te nemen. Daar ligt Hij in de kribbe: de Oneindige, en toch een kind; de Almachtige, en toch in doeken gewonden door een vrouw en hulpeloos hangend aan haar borst. Laat Bethlehem altijd de weergaloze verborgenheid van de godzaligheid verkondigen: God geopenbaard in het vlees. Waarom zou ik ervoor terugdeinzen voor God te verschijnen, nu er in de Persoon van Zijn Zoon Jezus Christus een schakel is tussen mijn mensheid en Zijn Godheid? De ontzaglijke kloof die de zonde gemaakt had, is overbrugd. Nu zie ik hoe dicht God naar de mens toe afdaalt, en hoe nauw Hij de mens tot Zich opheft.

Jezus Christus was waarlijk mens. Behalve dat Hij vrij van zonde was, verschilde Hij in geen enkel opzicht van ons. En op dit ogenblik, terwijl Hij de troon van God in de heerlijkheid inneemt, gaat Zijn medelijden naar ons uit. Hij weet wat zware verzoekingen betekenen, want Hij heeft ze zelf gevoeld. Hij is bereid ons te helpen, want Zijn vermaking is nog altijd bij de mensenkinderen. Hij werd mens omdat Hij mensen liefhad. God heeft zo’n genegenheid voor ons geslacht dat Hij onze natuur aan Zichzelf verbonden heeft. Wat een vreugde behoorde daarom in ons hart te zijn!

Wanneer de gedachte aan de grootheid, de heiligheid en de ontzagwekkende majesteit van God iemand van ons benauwt, laat hij dan met de goede dokter Watts zeggen dat zijn gedachten geen troost vinden zolang hij God niet in het menselijk vlees ziet, en dat de heilige en rechtvaardige Drie-eenheid dan enkel schrik voor zijn gemoed is; maar dat wanneer het aangezicht van Immanuël verschijnt, zijn hoop en zijn vreugde beginnen, want die Naam verbiedt zijn slaafse vrees en die genade neemt zijn zonden weg. Juist het feit dat God vlees geworden is, maakt Hem tot een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed.

Verder is Christus de Mens die in onze plaats stond, want Hij trad naar voren als de Mens die zou sterven in plaats van schuldige mensen. Hebt u dit leven niet vaak een staat van proeftijd horen noemen? Dat is een heel onjuiste uitdrukking, want onze proeftijd is lang geleden voorbijgegaan. Er was een mens — de eerste van de mensen, Adam — en heel het menselijk geslacht werd in hem op de proef gesteld. Had hij het gebod van zijn Maker gehoorzaamd, dan zou heel zijn zaad geleefd hebben door zijn gehoorzaamheid. Maar omdat hij ongehoorzaam was, heeft heel zijn geslacht geleden. Hij kon de proef niet doorstaan; hij at van de verboden vrucht en viel zo van zijn hoge staat. En in zijn val vielen u en ik en heel de mensheid mee.

Sommigen hebben de rechtvaardigheid van die inrichting in twijfel getrokken. Hebt u dat gedaan, dan bid ik u al zulke vragen af te leggen, want juist hierin ligt uw deur van hoop. Omdat onze val door een ander veroorzaakt is, bleef er de mogelijkheid dat wij langs datzelfde plan van vertegenwoordiging en plaatsvervanging door een Ánder opgericht en behouden zouden worden. En zo kwam in de volheid van de tijd de tweede Mens, de Heere uit de hemel, en stond in onze plaats.

Heeft Hij de wet gehoorzaamd? Ruim dertig jaar stond Hij op de proef, en Hij heeft nooit gefaald: “geen zonde is in Hem”. Maar de mens stond onder de veroordeling om zijn schuld. Zou Jezus Christus, als de grote Plaatsvervanger van zondaars, de straf op Zich nemen die op de menselijke schuld stond? Hij had die niet kunnen dragen als Hij niet God zówel als mens geweest was. Maar omdat Hij de God-mens was, zei Hij dat Hij de straf van de zonde zou dragen, opdat allen die hun vertrouwen op Hem stellen voor eeuwig vrij zouden uitgaan. Het was een wonderlijk gezicht, toen Hij in die verschrikkelijke nacht in het donkere Gethsemane de schuld van Zijn volk begon te dragen, en Zijn zweet werd “gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen”, terwijl Zijn ziel geheel bedroefd was tot de dood toe.

Ik hoop dat u het droeve en toch blijde verhaal allemaal kent. Hoe Jezus die ontzaglijke last van onze schuld op Zijn eigen schouders droeg, terwijl Zijn rug bloedde van de wrede geseling door Pilatus. Hoe Hij die droeg terwijl zij Zijn handen en voeten aan het vervloekte hout spijkerden. Hoe Hij die droeg terwijl de zon weigerde naar Hem te kijken en in een tienvoudige nacht verder trok. Hoe Hij die droeg terwijl de HEERE Zelf Hem verliet, toen Hij onze zonden in Zijn lichaam op het hout droeg, zodat Hij moest uitroepen: “Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!” Hij droeg die verschrikkelijke last tot het einde toe. En aan het kruis riep Hij: “Het is volbracht!” voordat Hij de geest gaf.

Dit is de Mens die de verberging tegen de storm is: de Plaatsvervanger, de Borg, die in de kamer en de plaats van de schuldige mens stond; de Rechtvaardige die in plaats van de onrechtvaardige de verdiende toorn van God droeg. Wilt u, geliefde vrienden, alleen maar uw vertrouwen op Hem stellen, dan zult u ondervinden dat Hij werkelijk een gezegende schuilplaats is tegen de storm die u nu bedreigt. Hoe kan Gods toorn u raken als Christus die geheel in uw plaats gedragen heeft? Een verberging beschut een mens juist doordat zij de volle kracht van de storm zelf opvangt, terwijl hij voor de woede ervan bewaard blijft. Omdat Christus voor ons gestorven is, zullen wij die bij Hem schuilen niet sterven. Onze schuld is betaald, het recht is voldaan, de barmhartigheid triomfeert, en wij gaan vrij uit.

Maar dat is niet alles, want deze Plaatsvervanger blijft ook onze Vertegenwoordiger. Bent u een gelovige in Hem, dan vertegenwoordigt Hij u in alles. Hij stierf, maar Hij is ook opgestaan. Wat een beschutting tegen alle stormachtige gedachten aan de dood ligt er in die heerlijke waarheid! Want zoals de Heere onze Zaligmaker is opgestaan, zo moeten al Zijn volgelingen opstaan.

De wind huilt droevig daarbuiten tussen de graven van de begraafplaats. Men zou er niet graag alleen een nacht tussen de doden doorbrengen. Maar zelfs die treurige wind heeft muziek in zich, wanneer het oor van het geloof hem hoort. Die oude boodschap moet nog vervuld worden: “Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan.” Dat is wat Christus tot ons zegt. Wij hoeven dus niet bij de godvruchtige doden te staan en te wenen als mensen zonder hoop. Wij mogen nu al vooruitzien naar het aanbreken van die heerlijke morgen, wanneer op het bevel van de neerdalende Zaligmaker “die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen”.

Jezus is als onze Vertegenwoordiger dus een verberging tegen alle winden die ons langs de weg van het graf zouden bereiken. Wij zijn niet bang om te sterven, want Jezus leeft. Hij zei tot Zijn discipelen: “Ik leef, en gij zult leven.” Hij is ook opgevaren naar de hemel; in Zijn verheerlijkte lichaam is Hij opgeklommen naar boven, om daar voor ons in de tegenwoordigheid van God te verschijnen. Hebt u dus enige vrees over de toekomst, bedenk dan dat u zult zijn waar Híj is. Bent u een gelovige in Hem, dan moet u naar de hemel opklimmen zoals Hij gedaan heeft. En zoals Hij op Zijn troon zit, zo zult ook u zitten; en zoals Hij in heerlijkheid volmaakt is, zo moet ook u dat worden.

Tussen de Mens Christus Jezus en alle gelovigen in Hem bestaat zo’n eenheid, dat waar Hij is Zijn volk ook moet zijn. Dat eist Hij met recht voor hen op, op grond van Zijn verzoenend offer: “Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt.” Verbergt u zich achter deze schans van geweldige rots, deze machtige wal van goddelijke troost, dan doet het niet ter zake welke winden er razen of welke stormen er bulderen. U mag daar in veiligheid en rust blijven, achter de grote Vertegenwoordiger die een verberging is tegen de wind.

Wij hebben de naam van onze Heere Jezus ook te zegenen omdat Hij de altijd levende Mens is, die op elk ogenblik een beschutting tegen de wind is voor wie op Hem vertrouwen. Onze aardse vrienden kunnen sterven, maar wij zullen onze beste Vriend nooit verliezen. Alle louter menselijke troosters begeven ons vroeg of laat, maar Hij blijft altijd trouw en standvastig voor allen die op Hem leunen. Hij leeft, de grote Verlosser leeft. Zijn zaak is dus altijd veilig, en onze veiligheid is altijd in Hem gewaarborgd. Verberg u daarom in de altijd levende Mens; daar hoeft u geen enkele verandering te vrezen die de rollende eeuwen brengen kunnen.

Gezegend zij de naam van Jezus, want Hij is ook de biddende Mens. Op dit ogenblik pleit Hij voor Zijn volk bij de troon van Zijn Vader. Wij kunnen Hem niet zien. En toch, wanneer ons geloof levend werkzaam is, kunnen wij Hem haast aanschouwen en Hem bijna horen, terwijl Hij Zijn almachtige pleitgronden voordraagt voor allen die hun zaak in Zijn handen hebben gegeven. Wanneer zonde en satan hun macht verenigen in een donker en benauwd uur, laat dan deze dierbare hoop de pijl afweren: dat Jezus ons op Zijn hart draagt. Vergeet iedereen ons, Híj doet het niet. Hij spreidt Zijn doorwonde handen uit in een krachtige, doordringende voorbede voor ons. En dit is onze troost: “Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.”

Hij is wel een mens, maar een mens bekleed met oneindige macht. Denk daarom niet langer aan Christus als aan Iemand die “veracht, en de onwaardigste onder de mensen” was, “een Man van smarten, en verzocht in krankheid”. Daarmee is Hij klaar. Hij is van Zijn kruis opgeklommen naar Zijn troon. De hoogste plaats die de hemel te bieden heeft, is Zijne, en Zijne met recht: de Koning der koningen en de Heere der heren, en het eeuwige licht van de hemel.

Kijk niet naar kruisbeelden of andere voorstellingen van Christus. Want Hij op wie u vertrouwt, is niet aan het kruis en niet in het graf, want Hij is opgestaan. Kom, zie de plaats waar de Heere gelegen heeft — maar vergeet niet op te kijken naar de plaats waar Hij nu zit. Want “Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechter hand Gods”. Voordat Hij opvoer, zei Hij tot Zijn discipelen: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.” Ga daarom heen en maak alle volken tot Mijn discipelen, en doop hen in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest.

Wij dienen de Christus die al Zijn schepselen moeten gehoorzamen. Engelen vliegen op Zijn bevel, en duivelen sidderen voor Zijn dreigende blik. Hij laat de koningen van de aarde een tijdlang hun nagemaakte scepters zwaaien, maar ondertussen is Hij Koning der koningen en Heere der heren. Voor onze Heere Jezus Christus eisen wij een wereldwijde heerschappij op. Hij zit op de troon boven de kring van de hemel, en de volken van de aarde zijn voor Hem niet meer dan sprinkhanen. Dit is de Mens, de verhoogde Mens, die wij ongezien aanbidden; maar wanneer onze ogen Zijn aangezicht zullen zien, zal ons hart Hem nog meer liefhebben.

Ik besluit mijn beschrijving van deze wonderlijke Mens door u eraan te herinneren dat Hij de komende Mens is. Het is nog maar een korte tijd, en Hij die komen zal, zal komen. Het grote toneelstuk van de wereldgeschiedenis loopt naar zijn slot. Wij weten niet wanneer het eindigen zal, want “het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft”. Maar uit de diepe verborgenheid van de toekomst komt als een heldere, klinkende boodschap de stem van onze Zaligmaker: “Ja, Ik kom haastiglijk.” En ons blijde antwoord is: “Amen. Ja, kom, Heere Jezus!”

Ik kan niet voorspellen in wat voor staat van wetteloosheid of van dwingelandij deze wereld nog kan komen. Ik kan de uiteindelijke uitkomst van grote oorlogen en botsingen tussen volken niet voorzien. Maar de heiligen van God zullen altijd een verberging hebben tegen elke stormwind die ooit waaien zal. “Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel.” Hij komt om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid en de volken in Zijn waarheid. Er zal een dag komen waarop die oude profetie vervuld wordt: “En hij zal leven; en men zal hem geven van het goud van Scheba, en men zal geduriglijk voor hem bidden; den gansen dag zal men hem zegenen.”

Er zal nog een tijd van stilte komen waarin men de nutteloze helm hoog zal ophangen en de oorlog niet meer zal leren. Dan zal de zilveren bazuin van het gezegende jubeljaar luid klinken, want dan zal Christus, de grote Vredevorst, teruggekeerd zijn om te regeren, en Zijn koninkrijk zonder lijden zal geen einde kennen. Dat is de hoop van de wereld: dat de Christus van het volk, de Mens uit het volk uitverkoren, de Liefhebber van de mensheid, de goddelijke Mens, zal komen en regeren onder Zijn getrouwe onderdanen, en voor hen zal zijn als een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed.

Om alles samen te vatten, geliefden: ik weet niet wat uw stormen zijn, innerlijk of uiterlijk, en ik weet niet wat uw bijzondere angst of schrik is. Maar verbergt u zich in de Mens Christus Jezus, dan zult u ondervinden dat Hij u beschutting geeft tegen elke moeite die u overkomt.

III. Ik besluit mijn rede daarom door u dit te zeggen: omdat de Heere Jezus Christus zulk een verberging is, laten wij tot Hem vluchten om beschutting.

Laten wij ten eerste altijd achter Hem gaan staan wanneer wij tot God naderen. Ik kan mij voorstellen dat iemand zegt: ik wil wel bidden, maar ik ben bang om voor de HEERE te verschijnen; want als Zijn vurige ogen op mij zien, zouden zij mij kunnen verteren. Wat moet ik doen? Wel, ga achter Zijn Zoon staan, en zeg tot God: zie Hém, en zie dan de zondaar; zie door de wonden van Jezus heen naar mij. Kom niet rechtstreeks zelf tot God, maar kom tot Hem door Jezus Christus, de Middelaar en Voorbidder. Dan kan Zijn toorn u niet bereiken, want Christus uw verberging zal staan tussen u, de overtreder, en de God die u beledigd hebt.

Dit lijkt mij heel eenvoudig. Is er hier iemand die nog nooit zo gehandeld heeft, dan bid ik de HEERE hem er nu toe te brengen. Kom, arme ziel, u weet dat u de wet niet houden kunt en dat u de straf op de zonde niet dragen kunt. Wilt u dan de Heere Jezus Christus niet vertrouwen om in uw plaats te staan en in plaats van u te lijden? Doet u dat, dan is alles gedaan wat nodig is. U bent in de beschutting, en de wind kan u niet meer treffen.

Ook wanneer u dat gedaan hebt, blijven er nog de stormen van dit leven te ontmoeten. Ga daarom achter Christus staan door Hem te volgen op de weg van de plicht. Gaat u nooit ergens heen waar Christus niet voorop gaat, dan hoeft u niet bang te zijn voor stormen, want die zullen meer op Hém neerkomen dan op u.

Toen ik nog een jonge man was, werd ik zwaar gesmaad omdat ik het Evangelie predikte. Soms zonk mijn hart een beetje onder de wrede laster die velen uitspraken. Maar ik ging dan vaak naar mijn kamer boven, en na een tijd van zoete gemeenschap met mijn Heere kwam ik zingend weer beneden: valt er om Zijn dierbare naam schande en smaad op mijn gezicht, dan zij die smaad welkom en die schande welkom, als Hij mij maar gedenkt.

Waar een van Christus’ volgelingen een kruis te dragen heeft, draagt Hij altijd het zware einde op Zijn eigen schouders. Hij neemt altijd zelf de gure kant van de heuvel, en Zijn discipelen mogen tevreden zijn met volgen, nu zij zulk een goede Meester hebben die voorop gaat.

Ja, geliefden, komen er moeiten van het leven over u, zoek dan de nabijheid van Jezus en schuil achter Hem. Toen Johannes de Doper gedood was, namen zijn discipelen zijn lichaam op, gingen heen en zeiden het Jezus. Dat was het beste wat zij konden doen. Sterft uw kleine kindje, moeder, neem het dan op en ga het Jezus zeggen. Bent u zonder werk, en is er weinig brood in huis, ga het Jezus zeggen. Hij zal met u meevoelen, want ook Hij heeft honger gehad. En komen er andere beproevingen van het leven over u, twijfel dan niet wat u doen zult. Hebt u zich om de zónde achter Hem verborgen, verberg u dan om de smárt in Hem. Want deze Mens zal altijd een verberging zijn tegen elke stormwind die waait, als u maar weet hoe u tot Hem gaan en op Hem vertrouwen moet.

Kom tot mijn Heere Jezus Christus, mijn beste medemensen, omdat Hij een verberging is die werkelijk helpt. Velen van ons hebben Hem geprobeerd en bevonden dat Hij alles is wat ik gezegd heb. Er zijn in alle eeuwen miljoenen van Zijn heiligen geweest die hun hele levenslast op Hem gelegd hebben, en Hij heeft nog nooit nagelaten er ook maar één van te verlichten. Ik heb aan het bed van veel stervende christenen gestaan, maar ik heb er tot op dit ogenblik nooit één horen zeggen dat Christus hem bedrogen had.

Er zijn hele reeksen levensbeschrijvingen van christenen uitgegeven. Hebt u er ooit één gevonden waarin een gelovige zich door zijn Zaligmaker verlaten voelde? Nee. Het tegendeel: de getuigenissen zijn opgestapeld, veel verder dan het bewijs dat ooit in een rechtszaal gevraagd zou kunnen worden. Zij bewijzen buiten alle twijfel dat Christus Zijn kinderen helpt in al hun uitersten en hen verlost in elke tijd van nood.

Ik doe een beroep op ieder van u die godvruchtige ouders gehad heeft. Wat uw vader geprobeerd heeft en uw moeder geprobeerd heeft, jonge man, dat vraag ik u ook te proberen. Waar uw godvrezende grootmoeder al haar hoop op rustte — en u weet dat zij, arme eenvoudige vrouw als zij was, met blijdschap gestorven is — wees niet zo onwijs dat u weigert úw hoop daarop te laten rusten. Ik houd van dingen die geprobeerd en bewezen zijn. De nieuwe verzinsels van deze moderne tijd zijn misschien goed genoeg voor lauwe heren die nauwelijks lijken te weten of zij een ziel te verliezen hebben. Maar ik wéét dat ik er een heb, en ik kan het mij niet veroorloven die op bedenksels en nieuwigheden te wagen. Het Evangelie dat de heiligen bijna tweeduizend jaar behouden heeft, is goed genoeg voor mij. Ik vertrouw mij dus toe aan deze oude verberging van Gods volk, de toevlucht die zij in alle geslachten veilig bevonden hebben. En ik nodig u allen uit hetzelfde te doen, door een eenvoudige daad van geloof in Jezus Christus.

“Maar”, zegt iemand, “er zijn zoveel zondaars in de wereld; zou er ruimte voor hen zijn als zij allemaal tegelijk in die verberging kwamen?” O ja! Want zoals de spelonken van Engedi al de mannen van David konden bergen, en die van Saul erbij, zonder dat zij elkaar haast naderden, zo is er in de verborgen spelonken van de almachtige liefde, in de Persoon van de Mens Christus Jezus, ruimte genoeg en over voor alle zondaars die ooit op de aarde geleefd hebben. Het zal nooit naar waarheid gezegd worden dat de zaligheid van God versleten is, of dat de weide door te veel schapen afgegraasd en nu op is, of dat het grote avondmaal geheel opgegeten is omdat er te veel gasten waren. Nooit, nooit zal dat gebeuren. Er is in Christus Jezus ruimte voor elke ziel die ooit tot Hem komen zal. God helpe u allen om nu te komen!

Tot slot: dit is een verberging die altijd open staat. Ik las een tijd geleden over een schip dat in een storm gevangen raakte en niet verloren zou zijn gegaan, als de haven die het probeerde te bereiken niet alleen bij hoog water binnen te varen was geweest. Het was laag water, en dus moest het arme schip buiten blijven en op zicht van de haven aan stukken geslagen worden. De liefde van mijn Heere is nooit als die haven; bij Hem is het altijd springtij.

Welnu, arm door het weer geteisterd schip, haast gereed om te zinken: stuur recht op de havenmond af, tussen de twee rode lichten door. Er is water genoeg voor u, ook al bent u een zo diep beladen zondaar dat u wel duizend vadem lijkt te steken. De oneindige liefde van Jezus Christus is bodemloos, dus er is ruimte genoeg in voor u, en voor miljoenen meer. Stuur er nu op af, door eenvoudig te zeggen: ik zal in Jezus geloven; ik neem Hem aan als mijn Plaatsvervanger en mijn Vertegenwoordiger, de aangewezen Mens die in mijn plaats gestorven is. Komt u zo tot Hem, dan zult u zeker ondervinden dat Hij u aanneemt.

Uw zaligheid zal niet afhangen van wie of wat u bent, maar alleen van uw verberging. Hier gaat een zondaar de verberging binnen die haast zo groot is als de reus Goliath, en zij beschut hem volkomen tegen de stormvlaag. En hier is een klein kereltje — is de verberging ook veilig voor zulk een klein kind? Ja, zij is voor hem even veilig als voor de reus, als hij er maar binnenkomt. U die weet dat u een groot zondaar geweest bent, zult veilig zijn als u in deze verberging komt. En u die zich heel zwak en onbetekenend voelt, ook u jonge kinderen die hier misschien zijn: komt u tot Christus en vertrouwt u op Hem, dan zult u even veilig zijn als de oudste heiligen. Vertrouw Hem alleen maar, vertrouw Hem nu; Hij zal u behouden, en Hij zal u nu behouden.

Dat is de weg in deze verberging: vertrouwen op de Heere Jezus Christus. Verlaat u op Christus voor de vergeving van uw zonde en voor alles wat u nodig hebt, voor de tijd en voor de eeuwigheid, en u zult ondervinden dat Hij u beschut tegen elke storm, van nu aan tot in eeuwigheid. De Heere zegene u allen, om Jezus Christus’ wil! Amen.

Preek nr. 2856 · Bron: The Spurgeon Library (spurgeon.org), Metropolitan Tabernacle Pulpit, deel 49

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content