
GEBED 4
O HEERE God, oneindige en onuitputtelijke Fontein van alle volheid! Wij, die in onszelf niets dan uiterste leegte zijn, komen tot U om alles wat wij maar nodig hebben, en wij zullen gewis niet tevergeefs tot U komen, want wij brengen een pleitgrond mee die alles vermag. Wij komen op het onfeilbare bevel van Uw Woord, bemoedigd door Uw kostelijke belofte en voorafgegaan door Christus Jezus, onze grote, getrouwe Hogepriester. Daarom weten en geloven wij dat al wat wij in dit gebed vurig zullen begeren, wij, gelovende, ook vastelijk zullen ontvangen. Help ons nu om enkel en alleen het rechte te vragen, en laat de meditaties en de redenen van onze mond welbehaaglijk zijn voor Uw heilig aangezicht, o God, onze onverwoestbare Sterkte en onze eeuwige Verlosser.Wij willen allereerst Uw gezegende, aanbiddelijke Naam verheffen en aanbidden, die voor eeuwig van ganser harte bemind moet worden. „De hele aarde aanbidt U, o eeuwige Vader.” De hemelse gewesten zijn vol van Uw verblindende heerlijkheid. Och, dat de harten van de mensen op aarde daarmee vervuld waren! Och, dat de edelste schepselen die U ooit hebt gemaakt, die U in het Paradijs van God hebt gesteld en voor wie de dierbare Zaligmaker Zijn eigen kostelijk bloed heeft vergoten, U nu eens liefhadden met heel hun ziel en met al hun kracht!
De getrouwen, de uitverkorenen, de krachtig geroepenen en de heerlijk afgezonderden stemmen eendrachtig in met dat eeuwige lied. Al Uw verloste kinderen loven U, o God! Als de God van onze eeuwige verkiezing verheffen wij U om Uw onveranderlijke, soevereine liefde. Als de God en Vader van onze Heere Jezus Christus zegenen wij U voor die onuitsprekelijke gave van Uw liefde: het offer van Uw eigen Eniggeborene. Menselijke woorden zijn slechts ijle lucht en onze tongen zijn niet meer dan nutteloze klei, en Uw ontferming is volkomen goddelijk. Daarom kan geen enkel menselijk woord van ons „de hoogte van dit grote onderwerp bereiken” of Uw waardige lof laten weerklinken voor deze weergaloze daad van genade.
Wij zegenen U evenzeer, goddelijke Zoon van God, de Vader gelijk en even eeuwig als Hij, dat U het niet hebt versmaad om uit een maagd geboren te worden, en dat U, in de ware gedaante van een mens gevonden, nooit hebt geweigerd gehoorzaam te worden tot de dood toe, ja, tot de vernederende dood van het kruis. Laat Uw heilig voorhoofd nu omkranst worden met iets oneindig beters dan bittere doornen. Laat daar de eeuwige diadeem van majesteit voor altijd schitteren! Gij zijt geslacht en hebt ons door Uw eigen kostelijk bloed voor God gekocht. U zij de eeuwige heerlijkheid, en de eer, en de kracht, en de majesteit, en de onbeperkte heerschappij, en de almachtige sterkte, tot in alle eeuwigheid!
En evenzeer U, allergezegendste Heilige Geest: Gij, Die eertijds over de donkere chaos zweefde en al de vormeloze dingen tot harmonieuze orde bracht; Gij, Die het menselijke lichaam van vlees van Gods Zoon wonderbaarlijk verwekte; Gij, Die ons eens dood zijnde levend hebt gemaakt tot een waar geestelijk leven; door Wiens goddelijke, inwendige kracht wij geheiligd worden en de vaste hoop mogen hebben bekwaam gemaakt te worden om deel te krijgen aan de erve der heiligen in het licht: ook U zij de eeuwige halleluja toegezwaaid, tot in alle eeuwigheid!
O Heere, onze ziel verlangt zo vurig naar woorden van heilig vuur, maar wij kunnen ze in onze zwakheid niet bereiken! Och, wanneer zullen wij eindelijk deze drukkende klei mogen afleggen, die nu nog zo slecht past bij ons loflied? Wanneer zullen wij met onvermoeide vleugels kunnen opstijgen naar Uw hemelse troon, en U voor eeuwig ongestoord loven, wanneer wij eindelijk al die vlammende sonnetten geleerd hebben die eens door de cherubs daarboven worden gezongen?
Toch, zelfs die hemelse sonnetten zijn nog niet rijk genoeg voor de volheid van Uw heerlijkheid. Wij willen en zullen U een eeuwig nieuw lied zingen. Wanneer wij de gouden kust bereiken, zullen wij de onvermoeide voorzangers worden van de eeuwige muziek. „Dag zonder nacht” zullen wij „juichend rondom Gods troon gaan”, en het de volheid van onze onuitsprekelijke heerlijkheid, onze eeuwige zaligheid en onze hemel achten om de palmtak te zwaaien en onze koninklijke kronen met onze triomferende liederen aan Uw voeten neder te werpen, tot in alle eeuwigheid!
Onze Vader, Die in de hemelen bent, hierna willen wij vurig bidden voor al de armen die nooit aan U denken; die door Uw hand geschapen zijn en toch volkomen vreemden voor U zijnbleven; die door Uw dagelijkse mildheid rijkelijk gevoed worden en toch nimmer hun stem tot U durven verheffen, maar leven voor zichzelf, voor deze boze wereld, voor de satan en voor de vernietigende zonde. Vader, zij kunnen niet eens voor zichzelf bidden, want zij zijn geestelijk dood in hun misdaden. Uw levend gemaakte kinderen bidden nu smekend voor hen. Zij willen uit eigen beweging niet tot U komen, want als dolende schapen zijn zij verloren. Maar O, zoek Gij hen, Vader, zoek hen op en breng hen in genade terug!
O onze heerlijke Heere, U hebt ons Zelf geleerd om zo voor anderen in de breuk te staan. Want de vrije genade die zulke onwaardige zondaars als wij heeft kunnen vinden, moet immers ook de snoodsten onder de snoden kunnen opzoeken en redden! Och, wij kunnen en mogen in ons hart niet roemen op wat wij uit onszelf zijn. Wij kunnen niet roemen op wat wij van nature geweest zijn. Hadden wij rechtvaardig ons eigen verdiende vonnis ontvangen, dan waren wij allang in de diepte van de hel geweest. Hadden wij vandaag onze eigen, natuurlijke en door en door verdiende plaats gehad, dan zouden wij nog in de bittere gal en in de verstikkende samenknoping van de ongerechtigheid verkeren. Het is enkel en alleen Uw rijke, vrije, soevereine, onderscheidende genade die ons eertijds uit het diepe, modderige slijk heeft opgehaald en onze wankelende voeten op een vaste rotssteen heeft gezet. En zouden wij dan nu nog weigeren om voor anderen te bidden? Zouden wij ook maar iets onbeproefd laten voor hun eeuwige bekering? Zouden wij niet bitter wenen voor hen die zelf geen tranen hebben, en luid roepen voor hen die geen eigen gebeden kennen? Vader, wij moeten het doen, en wij zullen het doen!
„Graag zou ons erbarmen hen terugwinnen en de vuurbranden uit de vlam rukken.”
Er zijn er onder hen die volkomen onverschillig zijn voor alle goddelijke dingen. Wilt U krachtig indruk op hun hart maken! Moge een verdwaald schot van Uw Woord hun slapende geweten diep treffen! Och, dat zij er toch toe geleid mochten worden om ernstig hun werkelijke toestand en hun eeuwig einde te overdenken! Mogen indringende gedachten aan de onvermijdelijke dood en aan de naderende eeuwigheid als machtige golven onweerstaanbaar tegen hun harde ziel slaan! Och, moge het stralende licht van de hemel diep in hun verduisterd geweten schijnen! Mogen zij zichzelf gaan afvragen waar zij nu zijn en wat zij in wezen zijn, en mogen zij met een vast, volkomen voornemen van het hart tot de levende Heere bekeerd worden!
Er zijn daarentegen anderen die wel diep bekommerd zijn, maar zij hinken gedurig op twee gedachten. En ach, er zijn er onder hen die wij innig liefhebben naar het vlees, en die toch nog altijd niet resoluut voor God hebben gekozen. Zie, het trilt in de weegschaal! Werp Uw krachtige kruis erin, o grote Jezus, en doe de weegschaal voor eeuwig doorslaan! O onweerstaanbare Liefde, kom tevoorschijn en neem met een gezegende, hemelse bestorming de harten in die tot op de dag van vandaag nog niet gezwicht zijn voor al de indringende aanvallen van de wet! Och, dat sommigen die zelfs in de hete oven van de Sinaï nooit vermurwd konden worden, nu mochten wegsmelten door de warme stralen van liefde uit de betraande ogen van de Heiland!
Heere, Heere, als er ergens een hart is dat nu zegt: „Zie, nu geef ik mij onvoorwaardelijk over. Zie! Aan Uw voeten leg ik al de wapens van mijn opstand neder en houd ik op Uw vijand te zijn, o Gij Koning van alle koningen” — ja, als er iemand is die in de ziel belijdt: „Ik ben door Uw genade bereid om aan Christus ondertrouwd te worden, gewassen te worden in Zijn verzoenend bloed, en geroepen te worden in Uw gerechtigheid” — breng die gewillige zondaar dan nu onmiddellijk binnen! Laat er geen uitstel meer zijn, maar moge dit kostbare ogenblik het gezegende uur zijn waarop de grote, eeuwige overeenkomst eens voor altijd gesloten wordt, en zij voor eeuwig van hun Heere zijn en Hij gans en al van hen!
Och, dat wij onze hele ziel in het gebed konden uitstorten voor al die arme, onbekeerde mensen! Gij weet immers waar zij allen over enkele korte jaren zullen zijn! Och, bij Uw heilige toorn, wij bidden U, laat hen die eeuwige ramp toch niet verduren! Bij de verschrikkelijke vlammen van de hel, het behage U hen almachtig vrij te kopen, opdat zij nimmer in de bodemloze kuil neerdalen! Bij alles wat ontzagwekkend en verschrikkelijk is in de toekomende toorn, pleiten wij bij U om ontferming over deze arme mensenkinderen — ja, zelfs over hen die geen enkele barmhartigheid kennen met hun eigen verloren ziel. Vader, hebt U Uw geliefde Zoon dan niet plechtig beloofd dat Hij de moeitevolle arbeid van Zijn ziel zou zien? Wij wijzen U op dat reeds volledig betaalde losgeld!
Wij wijzen U nogmaals op het innige kermen van Uw Zoon, op Zijn bittere doodsangst en Zijn bloedig zweet in Getsemané! Wend, wend Uw heerlijke ogen genadig daarheen, zie dan op al die verloren zondaars, sprek het almachtige woord en gebied hen terstond te leven!
Rechtvaardige Vader, verkwik elke dorre hoek van Uw grote wijngaard, en laat op elke rank van de levende Wijnstok de verkwikkende dauw van de hemel rijkelijk rusten. Och, dat U Uw eigen kerk over de hele wereld wonderbaar wilde zegenen! Laat er een diepe, zichtbare eenheid tot stand komen; of, zo dit nog niet kan, laat dan in elk geval die onzichtbare, mystieke eenheid die er door de eeuwen heen altijd is geweest, door alle ware gelovigen veel beter en warmer erkend worden. Wilt U al onze jammerlijke scheuringen genadig herstellen? Wilt U de brede bressen toemaken die in de muren van het dierbare Sion geslagen zijn?
Och, dat U ons radicaal wilde reinigen van al hetgeen onschriftuurlijk is, totdat alle belijdende christenen wederom terugkeren tot de wet en tot de getuigenis, en al Uw heilige inzettingen en hemelse leerstellingen onverkort blijven bewaren zoals Christus ze indertijd aan Zijn apostelen heeft toevertrouwd!
Gedenk ons eigen land in deze bange tijd van nood. Het behage U op de een of andere wonderbare wijze de heersende nood te verlichten. Doe de raderen van de handel weer krachtig en snel draaien, opdat de menigten in deze grote stad die nu zonder werk zijn, niet langer hoeven te roepen om dagelijks werk en brood. Och, dat U al die verwoestende oorlogen wilden doen ophouden tot aan de uiterste einden der aarde! Of breek, wanneer zij onverhoeds toch uitbreken, daardoor eens de zware boeien van de arme slaaf. En hoe wanhopig en verdorven het kwaad in deze wereld ook moge zijn, geef toch in Uw wijsheid dat de satan als het ware de satan uitwerpt, en dat zijn boze rijk deerlijk verdeeld wordt en zo voorgoed valt.
Maar boven alles: kom, O Gij lang verwachte Messias! Uw oude, trouwe volk, dat U eertijds in hun verblinding verachtte, wacht nog steeds smachtend op U in Uw aanstaande tweede komst. En wij, arme heidenen, die U eertijds niet kenden en U ook volstrekt niet achtten, ook wij zien met een brandend verlangen uit naar Uw glorieuze komst. Vertoef toch niet langer, o dierbare Jezus! Mogen Uw gezegende voeten spoedig weer tastbaar op de Olijfberg staan! Ditmaal zult U daar geen grote druppels bloed meer zweten, maar U zult komen in luister en majesteit om het jaar van de wraak voor Uw harde vijanden uit te roepen en tegelijk het eeuwige jaar van het welbehagen voor Uw verloste volk!
„Wanneer zult U de hemelen scheuren, in majesteit nederdalen?”
De ganse aarde is in bittere barensnood om Uw langverwachte komst. Het hele schepsel zucht en steunt tezamen in onuitsprekelijke pijn tot op dit very uur. Uw eigen volk verwacht U met een brandend hart. Wij verlangen naar Uw komst totdat wij er haast moede van worden. Kom haastelijk, Heere Jezus, o kom haastelijk! Amen, ja stellig amen.
© Vertaling C. H. Spurgeon’s Prayers door Teun van der Plas

