Het Lam is het Licht

Een preek uitgesproken op zondagmorgen 31 juli 1864 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars. Openbaring 21:23

Wie Jezus liefheeft, vindt het zeer aangenaam om te zien hoe de Heere Jezus Christus al van vóór de grondlegging van de wereld altijd de eerste plaats in heerlijkheid heeft ingenomen, en dat zal blijven doen zolang de eeuwigheid duurt. Zien we in het geloof terug naar de tijd van de schepping, dan vinden we onze Heere bij Zijn Vader, als een Voedsterling bij Hem. “Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water. Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes der wereld. Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef; toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte.” Hij was die Wijsheid Die nooit ontbrak bij de raadsbesluiten van de Vader in het grote werk van de schepping, of het nu ging om het ontstaan van de engelen of om het maken van werelden voor mensen. Een van de eerste gebeurtenissen die ooit in de geschiedenis van de Schrift is opgetekend, is deze: “En als Hij wederom de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: En dat alle engelen Gods Hem aanbidden.”

Zulke woorden zijn nooit gesproken over enig schepsel, maar alleen over Hem Die aan de Vader gelijk is en even eeuwig als Hij. Hij is voor eeuwig heerlijk: de Eerstgeborene van alle schepselen, het Hoofd van Gods huisgezin, het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid en de volheid van Zijn heerlijkheid. In de vroegste tijden waarvan wij iets weten, stond Jezus Christus hoog verheven, ver boven alle overheid en macht en elke naam die genoemd wordt. Wanneer de menselijke geschiedenis aanbreekt en de geschiedenis van de Kerk van God begint, ziet u Christus nog steeds op de eerste plaats. Alle voorbeelden en schaduwen van de vroegste Kerk kunnen alleen met Hem als sleutel worden geopend. Het zou niets hebben betekend om uit het zaad van Israël te zijn, als er niet de belofte was geweest van de Silo Die komen zou!

Het zou tevergeefs zijn geweest dat de offers in de woestijn werden gebracht, dat de ark onder de gordijnen verbleef en dat de gouden kruik met het manna onder het verzoendeksel was geborgen, als dat alles niet werkelijk van Christus had gesproken. De godsdienst van de Jood zou volkomen leeg zijn geweest zonder Christus, Die het wezen is van de vroegere schaduwen. Gaat u verder naar de tijd van de profeten: ziet u dan niet in al hun profetieën telkens weer iets van de heerlijkheid van Christus oplichten? Spreken zij niet over Hem wanneer zij de hoogste toppen van welsprekendheid bereiken? Wanneer hun ziel als in een vurige wagen wordt opgenomen, is de mantel die zij achterlaten dan niet een woord dat spreekt van de heerlijkheid van Jezus? Alleen als het over Hem ging, konden zij in vuur en vlam raken. Zelfs wanneer zij de oordelen van God aankondigden, hielden zij tussen de donderslagen van God even stil om enkele druppels barmhartigheid op de mens te laten vallen, in woorden vol belofte over Hem Die komen zou. Het is altijd Christus, van het eerste blad van Genesis tot het slotwoord van Maleachi: Christus, Christus, Christus, en niets dan Christus! Het is heel verheugend, broeders, wanneer we bij een tekst als deze komen, te zien dat het zo was in het begin, zo nu is en altijd zal zijn, tot in eeuwigheid. Amen.

In dat duizendjarig rijk waarover de tekst spreekt, zal Jezus Christus het Licht zijn, en al de heerlijkheid ervan zal van Hem uitgaan. En als de tekst spreekt over de hemel en de zaligheid hierna, dan stromen al het licht, alle zegeningen en alle heerlijkheid daarvan uit Hem voort: “het Lam is haar Kaars.” Lezen we de tekst en denken we na over wat hij vandaag voor ons betekent, dan moeten we belijden dat al onze vreugde en vrede uit dezelfde bron vloeien! Jezus Christus is de Zon der gerechtigheid voor ons, net zo goed als voor de heiligen hierboven. Hoewel ik me bewust ben van mijn zwakheid om zo’n groot onderwerp te behandelen, zal ik dan zo goed als ik kan proberen de Heere Jezus te verheerlijken: in de eerste plaats in de uitnemendheid van Zijn heerlijkheid in het duizendjarig rijk; vervolgens in de hemel; en in de derde plaats in de staat van ieder hemelsgezind mens die op weg is naar het paradijs. In al deze gevallen geldt: “het Lam is haar Kaars.”

Ten eerste dus enkele woorden over het duizendjarig rijk.

Wij zijn hier niet gewend om te profeteren. Er zijn broeders die daar veel vreugde in vinden. Misschien is het goed dat er mensen zijn die hun tijd en gedachten wijden aan dat deel van Gods Woord dat vol verborgenheden is. Maar wat ons betreft: wij zijn zo bezig geweest met het winnen van zielen en met de strijd tegen de gangbare dwalingen van deze tijd, dat we het nauwelijks hebben gewaagd om op de rots van Patmos aan land te gaan of in de donkere schuilhoeken van Daniël en Ezechiël te turen. Toch hebben we altijd dit heel duidelijk geleerd: hier op aarde, waar de zonde en de satan door de val van de mens de overwinning op God behaalden, zal Christus een volkomen triomf behalen over al Zijn vijanden! Niet op een ander slagveld, maar op dit. De strijd is nog niet voorbij. Hij begon met de aanval van de satan op onze moeder Eva, en van die dag tot nu toe heeft Christus het slagveld nooit verlaten. De strijd duurt al duizenden jaren en wordt elke dag feller. Hij is nog niet voorbij, en hij zal ook niet voorbij zijn voordat de kop van de slang werkelijk vermorzeld is en Christus Jezus voor Zichzelf een volkomen overwinning heeft behaald. Denk niet dat de Heere de satan ook maar één veldslag zal gunnen die hij de zijne kan noemen. Wanneer de geschiedenis van de grote veldtocht geschreven wordt, zal er staan: “De HEERE regeert.” Over de hele linie heeft Hij de overwinning behaald. Op elke plaats en elke plek zal er overwinning zijn, en de verovering van Jezus zal volledig en volmaakt zijn.

Wij geloven dus dat Jezus Christus aanbeden zal worden op juist deze aarde, waar het bijgeloof zijn afgoden heeft opgericht! Hier, waar godslastering menselijke lippen heeft bezoedeld, zullen lofliederen opklinken van de eilanden in de zee en van hen die tussen de rotsen wonen! In juist dit land, onder juist die mensen die werktuigen van de satan werden en wier woningen holen van onheil waren, zullen werktuigen van gerechtigheid gevonden worden, lippen die God loven, en aanleidingen tot eeuwige heerlijkheid voor de Allerhoogste. O satan, je mag pochen op wat je gedaan hebt en je mag denken dat je scepter nog veilig is, maar Hij komt, Hij Die rijdt op het witte paard van de overwinning! En wanneer Hij komt, zul je niet tegen Hem bestand zijn, want het tweesnijdend zwaard dat uit Zijn mond uitgaat, zal jou en je legers terugdrijven naar de plaats waar je vandaan kwam. Laten we ons erover verblijden dat de Schrift zo helder en uitdrukkelijk is over dit grote leerstuk van de toekomstige triomf van Christus over de hele wereld!

We hoeven niet in bijzonderheden te treden over de vorm die die triomf zal aannemen. We geloven dat de Joden bekeerd zullen worden en dat zij in hun eigen land teruggebracht zullen worden. We geloven dat Jeruzalem de hoofdstad van het koninkrijk van Christus zal zijn. Ook geloven we dat alle volken zullen wandelen in het licht van de heerlijke stad die te Jeruzalem gebouwd zal worden. We verwachten dat de heerlijkheid die daar haar middelpunt zal hebben, zich over de hele wereld zal verspreiden en haar zal bedekken als met een zee van heiligheid, geluk en verrukking! Daar zien we met blijde verwachting naar uit. In die tijd zal de Heere Zelf door Zijn heerlijke tegenwoordigheid de uiterlijke plechtigheden van Zijn heiligdom overbodig maken. “De stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen.” Misschien worden met zon en maan hier de gewone middelen tot verlichting bedoeld die de Kerk nu nodig heeft. Wij hebben het Heilig Avondmaal nodig om ons te herinneren aan het lichaam en bloed van Christus. Maar wanneer Christus komt, zal er geen Avondmaal meer zijn, want er staat geschreven dat wij het doen “totdat Hij komt.” Wanneer Hij komt, zal dat herinneringsteken zijn einde bereiken, omdat Christus dan Zelf in ons midden zal zijn. U zult dan ook geen predikanten meer nodig hebben, net zomin als mensen kaarsen nodig hebben wanneer de zon opgaat. Zij zullen niet meer tegen elkaar zeggen: “Kent den HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe.” Misschien zijn er in die tijd zelfs nog bepaalde plechtige samenkomsten en zondagen, maar die zullen niet van dezelfde aard zijn als nu, want de hele aarde zal een tempel zijn en elke dag een zondag! Al het werk van de mensen zal priesterlijk zijn; zij zullen in volle zin een volk van priesters zijn en God dag en nacht dienen in Zijn tempel. Alles wat zij ter hand nemen, zal een deel zijn van het lied dat opstijgt tot de Allerhoogste.

O, gezegende dag! Gaf God dat hij al was aangebroken, de dag waarop deze tempels verlaten worden omdat de hele wereld een tempel voor God zal zijn! Maar hoe groot de pracht van die dag ook zal zijn (en het is werkelijk verleidelijk om onze verbeelding hier de vrije loop te laten), hoe helder de muren ook zullen zijn, bezet met chalcedon en amethist, hoe schitterend de poorten, die elk uit één parel bestaan, en hoe groot de luister van de straten van goud, dit weten we: de kern en het wezen, het licht en de heerlijkheid van dat alles zal de Persoon van onze Heere Jezus Christus zijn, “want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars.” Nu wil ik dat de christen hierover nadenkt. In het hoogste, heiligste en gelukkigste tijdperk dat ooit over deze arme aarde zal aanbreken, zal Christus haar Licht zijn! Wanneer de Kerk haar bruiloftskleed aantrekt en zich met juwelen versiert zoals een bruid versierd wordt, zal Christus haar heerlijkheid en haar schoonheid zijn! Zij zal geen oorringen dragen van ander goud dan dat uit Zijn goudmijn van liefde komt. Geen kroon zal op haar hoofd gezet worden die door andere handen gemaakt is dan Zijn handen van wijsheid en genade. Zij zit om te regeren, maar dan op Zijn troon. Zij eet, maar dan van Zijn brood. Zij triomfeert, maar dan door de kracht die altijd toebehoort aan Hem Die de Rots der eeuwen is! Kom dan, christen, sta een ogenblik stil bij uw geliefde Heere! Jezus zal in het duizendjarig rijk het Licht en de heerlijkheid zijn van de stad, het nieuwe Jeruzalem. Merk dan op dat Jezus het licht van het duizendjarig rijk is, omdat Zijn tegenwoordigheid het onderscheid zal uitmaken tussen die tijd en de tegenwoordige. Die tijd zal verwant zijn aan het paradijs.

Het paradijs heeft God als eerste op aarde gemaakt, en het paradijs zal God als laatste maken. De satan heeft het verwoest, en God zal Zijn vijand pas verslagen hebben wanneer Hij het paradijs weer heeft opgericht, wanneer een nieuw Eden opnieuw de ogen van Gods schepselen zal verblijden! Nu zie ik de eigenlijke heerlijkheid en het voorrecht van Eden niet in de rivier die erdoorheen stroomde met haar vier armen, en ook niet daarin dat zij uit het land Havila kwam, waar het goud is. Ik denk niet dat de heerlijkheid van Eden lag in de grazige paden of in de takken die doorbogen onder de heerlijke vruchten. Ik denk dat de heerlijkheid ervan hierin lag: dat de HEERE God wandelde “in den hof, aan de wind des daags.” Dat was het hoogste voorrecht van Adam: dat hij omgang had met de Allerhoogste! In die dagen zongen de engelen liefelijk dat de tabernakel Gods bij de mensen was en dat Hij bij hen woonde. Broeders, het paradijs dat voor ons herwonnen zal worden, zal dit als wezenlijk en onderscheidend kenmerk hebben: dat de Heere onder ons zal wonen! Dit is de naam waarmee de stad genoemd zal worden: Jehova-Samma, de HEERE is daar. Het is waar dat we nu al de tegenwoordigheid van Christus in de Kerk hebben: “En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.” We hebben de belofte dat Hij altijd in ons midden woont: “Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.” Maar dat is toch plaatsvervangend, door Zijn Geest. Spoedig zal Hij persoonlijk bij ons zijn. Diezelfde Man Die eens op Golgotha stierf, zal hier wonen! Hij, diezelfde Jezus Die van ons is opgenomen, zal op dezelfde wijze komen als Hij werd opgenomen voor de ogen van de Galilese mannen die Hem nastaarden. Verblijd u, verblijd u, geliefden, dat Hij komt, werkelijk en waarachtig komt! En dit zal de vreugde van die tijd zijn: dat Hij onder Zijn heiligen is, in hen en bij hen woont, en in hun midden met hen spreekt en wandelt.

De tegenwoordigheid van Christus zal de oorzaak zijn van de vrede in dat tijdperk. In die zin zal Christus er het Licht van zijn, want Hij is onze vrede. Door Zijn tegenwoordigheid zal de leeuw stro eten als de os en zal de luipaard bij de geitenbok nederliggen. Het is niet omdat de mensen meer verlicht zijn en door de voortschrijdende beschaving beter geleerd hebben, dat zij hun zwaarden tot spaden zullen slaan. Het is algemeen bekend dat hoe beschaafder de volken worden, des te verschrikkelijker hun vernietigingswapens worden. En wanneer zij oorlog voeren, worden hun oorlogen steeds bloediger en langduriger. Ik durf te zeggen dat, als Christus over duizend jaar nog niet gekomen is en er dan een oorlog uitbreekt, wij in plaats van tien of twintig jaar, zoals nu, een eeuw lang zullen vechten, met een giftige haat tegen elkaar en met de middelen om zo’n oorlog te voeren! In plaats van vooruit te gaan in vreedzaamheid, vrees ik werkelijk dat de wereld is achteruitgegaan. We kunnen er nu zeker niet op roemen dat we in rustige, vredige dagen leven. Maar de tegenwoordigheid van Christus zal de harten van de mensen veranderen. Dan zullen zij uit zichzelf, bij het zien van de grote Vredevorst, hun wapenrusting en oorlogswapens wegwerpen en geen oorlog meer leren. In die zin is Hij dus het Licht van die tijd, omdat Zijn tegenwoordigheid de oorzaak van die gelukkige periode zal zijn.

Verder is de tegenwoordigheid van Christus voor die periode het bijzondere onderricht. Zij zullen geen kaars nodig hebben, noch het licht van de zon of van de maan. Waarom niet? Omdat de tegenwoordigheid van Christus voor de mensenkinderen onderwijs genoeg zal zijn. Wanneer de Heere Jezus Christus komt, zal het bijgeloof geen ernstig getuigenis meer nodig hebben om weerlegd te worden: het zal zijn hoofd verbergen. De afgodendienst zal geen zendeling meer nodig hebben die ertegen preekt: de afgoden zal Hij volkomen wegdoen en ze voor de mollen en de vleermuizen werpen. Mannen en vrouwen zullen hun ongeloof opgeven wanneer zij Christus zien en weten dat Hij in heerlijkheid op aarde regeert. De Jood zal de Zoon van David herkennen, en de heiden zal zich verheugen om Hem te aanbidden Die eens gedood werd als de Koning der Joden. De tegenwoordigheid van Christus zal meer doen voor de verlichting van Zijn Kerk dan het onderwijs van al haar ambtsdragers en predikanten in alle eeuwen. Zij zal dan, terwijl zij haar Heere aanschouwt, tot volle kennis komen en Gods Woord volkomen begrijpen.

Verder zal Christus het Licht van die periode zijn omdat Hij er de heerlijkheid van is. O, het is nu al de heerlijkheid van de christen om te bedenken dat Christus in de hemel regeert! Daarop roemen we in elke tijd van neerslachtigheid en wanneer we terneergeslagen zijn: dat Hij verhoogd is en zit aan de rechterhand van de Vader! Maar de heerlijkheid van die tijd zal zijn dat Christus gekomen is, dat Hij zit op de troon van David én op de troon van God, en dat Zijn vijanden voor Hem buigen en het stof lekken. Bedenk eens, mijn broeders, hoe luisterrijk die tijd zal zijn, wanneer zij Hem uit elk volk en elk land hun schatting zullen brengen! Wanneer uit elk land lofzangen zullen opklinken! Wanneer de straten van die stad elke dag vol aanbidders zullen zijn! Wanneer Hij zal uitgaan overwinnende, en opdat Hij overwonne, en Zijn heiligen Hem zullen volgen op witte paarden! Wij kennen soms hoogtijdagen en feestdagen waarop koningen en prinsen zich buiten vertonen; dan zijn de straten vol en klimmen de mensen zelfs tot bij de schoorstenen om hen voorbij te zien rijden. Maar hoe zal het zijn om Koning Jezus te zien, gekroond met de kroon waarmee Zijn moeder Hem kroonde op de dag van Zijn bruiloft? Wat een tegenstelling met de stoet die zich door de straten van Jeruzalem slingerde, langs de Via Dolorosa naar de heuvel van de terechtstelling. Wat een tegenstelling, zeg ik! Toen volgden vrouwen Hem en weenden, maar nu zullen mannen Hem volgen en juichen van vreugde! Toen droeg Hij Zijn kruis, maar nu zal Hij rijden in koninklijke luister! Toen bespotten Zijn vijanden Hem en verlustigden zij hun ogen aan Zijn lijden, maar dan zullen Zijn vijanden beschaamd worden en met schande bedekt! En op Hem Zelf zal Zijn kroon bloeien! Toen was het het uur van de duisternis en de tijd van de vorst van de afgrond, maar dan zal het de dag van het licht zijn, de overwinning van Immanuël, en het klinken van Zijn lof op aarde en in de hemel! Overdenk deze gedachte eens. Hoewel ik er maar zo zwak over spreek, mag het uw hart in verrukking brengen dat Christus de Zon is op die lang verwachte, gezegende dag! Christus zal de hoogste berg zijn van alle heuvels van vreugde, de breedste rivier van alle stromen van verrukking! Wat er ook aan luister en triomf zal zijn, Christus zal er het middelpunt en de ziel van zijn! O, om daar bij te zijn en Hem te zien in Zijn eigen licht, de Koning der koningen en Heere der heren!

Nu willen we onze gedachten een andere kant op richten, van het duizendjarig rijk naar de staat van de verheerlijkten in de hemel zelf. “De stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen.”

De bewoners van de betere wereld zijn onafhankelijk van wat schepselen hun kunnen bieden. Laten we daar even over nadenken. We hebben geen enkele reden om aan te nemen dat zij elke dag bidden: “Geef ons heden ons dagelijks brood.” Hun lichamen zullen in eeuwige jeugd leven. Zij zullen geen kleding nodig hebben. Hun witte klederen zullen nooit verslijten en ook nooit bezoedeld worden. Op aarde zijn we tevreden als we voedsel en kleding hebben, maar van de hemelingen geldt: “zij arbeiden niet, en spinnen niet; en Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze.” Toch leveren de velden hun geen vlas of ander materiaal voor kleding, en de akkers van de hemel brengen hun geen brood voort. Zij zijn verzadigd doordat ze op God leunen; zij hebben geen schepsel nodig om hen te steunen. Zij hebben geen medicijnen nodig om hun ziekte te genezen, want “geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek.” Zij hebben geen slaap nodig om van hun vermoeidheid te herstellen. Hoewel de slaap zoet en verkwikkend is, Gods eigen medicijn, rusten zij dag noch nacht, maar loven Hem onvermoeibaar in Zijn tempel. Zij hebben in de hemel geen maatschappelijke banden nodig. Hier hebben we vriendschap en de liefde van het gezin nodig, maar daar nemen zij niet ten huwelijk en worden zij niet ten huwelijk uitgegeven. Welke troost zij ook ontlenen aan de omgang met elkaar, het is iets extra’s, iets daarboven; zij hebben het niet nodig, want hun God is hun genoeg. Daar zullen zij geen leraars nodig hebben. Ongetwijfeld zullen zij met elkaar spreken over de zaken van God en elkaar vertellen welke wonderlijke daden de Heere voor hen gedaan heeft, maar zij zullen dat niet nodig hebben om onderwezen te worden. Zij zullen allen van de Heere geleerd zijn, want in de hemel geldt: “de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars.” In de hemel is men dus volkomen onafhankelijk van alle schepselen. Er is geen zon en geen maan nodig, nee, helemaal geen schepsel! Hier leunen we op de arm van een vriend, maar daar leunen zij op hun Geliefde, en op Hem alleen. Hier hebben we de hulp van onze metgezellen nodig, maar daar vinden zij alles wat zij nodig hebben in Christus alleen. Hier zien we uit naar de spijs die vergaat en naar de kleding die door de mot wordt verteerd, maar daar vinden zij alles in God. Wij moeten een emmer gebruiken om water uit de put te halen, maar daar drinken zij aan de bron zelf en zetten zij hun lippen aan het levende water. Hier brengen de engelen ons zegeningen, maar dan zullen we geen boden uit de hemel meer nodig hebben. Daar hebben zij geen Gabriëls nodig om hun liefdesbrieven van God te brengen, want daar zien zij Hem van aangezicht tot aangezicht. O, wat een gezegende tijd zal dat zijn, wanneer we boven alle tweede oorzaken uitgestegen zijn en hangen aan de ontblote arm van God! Wat een heerlijk uur, wanneer niet Gods schepselen, niet Zijn werken, maar God Zelf, Christus Zelf onze dagelijkse vreugde zal zijn!

“Ondergedompeld in de diepste zee van de Godheid,
en verloren in Zijn onmetelijkheid.”

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Onze zielen zullen dan de volmaaktheid van de zaligheid bereikt hebben. Hoewel het duidelijk is dat de verheerlijkten in de hemel volkomen onafhankelijk zijn van de hulp van schepselen, moet u niet vergeten dat zij voor hun vreugde geheel afhankelijk zijn van Jezus Christus. Hij is hun enige geestelijke Licht. Zij hebben in de hemel niets anders dat hun volmaakte voldoening geeft dan Hem Zelf. De woorden die hier gebruikt worden, “het Lam is haar Kaars”, kunnen op twee of drie manieren gelezen worden. Als u geduld met mij hebt, willen we ze zo lezen.

In de hemel is Jezus het Licht in de betekenis van vreugde, want licht is in de Schrift altijd het zinnebeeld van vreugde. Duisternis duidt op verdriet, maar het opgaan van de zon wijst op de terugkeer van heilige vreugde. Christus is de vreugde van de hemel. Verblijden zij zich in gouden harpen, palmtakken en witte klederen? Misschien wel, maar zij verblijden zich daarin alleen als in liefdesgaven van Hem. Hun blijdschap bestaat hieruit: “Jezus heeft ons verkoren, Jezus heeft ons liefgehad, Jezus heeft ons gekocht, Jezus heeft ons gewassen, Jezus heeft ons bekleed, Jezus heeft ons bewaard, Jezus heeft ons verheerlijkt; hier zijn we, geheel door de Heere Jezus, door Hem alleen.” Elk van deze gedachten zal voor hen zijn als een tros van de wijnstokken van Eskol. Ik denk zelfs dat er een eeuwige bron van vreugde ligt in die ene gedachte: “Jezus heeft mij gekocht met Zijn bloed.” O, om op de bergen van de hemel te zitten, uit te kijken over de nederige heuvel Golgotha en de Zaligmaker te zien bloeden! Welke gevoelens van vreugde zullen de diepten van onze ziel beroeren wanneer we bedenken dat Hij daar aan het bloedige hout Zijn leven niet dierbaar heeft geacht, opdat Hij ons voor God zou verlossen!

“Ik zal de top van Golgotha beklimmen,
de hoogten en diepten van de genade aanschouwen,
de purperen druppels tellen en zeggen:
‘Zo zijn mijn zonden weggewassen.’”

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

In de heerlijkheid denken zij na over het karakter en de Persoon van Jezus, en dat zijn voor hen bronnen van verrukking. Zo overpeinzen zij: Jezus is de eeuwige God. Zijn vijanden smaadden Hem, maar toch is Hij God. Jezus werd het Kind van de maagd. Jezus leefde een heilig leven, en Jezus stierf. Maar zie welke triomf er voortkomt uit Zijn vernedering en Zijn schande: Hij staat op, Hij vaart op en voert de gevangenis gevankelijk; Hij deelt gaven uit onder de mensen! Hij regeert over aarde, hel en hemel, Koning der koningen en Heere der heren. “De heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst.” Wanneer ik naar de Messiah van Händel luisterde, waarin die grote musicus elk instrument wekt om de Naam van Jezus te prijzen, voelde ik me bereid te sterven van overmatige verrukking dat zulke muziek ooit door een sterfelijk mens gecomponeerd is ter ere van onze grote Messias. Maar hoe zal de muziek van de hemelse koren zijn? Hoe zouden harten als de onze barsten en zielen als de onze uit hun lichaam springen, als zij hier al de vreugde konden kennen die de hemelingen daarboven kennen! Maar, geliefden, onze vermogens zullen versterkt worden, ons bevattingsvermogen zal vergroot worden, ons hele wezen zal verruimd worden, en zo zullen we de volle klank van de muziek van de serafs kunnen verdragen en erin kunnen meezingen zonder te bezwijken van verrukking, terwijl zij zingen van de heerlijkheid van de Zoon des mensen, de Zoon van God! Christus is dus het Licht van de hemel, omdat Hij het wezen van haar vreugde is.

Licht kan ook in een andere betekenis worden opgevat. Licht is de oorzaak van schoonheid. Dat is u allen duidelijk. Neem het licht weg, en er is nergens meer schoonheid. De mooiste vrouw bekoort het oog niet meer dan een hoop as wanneer de zon verdwenen is. Uw tuin mag vrolijk zijn met veelkleurige bloemen, maar als de zon ondergaat, kunt u ze niet meer onderscheiden van het gras eromheen. U kijkt naar de bomen, prachtig in hun zomergroen, maar als de zon ondergaat, zijn ze allemaal in het zwart gehuld. Zonder licht flitst er geen glans uit de saffier en gaat er geen zachte straal uit van de parel. Er blijft niets van schoonheid over als het licht weg is. Licht is de moeder van de schoonheid. In die zin zijn de Heere God, de Almachtige, en het Lam het Licht van de hemel; dat wil zeggen: alle schoonheid van de heiligen daarboven komt van de mens geworden God. Hun voortreffelijkheid, hun vreugde, hun triomf, hun heerlijkheid en hun verrukkelijke zaligheid komen allemaal uit Hem voort. Als planeten weerkaatsen zij het licht van de Zon der gerechtigheid. Zij leven als stralen die uitgaan van het middelpunt van het licht, als stromen die opspringen uit de eeuwige bron. Als Hij Zich terugtrok, zouden zij moeten sterven. Als Zijn heerlijkheid gesluierd werd, zou hun heerlijkheid moeten uitdoven. Denk daaraan, christen, en u zult er zeker aan herinnerd worden hoe waar dit is, onder de hemel én daarboven: als licht de moeder van de schoonheid is, dan is Christus het Licht! Er is niets goeds, niets lieflijks en niets genadigs aan ook maar één van ons, behalve wat we van Christus ontvangen, en van Christus Jezus alleen. “Het Lam is haar Kaars.”

Een andere betekenis van licht in de Schrift is kennis. Onwetendheid is duisternis. Nu, in de hemel hebben zij geen kaars nodig, noch het licht van de zon, omdat zij genoeg licht van Christus ontvangen; Christus is de bron van alles wat zij weten. Ik meen dat het dr. Dick is die zegt dat de genietingen van de hemel waarschijnlijk zullen bestaan uit het gaan van ster tot ster, om de werken van God te zien in verschillende delen van Zijn heelal, de bouw van levende schepselen te bewonderen, de geologie te bestuderen, over de golven van de ether te varen en van wereld naar wereld te reizen. In zo’n hemel geloof ik geen ogenblik! Ik vind dat geen waardige bezigheid voor onsterfelijke geesten, en als er niets anders was om me dat te doen denken, zou de tekst al genoeg zijn: “En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen.” De werken van God zijn niet nodig om haar inwoners te onderwijzen, “want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht.” De heerlijkheid, niet van Gods werken, maar van Gods Zoon, is hun heerlijk Licht:

“De wijde aarde en de uitgestrekte zee
verkondigen de wijze en machtige God,
en Uw rijke heerlijkheid fonkelt van verre
in elke ster die haar baan gaat.
Maar in Zijn aanblik staat een heerlijkheid,
het edelste werk van Uw handen;
de lieflijke glans van Zijn ogen
overstraalt de wonderen van de hemel.”

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Waar Jezus is, hebben zij geen licht van zon of maan nodig. Hoe goed de zon en de maan ook van God mogen spreken, we zullen ze niet meer van dag tot dag nodig hebben om hun licht over de hele aarde uit te zenden en hun woorden tot aan het einde van de wereld, want de heerlijkheid van Christus zal ons alles leren wat we willen weten. En de onverhulde heerlijkheid van God aanschouwen zal veel beter zijn dan de werken van de natuur onderzoeken, al hadden we het ontdekkingsvermogen van een engel. Wanneer we in de hemel komen, zullen we in vijf minuten meer van Christus weten dan in al onze jaren op aarde.

Dr. Owen was een meester in de theologie, maar het kleinste kind dat vanuit de zondagsschool naar de hemel gaat, weet na vijf minuten in de hemel meer van Christus dan dr. Owen. Johannes Calvijn heeft heel diep gegraven, en Augustinus leek tot vlak bij de deur van het grote geheim te komen. Maar Augustinus en Calvijn zouden daar slechts kinderen in de eerste klas zijn; ik bedoel: als zij niet meer wisten dan op aarde. O, welke openbaringen van God zullen er zijn! Duistere wegen van de voorzienigheid die u nooit begreep, zullen dan gezien worden zonder het licht van een kaars of van de zon. Veel leerstukken hebben u voor raadsels gesteld, en u kon de draad door het doolhof van de verborgenheid niet vinden. Maar daar zal alles eenvoudig en helder zijn, zodat zelfs wie voorbijloopt het kan begrijpen. U hebt veel ervaringen opgedaan en bent heen en weer geslingerd, en u hebt uw onwetendheid, uw verdorvenheid en uw zwakheid gevoeld. Maar daar zult u tot op de bodem van de menselijke natuur kijken. U zult de kwaadaardigheid van de menselijke verdorvenheid begrijpen en de hoogten van Gods soevereiniteit, de wonderen van Zijn verkiezende liefde en de grootheid van Zijn goddelijke kracht, waardoor Hij ons de goddelijke natuur deelachtig heeft gemaakt:

“Daar zult u zien en horen en kennen
alles wat u hier beneden begeerde of wenste,
en elk vermogen vindt er een heerlijke bezigheid
in die eeuwige wereld van vreugde.”

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

En deze kennis, zeg ik, zal niet komen van een ondergeschikte tussenpersoon, maar van de Heere God, Die uw heerlijkheid zal zijn, en van Jezus Christus Zelf, Die u alle waarheid zal leren.

Ik mag niet langer bij dit punt stilstaan, behalve om nog één ding te zeggen: licht betekent ook openbaring. “Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden. Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.” Licht maakt openbaar. In deze wereld is het nog niet geopenbaard hoe groot wij gemaakt zullen worden. Gods volk is een verborgen volk; hun leven is met Christus verborgen in God. Zij bezitten Gods geheimenis, en dat geheimenis kunnen andere mensen niet ontdekken. Christus in de hemel is de grote Openbaarder van Gods gedachten. En wanneer Hij Zijn volk daar heeft, zal Hij hen aanraken met de staf van Zijn eigen liefde en hen veranderen naar het beeld van Zijn geopenbaarde heerlijkheid. Zij waren arm en ellendig, maar wat een verandering! Hun lompen vallen af en zij worden als prinsen erkend. Zij waren bevlekt met zonde en zwakheid, maar één aanraking van Zijn vinger en zij zijn helder als de zon en klaar als kristal, veranderd zoals Hij werd op de berg Tabor, witter dan enig voller ze maken kan. Zij waren onwetend en zwak op aarde, maar wanneer Hij hen zal onderwijzen, zullen zij kennen zoals ook zij gekend zijn. Zij werden begraven in oneer, maar zij worden opgewekt in heerlijkheid. Zij werden in zwakheid in het graf gezaaid, maar zij worden opgewekt in kracht. Zij werden weggevoerd door de handen van de meedogenloze dood, maar zij staan op tot onsterfelijkheid en leven. O, wat een openbaring! “Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid,” en Christus is de heilige regen die de oogst boven de grond doet komen. De rechtvaardigen zijn altijd parels, maar zij zijn als het ware verborgen in de oester, en Christus brengt hen tevoorschijn. Zij waren altijd diamanten, maar zij lagen ver weg in het Golconda van de zonde, en Christus heeft hen uit de diepe mijnen omhooggehaald. Zij waren altijd sterren, maar zij waren verborgen achter de wolken. Christus heeft als een snelle wind de wolken weggeblazen, en nu schitteren zij als sterren aan het uitspansel, eeuwig en altoos. In die zin is Christus het Licht van de hemel, omdat door Hem het ware en werkelijke karakter van alle heiligen openbaar geworden is.

Kom, mijn ziel, sla even uw vleugels uit; u hoeft niet ver te vliegen. Stijg op en wandel door de gouden straten, en terwijl u wandelt, zult u niets anders zien dan de verheerlijkte Jezus! Kom naar de troon, en u zult Christus erop zien zitten. Ga zitten en luister naar het lied: Christus is het onderwerp! Ga naar de maaltijd: Christus is de spijs! Voeg u bij de reien: Christus is hun vreugde! Word één met hun grote vergaderingen, en Christus is de God Die zij aanbidden. “Het Lam is waardig, Dat gestorven is,” roepen zij,

“zo verhoogd te worden!”
“Het Lam is waardig,” antwoorden onze lippen,
“want Hij is voor ons geslacht.”

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Nu gaan we over naar onze laatste gedachte. Hierover hoop ik dat we uit ervaring kunnen spreken, terwijl we over de andere twee punten alleen konden spreken door het geloof in de belofte van God. De staat van de hemelsgezinde mens kan met deze woorden worden beschreven.

In de eerste plaats hangt, zelfs op aarde, de vreugde van de hemelsgezinde mens niet af van het schepsel. Broeders, in zekere zin kunnen we vandaag zeggen: “De stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen.” We hebben de blijde helderheid lief die de zon over ons uitstrooit, en we waarderen haar. En wat de maan betreft: wie bewondert niet het schone maanlicht, wanneer de golven verzilverd zijn en de stille natuur het verenkleed van de duif draagt? Maar we hebben de zon en de maan niet nodig! We kunnen zonder hen, want de Zon der gerechtigheid is opgegaan, en er is genezing onder Zijn vleugelen. Er zijn hier vanmorgen broeders en zusters die heel gelukkig zijn, hoewel het lang geleden is dat zij de zon zagen. Door blindheid opgesloten in een voortdurende nacht, hebben zij het licht van de zon of de maan niet nodig, want de Heere God is hun heerlijkheid; Christus is hun Licht. Als onze ogen uitgestoken zouden worden, zouden we kunnen zeggen: “Vaarwel, lieflijk licht; vaarwel, heldere zon en maan! We waarderen jullie zeer, maar we kunnen zonder jullie. Christus Jezus is voor ons als het licht van zeven dagen.”

Zoals we zonder deze twee voortreffelijkste schepselen kunnen, zo kunnen we ook gelukkig zijn zonder andere aardse zegeningen. Onze dierbaren zijn ons zeer kostbaar: we hebben onze vrouw en kinderen, onze ouders en onze vrienden lief. Maar we hebben hen niet nodig. Moge God hen voor ons sparen! Maar als zij weggenomen werden, komt het niet aan op volstrekte noodzaak. U weet immers, geliefden, dat er menige christen is die van alles beroofd werd. Toen de ene steun na de andere werd weggenomen, dacht hij dat hij van verdriet zou sterven. Maar hij stierf niet: zijn geloof kwam boven elke golf uit, en hij verblijdt zich nog steeds in zijn God! Ik weet dat bij de gedachte aan die dierbaren die van u zijn weggenomen, de sluizen van uw verdriet opengaan. Toch hoop ik dat u Christus niet zo ontrouw zult zijn dat u ontkent wat ik nu zeg: dat Zijn tegenwoordigheid alle verliezen kan vergoeden, en dat de glimlach van Zijn aangezicht een paradijs zal maken dat zo zoet is dat er geen droefheid of zuchten in gehoord zal worden:

“U wil ik te allen tijde loven;
als ik U heb, bezit ik alles!
Hoe zou ik ooit beroofd kunnen zijn,
nu ik U niet kan verliezen?”

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Het is heel gelukkig om in omstandigheden te verkeren waarin men geen gebrek aan brood kent. Een huis te hebben, een comfortabel tehuis en genoeg geld voor ons gezin, dat is heel aangenaam. Maar o, beste vrienden, als het op werkelijke nood aankomt, dan heeft de christen dit niet nodig! Hij heeft zelfs hier geen zon of maan nodig! Kijk naar de uitverkoren kinderen van de armoede: zij zwoegen van de morgen tot de avond en komen nooit een duim verder. Zij leven van de hand in de tand, en toch zijn ze gelukkig! Ja, sommigen van hen zijn oneindig veel gelukkiger dan de rijke man met al zijn overvloedige maaltijden en het fijne lijnwaad waarin hij zich hult. Er zijn zelfs mensen geweest die bijna tot de bedelstaf waren gebracht en die zich veel meer in hun armoede verblijdden dan anderen in hun rijkdom. We hebben heiligen van God gezien in het armenhuis, of wegkwijnend in een donker, armoedig ingericht kamertje van een liefdadigheidshuis, en we hebben hen zo blij horen spreken over God en hun staat alsof ze in herenhuizen of paleizen woonden! Ja, menig arm kind van God heeft leren zingen:

“Ik zou mijn gezegende staat niet ruilen
voor alles wat de wereld goed of groot noemt;
en zolang mijn geloof zich kan vasthouden,
benijd ik de zondaar zijn goud niet.”

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Want “de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars.” En dan onze gezondheid: wie kan die genoeg waarderen? Wanneer we op het ziekbed liggen, beginnen we te beseffen wat een onschatbare gave een gezond lichaam was! Maar ach, de christen kan, hoeveel hij ook van zijn gezondheid houdt, zonder haar. Ik heb gehoord van christenen die blind waren en bedlegerig, en die vele jaren hun bed niet uit kwamen. Zij konden door verlamming nauwelijks hun handen optillen en hadden door een slag van Gods hand al vele jaren niet op hun voeten gestaan. Toch verlustigden zij zich in de Heere! Zij lagen daar, slecht verpleegd en slecht verzorgd, en leefden alleen nog om te laten zien in welke mate een sterfelijk mens een en al lijden en een wonder van smart kan worden! En toch heb ik, wanneer ik soms aan zo’n bed stond, meer verrukte uitingen gehoord over tegenwoordige vreugde en toekomstige vooruitzichten dan van Gods sterkste heiligen in hun gezondste uren! Het stervende meisje, van wie de tering de wangen had doen verbleken en het vlees van haar arme, pijnlijke beenderen had weggenomen, verscheen niettemin in een heilige majesteit van kracht. Daaraan zag ik dat zij geen maan of zon nodig had om haar te verlichten, en ook geen gezondheid of kracht om haar moed te geven, want de tegenwoordigheid van Christus maakte haar tot overwinnaar in de uiterste zwakheid en zegevierend in de grimmige tegenwoordigheid van de dood zelf! De christen dan, beste vrienden, leunt op de arm van God. Hij heeft zich door de menigte van schepselen heen gedrongen en hen allemaal gevraagd opzij te gaan, opdat hij dichter bij zijn algenoegzame Heere zou kunnen leven! En als de schepselen, wanneer hij zijn Heere bereikt heeft, hem de rug toekeren en weggaan, dan zegt hij: “Ga maar, allemaal! Ik heb Hem nu! Ik omhels Hem nu! Hij heeft mij gekust met de kussen Zijns monds. U mag op mij spuwen als u wilt; nu Hij zacht tot mij gesproken heeft, mag u mij vervloeken als het u behaagt. Nu Hij mij gezegd heeft dat ik de Zijne ben en Hij de mijne, mogen zelfs mijn vader en mijn moeder mij verlaten, want de Heere heeft mij aangenomen.” Ja, de hemelsgezinde mens heeft, zelfs voordat hij in de hemel komt, de zon en de maan niet nodig, want de heerlijkheid Gods verlicht hem.

We besluiten met de opmerking dat zo’n mens Christus echter hard nodig heeft: hij kan niet verder zonder Christus. O geliefden, als de zon uit het hemelruim werd weggeslagen, wat zou deze wereld dan arm, donker en somber zijn! We zouden rondtasten en naar het graf verlangen. Maar dat zou niets zijn vergeleken met onze ellende als Christus werd weggenomen! O christen, wat zou u doen zonder een Zaligmaker? Wij zouden de ellendigste van alle mensen zijn, wij die Hem eens gekend hebben! Ach, u die Christus niet kent, u kunt het zonder Hem nog redelijk stellen, zoals een arme slaaf die nooit vrijheid heeft gekend en tevreden is in zijn slavernij. De vogel in zijn kooi, die nooit over de velden heeft gevlogen omdat hij in de kooi geboren is, kan het redelijk naar zijn zin hebben. Maar als wij eenmaal onze vleugels hebben uitgeslagen en weten wat vrijheid betekent, kunnen we niet meer van onze Heere buitengesloten worden. Zoals een duif zich doodtreurt wanneer zijn gezellin wordt weggenomen, zo zouden wij treuren als Christus weg was. We kunnen zonder licht, zonder vriendschap, zonder leven, maar we kunnen niet leven zonder onze Zaligmaker! O, zonder Christus te zijn! Mijn ziel, wat zou u in de wereld doen zonder Hem, te midden van haar verleidingen en zorgen? Wat zou u ’s morgens zonder Hem doen, wanneer u wakker wordt en vooruitziet naar de strijd van de dag? Wat zou u doen als Hij niet Zijn hand op u legde en zei: “Vrees niet, want Ik ben met u”? En wat zou u ’s avonds doen, wanneer u afgemat en moe thuiskomt, als er geen gebed was, geen deur van toegang tussen u en Christus? Wat zouden we doen zonder Christus in onze beproevingen en ziekten? Wat zouden we doen wanneer we moeten sterven, zonder iemand Die ons sterfbed zo zacht doet aanvoelen als donzen kussens?

O, als de lach van de ongelovige waarheid bevatte, dan zou hij ons wel bitter in de oren klinken, want het zou voor ons een bittere waarheid zijn. Geen Christus? Dan is sterven inderdaad vreselijk! Zulke hoge verwachtingen te hebben en ze allemaal verwoest te zien! Zo hoog en luid te hebben geroemd en dan onze mond voor eeuwig gesnoerd te krijgen! Maar, geliefden, zoiets hoeven we niet te veronderstellen, want we weten dat onze Verlosser leeft, en we weten dat Hij het werk van Zijn handen nooit laat varen. Zoals Hij met onze zielen getrouwd is, zal Hij nooit een scheiding aanvragen tegen ook maar één van Zijn geliefde kinderen, maar Hij zal ons vasthouden en zegenen tot we sterven. En wij van onze kant zullen van ons geestelijk leven belijden dat het Lam er het Licht van is. Van elke dag en elke nacht, van elke vreugde en elk verdriet geldt: het Lam is tot nu toe ons Licht geweest en zal dat zijn tot we sterven.

Als dit zo is, hoe donker is het dan voor hen die het Lam niet kennen! In welke ellende en onwetendheid tast u rond, u die de Zaligmaker niet kent! Wilt u Christus kennen, wilt u het geluk hebben om aan Zijn borst te rusten? Vertrouw dan op Hem, want ieder die op Hem vertrouwt, is gered. Christus vertrouwen is het zaligmakend geloof dat de ziel uit de veroordeling brengt. “Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld.” Vertrouw, schuldig als u bent; vertrouw op Zijn verzoening, en zij zal u wassen! Vertrouw op Zijn macht: zij zal voor u overwinnen! Vertrouw op Zijn wijsheid: zij zal u beschermen! Vertrouw op Zijn hart: het zal u liefhebben, tot in alle eeuwigheid.

Amen.

Preek nr. 583 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 31 juli 1864, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 10. Oorspronkelijke titel: “The Lamb—The Light”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content