Een preek uitgesproken op zondagmorgen 6 mei 1860 door C. H. Spurgeon in Exeter Hall, Strand, te Londen.
Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag. Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Psalm 32:3-4
David beschrijft hier een ervaring die onder overtuigde zondaren heel algemeen is. Hij werd overvallen door hevige verschrikkingen en gewetenswroeging. Die verschrikkingen hielden aan: ‘s nachts joegen ze hem schrik aan met gezichten, overdag beangstigden ze hem met sombere, duistere voorgevoelens. “Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij.” Zijn pijn was zo hevig dat hij, als hij zich tot het gebed wendde, nauwelijks een woord kon uitbrengen. In zijn geest waren zuchtingen die niet uitgesproken konden worden, en daarom noemt hij zijn gebed een brullen, een “brullen den gansen dag”. Waar hij ook was, zijn geest leek altijd te zuchten en een volle stroom van droevige kreunen naar God op te zenden: een “brullen den gansen dag”.
Dit kreunen ging zo ver dat zijn lichaam er ten slotte de sporen van begon te vertonen. Hij werd oud, en dat niet alleen aan de lijnen in zijn gezicht en de ingevallen wangen; zelfs zijn beenderen schenen in het lijden te delen. Hij werd oud voor zijn tijd. We hebben weleens gehoord van mensen die door zware beproeving in één nacht grijs werden. Maar hier was een man bij wie de zware druk van verdriet over de zonde niet alleen uitwendig, maar zelfs inwendig te zien was. Zijn beenderen verouderden, en het sap van zijn leven, zijn levenskracht, droogde helemaal op: zijn “sap werd veranderd in zomerdroogten”. Zo nauw is het verband tussen lichaam en ziel dat het lichaam, als de ziel zwaar lijdt, zijn deel van het verdriet moet dragen.
Meer over berouw en zonde vindt u in Het berouw van een zondaar.
In dit geval was dat werkelijk niet meer dan rechtvaardig, want David had gezondigd met zijn lichaam en ook met zijn ziel.
Door overspel had hij zijn leden verontreinigd. Hij had met wellustige begeerte uit zijn ogen gekeken en met zijn lichaam ongerechtigheid bedreven. Nu wordt het lichaam, dat het werktuig van de ongerechtigheid is geweest, het middel van de straf, en draagt zijn lichaam zijn deel van de ellende: “mijn sap werd veranderd in zomerdroogten.” Uit wat David in deze psalm zegt, en eigenlijk in alle zeven boetpsalmen, maken we op dat zijn overtuiging van zijn zonde met Bathseba en de moord op Uria die daarop volgde, van de diepste en meest schrijnende soort was. De verschrikkingen die hij doormaakte, waren onbeschrijflijk en vervulden zijn ziel met afschuw en ontzetting.
Vanmorgen wil ik deze toestand behandelen, die zo algemeen is onder hen die van zonde overtuigd worden. Velen schrikken, wanneer de Heere hen tot Zich brengt, van de hardheid van de slag waarmee Hij hen treft en van de strengheid van het vonnis dat Hij over hen uitspreekt. Nadat ik dit heel ernstig heb behandeld, wil ik een paar ogenblikken besteden aan het troosten van een andere groep mensen. Zij zijn, hoe vreemd het ook klinkt, zonder troost omdat zij deze verschrikkingen niet hebben, en ongelukkig omdat zij deze ellende nooit hebben doorgemaakt. Wat een vreemde verkeerdheid van de menselijke natuur! Als God de verschrikkingen zendt, twijfelen we, en als Hij ze onthoudt, twijfelen we evengoed. Moge God de Heilige Geest mijn woorden dubbel zegenen voor deze twee verschillende toestanden waarin mensen verkeren.
1 Ten eerste wil ik mij met liefde richten tot hen die nu DE ONDERWERPEN VAN GODS BERISPING EN DE VERSCHRIKKINGEN VAN GODS WET zijn.
Tot u wil ik als volgt spreken: eerst wil ik de oorzaken van uw verschrikking blootleggen, vervolgens wil ik u vertellen wat Gods bedoeling is als Hij u daaraan onderwerpt, en daarna wil ik u het grote geneesmiddel aanwijzen.
a. De oorzaken van uw verschrikking zijn talrijk, en misschien is de oorzaak in uw geval zo bijzonder dat geen mensenverstand haar kan ontdekken. Toch zal het geneesmiddel dat ik u aan het eind voorhoud, zeker bij uw geval passen, want het is een middel dat alle ziekten bereikt en een heelmiddel voor alle kwalen. U vertelt mij dat u zwaar beproefd wordt door zondebesef en dat uw overtuiging van zonde gepaard gaat met de vreselijkste en somberste gedachten. Ik kan u zonder moeite zeggen hoe dat komt. Vanmorgen ontleen ik mijn indeling aan de oude, eigenaardige Thomas Fuller, wiens boek mij deze week door de Voorzienigheid in handen kwam. Omdat ik het niet beter kan zeggen dan hij, neem ik veel over van wat hij schrijft over de oorzaken van de verschrikkingen van de zondeovertuiging.
Allereerst moeten de wonden diep zijn die worden toegebracht door een hand die zo sterk is als die van God. Bedenk, zondaar, dat het God is Die met u handelt. Toen u dood lag in uw zonden, zag Hij u aan, en nu is Hij niet alleen begonnen u aan te zien, maar ook u te slaan. Hij verwondt u nu met de bedoeling u daarna te genezen. Hij doodt u, om u daarna geestelijk levend te maken. U bent nu in het strijdperk getreden met niemand minder dan de almachtige God. Verbaast het u dan dat Zijn slagen u tegen de grond werpen wanneer Hij slaat? Bent u verwonderd dat Zijn wonden diep zijn en moeilijk te genezen wanneer Hij verwondt? Bedenk bovendien dat u te doen hebt met een vertoornde God. Hij heeft al deze dertig, veertig of vijftig jaar geduld met u gehad in uw zonden, en nu is Hij Zelf uitgetrokken om u te dwingen de wapens van uw opstand neer te leggen en om u gevangen te nemen door Zijn gerechtigheid, zodat Hij u daarna kan bevrijden door Zijn genade.
Is het dan een wonder dat u het moeilijk vindt Hem te weerstaan, wanneer een vertoornde God, een God Die Zijn toorn al die jaren heeft ingehouden, tegen u ten strijde trekt? Is het een wonder dat Zijn slagen u kneuzen en uw beenderen breken, en dat uw geest voelt alsof hij werkelijk moet sterven, verpletterd onder de machtige hand van een wrede? Wees niet verbaasd over al uw verschrikkingen. God op de Sinaï was vreselijk toen Hij kwam om de wet te geven, maar God op de Sinaï moet nog veel vreselijker zijn wanneer Hij komt om de wet in het geweten te brengen en haar daar met kracht te laten treffen. Toen God alleen maar Zijn hand uitstrekte met de twee stenen tafelen, vreesde en beefde Mozes uitermate. Wanneer Hij die stenen tafelen dan op u werpt en u het gewicht laat voelen van de wet die u hebt overtreden, is het geen wonder dat uw geest gekneusd en verminkt wordt en in duizend stukken breekt.
Verder is het geen wonder dat u zwaar beproefd wordt, wanneer u bedenkt op welke plaats God u heeft verwond. Hij heeft u niet in uw hand verwond, of in uw hoofd, of in uw voet. Hij treft uw geweten, het oog van uw ziel. Hij verwondt u in uw hart, in het binnenste van uw ziel. Elke wond die God de overtuigde mens toebrengt, is een wond in het hart zelf, in de edelste delen. Hij snijdt tot in het hart van de lever, laat Zijn pijlen door de gal dringen en verschroeit uw binnenste met pijn. Het is nu geen ziekte die alleen uw huid of uw vlees heeft aangetast; het is iets wat het levensbloed laat koken van brandende pijn. Hij heeft nu Zijn pijlen in het binnenste van uw geest geschoten.
Hij heeft Zijn vingers in uw ogen gestoken en hun licht gedoofd. O, u hoeft u niet te verwonderen dat uw pijnen vreselijk zijn, wanneer God u zo treft in het teerste deel van een geweten dat Hij Zelf door Zijn genade teer heeft gemaakt. Wie zout in zijn wonden gewreven krijgt, moet wel pijn lijden. U bent gegeseld met de tienstrengige zweep van de wet, totdat uw hart helemaal open ligt en bloedt, en nu strooit God als het ware het zout erin en laat al die wonden prikken en schrijnen. O, het zou u moeten verwonderen als u het niet zou voelen, wanneer God zo bitterheid werpt in de bron van uw leven.
Daarnaast is er nog een derde oorzaak van uw pijn, namelijk dat de satan nu met u bezig is. Hij ziet dat God u verwondt en wil niet dat die wonden genezen. Daarom slaat hij zijn tanden erin, rijt het vlees open en probeert zijn gif te gieten in juist dat vlees dat God met het zwaard heeft verwond. “Nu God tegen hem is,” zegt hij, “zal ik ook tegen hem zijn. God drijft hem tot droefheid; ik zal hem nog verder drijven en hem tot wanhoop brengen. God heeft hem tot aan de afgrond gebracht, tot aan de rand van zijn eigengerechtigheid, en hem laten neerzien in de gapende kloof. Nu nog één duw,” zegt de satan, “en hij gaat over de rand.” Daarom komt hij met al zijn kracht op u af, in de hoop dat het uur van uw overtuiging ook het uur van uw veroordeling zal zijn.
Misschien zal hij u verzoeken zoals hij Job deed, totdat u zegt: “Zodat mijn ziel de verworging kiest; den dood meer dan mijn beenderen.” Hij zal proberen u neer te drukken zoals Jeremia, totdat u bijna wenst dat u nooit geboren was, liever dan zo te moeten lijden. U begrijpt wel dat zelfs de bekwaamste chirurg een gewonde nauwelijks kan genezen als een of andere schurk de verbanden steeds wegrukt en de wonden openscheurt zodra ze zich beginnen te sluiten. O, bid tegen de satan! Roep luid tot uw God dat Hij u van deze boze verlost, want hij is de oorzaak van veel van uw nood. Als u van hem af was, zou uw wond misschien spoedig genezen en zou u vrede vinden. Maar bedenk dat het geneesmiddel dat ik u zal voorhouden, een middel is tegen de duivelen. Het brengt de boze tot schande en de zonde tot ondergang. Laten ze tegen u opkomen zoals ze willen: het geneesmiddel dat ik u zal voorhouden, kan de wonden van de satan en het gescheurde vlees van zijn tanden genezen, net zo goed als de zielensmart die God over u heeft gebracht.
U kunt nog een reden ontdekken waarom u zo zwaar gewond bent, wanneer u let op de vreselijke aard van het wapen waarmee God u heeft verwond. Hij heeft geen kleine snee gemaakt met een of ander fijn instrument. Als ik uw geval goed begrijp, heeft Hij “het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord” tegen u gebruikt. Dat Woord veroordeelt u, de bedreigingen ervan treffen u als pijlen met weerhaken. U wendt zich tot de wet zoals die hier geopenbaard is, en die rookt helemaal tegen u. U wendt zich tot de beloften, en zelfs die verwonden u, omdat u voelt dat u er geen recht op hebt. U kijkt naar de kostbaarste schriftplaatsen, maar ze verzachten uw smart niet; ze vergroten die eerder, omdat u ze niet kunt toe-eigenen en ze niet voor uzelf kunt aangrijpen. Nu, dat is God, Die Zijn Woord tegen u gebruikt, en u weet wat voor wapen dat is: “het zwaard des Geestes”, dat “levend en krachtig” is en “gaat door tot de verdeling der ziel, en des geestes”, en dat “een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten” is. Wie door het Woord van God gewond wordt, is diep gewond.
Als het mijn woorden waren die u zo bang hebben gemaakt, zou u er spoedig overheen zijn, maar het zijn Gods woorden. Als het de vloek van een vader was, zou het al moeilijk zijn u te troosten, maar het is Gods vloek die tegen u is uitgegaan: de vloek van de God Die u gemaakt heeft. Hij Zelf heeft u gezegd dat de zondaar niet voor Zijn ogen zal bestaan en dat Hij de werkers der ongerechtigheid haat. Hij Zelf heeft enkele van die ontzaglijke schriftwoorden in uw geweten gebracht: “God is een rechtvaardige Rechter, en een God, Die te allen dage toornt”; “Die den schuldige geenszins onschuldig houdt”; “Onze God is een verterend vuur”; “De goddelozen zullen terugkeren, naar de hel toe, alle godvergetende heidenen.” Met zulke wapens, met roodgloeiende kogels die met alle kracht van de Geest op u worden afgevuurd, is het geen wonder meer dat uw ziel zwaar gepijnigd wordt en dat zelfs uw beenderen verouderen door uw brullen den gansen dag.
Verder is er nog een oorzaak van deze diepe ziekte van de zondeovertuiging, namelijk de dwaasheid van de patiënt. Artsen zullen u vertellen dat zij de ene mens veel sneller kunnen genezen dan de andere, ook al is de ziekte precies dezelfde en worden dezelfde middelen gebruikt. Sommige mensen helpen de arts namelijk door de rust van hun geest en door hun kalme en gelaten houding. Hun hart is gerust, en dat is “een medicijn voor uw navel, en een bevochtiging voor uw beenderen”. Maar anderen zijn prikkelbaar, onrustig, geërgerd en angstig; zij trekken dit in twijfel en dat in twijfel, en dan verliezen de middelen zelf hun werking. Zo is het ook met u: u bent een dwaze patiënt. U wilt niet doen wat u zou genezen, maar u doet wat uw ellende nog verergert.
U weet dat u onmiddellijk vrede in uw geweten zou hebben als u zich op Christus Jezus zou werpen. Maar in plaats daarvan houdt u zich bezig met leerstukken die te hoog voor u zijn. U probeert door te dringen in verborgenheden die zelfs de engelen niet hebben gekend, en zo raakt u duizelig in uw hoofd en maakt u uw hart nog veel droeviger. U weet dat u nog altijd probeert een eigen gerechtigheid tot stand te brengen, en dat maakt uw wonden stinkend en bedorven. U weet ook dat u meer kijkt naar uw geloof dan naar het voorwerp van uw geloof. U let meer op wat u voelt dan op wat Christus voelde. U besteedt meer tijd aan het bekijken van uw overtuigingen dan aan het zien op Christus’ plaatsvervangend offer aan het kruis. U bent een dwaze patiënt: u doet wat uw kwaal verergert.
O, was u maar wijzer, dan zouden deze verschrikkingen en kwellingen eerder voorbij zijn. U zou niet zo lang in de gevangenis blijven als u maar de middelen tot ontsnapping zou gebruiken, in plaats van te proberen met uw hoofd tegen haar sterke muren te beuken. Die muren wijken niet voor al uw razen; ze zullen u alleen maar breken, kneuzen en nog erger verwonden. U probeert uw boeien door te vijlen, maar u klinkt ze juist vast. U probeert ze zelf los te maken, maar u drukt ze nog dieper in uw vlees. U grijpt de hamer, en hier is de boei om uw pols; u denkt hem stuk te slaan, maar u slaat het ijzer door uw vlees en laat het bloeden. Met al uw pogingen om uzelf beter te maken, maakt u het alleen maar erger, zodat veel van uw droeve zondeovertuiging te wijten is aan uw eigen ongerijmdheid, onwetendheid en dwaasheid.
En dan moet ik u nog een reden noemen. Het is geen wonder dat u onder zondebesef grote en vreselijke pijn lijdt, want het is een ziekte waarbij niets u ooit kan helpen dan dat ene geneesmiddel. Alle vreugden van de natuur zullen u nooit verlichting geven. Ik heb eens gehoord van een ijdel man die het gewaad van een geestelijke droeg. In de dagen van Whitefield kreeg hij bezoek van een arm mens dat in grote zielennood verkeerde. Hij zei tegen de boetvaardige: “U bent bij de methodisten geweest.” “Dat weet ik,” zei die. “Ga dan niet meer naar die kerels; zij hebben u gek gemaakt.” “Maar wat moet ik doen om van de zielennood af te komen die ik nu voel?” “Ga naar de schouwburg,” zei hij, “ga naar bals, ga gokken en dergelijke, dan raakt u uw ellende snel kwijt.”
Maar die liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk hij die edik op salpeter giet. Het is iemand zijn kleed afnemen om hem warm te maken. Het is sneeuw op zijn hoofd stapelen om de bevriezing te ontdooien. Het is hem terugsturen naar draf en mest om daarmee zijn honger te stillen. Het is hem in de goot werpen om hem te verlossen van de stank die zijn neus tegenstaat. Nee, als dit de ware verwondingen van God zijn, dan maken zondige vermaken u erger in plaats van beter. Zelfs de gewone geneugten van het leven verliezen alle kracht om u te troosten. De woorden van de liefste vrouw of de meest liefhebbende man, de weldaden van de Voorzienigheid, de zegeningen van het gezin: dit alles zal u niet helpen om deze ziekte te genezen. Er is één geneesmiddel voor, maar niets van dit alles zal haar zelfs maar raken.
De oude, eigenaardige Fuller zegt het ongeveer zo: toen Adam had gezondigd, werd hij plotseling in ellende gestort. De vogels zongen even lieflijk, de bloemen bloeiden even prachtig, de lucht was even zacht en Eden even zalig, maar Adam was in ellende. Hij had van het paradijs een plaats zonder paradijs gemaakt. God had nog geen woord tegen hem gezegd, en toch ging hij zich verbergen onder de bomen van de hof om daar beschutting te zoeken. Er was in de hele hof niets wat Adam ook maar een ogenblik vreugde kon geven, omdat hij onder het besef van zonde was. Zo zal het ook met u zijn. Al zou u in het paradijs gezet kunnen worden, u zou er niet gelukkiger door zijn. Nu God u van zonde heeft overtuigd, is er maar één geneesmiddel voor u, en dat ene middel moet u hebben, want u kunt de hele wereld rondzwerven en u zult nooit een ander vinden. U kunt het met alle genoegens en weldaden van dit leven proberen, maar u zou in kwelling zijn, al kon u naar de hemel gebracht worden, tenzij dit ene geneesmiddel uw pijnlijk hart tot rust brengt. Ik heb u nu, dunkt mij, genoeg redenen gegeven voor de grote scherpte van uw smart.
b. Nu ten tweede: wat bedoelt God ermee dat Hij u zo diep in het slijk werpt? Zo handelt Hij niet met al Zijn volk; sommigen brengt Hij op een heel zachte manier tot Zich. Waarom handelt Hij dan zo hard met u? Het antwoord op deze vraag is dit: sommige vragen kunnen beter onbeantwoord blijven. Er zijn handelingen van God waarover wij niet het recht hebben vragen te stellen. Als Hij u naar de hemel trekt, behoort u tevreden te zijn, al was het door de hel heen. Als u maar gered wordt, hoe vreselijk de weg ook is, dan behoort u niet te morren. Toch kan ik u misschien enkele redenen noemen.
In de eerste plaats is het omdat u zo’n zondaar met een hart van steen was, zo dood en zo onverschillig, dat niets anders u ooit wakker zou hebben geschud dan deze bazuin. Het zou geen zin hebben gehad het Evangelie met zijn zoete tonen te laten klinken. Het zou weinig hebben geholpen als David voor u op zijn harp had gespeeld. U moest wakker geschud worden, en daarom heeft God Zijn donderslagen de een na de ander op u afgevuurd en heeft het Hem behaagd hemel en aarde voor u te laten schudden, opdat u zou leren beven. U was zo vastbesloten om kwaad te doen, zo ongevoelig en zo onverschillig dat God u, als u gered zou worden, op zo’n manier moest redden of anders helemaal niet.
Bovendien weet de Heere dat er iets in uw hart is wat u naar uw oude zonden zou terugbrengen, en daarom maakt Hij ze bitter voor u. Hij brandt u, zodat u wordt als het kind dat zich gebrand heeft en nu bang is voor het vuur. Hij laat u de ziekte in haar volle hevigheid zien, zodat u voortaan het gezelschap vermijdt waarin die ziekte werd opgelopen. Hij heeft u het volle kwaad van uw hart geleerd en de volle verfoeilijkheid van de zonde, zodat u vanaf deze dag voorzichtiger zult wandelen en elke valse weg des te ijveriger zult haten.
Ook is het mogelijk dat Hij dit doet uit liefde tot uw ziel, om u daarna des te gelukkiger te maken. Hij vult uw mond met alsem en vermaalt uw tanden met kiezelstenen, zodat u de heerlijke smaak van de wijn van de vergeving des te meer zult waarderen wanneer Hij die in uw hart giet. Hij laat u as eten, het voedsel van de slang, zodat uw vreugde zevenvoudig wordt wanneer u het brood van de kinderen mag eten, het brood van de hemel. Ik ben een van die arme zielen die vijf jaar lang een leven van ellende leidde en bijna tot radeloosheid werd gedreven. Maar ik kan van harte zeggen dat één dag van vergeven zonde ruimschoots opwoog tegen die vijf jaren van zondeovertuiging. Ik moet God loven voor elke verschrikking die mij ooit ‘s nachts beangstigde en voor elk angstig voorgevoel dat mij overdag opschrikte. Het heeft mij sindsdien gelukkiger gemaakt, want nu, als er een zorg op mijn ziel drukt, dank ik God dat het niet zo’n zorg is als die mij destijds tot in het stof boog en mij door zware nood en ellende als een dier over de grond deed kruipen.
Ik weet dat ik nooit meer kan lijden wat ik geleden heb. Tenzij ik naar de hel gezonden word, kan ik nooit meer zielenangst kennen dan ik gekend heb. En nu worden die rust, die blijdschap en vrede in het geloven en dat “geen verdoemenis” dat mij als kind van God toebehoort, dubbel zoet en onuitsprekelijk kostbaar door de herinnering aan mijn vroegere dagen van zorg en verdriet. Geloofd zij U, o God, tot in eeuwigheid, Die door die zwarte dagen, als door een sombere winter, deze zomerdagen des te mooier en zoeter hebt gemaakt! De kust is nooit zo welkom als wanneer u er voet op zet als schipbreukeling, pas aan de zee ontkomen. Voedsel smaakt nooit zo heerlijk als wanneer u aan tafel gaat na dagen van honger. Water is nooit zo verfrissend als wanneer u het einde van een dorre woestijn bereikt en hebt ondervonden wat het is om dorst te lijden.
Laat ik u nog één reden geven; dan hoef ik u niet langer bij dit punt vast te houden. Misschien leidt God u zo, mijn lieve vrienden, omdat Hij u groot wil gebruiken. Wij zijn allen Gods wapens tegen de vijand. Al Zijn heiligen worden als werktuigen gebruikt in de heilige oorlog, maar sommigen gebruikt God in het heetst van de strijd. Zij zijn Zijn zwaarden, die Hij in Zijn hand zwaait en waarmee Hij talloze slagen uitdeelt. Die hardt Hij keer op keer, telkens weer. Hij hardt u. Hij maakt u bekwaam om straks een held te zijn in Zijn Israël. O, hoe lieflijk zult u kunnen spreken met anderen die zijn zoals u, wanneer u eenmaal getroost bent! En o, hoeveel zult u Hem liefhebben wanneer Hij eenmaal uw zonde heeft weggedaan! Is het niet zo? O, ik meen u al te zien op de eerste dag nadat uw zonden vergeven zijn.
U zult willen preken! Het zou mij niet verbazen als u de straat op gaat of naar uw oude kameraden snelt om hun te zeggen: “Mijn zonden zijn weggewassen.” Niets zal u dan te zwaar zijn. De Heere haalt Zijn beste soldaten uit de hooglanden van de verdrukking. Dat zijn de Hooglanders die alles voor zich uit drijven. Zij kennen de rivieren van de zonde, zij kennen de dalen van het verdriet, en nu al hun zonden zijn afgewassen, kennen zij de hoogten van toewijding en zuivere godsvrucht. Zij vermogen alle dingen door Christus, Die hun kracht geeft, de Christus Die hun vergeven heeft.
Denkt u niet dat ik hier zojuist de spijker op de kop heb geslagen? Voelt u niet in uw hart dat u alles voor Jezus zou doen als Hij u zou vergeven? O, ik weet het: als ik dit lied zou opgeven:
Dan zing ik het luidst van heel de schaar,
terwijl het hemelhuis weerklinkt
van juichen om vrije genade.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
dan zou u zeggen: “Ja, dat zal ik! Als Hij ooit zo’n ellendeling als ik vergeeft en zo’n arme worm als ik aan Zijn boezem neemt, dan zal niets mij te zwaar zijn. Ik zal Hem in dit leven alles geven, en in het komende leven zal ik Hem een eeuwigheid van lof geven.”
c. Maar nu kan ik niet langer wachten om tot het woord van troost te komen dat ik voor u heb over het grote geneesmiddel. Zondaar, bedroefd over de zonde en neergebogen onder de verschrikking, er is een weg van verlossing voor u, een weg die open en toegankelijk is, nu toegankelijk. U kunt nu verlost worden van al uw smart, en al uw zorgen kunnen wegvlieden. Hoor dan het geneesmiddel, en hoor het als uit de mond van God. Zorg dat u het nu gebruikt, want hoe langer u wacht, des te moeilijker wordt het om het te gebruiken. “Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.” Begrijpt u mij? Vertrouw op Christus, en u bent gered. Vertrouw nu op Hem, en al uw zonden zijn weg; er is er niet één over. Verleden, heden en toekomst: alles weg. “Moet ik dan niets voelen?” Nee, niet als voorbereiding op Christus; vertrouw op Jezus, en u bent gered. “Worden er geen goede werken van mij gevraagd?” Geen enkele! De goede werken zullen later volgen. Het geneesmiddel is eenvoudig: geen mengsel van iets van uzelf en Christus, maar alleen dit: het bloed van Jezus Christus. Daar hangt Jezus aan Zijn kruis.
Zijn handen bloeden, Zijn hart breekt, Zijn leden worden gefolterd, de krachten van Zijn ziel zijn vol zielenangst. Dat lijden werd God geofferd in de plaats van ons lijden, en “een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe”. Geloof nu in Hem. “Maar dat mag ik niet,” zegt iemand. U mag het; sterker nog, u mag het niet alleen, maar u bent veroordeeld als u Hem nu niet gelooft. “Ik kan het niet,” zegt een ander. Kunt u uw Heere niet geloven? Is Hij een leugenaar? Kunt u niet geloven in Zijn macht om te redden? De Zoon van God in zielenangst, en toch geen macht om te redden? “Ik kan niet geloven dat Hij Zijn bloed voor mij vergoten heeft,” zegt zo iemand. U wordt bevolen Hem te vertrouwen. Later zult u uw recht helder in Hem lezen. Uw zaak is nu alleen met Hem Zelf, niet met uw deel aan Hem; dat zult u later weten. Vertrouw nu op Hem, en u bent gered. Geloof is niet: geloven dat Christus voor mij gestorven is. Als Christus voor ieder mens gestorven is, dan heeft iedere arminiaan, gered of niet, het ware geloof, want hij gelooft dat Christus voor ieder mens gestorven is.
Wij als calvinisten geloven dit niet. Wij geloven dat het geloof bestaat in het vertrouwen op Christus, en wie op Christus vertrouwt, zal als vrucht van dat vertrouwen weten dat Jezus voor hem gestorven is, en hij is gered. Vertrouw nu op Jezus; val zoals u bent plat op uw aangezicht voor Hem neer. Weg met dat laatste vuile vod van u, dat laatste goede werk! Weg met die laatste vuiligheid, die laatste goede gedachte! Uw goede gedachten en uw goede werken zijn vodden en vuiligheid. Kom zoals u bent: naakt, verloren, te gronde gericht, hulpeloos en arm. Al bent u zo slecht dat ik u niet kan beschrijven en u zichzelf niet kunt beschrijven, kom toch! Genade is vrij, genade is vrij. Ik ben nooit bang de genade te vrij te preken of een Christus te verkondigen Die te gewillig is om te redden. U hebt wel een Middelaar nodig om tot God te komen, maar u hebt er geen nodig om tot Christus te komen. U hebt wel enige voorbereiding nodig als u naar de Vader gaat, maar geen enkele als u tot de Zoon komt. Kom zoals u bent. God Zelf zou onwaarachtig moeten zijn, Zijn troon zou op iets anders dan gerechtigheid gegrondvest moeten zijn, Christus zou vals moeten zijn en deze Bijbel een leugen, voordat ooit één ziel die op Jezus vertrouwt, verloren kan gaan. Daar is het geneesmiddel, door de kracht van de Heilige Geest; maak er gebruik van. God helpe u nu, en u bent volkomen gered.
2. Ik vraag nu nog vijf of tien minuten uw geduldige aandacht, terwijl ik een dubbele taak op mij neem; ik was namelijk bang dat het eerste deel van de preek schade zou doen zonder het laatste deel. In het laatste deel van de preek moet ik mij richten tot sommigen DIE DEZE VERSCHRIKKINGEN HELEMAAL NOOIT GEVOELD HEBBEN EN DIE, VREEMD GENOEG, WENSEN DAT ZIJ ZE WEL GEVOELD HADDEN.
Ik denk dat ik inmiddels gesproken heb met bijna tweeduizend zielen die door mijn dienst tot de kennis van de Heere zijn gebracht. Het is mij heel vaak opgevallen dat een aanzienlijk deel van hen, en ook van de beste leden van onze gemeente, niet door de verschrikkingen van de wet tot de kennis van de Heere is gekomen, maar door zachtere middelen. Toen ik vorige week op een dag zitting hield, sprak ik zo’n drieëntwintig mensen, en ik denk dat er van die drieëntwintig wel twaalf waren bij wie de zondeovertuiging niet duidelijk gekenmerkt werd door de verschrikkingen van de wet. Er komt een voortreffelijke jonge vrouw bij mij. “Wat was de eerste gedachte die u werkelijk de Zaligmaker deed zoeken?” “Dominee, het was het lieflijke karakter van Christus dat mij voor het eerst deed verlangen Zijn discipel te zijn. Ik zag hoe vriendelijk, hoe goed, hoe onbaatzuchtig en hoe zelfopofferend Hij was, en dat deed mij voelen hoezeer ik van Hem verschilde.
Ik dacht: o, ik ben niet zoals Jezus! Dat dreef mij naar boven, naar mijn kamer, en ik begon te bidden.” Ik heb vaak gevallen als deze. Ik houd een vreselijke preek over de wet en merk dat zondaren daaronder getroost worden. Ik houd een andere preek over de verkiezing en merk dat arme zondaren daaronder wakker geschud worden. God zegent het Woord op een manier die precies tegenovergesteld is aan wat ik had verwacht, en Hij brengt heel, heel velen tot de kennis van hun natuurlijke staat door zaken waarvan wij zouden denken dat ze hen eerder zouden troosten dan doen schrikken. “De eerste godsdienstige indruk die ik ooit kreeg en die mij de Zaligmaker deed zoeken,” zei een ander, “was deze: een jonge vriend van mij viel in zonde, en ik wist dat ik waarschijnlijk hetzelfde zou doen als ik niet bewaard werd door Iemand Die sterker was dan ikzelf. Daarom zocht ik de Heere, eerst niet vanwege begane zonde, maar omdat ik bang was voor een grote zonde in de toekomst. God bezocht mij, en toen voelde ik mij van zonde overtuigd en werd ik tot Christus gebracht.”
Merkwaardig genoeg heb ik ook minstens twintig mensen ontmoet die Christus vonden en daarna meer over hun zonden treurden dan daarvoor. Hun zondeovertuiging was vreselijker nadat zij hun deel aan Christus kenden, dan in het begin. Zij hebben het kwaad pas gezien nadat zij eraan ontkomen waren. Zij waren uit het modderig slijk opgehaald en hun voeten waren op een rotssteen gesteld, en daarna zagen zij pas ten volle hoe diep de ruisende kuil was waaruit zij gerukt waren. Het is dus niet waar dat allen die gered worden, deze overtuigingen en verschrikkingen doormaken. Er is een aanzienlijk aantal dat getrokken wordt met mensenzelen, met touwen der liefde. Er zijn er bij wie, zoals bij Lydia, het hart niet geopend wordt door het breekijzer van de zondeovertuiging, maar door de loper van de goddelijke genade. Zoet getrokken, haast in stilte betoverd door de lieflijkheid van Jezus, zeggen zij: “Trek mij, wij zullen U nalopen!”
En nu stelt u mij de vraag: “Waarom heeft God mij op deze zachte manier tot Zich gebracht?” Opnieuw zeg ik: sommige vragen kunnen beter onbeantwoord blijven dan beantwoord worden. God weet het best waarom Hij u deze verschrikkingen niet geeft; laat die vraag bij Hem. Maar ik kan u wel iets vertellen. Er was eens een man die deze verschrikkingen nooit had gevoeld, en hij dacht bij zichzelf: “Ik kan nooit geloven dat ik een christen ben, tenzij ik ze voel.” Dus bad hij God of hij ze mocht voelen, en hij voelde ze. En wat denkt u dat zijn getuigenis is?
Hij zegt: “Doe dat nooit, nooit, want de gevolgen waren uitermate vreselijk!” Had hij maar geweten waarom hij vroeg, dan zou hij niet om zoiets dwaas hebben gevraagd. Ik kende eens een christen die om beproeving bad. Hij was bang dat hij geen christen was, omdat hij geen beproeving had. Maar toen de beproeving kwam, ontdekte hij al snel hoe dwaas het was te vragen om iets wat God hem in Zijn barmhartigheid had onthouden. O, wees niet zo dwaas om naar ellende te verlangen. Dank God dat u langs de muren van de zaligheid naar de hemel gaat. Loof de Meester dat Hij u niet roept op de dag van de wolk en de donkerheid, maar u zachtjes tot Zich trekt. En wees tevreden, bid ik u, dat u geroepen wordt door de muziek van de stem der liefde.
Kan het niet zijn dat Jezus Christus u om nog een andere reden zo heeft geleid? Hij wist dat u erg zwak was en dat uw geest erg broos was. Als u deze verschrikkingen had gevoeld, was u misschien krankzinnig geworden en zat u nu misschien in een gesticht, als u erdoorheen had gemoeten. Het is waar dat Zijn genade u had kunnen bewaren, maar God tempert altijd de wind voor het geschoren lam, en Hij behandelt de zwakken niet zoals Hij de sterken behandelt.
En ook denk ik dat u, als God u deze gevoelens had gegeven, misschien eigengerechtig geworden zou zijn. U zou erop vertrouwd hebben, en daarom heeft Hij ze u niet gegeven. U hebt ze niet om op te bouwen; dank God daarvoor, want nu moet u op Christus bouwen. U zegt: “Als ik dit alles maar gevoeld had, dan zou ik denk ik gered zijn.” Ja, en dan zou u op uw gevoelens hebben vertrouwd. De Heere wist dat, en daarom heeft Hij ze u niet gegeven. Hij heeft u helemaal niets gegeven, en daarom moet u nu op Christus rusten en nergens anders dan op Hem. O, doe dat nu!
Het kan ook zijn dat Hij u daar gehouden heeft omdat Hij u wil gebruiken: nuttig voor mensen die net als u geleidelijk tot Hem zijn gekomen. Wanneer u hen in nood aantreft, kunt u tegen hen zeggen: “Jezus Christus heeft mij zachtjes gebracht, wees daarom goedsmoeds: Hij brengt u ook.” Ik zie in mijn gemeente graag mensen van allerlei soort. Er is een broeder die ik vanmorgen zou kunnen aanwijzen, die in zijn hele leven nooit de plaag van zijn eigen hart heeft gekend in de mate waarin sommigen van ons die hebben leren kennen, en ik denk dat hij die ook nooit zo zal kennen. Hij is nooit door het vuur en door het water gegaan; integendeel, hij is iemand met een liefdevol hart. Hij is een man die zichzelf geeft en zich laat uitputten in de dienst van zijn Meester, en hij weet meer van de hoogten van de gemeenschap met God dan sommigen van ons. Wat mij betreft: ik zou met niemand willen ruilen, maar ik denk dat ik mijn Meester even goed zou kunnen vertrouwen met zijn ervaring als met mijn eigen ervaring. Want wat heeft ervaring er uiteindelijk mee te maken? Wij rusten niet op ervaringen, gestalten en werken;
onze hoop is op niets minder gericht
dan op Jezus’ bloed en gerechtigheid.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Tot besluit preek ik u dan hetzelfde geneesmiddel. Arme ziel, u verlangt ernaar bekommerd te zijn. Ach, ik zou liever hebben dat u verlangde naar verlichting. Jezus Christus hangt aan het kruis, en als u Hem wilt vertrouwen, zult u zalig worden. Zoals u bent, zoals ik zojuist ook tegen mijn andere vriend zei, zoals u bent: neem Christus zoals Hij is. Denk er nooit aan om u voor Christus klaar te maken; Hij wil niets van het uwe. U hoeft zich niet op te tooien en aan te kleden om tot Christus te komen. Zelfs uw gestalten en gevoelens zijn niet het bruiloftskleed. Kom naakt. “Maar dominee, ik ben zo onverschillig!” Kom dan onverschillig. “Maar ik ben zo hard van hart!” Kom dan hard van hart. “Maar ik ben zo onnadenkend!” Kom dan onnadenkend, en vertrouw nu op Christus. Als u Hem vertrouwt, vertrouwt u geen bedrieger. U zult uw ziel niet in de hand gelegd hebben van Iemand Die haar laat vallen en verloren laat gaan. “Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden,” of u nu overtuigd wordt door verschrikking of door liefde, want “die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben,” wat hij ook mag voelen en in welke verschrikking hij ook mag verkeren, “zal verdoemd worden.”
Preek nr. 313 · Gehouden in Exeter Hall, Strand, Londen, zondagmorgen 6 mei 1860, New Park Street Pulpit deel 6. Oorspronkelijke titel: “Terrible Convictions and Gentle Drawings”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.


