Gezegende Tuchtiging

Een preek uitgesproken op donderdagavond 24 mei 1888 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle in Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Welgelukzalig is de man, o HEERE, dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet, Te weten om hem tot verstand en tot kennis van U en van zichzelven te brengen. Om hem rust te geven van de kwade dagen, totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt. Dat is, totdat de goddeloze tot zijn verderf komt. Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten. Want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid, en alle oprechten van hart zullen hetzelve navolgen. Psalm 94:12-15

Er zijn momenten waarop het lijkt alsof de goddelozen hun zin krijgen. Deze aarde is niet de plaats van het definitieve recht; wij staan nog niet voor de grote rechterstoel van de Heere. God laat toe dat veel zaken een tijdlang verwarrend blijven. Zij die bij Hem het hoogst staan, staan bij de mensen vaak het laagst; en zij op wie Hij geen acht lijkt te slaan, verzamelen de schatten van deze wereld, totdat hun ogen uitpuilen van overvloed en zij meer bezitten dan hun hart kan wensen.

Laat geen enkel kind van God zich hierover verbazen. Zo is het altijd geweest. Het is een raadsel dat de wereld heeft verbaasd, en ook Gods kinderen hebben zich erover verwonderd. Zij hebben erover nagedacht en eronder gezucht, maar hun zuchten hebben de werkelijkheid niet veranderd. Nog steeds komt het voor dat de goddelozen triomferen en de dienaren van de ongerechtigheid zich verheugen op de hoge plaatsen van de aarde.

De rechtvaardigen hoeven zich er daarom niet over te verbazen dat zij lijden. Dat is altijd het lot van Gods volk geweest. Er zijn tijden geweest waarin het leek alsof God doof was voor de kreten van Zijn lijdende kinderen. Denk aan de dagen van de martelaren en aan de tijd van de Covenanters, die als patrijzen over de bergen werden opgejaagd. Verwonder u er dus niet over als de gemakkelijke plaatsen op aarde niet voor u bestemd zijn, en als juist de zware taak van een wachter u wordt toevertrouwd. Zo is het, en zo moet het zijn, want God heeft het zo beschikt. Om de kinderen van de Heere te troosten die onrustig worden omdat de dingen niet gaan zoals zij wensen, heb ik deze tekst gekozen. Moge de Heere hem tot hun zegen maken.

I. Allereerst wil ik u erop wijzen dat GODS KINDEREN ONDER TOEZICHT STAAN.

Andere kinderen mogen rondrennen en vrij nemen; zij mogen het bos in gaan, bloemen plukken en doen wat zij willen. Maar Gods eigen kinderen moeten naar school. Dat is een groot voorrecht, al zien zij dat zelf niet altijd zo. Kinderen zijn immers geen goede beoordelaars van wat werkelijk goed voor hen is. Wij zouden misschien graag willen spijbelen, onze schooltas neerleggen, het schoolgebouw verlaten en naar eigen inzicht rondzwerven; maar onze hemelse Vader heeft ons te lief om dat toe te laten. Omdat wij Zijn kinderen zijn, wil Hij ons vormen en voorbereiden op de hoge bestemming die ons wacht.

Let erop hoe deze opvoeding in de tekst wordt beschreven. Het eerste woord dat genoemd wordt, is “tuchtigt”: “Welgelukzalig is de man, o HEERE, dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet.” Het is alsof de tuchtiging het belangrijkste onderdeel van het onderwijs vormt, zo nadrukkelijk wordt het op de eerste plaats gezet. In Gods school bestaat de roede nog steeds; bij de Heere is tuchtiging een vorm van onderricht. Hij verwent Zijn kinderen niet, maar tuchtigt hen, ja, zelfs streng, zoals de apostel zegt. Juist degenen die Hij het meest liefheeft, worden het meest getuchtigd: “Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt.”

Sommigen van ons weten uit ervaring wat het betekent om zo onderwijs te ontvangen. Ik heb u vaak gezegd dat ik vrees dat ik nooit iets van God heb geleerd zonder de roede; en als ik terugkijk, moet ik dat opnieuw bevestigen. De zachte lessen ben ik soms vergeten, maar wat mij door tuchtiging werd geleerd, is mij bijgebleven.

Onlangs sprak ik een vriend die precies het tegenovergestelde zei. Hij kon zich geen enkel voordeel herinneren dat hij ooit uit tuchtiging had ontvangen en meende dat al het goede dat hij van de Heere had gekregen, voortkwam uit zachtheid en voorspoed. Ik ben daar niet met hem over in discussie gegaan, want de ervaringen van Gods kinderen verschillen. Maar dit weet ik, beste vrienden: sommigen van ons hebben veel geleerd door de tuchtigende roede van de Heere.

Zo leren wij bijvoorbeeld het kwaad van de zonde kennen. “Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik; maar nu onderhoud ik Uw woord.” Er zijn smarten die duidelijk het gevolg zijn van onze eigen dwaasheid. Wij moeten de oogst binnenhalen van het zaad dat wij zelf hebben gezaaid, en daardoor leren wij dat het een bittere en schadelijke zaak is om tegen God te zondigen. Dat is een belangrijke les. Ik zou wensen dat meer mensen die grondig leerden. Vooral sommige belijdende christenen lijken nauwelijks te beseffen hoe ernstig zonde is, terwijl juist de tuchtigende hand van God ons dat vaak leert.

Onze tuchtiging leert ons ook hoe onbevredigend wereldse dingen zijn. Wij raken gemakkelijk gehecht aan wat wij bezitten. Het is moeilijk om met goud om te gaan zonder dat het aan uw vingers blijft kleven; en wanneer het eenmaal in uw beurs zit, is er veel genade nodig om te voorkomen dat het ook uw hart binnendringt. Zelfs onze kinderen kunnen tot afgoden worden, en gezondheid en comfort kunnen ons God doen vergeten. Beproeving heeft echter een andere uitwerking. Wanneer de kalebassen verdwijnen, valt het volle zonlicht op ons. Hoe vaak heeft God de bladeren van onze bomen geschud, zodat wij de hemel zagen die wij daarvoor niet opmerkten! Door verlies leren wij dat alles wat wij bezitten vergankelijk is, en dat tijdelijke vreugden ons hart nooit kunnen vervullen.

Leren wij door beproeving niet ook onze eigen zwakheid en ons ongeduld kennen? Wij zijn vaak opmerkelijk geduldig zolang wij niets te lijden hebben, net zoals wij onszelf moedige helden vinden zolang er niet gevochten hoeft te worden. Wij zeggen dan: “Wat een sterk geloof heeft die broeder, wat een groot vertrouwen heeft die zuster!” en wij zijn geneigd hen te benijden. Maar het doet denken aan de fabel van het hert dat trots was op zijn prachtige gewei en dacht dat hij zich gemakkelijk tegen honden kon verdedigen. Zodra hij echter het geblaf van een jachthond hoorde, sloeg hij op de vlucht en rende net zo hard als de rest van de kudde. Zo gaat het ook met mensen die denken een groot geloof te hebben zolang het niet wordt beproefd. Leg hen eens een tijd op een ziekbed, en u zult zien hoe anders het klinkt. Dan leren wij hoe groot onze zwakheid werkelijk is, wanneer de ene steun na de andere wegvalt en Gods tuchtigende hand zwaar op ons rust.

Leren wij dan niet ook de waarde van het gebed kennen? Ik zei eens tegen een vriend: “Hebt u tijdens uw beproeving niet veel meer gebeden dan voorheen?” “O ja,” antwoordde hij, “dat geef ik toe— ‘Beproevingen geven het gebed nieuw leven.’” Bidden wij ooit zo oprecht als wanneer alles onder onze voeten lijkt weg te zinken en onze zoetste bekers met bitterheid gevuld zijn? Dan wenden wij ons tot God en zeggen: “Laat mij zien waarom U met mij strijdt.” Ik denk niet dat wij in tijden van voorspoed ooit zo vurig bidden als in tijden van tegenspoed.

En hoe kostbaar worden de beloften dan! Zoals wij de sterren pas zien wanneer de nacht valt, zo beginnen de beloften te schitteren als sterren wanneer wij in de duisternis van beproeving terechtkomen. Er zijn gedeelten van de Schrift vol troost waarvan wij de diepte niet kennen, totdat wij zelf door diepe zielsbenauwdheid gaan. Zoals een landschap pas ten volle zichtbaar wordt vanaf een bepaald uitkijkpunt, zo leert God ons door tuchtiging Zijn beloften beter begrijpen en waarderen. En, geliefde vrienden, hoe zouden wij ooit de trouw van God leren kennen zonder verdrukking? Wij kunnen erover spreken en het verstandelijk begrijpen, maar de zekerheid van Gods liefde en trouw wordt vooral ervaren in de weg van beproeving.

Ik zou eindeloos kunnen spreken over de zegeningen van tegenspoed. Velen van u, ervaren kinderen van God, weten daar nog meer van dan ik, want sommigen hebben diepere wateren bevaren. Toch heb ook ik iets van die diepte geproefd. Het is duidelijk: tuchtiging is een goddelijke leerschool. Wie de meest op Christus lijkende gelovigen wil vinden, moet zoeken onder hen die de vurige oven van beproeving hebben leren kennen. Let er ook op dat de roede nooit losstaat van het Woord. Er staat: “Welgelukzalig is de man, o HEERE, dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet.” De roede en het Woord horen bij elkaar. De roede drijft ons naar het Woord, en het Woord verklaart de betekenis van de roede. Beide zijn nodig om werkelijk onderwezen te worden.

De Bijbel is ons schoolboek. In het begin is het ons leerboek, en hoe verder wij groeien, hoe dieper wij de rijkdom ervan ontdekken. In tijden van beproeving zoeken wij er troost in. Wij bladeren erin en zoeken naar een woord dat past bij onze nood. Zoals een slotenmaker verschillende sleutels probeert totdat hij de juiste vindt, zo vinden wij uiteindelijk een belofte die precies aansluit bij onze situatie. Dan begrijpen wij dat de belofte en onze nood als het ware voor elkaar gemaakt zijn. Het Woord dient ons niet alleen tot troost, maar ook tot leiding. Hoe vaak hebben wij niet in onzekerheid verkeerd en verlangd naar duidelijke richting! Dan hebben de waarheden van Gods Woord ons de weg gewezen, even duidelijk alsof een profeet tot ons sprak. Wij zochten raad bij de Heere, en Hij antwoordde ons, zodat wij wisten welke weg wij moesten gaan.

En juist in zulke omstandigheden ervaren wij ook de kracht van het Woord. Wanneer alles rustig is, kan het Woord voor ons als een dode letter lijken; maar wanneer de golven van beproeving over ons heen slaan, leren wij de kracht en zoetheid ervan kennen. Dan wordt het levende werkelijkheid in ons hart. Zo zien wij hoe deze twee samenkomen: “Welgelukzalig is de man, o HEERE, dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet.” O Heere, gebruik de roede wanneer dat nodig is, maar blijf ons vooral onderwijzen door Uw Woord. Wij zijn trage leerlingen, maar U kunt ons vormen.

Daarbij komt nog iets: God Zelf is onze Leraar. Hij geeft ons niet alleen een boek en laat ons vervolgens aan onszelf over, maar Hij onderwijst ons persoonlijk. Geen leraar is zo wijs, zo geduldig en zo bekwaam als Hij. Hij weet precies wat wij nodig hebben en hoe Hij ons hart kan bereiken. Gelukkig zijn zij die God als hun Leraar hebben. Ook al gaan hun dagen soms gepaard met tranen en ontvangen zij lessen onder de roede, toch zijn zij gezegend. “Welgelukzalig is de man, o HEERE, dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet.”

Tot zover ons eerste punt.

II. Wat ons tweede punt betreft, ik zal hier kort, heel kort, iets over zeggen. We hebben ons beziggehouden met de opvoeding van Gods kinderen; laten we nu eens stilstaan bij GODS KINDEREN DIE OPGEVOED ZIJN.

De Heere heeft Zijn kind om deze reden getuchtigd en onderwezen: “Om hem rust te geven van de kwade dagen, totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt.” “Wat?” vraagt u misschien, “getuchtigd om ons rust te geven? Meestal verstoort tuchtiging juist onze rust.” Dat is waar bij menselijke tuchtiging; maar in Gods hand is het juist de weg waarlangs Hij Zijn volk tot ware rust brengt.

Allereerst leren wij te rusten in de wil van God. Onze eigen wil is van nature koppig, en wanneer wij getuchtigd worden, verzetten wij ons aanvankelijk, zoals een os die niet gewend is aan het juk. Maar geleidelijk leren wij dat wij het juk moeten dragen. Daarna gaan wij nog een stap verder: wij erkennen dat wij het niet alleen moeten dragen, maar dat het goed is, zelfs als God ons iets oplegt wat zwaar voelt. En na verloop van tijd begint het juk ons zelfs te passen.

Misschien zullen wij niet snel zover komen als Samuel Rutherford, die zich afvroeg of hij Christus meer liefhad dan zijn kruis, omdat het kruis hem zoveel zegen had gebracht. Zo ver zijn wij meestal nog niet. Toch kunnen wij wel dit zeggen: wij hebben geleerd dat het zoet is om stil in Zijn hand te liggen en geen andere wil te kennen dan de Zijne.

Wanneer wij ons verzetten tegen Gods wil, vergroten wij slechts ons eigen verdriet. Onze eigenzinnigheid is vaak de bron van ons diepste lijden. Geef u over, en u hebt gewonnen; onderwerp u aan God, en u ontvangt de zegen waarnaar u verlangt. De bitterheid verdwijnt uit het lijden zodra wij bereid zijn het te dragen, omdat God het zo beschikt.

Wij groeien geestelijk wanneer wij leren rust te vinden na onze beproevingen. Wanneer een moeilijke periode voorbij is, ervaren wij vaak een diepe vreugde. Het was zo bij onze Meester: Hij was bij de wilde dieren geweest en door de duivel verzocht, maar daarna kwamen de engelen en dienden Hem. Zo is er ook voor de gelovige vaak een heldere glans na de storm. Soms is er geen gelukkiger tijd dan die van herstel, wanneer iemand na ziekte weer langzaam kracht ontvangt. Zo schenkt God Zijn kinderen vrede nadat Hij hun moeite wegneemt, maar ook midden in die moeite. Zo leren wij rusten, zelfs in tegenspoed. De Heere tuchtigt ons om ons standvastig te maken, zodat wij volharden terwijl de beproeving nog voortduurt.

Ik heb vaak de bijzondere goedheid en tederheid van de Heere ervaren in tijden van nood. Niet omdat het voor Hem iets uitzonderlijks is, maar omdat Hij het doet wanneer niemand anders het kan of wil doen. Hij troost ons juist wanneer geen mens dat vermag. Nog onlangs ervoer ik dit op een opmerkelijke wijze. Ik was bedroefd en neerslachtig, toen een buitenlandse officier, een man van aanzien uit het Italiaanse leger, mij kwam bezoeken. Hij sprak mij bemoedigend toe en vertelde dat hij door een preek van mij, die hij in het Italiaans had gelezen, tot kennis van Christus was gekomen. Hij had daarna de Bijbel gelezen en daarin de Heere gevonden. Zijn woorden waren voor mij tot grote vertroosting. Toen besefte ik: mijn Meester heeft deze man van ver gezonden, precies op het moment dat ik deze bemoediging nodig had. Waarom? Omdat Hij het behaagt Zijn kinderen, nadat zij bittere medicijnen hebben moeten innemen, ook iets zoets te geven.

Wees daarom bereid om het medicijn te ontvangen dat God u geeft. Wie zich verzet, kan een zwaardere tuchtiging verwachten. Moge God ons de genade geven om zo te lijden en te volharden dat wij ons geheel aan Hem overgeven. Dan zal Hij Zijn onderwijs in ons voltooien, en zullen wij leren rusten, zelfs in de dagen van tegenspoed. Er valt nog veel meer te zeggen, bijvoorbeeld over het leren verder kijken dan dit leven, maar daarvoor ontbreekt nu de tijd.

III. Ten slotte komen wij bij dit derde punt: GODS KINDEREN BLIJVEN HEM DIERBAAR. Wij hebben hen gezien in de leerschool van beproeving, waar zij werden getuchtigd en onderwezen; maar nu zien wij hoe kostbaar zij voor de Heere blijven. Want er staat: “Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten.”

De Heere verstoot Zijn volk niet. Soms bent u terneergeslagen, maar nooit verstoten. Mensen kunnen u afwijzen, maar de Heere doet dat niet. Zelfs wanneer u in de smeltoven wordt geworpen, bent u niet verlaten. Het metaal dat in het vuur wordt gebracht, wordt niet weggegooid, maar juist gezuiverd omdat het waarde heeft. Zo is het ook met u: wanneer u in de hitte van beproeving komt, is dat niet om u te vernietigen, maar om u te reinigen en geschikt te maken voor Zijn dienst. “In de smeltoven zal God u misschien beproeven, opdat u er des te zuiverder uit tevoorschijn komt;
maar Hij zal nooit ophouden u lief te hebben. U bent kostbaar in Zijn ogen. God is met u, God is uw eeuwig licht.”

“De Heere zal Zijn volk niet begeven.” Houd vast aan die kostbare zekerheid. Zelfs als satan u influistert: “De Heere heeft u verstoten”, geloof het niet; het kan eenvoudig niet waar zijn. De duivel heeft zijn verstotenen, maar God niet. Integendeel, Hij neemt juist de verstotenen van de duivel en maakt hen tot trofeeën van Zijn machtige genade. En wanneer Hij dat heeft gedaan, behoren zij tot Zijn volk, van wie de psalmist zegt: “De Heere zal Zijn volk niet begeven.”

Daarbij komt dat de Heere Zijn volk ook nooit zal verlaten, want er staat: “Hij zal Zijn erve niet verlaten.” Hij heeft hen uitgekozen tot Zijn erfdeel, Hij heeft hen gekocht als Zijn eigendom, en Hij zal hen nooit loslaten. U zult altijd door de Heere gedragen worden, maar nooit door Hem verlaten. U zult altijd Zijn eigendom blijven, bewaard en beschermd tegen elke vijand, want Hij zal Zijn erfdeel niet prijsgeven.

Ik hoef hier niet veel meer aan toe te voegen. Het is genoeg om u te herinneren aan die kostbare woorden van onze genadige Vader, die zo vaak in Zijn Woord terugkeren: “Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten.” Neem deze woorden ter harte en voed uw ziel ermee. Moge God u de volle troost ervan doen ervaren.

IV. Ik sluit dan ook af met dit vierde punt: GODS VOLK ZAL UITEINDELIJK IN HET GELIJK WORDEN GESTELD: “Want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid, en alle oprechten van hart zullen hetzelve navolgen.”

Op dit moment lijkt het oordeel verdwenen. Het is als het ware teruggetrokken, achter het voorhangsel, en niet zichtbaar aanwezig onder ons. Toch zijn er goede redenen waarom het zich zo verbergt. Misschien is het teruggetrokken om het geloof van Gods volk te beproeven. De Heere grijpt de goddelozen nu niet onmiddellijk aan en straft de huichelaar niet terstond, zoals Hij zou kunnen doen wanneer Hij strikt naar recht zou handelen. Het oordeel is voor een tijd verborgen, al ontgaat Hem niets en wordt alles nauwkeurig vastgelegd. Het is ook teruggetrokken opdat er nog genade kan worden betoond, zodat mensen zich kunnen bekeren en leven; want God wil niet dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen. Het oordeel blijft uit totdat de maat van de zonde vol is, totdat de kuil voor de goddelozen gereed is.

Wees daarom niet ongeduldig, kind van God. De Heere heeft de tijd van Zijn ingrijpen bepaald. Want er staat: “Het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid.” Er komt een dag dat de bazuin zal klinken, die laatste en allesdoordringende toon, en dan zal de Rechter verschijnen. Hij zal alle onrecht rechtzetten, alle ongerechtigheid bestraffen en al het goede belonen. Het oordeel zal terugkeren. Wij weten niet wanneer, maar het zal zeker gebeuren. Christus zal wederkomen. Zoals Hij ten hemel is opgevaren, zo zal Hij ook terugkomen. Hij zal de aarde oordelen in gerechtigheid en Zijn volk in waarheid. Zie, Hij komt!

En wat zal er dan gebeuren? Dan zal het oordeel door de godvrezenden met vreugde worden ontvangen. “Alle oprechten van hart zullen hetzelve navolgen.” De gerechtigheid zal vooropgaan, en het volk van God zal haar volgen in een heerlijke stoet. Zij zullen de lof van hun Heere horen: “Goed gedaan, goede en trouwe dienaar.” Met kronen op hun hoofd, die zij vervolgens neerwerpen aan de voeten van de troon, zullen zij belijden: “Gij, Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht” De heiligen zullen tevoorschijn komen, stralend als de zon in het Koninkrijk van hun Vader, en God zal in hen verheerlijkt worden.

U die de Heere liefhebt, wees daarom niet ongeduldig om dit alles vervuld te zien. Leg uw zaak in de hand van Hem die alles rechtvaardig zal oordelen.

Laat dit tot slot duidelijk zijn: vervloekt is hij die nooit de tuchtigende hand van God heeft gevoeld en nooit aan Zijn voeten heeft gezeten om van Hem te leren; maar waarlijk gezegend is hij die zich geheel overgeeft om een discipel van de Heere te zijn. Moge dat voor ieder van u gelden, omwille van onze Heere Jezus Christus. Amen.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content