“Laat alle volken U loven”

Charles Haddon Spurgeon

GEBED 7

Onze Vader, wanneer wij lezen hoe U de menselijke natuur in Uw Woord beschrijft, weten wij vol zekerheid dat het volkomen waar is. Want Gij hebt de mens doorgrond en gezien vanaf het allereerste begin van zijn val, en het heeft U aan Uw eigen hart gesmart over hem. Bovendien hebt U zo’n grenzeloze, tedere liefde voor hem dat U hem nimmer te hard hebt geoordeeld, en elk heilig woord dat U gesproken hebt, moet wel de volle waarheid zijn. U hebt de ongerechtigheid van de mens nauwkeurig gemeten en berekend, want U hebt al die schuld op de Welbeminde gelegd, en wij weten met een gerust hart dat U Hem niet meer hebt opgelegd dan volkomen billijk en rechtvaardig is.

O God, wij zijn diep bedroefd, wij buigen ons in het stof, wanneer wij met eigen ogen zien in welke jammerlijke staat wij en heel ons menselijk geslacht gevallen zijn. „Waar is dan de roem?” En toch moeten wij met bittere droefheid erkennen dat wij wel degelijk hebben geroemd en nog zo vaak roemen, en dat onze arme medemensen groot zijn in hun ijdel roepen, terwijl zij veeleer hun hand op hun mond zouden moeten leggen voor Uw heilige aangezicht.

Het is ons een wonder geworden dat U de mens überhaupt nog wilt aanzien. Het meest verfoeilijke wezen in de ganse schepping moet wel de gevallen mens zijn, want hij heeft Uw eigen Zoon wreed gedood en zijn opstand maar al te vaak vermenigvuldigd tegen een rechtvaardige en heilige wet. En toch is er waarlijk geen aanblik in de hemel of op aarde die U meer welbehagen geeft dan de mens — want Jezus Zoon van God was en is een mens, en het stralende afschijnsel van Zijn goddelijke heerlijkheid bedekt al onze diepe schande. De reine, onbevlekte volmaaktheid van Zijn gehoorzaamheid schijnt als de zon op het middaguur midden in onze dikste duisternis. Om Zijnentwil hebt U welbehagen in ons, en wilt U in genade bij ons wonen.

Heere, eens dachten wij in onze dwaasheid dat die scherpe beschrijvingen van ons zondige hart enigszins overdreven waren; maar zo denken wij er nu niet meer over. Want waarlijk, wij zien in dat wij, als er niet die krachtige beteugeling was geweest die ons als met onzichtbare boeien vasthield, in onze onwedergeboren staat tot elk denkbaar kwaad in staat waren. Want zelfs nu wij door Uw genade wedergeboren zijn, kan de oude, bedorven zonde die in onze aard woont nog tot een schrikbarende mate van schandelijkheid komen. En als Uw nieuwe leven de oude dood in ons niet voortdurend in bedwang hield, dan weten wij werkelijk niet wat wij nog zouden worden.

Eens dachten wij van onszelf dat wij nederig waren, maar wij merkten al te spoedig dat onze hoogmoed zich maar wat graag voedt met elke gangbare vleierij die aan onze deur wordt gelegd. Wij dachten dat wij sterke gelovigen waren, maar ach, soms zijn wij zo vol twijfel, zo ongelovig, zo gekweld door een donkere twijfelzucht, dat wij uit onszelf zeker niet de weg zouden kiezen om te volgen; dat alles is enkel Uw wonderbaar werk in ons. Van nature zijn wij zulke diepe leugenaars dat wij zelfs U, o God, voor een leugenaar durven houden. Het zekerste, droevigste teken van onze onwaarachtigheid is wel dat wij in onze verblinding menen dat U onwaarachtig zou kunnen zijn.

Och, dit snode, verraderlijke hart van ons! Is er niet altijd genoeg tondel in te vinden om het helse vuur van onze verdorven geboorte in brand te steken? Als er maar één enkele vonk in valt, dan zou elk van onze leden, aan zichzelf overgelaten, de dierbare Christus onteren, de Heere verloochenen Die ons heeft gekocht, en in laffe angst terugwijken tot het eeuwige verderf.

Wij staan hier in het stof, volkomen beschaamd. Waarlijk, in ons armoedige leven wordt Uw eigen Woord treffend vervuld: „En u schaamt, en opent niet meer uw mond vanenwegen uw schande.” Want Uw oneindige liefde tot ons heeft ons sprakeloos gemaakt; die grote, overvloedige liefde heeft al ons menselijk roemen voor eeuwig verborgen. Uw grote liefde, waarmee U ons hebt liefgehad, zelfs toen wij nog geestelijk dood waren door al onze misdaden en zonden. Uw grote liefde, waarmee U ons nog altijd onveranderlijk liefheeft, ondanks onze slechte zeden, onze hardnekkige afdwalingen, onze dagelijkse tekortkomingen en onze zware buitensporigheden.

Och, de weergaloze, onbegrijpelijke liefde van God! Waarlijk, als er enige ware heerlijkheid is, dan moet die uitsluitend en geheel de Heere toekomen. Als er enige deugd in ons is, dan is die enkel de vrucht van Uw vrije genade. Als er ook maar iets is wat ons verheft boven de duivel zelf, dan is het uitsluitend het almachtige werk van de Heilige Geest. Hem zij de eeuwige heerlijkheid!

En nu, bij de diepe gedachtenis aan dit alles, en staande in Uw onmiddellijke tegenwoordigheid, verblijden wij ons toch met een heilige vreugde dat onze menigvuldige ongerechtigheid bedekt is, dat wij voor eeuwig vrij zijn van de verdoemenis, en dat wij de liefdevolle begenadigden van de Heere zijn. U hebt ons, o Heere, die hemelse liefde zo rijk doen smaken — een liefde die niet alleen voor de toekomst voor ons is weggelegd, maar die wij nu reeds in onze ziel hebben genoten en nog altijd mogen genieten.

Ons hart kent die innerlijke liefde van de Vader, want wij hebben de zoete Geest van de aanneming tot kinderen ontvangen, door Wie wij met een kinderlijk vertrouwen mogen roepen: „Abba, Vader!” En wij verheugen en verblijden ons diep in de volkomen verlossing van onze geesten, terwijl wij tegelijk smachtend uitzien naar de heerlijke verlossing van onze sterfelijke lichamen, wanneer ook deze bij de aanstaande komst van de Heere onverderfelijk zullen worden opgewekt en wij in een ondeelbaar ogenblik volkomen veranderd zullen worden.

O Jezus, Gij zult Uw geestelijk Israël zeker uitleiden uit de geestelijke slavernij van Egypte, en er zal bij Uw triomf niet één enkele klauw achterblijven! Nee, geen enkel bot en geen enkel stukje van Uw uitverkoren kudde zal in de machteloze handen van de tegenstander achterblijven. Wij zullen geheel en al uitgaan, machtig verlost door Hem Die niets half doet, maar Die eens aan het kruis van Golgota triomferend heeft uitgeroepen: „Het is volbracht!” en Die het vanaf Uw verheven troon nog veel heerlijker zal doen blijken.

Ere zij de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, Die ons heeft opgericht uit ons diepe verderf en onze naderende verdoemenis, ons tot nieuwe schepselen heeft herschapen, ons volkomen heeft gerechtvaardigd en ons het eeuwige leven onherroepelijk heeft verzekerd — dat eeuwige leven dat bij de heerlijke komst van de Heere volmaakt geopenbaard zal worden. Alle eer en lof zij toegebracht aan Zijn eeuwig gezegende Naam, tot in alle eeuwigheid!

En nu, Heere, laat het in de weinige, korte dagen die ons hier beneden nog resten heel ons levende werk zijn om onvermoeibaar te roepen: „Zie het Lam Gods!” Och, leer deze zwakke harten om zich altoos bewust te zijn van Uw brandende liefde, en leer dan deze menselijke lippen om, zo goed als zij maar kunnen en met de onmisbare hulp van Uw goddelijke Geest, dat weergaloze verhaal van het kruis te vertellen aan een verloren wereld. Och, geef ons toch genade om velen voor Jezus te winnen! Laat ons in onze bediening niet onvruchtbaar blijven, maar geef dat wij met blijdschap mogen uitroepen dat wij de geliefden van de Heere zijn, en onze nakomelingen met ons. Mogen wij vele geestelijke kinderen en vruchten ontvangen, die straks met ons naar de troon zullen opgaan, zodat wij voor Hem mogen getuigen: „Zie, hier ben ik, en de kinderen die U mij gegeven hebt.”

Heere, zegen het brede werk van Uw gemeente en al haar afzonderlijke takken, en laat daardoor Uw koninkrijk krachtig komen in de harten van grote menigten. Gedenk alle getrouwe kerken die waarachtig voor Jezus arbeiden, en al die afzonderlijke broeders en zusters die in eenzame omstandigheden voor U arbeiden, ieder op hun eigen plek. Laat de heerlijke Naam van de Heere Zelf door tienduizenden getuigen wijd en zijd bekendgemaakt worden. Geef het Woord, o Heere, en groot moge de schare zijn van hen die het vrijmoedig verkondigen. Laat heel dit ons geliefde land de levende Christus leren kennen en in ootmoed tot Zijn voeten vlieden. Laat de donkerste plaatsen van deze reusachtige stad verlicht worden door de zoete, reddende Naam van Jezus. En laat dan al de heidenen U leren kennen, en de uiterste einden der aarde van Uw heil horen.

Och, verkondig Uw goddelijk heil uit van het hout van het kruis af, en laat het krachtig van de hemelse troon worden uitgeroepen in koninklijke, genadige afkondigingen: „De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.”

Ons hart lijkt in zijn verlangen haast niets anders meer te willen vragen nu het zover gekomen is, en toch willen wij nog een ogenblik terugkeren tot onze diepe afhankelijkheid en zeggen: Heere, vergeef ons al onze dagelijkse zonden. Heere, heilig onze hele persoon naar geest, ziel en lichaam. Heere, leid ons staande in elke moeite. Heere, voorzien Gij getrouw in al onze tijdelijke en geestelijke noden. De Heere lere ons Zelf. De Heere volmake ons volkomen. De Heere vertrooste ons in alle smart. De Heere make ons bekwaam voor de spoedige verschijning van Zijn Zoon uit de hemel!

En nu keren wij ten slotte weer terug tot dat ene grote verlangen dat ons hart nog altijd geheel en al schijnt te vervullen en in beslag te nemen. Och, dat Christus weldra mocht komen! Och, dat Uw eeuwige Woord weldra bekend mocht worden tot aan de uiterste einden der aarde! Heere, zij sterven daar buiten, zij komen in massa’s om, zij gaan in blindheid heen bij menigten! Telkens wanneer de zon opgaat en weer ondergaat, gaan onnoemelijke menigten verloren! Vertoef toch niet langer, wij smeken U. Geef wonderbare vleugels aan de voeten van Uw boden en heilig vuur in hun mond, opdat zij Uw Woord verkondigen met de snelheid en de overweldigende kracht van de Pinksterdag. Och, dat Uw koninkrijk nu spoedig mocht komen en Uw heilige wil mocht geschieden op aarde gelijk in de hemel — want van U is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen.

© Vertaling C. H. Spurgeon’s Prayers door Teun van der Plas

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content