Het bewijs van Gods bestaan

Een preek gepubliceerd op donderdag 18 april 1907. Uitgesproken door C.H. Spurgeon in de New Park Street Chapel in Southwark, op zondagochtend 19 oktober 1856.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Beproeft Mij nu. Mal. 3:10

Enige tijd geleden was het mij een genoegen en een voorrecht om tot u te spreken aan de hand van dit volledige vers: “Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de HEERE der heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen.”

Als ik mij goed herinner, hadden wij destijds voldoende ruimte. Maar kort daarna, toen wij ernaar streefden onze God nog meer te dienen, stortte Hij werkelijk zó’n overvloedige zegen over ons uit dat wij geen ruimte hadden om die te ontvangen. Daarom hebben wij dit gebedshuis vergroot. Toch vloeide de zegen opnieuw zo overvloedig dat er wederom geen plaats was om die te ontvangen. Ik had toen opnieuw over dezelfde tekst kunnen preken om u nogmaals aan die belofte te herinneren.

Vanmorgen, nu wij beseffen dat wij op het punt staan een nieuwe onderneming te beginnen tot eer en heerlijkheid van God, dacht ik eraan uw oprechte harten opnieuw aan te sporen door middel van herinnering. Daarom kies ik een tekst als deze: “Beproeft Mij nu daarin.”

Volgens de wetten van ons land kan niemand worden veroordeeld voordat zijn schuld bewezen is. Het zou goed zijn als wij tegenover God dezelfde rechtvaardigheid zouden betrachten die wij ook van onze medemensen verwachten. Toch veroordelen mensen zo vaak de daden van God als hard en onvriendelijk. Zij spreken dat misschien niet uit — zij durven het nauwelijks — en geven zelden openlijk toe dat zij zo denken. Maar er leeft soms een sluimerende gedachte, nauwelijks bewust gevormd, die hen doet vrezen dat God vergeten is genadig te zijn en niet langer aan hen denkt.

Laten wij daarom nooit, mijn vrienden, kwaad denken van onze God zolang wij niets tegen Hem kunnen bewijzen. Hij zegt tot al Zijn ongelovige kinderen, die twijfelen aan Zijn goedheid en genade: “Beproeft Mij nu daarin. Hebt u iets tegen Mij? Kunt u iets bewijzen dat Mij te schande maakt? Wanneer heb Ik ooit Mijn belofte verbroken? Wanneer heb Ik ooit nagelaten Mijn woord te vervullen? Ach, dat kunt u niet zeggen. Stel Mij dan op de proef, als u iets tegen Mij hebt — als u iets kunt aanvoeren tegen Mijn eer — als u tot nu toe geen antwoorden op gebeden en geen zegeningen hebt ontvangen zoals beloofd. Beschouw Mij pas als ontrouw wanneer u Mij werkelijk op de proef hebt gesteld.”

Bovendien is het niet alleen onrechtvaardig om slecht over iemand te denken voordat wij iets tegen hem kunnen bewijzen, maar het is ook uiterst onverstandig om voortdurend wantrouwig tegenover onze medemensen te staan. Hoewel er veel dwaasheid schuilt in overdreven goedgelovigheid, vraag ik mij af of er niet nog meer dwaasheid schuilt in overdreven wantrouwen. Wie iedereen gelooft, zal vroeg of laat bedrogen worden; maar wie iedereen wantrouwt, zal niet alleen gebeten, maar uiteindelijk verslonden worden.

Wie voortdurend in wantrouwen tegenover zijn medemensen leeft, kan onmogelijk gelukkig zijn. Hij berooft zichzelf van vrede en geluk en neemt een houding aan waarin hij niet meer kan genieten van de zoetheid van vriendschap en genegenheid. Ik ben liever te goedgelovig tegenover mijn medemensen dan te wantrouwig. Ik zie liever dat zij mij misleiden door mij te laten geloven dat zij beter zijn dan zij werkelijk zijn, dan dat ik hen onrecht aandoe door te denken dat zij slechter zijn dan zij zijn. Het is beter soms zelf bedrogen te worden dan anderen onrecht te doen; en het is onrechtvaardig om mensen te wantrouwen wier karakter geen enkele aanleiding geeft tot wantrouwen.

Onder mensen erkennen wij die moraal wel, maar tegenover God handelen wij vaak anders. Wij geloven eerder een leugenaar dan Hem. Wanneer wij in beproeving en moeilijkheden verkeren, geloven wij de duivel wanneer hij zegt dat God ons zal verlaten. De duivel, die vanaf het begin een leugenaar is geweest, geloven wij; maar wanneer onze God iets belooft, zeggen wij: “Dit is te mooi om waar te zijn,” en wij twijfelen aan de vervulling ervan omdat het niet precies gebeurt op het moment en op de wijze die wij verwachten.

Laten wij nooit zulke verdenkingen koesteren tegenover onze God. Als wij in onze haast zeggen: “Alle mensen zijn leugenaars,” laten wij dan toch deze ene waarheid vasthouden: “God kan niet liegen.” Zijn raad staat vast en is onveranderlijk, Hij heeft die bevestigd met een eed, “opdat wij door twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, een sterke troost zouden ontvangen, wij die bij Hem de toevlucht genomen hebben om de hoop die voor ons ligt, vast te houden” in Christus Jezus. Laat ons geloof daarom niet wankelen uit angst, maar laat ons genade zoeken, zodat wij met volle overtuiging mogen geloven en vast vertrouwen op de woorden die God spreekt.

“Beproeft Mij nu daarin,” als iemand onder u Mijn woord wantrouwt. Als u denkt dat Mijn genade niet zoet is, proef dan en zie dat de Heere goed is. Als u denkt dat Ik geen Rots ben en dat Mijn werk niet volmaakt is, kom dan, betreed de Rots en zie of zij niet standvastig is; bouw erop en ontdek of zij niet stevig en betrouwbaar is. Als u denkt dat Mijn arm te kort is om te redden, kom dan en vraag het, en Ik zal hem uitstrekken om u te verdedigen. Als u denkt dat Mijn oor te zwaar is om te horen, kom dan en beproef het; roep Mij aan en Ik zal u antwoorden. Als u twijfelt, stel Mijn beloften dan op de proef, zodat uw twijfels zullen verdwijnen. Maar o, twijfel niet aan Mij voordat u Mij onwaardig hebt bevonden om te vertrouwen: “Beproeft Mij nu daarin.”

In deze woorden zie ik een feit vervat, een uitdaging gegeven, een tijd genoemd en een argument gesuggereerd. Dat zijn de vier punten die ik u vanmorgen wil voorhouden.

Allereerst hebben wij HET FEIT dat God Zich laat beproeven: “Beproeft Mij nu daarin.”

Toen ik hierover nadacht, kwam het mij voor dat alle werken van de schepping bewijzen van God zijn; zij getuigen van Zijn eeuwige macht en Godheid. Maar omdat Hij niet alleen de Schepper is, maar ook de Onderhouder van alles wat bestaat, vormen zij een voortdurend bewijs van Zijn goedheid, trouw en zorg.

Het lijkt mij alsof God, toen Hij de zon uit Zijn hand voortzond en haar haar baan liet volgen, zei: “Beproef Mij nu; zie, o zon, of Ik u niet zal ondersteunen totdat uw taak volbracht is en uw loopbaan voltooid. U mag zich verheugen als een sterke held die zijn wedloop loopt; maar terwijl u uw banen aflegt en niets voor uw hitte verborgen blijft, zult u Mijn heerlijkheid tonen en licht werpen op het werk van Mijn handen.”

Toen de Almachtige de aarde door de ruimte liet wentelen, lijkt het alsof Hij zei: “Beproef Mij nu, o zaaitijd en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht; Ik zal u onderhouden door Mijn voortdurende voorzienigheid.”

En tot elk schepsel dat Hij schiep, kan ik mij voorstellen dat de Almachtige zei: “Beproef Mij nu. Kleine mug, die danst in het zonlicht, gij zult Mijn goedheid bewijzen. Machtige leviathan, die de diepten doet bruisen en schuimen, ga heen en bewijs Mijn kracht. Gij schepselen aan wie Ik verschillende instincten heb gegeven, wacht op Mij en Ik zal u voedsel geven op de juiste tijd. En gij, machtige donderslagen en snelle bliksemstralen, ga heen, leer de wereld ontzag en toon Mijn almacht.”

Zo denk ik dat alle schepselen van God niet alleen bewijzen van Zijn bestaan zijn, maar ook van Zijn veelzijdige wijsheid, Zijn liefdevolle goedheid en Zijn genade. Zowel het kleinste als het machtigste van Zijn schepselen getuigt op eigen wijze van Zijn liefde en leert ons iets van de wonderbaarheid van Zijn natuur.

Maar aan de mens heeft God een hoger voorrecht gegeven dan aan alle andere werken van Zijn handen: de mens mag bewust en met verstand een bewijs van God zijn. De schepping getuigt onbedoeld van Hem. De aarde verkondigt Gods heerlijkheid; het vee op duizend heuvels spreekt van Zijn eer, en zelfs de leeuwen brullen Zijn lof. Toch doen zij dat niet bewust, niet met wil of inzicht. De zon verkondigt de majesteit en macht van haar Schepper, maar zij heeft geen verstand en geen bedoeling om God te verheerlijken. De heilige daarentegen doet dit bewust en vrijwillig.

Het is een groot feit, geliefden, dat God wil dat al Zijn kinderen bewijzen zijn van de verschillende eigenschappen van Zijn natuur. Ik geloof niet dat één enkel kind van God het volledige karakter van God kan tonen; maar ieder van hen openbaart een bepaald aspect van Zijn grote wezen. Wanneer eenmaal de volledige geschiedenis van Gods voorzienigheid geschreven zal zijn en de levens van alle heiligen vastgelegd zullen zijn, zou de titel van dat boek kunnen luiden: “Bewijzen van God.”

Daarin zal één groot bewijs zichtbaar worden: dat Hij God is en niet verandert, dat er bij Hem “geen verandering is of schaduw van omkeer.”

U herinnert zich hoe één heilige op bijzondere wijze Gods lankmoedigheid bewees. Hem werd toegestaan voort te leven tot aan de uiterste rand van de ondergang; maar terwijl hij aan het kruis hing, bracht het geduld dat hem zo lang had verdragen hem uiteindelijk tot verlossing. Hij stond op het punt verloren te gaan, viel bijna in de afgrond, maar de soevereine genade brak zijn val, eeuwige armen vingen zijn ziel op, en Jezus Zelf leidde hem het paradijs binnen.

En u herinnert zich ook een andere heilige, die zich had overgegeven aan talloze zonden en diepe verdorvenheid, maar tot Christus werd gebracht. Uit haar dreef Hij zeven boze geesten uit, en Maria Magdalena mocht zo de rijkdom van de vergevende genade van onze Verlosser bewijzen, evenals de dankbaarheid van een vergeven zondaar. Zij werd een levend bewijs dat de Heere bereid is te vergeven.

Dan was er Job, getroffen door pijnlijke zweren en gedwongen zich met een potscherf te schrapen. Hij bewees dat “de Heere vol ontferming en barmhartigheid is.” In hem zien wij dat God in staat is Zijn kinderen te ondersteunen te midden van ongeëvenaard lijden.

En laat mij Salomo niet vergeten, die Gods vrijgevigheid bewees. Toen hij om wijsheid en inzicht vroeg, gaf de Heere hem niet alleen wat hij vroeg, maar voegde Hij daar rijkdom, eer en voorspoed aan toe. Salomo verheerlijkte dit bewijs van goddelijke vrijgevigheid toen hij zijn ervaringen verwerkte in de wijsheid van zijn spreuken. Terwijl hij ons aanspoort wijsheid te zoeken, verzekert hij ons dat “lengte van dagen in haar rechterhand is, en rijkdom en eer in haar linkerhand.”

En opnieuw: welk krachtig bewijs van Gods bijzondere voorzienigheid vinden wij in de geschiedenis van Elia, waaruit blijkt dat God altijd “een overblijfsel naar de verkiezing van de genade” bewaart? Daar zat de eerbiedwaardige ziener onder een jeneverbesboom in de woestijn — een groot maar bedroefd man, een geëerde maar ontmoedigde profeet van de Allerhoogste. Zie hem terwijl hij Horeb bereikt, zich terugtrekt in een grot en in diepe eenzaamheid klaagt: “Ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn leven om het weg te nemen.”

Maar als zijn vrees werkelijkheid was geworden, wat zou de aarde arm zijn geweest zonder een heilige! Toch bewees Elia uit Gods eigen mond dat dit onmogelijk was. Hij leerde, zowel voor zichzelf als voor ons, dat God zelfs in tijden van de zwaarste vervolging altijd een overblijfsel bewaart. Het is bewezen dat er altijd een Kerk op aarde zal blijven bestaan zolang de fundamenten van de aarde standhouden.

En wij hoeven niet te denken dat dit getuigenis inmiddels voltooid is. Iedere heilige van God wordt in deze wereld gezonden om een bepaald aspect van het goddelijke karakter zichtbaar te maken. Misschien behoor ik tot degenen die in een dal van rust zullen leven, omringd door vrede, terwijl het zachte gezang van vogels in mijn oren klinkt. De lucht is kalm, de schapen grazen vredig om mij heen, en alles is stil. Dan zal ik Gods liefde bewijzen door zoete gemeenschap met Hem.

Of misschien word ik geroepen te staan waar onweerswolken zich samenpakken, waar bliksem flitst en stormwinden huilen over de bergtoppen. Dan ben ik geboren om de macht en majesteit van onze God te bewijzen; te midden van gevaren zal Hij mij moed geven, en onder zware lasten zal Hij mij kracht schenken.

Misschien is het mijn roeping een onberispelijk karakter te bewaren en zo de kracht van de heiligende genade te tonen door trouw te blijven aan mijn belijdenis van God. Dan zal ik een bewijs zijn van de almachtige kracht van genade, die niet alleen verlost van de schuld van de zonde, maar ook van haar macht.

De verschillende levens van de gehele familie van God zijn bedoeld om verschillende aspecten van Zijn handelen zichtbaar te maken. En ik denk dat een deel van onze vreugde in de hemel zal bestaan uit het lezen van het grote boek van de ervaringen van alle heiligen, om daaruit het volledige karakter van God te leren kennen zoals dat in hun levens bewezen en geopenbaard is.

Elke christen is een openbaring van een bepaald kenmerk van God. Aan ieder van ons is een ander deel toevertrouwd; maar wanneer al die afzonderlijke stralen van getuigenis eenmaal samengebracht zullen worden tot één grote zon, die straalt in volle middagglans, dan zullen wij in de ervaringen van Gods kinderen een heerlijke openbaring van onze God aanschouwen.

Laten wij dan dit belangrijke feit voor ogen houden: God wil dat wij in deze wereld leven om Hem te beproeven. Laten wij er daarom naar streven dit ook werkelijk te doen, terwijl wij ons steeds inspannen om de eigenschappen van God te ontdekken en te ervaren.

Bedenk dat wij in ons leven alle beloften van God moeten beproeven; en op de laatste grote dag zal blijken dat zij stuk voor stuk vervuld zijn. Wanneer dan de beloften worden voorgelezen, kan de vraag klinken: “Wie is het levende bewijs van deze belofte?”

Misschien gaat het om beloften die bijna universeel van toepassing zijn, zodat miljoenen heiligen zullen opstaan en zeggen: “Wij hebben de waarheid daarvan bewezen.” Maar het kan ook gaan om een belofte in de Schrift die slechts zelden door een van Gods kinderen ervaren wordt — een belofte die zo bijzonder is dat maar weinigen haar werkelijk hebben leren begrijpen. Toch zullen er ook dan getuigen zijn die haar bevestigen, want alle beloften zullen vervuld blijken te zijn in de gezamenlijke ervaring van de Kerk. Dat is dan het feit: God staat Zijn kinderen toe Hem te bewijzen.

En nu, ten tweede, vinden wij hier EEN UITDAGING DIE ONS WORDT GEGEVEN: “Beproeft Mij nu.”

“U die aan Mij hebt getwijfeld — Beproeft Mij nu. U die Mij wantrouwt — Beproeft Mij nu. U die beeft voor de vijand — Beproeft Mij nu. U die bang bent dat u uw werk niet zult kunnen volbrengen — geloof mijn belofte, kom, en beproeft Mij nu.”

Nu moet ik deze uitdaging nader toelichten, namelijk met betrekking tot de wijze waarop zij uitgevoerd moet worden. In Gods Woord vinden wij verschillende soorten beloften, die ook op verschillende manieren vervuld en beproefd moeten worden. In de Bijbel onderscheiden wij drie soorten beloften. Tot de eerste categorie behoren de voorwaardelijke beloften: beloften die voor bepaalde personen bestemd zijn, uitsluitend aan hen gegeven zijn en alleen gelden onder bepaalde voorwaarden. Daarnaast is er een tweede categorie, die uitsluitend betrekking heeft op de toekomst en waarvan de vervulling op dit moment nog geen directe betrekking op ons heeft. Ten slotte is er de derde en meest heerlijke categorie: de absolute beloften, die geen voorwaarden kennen zoals de voorwaardelijke beloften.

Laten wij beginnen met de voorwaardelijke beloften. Een voorwaardelijke belofte kan niet op dezelfde manier worden beproefd als een absolute belofte. De wijze waarop wij een belofte beproeven, moet overeenkomen met het karakter van die belofte.

Neem bijvoorbeeld de woorden: “Bidt, en u zal gegeven worden.” Het is volkomen duidelijk dat ik moet bidden om deze belofte te beproeven. Ik moet aan een voorwaarde voldoen om de zegen te ontvangen. De manier om de trouw van de Beloftegever en de waarheid van de belofte te toetsen, is eenvoudigweg: de voorwaarde vervullen.

Heel anders is het wanneer God zegt: “Ik zal Mijn Geest in u geven en maken dat gij in Mijn inzettingen wandelt.” Hier zien wij de soevereine wil van de Almachtige. Een dergelijke belofte moet op een geheel andere wijze worden bewezen dan door een voorwaarde van onze kant te vervullen; maar daarover straks meer.

Om voorwaardelijke beloften te beproeven, is het dus noodzakelijk dat wij voldoen aan de voorwaarde die God eraan verbonden heeft. Hij zegt: “Breng al de tienden naar het voorraadhuis, zodat er voedsel in Mijn huis is. Beproeft Mij nu” Niemand kan God met betrekking tot deze belofte beproeven voordat hij alle tienden in de voorraadkamer heeft gebracht; want juist “hierin” moet de belofte bewezen worden.

Stel dat de Heere zegt: “Roep Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal u eruit helpen, en gij zult Mij eren.” Dan is de enige manier om Hem te beproeven, Hem daadwerkelijk aan te roepen in tijden van nood. Wij kunnen blijven staan en zeggen: “God zal Zijn belofte zeker vervullen,” en dat zal Hij ook doen; maar wij moeten wel aan de voorwaarde voldoen. Daarom past het ons om Zijn genade te zoeken, opdat Hij ons in staat stelt die voorwaarde te vervullen; want wij kunnen zulke beloften niet beproeven zonder de voorwaarden die eraan verbonden zijn na te komen.

Er zijn veel kostbare voorwaardelijke beloften. Eén daarvan bracht grote rust in mijn ziel: “Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde!” De voorwaarde luidt hier: “Wendt u naar Mij toe”; maar u kunt die belofte niet beproeven tenzij u werkelijk naar Christus opziet.

Nog een andere belofte luidt: “Ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zal zalig worden.” Wat een heerlijke belofte! Maar u kunt haar niet bewijzen tenzij u daadwerkelijk de Naam van de Heere aanroept.

Wanneer wij dus een belofte zien waaraan een voorwaarde verbonden is, moeten wij God vragen ons de genade te schenken om aan die voorwaarde te voldoen, als wij die belofte in onze eigen ervaring willen bewijzen. Dat is één manier waarop wij God mogen beproeven.

Maar sommigen zullen zeggen: “Beperken zulke voorwaarden niet de vrijgevigheid en genade van Gods beloften?” O nee, geliefden. Want in de eerste plaats dienen de voorwaarden vaak om de personen te beschrijven aan wie de beloften gegeven zijn.

Daarom, mijn broeder, wanneer er geschreven staat: “Hij vergeet het geroep der ellendigen niet,” dan past die belofte juist bij uw beproefde ziel. Wanneer de Heere zegt: “Ik zal zien op deze, op de ellendige en verslagene van geest, en wie voor Mijn woord beeft,” of wanneer Hij zegt: “Haar voedsel zal Ik rijk zegenen, haar armen met brood verzadigen,” dan mogen sommigen van u troost putten uit het feit dat de belofte u aantreft in de juiste toestand om de zegen te ontvangen.

En wanneer de voorwaarde geen toestand maar een plicht betreft, geldt hetzelfde. Is het gebed? Hij geeft de Geest van het gebed. Is het geloof? Hij is de Gever van geloof. Is het zachtmoedigheid? Hij is Degene die Zijn kinderen met zachtmoedigheid bekleedt.

Zo dienen de voorwaarden juist om Gods beloften aan Zijn eigen kinderen toe te passen en om de overvloedige genade te tonen van Hem die “genade op genade” schenkt.

Maar dan is er de absolute belofte — en dat is de grootste en heerlijkste van allemaal. Want als alle beloften voorwaardelijk waren en het van ons afhing om aan de voorwaarden te voldoen, dan zouden wij allen verloren gaan. Zonder absolute beloften zou geen enkele ziel gered worden. Als alle beloften afhankelijk waren van bepaalde eigenschappen, zonder dat God tegelijk beloofde die eigenschappen zelf te schenken, dan zouden wij ondanks al Gods beloften verloren zijn.

Als Hij alleen had gezegd: “Wie gelooft, zal behouden worden,” dan zouden wij verloren gaan, want zonder Zijn genade zouden wij niet kunnen geloven.

De absolute belofte moet daarom niet worden beproefd door iets te doen, maar door haar eenvoudigweg te geloven. Dat is het enige wat wij ermee kunnen doen: haar geloven. Als ik zou proberen een voorwaarde te vervullen, zou God dat niet aannemen, omdat Hij aan zo’n belofte juist geen voorwaarde verbonden heeft.

Hij zou tegen mij kunnen zeggen: “Wanneer u aan de voorwaarden van een andere belofte voldoet, zult u die ontvangen; maar aan deze heb Ik geen voorwaarde verbonden. Ik heb gezegd: ‘Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt; u zult een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor u zijn.’ Dat is een belofte zonder voorwaarden.”

Zelfs wanneer het kind van God gezondigd heeft, blijft die belofte toch gelden: dat het tot inzicht zal komen, zich zal bekeren en volledig vergeven zal worden.

Zo’n belofte kunnen wij alleen geloven; wij kunnen er geen voorwaarde aan toevoegen. Wij moeten ermee tot God gaan en zeggen: “Heere, hebt U gezegd dat Christus ‘om de moeitevolle inspanning van Zijn ziel vrucht zal zien’? Wij geloven het; laat Hem dan de vrucht van Zijn arbeid zien. Hebt U gezegd: ‘Mijn woord zal niet ledig tot Mij terugkeren’? Heere, doe dan zoals U gesproken hebt. U hebt het beloofd; vervul nu Uw woord.”

Heeft Hij gezegd: “Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen”? Ga dan tot Hem en zeg: “Heere, ik kom nu; doe met mij zoals U hebt beloofd.”

Op een absolute belofte krijgt het geloof vaste grond onder de voeten. Voorwaardelijke beloften kunnen de ziel bemoedigen, maar het is de absolute belofte die de rots vormt waarop het geloof het liefst rust.

Welnu, geliefde vrienden, welke belofte heeft God vandaag in uw hart gelegd? Velen van u hebben wellicht een belofte ontvangen toen u vanmorgen opstond. Ik weet altijd zeker dat ik een gezegende dag zal hebben wanneer mijn Meester mij ’s morgens een goede tekst schenkt. In de tijd dat ik soms twee of drie keer per dag moest preken, vroeg ik Hem om een tekst voor de morgen, waarover ik dan sprak; en daarna vroeg ik Hem om een tekstgedeelte voor de avond, waarover ik opnieuw preekte nadat ik er eerst zelf over had gemediteerd tot troost van mijn eigen ziel — niet in de beroepsmatige stijl van een professionele preekschrijver, die enkel een preek voorbereidt, maar door het Woord eerst persoonlijk te overdenken en te beleven.

Zulke eenvoudige voeding heeft vaak meer goed gedaan dan wanneer ik een hele week aan een preek had gewerkt; want het kwam recht uit mijn hart, direct nadat het mijn eigen geweten had geraakt. Daarom werd het met kracht gesproken, omdat het eerst goed gekend, goed geproefd en diep gevoeld was.

Wat is dan uw belofte? Is het een voorwaardelijke belofte? Zeg dan: “Heere, ik smeek U, stel mij in staat de voorwaarde te vervullen.” En als die belofte werkelijk op uw ziel van toepassing is, zal Hij u zowel de voorwaarde als de vervulling schenken, want God geeft nooit halve dingen.

Heeft Hij bijvoorbeeld in uw hart gelegd: “Laat de goddeloze zijn weg verlaten en de ongerechtige man zijn gedachten”? Dan zal Hij u ook de genade geven om werkelijk uw wegen en gedachten te verlaten. Hij geeft nooit de voorwaardelijke belofte zonder te zijner tijd ook de kracht te geven om aan de voorwaarde te voldoen.

Maar heeft Hij een absolute belofte in uw ziel gelegd? Dan bent u werkelijk een gelukkig mens. Heeft God diep in uw hart een van die grote en kostbare beloften gegrift, zoals deze: “Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen”? Vraag dan niet naar voorwaarden; neem de belofte eenvoudig aan zoals zij gegeven is.

Ga op uw knieën en zeg: “Heere, U hebt het gesproken.”

Of heeft de Heere beloofd: “Ik zal u niet loslaten en u niet verlaten”? Pleit dan op die belofte. Verkeert u in moeilijkheden? Zoek dan de passende belofte op en zeg: “U hebt gezegd: ‘Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn,door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.’ Heere, ik geloof Uw woord! Ik word beproefd, maar U hebt ook gezegd dat mij geen verzoeking zal overkomen boven wat ik dragen kan. Heere, schenk mij Uw algenoegzame genade en maak mij meer dan overwinnaar.”

Ga dan heen en beproef God. Wees niet bang en raak niet verward. Wanneer Hij u ook maar één woord schenkt, bedoelt Hij dat u ermee tot Hem teruggaat en Hem aan Zijn eigen belofte herinnert. Want u weet dat Hij heeft gezegd: “Hierover zal het huis van Israël Mij nog raadplegen, opdat Ik het voor hen doe.” Doe dit toch, ik smeek u: herinner de Heer aan Zijn eigen beloften, en Hij zal ze zeker vervullen. Hier klinkt immers een uitdaging aan alle verlosten: “Beproeft Mij nu.”

Ten derde wordt er een TIJDSTIP GENOEMD: “Beproef Mij nu.” Weet u wat de gevaarlijkste tijd in het leven van een christen is? Ik denk dat ik die in één woord kan samenvatten: “nu.”

Veel mensen — ik zou bijna zeggen: alle christenen — zijn altijd het meest bezorgd over het huidige moment. Stel dat zij in moeilijkheden verkeren: hoewel zij misschien al tien keer zwaardere beproevingen hebben doorgemaakt, vergeten zij die allemaal, en wordt juist het “nu” gezien als het moeilijkste ogenblik dat zij ooit hebben gekend. En wanneer zij zich juist op hun gemak voelen, zeggen zij: “Ik vrees de verraderlijke stilte veel meer dan de stormen die boven mijn hoofd woeden”, zij vinden geen enkele situatie in het leven gevaarlijker dan het “nu”.

De leeuwen staan voor hen — hoe groot lijkt hun gevaar! En toen zij kort geleden hun rust verloren in het prieel van gemak, hoe vreselijk leek dat toen! Toen zij zich op gladde grond bevonden en bergafwaarts gingen, dachten zij opnieuw dat juist dát moment hun grootste gevaar vormde. Later, wanneer Apollyon hen tegemoet treedt, zeggen zij: “Dit is de zwaarste beproeving van allemaal.” Vervolgens komen zij in de vallei van de schaduw des doods en zeggen: “Nu beleef ik de ernstigste periode van mijn leven.”

En toch is het in zekere zin terecht dat wij het gevoel hebben dat juist het “nu” het moment is waarop wij bijzonder waakzaam moeten zijn. Gisteren ligt achter ons, en morgen is nog niet gekomen; maar het “nu” vraagt om waakzaamheid en geloof.

God legt de belofte voor morgen niet vandaag op mijn hart, omdat ik die op dit moment nog niet nodig heb. De beloften worden gegeven op het tijdstip, op de plaats en op de wijze waarop Hij heeft bepaald dat zij vervuld zullen worden.

Toch zullen velen van u wellicht begrijpen wat ik bedoel wanneer ik zeg dat juist het “nu” vaak het moment is waarop de christen denkt dat hij het minst op God kan vertrouwen.

“O,” zegt hij, “als ik nog in dezelfde toestand verkeerde als vroeger, dan zou ik gelukkig zijn. Ik geloof werkelijk dat ik toen meer vertrouwen had in mijn Meester; maar nu kan ik mijn hoofd niet meer zo vol vertrouwen neerleggen aan de borst van de Verlosser. Ik herinner mij hoe zoet de beloften waren toen ik ziek was. Toen kon ik zeggen: “Het is heerlijk om stilletjes in Zijn handen te rusten en geen andere wil te kennen dan de Zijne.” “Maar nu ben ik veranderd. Op de een of andere manier is er een gevoel van lusteloosheid over mij gekomen. Ik kan nauwelijks geloven dat ik een christen ben.”

U vergelijkt uzelf met een andere broeder en bent ervan overtuigd dat u wel geloof zou hebben als u maar was zoals hij. Maar ga eens met die broeder praten, en hij zal waarschijnlijk zeggen: “Als ik zoals u was, zou ik er beter aan toe zijn.” Zo zouden beiden graag van omstandigheden willen ruilen, terwijl geen van beiden erin slaagt om in zijn eigen situatie op God te vertrouwen. Toch geeft de Heere ons altijd een woord dat precies past bij onze omstandigheden: “Beproef Mij nu.”

Laat mij dit illustreren met een allegorie. Een schip vaart over zee. Het is het schip dat de Heere heeft uitgezonden, en waarvan Hij heeft gezegd dat het veilig de gewenste haven zal bereiken. De zee is kalm; de golven deinen zachtjes en dragen het schip rustig voort. “Beproef Mij nu,” zegt de Heere.

De zeeman staat op het dek en zegt: “Heere, ik dank U voor deze rustige vaart. Maar ach, mijn Meester, misschien zullen juist dit gemak en deze voorspoed mijn geestelijk leven verzwakken.” Dan klinkt een stem: “Beproef Mij nu, en zie of Ik u niet ook midden in de storm kan bewaren.”

Plotseling betrekt de hemel. De wind steekt op en de golven verheffen hun stem, terwijl het schip heen en weer wordt geslingerd door de woeste zee. Opnieuw klinkt de stem: “Beproef Mij nu.” Dan slaat het schip op de rotsen; het lijkt bijna in tweeën te breken. De zeeman ziet het ruim vollopen met water, terwijl alle pompen samen het niet droog kunnen houden. Nog steeds roept de stem: “Beproef Mij nu.”

Het schip staat op het punt te zinken. Nog één golf lijkt voldoende om het naar de bodem te sturen; nog één druppel lijkt de maat vol te maken. Toch klinkt telkens weer dezelfde stem: “Beproef Mij nu.” En de zeeman doet het: hij vertrouwt op God, en wordt veilig uit al zijn benauwdheden verlost. Zoals de Schrift zegt: “Zij wankelen en waggelen als een dronken man” (Ps. 107:27), maar er staat ook dat Hij hen: naar de haven van hun wens leidde” (Ps. 107:30).

Daarna vaart het schip weer voorspoedig voort en nadert het de horizon. Maar dan verzamelt zich een dichte mist rondom het schip. Vreemde schimmen lijken over de golven van de nacht te dansen. Een spookachtig licht flitst door de duisternis en verdwijnt weer. Er hangt iets rond het schip dat de zeeman nooit eerder heeft gezien. Het water onder de boeg is zwart, de lucht zwaar en vochtig, en het zweet op zijn gezicht voelt koud en klam aan. Een nieuwe angst grijpt hem aan, een angst die hij nog nooit heeft gekend. Juist op dat moment, wanneer hij niet meer weet wat hij moet doen, klinkt opnieuw de stem: “Beproef Mij nu.” En wanneer hij dat doet en tot de Heere roept, wordt hij gered.

Ach, geliefde vrienden, ik zou u wel honderd van zulke voorbeelden kunnen geven. Ik geloof dat deze oude Bijbel vandaag tot mij spreekt. Ik heb hem onder u gehanteerd als een soldaat van God. Dit zwaard van de Geest is in vele harten doorgedrongen, en hoewel die harten hard waren als diamant, heeft het ze doorkliefd. Bij sommigen van u is de trotse geest gebroken door dit oude, beproefde zwaard uit Jeruzalem.

Maar vanavond zullen wij samenkomen op een plaats waar zich een ongekende menigte zal verzamelen, wellicht uit nieuwsgierigheid, om Gods Woord te horen. En steeds weer klinkt in mijn oren die stem: “Beproef Mij nu.” Menig man is tijdens mijn bediening gekomen, volledig bewapend en geharnast, maar toch heeft dit beproefde wapen hem getroffen en doorboord tot in het diepst van zijn ziel.

“Beproef Mij nu,” zegt God. “Ga en beproef Mij onder godslasteraars; ga en beproef Mij onder verworpenen, onder de meest verachte en verdorven mensen. Ga en beproef Mij nu.” Hef het levenschenkende kruis omhoog en toon het opnieuw. Ga naar de gebieden waar de dood heerst en verkondig daar het Woord van het leven. Ga naar de zwaarst getroffen delen van de stad en draag daar het wierookvat van de verdiensten van de Verlosser. Beproef dan of Hij niet in staat is de pest te stuiten en de ziekte weg te nemen.

Maar wat zegt God tegen de Kerk? “U hebt Mij vroeger al beproefd. U hebt grote dingen ondernomen. Sommigen waren terughoudend en zeiden: ‘Wij hadden het niet moeten wagen’, maar anderen hadden geloof en vertrouwden op Mij. Daarom zeg Ik opnieuw: ‘Beproef Mij nu.’”

Zie wat God kan doen, juist wanneer er een donkere wolk neerdaalt op degene die Hij geroepen heeft om tot u te prediken. Beproef Hem dan nu. Zie of Hij u niet een zegen zal schenken die uw verwachtingen verre overtreft. Zie of Hij u niet een ware Pinksterzegen zal geven. “Beproef Mij nu.”

Waarom zouden wij ongelovig zijn? Hebben wij daar ook maar één geldige reden voor? Wij zijn zwak; wat doet dat ertoe? Zijn wij niet juist het sterkst in God wanneer wij het zwakst zijn in onszelf? Men zegt dat wij dwaas zijn. Dat is misschien waar, en wij weten het ook; maar God heeft juist de dwaze dingen van de wereld uitverkoren om de wijzen te beschamen. Wij zijn onbeduidend, maar God heeft de onaanzienlijke dingen van de wereld uitgekozen.

Wij zijn misschien ongeschoold, wij beheersen niet de verfijnde kunst van de scholastiek, maar wij roemen in onze zwakheid, omdat de kracht van Christus op ons rust. Laat ze ons nog slechter afschilderen dan we zijn; laat ze ons de meest verachtelijke eigenschappen toeschrijven die ooit aan een mens zijn toegeschreven; wij zullen hen toch zegenen en het beste toewensen.

Wat maakt het uit of het wapen een steen is, of het kaakbeen van een ezel? Zolang de Heere het maar gebruikt. Weet u niet wat de wijzen zeggen?”, vragen sommigen. Ja, dat weten we. Maar we kunnen hun uitspraken ook omdraaien en onder de loep nemen. Hun woorden zijn vaak niets meer dan een weerspiegeling van hun eigen verlangens. We weten wie hun leraar is geweest.

En ik vraag u: schrikt u terug voor de waarheid, of voor smaad en schande? In beide gevallen ontbreekt het u aan de liefde voor uw Meester die u behoort te hebben. Maar als u moedige en oprechte mensen bent, ga dan voorwaarts en overwin. Wees niet bang. De overwinning zal uiteindelijk worden behaald. Gods heilig evangelie zal de aarde opnieuw doen beven.

De banier is opgericht en de menigten stromen ernaartoe. De Farizeeën hebben beraadslaagd, de geleerden staan verbaasd en de wijzen weten geen uitweg meer. Zij weten niet wat zij moeten doen. Wat klein was, heeft God groot gemaakt; wie veracht werd, heeft Hij verhoogd. Laten wij daarom op Hem vertrouwen. Hij zal bij ons zijn tot het einde, want Hij heeft gezegd: “Zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding van de wereld.” Het laatste deel van mijn onderwerp is een ARGUMENT, en daarover heb ik al gepreekt: “Beproef Mij nu.”

Waarom zouden wij God op de proef stellen? Omdat het Hem verheerlijkt wanneer wij dat doen. Geliefden, niets eert God meer dan een oprecht vertrouwen dat Zijn beloften op de proef durft te stellen. Wanneer een arm en hongerig kind van God, zonder ook maar een kruimel brood in de kast, zegt: Heer, U hebt beloofd dat mij brood gegeven zal worden en dat ik zeker water zal hebben; daarom zal ik U op de proef stellen, dan verheerlijkt die eenvoudige daad van geloof God meer dan de halleluja’s van de aartsengelen.

Wanneer een arme en wanhopige zondaar, die lange tijd rondom het Woord heeft gedwaald, in de hoop misschien ergens licht te vinden in een kostbare belofte, een zekere bescherming tegen wanhoop, uiteindelijk tot de overtuiging komt: “Dit is Gods Woord,” gebeurt er iets wezenlijks. Hij herinnert zich dat God heeft verklaard dat wie in Christus gelooft, niet verloren zal gaan. Daarom besluit hij: “Ik zal Hem op de proef stellen; ik zal mij aan die belofte toevertrouwen.” Op dat moment brengt hij God grote eer. Want niets verheerlijkt Gods waarheid, trouw en genade meer dan wanneer een mens Hem op Zijn Woord gelooft en daadwerkelijk de kracht van Zijn beloften beproeft.

Wanneer iemand Gods belofte gelooft, ondanks alles wat tegen hem lijkt te getuigen, en niet door ongeloof aan die belofte twijfelt, dan verheerlijkt hij God. Als u zich vanmorgen voelt als een verloren zondaar die haast zal omkomen, als u zichzelf beschouwt als de meest onwaardige van allen, en toch gelooft dat Christus u liefheeft en gekomen is om juist zulke zondaren als u te redden, dan verheerlijkt u God evenzeer als u ooit zult doen wanneer uw vingers eenmaal over de snaren van de gouden harpen van de hemel zullen glijden.

Wij verheerlijken God door Hem op de proef te stellen. Beproef Hem dan ook. Dit is de weg waarop de mooiste kenmerken van het christelijke karakter zichtbaar worden. Juist door ons geschikt te tonen voor de strijd van het geloof, door moed te tonen en bereid te zijn onszelf, met de geest van een martelaar, in Zijn dienst in gevaar te brengen, verheerlijken wij God. God zegt: “Beproeft Mij nu” Heilige, wilt u Hem die eer onthouden? Wilt u nalaten datgene te doen wat Hem in de ogen van de wereld met nog meer heerlijkheid zal kronen? O, beproef Hem, want juist daardoor zult u Zijn Naam verheerlijken.

Beproef Hem opnieuw, want u hebt Hem eerder al beproefd. Kunt u zich niet herinneren hoe diep u ooit gezonken was, en hoe u toch kon zeggen: Deze ellendige riep en de HEERE hoorde; zain Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden”? Wat? Wilt u Hem dan niet opnieuw vertrouwen?

Herinnert u zich niet hoeveel goedheid u van Hem hebt ontvangen? Toen u moest zeggen: “Mijn voeten waren bijna uitgegleden, mijn schreden waren haast uitgeschoten,” heeft Hij u toen niet ondersteund, zodat u met de psalmist kon belijden: “Ik zal echter voortdurend bij U zijn, U hebt mijn rechterhand gegrepen”? Als Hij u tot nu toe heeft gedragen, waarom zou u er dan niet op vertrouwen dat Hij dat ook in de toekomst zal doen?

Ga deze uitdaging nogmaals aan. Stel Gods Woord op de proef, precies zoals Hij u zelf heeft opgedragen, en zie hoeveel zegen het u zal brengen. Geliefde broeders, wij dragen in deze wereld vaak tien keer meer zorgen dan nodig is, omdat wij niet half zo veel op Gods beloften vertrouwen als wij zouden kunnen. Als wij meer naar Gods beloften zouden leven en minder naar onze gevoelens, zouden wij veel gelukkiger zijn. Als wij voortdurend in geloof zouden leven, gegrondvest op Zijn beloften, dan zouden de pijlen van de vijand ons niet kunnen raken.

Laten wij Hem daarom steeds opnieuw op de proef stellen. Hoeveel goeds heeft de heer Müller niet gedaan door God op de proef te stellen! God riep hem tot een bijzonder werk. Wat deed hij? Hij bouwde een weeshuis en vertrouwde volledig op God. Hij beschikte niet over een vast inkomen, maar leefde uit het geloof en het gebed. Hoewel hij soms tot zijn laatste shilling was teruggebracht, gebeurde het toch nooit dat zijn kinderen aan tafel gingen zonder voldoende brood.

Ons werk kan verschillen van het zijne, maar wat onze roeping ook is, laten wij die zo uitvoeren dat iedereen die ons leven ziet, moet zeggen: Hij heeft God op de proef gesteld met die belofte, en zijn leven was een voortdurend bewijs dat Gods Woord niet heeft gefaald. Welke belofte u ook hebt ontvangen, laat uw leven de bevestiging ervan zijn. Zoals bij een stelling van Euclides eerst een waarheid wordt uitgesproken en vervolgens wordt bewezen, zo moge er aan het begin van ons leven een belofte van God staan, die aan het einde zichtbaar vervuld, bewezen en bevestigd blijkt te zijn.

Maar, geliefde vrienden, laat mij afsluiten met een woord tot hen die zich bewust zijn geworden van hun verloren en hopeloze toestand. Onthoud deze boodschap: “Beproeft Mij nu.”

Zo spreekt mijn God tot u, o zondaar: “Ieder die de Naam van de Heere aanroept, zal zalig worden.” Mijn beste toehoorder, bent u verloren en geruïneerd? Beproef God dan nu. Hij zegt: “Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden.” Kom dan en roep tot Hem.

“Klop,” zegt Hij, “en er zal voor u worden opengedaan.” Hef daarom de klopper van de hemelse deur op en klop met al uw kracht. En als u zelfs daarvoor te zwak bent, laat de klopper dan maar in uw zwakheid neervallen. Hij heeft immers gezegd: “Ieder die bidt, die ontvangt; wie zoekt, die vindt; en voor wie klopt zal opengedaan worden.”

Ga dan en beproef die belofte. Bent u een arme, zieke en gewonde zondaar? Er wordt u verteld dat Jezus Christus zowel bereid als machtig is om uw wonden te genezen en het gif van de zonde uit uw aderen weg te nemen. Beproef Hem dan, arme ziel, beproef Hem.

U denkt misschien dat u verloren bent. Juist daarom dring ik er bij u op aan om deze belofte te beproeven: “Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelgt omwille van Mijzelf, en aan uw zonden denk Ik niet.” Breng deze belofte tot Hem en zeg: “O God, geef mij geloof om op Uw Woord te vertrouwen. Ik weet dat U meent wat U zegt. U hebt vanmorgen door de mond van Uw dienaar gezegd: ‘Beproef Mij nu.’ Heere, ik zal U nu beproeven. Zelfs als U mij vandaag niet direct antwoordt, zal ik mij blijven vastklampen aan Uw belofte.”

Doe dat, geliefden, en het zal niet lang duren voordat u kunt zingen: “Ik ben vergeven, ik ben vergeven! Ik ben een wonder van genade.”

Blijf niet staan met de gedachte: “God zal iemand als ik niet horen; mijn ziekte van de ziel is te ernstig om genezen te worden.” Nee, ga tot Hem. Raak slechts de zoom van Zijn kleed aan. En als uw wond dan niet genezen wordt, ga dan de wereld vertellen dat Gods belofte onwaar is — als u dat durft. Maar ach, dat zult u niet kunnen. Want wanneer u de zoom van Zijn kleed aanraakt, weet ik wat u zult zeggen: Ik heb geproefd dat de Heere goed is. Hij zei: ‘Vertrouw op Mij, en Ik zal u verlossen.’ Ik heb op Hem vertrouwd, en Hij heeft mij verlost.”

Want Gods belofte faalt nooit. Daarom klinkt Zijn oproep nog steeds:

“Beproef Mij nu.”

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content