“… maar ik was steeds in het gebed.”—Psalm 109:4
Leugentongen werkten tegen Davids goede naam, maar hij verdedigde zich niet. Hij bracht de zaak naar een hogere rechtbank en pleitte voor de grote Koning Zelf. Gebed is de veiligste manier om op woorden van haat te antwoorden. De psalmist bad niet lauw. Hij gaf zich aan het bidden, legde heel zijn ziel en hart erin en spande elke pees en spier in, zoals Jakob deed toen hij met de engel worstelde. Zo, en alleen zo, zal ieder van ons vooruitkomen bij de genadetroon. Zoals een schaduw geen kracht heeft omdat er geen inhoud in zit, zo is ook dat smeken volkomen krachteloos waarin je niet met je hele wezen aanwezig bent, met worstelende ernst en hevig verlangen. Het mist namelijk wat het kracht zou geven. “Vurig gebed”, zegt een oude godgeleerde, “is als een kanon dat bij de poorten van de hemel is opgesteld; het doet ze openvliegen.” De fout die de meesten van ons gewoonlijk maken, is dat wij zo snel toegeven aan afleiding. Onze gedachten dwalen hierheen en daarheen, en wij komen weinig dichter bij ons doel. Onze geest is als kwikzilver: hij blijft niet bij elkaar, maar rolt alle kanten op. Wat een groot kwaad is dit! Het schaadt ons en, erger nog, het beledigt onze God. Wat zouden we denken van iemand die een verzoek indient en, terwijl hij een audiëntie heeft bij een vorst, met een veer speelt of een vlieg vangt?
Onze tekst wijst ook op voortdurend en volhardend bidden. David riep niet één keer en viel dan terug in stilte. Zijn heilig roepen ging door tot het de zegen naar beneden bracht. Gebed mag geen werk voor nu en dan zijn, maar ons dagelijks werk, onze gewoonte en roeping. Zoals kunstenaars zich aan hun model wijden en dichters aan hun klassieke studies, zo moeten wij ons aan het gebed wijden. Wij moeten in het gebed ondergedompeld zijn als in ons element, en zo zonder ophouden bidden. Heere, leer ons zo te bidden dat wij steeds sterker zijn in het smeken.

