Gans begeerlijk

Een preek uitgesproken op zondagmorgen 23 juli 1871 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Hooglied 5:16

Voordat de oude puriteinse predikant ging zitten, nadat hij zijn redevoering had gehouden en had stilgestaan bij ten eerste, ten tweede en ten derde, en misschien zelfs bij ten vijfentwintigste, gaf hij gewoonlijk een allesomvattende samenvatting van alles wat hij gezegd had. Wie goed op die samenvatting lette, nam de kern van de preek mee naar huis. De puriteinse hoorder beschouwde de samenvatting altijd als een van de waardevolste geheugensteunen en daarom als een zeer belangrijk deel van de redevoering. In deze paar woorden geeft de bruid hier haar samenvatting. Zij had een tienvoudige verhandeling over haar Heere gehouden en al Zijn verschillende schoonheden in detail beschreven. Toen zij Hem van top tot teen had bezien, vatte zij al haar lof samen in deze ene zin: “En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.”

Onthoud deze woorden en ken hun betekenis, en u bezit de kern van wat de bruid in het Hooglied zegt. Zoals de bruid in dit zinnebeeldige lied haar getuigenis in deze woorden samenvat, zo mag ik zeggen dat alle aartsvaders, alle profeten, alle apostelen, alle belijders, ja, het hele lichaam van de kerk ons geen ander getuigenis hebben nagelaten. Zij spraken allen over Christus en zij hebben Hem allen aangeprezen. Welk type, welk zinnebeeld, welke duistere godsspraak of welk duidelijk woord zij ook gebruikten om te getuigen, hun getuigenis kwam altijd hierop neer: “En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.” Ja, en ik voeg eraan toe dat sinds de canon van de inspiratie gesloten is, het getuigenis van alle heiligen op aarde en in de hemel de verklaring van weleer steeds is blijven bevestigen.

Het oordeel van elke heilige afzonderlijk en van de hele schare van uitverkorenen samen luidt nog altijd: “En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.” Uit de zuchten en liederen die zich op de sterfbedden van de heiligen vermengen, hoor ik deze toon boven alle andere uit: “Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.” En uit de liederen zonder zuchten, die onophoudelijk uit onsterfelijke monden klinken voor het aangezicht van de Allerhoogste, hoor ik deze ene grondtoon: “En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.” Als de hele kerk met de apostel wilde zeggen: “De hoofdsom nu der dingen, waarvan wij spreken, is”, dan hoeft zij niet te zoeken naar een korte en allesomvattende samenvatting. Die ligt immers voor haar in deze gouden zin: “En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.”

Toen ik mijn tekst in dit licht bekeek, voelde ik mij zeer klein worden en aarzelde ik erover te preken. Ik zei immers in mijn hart: “Zij is hoog, ik kan er niet bij.” Zulke diepe teksten laten ons zien hoe kort ons dieplood is. Deze oceaanverzen zijn zo buitengewoon breed dat onze bootjes gemakkelijk ver uit het zicht van het land worden gedreven, waar onze beschroomde geest huivert om het zeil te hijsen. Toen troostte ik mij met de gedachte dat ik deze tekst wel niet kan omvatten, noch zijn bergen in een waag en zijn heuvelen in een weegschaal kan wegen, maar dat hij toch helemaal van mij is, door de gave van Gods genade. Daarom hoefde ik niet bang te zijn om aan de overdenking ervan te beginnen. Kan ik de oceaan niet met mijn span omvatten, dan mag ik er toch met blij genoegen in baden. Kan ik de Koning niet in Zijn schoonheid beschrijven, dan mag ik Hem toch aanschouwen.

Een oud spreekwoord zegt immers: “Zelfs een bedelaar mag naar een prins kijken.” Ik beweer niet dat ik over zo’n hemels woord als dit zo kan preken dat ik u al zijn merg en vettigheid kan voorzetten, maar ik mag wel een paar kruimels oprapen die van zijn tafel vallen. Arme mensen zijn blij met kruimels, en kruimels van zo’n feestmaal zijn beter dan broden van de tafels van de wereld. Het is beter een glimp van Jezus op te vangen dan al de dagen van ons leven alle heerlijkheid van de aarde te zien. Als we bij dit onderwerp tekortschieten, doen we het misschien nog beter dan wanneer we in een ander onderwerp zouden slagen. Daarom zullen we moed vatten, Gods hulp zoeken en deze wonderlijke tekst naderen zonder schoenen aan onze voeten, zoals Mozes toen hij de braambos zag gloeien van Gods aanwezigheid.

Dit vers is ook anders vertaald: “Hij is alle begeerten”, en dat is Jezus inderdaad. Hij was de begeerte van de ouden, en Hij is nog altijd de begeerte van alle volken. Voor Zijn eigen volk is Hij alles en in allen; zij zijn volmaakt in Hem en worden uit Zijn volheid vervuld.

“Al wat onze ruime vermogens maar wensen kunnen,
komt in Hem rijkelijk samen.”

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Hij is de vreugde van Zijn dienaren en vervult hun verwachtingen ten volle. Maar we zullen niet twisten over vertalingen. Bij een tekst als deze, zo vol onuitsprekelijke geestelijke zoetheid, moet uiteindelijk ieder mens zijn eigen vertaler zijn, en moet de kracht van de boodschap door de werking van de Heilige Geest in zijn eigen ziel komen. Een tekst als deze lijkt sterk op het manna dat in de woestijn viel, waarvan de rabbijnen zeggen dat het smaakte naar ieders eigen voorkeur. Was de smaak in iemands mond enkel zoetheid, dan was het engelenvoedsel dat rondom de legerplaats viel zo heerlijk als elke lekkernij die hij zich maar kon voorstellen. Wat hij ook was, het manna was voor hem zoals hij zelf was. Zo zal het ook met deze tekst zijn. Hebt u lage gedachten over Christus, dan zullen deze woorden langs uw oren glijden en zonder betekenis blijven. Maar als uw geest verrukt is door de dierbare liefde van Jezus, dan zult u in deze korte zin engelenzang horen, en meer dan dat: de stem van Gods eigen Geest tot uw ziel: “En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.”

Vanmorgen ben ik een graveur, en ik zoek iets waarin ik deze hemelse regel kan graveren. Zal ik ivoor of zilver nemen? Zal ik kristal of goud lenen? Die zijn te gewoon om dit unieke opschrift te dragen; ik leg ze allemaal opzij. Zal ik mijn tekst in edelstenen spellen, met een smaragd, een saffier, een robijn, een diamant of een parel voor elke letter afzonderlijk? Nee, dat zijn armzalige, vergankelijke zaken; we leggen ze allemaal weg. Ik wil dat een onsterfelijke geest de tafel wordt waarop ik schrijf. Nee, ik moet mijn graveerstift neerleggen en de Geest van God vragen die op te nemen. Ik wil een hart dat door de Heilige Geest is toebereid. Op de vlezen tafelen van dat hart zal vanmorgen geen andere zin geschreven staan dan deze, en die zal volstaan als een waarlijk koninklijke spreuk om het te sieren: “En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.” Geest van God, zoek het toebereide hart op en schrijf met Uw heilige hand in eeuwige letters de liefde van Christus en al Zijn onnavolgbare volmaaktheden.

Bij de behandeling van onze tekst zullen we vanmorgen stilstaan bij drie kenmerken, en daarna zullen we drie manieren laten zien waarop we hem tot ons nut kunnen gebruiken.

We zullen drie kenmerken overdenken die in deze woorden sterk opvallen. Het eerste dat zich aandient, is dit: de woorden worden kennelijk uitgesproken door iemand die onder de invloed is van een overweldigende ontroering. De woorden zijn eerder een sluier voor het hart dan een glas waardoor we zijn bewogenheid kunnen zien. De zin worstelt om het onuitsprekelijke uit te drukken; hij hijgt ernaar het onzegbare te zeggen. Wie deze woorden schrijft, voelt kennelijk veel meer dan welke taal ook maar aan ons kan overbrengen. De bruid begint haar beschrijving tamelijk rustig: “Mijn Liefste is blank en rood.” Ze gaat ordelijk verder, begint bij het hoofd en vervolgt met de verschillende delen van de gestalte van de Geliefde. Maar dan wordt ze warm, ze gloeit, ze staat in vuur en vlam, en ten slotte is de hitte, die ze een tijdlang had ingehouden, als een vuur in haar beenderen. Ze barst uit in vlammende woorden. Hier is de levende kool van het altaar van haar hart: “En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.” Het is de uiting van een ziel die helemaal overweldigd is door bewondering en daarom voelt dat ze met de poging de Welbeminde te beschrijven een taak op zich heeft genomen die haar krachten te boven gaat. Verzonken in aanbiddende verwondering ziet het begenadigde gemoed af van beschrijving en roept in verrukking uit: “En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.”

Zo is het vaak met ware heiligen geweest: zij hebben de liefde van Jezus als overweldigend en bedwelmend ervaren. Gelovigen zijn niet altijd koel en kalm in hun gedachten over hun Heere. Er zijn tijden waarin ze in vervoering raken. Dan is hun hart brandende in hen, zijn ze in extase, varen ze op met vleugelen gelijk de arenden en worden hun zielen als “de wagens van mijn vrijwillig volk”. Ze voelen wat ze niet zouden kunnen vertellen en ervaren wat ze niet zouden kunnen uitdrukken, ook al stonden de tongen van mensen en engelen volkomen tot hun beschikking. Begenadigde gelovigen raken helemaal in vervoering bij wat ze zien van hun allerschoonste Heere. Het is te vrezen dat zulke vervoering niet bij alle christenen vaak voorkomt, al zou ik ernstig twijfelen aan de heiligheid van iemand die nooit in enige mate heilige vervoering heeft gekend. Maar er zijn heiligen voor wie een staat van overweldigende aanbidding van hun Heere bepaald niet ongewoon is geweest. De gemeenschap met Jezus heeft hen niet alleen zo nu en dan in verrukking gebracht, maar heeft heel hun leven met de geur van heiligheid doortrokken. Heeft zij hun gezicht misschien niet letterlijk doen glanzen zoals het aangezicht van Mozes, ze heeft wel de geestelijke heerlijkheid van hun gelaat laten afstralen. Ze heeft hen onder hun medechristenen verheven tot leiders van het leger van God, zodat anderen hen bewonderden en zich over hen verwonderden.

Misschien spreek ik tot kinderen van God die weinig weten van wat ik bedoel met de overweldigende gevoelens die het zien van onze Heere teweegbrengt. Zij hebben de Heere nooit zo gezien dat hun ziel in hen smolt terwijl de Welbeminde met hen sprak. Tot hen zal ik spreken met bedroefd medeleven, want helaas lijk ik zelf nog te veel op hen. Maar intussen zal mijn gebed voortdurend opstijgen: “Heere, openbaar Uzelf aan ons, zodat ook wij gedrongen worden te zeggen: ‘En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.’ Toon ons Uw handen en Uw zijde, totdat wij met Thomas uitroepen: ‘Mijn Heere en mijn God!’”

Zal ik u zeggen, mijn broeders, waarom velen van u maar zelden de uitnemende zaligheid van Jezus’ tegenwoordigheid genieten? De oorzaak kan gedeeltelijk liggen in wat onder christenen helaas maar al te gewoon is: een grote mate van onwetendheid over de persoon van de Heere Jezus. Elke ziel die door het geloof op Jezus ziet, wordt daardoor gered. Ook al kijk ik naar Christus met een troebel oog, dat zwak is en door tranen beneveld, en al vang ik maar een glimp van Hem op door wolken en nevel heen, toch redt die aanblik mij. Maar wie zal tevreden blijven met zo’n zwak schijnsel van Zijn heerlijkheid? Wie wil alleen maar zien “door een spiegel in een duistere rede”?

Nee, laat mijn ogen gereinigd worden totdat ze zijn als die der duiven bij de waterstromen, en ik mijn Heere kan zien zoals Zijn boezemvrienden Hem zien, en kan zingen van de schoonheden die het licht en de kroon van de hemel zelf zijn. Als u maar de zoom van Jezus’ kleed aanraakt, zult u gezond worden. Maar zal dat u altijd tevredenstellen? Wilt u niet verder komen dan de zoom en verder dan het kleed, tot Hemzelf en tot Zijn hart, om daar voor altijd uw intrek te nemen? Wie wil er voor altijd een zuigeling in de genade blijven, met een half ontwaakt, dromerig schemerbesef van de Verlosser? Broeders, wees ijverig in de school van het kruis, want daarin is blijvende wijsheid te vinden. Bestudeer uw Zaligmaker veel. De wetenschap van de gekruisigde Christus is de uitnemendste van alle wetenschappen.

Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding, is kennen wat het meest de moeite waard is om te kennen. Onwetendheid over Jezus onthoudt veel heiligen de goddelijke verrukkingen die anderen buiten zichzelf brengen. Laten wij daarom behoren tot de kinderen van Sion die van de Heere geleerd worden.

Daarnaast zult u merken dat het gebrek aan overdenking een zeer ernstige rover is van de rijkdom van vernieuwde harten. Iets geloven is als het ware het koele, fonkelende water in de beker zien, maar het overdenken is ervan drinken. Lezen verzamelt de trossen, overpeinzing perst er het edele sap uit. Overdenking voedt de ziel meer dan wat ook, als ze gepaard gaat met gebed. De bruid had in dit hoofdstuk veel overdacht, anders had ze niet zo gedetailleerd over haar Heere kunnen spreken. O heilige harten, volg toch haar voorbeeld! Denk, mijn broeders, aan onze Heere Jezus: Hij is God, de Eeuwige, de Oneindige, de eeuwig Gezegende. Toch is Hij voor ons mens geworden, mens uit het wezen van Zijn moeder, net als wij. Overdenk Zijn smetteloze karakter en het lijden dat Hij verdroeg op Golgotha; volg Hem in het graf, en van het graf naar de opstanding, en van de opstanding langs de sterrenweg omhoog naar Zijn zegevierende troon.

Laat uw ziel stilstaan bij elk van Zijn ambten, als Profeet, Priester en Koning. Verdiep u in elk van Zijn hoedanigheden en in elke schriftuurlijke benaming. Sta stil bij elk aspect van Hem, en als u dat gedaan hebt, begin dan opnieuw, en nog eens. Het is goed om door overdenking te herkauwen; dan zullen de zoetheid en het vet van de goddelijke waarheid uw ziel bereiken, en zult u uitbarsten in zulke verrukte woorden als die van de tekst: “En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.” De meesten van u hebben het te druk; u hebt te veel te doen in de wereld. Maar waar gaat het allemaal om? Stof bijeenschrapen en uzelf beladen met dik slijk. Och, was u maar druk met het najagen van de ware rijkdom en kon u maar even opzijgaan om uzelf in de eenzaamheid te verrijken en uw hart te versterken door u te voeden met de persoon en het werk van uw eeuwig gezegende Heere! U mist een hemel hier beneden doordat u het aardse te gretig najaagt. U kunt deze blijde verrukkingen niet kennen als u de overdenking in een hoek schuift.

Een andere reden waarom er weinig van de schoonheid van de Heere wordt opgemerkt, is de lage staat van het geestelijk leven bij veel christenen. Menig gelovige is maar net in leven, en niet meer dan dat. Kent u zulke uitgehongerde zielen niet? Bent u er misschien zelf niet een van? Zijn ogen verlustigen zich niet in de schoonheden van Christus; hij is bijziend en kan niet ver zien. Hij wandelt niet met Jezus in de hof met granaatappelen; hij is te zwak om op te staan van het rustbed van zijn zwakheid. Hij kan zich niet met Christus voeden, want zijn eetlust is verdwenen: een zeker teken van ernstig verval. Voor hem is er geen klimmen naar de top van Amana, geen opspringen van vreugde in de tempel, geen dansen voor de ark met David. Nee, het is al heel wat als hij als een zieke, door vier man gedragen, op een draagbaar aan de voeten van Jezus wordt gebracht.

Meer heeft hij tot nu toe niet ontvangen. Krachtig te zijn in de Heere en in de sterkte Zijner macht, vleugelen te hebben gelijk de arenden om boven de wolken van de aarde op te varen: daarin zijn velen vreemdelingen. Maar geliefden, er zijn edele en beter onderwezen geesten, die al iets van het leven van de hemel kennen terwijl ze nog hier beneden zijn. De Heere versterke ons met genade naar de inwendige mens. Dan zullen we diepere teugen nemen van de reine wijnen, die gezuiverd zijn. Dan zullen ook onze ogen geopend zijn, zullen we Jezus duidelijker zien en voller getuigen dat Hij “veel schoner is dan de mensenkinderen”.

Ik ben bang dat de bezoeken van Christus aan onze ziel weinig gewaardeerd zijn, en dat het verlies van die bezoeken ons niet het verdriet heeft gebracht dat erbij past. Wij hebben ons niet genoeg verheugd in de schoonheid van de Bruidegom toen Hij tot ons kwam. Toen ons hart enigszins werd opgetild door Zijn liefde, werden we koud en traag, en toen onttrok Hij ons het besef van Zijn tegenwoordigheid. Maar helaas waren we niet bedroefd; we probeerden zelfs op een zondige manier zonder Hem te leven. Het is ellendig werk voor een gelovige om te proberen zonder zijn Zaligmaker te leven. Misschien, beste broeders, hebben sommigen van u het geprobeerd tot het u ten slotte bijna gelukt is. Vroeger treurde u als duiven als u ’s morgens geen woord van uw Meester had ontvangen, en zonder een liefdesteken voordat u ging slapen, woelde u onrustig in uw bed.

Maar nu bent u vleselijk, werelds en zorgeloos, en volkomen tevreden dat het zo is. Jezus verbergt Zijn aangezicht, de zon is ondergegaan, en toch is het voor u geen nacht. O, mocht het God behagen u uit deze lusteloosheid te wekken en u over uw droevige staat te doen treuren! Zelfs als er verdrukking nodig zou zijn om u van uw afdwaling terug te brengen, zou dat een lage prijs zijn. Ontwaak, noordenwind, met al uw snijdende kracht, als uw kille adem het lusteloze hart maar wakker schudt! Moge de Heere ons genade geven om Christus zo lief te hebben dat we, als we niet ten volle van Hem kunnen genieten, bereid zijn te sterven van honger en dorst naar Hem. Mogen we nooit een plaats kunnen vinden om ons nest te bouwen zolang onze vleugel wegzwerft van de boom des levens. Laten we, zoals de duif van Noach, liever in het water vallen en verdrinken dan rust te vinden voor onze voetzool, behalve op de ark, Christus Jezus, onze Zaligmaker.

Geliefden, als geen van deze suggesties doel treft en de oorzaak blootlegt waarom er zo weinig vurige liefde voor Christus gekend wordt, laat mij dan nog een andere noemen. Heel vaak zijn de harten van belijders ijdel en lichtzinnig; door de week worden ze in beslag genomen door hun zaken. Dat zou nog enigszins te verontschuldigen zijn, maar als ze wat ruimte en tussenpozen hebben, worden die opgevuld met louter ijdelheid. Als de ziel de kleinigheden van deze wereld als allesbelangrijk is gaan zien, is het dan een wonder dat ze de uitnemende dierbaarheid van Christus Jezus niet kan opmerken? Wie geeft er om het koren als hij verzot is op het kaf? Daarbij gebeurt het vaak dat de belijder niet alleen ijdel maar ook trots is geworden.

Hij denkt niet meer aan zijn natuurlijke armoede en geringheid en waardeert daarom ook de rijkdom van Christus Jezus niet. Hij is zichzelf gaan zien als een gevestigde, ervaren christen. Hij beeldt zich in dat hij niet is zoals die dwaze beginnelingen, die zo wispelturig zijn en zo gemakkelijk afdwalen. Hij heeft de wijsheid van de jaren en de vastheid van de ervaring verworven. O ziel, als u groot bent, zal Christus klein zijn; u kunt Hem nooit op de troon zien voordat u zelf op de mesthoop hebt gelegen. Als u iets bent, is Christus des te minder. Als Hij immers alles en in allen is, is er geen plaats voor iets anders. En als u iets bent, hebt u precies zoveel van de heerlijkheid van uw Heere Jezus gestolen. Lig laag in het stof; dat is uw plaats.

Hoe meer Uw heerlijkheid mijn ogen treft,
hoe nederiger ik zal liggen.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Hoe nederiger ik in mijzelf ben, des te beter zal ik de bekoorlijke schoonheden van Christus kunnen zien. Laat mij nog slechts deze twee of drie woorden zeggen. Ik geloof dat de gelukkigste heiligen degenen zijn die het meest overweldigd worden door een besef van de grootheid, de goedheid en de dierbaarheid van Christus. Ik geloof ook dat zij de nuttigste heiligen zijn en in de christelijke kerk als een sterke toren staan. Ik bid dat u en ik, terwijl we door het geloof met God wandelen, toch vaak onze feestdagen en onze bijzondere tijden mogen hebben, waarin Hij ons in het bijzonder zegent met de kussen van Zijn liefde, en we nog grotere teugen nemen van Zijn liefde, die beter is dan wijn. O, om helemaal in vervoering te raken door de goddelijke openbaring van de voornaamste onder tienduizend, zodat onze ziel in verrukking uitroept: “En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.” Dat is het ene kenmerk van de tekst; moge het op ons overgaan.

Het tweede kenmerk is dit, en het ligt duidelijk aan de oppervlakte van het vers: hier is onverdeelde genegenheid. “Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.” Let wel: deze woorden hebben een wereld van betekenis in zich, maar vooral zeggen ze ons dat Jezus voor de ware heilige de enige Liefelijke in de wereld is. “Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk”; dan is er verder nergens liefelijkheid. Het is alsof de bruid voelde dat Christus alle schoonheid en alles wat liefde waard is in het hele heelal naar Zich toe had getrokken. Wie van ons zal zeggen dat zij zich vergiste? Is Jezus niet alle bewondering en liefde van alle verstandelijke wezens waard? Maar mogen we dan onze vrienden en familie niet liefhebben? Jazeker, maar in Hem en ondergeschikt aan Hem; zo, en alleen zo, is het veilig hen lief te hebben. Heeft onze Heere Zelf niet gezegd: “Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig”? Ja, en op een andere plaats zei Hij het nog sterker.

Hij zei immers: “Tenzij iemand vader en moeder haat”, dat wil zeggen: hen in vergelijking met Mij helemaal niet liefheeft, “is hij Mijns niet waardig.” Als zij niet op een lager plan worden gesteld dan Jezus, kunnen we Zijn discipelen niet zijn. Christus moet vorst zijn in ons hart. Onze dierbaren mogen aan Zijn voetbank zitten en we mogen hen om Zijnentwil liefhebben, maar Hij alleen moet de troon van ons hart vervullen. Ik mag uitnemende eigenschappen zien in mijn broeders in Christus, maar ik mag niet vergeten dat die er niet zouden zijn als ze niet van Hem kwamen. Hun liefelijkheid is slechts een deel van Zijn liefelijkheid, want Hij heeft die in hen gewerkt door Zijn eigen Geest. Ik moet erkennen dat Jezus alle liefelijkheid aan Zich trekt en alles wat bewonderenswaardig is in het hele heelal in Zich verenigt. Daarom moet ik Hem al mijn liefde geven, want “al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.”

Onze tekst betekent verder dat in Jezus alle soorten liefelijkheid te vinden zijn. Is er iets wat de liefde van een onsterfelijke geest waard is, dan is het in overvloed te zien in de Heere Jezus. “Al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zo er enige deugd is, en zo er enige lof is”: het is allemaal zonder mate te vinden in Christus Jezus. Zoals alle rivieren samenkomen in de zee, zo verenigen alle schoonheden zich in de Verlosser. Neem het karakter van een begenadigd mens, en u zult een zekere mate van liefelijkheid vinden, maar die heeft haar grenzen en is vermengd. Petrus heeft veel deugden, maar ook niet weinig gebreken. Ook Johannes blinkt uit, maar op sommige punten schiet hij tekort. Hierin echter overtreft onze Heere al Zijn heiligen, want alle menselijke en alle goddelijke deugden zijn in Hem harmonieus verenigd. Hij is niet deze of gene bloem, maar het paradijs van volmaaktheid. Hij is niet hier een ster of daar een sterrenbeeld; Hij is de hele sterrenhemel, ja, de hemel der hemelen. Hij is alles wat schoon en liefelijk is, in één samengebracht.

Als de tekst verder zegt dat Jezus “gans begeerlijk” is, verklaart hij dat Hij liefelijk is van welke kant u Hem ook bekijkt. Meestal heeft zelfs het edelste gebouw een ongunstig gezichtspunt, van waaruit de architectuur in het nadeel uitkomt. Het fijnste vakwerk is misschien niet van alle kanten even volmaakt. Het beste menselijke karakter wordt door één gebrek ontsierd, zo niet door meer. Maar bij onze Heere is alles liefelijk, hoe u Hem ook beschouwt. U kunt Hem van alle kanten overdenken, en u zult alleen maar nieuwe bevestiging vinden van de uitspraak: “Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.”

Als de eeuwige God voordat de wereld geschapen was, toen de engelen Hem liefhadden en aanbaden; als het kind in Bethlehem of als de man in Bethanië; wandelend over de zee of genageld aan het kruis; in Zijn graf, gestorven en begraven, of zegevierend op Zijn troon; opstaand als Voorloper, of voor de tweede keer neerdalend om de wereld te oordelen in gerechtigheid; in Zijn smaad, veracht en bespuwd, of in Zijn heerlijkheid, aanbeden en bemind; met de doornen om Zijn voorhoofd en de spijkers door Zijn handen, of met de sleutels van de dood en de hel aan Zijn gordel: bekijk Hem zoals u wilt, waar u wilt en wanneer u wilt, “al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.” Onder alle gezichtspunten, in alle ambten en betrekkingen, te allen tijde en in alle seizoenen, onder alle omstandigheden en toestanden, waar dan ook en overal: “Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.”

Hij is ook in geen enkel opzicht onaantrekkelijk; de lof die Hem hier gegeven wordt, sluit die gedachte uit. Als Hij “gans begeerlijk” is, waar zou er dan ruimte zijn voor een misvorming? Toen Apelles Alexander schilderde, legde hij de vinger van de vorst op een lelijk litteken. Maar er zijn geen littekens te verbergen als u het aangezicht van Immanuël schildert. Wij zeggen van ons vaderland, en wie van ons zegt het niet: “Met al zijn gebreken hebben we het toch lief.” Maar wij hebben Jezus lief zonder dat het ons hart enige moeite kost, want Hij heeft geen spoor van gebrek. Voor Jezus hoeven we ons niet te verontschuldigen; er zijn geen uitvluchten voor Hem nodig. Maar wat zie ik daar op Zijn schouder? Het is een hard, ruw kruis, en als ik Hem volg, moet ik dat kruis om Zijnentwil dragen. Is dat kruis niet lelijk?

O nee! “Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk”, kruis en al. Wat het ook mag inhouden om christen te zijn, wij achten zelfs “de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte”. De wereld wil een halve Christus eren, maar een hele Christus wil zij niet erkennen. De sociniaan, die zo blind is als een vleermuis, zegt: “Ik bewonder de mens Christus, maar Jezus als God zal ik niet aanbidden.” Voor hem is het eeuwige Woord hoogstens half liefelijk, als Het al liefelijk is. Sommigen willen Christus als voorbeeld, maar aanvaarden Hem niet als het plaatsvervangende offer voor de zonde, de Plaatsvervanger van zondaren. Velen willen Christus op zilveren pantoffels, de godsdienst van zijne hoogwaardigheid de aartsbisschop, maar ze zouden niet willen luisteren naar het Evangelie uit de mond van een arme, begenadigde methodist. Ook vinden ze het de moeite niet waard zich te voegen bij de ongeletterde menigte van wie de vrome liederen opklinken van het dorpsplein.

Helaas, hoeveel kruisen van goud en ivoor zien we niet, maar hoe weinig hebben mensen het nederige kruis van Jezus lief! Broeders, wij vinden Jezus “gans begeerlijk”, zelfs in armoede of wanneer Hij naakt aan het kruis hangt, verlaten en veroordeeld. Wij zien onuitsprekelijke schoonheid in Jezus in het graf, schoon in de bleekheid van de dood. Jezus, door de oude slang in de hiel vermorzeld, is toch bevallig. Zijn liefde voor ons maakt Hem in onze ogen altijd weer “blank en rood”. Wij aanbidden Hem overal en op elke plaats, want we weten dat dezelfde Christus Wiens hiel vermorzeld is, ook de kop van de slang vermorzelt, en dat Hij Die om onzentwil naakt was, nu met heerlijkheid bekleed is. We weten dat de Verachte en Verworpene ook Koning der koningen en Heere der heren is, “Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst”. “En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.” Aan Hem is geen enkel gebrek.

De tekst wil ons laten weten dat Jezus liefelijk is in de hoogste graad: niet eerst liefelijk om vervolgens bij vergelijking tekort te schieten, maar liefelijk in de overtreffende trap, in de hoogst mogelijke zin. Maar ik laat het aan uw hart over dit verder uit te werken. Ik sluit dit punt af met te zeggen dat elk kind van God erkent dat Christus Jezus geheel en al liefelijk is voor heel zijn wezen. Hij is liefelijk voor mijn oordeel. Maar dat zijn veel zaken, en toch zijn ze niet liefelijk voor mijn genegenheden; ik weet dat ze juist zijn, en toch zijn ze niet aangenaam. Jezus echter is even liefelijk voor mijn hart als voor mijn verstand, even dierbaar als Hij goed is. Hij is liefelijk voor mijn hoop: ligt die niet helemaal in Hem? Is dit niet mijn verwachting: Hem te zien zoals Hij is?

Maar Hij is ook liefelijk voor mijn herinnering: heeft Hij mij niet uit het net uitgevoerd? Liefelijk voor al mijn vermogens en al mijn hartstochten, mijn gaven en mijn gevoelens. Zoals David het zegt: “Mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God”: de hele mens zoekt de hele Zaligmaker, en de hele Zaligmaker is zoet en onuitsprekelijk dierbaar voor het hele wezen van de mens. Moge het zo zijn bij u en bij mij. Maar is het zo? Richt u geen afgoden op in uw hart? Mannen van God, moet u vanmorgen niet de gesel van touwtjes nemen om de tempel van uw ziel te reinigen? Zijn er geen kopers en verkopers waar alleen Christus behoort te zijn? O, om Hem geheel en alleen lief te hebben, zodat we geen ogen hebben voor andere schoonheid en geen hart voor andere liefelijkheid, omdat Hij onze zielen vervult en voor ons “gans begeerlijk” is.

Het derde kenmerk van de tekst is het kenmerk waarop ik de meeste aandacht wil vestigen, en dat is vurige godsvrucht. Ik heb de tekst een levende kool van het altaar genoemd, en dat is hij zeker. Als hij in ons hart zou vallen om het in vlam te zetten, zou dat een onuitsprekelijke genade zijn. Vurige godsvrucht vlamt op uit deze zin. Het is de taal van iemand die voelt dat geen gevoel te diep is wanneer Jezus het hart beweegt. Berispt iemand u en zegt hij dat u te veel ophebt met uw godsdienst? Dat kan niet, dat kan niet. Als de ijver van Gods huis ons zou verteren totdat we alleen nog bestonden voor de heerlijkheid van de Heere, dan zouden we niet te ver zijn gegaan. Als er de bijbehorende kennis is om haar in evenwicht te houden, kan er niet te veel ijver voor God zijn. Deze uitroep komt van iemand wiens hart als een oven is, waarvan de liefde het vuur is. “Hij is gans begeerlijk”: het is de uitroep van iemand die voelt dat geen taal te sterk is om de Heere aan te prijzen.

De bruid zocht in de Hebreeuwse taal naar een krachtige uitdrukking, en onze vertalers doorzochten de Engelse taal naar een krachtig woord. Zij hebben het zo gewichtig mogelijk weergegeven: “Hij is gans begeerlijk.” Er is geen gevaar van overdrijving als u over Christus spreekt; overdrijvingen zijn slechts nuchtere waarheid als we Zijn uitnemendheden afschilderen. We hebben gehoord van een portretschilder die zijn populariteit te danken had aan het feit dat hij nooit naar waarheid schilderde, maar altijd een vleiende toets of twee toevoegde. Hier is Iemand Die zijn kunst zou tarten, want het is onmogelijk Jezus te vleien. Ga uw gang, welsprekende mannen, spaar geen kleuren; u zult Hem nooit te luisterrijk kunnen afbeelden. Neem uw harpen, serafs; zing luid, u die in het bloed gewassen bent; al uw lof schiet tekort bij de heerlijkheid die Hem toekomt.

Het is de taal van iemand die voelt dat geen dienst te groot is om de Heere te bewijzen. Ik wilde dat we voelden zoals de apostelen, de martelaren en de heilige mannen van vroeger, dat Jezus Christus gediend moet worden op de hoogste en rijkste wijze. We doen weinig, heel weinig. Wat zou het zijn als ik zei dat we tegenwoordig bijna niets doen voor onze dierbare Heere en Meester? De liefde van Christus dringt ons niet zoals ze zou moeten. Maar zij van vroeger droegen armoede en trotseerden smaad. Ze legden vermoeiende tochten af, staken stormachtige zeeën over en doorstonden gevaren van rovers en wrede mensen om het kruis te planten in landen waar Jezus tot dan toe niet bekend was.

Inspanningen die tegenwoordig niet van mensen verwacht zouden kunnen worden, waren voor de christenen van de vroegste tijden alledaagse zaken. Is Christus minder liefelijk, of is Zijn kerk minder trouw? Och, schatte zij Hem maar naar Zijn ware waarde, want dan zou zij terugkeren tot haar vroegere wijze van dienen. Broeders, we willen voelen, en we zullen voelen als deze tekst diep in ons hart gegraveerd is, dat geen gave te groot is voor Christus, al geven we Hem alles wat we hebben, wijden we Hem al onze tijd en bekwaamheid toe en offeren we ons leven zelf aan Hem op. Geen lijden is te zwaar om te dragen omwille van de Gekruisigde, en het is een grote vreugde om smaad te lijden om Christus’ wil. “Hij is gans begeerlijk.”

Dan, mijn ziel, beveel ik u: vind niets zwaar waartoe Hij u roept en niets scherp wat Hij u laat verdragen. Zoals de ridder van weleer zich wijdde aan de kruistocht en het rode kruis op zijn arm droeg, zonder vrees de dood te vinden door de hand van de ongelovige, als hij maar gezien werd als een soldaat van de Heere, zo willen ook wij alle vijanden tegemoettreden om Jezus’ wil. Wij willen die ridderlijke geest weer terug in de kerk van God, maar dan verfijnd en gezuiverd, en verlost van zijn aardse grofheid. Graag zou ik een nieuwe kruistocht preken. Had ik de tong van zo iemand als die oude kluizenaar, om heel de christenheid in beweging te brengen, dan zou ik zeggen: “Vandaag wordt Christus, de gans Begeerlijke, onteerd: kunt u dat verdragen? Vandaag staan afgoden waar Hij zou moeten staan, en mensen aanbidden ze. U die Jezus liefhebt, kunt u dat dulden? Vandaag rijdt de Juggernaut met zijn bloedige wagen door de straten, vandaag is de Christus van God nog onbekend bij miljoenen, en het kostbare bloed reinigt de volken niet. Hoelang zult u dat zo laten?”

Zullen wij in Engeland, met tienduizend christelijke harten en evenveel tongen die met welsprekendheid begiftigd zijn, en met beurzen zwaar van goud, onze gaven weigeren, ons getuigenis inhouden en toelaten dat de Heere onteerd wordt? De kerk doet bijna niets voor haar grote Heere; ze schiet tekort in haar plicht en in de bittere nood van een wereld die verloren gaat. Och, kwam er maar een flits van het hemelse vuur! O, wanneer zal de kracht van de Geest ons weer bezoeken? Wanneer zullen mensen hun zelfzucht afleggen en alleen Christus zoeken? Wanneer zullen ze hun twisten over kleinigheden laten varen en zich scharen rondom Zijn kruis? Wanneer zullen we ophouden onszelf te verheerlijken en beginnen Hem heerlijk te maken, tot aan het einde van de wereld? God helpe ons hierin en ontsteke in ons hart het oude, verterende vuur dat het hart in vlam zet en de mensen doet zien dat Jezus voor ons alles en in allen is.

Nadat ik u zo de kenmerken van de tekst heb laten zien, wil ik de tekst nu op drie manieren gebruiken voor een praktische toepassing.

Omdat de tijd snel gaat, moet ik het kort houden. Het eerste woord is voor u, christenen. Hier is een heel liefelijk onderricht. De Heere Jezus is “gans begeerlijk”. Als ik dan begeerlijk wil zijn, moet ik op Hem lijken; het voorbeeld voor mij als christen is Christus. Hebt u weleens gemerkt hoe slecht jongens onderaan de bladzijden van hun schoonschrijfschrift schrijven? Bovenaan staat het voorbeeld. In de eerste regel kijken ze daarnaar; in de tweede regel schrijven ze hun eigen navolging over; in de derde regel schrijven ze hun navolging van hun navolging over, en zo wordt het schrift steeds slechter naarmate het lager op de bladzijde komt. Zo volgden de apostelen Christus; de eerste kerkvaders volgden de apostelen na; de volgende kerkvaders schreven de eerste kerkvaders over, en zo daalde de maatstaf van de heiligheid schrikbarend. En nu zijn we maar al te geneigd de droesem en het bezinksel van het christendom te volgen. We denken dat we het goed doen en lof verdienen als we ongeveer even goed zijn als onze arme, onvolmaakte predikanten of voorgangers in de kerk. Maar nu, mijn broeders, dek die kopieën en navolgingen af en leef naar de eerste regel. Schrijf Jezus na, want “Hij is gans begeerlijk”. Als u naar die eerste regel kunt schrijven, schrijft u naar het zuiverste en beste voorbeeld ter wereld.

Wij willen de ijver van Christus hebben, maar we moeten die in evenwicht houden met Zijn voorzichtigheid en wijsheid. We moeten de liefde van Christus tot God zoeken en Zijn liefde tot de mensen voelen: Zijn vergeving van onrecht, Zijn vriendelijkheid van spreken, Zijn onkreukbare waarachtigheid, Zijn zachtmoedigheid en nederigheid, Zijn volkomen onbaatzuchtigheid en Zijn algehele toewijding aan de zaken van Zijn Vader. O, hadden we dat alles maar! Want reken erop: welk ander voorbeeld we ook kiezen, we hebben ons vergist; dan volgen we niet het ware klassieke model van de christelijke kunstenaar. Ons meestermodel is de “gans Begeerlijke”. Hoe heerlijk is het om onze Heere te zien in dat dubbele opzicht: als ons Voorbeeld en als onze Zaligmaker! Het wasvat dat in de tempel stond, was van koper gemaakt. Daarin wasten de priesters hun voeten wanneer ze offers brachten; zo reinigt Christus ons van zonde. Maar volgens de overlevering was dit wasvat van zeer glanzend koper gemaakt en deed het dienst als spiegel, zodat de priesters er telkens als ze erbij kwamen hun eigen vlekken in konden zien. O, als ik tot mijn Heere Jezus kom, raak ik niet alleen mijn zonden kwijt wat hun schuld betreft, maar zie ik ook mijn eigen vlekken in het licht van Zijn volmaakte karakter, en word ik vernederd en geleerd de heiligheid na te jagen.

Het tweede gebruik dat we van het vers willen maken, is dit: hier is een heel zachte berisping voor sommigen van u. Al is ze heel zacht, ik smeek u haar diep in uw hart te laten doordringen. U ziet de liefelijkheid van Christus niet, en toch is Hij “gans begeerlijk”. Ik zal geen hard woord zeggen, maar ik zal u met droefheid vertellen wat een beklagenswaardige schepselen u bent. Ik hoor verrukkelijke muziek, die meer van de hemel dan van de aarde lijkt te zijn: het is een van Händels half geïnspireerde oratoria. Daarginds zit een man die zegt: “Ik hoor niets wat de moeite waard is.” Hij heeft niet het vermogen om de samenvloeiende zoetheden, de heerlijke harmonieën van klanken waar te nemen. Neemt u het hem kwalijk? Nee, maar u die wel een oor voor muziek hebt, zegt: “Wat heb ik met hem te doen; hij mist de helft van de vreugde van het leven!” Hier is ook een prachtig landschap, met heuvels en dalen, stromende rivieren, uitgestrekte meren en golvende weiden. Ik breng een vriend aan wie ik een genoegen wil doen naar het uitzichtpunt, en ik zeg tegen hem: “Is dat geen schitterend gezicht?” Hij draait zijn hoofd naar mij toe en zegt: “Ik zie niets.”

Dan merk ik dat hij niet kan genieten van wat voor mij zo heerlijk is. Hij ziet wel iets, maar alleen wat heel dichtbij is; voor alles wat verder weg ligt, is hij blind. Neem ik het hem dan kwalijk? Of als hij met mij begint te redetwisten en zegt: “Je bent heel dwaas om zo enthousiast te zijn over een landschap dat niet bestaat; het is alleen maar je opwinding”, zal ik dan met hem in discussie gaan? Zal ik boos op hem worden? Nee, maar ik laat een traan en fluister bij mezelf: “Groot is het verlies van de blinden.” Nu, u die nooit muziek hebt gehoord in de Naam van Jezus, u bent zeer te beklagen, want uw verlies is zwaar. U die nooit schoonheid in Jezus hebt gezien en die nooit, in eeuwigheid niet, zult zien, u hebt al onze tranen nodig. Het is al hel genoeg om Christus niet lief te hebben! Het is de diepste afgrond van Tartarus en zijn felste vlam om niet bekoord te zijn door de Christus van God. Er is geen hemel die meer hemel is dan Christus lief te hebben en aan Hem gelijk te zijn, en er is geen hel die meer hel is dan niet op Christus te lijken en niet op Hem te willen lijken, ja, zelfs afkerig te zijn van de oneindige volmaaktheden van de “gans Begeerlijke”. De Heere opene die blinde ogen van u, ontsluite die dove oren en geve u het nieuwe, geestelijke leven. Dan zult u meezeggen: “En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.”

Het laatste gebruik van de tekst is dat van tedere aantrekkingskracht. “En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.” Waar bent u vanmorgen, u die van zonde overtuigd bent en een Zaligmaker nodig hebt? Waar bent u heen gekropen? Hebt u zich verstopt waar mijn ogen u niet kunnen bereiken? Laat in elk geval deze zoete gedachte u bereiken. U hoeft niet bang te zijn om tot Jezus te komen, want Hij is “gans begeerlijk”. Er staat niet dat Hij gans verschrikkelijk is; dat is uw misvatting over Hem. Er staat ook niet dat Hij een beetje begeerlijk is en soms bereid is een bepaald soort zondaar te ontvangen. Nee, “Hij is gans begeerlijk”.

Daarom is Hij altijd bereid zelfs de allerslechtsten bij Zich te verwelkomen. Denk aan Zijn Naam. Die is Jezus, de Zaligmaker. Is dat niet begeerlijk? Denk aan Zijn werk. Hij is gekomen “om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was”. Dat is Zijn bezigheid. Is dat niet begeerlijk? Denk aan wat Hij gedaan heeft. Hij heeft onze zielen verlost met Zijn bloed. Is dat niet begeerlijk? Denk aan wat Hij nu doet. Hij pleit voor zondaren voor de troon van God. Denk aan wat Hij op dit ogenblik geeft: Hij is verhoogd om te geven “bekering en vergeving der zonden”. Is dat niet begeerlijk? Christus Jezus is in elk opzicht aantrekkelijk voor zondaren die Hem nodig hebben. Kom dan, kom en wees welkom. Er is niets wat u tegenhoudt; alles nodigt u uit om te komen. Moge deze sabbatdag, waarop ik Christus heb gepredikt en Hem heb verhoogd, de dag zijn waarop u tot Hem getrokken wordt, om Hem nooit meer te verlaten, maar voor eeuwig en altijd de Zijne te zijn.

Amen.

Preek nr. 1001 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 23 juli 1871, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 17. Oorspronkelijke titel: “Altogether Lovely”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content